Column over Afrikaanse wielrenners in De Morgen van zaterdag 2 april 2022

De witte Afrikaan

Die tienduizenden die Biniam Girmay eerder deze week verwelkomden in Asmara, hoofdstad van Eritrea, die stonden er niet. De fotografen hadden het geluk dat er kleurige schoolklasjes in schattige uniformpjes naar buiten waren gekomen – gestuurd? – om hun nieuwe held en de bevrijder van het Afrikaans wielrennen te begroeten.

‘Bini’ maakt ons ook blaasjes wijs als hij beweert dat wielrennen in Eritrea, een harde dictatuur van nog geen dertig jaar oud, sport nummer één is. Dat is voetbal, zoals overal in de wereld (behalve in Noord-Amerika). Maar zoals in elk land wordt een andere sporter bij internationaal succes tijdelijk aan de borst gedrukt als nationale held. Dat is hem van harte gegund.

De Eritreeër Girmay heeft vorige zondag Gent-Wevelgem gewonnen. Dat ging niet zonder slag of stoot, dat was verdiend, dat was erg mooi om te zien, dat was alles wat sport zo beklijvend maakt. Maar dit was géén mijlpaal in de wielerhistorie en nog minder een dijkbreuk voor koers in Afrika.

Girmay is een zeer getalenteerde Afrikaan – waarvan er al meer waren, maar die hadden minder geluk – die toevallig een grote wedstrijd won. Wielrennen als sport is erg gesloten. Hoe minder toegankelijk een sport, hoe groter het genetisch potentieel dat ze onbenut laat.

Er zijn weinig continenten met meer fietsen in omloop dan Afrika, alleen zijn dat meestal van die goedkope Indiase stalen transportmiddelen. Uiteraard kunnen Afrikanen fietsen, en niet alleen Afrikanen. Een heel groot deel van de wereldbevolking blijft verstoken van deze sport en dat zal niet snel veranderen. Wielrennen kan nog progressie boeken omdat een deel van de ideale combinatie van sportgenen op deze aardbol niet wordt gebruikt.

Denk aan Afrikanen die op hoogte leven (en geen fiets hebben), maar ook de bewoners van de Andes, Tibetanen, Nepalezen, Ladakhi, Pakistanen, zolang ze maar op hoogte leven en hun systeem veel rode bloedcellen produceert. Sherpa’s die hun uithouding combineren met gerichte krachttraining op de fiets, dat zou een schitterend experiment zijn.

Hoogte is de meest in het oog springende factor. Sportfysiologen hebben het ook weleens over pygmeeën met hun 45 à 50 kilo en die enorme spiermassa in hun benen. Zet die op de fiets en je krijgt een ras klimmers waar Quintana en Froome niet tegenop kunnen. Of misschien wel baanwielrenners, wie weet? Wonen pygmeeën soms op grote hoogte? Stel je voor wat dat zou geven. Overigens geldt de theorie van het onaangeroerd genetisch potentieel voor alle sporten in de wereld, behalve basketbal. Zelfs voetbal mist een deel talent omdat het in Noord-Amerika maar de vijfde sport is voor mannen.

Atletenmanager Jos Hermens en zijn Global Sports Communication, zo las u deze week in deze krant, willen zich op het wielrennen in Afrika storten zoals ze met veel succes de langeafstandslopers hebben begeleid. De boutade luidt dan al snel: als Afrikanen kunnen doorbreken in het voetbal en het afstandslopen, waarom dan in het wielrennen niet?

Het antwoord daarop is erg simpel: lopen in Kenia gebeurt op de aardewegen blootsvoets, voetballen op achterafveldjes met een bal gemaakt van afval en touwen. Wielrenners hebben een fiets nodig en liefst geen model uit India met een terugtraprem. Lopen en voetballen zijn van de goedkoopste sporten om in te stappen, sportief fietsen is van de duurste, duurder dan golf.

Om renners in Afrika op te leiden heb je een model nodig zoals in Kenia en Ethiopië. Een loopkamp is evenwel een investering van niks vergeleken bij de logistieke en financiële hocuspocus van een wielercentrum. De kans dat Girmay als een toevallige anekdote in het Grote Koersboek wordt opgenomen, is dus veel groter dan dat hij historie zal hebben geschreven en we na hem een golf van Eritreese, Keniase, Ethiopische of Soedanese klassieke overwinningen mogen noteren. Bovendien, wat heet historisch? Er zijn al grotere prijzen gewonnen door een Afrikaan dan Gent-Wevelgem. Chris Froome was nog Keniaan toen hij als belofte voor het eerst op een WK verscheen. Dat was in 2006 in Salzburg en in de tijdrit reed hij een suppoost omver in zijn eerste bocht.

Froome nam later voor het gemak een Brits paspoort, maar was verder een echte Afrikaan, geboren en getogen op hoogte, ook niet bepaald opgegroeid in rijkdom, maar wel in het bezit van een degelijke mountainbike. Hij begon te fietsen in de sloppenwijk Kibera bij de fietsclub Safari Simbaz. Later zou hij zeven grote rondes winnen. Alleen Merckx, Hinault en Anquetil deden beter. De beste ronderenner van deze eeuw is dus een Afrikaan. Alleen geen zwarte, maar doet dat ertoe?

Column over F1 in De Morgen van 27 maart 2022

F1 is geen sport

Een spel, een bezigheid, een tijdverdrijf moet aan een aantal criteria voldoen om als sport te kunnen doorgaan. Die is destijds in Keulen aan de Sporthoch-schule in een zomercursus met een groep journalisten gedefinieerd. Er moet ten eerste sprake zijn van een fysieke activiteit, met een effect op de bloedsomloop. Een hartslag die omhoog gaat van de spanning alleen, dat telt niet. Denk in dat verband aan gamen. Of hengelen. Of biljarten. Of schieten.

Ten tweede moet er sprake zijn van vooraf opgestelde, afgesproken en algemeen geldende regels. Ten derde: de regelgebonden inspanning moet onder de vorm van een competitie tegen een tijd, volgens een score of om ter eerst.

Er is een vierde criterium nodig om van volwaardige sport te kunnen spreken: het moet een beetje eerlijk verlopen en de beste sporter (m/v/x) moet de meeste kans hebben op winst. Oké, voetbal heeft af en toe weinig vandoen met eerlijkheid. Het verschil tussen voetbal en toeval is de letter b van bal, ook deze wijsheid van deze rubriek vol wijsheden moet u inmiddels kennen. Desalniettemin haalt door de competitievorm van opeenvolgende wedstrijden ook in voetbal de kunde het vaker van geluk dan omgekeerd.

De meest oneerlijke sport ter wereld, en dus geen sport, dat moet formule 1 zijn. Er is sprake van een inspanning, dat zeker. De rijders zijn topatleten, getraind tot en met. Er is sprake van regels, meer dan ons en de rijders lief is. Om alle regels te kennen moet je burgerlijk ingenieur in bijstudie hebben gedaan. En er is uiteraard sprake van competitie, te beginnen met de strijd om in leven te blijven terwijl je strijdt tegen andere rijders. En tegen andere auto’s. Maar de F1 is geen eerlijke sport.

De laatste keer dat ik naar de F1 keek, was vorig jaar ergens in het Midden-Oosten waar de laatste wedstrijd van het jaar werd gereden en die werd gehypet als de ultieme showdown tussen de twee beste rijders van het lot: Max Verstappen en Lewis Hamilton. De laatste keer dat het in deze rubriek over de F1 ging was dan ook in de eerstvolgende column na die race. Dat resulteerde in de verwondering van iemand die al zijn hele leven professioneel naar sport kijkt en tot zijn niet geringe verbazing ziet hoe een voorsprong wordt afgepakt door een externe factor.

Die factor was het ongeval van een andere collega. En daardoor won niet de rijder die een comfortabele voorsprong had en zou gaan winnen, maar wel een andere rijder en een andere auto. Correctie en nog erger: het waren de nieuwste banden die wonnen. Hoe Max Verstappen won van Lewis Hamilton, dat was oneerlijk naar de standaarden van 99,999 procent van de sporten. Dat onze Nederlandse vriend (met Belgische moeder, dat moet er ook altijd bij) wellicht intrinsiek de beste stuurman is van het hele veld, dat deed niets ter zake.

Lewis Hamilton is deze winter van de beste en vervolgens op één na beste ineens een hele slechte rijder geworden. Gisteren moest hij op de zestiende plek starten nadat hij in de oefensessies niet eens een bocht deftig kon nemen. Was hij een wielrenner geweest, dan lagen de vragen voor de hand. Corona gehad? Te laat beginnen trainen? Te veel gezopen in november en december? Voor een voetballer waren die vragen gelijklopend, denk maar aan de pudding Eden Hazard, hoe die in Madrid in elkaar is gezakt.

Sporza kwam met antwoorden opgetekend uit de mond van hun analist Sam Dejonghe, die zelf in een onderklasse van een autocompetitie rijdt. In het voetbal zou het raar zijn als een spits uit tweede provinciale analist zou zijn voor de Champions League, maar in de supertechnische F1 is dat niet erg. Nu, die Dejonghe kent er wat van. Hij had het over porpoising, het op en neer wiebelen als een bruinvis (a porpoise is een bruinvis, jawel) van de wagen. Die bruinvis in het chassis van Lewis is een hoofdpijndossier bij Mercedes.

Ik citeer verder: “Ze hebben geprobeerd om veel aan de vloer van de auto te veranderen. Dat ging de goede richting uit, maar in de F1 zit het in zulke kleine dingen… Misschien ligt het zwaartepunt nu weer iets te hoog. Elke gewijzigde millimeter kan een enorme impact hebben.” Of nog: “Het zou kunnen dat ze bij Mercedes het aspect van de nieuwe benzine onderschat hebben.”

Porpoising. Zwaartepunt. Nieuw benzine. WTF? In echte sport mag dat er allemaal niet toe doen. In formule 1 wint niet de beste rijder, maar de rijder die de beste auto onder zijn kont heeft. F1-fanaten vinden dat heel erg oké, zelfs deel van de sport, maar dat is het niet en F1-fanaten zijn derhalve geen echte sportliefhebbers. F1 zal pas echte sport zijn als ze allemaal aan de start komen met dezelfde auto, bij voorkeur een elektrische. Zelfde carrosserie, zelfde PK’s. Tot dan, geen woord meer over de ongein F1.

Column over Overmars in De morgen van zaterdag 26 maart 2022

Overmars

Rusland heeft zich in extremis kandidaat gesteld voor het Europees kampioenschap van 2028. En, zo lieten de Russen uitschijnen, als dat van 2028 niet kan – om welke reden dan ook, bijvoorbeeld dat ‘dingetje’ nu met Oekraïne – no worries, het EK van 2032 mag ook. Die plannen komen recht uit de koker van de FC Kremlin.

Gek van sport enerzijds en anderzijds Europa maar wat graag op de zenuwen werken, het vindt elkaar in deze kandidatuur. Het parallel universum van Poetin en dat van het voetbal kruisen elkaar wel vaker. De UEFA heeft de kandidatuur van de Russische voetbalbond alvast niet onmiddellijk verworpen.

Van een andere orde, maar zich evengoed afspelend in een parallel universum, was de aanstelling deze week van Marc Overmars als directeur voetbalzaken van Antwerp FC. Dat was een combinatie van onbeschaamdheid, wereldvreemdheid, arrogantie, agressie en je-m’en-foutisme in de overtreffende trap.

Niet iedereen in de sport is het daar mee eens. Deze week belde iemand uit een andere sport om mij de mantel uit te vegen over iets wat ik had gezegd en hoe (verkeerd) dat de media had gehaald. Hoe we uiteindelijk bij Marc Overmars uitkwamen weet ik niet meer, maar plots viel zijn naam. Die heisa was belachelijk, vond de man. Hijzelf kon met de hand op het hart getuigen dat ook mannen worden lastiggevallen, en wel door vrouwen.

Meer in het bijzonder moeders van sporters hadden hem gestalkt met expliciete foto’s en voorstellen. Daarom zat hij niet langer op sociale media. Ik probeerde eerst nog met een uitleg over situaties die niet te vergelijken zijn en daarna over machtsverhoudingen. Hielp niks. Vervolgens haalde ik het grof geschut boven in een repliek die zich laat samenvatten als ‘ik heb je hoog zitten als je het over je sport hebt, maar met je enge wereldvisie – die ik je verder niet ten kwade duid want dat is jouw schuld niet – zou ik je toch aanraden hierover te zwijgen’.

Er hielp geen lievemoederen aan, hij bleef maar foeteren op de sociale en de gewone media. Al-le-maal doorgeschoten, dat zijn we. Volgens de bedrijven die geen sponsor meer willen zijn van Antwerp FC, is niet de publieke opinie doorgeschoten, maar wel de club. Meer in het bijzonder voorzitter Paul Gheysens, die iedereen in snelheid heeft gepakt. Met als gevolg die bijzonder ongelukkige persconferentie. Tenenkrommend, hoe slecht algemeen directeur Sven Jaecques antwoordde.

Een ongemakkelijke rol in de Overmars-vaudeville was weggelegd voor de nieuwbakken woordvoerder van Antwerp, Erwin Van den Sande. Die was nog het liefst opgegaan in het decor, maar dat lukte niet. Insiders monkelden. Diezelfde Van den Sande zat vorige zomer bij dat onzalig Facebook live-gesprek dat een eigen leven is gaan leiden als het Eddy Demarez-schandaal – de denigrerende commentaren op de Belgian Cats, weet u nog? Zonder zich te kunnen verdedigen, heeft hij van de VRT daarvoor een blaam gekregen. En is daarna vertrokken, van de regen in de drop.

Mijnheer de directeur perszaken had perfect kunnen voorspellen wat de reactie zou zijn op de lompe communicatie over mijnheer de directeur voetbalzaken. Die kwam hier op neer: ziehier Marc Overmars, kijk eens welke grote vis wij hebben binnengehaald. En van de kant van Overmars: ja, er is wat aan de hand geweest bij Ajax, maar laten we het daar niet meer over hebben. Als je zo dom bent, als club, als voorzitter, als eigenaar, als algemeen directeur, als perswoordvoerder, als directeur voetbalzaken, dan is deze heisa je verdiende straf.

Hoe had Antwerp het dan wel moeten aanpakken? Als de schrik bestond dat Marc Overmars misschien bij een andere club zou landen, dan hadden ze dat gesprek met hem in de beslotenheid moeten aangaan. Dat hij zich juridisch wilde indekken tegen schadevergoedingen door nog geen excuses te formuleren, ook goed. Eventueel hadden ze hem een contract kunnen laten tekenen, hem al eens de spelerskern kunnen laten doorlichten, profielen laten opstellen ter aanwerving en alvast de markt afschuimen. Overigens niet makkelijk, wat ze in Antwerpen van Overmars vragen. Als je gewend bent met Ajax te kopen in de speciaalzaak, begin er maar aan, je mandje vullen in de Wibra.

Zo hadden ze het moeten aanpakken: Overmars in stilte halen, hem laten werken in het verborgene, nadenken over een goed moment, een goed scenario en de juiste timing om het nieuws te brengen. En bovenal: de afhandeling van de hele affaire in Nederland afwachten, want je weet niet wat daar nog boven komt drijven. Bottomline is natuurlijk: bij slimme mensen met een minimum aan normen en waarden zou de naam Marc Overmars nooit zo snel op de radar zijn verschenen. En Overmars zelf had het best wat verder gezocht: Zenit St-Petersburg of Spartak Moskou, dat was nog iets voor hem geweest.

Column Dropper post in De Morgen van maandag 22 maart 2022

De dropper

Matej Mohoric. Ik heb hem zien winnen, alleen aankomen.

In een verslag stond: …”In de afdaling nam Mohoric alle risico’s, en dit resulteerde in het lossen van de tegenstand. Op de Via Salviati had de Sloveen het echter wel lastig, maar hij behield zijn voorsprong…”

Zoek de fout.

Via Salviati, juist. San Remo heeft geen Via Salviati, wel een Via Roma. Bovenstaande knip- en plakwerk van wieleflits.nl gaat over het WK beloften van 2013 in Firenze. Een goede acht jaar geleden stond ik in de VIP-zone aan de aankomst in Firenze toen Matej Mohoric als eerstejaarsbelofte de tegenstand aan gort reed en alleen op ons afstormde. 

Het was mijn laatste WK als wielerbobo, in één van de mooiste steden van de wereld reed ik elke ochtend over het afgesloten parcours op mijn plooifietsje naar de aankomst. Dwars door de Renaissance, langs het Baptisterium en de Duomo, op die afgesleten, platte plavuizen die er al lagen toen Machiavelli er de straat overstak. 

Bij de juniores op de weg won een lange Nederlander, Mathieu en nog wat, zijn pa had ook gekoerst en heette Adrie. In de tijdrit won een tedere, schuchtere junior van wie ik nog steeds de viering achteraf met de Belgische delegatie op mijn iPhone heb staan. Igor Decraene zou net geen jaar later overlijden.

Wie die tegenstand dan wel was op dat WK voor beloften van 2013? Louis Meintjes werd tweede, de Noor Sondre Holst Enger werd derde. Dat werden geen grote coureurs, neen, dat klopt. Zij waren mogen weg rijden uit de achtervolgende groep die zich gewonnen had gegeven. Daar zat Julian Alaphilippe bij, met wie Mohoric op de laatste klim naar Fiesole dertig seconden pakte, maar de jonge talentrijke Fransman moest net voor de top afhaken. Davide Formolo reed toen ook achter hem, net als Caleb Ewan. En Simon Yates. Onze Jasper Stuyven werd 25ste op 1’14.

Die doodsverachting waarmee Mohoric zich zaterdag van de Poggio naar beneden stortte dat moet er al van bij de geboorte hebben ingezeten, dat kan haast niet anders. Hoe hij zaterdag twee keer een crash kon vermijden, probeer dat niet thuis. Probeer het zelfs niet als collega-wielrennen. Misschien moet Mohoric het zelf ook niet meer proberen, want bij dat recht blijven was meer geluk dan kunde gemoeid.

Hoe hij in die goot terechtkwam en daar uit jumpte, oké, dat kunnen er nog, maar de meesten zouden hun evenwicht dan al zijn verloren. Hoe hij daarna zijn achterwiel onder hem voelde wegglippen en dat corrigeerde, waarna hij weer ternauwernood een muur kon vermijden, dat doet hij wellicht geen twee keer. Voor hetzelfde geld en op een minder stukje wegdek laat hij daar driehonderd gram vel achter op het asfalt.

Je leest nu dat een dropper post op de fiets van Mohoric voor het verschil zou hebben gezorgd. Een dropper post is een zadelbuis die met een druk op de knop kan worden verlaagd en – net zo handig – weer kan worden verhoogd. Die techniek komt uit het mountain biken, en bestaat al sinds 1984. De hoge (normale) zadelstand is handig bij het klimmen om de volledige trapefficiëntie te kunnen gebruiken en de lage stand is dan weer handig bij het dalen.

Volgens Sven Nys heeft Mohoric een fysiek en psychologisch voordeel gehaald uit de dropper. Sven Nys is een groot renner geweest, en een degelijk mountain biker, en ik spreek hem met schroom tegen als het over de fiets en alles wat daarbij komt kijken gaat, maar sta mij toe te twijfelen aan dat voordeel. 

Psychologisch oké, maar dan eerder als placebo. Fysiek? Hoezo dan? Je kan er niet harder mee trappen, want daar voor dient de dropper niet. Wordt hier misschien fysisch, zoals in natuurkundig, bedoeld? Dan kom je al snel uit bij de aerodynamica. De afdaling van de Poggio is geen klassieke afdaling van een Alpencol, waar je negentig haalt zonder te trappen, maar bestaat uit de ene na de andere haarspeldbocht, waarna steeds weer moet worden opgetrokken. Je wint op de Poggio door te trappen, niet door niet te trappen, zowel bergop als bergaf.

Als mountain bikers hun zadel laten zakken, is dat niet om beter te kunnen trappen of een vermeend aerodynamisch voordeel. Ze willen hun zwaartepunt naar achteren kunnen verleggen om in steile afdalingen niet over kop te gaan en om de tractie op hun achterwiel behouden. Zo steil is de Poggio is niet, van aerodynamica zonder trappen is nauwelijks sprake en Matej Mohoric is minstens één, en wellicht twee keer zijn achterwiel kwijt geweest. Hij trapte ten slotte ook nog een keer door met de aankomst in zicht, maar dat loste hij zelf op. Klasse hoor, en hij won verdiend. Matej Mohoric is gewoon de beste daler van het hele peloton. Of de grootste zot, zo u wil. En hij kan vreselijk hard trappen, ook dat nog.

Column over Strava in De Morgen van zaterdag 19 maart 2022

Strava

UAE Team Emirates doet niet mee met Netflix. Erg jammer, want de kans is groot dat UAE met Tadej Pogacar de Tour wint. En als hij hem niet wint, is dat ook jammer.

Netflix wil bij de Tour-ploegen de vlieg op de wand zijn, ook in de bus. Met meerdere camera’s en met GoProotjes die je de eerste dag nog ziet hangen, maar die je na een uur koers alweer bent vergeten. De voorbeelden zijn El día menos pensado over Team Movistar en Drive to Survive, waarin Netflix de F1 van binnenuit volgde (en ook verschillende keren het winnende team niet in de loop had).

UAE argumenteert: “We hebben nu de juiste balans. We hebben al onze eigen cameraman, een fotograaf en een mediaman.” Lees: er loopt al zoveel volk rond op die bus dat we in de Tour geen behoefte hebben aan nog een baasje met een cameraatje. Bovendien, en dat zeggen ze er natuurlijk niet spontaan bij, je weet nooit wie je aan boord haalt.

UAE had wel nog een uit- smijter klaar. “We begrijpen dat andere ploegen wel meedoen, want die hebben de publiciteit nodig. Dat is voor ons niet aan de orde. Als we straks weer kunnen meedoen om de Tour-zege volstaat dat.” Anders gezegd: we hebben onze eigen prioriteiten.

Of die publiciteit overigens opweegt tegen het ongemak van die vlieg in je bus, dat zullen we eind juli weten. Voor het geld moet je het alvast niet doen, zegt Patrick Lefevere. “We krijgen peanuts van Netflix.”

Een ander gehoord argument is dat van de openheid, transparantie met een schoon woord. De wielerwappies waren er snel bij om de huis clos van ‘Pogi’ en co. verdacht te maken. Geen inkijk willen geven? Hola, wat gebeurt daar op die bus? Zouden ze daar nog transfusies steken op weg naar de start, of als ze terugkeren naar het hotel? Waar is de transparantie?

Welnu, topsport staat haaks op transparantie en dat heeft niks te maken met het verbergen van doping. In topsport kom je het best zo goed mogelijk voorbereid aan de start. Die voorbereiding gebeurt ideaal in alle rust en stilte, ver van de concurrentie. Over trainingen communiceer je zo min mogelijk, over doelen en tactieken idem. Jouw zekerheid moet de onzekerheid zijn van de tegenstand. Is hij klaar? Staat hij scherp? Hoeveel heeft hij getraind?

Vroeger had niemand daar uitstaans mee. Oké, renners die naast of achter hem trainden in de tijd van Roger getuigden daarna in de gazet over zijn goede forme en moral. Idem voor Johan Museeuw, die een rist renners meenam op training, soms concurrenten. Die wisten dan te melden: “De Johan, wat rijdt die rap zeg.”

Vandaag gaat dat er anders aan toe en dat heeft alles te maken met Strava. Onbegrijpelijk waarom toppers op zo’n openbaar digitaal platform hun trainingen openbaren. Alsof een voetbalploeg na de tactische trainingen nog eens een videootje van de geoefende standaardsituaties op de clubsite zou zetten, zo voelt dat hele Strava-gedoe aan. In de staf van sommige ploegen zijn ze daar niet onverdeeld gelukkig mee en vragen ze om specifieke trainingssessies en lactaat- en andere testen niet te delen.

Maar dan nog. Neem nu Mathieu van der Poel. Volgens Strava heeft hij vorig jaar na de Ronde van Vlaanderen nauwelijks nog gefietst. Je vindt een mountainbike-ritje in de Vlaamse Ardennen samen met Tim Merlier en dan nog twee korte crossen in de wereldbeker. Daarna niks meer. Zou hij echt een halfjaar zonder computertje hebben gereden?

In november haspelde hij op Zwift weer een toertje af. In januari was er een back-on-the-bikerit van zestig kilometer. Vanaf februari staat alles op Strava: hartslag, vermogen, cadans en uiteraard het aantal kilometer. Hij heeft dit jaar al 4.500 kilometer op de fiets gezeten.

Daar zitten indrukwekkende prestaties bij, zoals onlangs boven Calpe. Een blok van een kwartier tegen 470 watt tijdens een lange training, niet slecht. Behalve de concurrentie de ogen uitsteken ontbreekt elke logica van het delen van zo’n segment. Vandaag rijdt hij Milaan-Sanremo. Zonder Strava had hij kunnen zeggen dat hij kilometers kwam vreten en wel zou zien waar het schip strandt. Nu is het hele veld gewaarschuwd: Mathieu is terug en hij zal oké zijn.

Wout van Aert zat donderdag op Strava aan 7.500 kilometer. Van Aert is ook een redelijk open Strava-boek; ooit postte hij in zijn revalidatie een wandeling met zijn vrouw. Zo verguld was hij dat hij al zes kilometer kon wandelen tegen 3 kilometer per uur. Tadej Pogacar had eergisteren in 2022 volgens zijn Strava-account nog maar 4.300 kilometer op de fiets gezeten. De amateur, sommige gepensioneerde wielertoeristen halen meer. Pogacar is misschien de slimste: minder posten, meer winnen.

Column Progressie in De Morgen van maandag 14 maart 2022

Progressie

Wat hebben we geleerd van Parijs-Nice en Tirreno-Adriatico?

Aan Belgische zijde, dat Wout van Aert zijn ego en koersdrang ondergeschikt heeft gemaakt aan de trainingswetenschap. Hij rijdt zich niet langer de pleuris in ritten die er voor hem niet toe doen, behalve dan gisteren toen hij overuren moest presteren om zijn kopman Primoz Roglic te redden. Hij levert de vermogens die hem zijn opgedragen van hogerhand en geen watt per kilo per minuut meer. Heel slim met het oog op wat in deze contreien nog voor hem op de plank ligt.

Nog aan Belgische zijde, dat Remco Evenepoel soms mentaal een probleem heeft. Als hij het gevoel heeft dat het niet lukt, dat de anderen misschien beter zouden kunnen zijn, laat hij het snel lopen. (Al is dat makkelijk opgeschreven als je niet op die fiets zit, helemaal juist.) Koude is zijn ding niet en extra steil ook niet met zijn gabarit, maar intensieve begeleiding van een sportpsycholoog zou hem kunnen helpen om de situaties waarin hij verzeild geraakt juist in te schatten.

Je krijgt bij Evenepoel soms de indruk dat hij begint te panikeren als hij het lastig krijgt. Als hij rondkijkt en er rijden er nog een paar met de vingers in de neus rond slaat dat stante pede in zijn benen. Maar die benen en die motor moeten pas perfect zijn in de Ardennen- klassiekers. Daar draait het in eerste instantie om bij hem. Talent en kunde zat. Die ene van Luik naar Luik kan hij met de juiste mentale ingesteldheid nog steeds winnen.

Aan internationale zijde, dat het zonder ongelukken weer een Sloveens duelletje wordt straks in de Tour de France. Dat ‘zonder ongelukken’ is niet overbodig. Het zou niet de eerste aangekondigde showdown zijn die de mist ingaat door een ongelukkige val van een topper in een van de eerste ritten. Of Primoz Roglic in staat zal zijn om met Tadej Pogacar te wedijveren, daar mag aan worden getwijfeld na diens demonstratie in de koninginnenrit van Tirreno. Als dit Pogi’s basisniveau is en er nog een laagje afwerking bovenop kan, o wee Tour-peloton.

En wat hebben we geleerd van het wielrennen in het algemeen?

Deze maand verscheen het boek God Is Dead, geschreven door Andy McGrath. Het kreeg ook een vertaling in het Nederlands. De ondertitel is The Rise and Fall of Frank Vandenbroucke. Juist, onze VDB, die blijkbaar geen rust wordt gegund en van wie het aura steeds feller gaat schijnen, tot het pijn doet aan de ogen en niemand nog de werkelijkheid ziet.

VDB was een hele aardige man, geen al te beste echtgenoot hebben we inmiddels geleerd, wellicht ook een groot maar vergooid wielertalent. Hoeveel van dat talent kan worden toegeschreven aan farmacologie zullen we nooit weten, maar zelfs met de pillen en spuiten die bij hem in overvloed aanwezig waren heeft hij maar één monument gewonnen. Eén: Luik-Bastenaken-Luik. Was hij niet doodgegaan in omstandigheden die je niemand toewenst, dan was hij nu vergeten en zou hij in het peloton geen plaats meer hebben. Hooguit in Extra Time Koers. Misschien.

Wielrennen is de enige sport die zijn gedegradeerde helden altijd maar weer recycleert, tot ze een status krijgen die hen helemaal niet toekomt. Op voorwaarde dat ze te snel dood zijn gegaan. Neem nu die rit van afgelopen zaterdag met die dubbele Cippo Monte Carpegna. Een hommage aan Marco Pantani, hallo? Wat VDB voor de eendagswedstrijden was, was Pantani voor de rittenkoersen: een zwaar gedopeerde en verslaafde die de weg kwijt is geraakt.

Hommage? Hebben we iets gemist? Er is geen reden om op het graf van die arme drommels te spuwen, maar welke sport behalve wielrennen zet cocaïneverslaafden en hardleerse dopinggebruikers op een voetstuk? Het jaar dat Pantani de Giro won (zijn enige keer), won hij ook de Tour de France. Dat was 1998, de Tour van Festina. Pantani en Festina en 1998 moeten we ons blijven herinneren, niet als een heroïsche periode om te eren maar als een donker verleden waar we nooit meer naar terug willen.

Oké, er zat wel een goed kantje aan die rit van zaterdag. Tadej Pogacar vernederde de tegenstand in die klim. Hij deed dat volgens de vermogenspolitie in 19 minuten en 29 seconden en tegen een gemiddeld vermogen van 6,5 watt per kilogram lichaamsgewicht. Bijna twintig minuten, daar had Marco Pantani mee gelachen. Dat reed hij achterstevoren op die klim. Zijn record op training was 16:22. U leest het goed: ruim drie minuten sneller, dat is twee tot drie kilometer per uur sneller rijden. Of 8,05 watt per kilogram lichaamsgewicht. En dat, beste lezer, kan de gelukzalige conclusie zijn van dit weekend: wielrennen is de enige sport die progressie heeft gemaakt, door erop achteruit te gaan.

Column CCCP in De Morgen van zaterdag 12 maart 2022

CCCP

Nikolai Sjarsjoekov is Rus, maar in dienst van de Chinezen en in die hoedanigheid nog actief op de Paralympische Spelen in Peking en wijde omstreken. The New York Times profileerde hem als een potentieel toekomstig medaillewinnaar met grote kans op goud. Ik citeer: “Hij heeft van het zwalpende para-ijshockeyteam van China een medaillekandidaat gemaakt, geheel in de stijl van the old Soviet hockey powerhouses.”

Ho maar, New York Times, rustig aan. Ken je klassiekers. Ten eerste krijgt een coach geen medaille. Ten tweede is blasfemie nergens voor nodig. Aan de oude Sovjet-ploeg hou ik warme herinneringen over. Zo verdiepte ik mij destijds in de KLM-aanvalslijn van de Sovjets en – jeugdzonde – ik was fan. KLM stond voor Kroetov-Larionov-Makarov, de wonderbaarlijke aanvalslijn met een fenomenale schaatstechniek, een onverbiddelijke hardheid en een alles en iedereen uitputtende conditie. Achter die KLM-lijn stonden de Sovjets in hun sterkste opstelling met verdedigers als Kasanotov en Fetisov. De doelman was de legende Vladislav Tretjak.

Van de Sovjet-sport bleef al niet veel meer over en nu duwt een boycot hen helemaal terug naar de sportmiddeleeuwen. Het kan niet anders en het is niet anders, die cancelling van de Russen is onvermijdelijk, maar vroeg of laat zal ik heimwee hebben naar die stoïcijnen van de wereldsport.

In mijn sport, volleybal, waren dat het duo Aleksander Savin-Viatsjeslav Zaitsev, middenman en spelverdeler. Ergens in mijn kast liggen nog hun shirts. Geruild tijdens het EK volleybal in België in 1987, niet voor een van mijn shirts want die interesseerden hen niet, maar voor een paar flessen cognac. Kan ik die nog dragen? Zou iemand nog weten waar dat CCCP op de rug en dat écusson op de borst met hamer en sikkel voor staat? Die muts van Sotsji 2014 met daarop Russia hou ik voortaan voor werk in de tuin, de achtertuin.

Rusland – excuus, het Russisch Olympisch Comité, afgekort ROC – heeft op de voorbije Winterspelen in Peking 32 medailles gewonnen, het beste totaalaantal ooit. ROC was de zesde identiteit waaronder Russen zich sinds het begin van de moderne sport presenteerden. Tussen 1900 en 1912 namen Russische sporters deel aan de Spelen als atleten van l’Empire russe, het Russische keizerrijk.

Na de Oktoberrevolutie van 1917 grepen de communisten de macht en keerden na Wereldoorlog I niet terug in de internationale sport. Pas in 1952 in Helsinki waren ze weer van de partij en kaapten 71 medailles weg, net na de 76 van de Verenigde Staten. Van 1956 tot en met 1988 won de Sovjet-Unie de meeste medailles. Alleen Mexico 1968 in de achtertuin van de VS vormde daarop een uitzondering.

De 132 zomermedailles van Seoel 1988 zijn nog steeds een record voor één land op niet-geboycotte Olympische Spelen. Wie toen al naar sport keek, heeft ongetwijfeld herinneringen aan de ‘Hymne van de Sovjet-Unie’, dat meeslepende, licht bombastische volkslied dat tot 1977 zonder tekst werd gespeeld.

Vladimir Poetin stamt uit die tijd. Hij zag niet alleen het Oostblok en zijn land uit elkaar vallen, maar onderging als sportliefhebber ook de verschrompeling van de grootste sportmacht die de wereld ooit heeft gekend. De meest zichtbare veruitwendiging van de sterkte van de USSR voltrok zich juist in de wereldsport. Nationale trots bij sportsuccessen was een van de redenen dat Poetin in 2000 de oude nationale hymne van een nieuwe tekst liet voorzien.

Zo klinkt sinds begin deze eeuw bij elke sportsucces weer het op één na mooiste volkslied bij Russisch goud. Smaken verschillen, maar voor de prijs van het mooiste is dat van de DDR (‘Auferstanden aus Ruinen’) een stevige kanshebber. Dat horen we niet meer sinds 1990; wanneer en of de Russische hymne nog eens in een sportstadion wordt gespeeld, daar hebben we het raden naar.

Nooit eerder in de geschiedenis van de sport is zo’n groot sportland zo drastisch uitgesloten van de internationale sport. Er was Zuid- Afrika, maar dat stelde nauwelijks iets voor toen het bijna dertig jaar aan de kant moest omwille van zijn apartheid. China was nog geen sportland en bovendien verkoos het zelf om pas in 1980 (op die ene Chinese zwemmer in Helsinki 1952 na) voor het eerst aan Olympische Spelen deel te nemen.

Geen enkel ander sportland is ook zes keer van naam veranderd, al of niet gewild. Na L’Empire russe kwam de Sovjet-Unie, in 1992 gevolgd door het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, om in 1996 als Rusland op te treden. Vanaf 2016 werden de Russen na hun dopingmisdrijven ondergebracht onder de noemer Olympic Athletes from Russia en sinds Tokio werd het Russian Olympic Committee Athletes. Erg benieuwd wanneer Russische sporters zich weer kunnen en durven vertonen op het internationale sporttoneel. En hoe? Russia of neutraal? Nederig, of trots? Ingetogen of vol haat?

Column Eddy Pogačar in De Morgen van maandag 7 maart 2022

Eddy Pogačar

Het wielerseizoen dat traditioneel begon met het eerste monument Milaan-Sanremo, begint voortaan in de glooiende plooien van Toscane. De Strade Bianche van 2021 was daarvan het beste bewijs. De final countdown vorig jaar op weg naar Siena was de natte droom van elke organisator: alle betere renners van het peloton reden en streden vooraan.

Mathieu van der Poel, Julian Alaphilippe, Egan Bernal, Wout van Aert, Tom Pidcock en Tadej Pogačar, daarmee kan je een heel seizoen lang vijf sterren uitdelen bij elke voorbeschouwing. Van eendagswedstrijden over klassiekers en meerdaagse rittenkoersen tot en met de grote rondes, al die namen komen daarvoor in aanmerking, alles hebben die gasten gewonnen. De allerbeste onder de besten die dag bleek Mathieu van der Poel en plots werd hij tot ‘beste renner van de wereld’ bevorderd.

Vier van de zes waren er zaterdag niet bij. Bernal telt nog zijn breuken, Van der Poel zijn versleten tussenwervelschijven en ex-winnaar Van Aert – “de nieuwe beste renner van de wereld”, aldus Vlaanderen – let op zijn batterijniveau met het oog op het nog grotere werk. Een dag voor de wedstrijd kreeg Tom Pidcock – “de beste offroadrenner van de wereld” – het aan zijn maag. In de wedstrijd zelf vielen nummer vijf en reservegetal Tiesj Benoot weg. De val van Julian Alaphilippe was prachtig in beeld gebracht. Spectaculair, net als de windstoot die verdacht veel leek op die van een ventilator die plots op volle kracht wordt aangezet. Of van een helikopter die overvliegt.

Is het dan verwonderlijk dat Tadej Pogačar als enige van die supergeneratie overblijft en alleen vooraan rijdt in de eerlijkste koers van het hele jaar, op voorwaarde dat er niet te veel lek wordt gereden? Niet echt. Is het dan terecht om hem het etiket – daar gaan we weer – “beste renner van de wereld” op te kleven? Helemaal. Honderd procent. Dat zat er al aan te komen de dag dat hij zijn eerste Ronde van Frankrijk won in die memorabele klimtijdrit op La Planche des Belles Filles. En dat heeft hij bevestigd met zijn fenomenaal 2021.

Nog maar 23 jaar en al zo goed. Zo compleet. Hij kan klimmen, hij kan tijdrijden, hij kan sturen, hij kan koersen, hij kan sprinten als het moet en het onderweg wat lastig is geweest. Hij wint na één dag en na 21 dagen. Merckxiaans is al vaak gebruikt om wielerexploten te duiden, soms terecht, soms onterecht. Een carrière met het epitheton Merckxiaans, aan die blasfemie heeft nog geen wielerkenner zich gewaagd. Tadej Pogačar komt na Bernard Hinault het dichtst in de buurt van Eddy Merckx. Hij heeft ook dat engelachtige. Zelfs als hij uitlegt dat hij ook maar doet waar hij goed in is, heeft hij iets van de jonge Merckx.

Inner Ring, een wielersite, had een mooie beschrijving. “Tadej Pogačar, plukjes haar in de wind, heeft nog alles van een cherubijnse junior. Als hij naar de ploegauto komt rijden, verwacht je dat hij een Kinder Bueno krijgt, eerder dan een gel. But the whole chase group behind looks beaten.”

Twee keer Ronde van Frankrijk, Luik-Bastenaken-Luik, Ronde van Lombardije, Strade Bianche, Tirreno-Adriatico, Ronde van Californië, twee keer UAE Tour, dat kan tellen. Gisteren viel ook op dat Poga#ar in vergelijking met de Tour van 2020 nog meer atleet is geworden. Hij leek een beetje hoekig op weg naar Siena, een laat gevolg van die valpartij, maar dat was een momentopname. Hij is geen bonkige sprinter. Hij is ook geen klimmend geraamte zoals Chris Froome. Hij is één en al body, voorzien van flinke benen. Hij zit overal tussenin. Niet te lang, niet te klein, niet te dun, niet te dik. En binnenin een flinke motor.

Een dag na het exploot heeft van de vermogenspolitie alleen de onvermijdelijke Antoine Vayer al iets gepost over de 450 watt die Pogastrong (begrijpt u hem?) trapte na vijf uur koers. Hij noemt hem een mutant. De rest zwijgt wijs.

De enige tijdsvergelijking die er toe deed in die wedstrijd was de kloof tussen hem en zijn achtervolgers. Die steeg maximaal naar anderhalve minuut, om dan onder de minuut te blijven hangen. Over de laatste klim naar de Piazza del Campo deden Annemiek van Vleuten en Lotte Kopecky 88 seconden. Tadej Poga#ar had zeven seconden meer nodig. Hij wist dat de buit binnen was en een late kramp riskeren na die solo van vijftig kilometer was nergens voor nodig.

Tadej Pogačar is geen mutant, het is ook geen nieuwe Merckx omdat vergelijkingen met een halve eeuw geleden nergens op slaan. Tadej Poga#ar is gewoon een steengoede, complete renner en jawel, al een jaar de beste van de wereld.

Column Blyat (godverdomme) in De Morgen van zaterdag 5 maart 2022

Blyat (godverdomme)

Stel, je heet Alexander Andropov of Alexandra Andropova (x hebben ze daar nog niet) en na je benen te hebben verloren in de Krim heb je je op sport voor andersvaliden gestort. Eerst in het militaire herstelcentrum en later thuis bij de liefhebbende familie, die nog steeds de dag vervloekt dat je werd opgeroepen naar Rostov-aan-de-Don om van daaruit met je divisie de Krim binnen te vallen. Waar het mis ging.

Stel, je bent zo goed geworden in je sport dat je deel bent gaan uitmaken van het Russische paralympisch team, excuseer, van het team van het Russische paralympisch comité. Waarom die semantiek, daar ben je nog niet achter. Het had iets te maken met de manipulatie van Russische dopingdata en een straf, zo ging rond in de atletencommunity, maar het fijne weet je daar niet van. Bovendien, wat maakt het uit? Wit/blauw/rood blijft wit/blauw/rood en er staat ‘Russian’ op de rug.

Stel, je bent naar Peking afgereisd voor de Paralympische Spelen, ruim op voorhand zoals het playbook dat voorschreef, kwestie van die Chinese virushysterie ter wille te zijn. Je familie en naasten hebben in de aanloop naar het grote moment bijeengelegd voor een nieuw racekarretje en ook dat is zonder blutsen in Peking aangekomen.

Stel, je zit in quarantaine. Je hebt internet, beter en sneller dan thuis en niet eens zo gecensureerd, en dan komt het binnen. Je land, je leger is nog maar eens Oekraïne binnengevallen. Om wat te doen? Dat weet je niet. Ja, weer iets met Russen beschermen, maar dat verhaaltje geloof je niet meer.

Stilaan gaat het dagen… De ene na de andere dominosteen valt, de ene na de andere Rus of Russische organisatie wordt gecanceld. Annulirovaniye, annulering, het woord valt voor het eerst. Niet de Spelen, die gaan door, maar wat met ons? Gelukkig wordt het Internationaal Paralympisch Comité geleid door een wereldvreemde onnozelaar die Andrew Parsons heet en die meent dat hij en zijn bond boven alle wereldgedruis verheven zijn. Witte en andere Russen zijn welkom, maar onder neutrale vlag.

Of toch niet. Die bom valt een dag later. Oké, een spreekwoordelijke versie, niet te vergelijken met wat op Oekraïne valt, maar toch. Drie jaar de pleuris getraind, drie jaar geschraapt en gespaard, borsjtfestijnen georganiseerd, ingelegde augurken verkocht, de lokale maffiabaas aangesproken en dan zit je eindelijk in Peking, lig je op medaillekoers en moet je, blyat, terug naar huis.

Ik heb met je te doen, maar het is niet anders, Alexander of Alexandra. De nevenschade van de oorlog is duizenden malen erger dan een Russische paralympiër die zijn/haar ding niet zal kunnen doen in Peking en omstreken.

Eén grote sport duldt voorlopig nog Russen op kampioenschappen maar dan als neutrale atleet en dat is het zwemmen. Nu ja, als één bestuur van een wereldbond met één been in de alzheimerkliniek zit, dan wel die zwemclub van de FINA. Vladimir Poetin is zijn zwemorde kwijt en alle zwemtoernooien in Rusland worden gecanceld, maar de zwemmende Rus(sin) is nog welkom in Boedapest in juni op het WK?

Dat zal niet gebeuren. Net als met de Paralympics zullen atleten uit andere landen eisen dat de Russen – toch al niet de meest geliefde en betrouwbare na erg wisselende resultaten – worden gebannen. Is het hypocriet om Rusland en de Russische atleten zo zwaar te straffen, terwijl andere autocratische regimes ongemoeid worden gelaten? In één adem worden dan regimes uit het Midden-Oosten en Azië (lees: China) genoemd. Die hebben ook boter op hun hoofd, toch? Juist, maar die zijn niet zo sportgek als de Russen en hun Poetin.

Bovendien zijn de meeste andere problemen interne aangelegenheden. In het geval van China paste de onderdrukking van de Oeigoeren aanvankelijk zelfs in de internationale strijd tegen moslimterrorisme. Wellicht/allicht zijn de Chinezen nadien doorgeschoten. Dat kunnen wij heel erg verkeerd vinden, maar zoals een voorzitter van zo’n wereldsportbond mij ooit toefluisterde, misschien niet toevallig in Peking: onze westerse democratie is niet de enige staatsvorm en dat wij die samen met onze waarden aan de wereld willen opdringen, vinden veel van die andere landen uiterst arrogant.

Rusland is vele stappen verder gegaan. Het is een naburig land binnengevallen, wil een democratisch verkozen regering omverwerpen en zaait dood en vernieling onder de burgerbevolking. Dat is in Europa ongezien sinds Adolf Hitler en co. Het is niet te vergelijken met wat de Serviërs in de jaren negentig hebben uitgevreten en ook die zijn een tijdje van het sporttoneel verbannen. De dag dat China Taiwan binnenvalt, dan pas zullen we weten of we selectief verontwaardigd zijn. Laten we daar maar niet op hopen.

Column Oorlog en Vrede in De Morgen van maandag 28 februari 2022

Oorlog en vrede

Zaterdagochtend, koers, en met toeschouwers. In het Kuipke in Gent is nog maar eens een VRT-journalist opzettelijk zijn perskaart thuis vergeten en presenteert met kennelijk genoegen de opening van het koersseizoen in opdracht van de commerciële entiteit Flanders Classics. Iedereen mee in de polonaise, maar dat wisten we al dat de sportjournalistiek naar de kloten gaat.

Erger en nieuw: nu is ook de wereld aan de beurt. Wat kan die koers ons schelen? Zopas is bekend geraakt dat de Belgische ambassade in Kiev bij de Fransen gaat schuilen. Polen heeft beslist dat het onder geen beding – waar dan ook ter wereld – tegen Rusland zal voetballen voor die openstaande plek in de World Cup. In Oekraïne vechten mensen voor hun land. De koers is al vertrokken als Oekraïens president Volodymyr Zelensky denkt dat de situatie onder controle is. Voorlopig toch.

Als Wout van Aert in de aanloop naar de Bosberg de rest met zijn surplus aan vermogen kennis laat maken, probeert Vladimir Poetin hetzelfde tweeduizend kilometer naar het oosten. Het schiet niet op zoals verwacht. Inmiddels is hele wereld tegen Rusland en tegen Poetin.

Van Aert ook, althans dat vermoeden bestaat. Hij heeft overtuigend gewonnen en aan het eind van het interview, waarin hij uitlegt dat hij eigenlijk nog beter zou moeten kunnen als het echte werk er straks aankomt, verwijst hij naar de oorlog in Oekraïne. Een oprecht en mooi gebaar. Overal in de wereld vragen sporters – zelfs Russen – dat de waanzin ophoudt. De gek in het Kremlin geeft geen krimp.

Zondagochtend. Weer is het koers. Nu rijden ze van Kuurne richting Brussel en dan terug naar Kuurne, of toch ongeveer. Dit is het openingsweekend van het wegseizoen in België en dan weten we van geen ophouden en rijden we twee dagen na elkaar. Er valt niet aan te ontkomen: België is nu eenmaal het epicentrum van de wereldsport die wegwielrennen niet is en nooit zal zijn.

Een sport waarin België voor de bulk aan werkgelegenheid zorgt heeft een probleem en dus heeft wielrennen een probleem. Honderdvierentwintig Belgen denken dat ze hun boterham gaan verdienen met koersen. In Nederland zijn er dat bijvoorbeeld 57, maar ook Spanje en Italië hebben met respectievelijk ruim vier en vijf keer meer inwoners minder profrenners (114) dan wij.

Ergens in het oosten is Kiev nog niet in handen gevallen van het Russische leger. Er is spectaculair nieuws van het sanctiefront: de Russen worden uit het internationale betalingssysteem Swift gegooid. Elon Musk zal voor internet zorgen. De man heeft satellieten hangen boven Oekraïne. Kunnen die niet een beetje naar het noorden opschuiven en wat substantieels droppen op dat fort naast het Rode Plein…

Wie zal straks winnen in Kuurne? Een baroudeur? Of toch een sprinter? Voor de lieve vrede en rust in België-koersland hopelijk eentje van QuickStep-Alpha Vinyl, de ploeg die een dag eerder is weggereden door Jumbo-Visma.

Als met nog vijftig kilometer te rijden duidelijk wordt dat er een hergroepering zit aan te komen en een peloton met sprinters naar de aankomst rijdt, laat Poetin weten dat hij de eenheden met nucleaire wapens in de hoogste staat van paraatheid heeft laten brengen. Karl Vannieuwkerke en zijn sidekick José De Cauwer hebben alle smalltalk gehad en dus begint KVN maar in het West-Vlaams te zingen, een lied van Johny Turbo. Nog liever Poetin? Neen, dat nu ook weer niet, maar dat heeft Michel Wuyts ons nooit aangedaan.

Ondertussen worden steeds meer betogers in Rusland opgepakt. Vierhonderdduizend Oekraïners zijn gevlucht, melden de agentschappen als Fabio Jakobsen zich onweerstaanbaar losrukt uit een chaotische laatste rechte lijn. Hij houdt Caleb Ewan nog net af. Patrick Lefevere zal tevreden zijn en de Angelsaksische pers kan nu even ophouden met hun gestook om Mark Cavendish in plaats van Jakobsen naar de Tour te sturen. Een snelle switch naar BBC World News leert dat er vredesgesprekken zijn opgestart tussen Rusland en Oekraïne. Ergens in de buurt van Tsjernobyl.

Fabio Jakobsen is als Oekraïne: je gunt hem al de voorspoed van de wereld. Genoemd naar Fabio Casartelli, die in 1995 in de Tour ten val kwam en overleed, crashte hij zelf anderhalf jaar geleden in de laatste rechte lijn van een etappe in de Ronde van Polen. De verwondingen waren vreselijk en zijn leven hing aan een zijden draad. De Poolse urgentiearts die per helikopter arriveerde heeft volgens insiders zijn leven gered.

Jakobsen wint Kuurne-Brussel-Kuurne. Hij is blij en geeft een heldere uitleg over wie hij is, wat hij deed, hoe hij heeft gewonnen en eindigt met wat hem en een heel deel van de wereld bezwaart: de oorlog. Van alle sporters zijn wielrenners het meest van de wereld.