Column Heja Norge in De Morgen van maandag 19 september 2022

Heia Norge

Ik was al tevreden geweest met een tiende plek, en stilletjes hoopte ik op een vijfde. Maar dit had ik nooit durven dromen.” Even tevoren had Tobias Foss zichzelf wakkergeschud. Randje automutilatie was het, die harde kletsen in het gelaat in zijn geval.

Hij zat al zo lang in die hotseat, dat ging niet gebeuren dat hij daar zou blijven, want de toppers kwamen er nog aan. En toch. Eén na één beten ze hun tanden stuk op zijn sterke tweede helft. Een Noorse stoomtrein was langs de kusten van South- Wales gedenderd en had iedereen verpletterd.

Foss ging verder: “Deze trui mogen dragen (alleen bij tijdritten, HV) zal iets heel speciaals zijn en ik zal hem alle eer aandoen.”
En toen sloop de krak in zijn stem en gingen zijn ogen op rood. Hij besefte het: champion of the world, klinkt beter dan het Noorse verdensmester, en dat voor een jongen die er om bekend staat dat hij bescheiden is, supergetalenteerd dat wel. Zoals hij zelf zei: “Ik heb niet altijd evenveel zelfvertrouwen.”

Het meest sprekende beeld was Evenepoel die zijn helm afdeed, zijn communicatie uit zijn oor pietste, vervolgens zijn gezicht afveegde en een slok tot zich nam, alleen wetend dat hij niet de beste is. Net dat moment liet een Belg in de mixed zon de naam Foss vallen als winnaar. Evenepoel kon het niet geloven. Schudde het hoofd: “Hu, Foss?”

Ja Foss. We zouden het moeten afleren om kampioenschappen in verre landen na lange reizen en met vele uren verschil te willen voorspellen. Dat geen Afrikaan of Zuid-Amerikaan zou winnen, oké, maar verder hadden de analisten, kenners en journalisten zich niet mogen wagen. Toch kwam uit een synthese van alle stellige prognoses een podiumstrijd tussen Filippo Ganna en Remco Evenepoel.

Goeie outsiders waren Pogacar, en de Zwitsers met Küng op kop en Bissegger als gevaarlijke klant. Het podium werd Foss uit Noorwegen, Küng uit Zwitserland en Evenepoel uit Schepdaal.

Stefan Küng lijkt de verliezer van de dag. Wie 1,5 seconde per kilometer toegeeft in de laatste tien kilometer heeft ofwel het parcours niet goed verkend, of te veel gegeven in het eerste deel of is gewoon fysiek niet optimaal. Niet vergeten: de biologische klok van een West-Europeaan stond bij het begin van de tijdrit op zeven uur. In de ochtend. Hoe een lichaam daar mee kan omgaan, is erg individueel.

Filippo Ganna is ook een rare kwiet. Kan best zijn dat hij op 8 oktober in Grenchen een werelduurrecord neerzet voor de eeuwigheid, kan best zijn dat hij daar de laatste weken iets te veel mee bezig was, kan ook zijn dat dit helemaal zijn parcours niet was, of dat hij een latere piek plant, maar zoveel toegeven is geen goed signaal.

Over Evenepoel kunnen we kort zijn. Dat brons is onverhoopt, behaald op pure klasse. Hij mist nog tijdritgoud op een WK, maar hij is op dit WK veruit de beste van alle groterondepretendenten. Evenepoels concurrent van ooit in de Tour, Tadej Pogacar, eindigt op bijna veertig seconden. En Pogacar heeft zich wel kunnen voorbereiden op dit WK, terwijl Evenepoel uit een slopende Vuelta komt met een onvermijdelijke decompressie achteraf.

Foss komt uit Noorwegen. Heb er deze zomer weer eens meer dan een maand rondgetoerd en neem het dus van mij aan, zo’n Tobias Foss met dat opgesneden blond-bruine haar, die blauwe ogen, dat gesis in dat Scandinavisch Engels, zo krijg je er honderd in een dozijn in Noorwegen.

Ook dat strakke lijf is Noors, al is dat in het hoge noorden waar ze genetisch gemuteerd of geselecteerd zijn om vet op te slaan, wel even anders. Tobias Foss heeft wat dat betreft geluk. Hij is geboren in de onderste (rijkere) helft van zijn land. Hij komt uit Vingrom. Dat ligt aan het Mjøsameer dat eigenlijk de afgedamde rivier Lågen is. Zegt het u niks? Vingrom is deel van de stad Lillehammer, waar in 1994 de winterspelen zijn doorgegaan.

Noorwegen is het dertiende land dat goud wint op negenentwintig edities van het WK tijdrijden. Heia Norge, hup Noorwegen, eindelijk. In geen enkel ander land wordt buitensporten zo gepromoot als in Noorwegen. Nergens is het beter sporten dan in dat deel van Noorwegen, Lillehammer en omstreken, waar ook nog eens de minste neerslag valt.

Noorwegen behaalde op de laatste twee Olympische Spelen samen 45 medailles voor 5,5 miljoen inwoners. Noorwegen is daarmee het best presterende sportland van de planeet. Het heeft een sportsysteem dat de jeugd zo lang mogelijk laat sporten zonder score, zónder competitie tenzij tegen zichzelf. Na zichzelf, heeft Tobias Foss zich nu ook dat andere Noorse specialisme eigen gemaakt, winnen van de klok.

Column Greatest Of All Time in De Morgen van zaterdag 17 september 2022

Greatest of all time

Tot twee keer toe, in dezelfde maand, in dezelfde sport, hebben we afscheid genomen van de beste aller tijden, van een GOAT. Dat acroniem staat voor greatest of all time. Of Serena Williams de beste speelster aller tijden was en volgens de Amerikanen ook overall (mannen- en vrouwentennis gecombineerd) én de beste atlete over alle sporten heen, daar kan serieus over worden gediscussieerd.

Williams was niet de meest technische speelster, ook niet de meest positieve, en soms fysiek zelfs een aanfluiting voor haar sport. Maar niemand kan ontkennen dat ze als rolmodel boven alles en iedereen uitstak, ook al was dat achterstandsbuurtimago van ‘the girl out of Compton’ zorgvuldig geboetseerd. Haar impact op haar sport was immens en bovendien speelde niemand langer tennis dan zij en won niemand meer wedstrijden en grote toernooien dan zij.

Roger Federer is minder een betwiste GOAT dan Serena Williams, ook al hebben twee spelers – tijdgenoten dan nog – meer grand slams gewonnen. Een vergelijking van getallen zegt veel maar niet alles. Sport, en zeker de absolute topsport, is vaak zoveel meer dan statistiek. Federer is minder succesvol geweest dan Rafael Nadal en Novak Djokovic op de courts. Ernaast heeft hij meer dan het dubbele verdiend. Ook dat gegeven kan onmogelijk het enige criterium zijn, want dan moet Floyd Mayweather de beste topsporter aller tijden zijn.

Het onmeetbare is waar we naar zoeken bij de GOAT: de impact die een atleet heeft gehad op zijn of haar sport. Als je een poll zou houden onder oudere, nog levende tennissers (m/v) en onder generatiegenoten van Federer én onder zijn vrouwelijke collega’s, dan komt Federer er altijd uit als grote voorbeeld. Hij is/was inzake impact en succes gecombineerd de Michael Jordan van het tennis.

Jordan was ook alleen inzake verdiensten de meest succesvolle basketbalspeler aller tijden. Tien basketbalspelers hebben meer titels gewonnen dan hij, waaronder acht – de deze zomer overleden Bill Russell met elf ringen op kop – van de Boston Celtics-dynastie in de jaren zestig. Twijfelt iemand aan Jordan als grootste speler/sporter aller tijden? Misschien fans van een concurrent, of jonkies voor wie de geschiedenis begint met TikTok en Instagram, maar ze dwalen.

Zal iemand Steph Curry, als hij er nog twee wint, op gelijke hoogte zetten van ‘His Royal Airness’? Of nog erger, hem uitroepen tot GOAT van het basketbal? Neen. Een GOAT impliceert een totaalpakket. De beste in cijfers zijn volstaat niet om de grootste te zijn. De grootste excelleert. Of zoals NBA-baas David Stern ooit sprak toen hij Jordan weer eens een prijs overhandigde: “You are the standard by which excellence is measured.”

Wie is de Vitruvius van zijn sport, dat is de inzet van deze discussie. Op de keper beschouwd lijkt die vraag absurd. Omdat, zo wil de boutade, generaties niet te vergelijken zijn. Natuurlijk zijn die te vergelijken. In elke sport die niet leed onder systematisch bedrog (doping in wielrennen en atletiek, technologie in zwemmen) verbeteren de prestaties lineair en worden atleten steeds sterker.

Het lijdt geen twijfel dat de Jordan van 1998 het een kwarteeuw later bijzonder zwaar zou hebben in het veel fysiekere basketbal, ook al zijn de huidige verdedigingsregels in zijn voordeel. Maar als Jordan 25 jaar later was geboren en dus anders was getraind, dan stond hij met datzelfde lijf en diezelfde mentale hardheid ongetwijfeld weer helemaal boven aan zijn voedselketen. Hetzelfde geldt voor Federer.

Het concept GOAT komt juist van iemand die ook niet de meest perfecte stats in zijn sport kan voorleggen. Precies dertig jaar geleden bracht Lonnie Ali, vrouw van Muhammad Ali, de intellectuele eigendomsrechten op haar man onder in de nv GOAT. Ali was de zelfverklaarde grootste bokser aller tijden, maar ook een beetje de Federer van zijn sport: niet de beste qua stats want aan het eind enkele pijnlijke afgangen gekend, maar wel door zijn collega’s beschouwd als de grootste ooit.

Volgende week speelt Federer zijn laatste wedstrijd. In de O2 Arena langs de Theems. In Londen dus, waar hij zijn recordaantal van acht Wimbledon-titels haalde. Het is te hopen dat de tegenstand hem wat laat genieten want voorlopig staat bij zijn laatst gespeelde set een 0-6-verlies, ook op Wimbledon. De Jordan van het tennis verdient een afscheid als de echte Jordan: terwijl zijn team de wedstrijd in Philadelphia kansloos verloor, was zijn laatste act een perfecte vrijworp. De hele hal, die hem jarenlang had gehaat, veerde als één man recht en gaf hem een staande ovatie.

Column Remcoooh (deel 4) in De Morgen van maandag 12 sepember 2022

Remcooooh (deel 4)

De Vuelta is de kleinste van de grote rondes. De Vuelta van 2022 was bovendien niet al te sterk bezet. Onderweg vielen nog eens een paar goede renners weg. Hijzelf bleef gespaard van groot ongeluk en van corona. Helemaal juist, maar dat maakt de rekening van Remco Evenepoel niet. Ook niet van zijn voorbeeldige ploegmaats.

Op je tweeëntwintigste een grote ronde over de streep halen, weze het een kleine grote ronde, is een hele knappe prestatie, en die is meer waard dan een bak bier in het gemeentehuis van Schepdaal. Die bak bier komt uit een interview met Johan De Muynck, 74 inmiddels, maar scherper van tong dan toen hij professioneel met de fiets reed.

De Muynck heeft recht van spreken: hij was de laatste Belgische groterondewinnaar. In 1978 won hij de Giro, in Italië, vóór de Italianen Baronchelli, Moser, Panizza en Saronni. Van die vier zouden Beppe Saronni (1979 en 1983) en Francesco Moser (1984) een Giro winnen. De Muynck zelf had al in 1976 kunnen winnen, maar verloor door een val die Giro met negentien seconden.

De Muynck gebruikte dat beeld van die bak bier op het gemeentehuis om aan te geven dat een viering op zijn plaats is, maar dat men Evenepoel na zijn winst in de Ronde van Spanje ook niet als een nieuwe wielerkoning op een piëdestal moet zetten. Dezelfde teneur las je een dag later in de Mediahuis-kranten die de laatste Belgische winnaars van de drie grote rondes samenbrachten.

Lucien Van Impe won de Tour in 1976, Freddy Maertens won een jaar later in Spanje en Johan De Muynck nog een jaar later in Italië. De sprinter Maertens won 13 van de 21 etappes en hield Miguel María Lasa en Klaus-Peter Thaler achter zich, niet bepaald wereldrenners. Van Impe klopte dan weer de latere Tour-winnaar Joop Zoetemelk en de eeuwige tweede Raymond Poulidor.

Van Impe had de beste quote: “Evenepoel is een groot renner. Afwachten of hij een hele grote wordt.” Dat weten we niet. Wat we wel weten: Evenepoel heeft dit jaar opnieuw een stap gezet in zijn ontwikkeling. Luik-Bastenaken-Luik winnen, tegen een piekend deelnemersveld, is overigens een minstens even opvallende mijlpaal als deze Vuelta tegen een half uitgewoonde tegenstand.

Dat hij de Vuelta over de streep trok, oké, maar ook de manier waarop maakte indruk. Te vroeg in het rood om comfortabel te zijn, maar nooit stress. Aangevallen en tijd gepakt. Tijdrit gewonnen met overmacht. Aangevallen geworden, beetje tijd ingeleverd, maar nooit gepanikeerd. Zich al die tijd zich keurig gedragen, geen kuren verkocht, beschikbaar voor de media.

Toen de concurrentie hem uit zijn lood probeerde te slaan won hij gewoon zelf nog een mooie rit. De laatste lastige etappe heerste hij en keek zijn laatste concurrent bij diens laatste poginkje om weg te rijden recht in de ogen. Enric Mas werd op slag menos.

Of Evenepoel een hele grote wordt, weet niemand. Ook als dit het is, en er komt niks meer, is het al erg mooi. De schavuit uit Schepdaal – jeetje, ze zijn gelukkig met die Urbanus-strips net op tijd opgehouden – is een fenomeen. Op die leeftijd, met zo weinig koersjaren zo’n palmares bij elkaar rijden, het is ongezien.

Egan Bernal was 22 jaar en 196 dagen oud toen hij de Tour won in 2019. Tadej Pogacar was net geen 22 toen hij in 2020 Primoz Roglic in de laatste klimtijdrit naar La Planche des Belles Filles uit het geel reed. Negen renners waren in hun 22ste levensjaar toen ze de Giro wonnen. Acht waren geen 23 toen ze de Tour wonnen, van wie 4 tussen de twee wereldoorlogen.

Geen enkele had het lijstje overwinningen van Evenepoel op die leeftijd, op Pogacar na misschien. Wel nog deze randbemerking meegegeven. Het is met de Vuelta winnen een beetje zoals met de beurs: in het verleden behaalde resultaten zijn geen garantie voor de toekomst. Slechts vier Vuelta-winnaars van de laatste dertig jaar wonnen ook een andere grote ronde. Pogacar en Bernal begonnen hun groterondepalmares met de echte Tour.

Dat het uniek is, een Belg die in 44 jaar voor het eerst weer een grote ronde wint? Het is uniek omdat het ridicuul is. Dit wielerwalhalla waande zich een grote wielernatie met vooral winst in eendagswedstrijden, de meeste dicht bij de deur en op kasseien, maar een beetje normaal sportland had zich moeten hullen in schaamte.

Een beetje normaal sportland zou ook deze overwinning van Evenepoel naar waarde schatten. Dat betekent níét minimaliseren, maar evengoed níét overdrijven. Wij zijn geen normaal sportland en daarom moeten we nu met zijn allen mee in de rooie polonaise. Dat Eddy Evenepoel voorlopig niet in België landt en meteen doorreist naar dat gedevalueerde WK, noemt het gerust een godsgeschenk.

Column Kilowattuurslurpers in De Morgen van zaterdag 10 september 2022

Kilowattuurslurpers

Ooit was L’Équipe een supergoede sportkrant, de beste van de wereld. Toen ze met een dalend lezerspubliek te maken kregen, hebben ze het geweer van schouder veranderd, zeg maar de tering naar de nering gezet. Dat ging erg simpel: geen tering meer, alleen nog hoera-nieuws, de Sporza-formule als het ware.

Het gevolg is dat L’Équipe nog steeds de meest complete sportkrant van de wereld is, maar bij tijd en wijle meesurft op een (tricolore) hype en onveranderlijk zwaar chauvinistisch wordt als een Frans staatsburger in de buurt komt van medailles. In geval van podia zijn het kot en de gazet te klein.

Zo is L’Équipe met de tijd het fanzine geworden van PSG, Paris Saint-Germain, de voetbalclub van MNM, Messi-Neymar-Mbappé. Elke bericht groot of klein over PSG wordt met het nodige tromgeroffel geschreven en voorzien van ronkende titels. Groot was dus de verbazing toen woensdag ineens twee volle pagina’s werden gewijd aan wat inmiddels in de Franse media een eigen leven is gaan leiden als char à voile gate of het zeilwagenschandaal.

We praten u even bij. Vorig weekend vloog PSG met de privéjet van de club naar Nantes, een kleine vierhonderd kilometer van Parijs. Een directeur van de TGV-Intercités had middels een tweet gesuggereerd dat het ook per trein zou kunnen, veel minder verspilling van energie, veel minder vervuilend en amper twee uur kwijt. Een privéwagon en zo, dat was allemaal mogelijk. Twee ook.

Op de persconferentie voorafgaand aan de wedstrijd tegen Juventus deze week kreeg PSG-trainer Christophe Galtier daarover een vraag. Hij dacht even na en sprak toen de inmiddels legendarische woorden: “We hebben bekeken met onze transportmaatschappij of we voortaan kunnen reizen per zeilwagen.”

Kylian Mbappé, die naast hem zat, bescheurde het. De sociale media niet. De politiek ook niet. De repliek van Galtier was even gevat als dom en wereldvreemd, vintage voetbal. Media die zich doorgaans beperken tot een kort verslag en de uitslag ontfermden zich nu over de zaak: als elke burger in dit land moet besparen op energie, waarom het voetbal niet?

Dat is een terechte vraag. Het is niet duidelijk of de burger, laat staan de voetbalfan die niet verder kijkt dan de uitslag van zijn favoriete club, wel beseft welke uitzonderingspositie deze sport zich toe-eigent. Neem nu de voorbije droge periode. Oké, er was geen sproeiverbod voor tuinen, maar boeren moesten zich wel aan allerlei regels onderwerpen. Voetbalclubs niet. Er zijn voorbeelden van clubs die in de ook al zo droge jaren 2019 en 2020, toen er wel een sproeiverbod gold, vrolijk leidingwater sproeiden op hun velden. Onder het motto: de velden moeten worden gesproeid, dat verhindert blessures en de bal gaat sneller rond. Is water duur? Wij hebben geld genoeg.

Deze zomer, toen er een oppompverbod was uitgevaardigd voor niet-bevaarbare waterlopen, is minstens één club betrapt bij het oppompen van water uit een beek naast haar oefencentrum. Sproeien is een obsessie, bij voorkeur voor elke wedstrijd/training, maar een beetje club heeft daarvoor een circulaire regenwaterinstallatie. Als die te klein en dus snel leeg is, gaat de stadskraan open.

Nu is het beginnen te regenen en is die zorg weer van de baan, maar straks wordt het ook weer donkerder en wordt de obsessie om het groene gras nog acuter. Werkt de drainage wel, groeit het gras nog? Gras hoort niet te groeien in de winter, althans niet waar wij wonen, maar wel in een voetbalstadion. Dus staan er hele batterijen lichten op het gras, in de donkerste weken branden die zelfs 24 uur aan een stuk. Dat zijn voor alle duidelijkheid geen ledlichten maar kilowattuurslurpende geel-oranje monsters die de grassprieten moeten wijsmaken dat de zon schijnt.

Omdat lampen alleen vaak geen soelaas bieden wordt ook nog eens de veldverwarming aangezet. Die was origineel bedoeld om eventuele sneeuw en ijs te laten smelten, maar in nogal wat (rijke) clubs staat die in de wintermaanden volle bak te draaien, dag en nacht. Weerom: de grassprieten moeten denken dat het lente is.

Kunstgras zou alvast veel van voorgaande systeemfouten oplossen, maar daar wil het archaïsche voetbal niet aan. Als het op echt gras moet, dan is er maar één oplossing om deze energieverslindende waanzin te stoppen: van voetbal een zomersport maken. Als ze straks kunnen voetballen in Qatar bij vijftig graden moet dat bij ons ook bij die occasionele dertig lukken. Dat is alvast een pak gezelliger. Ook minder energieverslindend, want als het erg koud is gaan in de modernste stadions boven de duurste plaatsen en op de terrassen van de skyboxen de branders aan, kwestie van de vips niet te laten bibberen.

Column Terreur bij de Spelen in De Morgen van maandag 5 september 2022

Terreur bij de Spelen

Vandaag exact vijftig jaar geleden verloor de olympische topsport zijn onschuld. Althans in de maatschappelijke betekenis: als een vreugdevol feest van volkeren en atleten. Afgelopen zomer hielden een aantal bonden in het Olympiapark van München hun Europese kampioenschappen. Dat was geen toeval, maar veel ruchtbaarheid is toen aan die verjaardag internationaal niet gegeven.

München 1972 is dan ook de geschiedenis ingegaan als de Olympische Spelen van de brutale aanslag van Zwarte September op de Israëlische delegatie. Zestien doden vielen er in die 23 dramatische uren: elf gijzelaars en vijf gijzelnemers.

De stad München is begrijpelijkerwijs nog steeds trots op die zestien dagen van sportieve glorie tussen de openingscermonie op 26 augustus en de sluiting op 11 september. Je kan er nog steeds de Olympia-toren bezoeken, een naald van 291 meter hoog, die de hoogste van de beide Duitslanden moest worden.

Dat was buiten de DDR gerekend. Toen Oost-Duitsers, behorend tot de Russische invloedssfeer, lucht kregen van de West-Duitse plannen, planden ze voor hun in aanbouw zijnde tv-toren in Oost-Berlijn een extra hoge pin waardoor die bij 368 meter uitkwam. De DDR-equipe die naar München afreisde werd daarop gewezen door de begeleiders – lees het Stasi-personeel: wij hebben de grootste.

De toren in München bezoeken kost 16,5 euro. Wie gewoon door het oude Olympia-dorp wil wandelen is 17,5 euro kwijt. Hoogtepunt – dieptepunt zo u wil – daarbij is het bezoek aan Connolystrasse 31, waar deze ochtend rond vijf uur vijftig jaar geleden acht Palestijnse terroristen van de Zwarte September de Israëlische appartementen binnenvielen en elf Joodse atleten gijzelden.

Als u meer wil weten over wat daar is gebeurd, kunnen we u niet verwijzen naar VRT Max of Streamz of welke al of niet betalende terugkijkdienst van de Belgische stations. NPO is waar u moet zijn als u zich een geweten wil laten schoppen door de verbluffend uitstekende vierdelige docu Terror at the Games: Munich ’72.

Countdown, Endgame, Terror en Wrath, zo heten de vier afleveringen. Als de terugkijk-tv niet meer lukt, surf dan naar VPRO, dat betrokken was bij het maken van de docu. Maar leg eerst een VPN, anders vangt u vanuit België bot.

Het regende de laatste maanden docu’s over dat dramatische etmaal in en rond München met die dodelijke afloop op de militaire vliegbasis van Fürstenfeldbrück, maar deze serie is wel heel bijzonder en gedetailleerd. Om het even in te korten: meteen na de gijzeling schoten de Palestijnen twee atleten dood die zich verzetten. De andere negen atleten stierven in een desastreus verlopen ‘endgame’ waarbij een terrorist onder meer een handgranaat in de helikopter met de atleten liet ontploffen. De rest moet u zelf ontdekken. Wat daarna gebeurde is minstens even spannend als de gijzeling zelf.

Het unieke van deze docuserie zit hem in de research. Alle mogelijke overlevenden en naasten van overledenen komen aan bod en vertellen hun verhaal. Ook de politici die toen aan de macht waren of later aan de macht zouden komen, zijn gaan zitten met de makers. Zo is de latere Israëlische premier Ehud Barak te zien die monkelend vertelt hoe hij als baas van een speciale missie en zelf verkleed als vrouw, het commando leidde dat in 1973 in Beiroet drie PLO-leiders ging vermoorden. Ten zien in deel vier, Wrath. Wraak dus.

Dat is nog het meest opvallende aan de hele docu: de nauwgezetheid waarmee de ooggetuigen vertellen over wat ze hebben gezien of hebben gedaan. Afgezien van enkele familieleden en vrienden van overleden atleten en trainers valt bijna geen emotie te bekennen bij de geïnterviewden.

De meest opvallende getuigenissen komen van de twee Palestijnse gijzelnemers die nog in leven zijn. Mohammed Safady – Tarzan als bijnaam – beweert dat hij de gijzelaars in de heli heeft doodgeschoten en spijt is hem totaal vreemd. De andere is een toevalstreffer, want tot voor kort nam men aan dat alleen Safady nog in leven was.

Nummer twee – bijnaam Samer – wilde niet met zijn echte naam en gezicht in beeld, bang voor de eeuwigdurende wraak van de Mossad en aanverwanten. Safady verkeert niet meer in een al te beste staat en die kon het geen barst schelen: naam, toenaam, gezicht, alles mocht van hem. Meer zelfs, hij onderhandelde een fee voor exclusiviteit van zijn getuigenis tot 26 augustus. Benieuwd of die opgestoken vinger richting Tel Aviv nog een staartje krijgt.

Lucio Mollica en Bence Máté heten de makers van dit Oscar-materiaal.

Column over RVT Jupiler Pro League in De Morgen van zaterdag 3 september 2022

Rusthuis Jupiler Pro League

Gisteren in de krant, na de thuisnederlaag van Anderlecht tegen Gent: zelfs als de ploeg het laat afweten, blijft Zeno Debast, 18 nog maar, overeind. “Ik probeer gewoon elke match mijn best te doen. We hebben zes goede opties achterin. Elk van hen is in staat om er te spelen.”

Waarna de krant hem voor de voeten gooit dat er straks met Jan Vertonghen een brok kwaliteit en ervaring bij komt. Voetballers, hypocrieter vind je ze niet in de sport. Debast gaat in safe modus. “Een geweldige aanwinst voor Anderlecht, ik ben blij. Ik kijk er nu al naar uit om dagelijks met hem te werken. Jan kan deze groep, en vooral de jongeren, enorm veel bijbrengen met zijn ervaring.”

Tot zover de bullshit.

Zo ging het echt. “Wablief, Vertonghen. Diene ouwe pee? Zijn ze nu helemaal zot geworden daarboven? Het loopt nu zo goed in onze verdediging en ik maak zelfs een kans om mee te gaan naar de World Cup als ik veel kan spelen.

“Doen wij het dan zo slecht? Kijk hier, vijf tegendoelpunten in zes wedstrijden. Het minste van de hele 1A, samen met Antwerp, en die staan daarmee aan de leiding. Nu gaan ze ons een beetje door elkaar klutsen, terwijl ons probleem het middenveld en de aanval is. Die houden geen bal vast of geraken niet tot in de backlijn.”

Voor alle duidelijkheid en speciaal voor de generatie millennials en jonger en uiteraard desgevallend ook voor bestuur en management die met elkaar gemeen hebben dat ze soms moeite hebben om ironie van realiteit te onderscheiden: de Debast-quotes zijn verzonnen. Bovenstaande is alvast een weinig risicovolle gok. En de logica zelf als er ook maar een beetje topsporthart in Debast zit.

Ik ben opgegroeid in de jaren zeventig toen elke Belgische eersteklasser er een erezaak van maakte om uit te pakken met een versleten grootheid, bij voorkeur een buitenlander. De opvallendste naam heb ik altijd Josef Masopust gevonden. Zes jaar nadat hij de finale speelde van de World Cup 1962 in Chili en de openingstreffer scoorde tegen Brazilië, en in datzelfde jaar de Gouden Bal als Europees voetballer van het jaar kreeg, belandde die zowaar bij Crossing Molenbeek, later Schaarbeek.

Dat was augustus 1968. Kolonel Masopust van legerploeg Dukla Praag was toen al 37 en tot op de draad versleten. Al bij al een goede move van Josef, want hij zat net veilig en wel in Brussel toen de Russen een einde maakten aan de Praagse Lente. Voor de TikTokkers: even opzoeken wat dat precies was. Een tip: een soort mini-Oekraïne.

Om een lang verhaal wat in te korten: die grootheden bakten er doorgaans niks van. Onze eersteklassers veranderden gaandeweg het geweer van schouder en de Belgische eerste klasse werd vanaf eind vorige eeuw een opleidingscompetitie. De Belgische jeugdwerking leverde mooie voetballers af en de slinger ging helemaal de andere kant op. Een aantal van onze betere jeugd vertrok zelfs naar het buitenland zonder ooit een wedstrijd te hebben gespeeld in de eerste klasse.

De bekendste zijn Thomas Vermaelen, Toby Alderweireld, Jan Vertonghen en Radja Nainggolan, die recht vanuit de jeugd van Beerschot door het buitenland werden weggehaald. De eerste drie aanvankelijk naar Ajax, om van daaruit aan hun omzwervingen te beginnen, de woelrat van Sint-Anneke naar Piacenza, waarna die ook aan zijn Italiaanse omzwerving begon.

Anno 2022 heeft het rust- en verzorgingstehuis Jupiler Pro League een nieuwe vleugel geopend: alle internationals van de gouden generatie die menen nog aanspraak te kunnen maken op een plekje in de selectie voor de aanstaande World Cup zijn welkom.
Ze krijgen goed te eten, worden goed verzorgd, krijgen een dik pensioen en worden – het allerbelangrijkste – geregeld opgesteld in wedstrijden die er toe doen en dat onder alziend oog van de bondscoach.

Vincent Kompany was de eerste, in 2019 al. Hij was nog maar 33 toen hij – ook op de draad versleten – terugkeerde naar Anderlecht. Het bleek geen succes. Simon Mignolet (31) wel. Bij Club Brugge. Vermaelen keerde ook terug, ook versleten, maar dat was niet erg want hij werd assistent-bondscoach. Vorig jaar was het dan de beurt aan Radja Nainggolan. Die is maar half versleten, heeft dit jaar het geluk dat hij geen Europese midweek moet spelen en heeft geen ambitie meer als international.

Dat ligt anders voor Toby Alderweireld en Jan Vertonghen, die ook een veilig en goedbetaald onderdak in België zochten en vonden in de hoop op speeltijd en een Qatar-selectie. Met die oude mannen kan het vriezen en kan het dooien straks op die bloedhete World Cup, maar als ik van de bondscoach was, ik timmerde alvast naarstig aan een jonge flukse verdediging.

Column Remcooooh (derde keer) in De Morgen van maandag 29 augustus 2022

Remcoooh (derde keer)

Ik ben blij dat ik het heb gezegd, vandaag precies twee weken geleden in De tribune op Radio 1. De andere gast, José De Cauwer, bekender en (nog) meer begaan met zijn reputatie op planeet Koers, hield nog een slag om de arm, maar ik floepte het er aan het eind toch maar gewoon uit: ooit wint Remco Evenepoel een grote ronde. Is het nu niet, dan over tien jaar als hij 32 is.

In de rechtstreekse op de VRT is die slag om de arm van De Cauwer niet langer te merken, maar van een groterondewinst en een favorietenrol voor Evenepoel wil hij niet weten. Het begon afgelopen donderdag naar de Pico del Jano met: waar zitten we hier naar te kijken? Zaterdag, weer bergop en nog steiler dan donderdag, op de Colláu Funcuaya, luidde het al: we kijken naar iets moois, en het zou weleens iets héél moois kunnen worden.

Gisteren volgde dan een belachelijke etappe waar de Spanjaarden (en ook soms Italianen) een patent op hebben: aankomst op Les Praeres de Nava, een lange muur met percentages tot 24 procent. Evenepoel won niet, maar heerste.

De ‘derde keer’ boven deze column slaat niet op het aantal grote rondes dat Evenepoel heeft gereden want dat zijn er maar twee en daarvan heeft hij er vooralsnog geen enkele uitgereden, maar om het met José te zeggen: het zou weleens kunnen dat we naar iets heel moois zitten te kijken. Remcoooh is de derde keer dat een column op deze plek met die titel begint.

Dik een jaar geleden, mei 2021, kreeg ik telefoon vanuit de ploeg. “Wat heb je nu geschreven? Ook de pedalen kwijt? Remco favoriet voor de Giro? Komaan, die jongen heeft nog nooit een serieuze bergrit gereden. Als hij het einde van die Giro haalt, zal ik best tevreden zijn.”

De wijze, inmiddels grijze man kreeg gelijk: Evenepoel was kansloos, reed de Giro niet eens uit. De ploeg had zich vergaloppeerd, de familie had zich vergaloppeerd, Remco zelf had zich vergaloppeerd en de media uiteraard ook. In die volgorde. Er volgde een kater en de conclusie: te oud voor de poppen, te jong voor de liefde.

Misschien zou hij wel nooit een grote ronde winnen, maar was dat dan zo erg? Inmiddels prijken tal van kleine rondes op zijn palmares en drie klassiekers (twee keer San Sebastián en het monument aller monumenten, Luik-Bastenaken-Luik). In het wielrennen geldt evenwel een wet: wie in Luik kan winnen, kan in een grote ronde uitblinken. De hoop bleef.

Inmiddels had zijn ploeg een andere scenario voor hem uitgestippeld: niet de Giro, niet de Tour, maar de Vuelta. In Spanje, aan het eind van het seizoen als alle ronderenners een beetje op hun tandvlees zitten, zou hij het nog eens proberen en zou hij een ploeg rond zich krijgen die hem tot de laatste klim kan dragen.

Een nieuwe domper op de vreugde volgde in de Ronde van Zwitserland: Remco kon niet volgen. Maar zie, aan het eind gloorde toch nog licht: hij won de tijdrit, weliswaar met amper drie seconden op eindwinnaar Geraint Thomas die aan het eind van die tijdrit op safe speelde.

De analisten hadden hun oordeel klaar. “Evenepoel gaat een fantastische carrière uitbouwen, hij wordt hopelijk nog een keer wereldkampioen en olympisch kampioen tijdrijden. Maar de Tour de France en de Ronde van Italië gaat hij nooit winnen.”Evenepoel zal altijd tweede, vierde, vijfde worden. Het zal altijd iets zijn. Evenepoel is jong, of hij heeft een slechte dag. Hij zal een keer op een kwartier, twintig minuten worden gereden. Er zal altijd iemand beter zijn dan hij.”

Was getekend Eddy Planckaert.

Eén voor één is Evenpoel in deze Ronde van Spanje – oké, tegen een aantal collega’s die niet in topvorm verkeren, maar dat is zijn schuld niet – twijfels aan het wegnemen. Kan hij recupereren? Ja. Er is geen reden om aan te nemen dat dit na deze week spectaculair anders zou gaan. Hij zit nog zo fris als een hoentje.

Kan hij steile hellingen aan? Ja. Is hij explosief genoeg om demarrages te beantwoorden? Ja. Kunnen hij en zijn ploeg het gewicht dragen? Voorlopig wel. Kan hij nog zo goed tijdrijden als voorheen? Dat zal dinsdag blijken, maar wie kan hem kloppen?

Zal hij nog een slechte dag hebben? Iedereen heeft weleens een slechte dag in een grote ronde, het komt er alleen op aan het niet te laten zien en de anderen, die ook dag na dag minder worden, geen hoop te geven. Tot nog toe was de wielrenner Remco Evenepoel een open boek: ging het hem af, hij straalde. Was het zwaar, vreesde hij de tegenstand, werd hij een hoopje ellende. Daar is ook aan gewerkt.

Een voorspelling: op 11 september 2022 heeft dit land, 44 jaar na Johan De Muynck in de Giro van 1978, eindelijk weer een groterondewinnaar.

Column over Nationale Loterij in De Morgen van zaterdag 27 augustus 2022

De baronie Nationale Loterij

Lotto-Soudal weigert om Victor Campenaerts, Florian Vermeersch, Tim Wellens en Arnaud De Lie af te staan aan de nationale selectie voor het WK op de weg in Wollongong. Dat ligt in Australië en om daar te geraken, beetje aan te passen, te koersen en weer weg te geraken ben je al snel twee weken kwijt. In die twee weken moeten vooral Campenaerts en De Lie voor hun ploeg punten sprokkelen in Gooik, Isbergues, Torhout en omstreken.

Die punten heeft Lotto-Soudal nodig om de volgende drie jaar bij de WorldTour te kunnen blijven. Naar het schijnt scheelt het een serieuze slok op de sponsorborrel als de ploeg niet verzekerd zou zijn van deelname aan de Tour de France en dat risico is erg reëel als ze geen WorldTour meer zijn. Dat plotse besef staat haaks op eerdere grootsprakerige verklaringen dat de WorldTour geen must is, dat er ook wielerleven is zonder de Tour, en dat ze zich niet zouden laten verleiden door een amechtige jacht op puntjes.

Enkele maanden later klinkt het Lotto-verhaal helemaal anders. Nieuwbakken sponsor Dstny stond al meteen op de shirts in de voorbije Tour en sinds hun komst is het alle hens aan dek om de WorldTour te halen. Niet dat er op het WK geen punten te behalen zijn, maar wielrennen is nu eenmaal een sport van kopmannen en knechten en de Lotto-Soudal-renners zouden bij de grote jongens tweehonderd kilometer moeten werken voor Wout van Aert en Remco Evenepoel om dan af te stappen. Daarmee win je geen punten.

Campenaerts, in het verleden nooit te beroerd om zijn ploegleiding een veeg uit de pan te geven als zijn eigen doelen in het gedrang kwamen, ziet er geen graten in. “Ik sta 100 procent achter deze keuze”, liet hij in Het Nieuwsblad optekenen. Het klopt dat Campenaerts, Vermeersch en Wellens als waterdragers in de nationale selectie makkelijk te vervangen zijn.

Het verhaal van De Lie is totaal anders. Vanuit zijn hoek kwam weinig meer reactie dan “te begrijpen” terwijl juist zijn selectie haaks staat op alle sportieve logica. De Lie is amper twintig en nu al de veelwinnaar van de ploeg. Het parcours in Australië is hem op het lijf geschreven: lastig, maar hij kan dat aan, en in een uitgedunde groep is zijn kans op winst bijzonder groot. De Lie is bij de U23 topfavoriet om wereldkampioen te worden.

Een wereldtitel had een mooie aanvulling kunnen zijn op die negen profoverwinningen, zijn status van sterkste stijger in de profranking en zou het verdere verloop van zijn carrière en zijn verloning ten goede komen. Een mooie, rustige opbouw naar zo’n WK zou hem ook veel hebben geleerd over zichzelf en zijn capaciteiten. In plaats daarvan moet hij zo vaak als mogelijk in de meest onooglijke wedstrijdjes opdraven in de hoop in de punten te rijden.

De Belgische wielerbond zweeg zedig en “toonde begrip”. Veel, zo niet alles, heeft te maken met de systeemfouten in het Belgische wielrennen.

De Nationale Loterij subsidieert enerzijds Belgian Cycling en is anderzijds eigenaar van de ploeg Lotto-Soudal. Technisch gezien is er een verschil: het geld voor de wielerbond komt grotendeels uit de pot van de herverdeling van het gokgeld (wellicht, want transparantie daarrond is niet het sterke punt). Het geld voor de wielerploeg komt vanuit het marketingbudget waarmee de Nationale Loterij de bevolking wil aanzetten om nog meer te gokken. Conclusie: met haar marketingbudget ondergraaft de Nationale Loterij haar eigen goede doel, de Belgische sport beter maken.

Verbazingwekkend hoe weinig animo daarover is in de publieke opinie en bij uitbreiding onder politici. Verbazingwekkend dat niemand die baronie van de Nationale Loterij durft aan te pakken en de juiste vragen stelt.

Bijvoorbeeld of dat marketinggeld aan niks beters kan worden besteed dan aan het sponsoren van een wielerploeg die voor het grootste deel van zijn bestaan Belgen liet opdraven om de rode loper uit te rollen voor duur betaalde buitenlandse kopmannen die dan ook nog hun overwinningen gingen halen in het buitenland?

Bijvoorbeeld of de overheid, want dat is de Nationale Loterij, moet tussenkomen in een markt (het professionele wielrennen) zonder dat er sprake is van marktfalen. Met andere woorden, of het de opdracht is van de overheid om een team te sponsoren in een sport die geen gebrek heeft aan privésponsors terwijl andere sporten, waaronder het schromelijk verwaarloosde vrouwenwielrennen, die steun veel beter kunnen gebruiken.

Voor wat de Nationale Loterij of Lotto doet in het wielrennen geldt maar één kwalificatie: marktontwrichting.

Column over Nairo Quintana/Tramadol in De Morgen van zaterdag 20 augustus 2022

Hoe schoner, hoe vuiler

Met Nairo Quintana is nog eens een tweevoudige groterondewinnaar (Giro 2014, Vuelta 2016) en een tweevoudige runner-up van de Tour (2013, 2015) betrapt op een verboden middel. Weliswaar zes jaar na zijn laatste grote triomf, maar toch. Zo’n profiel dat tegen de lamp loopt, dat was toch al geleden van 2012 toen Alberto Contador retroactief overwinningen moest afstaan.

Quintana mag nog een schim zijn van zijn betere zelf, dit is een opdoffer voor de sport, niet min, niet meer. Een steen in de schoen ook van zijn ploeg Arkéa-Samsic, lid van de Mouvement pour un Cyclisme Crédible, de zelfverklaarde heiligen van peloton. Voor de Colombiaan is het misschien het einde van zijn carrière.

Quintana komt ervan af met een boete en schrapping uit de uitslag. Dat lijkt een lichte straf, maar de logica daarachter is dan weer dat zwaardere straffen juridisch aanvechtbaar zijn voor het Hof van Arbitrage voor Sport.

Tramadol is technisch gezien (nog) geen doping omdat het wereldantidopingagentschap WADA te lam, te lui, te laks (of een combinatie van dat alles) is/was om de duidelijke aanwijzingen van onheus gebruik om te zetten in een verbod, met daaraan gekoppeld een straf. De wereldwielerbond UCI vond die aanwijzingen wel duidelijk genoeg en heeft vanaf 2019 actief gezocht naar het middel dat bij ons vooral onder de merknaam Contramal wordt verkocht.

Het is een morfineachtige pijnstiller die tot de opioïden wordt gerekend. Zwaar spul met zombieachtige neveneffecten, dus niet geschikt om mee te fietsen. Toch vond men bij een steekproef meer dan tien jaar geleden dat meer dan vier op de honderd renners zich aan de tramadol hadden gewaagd. Die kwam er omdat klokkenluider Taylor Phinney had getuigd over buitensporig gebruik en dat had gekoppeld aan de vele valpartijen.

Dat was een misvatting. Tramadolgebruik is serieus verminderd, maar de valpartijen zijn gebleven. De reden voor gebruik is erg eenvoudig en gaat terug op de origine van doping: sporters lijden pijn bij zware inspanningen en alles wat die pijn vermindert (of minder doet lijken) is goed. Omwille van dat effect verdient tramadol een plaats op de dopinglijst. Het is onmiskenbaar een prestatiebevorderend middel.

Waarmee we bij de grijze zone van de dopingbestrijding zijn aanbeland. Alle pijnstillers of ontstekingsremmers hebben een prestatiebevorderend effect. Je wilt de atleten de kost niet geven die tot het gaatje gaan met de hulp van paracetamol (wielrennen) of ibuprofen, diclofenac, naproxen en aanverwanten (alle balsporten). Iedereen bij wie de pijn jaar na jaar vervelender gaat opspelen, komt vroeg of laat in de verleiding. Ook die middelen – pijnbestrijdend, dus prestatiebevorderend én ongezond – helpen en zadelen de sport op met een vervelende dilemma.

Door Quintana is de verleiding natuurlijk groot, dat is te begrijpen: weeral dat wielrennen, weeral die ‘doping’…Leren ze het daar nooit?

Nuance is op zijn plaats. Uit de preliminaire testing die heeft geleid tot de tramadolban (in wielrennen) is gebleken dat het middel ook in andere sporten wordt gebruikt. Alleen de UCI heeft besloten tot actie over te gaan en dat is niet de eerste keer. Als bewijs een historisch rijtje, citerend uit eigen eerder werk.

– In 1955 was de UCI de eerste bond die een soigneur schorste omdat hij zijn renners dopeerde.

– In de jaren zestig was de UCI de eerste bond om in de reglementen een artikel over doping op te nemen, om een medische commissie op te richten binnen de federatie (1964), om de aanbevelingen van de eerste internationale dopingconferentie over te nemen (1965), om een heel hoofdstuk van de reglementen aan doping te wijden, om als eerste urinestalen te analyseren (1966) en om een dopinglijst te publiceren en straffen uit te spreken. Veertien renners kregen in 1967 tussen 2.000 Franse francs boete en drie maanden schorsing.

– In 1996 was de UCI de eerste bond om bij zijn atleten bloed af te nemen.

– In 2001 was de UCI de eerste om de Franse epotest te gebruiken, tegen de wil van WADA.

– In 2007 was de UCI de eerste bond om het bloedpaspoort te gebruiken, tegen de wil van WADA.

– In 2009 was de UCI de eerste bond die stalen retroactief liet testen en een renner schorste.

– In 2019 testte de UCI als eerste op tramadol en vaardigde een eigen strafreglement uit, tegen de wil van WADA.

Hoe schoner het wielrennen probeert te worden, hoe vuiler het lijkt. Geen sport heeft meer gedaan om het dopingspook te bedwingen. Het goede nieuws in weerwil van het slechte nieuws zoals Quintana: wielrennen is op goede weg.

Column Veni, vidi, Popovici in De Morgen van dinsdag 16 augustus 2022

Veni, Vidi, Popovici

Zaterdag is dé sportprestatie van het jaar 2022 geleverd. In Rome, perfecte plaats. Door David Popovici, perfecte naam, perfecte atleet. Bijna alles klopte aan zijn honderd meter vrije slag: de eerste vijftig, de tweede vijftig (!), de start, het onderwaterwerk, het was de perfecte race. Resultaat: 46.86 en wereldrecord.

Wat klopte niet? Je moest zoeken om iets te zien van die honderdmetervrijslagfinale. Door niet te kiezen voor de European Championships in München, maar naar Rome uit te wijken, kreeg de Europese zwembond LEN maar minimale coverage en zo voltrok een historische sportprestatie zich in de quasi anonimiteit. Op Een was dat na middernacht.

Een tip voor wie in 2024 in Parijs sportgeschiedenis live wil meemaken: je kan naar het gymnastiek willen voor Nina, of naar het hockey voor de Belgian Lions/Panthers, zevenkamp voor de triple van Nafi desnoods, maar ding toch vooral mee naar tickets voor de finale van de 100 meter vrije slag. En ook voor de 200 meter. Dat worden koningsnummers op les Jeux Olympiques de Paris 2024.

David Popovici. 46.86 in 22.74 en 24.12. Laat dat even bezinken en bedenk dat een honderd meter zwemmen geen sprint is zoals de 100 meter op de atletiekbaan. Die duurt maar tien seconden en beroept zich op één energiesysteem: creatinefosfaat en ATP. Een honderd meter in het zwemmen maakt gebruik van het glycolysesysteem waarmee het lichaam onderweg ATP (adenosinetrifosfaat) aanmaakt zonder de hulp van zuurstof.

Beetje ingewikkeld misschien na die hete dagen, maar niet zonder belang. Het gevolg is dat het lichaam in razendsnel tempo een soort afvalstoffen als bijproduct aanmaakt, waardoor de inspanning steeds moeilijker vol te houden is. De honderd meter vrije slag is daarom te vergelijken met een 400 meter in de atletiek: het gaat om techniek, tactiek, balans, indeling en uiteraard de daarbij passende atletische capaciteiten.

De nieuwe wereldrecordhouder David Popovici is zeventien jaar. 17! Zijn wereldrecord is tegelijk een wereldrecord bij de juniores. Dat hebben alleen Michael Phelps en Ian Thorpe hem voorgedaan. Met alle respect voor die wereldzwemmers, zij deden het op de minder sterk bezette afstanden, niet in het koningsnummer.

Haal de beelden van het wereldrecord van Popovici erbij, desnoods op YouTube – TikTok was helemaal erg geweest – en bekijk de hele race: van het opkomen van de finalisten tot het gejuich achteraf. Iets wat u opvalt? Let op zijn lichaam. David Popovici is 1m90 en weegt 79 kg. Dat is Wout van Aert aan het eind van het crossseizoen.

Haal nu nog eens andere beelden op, bijvoorbeeld Cesar Cielo of Alain Bernard, wereldrecordhouders uit 2009. Beiden zijn minstens vijftien kilo zwaarder. En zoek dan naar Pieter van den Hoogenband uit 2000, 1m90 en 80 kilogram droog aan de haak. De zwemstijl van Popovici en VDH is haast identiek: die hoge elleboog, die lange slag, die amplitude, dat golvende van een orca. Popovici is één seconde sneller dan VDH. Hij is een betere starter en hij is leniger, waardoor hij sneller keert en beter is onder water.

Is Popovici dan VDH 2.0? Wat zie je als je Popovici ziet zwemmen? Dat appte ik zaterdag naar Van den Hoogenband. Hij zat op een zeilboot in Turkije met zijn gezin, maar binnen de minuut antwoordde hij. “Absoluut. Ik zie de pure zwemmer, genieten geblazen.”

Mijn data-obsessie kennende, voegde hij er een link aan toe naar een artikel over de honderd meter als evenwichtsoefening tussen hard afgaan en iets minder hard maar toch nog hard genoeg terugkeren. En onderweg ook nog eens alles goed doen. 24.12 op de tweede vijftig is ronduit fenomenaal, buitenaards, al helemaal als je de eerste vijftig onder de 23 draait.

Dat de Europese zwembond het Foro Italico in Rome had uitgekozen om in de volstrekte anonimiteit een EK te organiseren, was ongelukkig, maar er zat wel een aardige symboliek aan vast. Het wereldrecord van Cielo op de 100 meter vrije slag (46.91, 2009) werd ook in het Foro Italico gezwommen.

Alleen zwom Popovici zijn supertijd in een strakke zwembroek, net als Van den Hoogenband destijds. Cielo en Bernard, die eruit zagen als bodybuilders, deden het in Speedo-pakken die hun drijfvermogen aanzienlijk vergrootten. Ian Thorpe trok zelfs tot 2004 twee polyurethaanpakken boven elkaar aan, wat zijn prestaties in perspectief zet.

Tot zaterdag dateerden op één na alle wereldrecords op de vrije slag bij de mannen uit 2009 of vroeger. 2009 was het laatste jaar waarin de drijfpakken waren toegelaten. Popovici heeft als eerste de ban doorbroken. Nu nog de 200 meter vrije slag, waar de 1:42.00 van Paul Biedermann geldt als het scherpste wereldrecord ooit.