Column over Lukaku en de sleet in De Morgen van 7 september 2020

2020-21 zal carrières breken

Romelu Lukaku speelde zaterdag negentig minuten. Waarom toch, vroeger ze zich in de woonkamer van VTM af? Omdat hij niet van het veld wilde, zei bondscoach Roberto Martínez, en gaf er een positieve draai aan. Hoe, hij wilde niet van het veld? Hoezo, de grote baas heeft het gevraagd, maar mijnheer wilde niet naar de kant? 

Het weze de wereldspits vergeven, een beetje aanstellerij zijn we van Lukaku wel gewend. Neem nu die weigering om zijn verliezersmedaille te gaan halen na Europa Leaguefinale tegen Sevilla die verloren ging door zijn own goal. Niet eens een stommiteit, maar gewoon een ongelukkig ongeluk, waaraan hij geen schuld had. Doe normaal, neem je verlies en ga door. Al dat theater, nergens voor nodig. Neem ook die black powergroet bij de volksliederen zaterdag. Ik snap het allemaal wel – black lives matter en zo en zijn Amerikaanse homies van Roc Nation zullen het allemaal fantastisch vinden – maar bij Denemarken-België, een flutwedstrijd in het kader van een flutcompetitie, zonder publiek?

Overigens was dat beeld van die geknielde Lukaku met die vuist in de lucht bepaald indrukwekkend. Daar zat een levende Rodin, een rots, één bonk spieren. Voor zijn geliefde basketbal heeft hij de lengte van een spelverdeler, maar in zijn eigen sport voetbal post hij op als een center en als hij dat doet, is hij gewoonweg onhoudbaar. De Deense verdediger die dacht hem af te kunnen stoppen in de tweede helft, heeft dat ook ondervonden. 

Nog voor hij helmaal ter aarde was gestort, neergetrokken door die Deen, verlekkerde Lukaku zich al op de loepzuivere strafschop. Die had hij ongetwijfeld zelf opgeëist, ware het niet dat de bal uit de kluts vrij kwam, pardoes bij Dries Mertens belandde die hem staalhard binnenzette. Geen strafschop, wel 0-2. Geen doelpunt voor Lukaku, dus geen genoegdoening, hoe onrechtvaardig kan een maatschappij wel zijn. 

Niet van het veld willen, terwijl je coach daar op aandringt, dat is heel bijzonder. Het grenst aan insubordinatie en bij een clubtrainer zou het ongetwijfeld tot een conflict komen. Niet bij een people manager als onze bondscoach Roberto Martínez. Die is slim genoeg om te beseffen dat hij zijn superspits niet op de zenuwen moet werken. Toch getuigt dit van een enorme kortzichtigheid, zowel van Martínez als van Lukaku.

Misschien dat Lukaku niet beseft dat er hogere belangen spelen dan zijn welbevinden na die verloren finale en zijn revanche op de boze wereld, maar dan moet de coach hem dat inprenten tot hij overtuigd is.  Topvoetballers zullen nooit méér in actie moeten komen in wedstrijden dan in de komende tien maanden. Het seizoen 2020-21 zal geen carrières maken, alleen breken. Voor de absolute top begon het langste seizoen uit de geschiedenis van het topvoetbal in juli met trainingen gericht op een herstart van de competitie en het afwerken van een mini-toernooi, de Champions of Europa League. Vervolgens begon zonder noemenswaardige rust de voorbereiding op het nieuwe seizoen en tot overmaat van ramp is daar ook nog eens een gecomprimeerde interlandkalender komen tussenfietsen. In oktober begint dan al weer de Champions League, terwijl de nationale competitie uiteraard alles comprimeert in een eindeloze reeks voetbalweekends. Dat duurt zo’n beetje tot in mei, waarna alles naadloos overgaat in de voorbereiding van de nationale ploegen op het Europees Kampioenschap voetbal dat tot half juli  zijn beslag vindt.

Nergens in de wereld wordt zo vaak en zo lang na elkaar op een hoog niveau aan sport gedaan als in het topvoetbal. In de VS duren competities minimaal vier (american football) tot maximaal zeveneneenhalve maand. Waarna de atleten twee maand rusten, hun basisfitheid onderhouden, kwaaltjes laten behandelen, om vervolgens rustig opnieuw op te bouwen maar ook niet te snel en te fanatiek, kwestie van fris te zijn als de prijzen worden uitgedeeld.

Voetbal is een spel, dat klopt helemaal, maar ook spelletjes kunnen slopend zijn. Die opeenvolging van wedstrijden is fysiek en mentaal niet vol te houden. Hoe meer wedstrijden op het scherp, hoe minder kwalitatieve trainingen: de basisconditie schiet er bij in en mentaal raakt de atleet overbelast. 

Voor Lukaku is er een extra valkuil. Begin er maar aan: snelheid en kracht combineren met de massa die Romelu Lukaku moet meezeulen. Het mogen dan nog allemaal spieren zijn, de impact van die honderd kilo en meer op enkels, knieën en heupen, op het hele locomotorisch apparaat is gigantisch. De sleet zal ongezien zijn. 2020-21 zal carrières bedreigen en andere carrières verkorten. Gelukkig zit hij niet langer in Engeland maar in Italië waar ze iets beter zijn in monumentenzorg.

Portret Primoz Roglic in De Morgen van zaterdag 5 september 2020

Primoz Roglic

Hans Vandeweghe schetst een portret van het boegbeeld van het Sloveense wielrennen Een zware crash zette een punt achter zijn carrière als skispringer. Tijdens zijn revalidatie ontdekte hij zijn talent als wielrenner. Zijn Sloveense landgenoten begrijpen niks van koers, maar Primoz Roglic is wél Tour-favoriet.

Wikipedia heeft een categorie Slovenian male cyclists: ze zijn met 79, te beginnen met A(bulnar) Franc, die in 1936 namens Joegoslavië als eerste Sloveen aan de Tour deelnam, tot Z(rimsek) Jure, een al even nobele onbekende. Tussenin een handvol bekendere namen zoals Janez Brajkovic, nu op de terugweg, Matej Mohoric, Luka Mezgec, maar de twee bekendste Sloveense wielrenners zijn jong geweld Tadej Pogacar (21) en boegbeeld Primoz Roglic (30). Afgelopen dinsdag eindigden ze één en twee in de eerste Tourrit met aankomst bergop.

Slovenië boven, zeker als het naar boven gaat, maar voor u een verkeerd beeld krijgt: Slovenië is geen fietsland. Het is zelfs een fietsonvriendelijk land, niet zozeer omdat er geen meter vlak te bespeuren valt want dat is dan weer een darwinistisch voordeel. Eerder omdat de Sloveense autobestuurders achter het stuurwiel de zeden en gewoontes van hun buren de Italianen en Oostenrijkers verenigen: ongeduld, overdreven snelheid en dus veel risico.

Fietsers zijn vervelende obstakels zonder rechten en fietspaden zijn er nauwelijks. In de meest toeristische regio ligt tussen de meren van Bled en Bohinj een veelbelovend fietspad dat halfweg gewoon ophoudt, waarna de fietser zonder het minste moordstrookje tussen het voorbijrazende verkeer verder moet. Het is een wonder dat Slovenië twee van de beste atleten ter wereld heeft voortgebracht in een sport die niet telt.

Niet zeker of Janez met de pet zal staan juichen en de president smeken om een nationale feestdag als op 20 september op de Champs-Elysées een landgenoot wordt gehuldigd. Wildwaterkajak, judo een beetje, maar vooral de wintersporten hebben de jonge republiek nationale sportfierheid bezorgd – skister Tina Maze met haar twee gouden medailles in Sotsji in 2014 op kop. Voetbal telt uiteraard ook mee, maar het is van 2010 geleden dat ze nog een World Cup of EK hebben gespeeld.

De nationale obsessie is dan weer skispringen, zo ver mogelijk – dat heet skivliegen – vanaf de 215 meter lange schans in Planica. Het was op die schans in maart 2007 dat de zeventienjarige Sloveense skispringbelofte en kersvers juniorenwereldkampioen Roglic als testspringer meteen na een mislukte take-off zijn ski kwijtraakte, vervolgens het evenwicht verloor en als een dood vogeltje tegen het ijs knalde. “Ik respecteerde de heuvel niet genoeg.” Er bestaat een filmpje van op YouTube: van de val en hoe ze hem bij elkaar vegen en afvoeren. Even zoeken op ‘2007 crash Roglic’, zeker ook 2007 intikken, want anders krijgt u zijn crashes als wielrenner.

Die ene als skispringer in 2007 heeft in gang gezet wat ruim dertien jaar later – als alles naar wens verloopt – moet leiden tot een Nederlandse overwinning in de grootste wielerwedstrijd ter wereld, weliswaar behaald met een Sloveen die zo goed is dat de beste Nederlandse ronderenner van deze eeuw – Tom Dumoulin – vol voor hem in dienst rijdt.

In 2011 hield Roglic, die dan als bijverdienste trappen poetste in winkelcentra, definitief op met skispringen. Hij had al zijn talenten als wielrenner ontdekt tijdens zijn revalidatie en kreeg een contract bij het lokaal team Adria-Mobil. In eerdere interviews heeft hij het er weleens over hoe hij wielrenner wilde worden maar geen fiets had. Hoe hij aan duatlons meedeed, op een geleende fiets van de buurman, en later aan wedstrijdjes en steeds voorin eindigde. Waarna een team hem oppikte.

In 2015 kon hij dan testen in Amsterdam bij een WorldTour-team. “Ik heb weken geen fiets gezien”, jammerde hij vanop het strand in Griekenland. “Dat zeggen ze allemaal”, was het laconieke antwoord, “kom maar testen.” Wat dat betreft blijft wielrennen een eenvoudige sport: getraind of niet, de wetenschappers zagen meteen de grote motor onder de motorkap.

In de commentaren wordt de ene carrière weleens met de andere in verband gebracht. Dat is heel kort door de bocht want de enige fysieke prestatie van skivliegen is de afsprong. De schansspringer heeft niet de minste behoefte aan een maximale zuurstofopname van 85 of meer, de waarde waarmee Roglic rondfietst. Wat allicht wel heeft geholpen, is de overdosis durf waarmee hij in het peloton is gekomen. Wie zich van Planica kan storten en 185 meter verder landen op een ijspiste, durft wellicht ook wel een afdaling op het scherp van de snee rijden.

Sterke bovenbenen

De echte bonus, zeggen de trainers bij Jumbo-Visma, kwam van die zware krachttraining op heel jonge leeftijd, typisch voor schansspringen. Dat heeft hem heel sterke bovenbenen bezorgd. Laat wielrennen nu juist een van de weinige sporten zijn die zowel op de uithoudings- als op de krachtcomponent een beroep doet, ziehier het recept voor een Tourwinnaar.

Er is al wat succes aan deze Tour voorafgegaan en als u dat heeft gemist, even een opsomming. Sinds Roglic door een vriend aan Frans Maassen werd getipt en die de tip doorspeelde aan toen LottoNL-Jumbo, dat hem in 2016 contracteerde, heeft hij de Rondes van Romandië (twee keer), Baskenland, UAE Tour en de Tirreno gewonnen. Voorts moest hij altijd de Giro hebben gewonnen in 2019 maar hij had vier slechte dagen door ziekte, at nauwelijks, en eindigde pas derde. Hij won dan maar later op het seizoen de Vuelta, door slim koersen en overal vooraan te eindigen, ook in de drie etappes die zijn landgenoot Tadej Pogacar won. Zelf won hij de tijdrit op Frans grondgebied. Aan het eind had hij twee en een halve minuut voorsprong op Alejandro Valverde.

Dit jaar won hij al de Tour de l’Ain met concurrent Egan Bernal van Ineos Grenadiers kansloos op achttien seconden. In de Dauphiné midden augustus stond hij ook op één door op de Col de Porte ongenadig uit te halen toen hij crashte in de vierde etappe aan kilometer 82 ergens midden in het peloton. Zijn carrosserie was zwaar gehavend: geen breuken maar contusies en bloeduitstortingen alom. De ploegdirectie en de trainers hebben een week lang gevreesd voor de Tourstart.

Belgisch luikje

Het team zat toen op ultieme Tourstage in Tignes en vier dagen klom de kopman nauwelijks op de fiets. De laatste zondag voor de Tourstart kon hij weer een normale training afwerken. Speciaal voor hem bleven ze twee dagen langer in de bergen. De laatste test was een lange duurrit die hij naar behoren afwerkte. De motor lijkt intact.

Als Primoz Roglic de Tour wint – en hij is de gedoodverfde favoriet – zit daar ook een Belgisch luikje aan. Niet alleen heeft Wout van Aert een groot aandeel als superknecht, maar diens trainer van altijd al, begeleidt ook Primoz Roglic. Lamberts is de naam, Marc de voornaam, discretie de tweede voornaam.

Team Jumbo-Visma is evenwel een team dat geregeld openheid van zaken geeft rond de wetenschap. Wat ze destijds onder zijn motorkap zagen zitten, daar hebben ze zich niet in vergist. De motor had nog wat finetuning nodig, maar met zijn 1m77 kleine lichaam, zijn beperkte gewicht en zijn grote vermogen is Primoz Roglic in staat om in lange klimmen boven de 6 watt per kilogram lichaamsgewicht te leveren.

In het team staat hij bovendien bekend als een coole gast, een trainingsbeest – zijn loopjes ’s ochtends zijn redelijk uniek – dat vaak de juiste beslissingen neemt, die niet alles zomaar aanneemt en heel goed weet waar hij mee bezig is. Zijn timide voorkomen is maar schijn. Intern is hij een plezante kerel, die ook al wat Nederlands spreekt maar dat angstvallig voor de buitenwereld verborgen houdt.

Een merk zal hij nooit worden, daarvoor komt hij uit een te klein sportland maar samen met zijn vriendin Lora Klinc timmert hij aan de weg. Klinc schreef dit jaar een boek: Kilometer Nic of Kilometer Nul. Het boek gaat over hoe haar man in 2019 derde werd in de Ronde van Italië en de Ronde van Spanje won. Primoz Roglic was trots, weze het vanaf afstand en revaliderend in Tignes. “Lora legt uit hoe wielrennen werkt. Ze hoopt dat mensen in Slovenië daarmee beter gaan begrijpen hoe het er straks aan toe zal gaan in de Tour de France.” Dat is simpel: ze rijden allemaal hard bergop en aan het eind komt een Sloveen als eerste over de streep.

Column Bag it van zaterdag 5 september 2020

Bag it

Bag it, Michael.

Dat was de kop op de cover van Sports Illustrated van 14 maart 1994. De onderkop was “Jordan and The White Sox Are Embarrassing Baseball”. Na dat verhaal over de onrealistische ambities van Michael Jordan om honkbalspeler te worden tijdens zijn eerste carrièrestop, heeft de ster aller sterren nooit meer met Sports Illustrated willen spreken. 

Hij was op zijn pik getrapt, maar bleef vastbesloten honkballer te worden, tot ze daar in staking gingen en hem als stakingsbreker wilde gebruiken. Inmiddels was de goesting naar basketbal te groot geworden, het vervolg moet gekend zijn. Dat gebeurde net geen jaar na die cover. De auteur van dat verhaal, Steve Wulf, heeft naar aanleiding van The Last Dance, de Netflix docu over Michael Jordan, laten weten dat hij zijn verhaal van toen wat hard vond en de cover al helemaal. 

Dat hij het nu niet meer zou schrijven, dat mag hij denken, maar dat moet hij niet zeggen. Dat is flauw. Journalistiek wordt nu eenmaal bedreven tegen de achtergrond van wat op dat moment speelt en Wulf had toen een punt. Hij had natuurlijk niet het flauwste idee dat het beste van de basketbalspeler Jordan nog moest komen. Dat is dan weer de pech die gepaard gaat met je nek uitsteken.

Ik steek mijn nek uit: Bag it, Kim. Ik denk dat ik redelijk gerust mag zijn als ik dat schrijf. Het beste bij Kim Clijsters is er al lang van af en komt met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet terug. De onderkop ‘Kim Clijsters brengt tennis in verlegenheid’ past niet. Die zou pas van tel zijn als ze wedstrijden zou gaan winnen, of toernooien, stel je voor, of grand slams, nog erger.

Jordan heeft zijn boosheid op de schrijver ooit uitgelegd. “Ze kwamen mij gewoon bekritiseren, zonder te begrijpen wat mijn passie toen was.” Michael Jordan maakt hier een denkfout. Zijn passie was: professioneel honkballer worden om zijn vermoorde vader te eren. Voor de sportjournalist is die reden bijkomstig. We hebben het niet over een zoektocht naar zingeving – pottenbakker worden of master chef winnen – maar over topsport. De sportjournalist heeft het recht, neen, moét als vakman/vrouw oordelen of de ambitie van Jordan kans op slagen heeft. Als die oordeelt dat die kans onbestaande is, zoals Sports Illustrated, is het de verdomde plicht dat zo op te schrijven. Dat geldt ook voor Clijsters en dat geldt ook voor de Belgische media.

Ik heb die derde carrière van Kim Clijsters nooit enige kans op slagen toegedicht en het verbaasde mij dat specialisten in die sport dat nooit schreven/zegden, terwijl ze off the record andere geluiden lieten horen. Zeven jaar niet gespeeld en op 37 jaar terug je niveau halen, dat kan hooguit in petanque of hengelen. Gestopt met overbelastingsblessures, vervolgens twee kinderen ter wereld brengen en dan hopen dat alles weer bij wonder in elkaar past en werkt zoals vroeger – weeral: op 37 – daar is niets minder dan een mirakel voor nodig.  

Ten slotte: in een sport die naam waardig, met min of meer gelijkbegaafden, zal de fitste het halen. Een krant schreef deze week: ‘Pas als Clijsters topfit is, zal ze haar toptennis een wedstrijd lang kunnen opdringen.’ Een heel jaar heeft ze gehad om topfit te worden en ze had corona in haar voordeel kunnen aanwenden voor een totale reset, zie Wout van Aert. Het mag duidelijk zijn dat ze haar resetknop niet heeft gevonden.

Bij de aankondiging van haar come back had een beetje sportjournalist na de eerste aanblik van de voormalige nummer 1 rechtsomkeer moeten maken met de beleefde mededeling: we komen wel eens terug als je wat harder hebt gewerkt. Als sportjournalist had ik toen al de grootste moeite om deze poging tot come back ernstig te nemen en dat gevoel is er na de US Open niet minder op geworden. 

Dit is tijdverlies, voor Clijsters en voor de media, die ook schuld treffen. Toen ze wedstrijdjes van zes spelletjes won in een ongein genaamd World Team Tennis, hadden de media dat ongein moeten noemen en niet laten uitschijnen alsof het de prelude was voor stuntwerk op de US Open. 

Hoewel de fitheid serieus te wensen overlaat, is er toch progressie. Dat talent van weleer is niet weg, is gebleken. Kim Clijsters moet nu het ene na het andere toernooi spelen en ritme opdoen, maar dat willen haar knieën en buikspieren niet en inmiddels zal ook haar schouder al wel hebben opgespeeld. Ook tussen de oren zit het niet lekker meer. Ze wil bij haar gezin zijn. Jammer dat ze nooit heeft geweten wat het is om te moeten werken als topsporter. Het is nu het één of het ander: eindelijk echt hard werken voor die come back of in een leuke indian summer Häagen-Dazsjes eten met de kids. Sports Illustrated zou koppen: Bag it, Kim. Onderkop: Clijsters is embarrassing herself. 

Portret Primoz Roglic in De Morgen van zaterdag 5 sep 2020

Primoz Roglic

Hans Vandeweghe schetst een portret van het boegbeeld van het Sloveense wielrennen Een zware crash zette een punt achter zijn carrière als skispringer. Tijdens zijn revalidatie ontdekte hij zijn talent als wielrenner. Zijn Sloveense landgenoten begrijpen niks van koers, maar Primoz Roglic is wél Tour-favoriet.

Wikipedia heeft een categorie Slovenian male cyclists: ze zijn met 79, te beginnen met A(bulnar) Franc, die in 1936 namens Joegoslavië als eerste Sloveen aan de Tour deelnam, tot Z(rimsek) Jure, een al even nobele onbekende. Tussenin een handvol bekendere namen zoals Janez Brajkovic, nu op de terugweg, Matej Mohoric, Luka Mezgec, maar de twee bekendste Sloveense wielrenners zijn jong geweld Tadej Pogacar (21) en boegbeeld Primoz Roglic (30). Afgelopen dinsdag eindigden ze één en twee in de eerste Tourrit met aankomst bergop.

Slovenië boven, zeker als het naar boven gaat, maar voor u een verkeerd beeld krijgt: Slovenië is geen fietsland. Het is zelfs een fietsonvriendelijk land, niet zozeer omdat er geen meter vlak te bespeuren valt want dat is dan weer een darwinistisch voordeel. Eerder omdat de Sloveense autobestuurders achter het stuurwiel de zeden en gewoontes van hun buren de Italianen en Oostenrijkers verenigen: ongeduld, overdreven snelheid en dus veel risico.

Fietsers zijn vervelende obstakels zonder rechten en fietspaden zijn er nauwelijks. In de meest toeristische regio ligt tussen de meren van Bled en Bohinj een veelbelovend fietspad dat halfweg gewoon ophoudt, waarna de fietser zonder het minste moordstrookje tussen het voorbijrazende verkeer verder moet. Het is een wonder dat Slovenië twee van de beste atleten ter wereld heeft voortgebracht in een sport die niet telt.

Niet zeker of Janez met de pet zal staan juichen en de president smeken om een nationale feestdag als op 20 september op de Champs-Elysées een landgenoot wordt gehuldigd. Wildwaterkajak, judo een beetje, maar vooral de wintersporten hebben de jonge republiek nationale sportfierheid bezorgd – skister Tina Maze met haar twee gouden medailles in Sotsji in 2014 op kop. Voetbal telt uiteraard ook mee, maar het is van 2010 geleden dat ze nog een World Cup of EK hebben gespeeld.

De nationale obsessie is dan weer skispringen, zo ver mogelijk – dat heet skivliegen – vanaf de 215 meter lange schans in Planica. Het was op die schans in maart 2007 dat de zeventienjarige Sloveense skispringbelofte en kersvers juniorenwereldkampioen Roglic als testspringer meteen na een mislukte take-off zijn ski kwijtraakte, vervolgens het evenwicht verloor en als een dood vogeltje tegen het ijs knalde. “Ik respecteerde de heuvel niet genoeg.” Er bestaat een filmpje van op YouTube: van de val en hoe ze hem bij elkaar vegen en afvoeren. Even zoeken op ‘2007 crash Roglic’, zeker ook 2007 intikken, want anders krijgt u zijn crashes als wielrenner.

Die ene als skispringer in 2007 heeft in gang gezet wat ruim dertien jaar later – als alles naar wens verloopt – moet leiden tot een Nederlandse overwinning in de grootste wielerwedstrijd ter wereld, weliswaar behaald met een Sloveen die zo goed is dat de beste Nederlandse ronderenner van deze eeuw – Tom Dumoulin – vol voor hem in dienst rijdt.

In 2011 hield Roglic, die dan als bijverdienste trappen poetste in winkelcentra, definitief op met skispringen. Hij had al zijn talenten als wielrenner ontdekt tijdens zijn revalidatie en kreeg een contract bij het lokaal team Adria-Mobil. In eerdere interviews heeft hij het er weleens over hoe hij wielrenner wilde worden maar geen fiets had. Hoe hij aan duatlons meedeed, op een geleende fiets van de buurman, en later aan wedstrijdjes en steeds voorin eindigde. Waarna een team hem oppikte.

In 2015 kon hij dan testen in Amsterdam bij een WorldTour-team. “Ik heb weken geen fiets gezien”, jammerde hij vanop het strand in Griekenland. “Dat zeggen ze allemaal”, was het laconieke antwoord, “kom maar testen.” Wat dat betreft blijft wielrennen een eenvoudige sport: getraind of niet, de wetenschappers zagen meteen de grote motor onder de motorkap.

In de commentaren wordt de ene carrière weleens met de andere in verband gebracht. Dat is heel kort door de bocht want de enige fysieke prestatie van skivliegen is de afsprong. De schansspringer heeft niet de minste behoefte aan een maximale zuurstofopname van 85 of meer, de waarde waarmee Roglic rondfietst. Wat allicht wel heeft geholpen, is de overdosis durf waarmee hij in het peloton is gekomen. Wie zich van Planica kan storten en 185 meter verder landen op een ijspiste, durft wellicht ook wel een afdaling op het scherp van de snee rijden.

Sterke bovenbenen

De echte bonus, zeggen de trainers bij Jumbo-Visma, kwam van die zware krachttraining op heel jonge leeftijd, typisch voor schansspringen. Dat heeft hem heel sterke bovenbenen bezorgd. Laat wielrennen nu juist een van de weinige sporten zijn die zowel op de uithoudings- als op de krachtcomponent een beroep doet, ziehier het recept voor een Tourwinnaar.

Er is al wat succes aan deze Tour voorafgegaan en als u dat heeft gemist, even een opsomming. Sinds Roglic door een vriend aan Frans Maassen werd getipt en die de tip doorspeelde aan toen LottoNL-Jumbo, dat hem in 2016 contracteerde, heeft hij de Rondes van Romandië (twee keer), Baskenland, UAE Tour en de Tirreno gewonnen. Voorts moest hij altijd de Giro hebben gewonnen in 2019 maar hij had vier slechte dagen door ziekte, at nauwelijks, en eindigde pas derde. Hij won dan maar later op het seizoen de Vuelta, door slim koersen en overal vooraan te eindigen, ook in de drie etappes die zijn landgenoot Tadej Pogacar won. Zelf won hij de tijdrit op Frans grondgebied. Aan het eind had hij twee en een halve minuut voorsprong op Alejandro Valverde.

Dit jaar won hij al de Tour de l’Ain met concurrent Egan Bernal van Ineos Grenadiers kansloos op achttien seconden. In de Dauphiné midden augustus stond hij ook op één door op de Col de Porte ongenadig uit te halen toen hij crashte in de vierde etappe aan kilometer 82 ergens midden in het peloton. Zijn carrosserie was zwaar gehavend: geen breuken maar contusies en bloeduitstortingen alom. De ploegdirectie en de trainers hebben een week lang gevreesd voor de Tourstart.

Belgisch luikje

Het team zat toen op ultieme Tourstage in Tignes en vier dagen klom de kopman nauwelijks op de fiets. De laatste zondag voor de Tourstart kon hij weer een normale training afwerken. Speciaal voor hem bleven ze twee dagen langer in de bergen. De laatste test was een lange duurrit die hij naar behoren afwerkte. De motor lijkt intact.

Als Primoz Roglic de Tour wint – en hij is de gedoodverfde favoriet – zit daar ook een Belgisch luikje aan. Niet alleen heeft Wout van Aert een groot aandeel als superknecht, maar diens trainer van altijd al, begeleidt ook Primoz Roglic. Lamberts is de naam, Marc de voornaam, discretie de tweede voornaam.

Team Jumbo-Visma is evenwel een team dat geregeld openheid van zaken geeft rond de wetenschap. Wat ze destijds onder zijn motorkap zagen zitten, daar hebben ze zich niet in vergist. De motor had nog wat finetuning nodig, maar met zijn 1m77 kleine lichaam, zijn beperkte gewicht en zijn grote vermogen is Primoz Roglic in staat om in lange klimmen boven de 6 watt per kilogram lichaamsgewicht te leveren.

In het team staat hij bovendien bekend als een coole gast, een trainingsbeest – zijn loopjes ’s ochtends zijn redelijk uniek – dat vaak de juiste beslissingen neemt, die niet alles zomaar aanneemt en heel goed weet waar hij mee bezig is. Zijn timide voorkomen is maar schijn. Intern is hij een plezante kerel, die ook al wat Nederlands spreekt maar dat angstvallig voor de buitenwereld verborgen houdt.

Een merk zal hij nooit worden, daarvoor komt hij uit een te klein sportland maar samen met zijn vriendin Lora Klinc timmert hij aan de weg. Klinc schreef dit jaar een boek: Kilometer Nic of Kilometer Nul. Het boek gaat over hoe haar man in 2019 derde werd in de Ronde van Italië en de Ronde van Spanje won. Primoz Roglic was trots, weze het vanaf afstand en revaliderend in Tignes. “Lora legt uit hoe wielrennen werkt. Ze hoopt dat mensen in Slovenië daarmee beter gaan begrijpen hoe het er straks aan toe zal gaan in de Tour de France.” Dat is simpel: ze rijden allemaal hard bergop en aan het eind komt een Sloveen als eerste over de streep.

Column Finalebidonnetje in De Morgen van maandag 31 aug 2020

Finalebidonnetje

Veel is veranderd aan planeet Koers, maar het complotdenken is gebleven. Nadat de eerste rit in de Tour zaterdag was uitgedraaid op Holiday on Ice, verschenen her en der foto’s van een wagen uit de commerciële karavaan die zeepbellen blies. Die zeepbellen waren op de weg beland en je kunt al raden wat er toen gebeurde, suggereerde de foto. Het was dus de schuld van de organisatie dat na de eerste onschuldige rit al meteen drie renners gehavend naar huis konden.

Wie dat soort grappig bedoelde foto’s op sociale media plaatst – in hetzelfde rijtje hoort de foto van een Russische weg vol putten na een wedstrijd over Waalse wegen – moet dringend beseffen dat de sociale media stikt van de domkoppen en/of complotdenkers. Voor de juistheid: die zeepsopwagen mag dan deel hebben uitgemaakt van de commerciële karavaan, over de Col de Rimiez is die niet gereden.

Zeepsop is trouwens niet nodig om wegen waar het een tijdje niet heeft op geregend glad te maken. Niet al te harde regen volstaat en dat is precies wat gebeurde. Is dat de schuld van ASO? Misschien hadden die nog meer moeten waarschuwen voor regen. Misschien hadden de teams ook preventief 28 millimeterbanden met profiel en 5 bar erin kunnen monteren, dat had ook kunnen helpen.

Veel, zo niet alles wat misgaat in het wielrennen is de schuld van de UCI, maar dat nu even niet. Waar de UCI wel compleet de mist inging, was met haar communicatie rond de affaire-Evenepoel. U bent niet mee? Remco Evenepoel is die jonge renner die laatst in een ravijn reed en daar redelijk geblutst is uitgehaald. Dat was niet alles. Die val kreeg een staart(je).

Op de sociale media is een filmpje opgedoken van zijn ploegleider Davide Bramati die in die berm is afgedaald en uit de middelste zak van Remco’s shirt iets haalt en dat in zijn eigen zak stopt. Het filmpje heb ik begin deze week al zien opduiken op de Twitter-account van een psychopaat, vergezeld van commentaar: wat halen ze hier uit de zakken dat wij niet mogen weten? Dat ik de psychopaat volg, heeft te maken met zijn en mijn verleden dat elkaar heeft gekruist.

Ik vond dat filmpje onzin, toen en nog steeds, al helemaal de samenzweringstheorie errond en daarbovenop de reactie van de UCI, niet waard om over te schrijven. Bij Deceuninck-QuickStep kenden ze dat filmpje ook. Het werd schouderophalend afgedaan als nonsens, maar het was erop wachten tot het een eigen leven ging leiden en door serieuze accounts werd becommentarieerd.

Toen dat gebeurde, was ook de communicatie van de ploeg op zijn zachtst gezegd een beetje ongelukkig: eerst was het een computertje, later een finalebidonnetje. Beide dingen zaten in de weg om Evenpoel op een brancard te leggen. Waarop de UCI eerst zei: zo’n computerdingetje dat gegevens doorgeeft, dat mag niet. En na de tweede verklaring: we hebben de Cycling Anti-Doping Foundation opdracht gegeven een onderzoek in te stellen. Daar zag Patrick Lefevere dan weer een complot tegen hem in, omdat hij iets had geroepen over de veiligheid. Hij zette dat op Twitter. Waarna een diep ongelukkige Evenepoel zaterdag in de armen van zijn vader lag te huilen. En dat op Twitter zette.

Dat er in 2020 nog zoveel spel wordt gemaakt van het finalebidonnetje! Ooit het voorrecht van alchemisten zoals Jef D’hont, die daar van alles in kapten wat een renner aan het eind van zijn Latijn graag lustte. Sommige finalebidonnetjes waren monocépages en bevatten alleen champagne of cola, maar dat waren de uitzonderingen. De voornaamste bedoeling van het finalebidonnetje was toen en nu snelle suikers, directe energie.

Mettertijd is de samenstelling veranderd. Vandaag bevatten de meeste finalebidonnetjes – beter spreekt men van flacons – twee energiegels aangelengd met wat water omdat het makkelijker naar binnen gaat. Wie ik op gedachten breng: niet vergeten water te drinken met de gels, kwestie van de opname door de darmen te bevorderen.

Meestal zit daar wat extra cafeïne bij en natriumbicarbonaat heb ik ook nog geweten. Bij teams die met ketonen werken, zullen in de laatste flacon misschien ketonen zitten. Bij Deceuninck-QuickStep is met ketonen gewerkt, waar overigens niks mis of verdachts mee is. Maar of ze dat nu nog doen, en of Evenepoel die gebruikt, is mij niet bekend.

En wat met de geheime wondermiddelen? Simpel: die bestaan niet. Middelen die helpen in de finale zijn verboden en worden bij de dopingcontrole gedetecteerd. Of het wondermiddel zou dat grammetje (of twee) paracetamol moeten zijn. Persoonlijk heb ik met één grammetje goede ervaringen. Voor de duidelijkheid: paracetamol is niet verboden.

Gesprek met Maarten Ducrot (NOS over om. de Tour in De Morgen van zaterdag 29 aug 2020

‘Veiligere koers? Minder renners per ploeg en geen oortjes’

Veertig jaar na Joop Zoetemelk kan Nederland weer de Tour de France winnen. Maar een zwartgele Oranje-gekte komt er niet, denkt wielercommentator Maarten Ducrot (62). ‘Want als Jumbo-Visma wint, zal het met een Sloveen zijn.’

Wij hebben ex-wielrenner/ploegleider José De Cauwer als cocommentator en analist van Michel Wuyts. Als u eens wat anders wil, zap dan vanaf zaterdag naar de NOS, waar ex-profschaatser/amateurwielrenner Herbert Dijkstra voor het zestiende jaar wordt gesecondeerd door Maarten Ducrot, de enige commentator van de Lage Landen die ooit een Tourrit won. (De Cauwer won dan weer in de Vuelta en won een Tour als ploegleider van Greg Lemond.)

Zowel de NOS als de VRT heeft ervoor geopteerd om hun commentaarduo thuis te laten. Niet de eerste optie van koersdieren als De Cauwer en evenmin van Ducrot: “Ik zal het missen, naar de startzone gaan en daar wat mensen spreken. Dat laatste was met corona misschien wat lastig geweest, maar aan observeren heb ik ook al genoeg. Het zal nu volledig afhangen van de voorbereiding.

“Dat is nodig, want wij brengen negen etappes van begin tot eind. Dat is een eis van de ASO (organisator Amaury Sport Organisation, red.), die het meeste geld krijgt van de regio’s waar ze door rijden. En die willen in beeld komen.

“Michel Wuyts heeft zijn kaartensysteem, met kleurtjes en zo, maar dat vind ik te veel gedoe. Ik heb alles hier op de laptop staan, per renner een file en daar kan ik dingetjes bijtikken of doorklikken naar hun persoonlijke site of speciale media. Helemaal zelf in elkaar gestoken. Nu je hier bent, kun je mij helpen aan info over Steff Cras? En Ben Hermans, die is al 34, maar altijd onder onze radar gebleven.”

Afgestudeerd als bedrijfspyscholoog ging een reputatie van grote-motorhardrijder Maarten Ducrot vooraf. Als amateur-student werd hij met het Nederlands viertal wereldkampioen 100 kilometer tijdrijden en op dat nummer ook nog eens vierde op de Spelen van Los Angeles. Als Maarten Ducrot vandaag zou koersen, is hij de atypische renner zoals die filosoof Guillaume Martin (Franse renner bij Cofidis, red.), die overal opgevoerd wordt. Vijfendertig jaar geleden was de academicus Ducrot zowat een alien in het profpeloton.

Maarten Ducrot: “Ik ben pas gaan fietsen op mijn 21 en prof geworden op 26. Ik kwam bij Jan Raas en Cees Priem in de ploeg, Kwantum Hallen-Yoko. Zeeuw zijnde – ik ben geboren en getogen in Vlissingen, en zij waren ook Zeeuwen – trainden wij samen. Twee naast elkaar, de derde erachter. Pal wind op kop, elk twee beurten van twintig kilometer, plankgas en dan mocht je als derde man uitblazen. Ik was toen al bezig met cijfers, testing en trainingsschema’s. Ik had een van de eerste snelheidsmeters, zo’n groot ding op mijn stuur. Dat vonden ze raar. Ik had ook een trainer en die schreef mij om de zoveel weken een rustweek voor. Rusten!? Een week dan nog!? Daar konden mijn nieuwe ploegmaats niet bij. Waarna Raas in de Provinciaal Zeeuwse Courant liet optekenen: ‘Ducrot is niet alleen psycholoog, hij heeft er zélf ook een nodig’. Maar nóg later zei hij toch dat ik de enige was die hem deed afzien als ik naast hem reed.”

Je had ook een van de meest vreemde bijnamen ooit: de Koning van Biafra.

“Dat had niks te maken met dat ik zo mager was, wat overigens wel klopte. Nu weeg ik 81, maar ik heb heel even 67 gewogen. Dat Biafra kwam omdat alles wat overbleef aan tafel mijn kant uitkwam. Ik was bang voor de hongerklop en daarom at ik alles op wat ik op kon eten. Die hongerklop overvalt mij soms nog. Tien kilometer te veel en het licht gaat uit. Een paar jaar geleden reden Tim Krabbé (schrijver met passie voor wielrennen, HV) en ik samen 70 kilometer. Het laatste stukje heeft hij mij moeten duwen, ik was compleet leeg.

“Ik heb lang een obsessie met het gewicht gehad. Dat kwam zo. In de Tour ben ik eens een paar dagen doodziek geweest en reed ik achter een peloton aan dat ook nog tegen de mistral moest opboksen. Na die twee dagen kotsen was ik ineens een stuk lichter en daarna vloog ik tegen de bergen op. Ik kwam op de Izoard met de beste klimmers boven.”

Foto’s uit je rennerstijd passen bij Boudewijn de Groots ‘Eenzame fietser’ die kromgebogen over zijn stuur tegen de wind zichzelf een weg baant.

“Misschien, maar niet kromgebogen. Hoe ik zat op de fiets, daar was ik ook al mee bezig. Het was Ernesto Colnago (de eigenaar van het mythische fietsenmerk, HV) zelf die mij complimenteerde: ‘Wat zit jij mooi.’ Ik zei: Ernesto, maak jij nou het ideale kader voor mij, dan zal ik de rest wel doen. Op een gegeven ogenblik had ik veertien verschillende stuurpennen. Ik dacht dat een tiende millimeter het verschil zou maken. Hoe vaak ik die fiets van mij niet uit elkaar heb gehaald… In mijn eerste jaar wel na elke training tot het laatste kogeltje toe. Tot een fietsenmaker zei: het is geen horloge, Ducrot. Daar had ie wel gelijk in.

“Toen ik bij Walter Godefroot ging rijden – bij Domex Weinmann… Wacht, ik pak effe dat shirt van die ploeg… (loopt naar een kast)
Kijk nou eens, die tekening van die afgescheurde wc-rol… Het mooiste shirt ooit, vind ik nog steeds. Maar goed, daar bij Godefroot hadden we Merckx-fietsen. Ik moest bij Eddy thuis gaan voor de opmeting van mijn op maat gemaakt kader. Zal ik nooit vergeten: in de keuken van de grote Merckx bij een bakje koffie sta ik rechtop en zit de kampioen aller kampioenen in mijn sport op zijn knieën om mijn binnenbeenlengte te meten. Wat een beeld. Maar die Merckx-fietsen waren mijn ding niet. Merckx zet de wielrenners vaak ver naar achteren, zoals hij zelf het liefste reed. Dat werkte niet bij mij.”

In die ploeg leerde je ook beginnend ploegleider Patrick Lefevere kennen.

“Als ik Lefevere zie, speelt hij nog altijd de goodguy die hij was als ploegleider. Dan legt hij zijn arm om mij heen en zegt zacht: ‘Martijn…’ Martijn, jazeker, dat was mijn pelotonnaam. Maarten klinkt niet hard genoeg in een razend peloton.

“Patrick was de mensen-mens in die ploeg, in tegenstelling tot Walter Godefroot die wat harder was en die ook de hele tijd bezig was met sponsoren en zo. Samen met Adrie van der Poel – dat was toen mijn broer – waren wij het Nederlands contingent in die nieuwe ploeg. Het liep niet: wij fietsten achteruit. Ik was te mager geworden omdat ik, obsessief van het gewicht, alleen nog fruit at. Patrick heeft mij toen op het rechte pad gehouden door gewoon met mij te praten en mij te laten inzien – zonder dwingend te zijn – dat het ook anders kon.

“Trouwens, die hele entourage van dat team was heel voorzichtig. Die dokter, Gust de soigneur, hele aardige mensen. Ja, het waren andere tijden en als je het door de bril van nu bekijkt, waren we ongetwijfeld fout bezig. Ik nam wel wat ja, maar dat was normaal in die tijd, en soms was het niet eens doping. Ik hield het allemaal netjes bij met bijsluitertjes die ik in een boekje plakte om bij mijn arts in Middelburg te laten controleren of het wel allemaal klopte wat ik deed. Later (januari 2000, HV) heb ik samen met andere renners gezegd wat ik heb genomen en dat is mij toen heel even zuur opgebroken.”

Jij becommentarieert nu het zoontje van ‘je broer’.

“Goed hè, die Mathieu. Ik heb met hem en Adrie een podcast gemaakt. Jongejonge, hoe die schreeuwen tegen elkaar in dat Brabants van hen, volumeknop op 25. Pa wil hem altijd tot kalmte aanmanen, dat hij het volhoudt tot zijn 35, maar Mathieu is een manneke hoor: hij bepaalt wat er gebeurt.”

Nu je journalist bent, bekijkt men je anders?

“Valt wel mee. Ik hoef ook niet zoals jij alles op te schrijven, ik geef commentaar. Maar ik heb wel een eigenschap dat ik de meest confronterende dingen wil en kan zeggen, zonder dat ze boos worden.”

Hoe overleefde de psycholoog in een verknipt milieu als het peloton?

“Ik heb wel een strijd moeten leveren. Ook met mijn ouders. Hoe vaak mijn vader niet heeft gezegd: ‘Mijn zoon hoort niet in dat milieu.’ Hij had het over de wereld van list en bedrog. Ik zei: pa, het is geven en nemen in de koers, anders kom je nergens. Pas de allerlaatste wedstrijd in Putte-Kapellen is hij komen kijken. Ik kwam met de kopgroep uit de bocht op weg naar mijn laatste eindstreep en daar hing mijn pa tussen de dranghekken, zijn vuisten gebald, schreeuwend naar mij, zijn zoon die hij liever niet op die fiets zag. Ik was zo van slag dat ik niet meer kon sprinten.

“Ik ben zo blij dat ik dat heb mogen meemaken. Topsport is jezelf verwerkelijken in een buitengewone prestatie. Dit heeft mij als mens enorm gevormd. Ik ben wel nooit meegegaan in het schijnheilige van het peloton. Het devies ‘eerst het bord van een ander leegeten en dan dat van jou’, daar sta ik dan weer helemaal achter. Hoewel, ik zie het peloton toch als een wisselwerking: alleen rij je 40, allemaal samen rij je 60.”

De kracht van de pelotonsmoraal was in jouw tijd wel groter.

“Ik ben in een peloton gekomen dat nog voor elkaar zorgde. Als je iets ongehoords deed in mijn tijd, werd je bij de zadelpen gepakt en naar achteren doorgegeven: ga jij hier maar even zitten, en gedraag je voortaan.

“Het sterkste wat ik ooit heb meegemaakt was na een valpartij van Ad Wijnands in de Tour van 1985. Die lag onder een motor en het hele peloton dacht: die is dood. Iedereen was nog van slag en ineens besloot de Fransman Joël Pelier te demarreren, tegen alle afspraken in. Waarop gele trui Bernard Hinault naar voren kwam, het peloton tot kalmte aanmaande en in één ruk het gat naar Pelier dichtreed. Bij Pelier gekomen sloeg hij hem vol op de neus. Vandaag wordt Hinault voor het leven uitgesloten, maar ik heb nooit een groter rechtvaardigheidsgevoel gehad dan die dag.

“Alles wat ik op de universiteit heb geleerd, heb ik als wielrenner overschreven. Mijn vrouw zei laatst nog: ‘Wat was jij een lieve jongen voor je ging fietsen en wat ben je toen een klootzak geworden.’ Nu is het wel weer oké, hè, Yvonne (Yvonne antwoordt: ‘af en toe’), maar toen ik wielrenner was heb ik die jas echt moeten aantrekken om mij te handhaven.

“Ik heb ooit in de Ronde van Vlaanderen John Talen van de Post-ploeg omvergetrokken toen die in aanloop bergaf naar de Kwaremont – ik zat perfect geplaatst, ongeveer als tiende lekker uit de wind – in mijn weg kwam rijden. Ik heb mij nadien bij John geëxcuseerd en die zei iets in de trant van: ‘Ik had net hetzelfde gedaan.’ Het hoort natuurlijk niet, maar ik ben blij dat ik heb gemerkt dat ik dat toch in mij had.”

Jij nam het op voor Dylan Groenewegen die Fabio Jakobsen in de dranghekken reed.

“Ik heb het beeld voor beeld geanalyseerd. Jakobsen zit bijna freewheelend in het wiel van Groenewegen die wind op kop snelheid verliest. Jakobsen komt en Groenewegen zet zijn arm. Verkeerd, maar het is geen kwak. Groenewegen wordt op die uitgestoken rechterarm aangetikt door Jakobsen die er langs wil op volle snelheid. Waarop Groenewegen zelf valt en Jakobsen katapulteert. Als ze even hard rijden, is er niks aan de hand en hindert hij hem gewoon, maar nu dus niet omdat Jakobsen er zo snel voorbijkomt. Daarom zeg ik: inschattingsfout van Groenewegen, valt niet goed te praten, maar het is geen bewuste moordaanslag.”

Wat zou jij doen om de veiligheid te verhogen?

“Jij pleit voor een beperkt aantal renners per ploeg die mogen sprinten, las ik. Klinkt logisch, maar hoe ga je dat handhaven? Minder renners per ploeg, dat moet sowieso. Dan kunnen ze minder controleren en blijven er minder over op het laatst. De kwaliteit van het peloton is te homogeen geworden. Te veel goeie renners rijden samen te hard, waardoor ze te dicht op elkaar rijden. Vergelijk een peloton van vroeger en nu: ze klitten veel meer samen omwille van de aerodynamica van dat peloton.

“Je moet vermijden dat die horde bizons – zoals Stef Clement het peloton noemt – zenuwachtig wordt. Schaf dus de oortjes af. Elk onderzoek wijst uit dat handsfree bellen net zo gevaarlijk is in de auto als niet-handsfree bellen. Je aandacht is afgeleid, je let niet meer op wat om je heen gebeurt en je hoort ook minder goed. Dan zit je in een zenuwtergende, gevaarlijke finale en zit iemand in je oor te lullen: pas op dit, pas op dat, let op de wind. Telkens zie je een schok door dat peloton gaan.

“Die sprinttreinen, nog zoiets. Vijf, zes treintjes naast elkaar. Dat peloton vlecht niet meer in elkaar. Dat is geen zwerm vogels meer, dat zijn bussen naast elkaar.

“Ook nog: de moderne fiets vergeeft niks. Hoe bestaat het dat wij gewoon konden vallen? Bij ons was een val op het hoofd – en we reden dan nog zonder helm – echt een grote uitzondering. Dat carbon breekt, ze gaan meteen naar de grond en stuiken met hun hoofd tegen het asfalt. Nadien danken ze hun leven aan hun helm.”

Ik zag nog geen slingers in het Nederlandse straatbeeld. Komt dat oranjegevoel in geel-zwart van Jumbo-Visma alsnog?

“Als het eenmaal goed gaat met Jumbo-Visma, zal het wel gaan leven in ons qua sportsucces opportunistisch landje. Het is natuurlijk geen voetbal waar een team met buitenlanders toch wordt gefêteerd. In wielrennen heet het team een ploeg en dat is een logistiek fenomeen. De wielrenner wint, niet de ploeg, en de kans is toch groot dat niet in de eerste plaats de ploeg Jumbo-Visma de Tour wint, maar de Sloveen Primoz Roglic, namens Jumbo-Visma.

“En Tom Dumoulin? Nou ja, die rijdt weer sterk, na 462 dagen niet te hebben gekoerst, maar die is zo braaf dat hij zich wel in de ploegtactiek zal inschrijven. De koers zal het uitwijzen, zeggen ze bij de ploeg. Nou, reken maar dat als er gekozen moet worden, ze voor Roglic gaan.”

Wat denk je van Egan Bernal en zijn Ineos Grenadiers?

“Afgaande op de laatste jaren toen ze hard naar de laatste twee kilometer reden en dan de zaak beslisten, heb ik liever niet dat zij de Tour domineren. Maar die Bernal is wel een aparte. Ik sprak hem bij een wedstrijd in Colombia. Hij zei: ‘Ik rij liever de Giro voor mijzelf dan de Tour in dienst van Froome en Thomas.’ Kijk, die twee zijn er niet bij en Bernal zit in de Tour als kopman.”

België heeft Wout van Aert bij Jumbo-Visma, een halve Nederlander, maar dat hoor ik nooit bij jullie.

“Hoezo, halve Nederlander? Ach ja, zijn vader is Nederlander, natuurlijk. Kijk, ik wéét het, het zit hier op mijn laptop, het ís ‘van Aert’ met een kleine v, maar het komt niet bij ons op om hem halve Nederlander te noemen zoals jullie Mathieu een halve Belg vinden.

“Wat Wout van Aert heeft gepresteerd na die val, dat is buitengewoon. We wisten dat hij heel wat kon, maar dit…? Hij zal in de Tour natuurlijk ook in dienst moeten rijden van de ploeg en dan kom je toch terug bij hoe Jumbo-Visma dit aanpakt. Ze weten dat er niet één ding is dat je goed doet rijden, maar dat het allemaal in elkaar moet passen. Welke training wanneer, welke voeding in relatie tot die training en wanneer. Ze hebben de marginal gains van Team Sky nog geperfectioneerd. Heel knap.”

Als ze het halen, komen de verdachtmakingen, want Nederland domineerde al de vrouwen en straks ook de mannen.

“Aan verdachtmakingen ontkom je niet in deze sport. Ik heb zelfs collega’s die mij appen: ‘Als Van Vleuten Van Vleutski zou heten, zouden we anders reageren.’ Of: ‘Vertrouwen we wel wat Mathieu van der Poel doet?’ En als het om Jumbo-Visma gaat: ‘Wel goed opletten wat ze doen; 100 procent vertrouwen doe ik het niet.’ Neen, je moet nooit iets 100 procent vertrouwen. Let gewoon goed op als journalist en doe je werk, maar leg niet op elke slak zout.”

Column over Messi en FCB in De Morgen van zaterdag 29 aug 2020

LIONEL MESSI

De dynamiek in het team moet goed zitten, hoor je weleens. Dat is een lastige, want die kan op verschillende manieren tot stand komen. De basisregel in teambuilding is deze: één speler mag dominant zijn, mag de allerbeste zijn, maar laat nooit één speler je hele teamdynamiek bepalen.

En wat dan met de GOAT van alle sporten, Michael Jordan? Die bepaalde alles bij de Bulls en bij uitbreiding de hele NBA in zowat de moeilijkste sport ter wereld, basketbal: hoe werd gespeeld, hoe werd getraind, wie de bal kreeg en wie eten kreeg of niet (als die slecht had gespeeld). We hebben aan zijn extreme dominantie een dijk van een carrière en een misschien nog betere docuserie overgehouden. Zie Netflix, The Last Dance.

Jordan was de uitzondering op de basisregel omdat hij de aanjager was, de driver, “the standard by which excellence is measured” zoals zijn oude baas David Stern ooit oreerde bij zijn afscheid. Hij trainde het meest, liep het meest, maakte de meeste minuten, scoorde het meest; hij presteerde ook het best, zijn supporting cast won samen met hem titels. Hij had recht van spreken. En schelden.

De vraag die FC Barcelona en Ronald Koeman zich nu moeten stellen: hoeveel Michael Jordan zit er (nog) in Lionel Messi? In het verlengde daarvan: hoeveel inspanningen is het ons waard om hem te proberen houden en hoeveel ellende halen we ons op de nek als hij blijft?

Ik vind Lionel Messi de beste voetballer die ooit heeft geleefd, al is tijdgenoot Cristiano Ronaldo ook geen verkeerde. Messi zou volgens oudere voetbalvolgers in de weegschaal liggen met Diego Maradona, maar dat is onzin. Niet alleen de prijzenkast, het hele pakket is dermate verschillend dat Maradona niet op de foto staat. Afgezien van zijn marginale tatoeages – een pleonasme wat mij betreft – is Messi een doodnormale, keurige kerel. Met zijn groeihormoonkuurtjes, waardoor hij zo sterk en toch nog 1,70 meter is geworden, was hij als wielrenner nooit weg geraakt, maar ik vergeef ze hem toch in één moeite.

Alleen, Lionel is geen Michael. Messi is nooit de aanjager geweest van die beloftevolle generatie die in La Masía groot is geworden, maar eerder de allerbeste balkunstenaar onder de beste balkunstenaars. Als bij toeval is hij in een ploegsport beland en door zijn immense talent is de ploeg helemaal in zijn dienst gaan voetballen. Was voetbal acrobatiek, dan had hij een hoofdrol in Cirque du Soleil, helemaal alleen, met zo’n grote schijnwerper op hem en zijn supporting cast kronkelend in de donkerte van het decor. Zoals nu een beetje als hij aan de bal komt en de wereld rond hem verstilt.

Als ik Barça was, ik liet Messi gaan. Meer nog, ik zou hem naar de uitgang duwen zonder dat hij daar erg in heeft. Ik zou om te beginnen geen geld vragen voor hem. Ik zou een feest organiseren te zijner ere. Hem een horloge meegeven als afscheidscadeau, voor twintig jaar bewezen diensten aan de voetbalfabriek FCB.

Lionel Messi is passé. Althans bij Barcelona. Zijn invloed op het spel is zo verstikkend dat het ongezond is. Ga terug in de voetbalgeschiedenis en zoek op YouTube beelden van tien jaar geleden, van vijf jaar geleden zelfs, van toen Messi nog liep zonder bal. Eerste vereiste van het moderne voetbal: zo veel mogelijk spelers die lopen zonder bal. Lopen, zoals in: heel snel wandelen.

Er is een tijd geweest dat ook Messi naar de open ruimte liep en zelfs sprintte, daar de bal kreeg, rare dingen deed waardoor de tegenstanders zichzelf in een knoop legden, en hij scoorde. Dat was Messi-de-Vroege. Messi-de-Late wandelt alleen nog als hij de bal zou kunnen krijgen. Als hij de bal niet kan krijgen, staat hij stil of schuifelt naar een plek waarvan hij denkt: hier kan het misschien. Pas als hij de bal heeft, schiet hij in actie en doet hij die rare dingen waardoor de tegenstander in een knoop eindigt, en hij scoort. Maar wel steeds minder en steeds trager. En de rest staat erbij en kijkt ernaar.

FC Barcelona is beter af zonder Lionel Messi en omgekeerd is dat ook waar. Ronald Koeman is de nieuwe trainer en heeft zijn boodschap al verkondigd: ik zou het leuk vinden dat je blijft, maar we gaan het een beetje anders doen en dat zal misschien niet altijd naar je zin zijn. Het is niet naar zijn zin. Menen ze dat nu echt, al die kenners, dat Manchester City geïnteresseerd is om hem binnen te draaien? Waanzin. Ook Man City is beter af zonder Messi en Messi is beter af zonder de Premier League. Ergens las ik over de hereniging Guardiola-Messi als een nieuwe Last Dance. Groter kan de blasfemie niet zijn.

Column Coronapyschose in De Morgen van maandag 30 aug 2020

Coronapsychose

Eerst correct, dan achterhaald en dan weer correct

Afgezien van de dalletjes, prijs ik mij doorgaans gelukkig dat ik in de sector sport mijn boterham verdien. Je wil het niet gedroomd hebben dat je nu over de cultuursector zou moeten schrijven. Altijd weer die klaagzangen van verdwaalde rappers, B-acteurs of schrijfsters van vijfhonderd verkochte boeken: we kunnen niet spelen, we mogen niet optreden, er mag niemand komen, we hebben geen inspiratie, we verdienen niets… en kijk eens wat die voetballers allemaal mogen en die coureurs…

Evengoed als cultuur lijdt sport onder wat Geert Hoste heel treffelijk in de zaterdagkrant omschreef: coronabeleid als wichelroedelopen. Dat typisch Belgische syndroom is inmiddels doorgedrongen tot Parijs en zit volgende week al in Nice. Het heeft er alle schijn van dat viroloog Marc Van Ranst en infectioloog Erika Vlieghe de directie van Amaury Sport Organisation hebben geïnfiltreerd. En de ASO-server is ongetwijfeld gehackt door Geert Molenberghs. Biostatisticus, dat is zoiets als scheidsrechter; je wordt het alleen als er vreselijke dingen zijn gebeurd in je jeugd.

ASO, de Tour-directie, ongetwijfeld ‘geadviseerd’ door experten, heeft in haar onmetelijke wijsheid besloten dat bij twee besmettingen in eenzelfde ploeg de hele ploeg naar huis moet. Die bepaling gaat deze week in en wordt helemaal van kracht vanaf volgende zaterdag als de Tour begint tot de dag dat hij eindigt en dat is op zondag 20 september. Jawel, voor wie niet altijd mee is met de wereldsport: de Tour is in dit rare sportjaar 2020 een eenmalig herfstgebeuren van voorlopig drie weken.

Dit is coronapyschose à la belge: als een mechanicien positief test en de mechanicien wordt naar huis gestuurd, is het bij de volgende individuele positieve test van om het even welk teamlid, toch prijs. De hele zooi moet dan naar huis, inclusief de coronavrije renners die nog voor een prijs aan het rijden zijn. Om het nog absurder te maken: ook als het om asymptomatische besmettingen gaat, bijna de regel in een sportieve jonge bevolking.

De virusbepalingen die vrijdag uitlekten, gingen – dat kon niet anders – viraal. Patrick Lefevere, normaal de eerste om ASO en de UCI en het hele wielerbestel de mantel uit te vegen, sprak er geen schande van. Hij legt al zijn eieren in dit rampjaar in het mandje van ASO.

Andere bepalingen: renners moeten te allen tijde mondmaskers dragen. Behalve als ze gruwelend en schruwelend naast elkaar een berg op- en afrijden, op vijf centimeter van elkaar in een waaier proberen te overleven of op tien millimeter van elkaar naar de eindstreep stormen, daarbij al of niet elkaars schedels splijtend, dan niet. Sportdirecteurs moeten overal, ook in de auto het mondmasker dragen. Nog afgesproken en helemaal terecht: geen publiek in de buurt van de ploegen, geen publiek aan de hotels, geen handtekeningen uitdelen, geen familie op bezoek. Bijna vergeten: ook geen podiummissen, nu niet en nooit meer. De enige reactie – “jammer want ik heb het altijd leuk gevonden” – kwam van een podiummiss.

In het profpeloton zijn, voor zover we weten, tot nog toe vier renners van drie verschillende ploegen positief bevonden. Ze waren nooit in koers. Alles wordt per ploeg gecontroleerd door de ploegartsen die vanuit de organisatie een coördinerend Covid-arts ter ondersteuning krijgen. Elk teamlid – dertig per ploeg, waaronder de acht renners – wordt voorafgaand twee keer getest, vervolgens wordt er ook getest op de twee rustdagen. Of als er aanleiding toe is.

Hoewel de ploegartsen gebonden zijn aan het medisch geheim en dus niemand anders dan de patiënt mogen inlichten van een positieve test, denkt Patrick Lefevere dat de ploegdokters hun terloopse positieve(n) braaf aan de organisatie zullen melden.

Lefevere weet wel beter. We hebben hier ten eerste te maken met een onzinnige maatregel want waarom niet gewoon de eventuele positieven wegsturen en de rest verder intensief testen? En, ten tweede, dit is wiel-ren-nen. Er bestaat lectuur over de ietwat aparte moraal van deze sport. In 2010 schreef Hein Lodewijkx Tussen geven en nemen, wielrennen als dubbelspel. Een jaar later kwam Herman Chevrolet met Wielrennen, het Feest van List en Bedrog.

Als na de klimtijdrit op La Planche des Belles Filles, met Parijs in zicht de kopman in het geel zit en een ploegarts krijgt een positieve test binnen, wat zal er gebeuren of niet gebeuren? Omgekeerd, als bij een van die klassementsteams een renner onverhoeds uitvalt of een staflid plots verdwijnt, hoe zal Radio Peloton reageren? Wielrennen mag dan ergere kwalen hebben overwonnen, het blijft een sport van list en bedrog, maar vooral van achterklap.

Verhaal over Bayern tegen PSG en Qatar in De Morgen van zaterdag 22 aug 2020

De Morgen – 22 Aug. 2020 Pagina 18

Modelclub Bayern tegen oliestaat PSG

Oude tegen nieuwe rijken, het Avondland tegen Arabieren, Adidas tegen Nike, aanvallers tegen aanvallers,… Niet alleen om voetbalredenen is de UEFA Champions League-finale van morgenavond tussen Bayern München en Paris Saint-Germain een beladen duel.

De opschudding van vorig jaar omdat de vier finalisten van de Champions en Europa League allen Engelse teams waren: nergens voor nodig. Bij de laatste acht van de Europese eindrondes zat deze keer welgeteld één enkel Engels team, en bij de finalisten van gisteren (Sevilla-Inter, Europa League) en morgen (Bayern-PSG, Champions League) geen Engelsen. Wel twee Duitse en twee Franse clubs. Conclusie, deze keer? Geen: voetbal is toeval, ook aan de top.

Wie het morgenavond haalt, zal afhangen van details, individuele fouten en in het beste geval een tactische vondst van enerzijds de Parijse Duitser Thomas Tuchel of anderzijds Hans-Dieter Flick, een Baden-Würtenberger die in Beieren zijn hoogtepunten beleefde als speler en nu weer als trainer. Als speler van Bayern stond hij in 1987 al in de Europacup 1-finale tegen FC Porto. Die werd met 2-1 verloren, met Jean-Marie Pfaff in het doel. Dat kan Herr Flick als trainer eindelijk goed maken, of niet.

Speltechnisch lijken ze ook bijzonder op elkaar, helemaal zoals PSG de halve finale tegen die andere Duitse ploeg – RB Leipzig – speelde. De twee trainers zijn adepten van de hoge press, al probeert Bayern dat extreem hoog uit te voeren. Geen enkele Europese ploeg heeft in de laatste veertig meter, dus tegen het doel van de tegenstander, de andere ploeg zo vaak in de fout gedwongen als Bayern.

De hoge press (Gegenpressung in het jargon) is de voetbalversie van de Blitzkrieg, een Duits concept met Jürgen Klopp (Liverpool), Ralph Hasenhüttl (Southampton) en Hans-Dieter Flick (Bayern) als voornaamste protagonisten. Thomas Tuchel laat twee gezichten zien met Paris Saint-Germain. In Frankrijk presst hij harder dan de beste citroenpers, maar Europees durft hij nogal eens af te wachten. Tegen Leipzig in de halve finale speelde hij op zijn Frans. De verwachtingen zijn dat hij tegen Bayern weer meer behoudend zal spelen om de snelheid van Kylian Mbappé en Neymar uit te buiten in de ruimte achter de Duitse verdedigers.

In de prijzenkast ontlopen de twee finalisten elkaar nauwelijks: Bayern is de laatste tien jaar acht keer landskampioen geworden, PSG zeven keer. Europees, dat is andere koek: tegenover de vijf Europabekers voor landskampioenen /UEFA Champions Leagues en twee kleinere Europabekers van Bayern zet PSG alleen een Europese beker voor bekerwinnaars, behaald in 1996 ten koste van Rapid Wien.

Financial Fair Play

PSG behoort tot de nieuwe rijken van het Europees voetbal. De clash van morgenavond is die van de nummer vier in de ranking van teams met de grootste omzet tegen de nummer vijf. Ze ontlopen elkaar nauwelijks: Bayern verdiende voor het jaar 2019 660 miljoen euro, Paris Saint-Germain 638 miljoen. Voor de goede orde: de nummers één tot drie zijn FC Barcelona (852 miljoen), Manchester United (796 miljoen) en Real Madrid (757 miljoen).

De spelerskern van Bayern heeft een geschatte waarde van 911 miljoen euro, die van PSG 991 miljoen. Manchester City (1,264 miljard), Real Madrid (1,243) en FC Barcelona (1,219) spannen hier de kroon. Het wordt wel eens vaker aangehaald dat Bayern geen gekke dingen doet op de transfermarkt in tegenstelling tot PSG en anderen.

Dat was in het verleden zeker de regel, tot Bayern bij het begin van het voorbije seizoen de Franse verdediger Lucas Hernandez bij Atlético weghaalde voor een niet onaardige 80 miljoen euro. Eerder die zomer hadden ze Benjamin Pavard, ook een verdediger voor 30 miljoen gehaald. Samen 110 miljoen, daarmee braken ze door de eigen geluidsmuur, maar verzaakten niet aan hun traditie: de laatste 27 jaar heeft de modelclub Bayern nooit verlies geleden.

Die 110 miljoen was de helft van wat PSG twee jaar eerder voor Neymar da Silva Santos Júnior had betaald aan FC Barcelona. In dat jaar leende het ook Kylian Mbappé van AS Monaco om hem een jaar later voor in totaal 180 miljoen euro te kopen. Dat is 400 miljoen voor twee spelers, ook in München trokken ze grote ogen en stelden ze al hun hoop op de Financial Fair Play.

Die regel uit 2013, fel gepromoot door Bayern, bepaalt dat de voetbalgerelateerde inkomsten in evenwicht moeten zijn met de voetbalgerelateerde uitgaven. Als dat niet het geval is, mag de club in totaal voor 30 miljoen (over drie opeenvolgende seizoenen) in het rood gaan. Het onderzoek daarna werd in juni 2018 zonder gevolg geklasseerd, maar toen nieuwe documenten opdoken die de sponsorinkomsten vanuit Qatar in een ander daglicht plaatsten, werd het dossier in september van dat jaar opnieuw geopend door Yves Leterme en zijn onderzoekseenheid.

PSG trok naar het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) en daar werd de UEFA teruggefloten door een vreemde procedurefout. Critici wijzen erop dat dit de UEFA goed uitkwam. Inmiddels was ook PSG-voorzitter Nasser Al-Khelaifi toegetreden tot het executief van de UEFA. Een Arabier in de controletoren van het Europees voetbal, de ergernis was alom, maar er was een goede verklaring voor: Al-Khelaifi is ook voorzitter van beIN Media Group. beIN is de Qatarese rechtenhouder van de UEFA-competities voor het Midden- Oosten, Noord-Afrika, Hong Kong en Singapore en vanaf 2021 ook in Frankrijk.

Toch is de man nog niet helemaal van het ijs. Niet alleen is hij lid van het organisatiecomité van de via corruptie toegewezen World Cup 2022, waar de Amerikaanse FBI nog mee in de maag zit. Hij wordt door het Franse gerecht ervan verdacht 3,5 miljoen dollar te hebben betaald aan de voormalige voorzitter van de internationale atletiekbond om het WK atletiek van 2017 in Doha te krijgen.

Inzake eigendomstructuur, financieel management en vooral de verantwoording die daarmee gepaard gaat, kunnen geen twee clubs meer van elkaar verschillen dan Bayern en PSG. Bij Bayern hebben de hoofdsponsors Adidas, Audi en Allianz elk 8,33% van de aandelen in handen. De overige 75 procent behoort toe aan de ledenvereniging die toezicht uitoefent op het beheer van de club.

Sportswashing

Paris Saint-Germain is sinds 2011 eigendom van de Qatarese overheid via Qatar Sports Investment en is een vehikel voor wat met een modieus begrip sportswashing heet. Dat is sport gebruiken om een structuur – vaak een land of een organisatie – mooier en edeler voor te stellen dan ze in werkelijkheid is. Daar draait ook de hele discussie om in verband met de Financial Fair Play. Net geen zeventig procent van de omzet van PSG (tegenover de helft voor Bayern) is afkomstig van commerciële deals en die lijken niet zelden opgeblazen.

Dat de kledijsponsoring van Nike de Fransen 80 miljoen opbrengt en die van Adidas Bayern maar 60 miljoen, tot daar aan toe. Maar Bayern heeft bijvoorbeeld geen Qatar Tourist Authority die PSG jaarlijks tussen 175 en 200 miljoen dollar toeschuift, opdat PSG Qatar zou promoten als toeristische bestemming. Critici zeggen: opdat PSG boven zijn commercieel gewicht zou kunnen boksen in het Europees voetbal. Jazeker, PSG heeft een fanshop in de luchthaven van Doha, maar dan nog is het absoluut geen marktconform bedrag. Het pleit niet voor de UEFA dat ze zo’n open doelkans – zo’n inbreuk tegen de Financial Fair Play – niet hebben kunnen binnenkoppen.

De realiteit van het wereldvoetbal is wat die is natuurlijk en daar ontsnapt ook Bayern niet aan. Bayern München noemt zich lokaal verankerd, vindt niet dat het andere dan Duitse merken aan zich zou moeten binden, maar heeft ook een fanshop op Hamad International. Meer zelfs, het heeft Qatar Airways als shirtsponsor op de mouw. Weze het voor een bescheiden tien miljoen.

Ook daar loopt PSG de kantjes eraf. De Franse groep Accor werd vorig jaar shirtsponsor van de Parijzenaars. Hoofdaandeelhouder bij Accor is Sébastien Bazin. Die was toevallig in 2009 de voorzitter van PSG die de club verkocht aan Qatar. Zijn opvolger was Al- Khelaifi. Het leek op een één-twee, maar het was een dubbele één-twee. In 2015 werd Qatar Investment Authority één van de andere hoofdaandeelhouders van Accor. Hun shirtsponsoring brengt 65 miljoen euro in het laatje, méér dan Barcelona.

Column De Transcendent over VK in De Morgen van zaterdag 22 aug 2020

De Transcendent

In een vervolg op mijn achtenswaardige collega Jan Hauspie deze week (zie DM 19/08), wil ik het nog eens over de zalige/onzalige (schrappen naargelang voorkeur) verschijning van Vincent Kompany in Extra Time maandagavond hebben.

Het gezelschap aan tafel probeerde om er een vraaggesprek van te maken – Filip Joos op kop – maar dat is dan het (enige) manco van de formule van Extra Time, het is een praatbarak. Die praatte vaker dan gepermitteerd door elkaar waardoor Kompany kon ontsnappen aan antwoorden.

Maar hé, nu Stephen Fry heeft toegezegd, misschien wil Vincent Kompany ook wel eens in Alleen Elvis blijft bestaan bij Thomas Vanderveken. Het kan dan niet de hele tijd over voetbal gaan, maar dat hoeft niet. Kompany is een man van de wereld. Toen ik hem in 2007 in Hamburg ging opzoeken en in zijn hotelsuite moest antichambreren, lag daar zijn salontafellectuur. Een boek met in de titel Les Guerres Isréalo-Arabes. 21 was hij. Kompany, het was nooit anders, is de transcendent van het voetbal.

Of one on one worden geïnterviewd door een goed voorbereide journalist. Met heikele voetbalgerelateerde vragen. Niet meteen, kwestie van de sfeer niet te verbrodden, maar zo even na halfweg, nadat hij zijn adoratie voor Guardiola en Cruijff uitgebreid heeft mogen belijden en op temperatuur is gekomen, dát is het moment om de vragen te stellen die er toe doen.

Zijn adoratie voor Cruijff, die hij in een dynastie ziet met Guardiola (en zichzelf wellicht als versie 3.0) is overigens nieuw. Ik heb een paar keer lang met Kompany gepraat, de laatste keer jammer genoeg al even geleden, en hij had het daarin nooit over Johan Cruijff. Zou dat de invloed zijn van Roberto Martínez, vraag ik mij nu af, want die heeft Cruijff ook ingeslikt.

Kompany was maandag meer Cruijff dan Guardiola. Hij praatte aan één stuk, en dat staat altijd goed op tv. Hij lachte tussendoor, keek de mensen recht in de ogen, en veroverde zo de hele studio. Maar zei hij ook iets? Begreep je echt wat hij bedoelde? Antwoordde hij? Neen. Even verwachtte ik de oneliner ‘ben ik nou zo slim, of ben jij nou zo dom?’, maar die is van Louis van Gaal.

Extra Time had de grote verdienste dat het zich openstelde voor Vincent Kompany al was dat in de realiteit eerder omgekeerd. Kompany in Extra Time was een beetje als de grotten van Lascaux waar je eenmalig naar binnen mag, weze het dan dat de mooiste zalen gesloten blijven. Afgezien daarvan was het een topuitzending, alleen al omwille van de masterclass rond-de-hete-brij-draaien.

Kunnen we in het vervolg die verwijzingen naar zijn roemrijke verleden als speler laten? Dit is een totaal ander spel dat hij nu wil spelen. De vraag die zich nu stelt: kan de trainer Vincent Kompany een leerproces aansturen? Ergens in een krant werd van de week de vergelijking gemaakt met Zinédine Zidane bij Real Madrid, die kon dat wel. Onzin: iedereen kan Real Madrid in de wei sturen en een matchke winnen. Anderlecht, dat bulkt van talent maar met meer dan de helft van de ploeg nog in volle opleiding, is een ander verhaal.

Dus we herhalen: ongetwijfeld heeft hij een hoog IQ en EQ, maar is Vincent Kompany een opleider, een teacher? Heeft Vincent Kompany de juiste analytische inzichten om te zien wat misloopt? Wellicht wel. Als speler die altijd het spel voor zich zag, moet hij dat hebben ontwikkeld. Vervolgens: beheerst hij de didactiek, heeft hij de oefenstof niet alleen om stap voor stap iets aan te leren, maar ook om fouten te remediëren?

Als hij die heeft opgeschreven wel, zo niet moet hij beroep doen op een goede assistent, aan wie hij kan vragen om zijn spelvisie te decrypteren en aan de groep aan te leren. Jonas De Roeck is altijd een intelligente speler geweest en van Nicolas Frutos wordt dat ook gezegd, maar of zij de teachers zijn die deze groep stap voor stap zullen instrueren in het goddelijke voetbal dat Kompany voorstaat, dat valt nog te bezien.

Kompany sprak maandag de woorden ‘ik ben geen turnleraar’ en hij sprak het uit alsof daar iets mis mee is. Welnu, een beetje turnleraar zijn, zou hem van pas komen, al was het maar om vertrouwd te zijn met de didactische begrippen ‘aanschouwelijkheidsprincipe’ en ‘geleidelijkheidsprincipe’. Je kan dan wel tonen hoe het voetbal moet worden gespeeld, en een aantal van je leerlingen-spelers zullen meteen mee zijn, maar voor een aantal anderen zal je tussenstappen moeten inbouwen, terug moeten naar het bord, weer naar het veld, weer naar het bord. Tot ze het kunnen. En dat is een totaal ander spel.