Column BOIC-voorzitter in De Morgen van maandag 6 september 2021

BOIC-voorzitter

De sterkste voorzitter die het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité ooit had, was Raoul Mollet. Eentalig Frans, dictatoriaal, geen fan van vrouwen tenzij ze spontaan voor hem gingen liggen, maar anderzijds wel een visionair. Hij had bovendien een mooie eigenschap van sterke leiders: hij koos steevast voor sterke figuren. Wie hem intellectueel uitdaagde, die wilde hij rond zich.

Mollet was het die Jacques Rogge naar het hoofdbestuur van het olympisch comité haalde en hem zijn opvolger maakte. Jammer genoeg was er nog een andere sterke man die hij er eerder al had bijgehaald, en die ook veel ambitie had. Twee hanen op het olympisch erf was te veel. Adrien Vanden Eede won het in de machtsstrijd van Jacques Rogge die maar vier jaar voorzitter was en wiens impact dus beperkt bleef.

Vanden Eede volgde Rogge op in 1992 en ging ten onder aan alcoholmisbruik en malversaties. Na Vanden Eede werd François Narmon verplicht om Vanden Eede op te volgen. Hij had jarenlang als penningmeester het gesjoemel van Vanden Eede óf niet opgemerkt, óf niet willen opmerken en werd voor zijn verantwoordelijkheid gesteld. Puin ruimen, of mee worden gesleurd in een onverkwikkelijke zaak die op hem zou afstralen.

Narmon – de man van het Gemeentekrediet, later Dexia – was een bijzonder zwak voorzitter en in die jaren verloor het BOIC al zijn glans als superbond. Zijn opvolger in 2004 was Pierre-Olivier Beckers van de Delhaize-groep. Zijn spreuk toen hij in de adelstand werd verheven, luidde ‘Cum deo at homines’, of ‘Met god maar met mensen’. Geen mens die begreep waar dat voor stond, en dat gold ook een beetje voor die zeventien jaar dat zijn voorzitterschap heeft geduurd. Dat is het op twee na langste, na de negentien jaar van de nazi-sympathisant Henri de Baillet-Latour en de 24 jaar van Raoul Mollet.

Beckers zit inmiddels gebeiteld als IOC-lid en doet nu een stap terug. Het BOIC dat hij achterlaat, is een veredeld reisbureau dat – kort door de bocht, maar wel de realiteit – meer geld opmaakt voor het eigen (niet) functioneren dan het van de gemeenschappen en de nationale loterij toegestopt krijgt. Ik heb Beckers daar in 2006 al eens op gewezen, waarna hij totaal verbouwereerd de woorden stamelde: “Il faut que ça change”.

We wachten nog steeds op een beetje ‘change’ en misschien dat die er nu komt, want volgende vrijdag wordt zijn opvolger gekozen. Lange tijd leek dat een uitgemaakte zaak, zoals zo vaak in die bonden. Jean-Michel Saive was na zijn succesvolle tafeltenniscarrière opgenomen in de bestuurderskringen van de Franstalige sport en geraakte als atletenvertegenwoordiger uiteindelijk ook binnen bij het BOIC, waar hij zich handig naar een ondervoorzitterschap maneuvreerde. Hij werd de laatste jaren gegroomd om Beckers op te volgen.

Begin juli raakte bekend dat ex-judoka Heidi Rakels ook haar kandidatuur had gesteld en dat was een domper op de olympische machinaties. Rakels heeft een iets ander profiel dan Saive en dat is voorzichtig uitgedrukt. Er is namelijk geen enkele goede reden te bedenken om Rakels niet te verkiezen boven Saive.

Tegenover de sportbestuurlijke ervaring van die laatste heeft Rakels de troef dat ze niet is bezwaard door die ervaring, wat haar zal toestaan om de nodige veranderingen door te voeren. Saive (ex-nummer één) mag dan aan zeven Spelen hebben deelgenomen, hij heeft op die Spelen toch vooral het devies deelnemen is belangrijker dan winnen in daden omgezet. Hij geraakte nooit verder dan een kwartfinale. Rakels won brons in 1992 en werd vijfde in 2000.

Saive heeft weinig of geen opleiding genoten en maakte carrière via de cenakels van de Waalse partijpolitiek en administratie, twee communicerende vaten. Rakels timmerde tegelijk als judoka aan een succesvolle carrière en haalde een diploma burgerijk ingenieur computerwetenschappen. Na haar judo begon ze een bedrijf dat wereldleider werd in de beveiliging van bankensoftware. Dat heeft ze inmiddels deels verkocht nadat ze een tijdlang als CEO zelf de operationele leiding in handen had.

Saive is Franstalig. Rakels is Nederlandstalig. Ze zou na Rogge nog maar de tweede Nederlandstalige voorzitter van het BOIC kunnen worden. In de 115 jaar dat deze superbond bestaat, is die alleen tussen 1988 en 1992 door een Vlaming geleid. Ten slotte, niet onbelangrijk: Saive is een man, Rakels een vrouw.

Als de meest competente kandidaat tot de juiste taalrol behoort, de beste papieren heeft én een ambitieus programma, en ze is ook nog eens een vrouw, waarom is het dan lang niet zeker dat die vrijdag wordt gekozen? Antwoord: omdat zwakke mannen altijd kiezen voor andere zwakke mannen en nooit voor verandering.

Column Transfer Island in De Morgen van zaterdag 4 september 2021

Transfer Island

Vaak komt de vraag terug: waarom is voetbal zo populair? Hoe komt het dat een spel waarin heel weinig gebeurt de eerste wereldsport is? Dat uitgerekend de sport met de laagste score een hele planeet begeestert?

Een populaire verklaring verwijst precies naar die lage score, die saaiheid en daaruit voortvloeiend de onvoorspelbaarheid van de uitslag, in vaktaal de uncertainty of outcome. Dat is handig om de spanning erin te houden, maar ook om op te gokken. Voetbal heeft zijn populariteit – eerst in Engeland, zie The English Game op Netflix – te danken aan de gokindustrie die meteen helemaal mee was.

Dat is een hele juiste uitleg voor het prille begin van het edele spel. Daarbij komt nog dat het de enige sport was die de klassen van de negentiende-eeuwse standenmaatschappij oversteeg. Een keurgroep uit de adel en de betere burgerij was niet te beroerd om op een bal te schoppen tegen het zootje ongeregeld dat in de/hun fabriek werkte.

Die twee redenen volstaan niet langer om de status van eerste wereldsport te verklaren. De aantrekkelijkheid van het voetbal en voor sommigen de lelijkheid van het hedendaagse voetbal zitten hem vreemd genoeg vandaag ook in die twee maanden van het jaar dat de duiventillen opendeurdag houden en de duiven van melker wisselen.

Dat heet al een paar jaar de mercato en die is vaak spannender en kan op minstens evenveel media coverage rekenen als pakweg de Champions Leage-finale. De dynamieken zijn dezelfde: clubs proberen hun supporters tevreden te stemmen, maar in die twee maanden door aankopen op de kamelenmarkt. De technieken zijn die van Temptation Island: iedereen besnuffelt iedereen, de helft doet het met de andere helft en aan het eind worden relaties aangegaan die heel erg tijdelijk zijn.

De voorbije transferperiode stak er cijfermatig niet bovenuit, maar het was in alle opzichten – internationaal en nationaal – de meest spectaculaire in jaren. De zomermercato mag dan niet helemaal afgelopen zijn, wat nu nog wordt gespendeerd zal het verschil niet maken en dus becijferde het voetbalobservatieplatform CIES uit Zwitserland dat in de voorbije mercato voor 3,5 miljard euro en wat zakgeld aan spelers is verhandeld. Voor het hele jaar 2021 komt dat op een schamele 3,8 miljard (en zakgeld), het laagste bedrag in vijf jaar.

De euforie spatte niettemin van het persbericht af: de voetbaleconomie trekt weer aan, er wordt weer geld uitgegeven, we zijn op de goede weg. Dat laatste is voor discussie vatbaar: voetbal is de enige grote sport in de wereld die zesmaandelijks mensen verhandelt als koopwaar. De laatste tien seizoenen is zo door de clubs uit de vijf grote landen voor meer dan 35 miljard euro aan mensen gekocht en verkocht.

Daartegenover staat dat bij de twee meest opvallende transfers van deze zomer de ene speler haast voor niks en de andere voor helemaal niks van club is verwisseld. Voor een Cristiano Ronaldo die zich nog eens aan de Premier League wil wagen na jaren in de meer comfortabele Spaanse en Italiaanse eerste klasse kun je niet anders dan bewondering opbrengen.

Lionel Messi is de antipode van Ronaldo. Hij is nog maar aan zijn tweede club toe, Ronaldo aan zijn vijfde, waarbij zijn vijfde club (Manchester United) ook zijn tweede is. Ronaldo is vier keer verhuisd en heeft in totaal 245 miljoen euro gekost bij al die aankopen. Overigens staat Romelu Lukaku op één in dat cumulatief transfersommenklassement. Voor hem is bij zes verschillende transfers in totaal 327 miljoen euro betaald, maar misschien is dat niet zo’n beste en ook niet erg relevante statistiek, als je bedenkt dat voor Messi – voor zover bekend – nog nooit een rooie cent is betaald aan welke club ook.

Dat die Messi van club is veranderd, is op zich al onbegrijpelijk, maar dat Spanje die Messi heeft laten gaan, is erg dom. Het klopt dat ze daar (sedert kort) een veel stringenter financieel beleid voeren dan in welk ander land ook, maar de grote smaakmaker van je competitie laat je toch zomaar niet gaan? Die hou je toch ook bij Barcelona, waar hij een echte franchise player was, een speler die tot het huismeubilair behoort en die je met geen andere club kunt associëren.

Dat doet mij denken aan de terugkeer van Michael Jordan in 1995. Financieel-technisch was er voor hem geen plaats en kon die niet bij de Chicago Bulls terecht omdat hun payroll al te zwaar belast was. Toch mocht Jordan terugkeren in de NBA, zelfs weer bij de Bulls spelen en de Bulls mochten hem een salaris betalen dat meer was dan de totale toegestane salarismassa voor de rest van de ploeg. Geen haan of andere teameigenaar die ernaar kraaide. Jordan voor de competitie behouden in de juiste ploeg was goed voor de hele competitie.

Ook dat maakt voetbal zo aantrekkelijk of zo lelijk: er is geen sprake van algemeen belang, het is opeten of opgegeten worden.

Column Paralympics in De Morgen van maandag 30 augustus 2021

Paralympics

Heel goed dat de VRT zoveel aandacht besteedt aan de Paralympische Spelen. De ene bijdrage is beter dan de andere, maar over het algemeen krijg je een aardig beeld van wie daar voor België meedoet, waarom ze daar zijn en wat ze presteren. Ook en nog belangrijker dan de prestatie: wat dat met een mens met een fysieke beperking doet, kunnen sporten op het hoogst haalbare niveau en aandacht krijgen.

Ruben Van Gucht is de man met dienst in Tokio. Zo’n onvergetelijk interview zoals in Rio tussen Stefaan Lammens en Florian ‘Poef ‘Van Acker heeft de samenwerking nog niet opgeleverd, maar de Paralympics duren nog wel even. Ook goed gezien van de VRT en Sporza om Ruben Van Gucht in in korte broek te laten presenteren: zelfs zonder paralympische atleten ben je dan verzekerd van goede kijkcijfers.

België zit aan vijf medailles en dat na vijf dagen competitie. Nog twee medailles te gaan en de paralympische tricolore équipe heeft de valide selectie ingehaald. Wie weet doen ze beter. We hebben nog een hele week te gaan dus dat moet lukken. De vergelijking olympisch-paralympisch slaat evenwel nergens op.

Op de Paralympische Spelen van Tokio 2021 zijn 4.350 atleten ingeschreven en die zullen ongeveer 1.700 medailles onder elkaar verdelen. Dat laatste getal is een gokje want het International Paralympic Committee (IPC) is niet erg scheutig met getallen. Niet als het hun inkomsten betreft en ook niet als het data betreft die de relatieve sportieve waarde ten opzichte van de valide Spelen in kaart brengen.

Waar de valide atleet die naar de Spelen gaat, ongeveer één kans op elf heeft om een medaille te winnen (11.600 atleten voor 1.080 medailles) is dat bij de Paralympics 1 kans op 2,5. (De Special Olympics voor mensen met een verstandelijke beperking zijn helemaal een medaillefeest, want daar ben je pas speciaal als je géén medaille wint.) Het Belgian Paralympic Team met zijn 31 deelnemers komt voorlopig niet aan die 1 op 2,5, ook niet in Rio toen ze met elf medailles – waaronder vijf keer goud – eindigden. België ligt met die voorlopige vijf medailles wel op koers om boven de tien uit te komen.

Net als bij de Olympische Spelen – waarmee ze overigens geen uitstaans hebben, behalve dat ze om praktische redenen van dezelfde stad gebruikmaken – is bij de Paralympische Spelen de ene medaille de andere niet. Er zijn ooit competities geweest waarvoor atleten zelf de hele wereld rondbelden om toch maar genoeg concurrenten te vinden, waarna ze het IPC bombardeerden, randje chanteerden om alsnog die categorie paralympisch te organiseren.

Daartegenover staat dan Peter Genyn in de categorie T51, voor de verlamden vanaf de nek die alleen hun bovenste ledematen nog kunnen bewegen, de zogeheten paraplegen in een rolstoel. Voor hen waren deze Spelen oorspronkelijk bedoeld. Dat was in het Britse Stoke Mandeville kort na de Tweede Wereldoorlog toen er een overaanbod aan kwadri- en paraplegen uit de oorlog was teruggekeerd.

Daar zijn er ook vandaag nog steeds duizenden van te vinden in de wereld en de concurrentie in die klasse/categorie is moordend. Morgennacht start Genyn in de 200 meter en in de nacht van donderdag op vrijdag op de 100 meter, waarop hij wereldrecordhouder is. Genyn is goed voor twee keer goud, maar wordt wel al een jaartje ouder.

Als u meer achtergrond wil over de Paralympische Spelen, dan zijn dit twee aanraders. Op Netflix moet u absoluut Rising Phoenix zien. Wie denkt dat hij of zij er niet te best aan toe is en wie de kracht ontbreekt om door te gaan – een tip voor de valide atleten en hun plotse golf aan emotionele breakdowns – Rising Phoenix helpt u er vast bovenop.

De titel is ook de bijnaam van een atlete, de Italiaanse rolstoelschermster Bebe Vio, die ten gevolge van meningitis op haar elfde armen en benen verloor. Om te zien hoe ze schermt, moet u kijken, en als ze wint – en ze wínt – probeer het dan maar droog te houden.

Jammer, maar helaas, zoals aan elke medaille zit er ook een keerzijde aan de paralympische medaille, en dat is dan weer uitstekend journalistiek in beeld en woord gebracht in de BBC Panorama-docu getiteld: Paralympics, The Unfair Games?

De auteur van de docu heet Richie Powel en was zelf deelnemer. Hij formuleert samen met enkele hoofdrolspelers zoals Dame Tanni Grey-Thompson een striemende aanklacht. De Paralympische Spelen zijn hun doel voorbij geschoten, veel verder nog dan de Olympische Spelen.

Door gemanipuleer en misbruik van de classificatiesystemen, waarbij beperkingen worden ondergebracht in categorieën – quote uit de docu – “zijn de Paralympics een competitie geworden voor de minst beperkte die zichzelf het meest beperkt voordoet om in een zo laag mogelijke categorie te belanden en zo veel mogelijk medailles te winnen”.

Column Sympathie voor de 3×3 in De Morgen van 28 augustus 2021

Sympathie voor 3×3

Na drie dagen diep nadenken, raadplegen van het ethisch kompas, en een sportieve realitycheck: achter hun computer gezeten hebben de 3×3 Belgian Lions zich niet gedragen zoals het hoort, maar dat doet niks af van hun prestaties op het veld. Zonder dat creatieve computeren was er van dat pleintjesbasketballen in Tokio evenwel geen sprake geweest en dat is voorwaar een probleem.

Hier is wat de 3×3 Lions hebben uitgevreten. (Dit is bedoeld voor wie alleen maar de koppen leest in de kranten en op de sites.) De aanleiding om te mispeuteren was de vaststelling in 2019 dat basketbaldwerg België geen punten genoeg had in de ranking om in aanmerking te komen voor een plek in een olympisch kwalificatietoernooi (OKT). Dat vonden de Lions dieptreurig, want ze waren ervan overtuigd dat ze een kans hadden om die kwalificatie af te dwingen en in op de Olympische Spelen thuishoorden.

De truc om België hoger te krijgen in de ranking, was veel 3×3-toernooien organiseren en winnen. Dat had gekund, maar daar heb je tijd, toernooien en vooral de spelers voor nodig. In een klein land dat bovendien een toevluchtsoord is voor C- en D-spelers uit de Balkan en de VS, lopen die Belgen niet dik.

Wie, wat, waar en hoe heeft beslist om over te gaan tot het computermatig invoeren van fictieve toernooien, doet er niet toe. Tenzij het die aankomende notaris is geweest. Het notariaat heeft een nogal strenge gedragscode naar het schijnt en of creatief boekhouden met sportieve resultaten – administratieve fraude dus – bij die club door de beugel kan, is hoogst onzeker.

Even terug naar de essentie, in deze niet onbelangrijk. 3×3 is bezigheidstherapie voor gebuisde basketbalspelers en hoort niet thuis op de Olympische Spelen. Voorlopig althans. Jawel, 3×3 is spektakel, het is snel, het is mooi om naar te kijken, maar niet alles wat snel, mooi en spektakel is, verdient de olympische status. De kans dat pleintjesbasket een eigen weg inslaat zoals beachvolleybal, is niet bijster groot.

Dat gehannes met de kwalificatie alleen al… U zou eens moeten weten wat een team in een echte teamsport moet doen om op de Spelen te geraken. Alvast heel wat meer dan een account aanmaken bij de internationale basketbalbond en wat resultaten van toernooien ingeven.

De internationale basketbalbond FIBA heeft er een zootje van gemaakt in de aanloop naar de Spelen door op geen enkel moment de procedure te controleren waardoor fraude op grote schaal mogelijk was. Het zou wel heel vreemd zijn als alleen de Belgen zich achter de computer hebben gezet en handig gebruik hebben gemaakt van de systeemfouten bij de FIBA. De verantwoordelijkheid van de Belgische bond in deze al bij al grappige affaire? Olympische kwalificatie is de unieke bevoegdheid van de internationale federatie, niet van de KBBB. Wat niet belet dat ook die beter had moeten opletten.

Al die beschouwingen daar gelaten, hebben die Belgian Lions het sportief wel meer dan waargemaakt. In Graz ging het op het eerste OKT nog mis, maar in Debrecen hebben ze zich tegen de thuisploeg geplaatst voor Tokio. Ze hebben géén wedstrijden omgekocht, laat dat duidelijk zijn. Ook in Tokio niet. Daar klopten ze zelfs latere winnaar Letland in de poule.

In de halve finale kregen ze klop van diezelfde Letten en in de wedstrijd om brons kwamen de Lions er ook niet aan te pas tegen Servië. Die laatste twee wedstrijden waren een sof. Wisten ze toen al wat hen boven het hoofd hing en lieten ze het bewust schieten? Ze mogen alvast blij zijn dat ze geen medaille hebben gewonnen. Een verplichte teruggave had hen voor de eeuwigheid een vermelding bezorgd op alle Wikipedia-pagina’s en naslagwerken over Tokio 2020.

Ten slotte nog een woordje voor wie het vergrijp van de Belgian Lions naar de media lekte en hen (naar verluidt) hiermee chanteerde. Tenzij u een tegenstander bent die heeft geleden onder het creatief computeren van Celis en co., maar die kans is erg klein, bent u meer dan een beetje laf. Aan de collega’s die uitstekend journalistiek werk hebben geleverd: als ik dit nieuws in mijn mailbox had gekregen, vóór Tokio, had ik het ook gebracht. Ná de Olympische Spelen, het eeuwige gedoe met de kwalificatieprocedures van nieuwe disciplines en sporten en de mooie sportieve afloop kennende, neen, dan denk ik niet dat ik dat verhaal had opgeschreven als Het Groot Schandaal.

Dat is het ook niet. De Belgian Lions hebben zichzelf met een administratief handigheidje op de weg naar Tokio gezet, maar de eigenlijke kwalificatie hebben ze sportief afgedwongen en eenmaal in Tokio hebben ze zich ook nog eens de darmen uit het lijf gespeeld. Dat verdient waardering. Noem het voor mijn part onjournalistieke sympathie, ik beken.

Verhaal in De Morgen van maandag 9 augustus 2021 ‘Tokio conclusie’

Het rapport van Tokio 2021

In 1976 wonnen de Belgische springruiters brons en een dag later werd Karel Lismont derde in de marathon. Afgelopen weekend herhaalde dat scenario zich met de springruiters en Bashir Abdi. België eindigt zo op zeven medailles. Is dat goed?

Hoe uitzonderlijk zijn die zeven Belgische medailles?

Als iemand nog zou twijfelen aan de sportieve en, jawel, morele superioriteit van olympiërs, kijk dan eens de laatste kilometer van de marathon terug. In de nacht van zaterdag op zondag eindigde die met een onverhoopte Belgische medaille in een Belgisch- Nederlands-Somalisch onderonsje. Twee gasten, geboren en getogen in Mogadishu, die voor hun beider adoptielanden een unieke kans zien om te schitteren en elkaar aanvuren, waarbij de ene zijn zekere medaille on hold zet om de andere op sleeptouw te nemen. En dan samen uitkomen bij zilver en brons dat ze vieren als goud, mooier wordt de sport niet.

De wonderbaarlijke Bashir Abdi uit Gent liep in een bloedstollende finale in het spoor van zijn vriend Abdi Nageeye naar een derde plek. Iets later eindigde zijn grootste concurrent in eigen land Koen Naert als tiende en ook zij vielen in elkaars armen.

Om halfelf Belgische tijd is gisteren de strijd om de laatste gouden en zilveren medaille van de Spelen van de 32ste olympiade beslist: het ging om waterpolo, een clash tussen Servië en Griekenland. Servië verlengde zijn olympische titel. Iets eerder piloteerden de Amerikaanse vrouwen hun land naar de eerste plaats in de medailletabel, voor China.

Met 7 medailles (3 goud, 1 zilver en 3 brons) is België uiteindelijk 29ste geëindigd in de traditionele olympische medaillestand. Servië sprong in de allerlaatste wedstrijd van Tokio 2021 met dat waterpologoud nog over België. In de tabel volgens het totaal aantal medailles staat België 33ste.

Zeven medailles voor België is geleden van Londen 1948. Drie keer goud is geleden van Parijs 1924. Maar in Parijs waren slechts 378 medailles te winnen en in Londen 411. In Tokio waren dat er 1.080.

Zes medailles was voor de recente moderne Olympische Spelen (na de boycots van ’80 en ’84) het beste resultaat. Die werden behaald in Atlanta 1996 en in Rio 2016. Toen telkens met twee keer goud, maar wederom deze nuance: in Atlanta waren 842 medailles te verdelen, in Rio 973. Een vooruitgang van één medaille (van zes naar zeven) is dus statistisch logisch, wetend dat alle nieuwe sporten behalve rugby met zeven appelleren aan sporters uit rijke landen.

België ziet in de medailletabel nog steeds elf landen met minder inwoners en een lager bruto binnenlands product beter doen. Het beste van die kleine landen is Nieuw-Zeeland, dat met twintig medailles waarvan zeven keer goud zichzelf op plaats dertien parkeert.

Nationale euforie omwille van die zeven Belgische medailles is dus nergens voor nodig. De drie keer goud geeft bovendien een vertekend beeld. Dat overaanbod aan goud is het gevolg van enkele toppers die bevestigen, maar van wie lang niet zeker is dat die ook in Parijs nog dit niveau zullen halen.

Het intrinsiek niveau van België is en blijft meer dan tien medailles.

Hoewel conclusies op basis van deze vreemde Spelen uit den boze zijn, lijkt het toch alsof de Belgische sport op de goede weg is en dat de basis voor betere medaille-output aanwezig is. De zeven vierde plaatsen liggen in het verlengde van de vier vierde plaatsen in Rio. Idem voor de 26 topachtplaatsen (18 in Rio). Dit bewijst dat het potentieel voor tien podia aanwezig is en het bewijst eveneens dat investeren in wie behoort tot de wereldtop loont.

De vierde plaats van Noor Vidts is dan weer een ander verhaal. Zij werd als enige van de topachtfinishers tot dit jaar niet gesteund door Sport Vlaanderen. De reden? Ze had nog geen resultaten gehaald, maar haar trainer maakte wel deel uit van het meerkampproject dat wordt ondersteund. De motivatie om zonder salaris verder te doen kwam uit zichzelf. Meer van dat.

Geen enkele sport viel echt tegen of het zou tennis moeten zijn, dat al te vaak toerisme met een sporttas is.

Wielrennen, met dat ene zilver van Wout van Aert, mag stilaan de vraag beantwoorden of al die investeringen in het baanwielrennen wel de moeite waard zijn. Straks wordt een nieuwe wielerbaan gebouwd in Zolder. Als die moet dienen als schuiloord voor wegrenners en crossers die in de winter graag droog trainen en niet in de file willen staan richting die andere baan in Gent is dat een onverantwoorde uitgave. Het wordt een ander verhaal als daar een model aan wordt gekoppeld dat talent naar de wielerbaan draineert en daar ook kan houden.

Hoe presteerden de toplanden?

Nederland eindigt met 36 medailles zevende in de medailletabel en is het kleinste grote sportland van het noordelijk halfrond. Australië is dat van het zuidelijk halfrond. Beide landen behoren tot de sterkste stijgers met zeventien medailles meer, samen met Japan en China die er ook zeventien en achttien meer halen. Van thuisland Japan was dat min of meer verwacht. China is een grote verrassing, samen met Rusland, dat onthoofd als Russisch Olympisch Comité ging maar uiteindelijk met vijftien medailles in de plus uitkomt.

De top vijf in de medaillestand wint een recordaantal van 395 medailles waarvan 148 gouden. Het waren de Amerikaanse vrouwen van het volleybalteam die uiteindelijk de 39ste gouden medaille voor de VS bij elkaar tikten, waardoor hun land zowel in het aantal gouden medailles als het totale aantal op de eerste plaats kon finishen. Toch doen de VS het minder goed dan in Rio en leveren zeven gouden medailles in.

Andere flinke dalers in de top tien zijn Duitsland, nog maar eens, dat nu op 37 medailles uitkomt en zeven gouden plakken moet inleveren, waardoor het van plaats vijf naar negen zakt. In 1988 haalden Oost- en West-Duitsland samen 142 medailles (waarvan 102 voor de DDR). Vandaag wint het eengemaakte Duitsland minder medailles dan West-Duitsland alleen in 1988 en toen waren er 30 procent minder medailles te verdienen.

Ook Frankrijk deed het in de totaalstand niet goed (min negen) maar manifesteerde zich wel met acht medailles in teamsporten, waarvan drie keer goud. Zo behoudt het de tien gouden medailles van Rio.

Speelden corona en de tijdzone een rol?

Of er sprake is van een corona-effect is erg onduidelijk. Italië, dat in 2020 het ergst is getroffen door de epidemie, gaat er twaalf medailles en twee gouden plakken op vooruit. Misschien ga je van corona wel harder lopen, want de Italianen wonnen zowel de 100 meter individueel als de estafette. Ook coronaland Nederland, waar de topsport langer dicht bleef dan bij ons, deed het goed, net als China en Japan die op slot gingen.

Wellicht heeft corona geen effect gehad, tenzij dan op kleine en arme landen waar atleten zich minder goed konden voorbereiden. De grote landen wonnen samen meer medailles, maar tegelijk hebben meer landen dan ooit een medaille gewonnen: 94 tegenover 86 in Rio. Ook gouden landen zijn er ineens meer: van 57 naar 65. Bermuda, de Filipijnen en Qatar wonnen hun eerste gouden medaille. Burkina Faso, Turkmenistan en San Marino wonnen hun eerste medaille ooit.

Een indirect effect van corona zou het verminderd aantal dopingcontroles kunnen zijn. Zowel naar Rusland als naar China werd al uit Amerikaanse hoek met een beschuldigende vinger gewezen, maar na analyse blijkt toch dat de Amerikanen het zelf hebben laten liggen. Een aantal prestaties zal achteraf fout blijken en medailles zullen wisselen van eigenaar en land, dat is elke Spelen zo. Maar opmerkelijk en een primeur: geen enkele medaille werd op de Spelen zelf afgenomen door een positieve test.

Als China, Japan en Australië het samen opvallend goed doen, kan dat te maken hebben met de geopolitieke belangen in de regio, maar meer nog met de biologische klok. Het is bewezen dat atleten die grote tijdverschillen moeten overwinnen ook na een aanpassing nog met prestatieverlies te kampen hebben. Omgekeerd is dat uurtje verschil tussen Peking of Sydney en Tokio best te overbruggen.

Werden de toeschouwers fel gemist?

Tokio heeft prachtige maar onzichtbare Spelen georganiseerd. Dat buitenlandse bezoekers werden geweerd en delegaties werden beperkt, leek logisch. Dat de Japanse bezoeker van de Olympische Spelen ineens zijn tickets terugbetaald kreeg en moest thuisblijven, was een vergissing van formaat. Er was geen objectieve reden voor lege olympische stadions terwijl voetbal, honkbal en sumo in Japan wel publiek mochten binnenlaten.

De Spelen in Tokio, de tweede na die van 1964, hadden net als toen een mijlpaal kunnen zijn in de organisatorische geschiedenis van de Olympische Spelen. Nu zullen ze worden herinnerd van atleten die net hun uiterste best hadden gedaan en gewonnen of verloren, en die voor digitale schermen met het thuisfront enkele woorden konden wisselen.

De anticovidmaatregelen waren rigide, maar uiteindelijk leefbaar en ze hebben gewerkt, met amper honderd besmettingen in de hele olympische bubbel en waarvan de helft dan nog van Japanse vrijwilligers. De vijandigheid onder de Japanse bevolking tegenover olympiërs bleek een uitvinding van vooringenomen lokale correspondenten.

Uiteindelijk zal de geschiedenis uitwijzen dat Tokio zijn eigen Spelen heeft vermoord, enkel en alleen omdat later dit jaar verkiezingen plaatsvinden. Het hele avontuur heeft de Japanse belastingbetaler klauwen vol geld gekost. De totale investering wordt op meer dan 15 miljard euro geschat.

Was het jaar uitstel van de Spelen een wijze beslissing?

Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en zijn voorzitter Thomas Bach kregen sinds maart 2020 tot en met vandaag bakken kritiek te slikken, maar wie met wat afstand analyseert, moet concluderen dat het IOC er wijs aan deed toen het vorig jaar de Spelen uitstelde. Het had evengoed zijn 25 miljoen euro kostende verzekering kunnen aanspreken, de Spelen schrappen en zonder te organiseren de miljarden oprapen.

Dat deed het niet, maar na dat uitstel viel de verzekering voor de editie van 2021 wel weg. (Alleen Peking 2022 is nog gedekt en daarna is het verzekeren van Spelen niet meer mogelijk.) De Japanse regering was het eens met dat uitstel, maar na een premierwissel wilde die alsnog de staart intrekken, waarop het IOC op de rem ging staan. Japan, het IOC en de wereldwijde sport zaten in een do-or-diescenario.

Dat ‘doen of sterven’ en vooral het sterven slaat op de wereldwijde sport en de internationale federaties die afhangen van het geld van de olympische beweging. Zonder het geld van Tokio 2021 had de helft van de olympische bonden geflirt met het faillissement. De Amerikanen, die zoveel kritiek hadden op de niet-afgelasting, zouden ook beter twee keer nadenken: zij krijgen voor deze olympische cyclus 750 miljoen dollar uit de olympische kassa, meer dan alle andere landen samen en meer dan alle sportbonden samen.

Ook de atleten zullen vroeg of laat beseffen dat het IOC er wijs aan heeft gedaan om die Spelen toch te laten doorgaan en dat zij de voornaamste begunstigden zijn van die koppigheid.

Parijs 2024, wat nu?

Voor België zouden Spelen in de achtertuin een aanleiding kunnen zijn om te investeren in een nog betere omkadering van topsport. Het verschil met de cultuursector is nog steeds bijzonder groot als men weet dat één eerbiedwaardige cultuurinstelling in Brussel evenveel of meer overheidssteun krijgt dan de niet minder eerbiedwaardige en veel beter presterende Belgische topsport samen.

In Parijs komt breaking (breakdance) op het programma, naast klimmen, skateboarden en surfen. Karate, honkbal en softbal verdwijnen weer, maar die laatste twee sporten komen vast terug in Los Angeles 2028.

Wat in de hectiek van het laatste weekend van deze Olympische Spelen wel is verloren gegaan, is een ultieme beslissing door de sessie van het IOC die bepaalt dat voortaan de executive board van het IOC de bevoegdheid heeft om sporten tijdelijk van het programma te halen als ze vindt dat die slecht worden beheerd. Dat is een eerste stap naar het snel kaltstellen van boksen en gewichtheffen.

Column 18 uit Tokio ‘Sport in België’ in De Morgen van maandag 9 augustus 2021

Sport in België

Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) heeft vijf jaar na Rio zijn vierjaarlijkse vreugdedans gehouden. Daar hadden ze het recht toe, want er is cijfermatig beter gepresteerd dan ooit tevoren. Tegelijk was er ook een bepaalde berusting merkbaar bij de BOIC-top. Pierre-Olivier Beckers sluit zijn periode als Belgische olympisch voorzitter af en daar heeft hij meer aan overgehouden dan hij erin heeft geïnvesteerd, dat is eens wat anders dan zijn investeringen destijds bij Delhaize, maar dat is een ander verhaal.

Beckers is vast IOC-lid geworden en doet het daar niet slecht voor zover je het daar slecht kunt doen. Zo geniet hij aanzien als IOC- coördinator van de Spelen van Parijs 2024. Onderweg is hij op een blauwe maandag ook baron geworden. Waar zijn voorganger François Narmon geen enkele verdienste had voor de topsport kan Beckers zich de pluim op zijn hoed steken dat hij als hobby- hockeyer in die sport heeft geloofd van in het begin en dat de eerste investeringen in de nationale ploegen vanuit de kas van het BOIC kwamen.

Beckers vertrekt in september, kort daarna gevolgd door het andere BOIC-kopstuk, CEO Philippe Vander Putten. Die heeft in extremis geprobeerd om zelf voorzitter van het BOIC te worden, om zo zijn olympische status nog wat te rekken. In het jargon van de Boechoutlaan heet dat ‘een Adrientje doen’, naar Adrien Vanden Eede, die van secretaris-generaal (zo heette de CEO toen nog) in 1992 ineens (royaal) betaalde voorzitter werd. Dat leidde tot een quasi-ramp, maar ook dat is een ander verhaal.

Het is de verdienste van Beckers dat hij dat afblokte en naar een andere kandidaat-voorzitter op zoek ging en die vond in Jean-Michel Saive. Inmiddels is van nergens uit ook een tweede kandidaat opgedoken in de persoon van Heidi Rakels. Zij is in tegenstelling tot wat de Franstaligen in de Belgische sport vermoeden geen voorbode van een Vlaamse putsch, maar heeft op eigen kracht uitgevlooid dat dit wel iets voor haar kon zijn.

Als zakenvrouw, vrouw, olympiër met medaille (in tegenstelling tot Saive), ervaring in leiding geven en bovengemiddeld intelligent, lijkt zij een gedroomde kandidate voor het BOIC, dat al bijna 29 jaar door een Franstalige voorzitter wordt geleid.

De verhoudingen binnen de Belgische sport zijn een weerspiegeling van die in de Belgische politiek. En neen, dat is in dezen niet de schuld van de N-VA. Dat is wel het gevolg van een scheefgegroeide situatie waarbij wie de portemonnee trekt niks te zeggen heeft en voor de Olympische Spelen afhankelijk is van wat het veredeld reisbureau BOIC beslist.

Een voorbeeld daarvan is de niet-selectie van de Waalse zwemster Valentine Dumont. Die werd geweigerd op basis van onduidelijke en onsportieve redenen. Nooit eerder hebben Vlamingen na die beslissing zo gefulmineerd op de niet-selectie van een Waals talent als toen Dumont een no-go kreeg van het selectiecomité van het BOIC. Hun topsportdirecteur Olav Spahl, de man van staal, heeft daar meer dan één slecht punt gescoord.

De scheefgegroeide situatie is inmiddels een soort surrealisme geworden waarbij zelfs Magritte even zou slikken: de drijvende kracht achter de Belgische olympische sport is Vlaanderen met het verzelfstandigd agentschap Sport Vlaanderen (‘den Bloso’ van vroeger). Ruim twee derde van de middelen die worden geïnvesteerd in topsport komt uit Vlaanderen. Dat geldt zowel voor Vlaamse atleten als voor nationale projecten.

Ook het hockey wordt vooral met Vlaams geld betoelaagd. De 4×400, die geen medaille behaalde, heeft bezieler Jacques Borlée inmiddels bij Vlaanderen ondergebracht. Judoka Toma Nikiforov, Franstalige Brusselaar, zit ook bij Vlaanderen. Alleen de Vlaamse taekwondoka’s gingen de andere kant op, maar die trapten op deze Spelen geen deuk in een pakje boter.

Franstalig België investeert ook, maar dat levert nauwelijks wat op. Het heeft één atleet van niveau, en wat voor een: dubbel olympisch kampioene Nafi Thiam is het vleesgeworden schaamlapje van de Franstalige sport die schromelijk achterblijft bij Vlaanderen. Van de 44 Belgische topachtplaatsen in Rio en Tokio zijn er vier van Franstalige atleten. Negen topachtplaatsen zijn van nationale projecten, die steeds belangrijker geworden. Ook daarin investeert Vlaanderen het merendeel van het geld.

Dit is dus geen verhaal van separatisme maar van realisme. Het wordt tijd dat het BOIC zich conformeert aan de realiteit van het topsportveld en de betaler mee laat beslissen. Het zou nog beter zijn als de topsport binnen het BOIC zou worden geleid door zij die er 95 procent van de olympische cyclus mee bezig zijn en meer dan 90 procent van de fondsen ophoesten, de gemeenschappen.

Column 17 uit Tokio ‘De Mentale Spelen’ in De Morgen van zaterdag 7 augustus 2021

De Mentale Spelen

Een kwarteeuw geleden maakte ik kennis met een groot kampioen. Aan het eind van zijn carrière gekomen, vroeg ik hem een keer wat nu de rotste momenten waren als topsporter. Vandaag zou ik vragen: “Heb jij ooit last gehad van mentale issues en ben je daarna in therapie gegaan?” Maar toen wisten we niet dat die bestonden – issues én therapeuten.

Hij antwoordde: “Aan het eind van de zomer, toen ik merkte dat de vakantie en de zomer voor het gezin pas goed waren geweest als ik goed had gepresteerd. Als dat niet zo was, en er waren wel wat zomers dat ik het liet schieten, had het gezin geen goede zomer gehad. Dat vond ik vervelend.”

Die druk vond hij ‘vervelend’, maar ook niet meer dan dat. Hij gooide er nog achteraan dat kunnen omgaan met die druk precies het verschil maakt tussen seriële winnaars en occasionele winnaars. Zonder druk kwam in zijn geval van presteren niks in huis, was zijn conclusie.

Ik vraag mij al de hele Olympische Spelen af of ik jarenlang onder een steen heb gezeten. Omdat het mij nu pas opvalt dat zoveel wordt gehuild, zowel bij verlies (“wat ben ik ongelukkig”) als bij winst (“wat ben ik gelukkig” of “wat ben ik ongelukkig geweest” of gewoon “wat is de druk groot”).

U weet wel waar ik naartoe wil: ik heb het een heel klein beetje gehad met die tranen op het podium, ernaast en in de mixed zone. In het verlengde daarvan heb ik het ook gehad met die naar mijn bescheiden mening overdreven aandacht voor de mentale druk. Ik denk dat trouwens dingen die niet bij elkaar horen op één hoop worden gegooid.

Ik wil het in dat verband nog één keer hebben over Simone Biles, van wie ik vernam dat ze in de turnhal en in het olympisch dorp juist als een lachebekje door het leven ging. Alleen turnen lukte niet te best, want ze had last van ‘twisties’. Uit de uitleg van technici begreep ik dat twisties bestaan, dat ze een gevaar opleveren omdat de gymnast de ruimtelijke perceptie voor een deel kwijt is, maar ook dat twisties te maken hebben met een overload aan informatie. Je kunt dat een mentaal probleem noemen, maar ik hoorde dat ze in dit geval blokkeert door slechte coaching.

Vergelijk het met een tennisser die zoveel tips krijgt om aan zijn service te sleutelen dat hij geen bal meer over het net krijgt en onderhands moet serveren. De eerste die ik dat heb zien doen, was ene Michael Chang, een Amerikaanse Chinees die onder de druk bezweek op Roland Garros. Vreemd genoeg kraakte zijn tegenstander aan de overkant van het net daardoor nog meer, dat was Ivan Lendl.

Ook Nafi Thiam barstte na haar goud in huilen uit want het waren twee verschrikkelijke jaren geweest. Hoezo? Ze heeft twee zware dagen gehad, dat klopt. Je trainer moeten missen door een vals-positieve test, ik had die Japanners die mij zoiets hadden aangedaan vermoord. Die spanning die dan van je afvalt als het toch nog goed komt, alle begrip voor de emoties die dan vrijkomen.

Maar twee vreselijke jaren van ellende? Ik vond niks, behalve een bericht van begin februari van dit jaar. ‘Drama voor olympisch kampioene Nafi Thiam: ‘Mijn hart is gebroken… Waarom jij?” Ik dacht: jeetje, wat erg, dus toch… Ik las verder: Titus was dood. Bleek het om een hond te gaan.

Neen, praat mij niks aan, ik ben niet zo inslecht dat ik met mensen lach die hun huisdier hebben verloren. Maar, als megaster eerst de aanschaf van je huisdier, vervolgens het zindelijk maken, dan de spijtige dood en vervolgens je eigen verdriet uitgebreid op Instagram becommentariëren, waar is dat goed voor?

Zal ik de vraag meteen zelf beantwoorden? Dat is goed voor de eigen marketing. En zal ik daar meteen iets in het Frans achteraan gooien? On ne peut avoir le beurre et l’argent du beurre. In dit geval zorgen de sociale media voor een zorgvuldig opgebouwd imago (“kijk eens hoe sympa”) en zo voor l’argent. Maar dus ook voor immense druk. Dat gaat aan één stuk door: Twitter, Facebook, Instagram… Niet te weinig posten, ook niet te veel, maar toch een inkijkje geven in de privé.

Daarom mijn vrijblijvend advies aan alle topsporters: ik respecteer u en uw gezondheid. U mag huilen, u mag breken, ik zal mij verwijderen. Maar kom niet zeuren dat de druk die u zichzelf oplegt via de sociale media te veel wordt. Niemand verplicht u om al die randzaken erbij te nemen. Niemand verplicht u om uw privéleven te openbaren en al helemaal ik niet. Uw hond, ouders en familie interesseren mij niet, fotoshoots met u bekijk ik niet, ik doe niet aan Instagram en TikTok heb ik niet.

Het enige wat ik wil weten, is waarom u hebt gewonnen of waarom niet. En als dát voor te veel druk zorgt boven op al het andere, tja, het spijt mij zeer, ik zal het blijven vragen.

Column 16 uit Tokio ‘Goud ademen’ in De Morgen van vrijdag 6 augustus 2021

Na 97 jaar ademt België weer goud

Op een warme zomeravond in Tokio heeft de Belgische sport na jaren van occasionele successen een unieke prestatie neergezet. Niet dat de hele wereld nu verbaasd toekijkt, maar twee keer olympisch goud binnen hetzelfde uur is een ongekende luxe voor deze (voormalige) sportwoestijn.

Met nog drie dagen te gaan op deze Spelen komt het Belgian Olympic Team zo op drie keer goud op een voorlopig totaal van vijf medailles. Het maakt een sprong van maar liefst twintig plaatsen in de officiële medailletabel en behoort nu tot de top 25 in Tokio. Dat is eerbaar, maar ook niet meer dan dat.

Of er nog wat achteraan komt, dat is maar de vraag. Nog eens goud? Dat zou pas een wonder zijn. Misschien nog een andere medaille met het jumpingteam, misschien onze ploegkoerskoppels op de wielerbaan met de nadruk op de vrouwen, misschien de 4×400 mannen of vrouwen. Misschien. Op deze speciale Spelen is alles mogelijk, maar de voornaamste conclusie is alvast: de Belgische sport heeft niet gefaald en lijkt aan de beterhand.

Opvallend is dat drie van de vier kansen op goud zijn waargemaakt. Alleen het wielrennen bleef een beetje onder de verwachtingen. Zij konden niet wat de andere drie wel konden: de allermooiste van de medailles voor de neus van alle anderen wegkapen.

Gymnaste Nina Derwael beet de spits af. Ze was niet top in de finale en heeft op haar favoriete brug met ongelijke leggers alles uit de kas moeten halen om de tegenstand af te houden. Ze leek te plooien onder de enorme druk, maar de rest brak.

Ook zevenkampster Nafi Thiam moest haar goud ver gaan zoeken. Ze moest zelfs wachten tot de tweede dag om een tegenstander af te houden die ze in normale vorm geen blik waardig gunt. Ook zij sleepte haar goud uit de brand.

De hockeyers gingen het diepst. In een bijzonder spannende finale dreigden ze helemaal aan het eind kopje-onder te gaan na een hele wedstrijd te hebben gedomineerd. Ze hielden de Australiërs af, hergroepeerden zich rond een wonderbaarlijke doelman en gingen in zenuwslopende shoot-outs hún goud halen. Drie keer druk, drie keer succes: drie on-Belgische prestaties.


Drie keer goud op één Olympische Spelen is voor België 97 jaar geleden. Zevenennegentig. Laat dat even doordringen. Wat voor een onderontwikkeld sportland zijn/waren wij dan wel, zeg? Wellicht zijn er noorderburen die ons met onze vijf medailles nu blij weten met een dooie mus en ze hebben gelijk, maar weten zij veel hoe erg het hier was gesteld met de topsport. Nederland haalde in de eerste week in één dag ook twee keer goud op en nog zes andere medailles, acht in totaal. Het zij zo, België moet tevreden zijn met wat het heeft en dat is deze ‘Chinese’ score met meer goud dan de andere medailles opgeteld.

Drie keer goud op een totaal van vijf medailles is wonderbaarlijk. De normale verhouding is één keer goud op drie podiumplaatsen. Iedere volger van de Olympische Spelen stelt nu al twee keer op rij vast dat de absolute toppers het waarmaken, zelfs het podium domineren, maar dat we voor de andere plaatsen nog een maatje te klein zijn.

Het Belgian Olympic Team zal op deze Spelen op meer dan twintig topachtplaatsen uitkomen. In Rio waren dat er ook al achttien en veel vierde plaatsen. Tot dusver heeft het Belgian Olympic Team in Tokio opnieuw vijf vierde en vijf vijfde plaatsen. Al die olympische diploma’s hadden minstens zeven medailles moeten opleveren. Elke simulatie geeft aan dat, rekening houdend met grootte van de bevolking en het economisch niveau van België, tien plakken ons intrinsiek niveau is. Tien zou het streefdoel moeten zijn.

Ook als het bij deze vijf medailles blijft zijn die drie gouden medailles toch een resultaat om mee thuis te komen en op te bouwen, zeker voor een land dat in de eerste vijf Spelen van deze eeuw in totaal amper vijf keer goud won. Zowel Derwael als Thiam scoort in disciplines met aanzien. De hockeymannen tekenen dan weer voor het eerste goud in een teamsport in 101 jaar.

Het is geleden van de olympische voetbalploeg van 1920 dat België een teamsport op de Spelen won. Toen ging dat erg makkelijk. De Tsjechische finalisten voelden zich benadeeld na de uitsluiting van een van hen en weigerden verder te spelen. Nu was daar geen sprake van. Met Australië kwam de allerzwaarste tegenstander aan het eind van een bijzonder zwaar toernooi. Hockey mag dan de kleinste teamsport zijn, het is op Olympische Spelen de zwaarste, met een finale als achtste wedstrijd in dertien dagen.

Wat nu? De situatie is vergelijkbaar met die van 1996. In Atlanta won België onverwachts zes medailles waarvan twee keer goud. Daar is toen heel slecht mee omgegaan. In die tijd was het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité de drijvende kracht achter de topsport. Het wist zich met die zes medailles dronken van succes, iets wat sommigen bij het BOIC al te letterlijk namen.

Er kwam ruzie van, met als uiteindelijk gevolg een machtsvacuüm waarin bijzonder zwakke sportbestuurders de dienst kwamen uitmaken. Vandaag bestaat dat gevaar niet. De olympische bestuurders zijn nog steeds niet bijzonder briljant, maar de rol van het BOIC is herleid tot een olympisch uitzendbureau. De topsportdrivers in België zijn vandaag de gemeenschappen met Sport Vlaanderen, het voormalige Bloso, als voornaamste actor. Die zijn vastbesloten dit momentum niet te laten voorbijgaan.

Column 15 uit Tokio ‘Belgische gloriedag’ in De Morgen van donderdag 5 augustus 2021

Belgische gloriedag

Dag dertien van zestien op de Olympische Spelen en tijd om er een lap op te geven. Journalistiek, columnistisch en sportief als het even kan. Vandaag kan België twee gouden medailles en een zilveren winnen. Ga maar even terug in de geschiedenis, dat is dit land na de Tweede Wereldoorlog nog nooit overkomen.

Sowieso zijn wij Belgen geen specialisten in olympisch goud ophalen. Peking 2008 was daarop een uitzondering, maar dat ging in twee schuifjes. Op de laatste vrijdag toen België nog medailleloos, moedeloos en wezenloos rondhuppelde haalde de 4×100 bij de vrouwen een mooie zilveren medaille achter Rusland. Een jaar later werd dat omgezet in goud omdat ze bij een Russin iets in de urine hadden gevonden dat daar niet mocht in zitten. Doping dus. Een dag na die mooie medaille won Tia Hellebaut het toen nog enige Belgische goud in het hoogspringen. Een topmedaille. Twee medailles, twee keer goud.

Twee keer goud op de Spelen is zeldzaam voor dit land. Het is het Belgian Olympic Team overkomen – dat is niet overdreven – op de eerste dag in Rio toen Greg Van Avermaet verrassend voorop geraakte en de sprint won van Jakob Fuglsang. In de tweede week kwam Nafi Thiam van ongeveer nergens uit en liep, sprong en gooide zich naar de eerste plaats in de zevenkamp.

Twee keer goud haalden we ook in Atlanta 1996 en wie er bij was herinnert zich nog dat elke Belg in Atlanta de eerste zondag van de Spelen werd bekeken alsof hij plots deel uitmaakte van een ineens wakker geworden sportieve supernatie. Een minder aangenaam bijproduct was dat we ook werden gefeliciteerd. Ik zelfs door (toen nog) prins Filip, en een collega van Le Soir bezwoer mij dat Filip dacht dat ik Fred Deburghgraeve was.

Op die gloriedag van Fredje won België nog een medaille. Dat was het judobrons van Harry Van Barneveld. Heerlijke gast, de Harry, ik hoor het hem nog zeggen: “We winnen haast nooit medailles op de Spelen en als ik er een keer één win is er godverdomme iemand die tegelijk met mij goud moet winnen.” Zo was het maar net, Harry’s triomf raakte ondergesneeuwd.

Zeker toen het een dag later weer prijs was, nu met een andere judoka: Ulla Werbrouck smeerde met een sublieme overname een Japanse een ippon aan. Het was de start van wat tot op heden de meest succesvolle Spelen aller (moderne) tijden zijn geworden voor België: zes medailles, waarvan twee keer goud.

Daarom zou het zo mooi zijn als België er vandaag twee keer goud bij doet. Drie keer goud heeft België nog nooit gehad, tenzij dan op de eigen Spelen in Antwerpen in 1920 (veertien keer goud) en vier jaar later in Parijs (drie keer goud). Op de eerste moderne Olympische Spelen in Parijs in 1896 was dit land zelfs vijf keer de allerbeste.

De zeven medailles en twee keer goud van de Spelen in 1948 in Londen is het naoorlogs record voor dit land. Aan zeven geraakt België in Tokio niet meer, of het zou alle grote en kleine kansen in medailles moeten omzetten. Vandaag zal daar zeker wat bij komen. Te beginnen morgenavond rond de klok van halftien hier in Tokio, dus zeven uur vroeger bij u, als de hockeyers klaar zijn met hun finale tegen Australië. Rond die tijd wordt ook de afsluitende 800 meter gelopen in de zevenkamp voor de vrouwen.

Om het met José De Cauwer te zeggen: het zou zomaar kunnen dat we binnen de vijf minuten twee extra gouden medailles ophalen. Of niet natuurlijk, want wij blijven België, een sportland waarmee het vaker mis gaat dan goed.

In die hockeymannen heb ik wel vertrouwen. Dat hele management is ook zo on-Belgisch als maar kan en dat heeft zo zijn voordelen als het erop aankomt om recht op een doel af te gaan. De ploeg lijkt mij fysiek op en top en hun wil om te winnen en geloof in eigen kunnen is groter dan ooit tevoren bij een Belgisch team. De kans dat dit wel goed komt, is groot.

Wat Nafi Thiam betreft zijn de meningen onder de atletiekkenners na haar eerste dag verdeeld. Sowieso is ze er na vier proeven nog niet in geslaagd ook maar één keer in de buurt van een persoonlijk record te komen. De concurrentie is ook niet top en toch staat ze pas derde na de eerste dag en dat is haar nog niet al te vaak overkomen. Evenmin dat de tweede een Belgische is die 20 punten voorsprong heeft op haar en de eerste een Nederlandse die al 47 punten bonus heeft. Als alles meezit, kunnen we vandaag zelfs drie medailles winnen: twee keer goud en één keer zilver. Zit alles tegen, dan is het één keer zilver. Van één medaille zijn we zeker: de hockeyers winnen minstens zilver.

Column 14 uit Tokio ‘Een voorspelling’ in De Morgen van woensdag 4 augustus 2021

Een voorspelling

Ik had beloofd om geen diepgaande conclusies te trekken na deze Spelen van de 32ste olympiade en dat zal ik nu dus ook niet doen. Om twee redenen. De eerste: omdat dit heel aparte Spelen zijn. En de tweede: omdat de Spelen nog negen dagen duren. Niettemin is één zilver en één brons niet direct de intermediaire buit na zeven dagen competitie waarmee je het vooropgezette doel van tien medailles gaat halen. Er is niks mis mee om nu al voorzichtig te poneren dat we tevreden zullen mogen zijn als we er zes halen.

Even vooraf. Ik weet dat een deel van de fans thuis zit te genieten van deze Olympische Spelen en van al onze Belgische prestaties. Ik wil dat later deze week nog even analyseren, maar het lijkt mij niet dat daar echte wanprestaties bij waren. Iedereen heeft tot nog toe zijn stinkende best gedaan, maar ja, het liep niet altijd zoals gewenst en dat kan gebeuren.

Een iets fanatieker deel van de fans is al blij als onze jongens en meisjes de wedstrijd volmaken zonder ongelukken, of de overkant halen, of het einde van de wedstrijd zonder kleerscheuren. En dan heb je nog dat deel dat superblij is als onze jongens en meisjes ook de weg naar huis terug vinden. Wat ook de uitslag was, die staan met een fanfare klaar op Zaventem. Voor deze laatste twee categorieën is dit stukje niet bestemd.

We hebben tot op heden twee medailles. De mooiste viel al op de eerste dag en daarmee stonden we een tijdje
bovenaan te blinken. Dat deed denken aan die eerste dag op de Spelen van Atlanta in 1996 toen Fred Deburghgraeve ’s ochtends een wereldrecord zwom en in de namiddag het goud won. Er vielen ook nog twee judomedailles dat eerste weekend. Enfin, we stonden toen heel even erg hoog in de medaillestand.

Wout van Aert bezorgde België meteen een eerste medaille. Dat had goud kunnen zijn, mits bijvoorbeeld Remco Evenepoel eerst was opgesoupeerd en Tiesj Benoot als laatste was behouden gebleven om Van Aert bij te staan, maar wie zal het zeggen dat dit wel had ge- werkt? Juist, niemand, maar toch…

Het brons van judoka Matthias Casse had zilver of goud kunnen zijn, als hij niet tegen een Japanner had gemoeten. Die videocall was een duidelijk voorbeeld van thuisvoordeel. Casse is misschien niet echt bestolen, maar het had ook anders kunnen uitdraaien. Zijn enige troost is dat hij heeft verloren van de latere olympisch kampioen.

Overigens halen die Japanners hier behoorlijk uit en liggen ze op koers om hun dertig gouden medailles binnen te halen. Die 120 van de VS, die komen er niet, maar dat geldt voor zowat alle voorspellingen van Gracenote. Dat is een heel tof bedrijf dat gespecialiseerd is in het aanleveren van fantastische info op maat van organisatoren, maar uitslagen voorspellen – al helemaal van olympische sport – daar begin je beter niet aan.

En wij dan, welke ijzers hebben wij nog in het vuur? We staan nu in de medailletabel – laat het toch maar even inzinken – achter Mongolië. Maar laten we positief zijn en ons geestelijk welzijn niet te veel op de proef stellen. We hebben nog drie certitudes, één redelijke kans en twee waterkansjes op medailles. Over de jumpingploeg ga ik niks zeggen. Ik hoor al sinds 1980 dat ze medailles gaan winnen en ik weet sinds 1992, toen wijlen Eric Wauters mij dat uitlegde, dat de Spelen de grootste pop-up-paardenmarkt van het jaar zijn, meer dan een sportevent.

De eerste redelijke kans op een medaille is Emma Plasschaert in haar laser radiaal. Ze hangt daar op die vijfde plek met nog de medaillerace met dubbele punten te gaan en ze heeft al gezegd dat ze er zal invliegen. Het zal een toprace zijn of het zal niets zijn. Zo willen we het horen. Goud zal niet meer lukken, het wordt brons of in het allerbeste geval zilver.

Dat gebeurt allemaal zondagochtend bij u en in de na- middag is het de beurt aan Nina Derwael. Als ze perfect turnt aan de brug, wint ze goud. Is het een ietsje minder, dan wordt het zilver. Is het meer dan een ietsje minder, brons. Valt ze van de brug, is het niks.

Ook een certitude zijn uiteraard de Red Lions. Die speelden gisteren hun laatste groepswedstrijd tegen Groot-Brittannië en moeten zondag in de kwartfinale tegen Spanje. Dat kan altijd misgaan, maar met deze gasten gaat het toch altijd net iets vaker goed.

Nafi Thiam idem. Tenzij ze alleen maar nulsprongen laat optekenen of haar aanvangshoogte niet klaart in het hoogspringen, of struikelt over de horden of zich pijn doet. Laten we vooral hopen dat dit allemaal niet gebeurt. In dat geval pakt ze een medaille. Gezien haar talent en de tegenstand is de kans groot dat het goud wordt.

Als het Belgian Olympic Team nu eens op drie keer goud zou kunnen uitkomen, dat zou pas mooi zijn. Dat zou beter zijn dan Atlanta en Rio, waar we twee keer goud wonnen op zes, en vooral: we doen dan beter dan Mongolië.