Column E-Poggio in De Morgen van zat 19 maart 2016

E-POGGIO

Ronde van San Luis, Qatar, Oman, de Omloop, Kuurne-Brussel-Kuurne, Strade Bianche, Tirreno, Paris-Neige, Handzame Classic: steek ze waar u plaats heeft, geniet ervan als u desgevallend heeft gewonnen, maar besteed er voorts niet te veel aandacht aan. Vandaag begint de wielerlente, vandaag is de eerste echte koers.

Bijna 300 kilometer vlak en dan een heuveltje over, zo wordt Milaan-Sanremo nog weleens al te simpel voorgesteld. De capi voorafgaand aan de Poggio en natuurlijk de Cipressa zijn lopers, maar in een nerveuze, snelle wedstrijd worden dat flinke kuitenbijters waar de sterke renners de jus uit de benen halen van de minder sterke. In de laatste kilometer vóór de top van de Poggio en de drie laatste kilometers licht bergaf naar de streep wordt het verschil gemaakt.

Naar het schijnt hebben wij dit jaar een paar kanshebbers om Milaan-Sanremo te winnen. Dat wordt dan tijd, want het is geleden van Fons De Wolf in 1981 dat een Belg won (Andrei Tsjmil, winnaar in 1999, was een Moldaviër met een Belgisch paspoort).

Overigens circuleert op Twitter een interessant grafiekje met de gemiddelde klimsnelheden op de Poggio van de laatste 35 jaar. Vanaf 1991 (Claudio Chiappucci), met een piek in 1994 (Giorgio Furlan), gingen die snelheden door het dak. In 1990 was men nog tegen een modale 31,5 kilometer per uur naar boven gereden. Een jaar later werd dat meteen 36,5 en Furlan haalde in 1994 zelfs een fenomenale 38,5 op een klim van 4 kilometer met een stijging van om en nabij de 4 procent.

Als de Poggio de E-Poggio wordt. Want aan de hand van de snelste klimtijden kan men perfect de geschiedenis van de bloedmanipulatie reconstrueren. In 1994 stond het Italiaans epogebruik op zijn hoogtepunt. Furlan reed voor Gewiss-Ballan van dokter Michele Ferrari en die wonnen dat jaar ook de Waalse Pijl, Luik-Bastenaken-Luik, de Ronde van Italië en werden tweede in de Ronde van Frankrijk.

Na 1997 (hematocrietcontrole) daalden de gemiddelde snelheden geleidelijk, om na 2001 (epo-urinetest) zelfs te zakken tot 34 kilometer per uur. Vervolgens steeg de snelheid weer (bloedtransfusies), al plafonneerde die tussen 36 en 36,5. Na de invoering van het bloedpaspoort in 2008 zakte die weer elk jaar. Vorig jaar was een uitschieter met 34,5 per uur, maar in 2013 en 2014 was de snelste klimmer amper boven de 32 uitgekomen.

Milaan-Sanremo is een van de vijf monumenten, samen met de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Luik-Bastenaken-Luik en de Ronde van Lombardije. Samen hebben die iets meer dan vijfhonderd edities georganiseerd. Belgische renners hebben er daarvan meer dan tweehonderd gewonnen, jammer genoeg de meeste daarvan voor of kort na de Tweede Wereldoorlog, met een piek rond de jaren 70. Eddy Merckx alleen nam er negentien voor zijn rekening. Roger De Vlaeminck is tweede op die lijst met elf en Tom Boonen staat zevende met zeven overwinningen, één minder dan Rik Van Looy.

Jammer, maar resultaten behaald in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. We hebben de laatste drie jaar in geen enkele van die monumenten prijs gereden en dat is nooit eerder gebeurd in de geschiedenis van het wielrennen. Zowel in Parijs-Roubaix
als de Ronde Van Vlaanderen wachten we al sinds 2012 (het Boonen-jaar) op een Belg. In Luik-Bastenaken-Luik wachten we sinds 2011 (het Gilbert-jaar) en in de Ronde van Lombardije moeten we al teruggaan naar 2010 (het begin van het Gilbert-jaar). In Milaan- Sanremo zijn we nooit erg succesvol geweest. We hebben slechts twintig keer op de mythische Via Roma gewonnen, maar Eddy (zeven) en Roger (drie) nemen al de helft van die overwinningen voor hun rekening.

Van de zestien edities tussen 1966 (Merckx) en 1981 (Fons De Wolf) kon slechts vijf keer een niet-Belg in Sanremo winnen. Nadien won nooit nog een Belg. Milaan-Sanremo is net als Luik-Bastenaken-Luik een klassieker voor de grote motoren en daarom meer de maat der dingen in het moderne wielrennen dan Vlaanderens Mooiste. We wachten al even op eerste Belg die daar kan winnen en zo het kasseiknotsen overstijgt.

20160319_De-Morgen_p-22-mail

Column over de laatste speeldag op demorgen.be van 14 maart 2016

Dit jaar had ik een wens:dat OH Leuven in eerste klasse zou blijven

Zo dames en heren voetballiefhebbers, dit was dan het einde van het eerste voetbalbedrijf van het seizoen 2015-2016. Dat niemand nog komt zeggen dat de play offs geen goede zaak zijn voor het voetbal, want dit was zowat de spannendste laatste speeldag ooit in de reguliere competitie. Al moet daar meteen bij worden genuanceerd dat de strijd om de plaatsen veertien en vijftien zonder de (schrappen wat niet past) vermaledijde/fantastische vinding van play offs even spannend was geweest. En wellicht even onrechtvaardig geëindigd, maar daarover verder meer.

Spanning betekent op een gezellige zondagavond tussen zes en acht voetbal op drieëneenhalf scherm en dat halfje was voor de iPhone waar de resultaten het snelst verversten. Voor Play Off 1 was de zaak al na een kwartiertje beklonken. Standard was weer Standard van het seizoensbegin: geen peil viel er die eerste wedstrijden te trekken op die rode kippen zonder kop, maar even leek het alsof Yannick Ferrera de zaakjes in extremis op orde zou krijgen. Reken maar dat de vaste klanten van Play Off 1 al schudden en beefden want Luik uit is nooit een pretje, niet in het minst voor Anderlecht.

Die angst bleek overbodig, want Standard verviel op de laatste speeldag in de oude zonden van de eerste. Het speelt Play Off 2 omdat het na vijftien minuten al 2-0 stond voor KV Mechelen en Standard verder moest met tien man. Dat gebeurde na een trekfout van de laatste man op Tim Matthys. Die ging gewillig neer, maar geef hem eens ongelijk.

Afgelopen donderdag had ik met deze echt wel goeie voetballer een gesprek dat u in de zaterdagkrant heeft kunnen lezen. Hij voorspelde dat Standard punten zou laten liggen in Mechelen en dat Zulte-Waregem Play Off 1 zou halen. Hij kreeg gelijk. We hadden het onder meer over die al of niet strafschop op Brecht Dejaeghere van een week eerder tegen OH Leuven toen Romain Reynaud zijn been liet hangen maar Dejaeghere naar mijn gevoel (en dat van de ref) iets te makkelijk neerging. Matthys was het er niet mee eens. Hij bepleitte het recht van de aanvaller om tegen een lomp uitgestoken been of (in zijn geval) een onhandige arm te lopen en neer te gaan. Hij zei alleen dat Dejaeghere te zwaar was gevallen. Hij gaf goede raad: liever onhandig struikelen dan opzichtig neergaan, want dat komt veel geloofwaardiger over. Zijn val gisteren was geloofwaardig, hoewel ik vermoed dat hij had kunnen recht blijven. Het weze hem gegund en ten slotte is de afstraffing van domheid een onderdeel van competitiesport.

Twee jaar geleden kreeg ik de shit naar mijn hoofd toen ik na de vreselijke aanslag van Leuvenaar Björn Ruytinx op Mehdi Carcela en vooral de lamentabele reactie van het bestuur de hoop uitsprak dat OH Leuven zou zakken uit eerste klasse. Omdat domheid moest worden afgestraft. Toen die wens al lang mijn wens niet meer was, kwam die alsnog uit. Ik had pech en Leuven nog meer.

Toen Leuven vorig jaar promoveerde, was dat niet meer dan terecht en zoals het dit jaar voetbalde na de komst van Emilio Ferrera, was het een gesel voor alle clubs in eerste klasse en een feest voor de toeschouwers, ook de neutrale. Dit jaar had ik ook een wens: OH Leuven dat in eerste klasse zou blijven, alleen al voor de onderschatte Emilio Ferrera. De wens is niet uitgekomen.

Nooit in de geschiedenis van de Belgische eerste klasse is een beter voetballend team, met een mooiere aanhang en een beter stadion moet zakken naar tweede. Correctie: naar Eerste Klasse B. Dat is een vinding van de topclubs om eerste klasse iets minder vlot bereikbaar te maken voor janneke en mieke. Terecht, maar het is een godgeklaagd drama dat uitgerekend nadat Oud-Heverlee Leuven is gezakt, de promotie naar eerste klasse dubbel zo lastig wordt.

Column Nieuwe Belgen in De Morgen van zat 12 maart 2016

Nieuwe Belgen

De Armeense bokser Sasha Yengoyan wordt uitgewezen en daar is heel wat om te doen. De krant schreef dat zijn droom erin bestond om een olympische medaille voor België te behalen. Op de radio zei hij ook dat hij graag namens België naar de Olympische Spelen wil. En nu is die hoop weg omdat hij geen arbeidskaart krijgt en dus geen naturalisatieaanvraag kan indienen. Weg medaillekans?

Enige nuance is hier op zijn plaats. Ik wil geen oplawaai krijgen van die jongen, maar de wereldbokser waarvoor hij wordt versleten, is hij nu ook weer niet. En voor boxrec.com is niet hij de regerende wereldkampioen in de achterafbond WBF maar wel ene Fariz Mammadov, nadat die had gewonnen van Jan Zaveck, die dan weer in april vorig jaar had gewonnen van Sasha Yengoyan. Zo, nu bent u weer even mee in de wereld van het boksen, dat in sommige gewichtsklassen meer bonden en wereldkampioenen heeft dan er boksers zijn. Afgezien daarvan beweren alle kenners bij hoog en bij laag dat Yengoyan een aanwinst is voor het Belgisch boksen. Of was.

Dat van die Olympische Spelen mag u ook vergeten. Het is niet omdat die gekke voorzitter van de internationale boksbond ineens een visioen heeft waarin Mayweather en Pacquiao in Rio boksen, dat profs daarom toegelaten zullen zijn in Rio. Let wel, er zullen profs zijn, maar alleen als ze minder dan tien profkampen hebben gebokst. Het Internationaal Olympisch Comité heeft een gruwelijke hekel aan profboksen en het bestaat niet dat die ineens alle profs van over de hele wereld zullen verwelkomen. Het is al erg genoeg dat straks zonder hoofdbescherming zal worden gebokst tussen profs en amateurs.

Of Sasha Yengoyan dan moet worden uitgewezen, zoals hij nu het bevel krijgt om binnen de dertig dagen het grondgebied te verlaten, is van een andere orde en daarover moeten de bevoegde instanties eens flink discussiëren. Hij is alvast goed geïntegreerd, heeft Nederlands geleerd en zijn dochtertje gaat hier naar school, maar zo zijn er nog. O ja, hij heeft al zijn overwinningen met de Belgische vlag gevierd en kreeg felicitaties van onze koning.

België was nooit scheutig om buitenlandse sporters te naturaliseren, voor armlastige sporters vaak de enige weg om voor steun in aanmerking te komen. Al in 1971 leverde de Nederlandse kajakker Paul Hoekstra een strijd om als Belg naar de Spelen van München te kunnen, maar hij werd afgewezen en zou pas in 1976 voor België de Spelen halen. Te laat.

We zijn erg streng in de leer, behalve dan als het om voetbal gaat. Decennialang hebben we hier hele boten en vliegtuigen Afrikanen afgetest, doorverkocht, teruggestuurd of gewoon in de maatschappij laten opgaan. Vandaag is België met dank aan een te lage financiële instapdrempel het ideale transitland voor de niet-EU-voetballer. Die krijgen wel een arbeidskaart omdat met voetbal goed geld kan worden verdiend en als ze willen, kunnen ze na een tijdje Belg worden. Sasha Yengoyan verdient niet genoeg met boksen, dus wil hij hier naast boksen gewoon werken en voor zijn gezin zorgen, maar dat mag niet.

Moeten we Yengoyan, omdat hij bokser is, wél Belg laten worden terwijl we een Armeense illegaal weigeren die niet kan boksen? Dat lijkt onrechtvaardig, maar wat dan met de voetballers van over de hele wereld die we een verrijking vinden, in de eerste plaats omdat we die met veel winst hopen door te verkopen? Misschien moeten we eens nadenken over een versnelde naturalisatie voor getalenteerde buitenlandse sporters die namens België willen optreden. Zo dik zitten wij niet in het talent.

Nog schrijnender dan Yengoyan is natuurlijk het dossier van Raheleh Asemani. Die Iraanse taekwondoka is erkend politiek vluchtelinge, maar een spoedprocedure om haar Belgische te maken zat er niet meer in. Wellicht zal ze in Rio deel uitmaken van de selectie van staatlozen. Haar medaillekansen zijn wel reëel, maar die zal dan niet op de Belgische rekening komen.

Yengoyan en Asemani hebben talent, hadden ons arm sportland wat kunnen bijbrengen en hadden rolmodellen kunnen zijn. Andere Europese landen zouden wel hebben geweten wat hen te doen stond, als pakweg Asemani voor hun voordeur had gestaan.

Interview Tim Matthys (die gelijk kreeg) in De Morgen van zat 12 maart 2016

‘Standard laat punten liggen bij ons, let maar op’

 

Hij gokt niet, rijdt niet met een witte Bentley, gaat niet stappen, heeft geen lijf vol tattoos en op zijn hoofd zit geen graszode. Tim Matthys (32) van KV Mechelen is een doodnormale voetballer die altijd zijn best doet, zo ook morgen als Standard op bezoek komt. Die match kan bepalen wie als laatste naar play-off I mag.

De dag na de laatste competitiewedstrijd – op 9 mei als KV Mechelen niet bij de eerste twee van play-off II eindigt of 30 mei als het helemaal doorgaat tot het eind – zal Tim Matthys zijn racefiets nemen. Iedereen die met hem een stukje wil rijden, zal hij wijsmaken dat hij geen tijd heeft. Conditie bouw je het best alleen op, vindt hij, en dus zal hij in zijn eentje zo snel mogelijk 1.000 kilometer bij elkaar rijden, alvorens de betere wielertoeristen te vervoegen voor het haastwerk.

Later, als hij klaar is met voetballen, wil hij wel eens zien hoe ver hij geraakt op de fiets. Maar hij is nog niet klaar. “Al weet je nooit. Laatst anticipeerde een verdediger op een actie van mij en was daarom sneller op de bal. Toen ik de beelden terugkeek, zei de commentator: ‘De explosiviteit van Matthys niet meer wat ze is geweest.’ Ik dacht: wat zegt die nu? Ik ben nog altijd even snel en op de piste loop ik ze er nog allemaal af.”

Vul eens aan: ik ben Tim Matthys en ik kan goed…

“Assists geven. Dat is een kwestie van zien en met de juiste spelers rondom jou spelen. Francky Dury heeft mij uit de diepe spits weggehaald en dat was het beste dat mij kon overkomen. Mijn beste assistjaar had ik met Jérémy Perbet (nu Charleroi, HVDW) bij Bergen. Niet normaal die gast; staat altijd op de juiste plaats en weet blijkbaar op voorhand of de verdediger over een bal zal trappen.

“Ik heb er dit jaar al zes en ik heb ook al vijf keer gescoord, in twintig wedstrijden. Toch mooie cijfers. De eerste negen matchen van het seizoen heb ik gemist door blessures en ik geraakte niet terug in de ploeg, maar nu loopt alles op wieltjes. Ik heb ook een goede traptechniek. Dat valt mij op bij de pass- en trapvormen. En ik ben snel in de actie.”

Wat heb jij dan je tijd verloren in tweede klasse?

“Ja, dat mag je zeggen. In tweede klasse is je carrière voorbij. Ik was uitgeleend door Zulte Waregem aan Panthrakikos in Griekenland en daar wilde men niet genoeg betalen om mij te houden. Ik kwam laat terug naar België, alle ploegen zaten vol en niemand wist
nog wie ik was. Dus werd ik bij Lierse gestald in tweede klasse. Aan het eind van dat seizoen speelden we voor de promotie tegen Waasland-Beveren. Ik ben in één week tijd 5 kilo verloren van de stress, zo graag wilde ik terug naar eerste. We wonnen, maar Lierse vond dat Zulte Waregem te veel vroeg. Waarop ik bij Bergen belandde, weer in tweede klasse. Ik heb twee jaar na elkaar in tweede klasse kampioen gespeeld. (lacht) Toch het beste bewijs dat ik daar weg wilde.”

Wie moet degraderen?

“Dat wens je niemand toe, maar ik vrees nu voor Sint-Truiden want die pakken de laatste weken nauwelijks punten thuis. De meeste voetballers hoopten dat Moeskroen-Péruwelz zou zakken, maar Moeskroen zakt niet en dat is goed gedaan. Wel is het een club waar wij rare dingen over horen: het is ver, het is er niet gezellig en er spelen niet veel Vlamingen. De jongens die er hebben gespeeld die ik ken, hebben rare verhalen.

“OH Leuven vindt iedereen dan weer een sympathieke club, met leuke supporters in een tof stadion. Emilio Ferrera ken ik van mijn debuut bij AA Gent, toen ik drie keer scoorde in de wedstrijd tegen zijn Brussels. Later heeft hij mij naar Griekenland gehaald en daar heb ik hem beter leren kennen, als trainer en als mens. Hij verdient het om in eerste te blijven. Leuven speelt mooi voetbal en ze spelen alvast met meer Vlamingen.”

Is dat belangrijk?

“Dat vind ik wel. Er zijn te veel buitenlanders in onze competitie. Ik heb in die twaalf seizoenen veel rare spelers zien komen van wie ik zo zag dat die niet beter waren dan ik. Bij Gent, onder Georges Leekens, had ik een mooi debuut met vier goals in mijn twee eerste wedstrijden, maar aan het einde van het seizoen werd Nenad Mladenovic gehaald en kreeg ik de raad naar Zulte Waregem te gaan op uitleenbasis. Heb ik daar iets gemist? Dat gevoel heb ik niet. Ik heb meer dan 250 wedstrijden in eerste klasse en dat had ik nooit gedacht toen ik in vierde in de spits speelde bij Zottegem.

“Sommige makelaars hebben te veel macht. Ze verkopen een speler voor het dubbele van wat hij waard is en als tegenprestatie mogen ze daarna enkele jongens bij die verkopende club in de vitrine zetten. Buitenlanders zijn niet verkeerd, maar je moet een goede mix in je ploeg hebben. Het belangrijkste is de samenhang op het veld en dat merk je pas in de wedstrijd, of iemand een stapje meer wil doen. Ik kan het best overweg met ex-Joegoslaven. Die zijn van alle buitenlanders tactisch het meest gedisciplineerd, je kunt er makkelijk mee communiceren en ze zijn meestal overtuigd van hun kunnen.

“Afrikanen hebben wij niet zoveel in Mechelen, maar die hebben het doorgaans tactisch moeilijker en communicatief zijn ze niet zo sterk. En wat die zogeheten Afrikaanse tackles betreft, die bestaan echt. Ik denk niet dat ze het zo bedoelen, maar in hun overgave om inzet te tonen en hun best te doen, gaan ze soms zwaar over de schreef. Afrikanen die gedisciplineerd leren voetballen, worden toppers, zoals Nana Asare bij Gent.”

Wie haalt play-off I?

“Wij niet en dat is nu al voor de zevende keer dat play-off I zal doorgaan zonder KV Mechelen. Jammer en je voelt dat het leeft bij de supporters. Reken maar dat die hele historie met Olivier Renard, die van bij ons naar Standard trok en technisch directeur werd, is blijven hangen. Misschien minder onder de spelers, maar het heeft de hele club op scherp gezet.

“Mechelen is een grote club en fans vinden dat ze af en toe bij de top zouden moeten horen, zoals Zulte Waregem. Dat wordt volgens mij de zesde ploeg in play-off I. Dat hoop ik, want ik heb een goede band met supporters in Waregem. Dit jaar nog werd ik vervangen en scandeerden ze mijn naam. Standard laat punten liggen bij ons, let maar op, en Zulte-Waregem mag tegen Moeskroen dat al gered is. Van Genk en Oostende verwacht ik dat ze vooral elkaar punten afpakken, niet dat ze nog een grote rol zullen spelen in het titeldebat.”

Wordt Club Brugge kampioen?

“Ik ben een fan van het spel van Gent met die vaste patronen en die makkelijk ogende oplossingen voor moeilijke situaties, maar het Club waartegen wij hebben gespeeld en twee keer flink verloren, was op dat moment een stuk sterker dan Gent. Dus: als Club dat niveau aanhoudt, zijn ze de favoriet. Alleen staan ze nu waar ze vorig jaar ook stonden en toen zette Gent een reeks neer en liet Club het na de bekerfinale afweten.

“Ik denk dat Gent nog steeds iets extra’s kan. De grote ploegen kunnen altijd nog iets meer als het er echt om gaat. Dat is moeilijk te definiëren. Het lijkt alsof ze in driepuntenwedstrijden net iets beter gefocust zijn, de zaak beter controleren. Dan heb ik het niet over Anderlecht. Die vind ik dit jaar een mysterie. Ze hebben nog wel flauwe periodes gehad in het verleden, maar die zetten ze dan recht met een sterke reeks en als puntje bij paaltje kwam, stonden ze er. Dit jaar heb ik er geen goed oog in: ze wisselen hele goede wedstrijden meteen af met dramatisch slechte. Ik weet niet wat er scheelt. Hun voorsprong op de rest in eerste klasse is niet meer zo groot als vroeger, ook niet financieel, waardoor ze niet meer van bij de start de beste spelers hebben. Maar of dat nu de enige reden is?”

Zijn de scheidsrechters in België zo slecht als de trainers laten uitschijnen?

“We hebben een paar toppers, maar er zitten ook pannenkoeken tussen. Scheidsrechters moeten een band opbouwen met spelers. Sébastien Delferière komt na een rare beslissing jouw kant op en zegt dat hij het niet goed heeft gezien. Van zo iemand aanvaard je meer. Serge Gumienny heeft dat niet. Die trekt een muur op en daar kom je niet door. Belachelijk. Terwijl je veel meer bereikt door continu te communiceren. Wij maken fouten en zij ook, maar als zij zich als onaantastbaar wanen, heeft dat een omgekeerd effect.

“Als je op de bank zit, is het wel lachen hoor, hoe die trainers allemaal op die vierde scheidsrechter schelden. Misschien dat die iets meer beslissingen zou mogen nemen, maar voorlopig kan hij niks. Je ziet de trainers dan vooral in de eerste helft zeuren tegen de vierde ref, in de hoop dat er in de rust iets blijft hangen, met soms compensatie als gevolg. Als een team twee strafschoppen verdient en krijgt, betekent dat niet dat je bij het minste aan de andere kant ook moet fluiten.”

Waarom heb jij geen tattoos of gek kapsel?

“Ik heb juist wel een tattoo. Hier op mijn pols: de trouwdatum en de geboorte van mijn dochter. En dat haar: zoals je ziet heb ik niet al te veel haar meer, dus dat zou nooit lukken. Ik zou er ook nooit aan beginnen. Toen Nicolas Verdier bij ons binnenkwam met de bovenkant van zijn haar helemaal wit getrokken, hebben we hem staan uitlachen, maar hij vond het mooi. Ik vond het al gênant om met gekleurde schoenen te spelen. Ik heb rode gehad en ook weleens gele, omdat dat nog bij onze clubkleuren past, maar nu heb ik terug zwart-witte gekocht. Gekocht, jawel, ik heb geen schoenencontract meer. De leeftijd hé.

“Gokken doe ik ook niet, ik moet je ontgoochelen. Ik wist ook niet van een probleem. De Fransen gokken graag, dat klopt, maar dan op de Franse competitie. In mijn stamcafé De Plezanten Hof, nota bene een Anderlecht-lokaal, heb ik nog wel eens meegedaan met de voetbalpronostiek, maar de cafébaas is met pensioen. Uitgaan? Niet echt. Mijn enige pleziertje is naar de maten gaan kijken in derde provinciale, van vijf tot negen in de kantine van een voetbalploeg blijven plakken en daarna een pitaake gaan halen.”

Over naar de koers. Nu jouw favoriet John Degenkolb uit is door zijn ongeval, voor wie supporter jij in de Vlaamse klassiekers?

“Greg Van Avermaet mag winnen van mij. Altijd koersen, altijd meedoen, heerlijke renner. Met Dries Devenyns heb ik ook veel contact en Zico Waeytens en Bert De Backer zullen we ook aanmoedigen. Van Sep Vanmarcke verwacht ik ook veel. Maar John blijft mijn nummer één. Hij is weer beginnen trainen, maar ik denk niet dat hij al op de weg mag want hij is vorig week nog geopereerd aan die vinger.

“John Degenkolb hebben wij als onbekende renner van HTC met een groepje vrienden opgemerkt en we zijn hem blijven volgen. Ik ben inmiddels een hevige supporter. Vorig jaar zaten we in het spelershome te kijken naar Parijs-Roubaix en is er een filmpje gemaakt van mijn vreugdedans toen John won. Niet normaal. Als ik thuiskom van training gebeurt het dat ik nog stukken van wielerwedstrijden terugkijk, van kilometer 100 tot kilometer 50 bijvoorbeeld. Ik kan Michel Wuyts al voorzeggen. (lacht) Ik heb nu nog maar de Ronde van Vlaanderen van vorig jaar gewist, maar die Parijs-Roubaix 2015 gaat er niet af. John had verdorie ook wereldkampioen kunnen worden als hij op die voorlaatste helling niet achter Stybar was gegaan.

“Voetballen is mijn beroep, maar fietsen is genieten. Ik kan echt wegdromen op de fiets. Voor mij is het de ideale training in het tussenseizoen en ik weet zeker dat ik mijn goede conditie dank aan de fiets. Zelfs gaan kijken is een feest. De dag van Kuurne- Brussel-Kuurne hadden we training en op de terugweg ben ik met mijn auto naar de Trieu gereden. Ik ben boven aan de helling gaan staan, een pet over mijn hoofd en zo stond ik te wachten op de coureurs.”

 

Column over Femke in De Morgen van dinsdag 8 maart 2016

Femke heeft meer kans om uit Raqqa te geraken zonder hoofddoek, dan uit Aigle zonder straf 

De UCI wil Femke Van den Driessche levenslang wil schorsen. Als die zich daar beter bij voelen, waarom ook niet? Voor Femke is toch geen plaats meer in het wielrennen en dat is jammer, maar ze heeft het voor een stuk over zichzelf afgeroepen. Een snelle bekentenis en een knieval was duizend keer beter geweest dan dat halsstarrig volhouden dat die opgevoerde fiets geheel per ongeluk in de materiaalpost verzeild was geraakt omdat ze die ooit had verkocht aan een vriend die ook bij toeval op dat WK was – en nog wel in die materiaalpost.

De UCI is erg streng voor ons regionaal schandaal Femke, en dat is ook te begrijpen. Nooit heeft een internationale sportbond doortastender opgetreden in dopingzaken dan die internationale wielerunie. De perceptie is anders, maar de feiten liegen niet: tot twintig keer toe heeft de UCI het voortouw genomen en maatregelen uitgevaardigd waar de andere bonden pas jaren later aan durfden beginnen. Die beladen geschiedenis en de onterechte verwijten die ze desondanks te slikken kreeg – onder meer rond de affaire-Armstrong – verklaren nu de krampachtige reactie waarmee deze nieuwste vorm van fraude de kop moet worden ingedrukt. Femke is hét precedent en dus vraagt de UCI levenslang en een geldboete die voor een prof kan oplopen tot het tienvoudige. Het ontradingseffect daarvan is niet min en daar is het de UCI in de eerste plaats om te doen.

Niemand maalt erom dat het proces van Femke Van den Driessche al is gemaakt: ze heeft meer kans om uit Raqqa te geraken zonder hoofddoek dan uit Aigle zonder straf. Er wacht meester Johnny Maeschalck geen gemakkelijke opdracht om volgende week dinsdag iets van die strafeis af te pitsen. Is een eerlijk proces nog mogelijk? Het gaat om een vergrijp op een UCI-kampioenschap tegen onduidelijke UCI-regels die door de UCI worden bestraft en waarover ze bij de UCI ter zitting samen komen. Een zware straf zal in beroep ongetwijfeld worden teruggedraaid door het arbitragetribunaal voor de sport TAS, maar loont het de moeite om die kostelijke piste ook nog eens te bewandelen?

Ten slotte kan je je bij dat schouwtoneel de vraag stellen of het proportionaliteitsbeginsel niet wordt geschonden. Een straf moet in verhouding staan tot het vergrijp. Als zelfs moordenaars en dopingzondaars een tweede kans krijgen, lijkt levenslang en 50.000 Zwitserse francs een ietsiepietsie overtrokken voor een negentienjarig meisje dat aanwijsbaar niet met die foute fiets heeft gereden en gevangen zit in een web van bedrog dat ze zelf niet heeft gespannen.

Column over Sven en co op demorgen.be van 7 maart 2016

 

Sven Kramer vergelijken met Michael Jordan, zouden we daar wel aan beginnen?

Sven Kramer is dit weekend wereldkampioen all round geworden, voor de honderzeventigste keer of zo, maar ik kan er ook ééntje naast zitten. Een lid uit mijn eigen mini-sekte van Twitter-followers vroeg of Sven Kramer niet inmiddels de vergelijking kon doorstaan met Michael Jordan.

Een snelschaatser vergelijken met een basketbalspeler, ik weet het nog zo niet. Schaatsen als relatief eenvoudige sport vergelijken met de tweede moeilijkste sport ter wereld, is dat wel een goed idee? (IJshockey is de moeilijkste van alle sporten en dat bleek vorig week nog maar eens uit de waanzinnig goede docu Red Army op Canvas.) Een snelschaatser die er op de cruciale moment even vaak niét als wel stond, en soms viel of fout wisselde, vergelijken met een basketballer die van de money time zijn exclusieve speeltuin maakte en nooit verloor als hij moest winnen, zouden we daar wel aan beginnen? En dan de hamvraag: de NBA vergelijken met een WK all round snelschaatsen waar alleen Nederlanders en her en der nog een verloren gelopen Europeaan in geïnteresseerd zijn? Neen, toch maar niet.

Sven Kramer is Sven Kramer, een rots van een atleet, een kampioen onder de kampioenen. Maar Michael Jordan is Michael Jordan, een godheid, de grootste atleet die ooit heeft geleefd en als geen ander zijn sport heeft gedomineerd. Het is trouwens godgeklaagd dat de Golden State Warriors straks dat record van de Chicago Bulls van 70 gewonnen wedstrijden op 82 in de reguliere competitie gaan verbeteren. Het zou bij wet verboden moeten zijn. Kan Donald Trump daar alvast niks aan doen?

De aandacht voor een WK all round in het snelschaatsen is te vergelijken met de aandacht voor een WK veldrijden bij ons. Meteen een nuance aanbrengen: snelschaatsen als sport is wel degelijk groter en oneindig veel mondialer dan veldrijden – met Aziaten, Europeanen, Russen en Amerikanen die medailles winnen – maar hier gaat het specifiek over het WK allround. Dit is met alle respect een non-event, waar zoals gezegd vooral de Nederlanders op kicken. Die vinden het belangrijk om van de 500 tot en met de 10.000 meter uit te blinken, maar daar koop je niks voor op het grootste schouwtoneel van allemaal, de Olympische Spelen.

Daar worden de prijzen per nummer uitgereikt en daar, in Pyongchang in februari 2018, dáár willen wij Bart Swings zien. Op de 1500 of op de 10.000, dat is aan hem om het uit te maken, maar het liefste op het koningsnummer, de 1500. En uiteraard ook en vooral op de massastart, dat spreekt vanzelf. Het WK afstanden in Kolomna van enkele weken geleden was dus veel belangrijker als graadmeter dan dit achterhaald gedoe in Berlijn, dat alleen nog bestaat omdat alle schaatssponsoring uit Nederland komt.

Onze Vlaamse media schreven dat Swings zich in Berlijn op het WK all round kon revancheren voor het WK afstanden in Kolomna en de VRT had een journalist naar Berlijn gestuurd om die revanche te becommentariëren. Je moet het maar verzinnen. Straks beginnen we ook nog over de Adelskalender, godbetert. Daar staat Bart Swings overigens als elfde gerangschikt en Sven Kramer als tweede. De nummer één is Shani Davis, een zwarte Amerikaan. Ook die vind je niet in het veldrijden.

 

Benieuwd wat de Nederlanders zullen verzinnen als Sven Kramer na Pyongchang stopt met schaatsen. Een film maken over zijn leven en werken? Drie keer, vier keer, vijf keer Ahoy uitverkopen? Terwijl niemand het droog houdt, Sven Kramer in Ahoy op een mini-ijsbaantje rondjes laten rijden, of misschien over een ijsbrug sturen, terwijl videoboodschappen van ex-collega’s en ouders en sponsors worden geprojecteerd, cadeautjes worden uitgedeeld en schlagers worden gezonden?

Zeven Olympische medailles heeft Kramer gehaald, waarvan drie gouden, twee zilveren en twee bronzen. Ontelbare Thialfs heeft hij uitverkocht, hele horden Nederlanders hebben voor hem over de hele wereld Hollandse feestjes gebouwd, en toch bestaat het vermoeden dat hij straks in 2018 gewoon de schaatsen aan de haak hangt, een baantje opneemt in een ploeg. Er zal geen film komen en hij zal zich ook niet als een tamme circusaap voor vijf euro per bezoeker laten aaien en knuffelen.

 

Interview Emilio Ferrera in De Morgen van 5 maart 2016

‘Me amuseren, dat wil ik niet meer loslaten’

Altijd als het bodemt, koopt iemand het aandeel Emilio Ferrera. Tien jaar geleden Club Brugge, dit seizoen OH Leuven. En dus sprong Emilio nog maar eens in het diepe. ‘Ik vind dat ik zelden eerlijk ben behandeld.’

Gisterenavond speelde Oud-Heverlee Leuven zijn voorlaatste wedstrijd van de reguliere competitie op het veld van kampioen AA Gent. Volgende week volgt nog een laatste thuiswedstrijd tegen Club Brugge. De uitslag van gisteren, die u op een andere plaats in de krant vindt, doet er allicht weinig toe. Volgende week valt de beslissing voor de club: zakken als zestiende en een collectieve depressie, vervroegd op rust als vijftiende en volgend jaar beter, of alsnog Play-off II, wie weet?

Wat er ook van zij, Emilio Ferrera won tot gisteren veel harten van veel voetbalfans, ook buiten Leuven. Fris, snel, aanvallend voetbal en wedstrijden winnen. Eindelijk weer eens goede punten voor zijn cv.

(aarzelt) “Ja, en zonder dat ik het wil. Ik was goed in Dender, ik had geen ambitie meer om in eerste klasse te trainen. Na mijn historie in Genk was ik klaar: zo wilde ik het niet meer. Ik weet het, ik heb dat al eerder gezegd. Na mijn ontslag bij Club Brugge, waar ik ook niet eerlijk ben behandeld, en toen ik in Xanthi moest vertrekken terwijl we vijfde stonden. Ik vind dat ik zelden eerlijk ben behandeld.

“Voor jou ligt ook weer dat lijstje met de clubs die ik trainde. Dat is een lang lijstje, dat klopt, maar ik ben ook al 21 jaar trainer en sinds 1999 in de eerste klasse.”

Het ontslag in Genk na één speeldag, was dat…

“…Het summum, du jamais vu in België. Ik hoor soms trainers klagen over de manier waarop ze aan de deur zijn gezet, door een telefoontje op een spelersbus bijvoorbeeld. Mij hebben ze zelfs niet gebeld. Ik wist van niks, de pers wel. Om 6.30 uur kreeg mijn vrouw een sms van een vriendin. ‘Jammer voor Emilio’, stond er. ‘Tu es licencié?’, zo maakte ze mij wakker. ‘Non’, zei ik nog. Wel dus. Daar ben je niet goed van, na één wedstrijd, en de manier waarop: zo onrespectvol.

“Op dat moment verlies je alles: je werk, maar ook je eigenwaarde en het geloof in de mensen. Ik heb mij opgesloten, weken, maanden, ik wilde niemand zien. Ik had met niemand in het voetbal nog contact. Niet dat ik zelfmoordneigingen had of zo, maar ik had nergens zin in. Enfin, ik ben wel onmiddellijk met het gezin naar Marseille vertrokken. Voor een beetje ontspanning. En ik ben natuurlijk trainingen gaan bekijken van Marco Bielsa (de mythische Argentijnse trainer, HVDW) bij Olympique. Het bleef mijn vak en de essentie is altijd hetzelfde: trainen, of hoe maak ik spelers beter? Thuis ben ik alleen naar mijn kinderen gaan kijken bij Dender, en zo ben ik daar na vier maanden in alle stilte en rust begonnen als trainer.”

De realityserie Slijk van de VRT volgde jou. Je leek je te amuseren.

“Dender was een verademing en ik kan het elke trainer aanraden. Derde klasse is geen degradatie of een vernedering als je vanuit eerste komt, het is een terugkeer naar de basis: training geven, spelers beter maken, dingen uitproberen en vooral… geen bestuur,
of sponsors of pers die je op de vingers kijken. Of een bestuurder, zoals bij Club Brugge, die zei dat ik de enige trainer was die flankspelers niet nuttig vond. Terwijl ik die wél nuttig vind, maar niet geloof in een dubbele flankbezetting, wat toch een groot verschil is.

(grinnikt) “Maar bon, ik ben het gewend om kritiek te krijgen die nergens op slaat van mensen die er niks van kennen. Dus ja, misschien ben ik gek om terug te keren naar eerste klasse. Maar dit was Leuven en dat is een oude liefde. Ik heb hier gevoetbald, bij Stade dan, ik heb hier vrienden, en dit was niet de eerste keer dat we in gesprek waren. De eerste twee keren haakten zij af – ik had zelfs al een keer mijn valiezen gepakt in Saudi-Arabië – en de derde keer kón ik niet omdat ik naar Genk ging, maar dit was het goeie moment.”

Weer in die schopstoel. Vroeg of laat bellen ze en zeggen ze: ‘Sorry, het is voorbij.’

“Karen (zijn vrouw, HVDW) was er niet voor. Ik denk dat ze wel ziet dat het goed gaat, ondanks de penibele positie waarin we ons bevinden. Natuurlijk ben ik niet op mijn gemak. Voor de club wil ik dat we in eerste klasse blijven. Voor de club, niet zozeer voor mij. Ik ben veel rustiger. Ik ben in Dender een andere trainer geworden. Daar heb ik voor het eerst mijn concept, hoe ik vind dat dit spel moet worden gespeeld, kunnen laten uitvoeren.

“Opdracht nummer één blijft natuurlijk punten pakken, maar dat is niet meer genoeg. Ik vind de weg naar het doel minstens even belangrijk als het doel zelf. Als trainer moet je dertig wedstrijden naar je eigen ploeg kijken, en dan ben ik ook toeschouwer en wil ik kunnen genieten van wat ik zie. Ik heb mij geamuseerd bij Dender en dat amuseren wil ik niet meer loslaten. Ik hoop dat ze kampioen worden, want dan kan hun jeugd ook een niveau hoger spelen.

“Ben ik contenter dan vroeger langs de lijn? Dat zou kunnen. Maar dat duurt niet lang. De wedstrijd is nog bezig en bovendien: té content zijn, is nooit goed. (lacht) Ik ben vooral content als de goals mooi zijn en als de spelers het goed uitvoeren.

“Daarom heb ik veel bewondering voor het werk van Hein Vanhaezebrouck bij Gent. Het is de enige ploeg in België die met een herkenbaar concept speelt. Top hoor, wat die heeft gerealiseerd. Nu hebben ze wat meer moeite, omdat ik de indruk heb dat hun spel trager verloopt. Elke ploeg met een vast concept krijgt vroeg of laat te maken met tegenstanders die weten wat ze moeten doen. Maar daar zal hij wel iets op vinden.”

In België moet je kiezen tussen Hein Vanhaezebrouck en Michel Preud’homme. Dan kies jij natuurlijk Preud’homme.

 

“Ah ja? Waarom zou ik voor Preud’homme kiezen?”
Vanhaezebrouck wil de bal, jij niet, Preud’homme ook niet. En je hebt met hem samengewerkt en -geleefd in Saudi-Arabië.

“Ten eerste is het fout dat ik de bal niet wil. Ik heb een hekel aan balbezit óm het balbezit. FC Barcelona oké, we weten wat die kunnen als ze de bal hebben. Maar de ploeg in Spanje met het meeste balbezit is Rayo Vallecano, met meer balbezit dan Barça, maar die doen daar niks mee. Dan hoef ik de bal niet te hebben.

“Ik heb inderdaad als T2 met Michel Preud’homme gewerkt, in Saudi-Arabië. Enfin, een echte T2 was ik niet maar ik ga niet in detail treden. Ik heb daar kunnen werken als trainer zoals ik dat wilde. Initieel was het de bedoeling dat wij de nationale ploeg zouden doen. Bleek ineens dat het toch een team zou worden en dan moesten we daar fulltime gaan wonen.

“Mijn vrouw moest zich sluieren als ze buiten kwam, maar in die compound leef je zoals hier, maar dan met goed weer. Dat leven valt best mee, zelfs voor mijn vrouw en kinderen, die dan na een tijdje bij mij zijn komen wonen. Alles is er: supermarkten, sporthal, fitness, zwembad, winkels en restaurants. Noah ging naar de British School en Luca naar het Lycée français.”

Is de band met Michel Preud’homme gebleven?

“Die is onbestaande. Na zijn vertrek hebben we elkaar nooit meer gesproken. Maar zo is Michel. Hij heeft niemand nodig. En euh, ik eigenlijk ook niet. Nu we verhuisd zijn, heeft mijn vrouw gezegd dat er wel eens wat meer mensen over de vloer mogen komen. Voor mij hoeft dat niet. Herken je dat? (lacht) Allez, dan ben ik niet de enige.”

Toen je wegging bij Genk, loofde de eeuwige T2 en clubmonument Pierre Denier je innovatieve manier van werken. Net als Gert Verheyen destijds als speler bij Club.

“Daar koop ik niks voor, maar ik zeg er meteen bij: het doet mij plezier. Over het algemeen ben ik goed gezien bij de mensen die op het veld staan, die weten wat een training is en hoe voetbal moet worden gespeeld. Minder bij de mensen die op de tribune zitten. Ik ben niet goed in het houden van verkooppraatjes en ik ga dat nu niet meer veranderen. Iedereen is zoals hij is en ik heb absoluut geen enkele spijt van hoe ik ben en wat ik heb gedaan. Maar ik wil wel benadrukken dat ik in Leuven van de tribune helemaal geen last heb. Voorzitter Jimmy Houtput is een heel charmante, intelligente man die geen ego heeft, wat niet vaak voorkomt in het voetbal.

“Misschien klopt mijn timing voor het eerst. Ik was nooit de juiste man op het juiste moment bij de juiste ploeg. Ik ben ook altijd aangeprezen door technici en niet door het bestuur. Dat was al zo bij Club, waar ik bij Michel D’Hooghe op bezoek ging en die zei: ‘Ik ken u niet, maar ik heb vertrouwen in de keuze van Marc Degryse.’ Idem bij Genk.”

Jij bent niet de dokter die overtuigend binnenkomt bij de patiënt en zegt: ‘Ik ga je genezen.’ De gezonde twijfel is bij jou te zichtbaar.

“Ja maar, ze genezen uiteindelijk wel met mij.”

Wat is de methode-Ferrera om zo’n ploeg er bovenop te helpen?

“Ze zaten met de handen in het haar, in Leuven. We komen niet in de zestien, hoe lossen we dat op? Ja, als je niet in de zestien komt, dan kun je moeilijk scoren, natuurlijk. De basis van mijn aanpak is: zo snel mogelijk duidelijkheid, overal en voor iedereen. Ik ben gekomen en heb gezegd: dat is mijn manier van spelen, dat is de veldbezetting en per positie zijn er een aantal regels. Dat zijn de regels.

“Spelers moeten vandaag verschillende systemen aankunnen. Er zijn in het topvoetbal alleen nog maar snelle spelers en ze kunnen allemaal goed genoeg voetballen. Op dat vlak is onze competitie er fel op vooruit gegaan. Een staartploeg leunt dichter dan ooit aan bij de subtop, dat zag je onder meer toen wij tegen Oostende speelden. Stap twee is moeilijker want dan moet je per positie twee man in de kern vinden die de specifieke vereisten van die positie kunnen invullen. Mijn meest opvallende ingreep in Leuven was Yohan Croizet van de vleugel – soms stond die zelfs back – naar de aanval halen.”

Vorige week met dat vermeende gokschandaal, dacht je dan aan een Leuvense gokchinees?

“Maar neen, we gaan toch geen jongens die zich te pletter lopen voor hun club en een gokje wagen op de beloften over dezelfde kam scheren als spelers die wedstrijden hebben verkocht, hoop ik?”

Je zat ooit bij Club Brugge, en dat vond je toen een hele erkenning. Wil je terug naar die top?

“Neen, het plezier gaat voor op het contract. En ik doe geen concessies meer.”

Dat krijg je als je in Saudi-Arabië goed hebt verdiend.

“Dat heeft niks te maken met financieel onafhankelijk zijn, maar het geeft een bepaald comfort, dat geef ik toe. Ik wil werken en ik wil mij amuseren. Ik moét werken, want als ik niet werk, ben ik dood. Ik wil ook niet meer zo nodig bewijzen dat ik er wel ben geraakt, ondanks alles. Bij Club had ik dat nog. Zo van, kijk mij hier, jongste zoontje van Spaanse migranten uit Schaarbeek, ik train toch maar mooi Club Brugge.”

We zitten hier met uitzicht op het Josaphatpark, waar het voetbal door de Ferrera’s is uitgevonden. Brengt dat herinneringen terug?

“Ja natuurlijk. Het was de mooiste periode in mijn leven: school en voetbal, meer was er niet, ook niet minder. Wij hadden het niet breed, maar mijn ouders zorgden ervoor dat we niks te kort kwamen. We woonden iets verderop bij het station van Schaarbeek, maar hier in dat park hebben we allemaal gevoetbald. Mijn twee broers Cisco en Manu later in het eerste bij Crossing Schaarbeek en Cisco zelfs in eerste nationale. Ik ben negen en twaalf jaar jonger dan Manu en Cisco en ik ging samen met mijn papa kijken naar Crossing.”

 

Cisco is de vader van Yannick, trainer van Standard, met wie jij niet meer praat. Op bezoek bij jou in Athene in 2009, ontmoette ik Yannick die vol bewondering was voor zijn oom-trainer.

“Toen wel ja. Dat hoor ik nu niet meer. Ik heb gelezen dat hij alleen maar Michel Preud’homme bewondert. En zijn vader heeft ook rare dingen gezegd toen Yannick als trainer in eerste klasse begon. De mensen vragen soms: wat is er gebeurd? Er is niks gebeurd. We zijn te verschillend en we hebben andere waarden. Normaal is dat geen probleem, maar wij zitten toevallig in hetzelfde milieu.”

Het leven is te kort om ruzie te maken, Emilio.

“Ik weet het. Maar we hebben ook niet echt ruzie.”

Column over gokkende/neukende voetballers in De Morgen van 5 maart 2016

Kattenkwaad

Alles was veranderd toen ik uit Nederland terugkeerde. De journalisten waren ouder, grijzer, dikker en – ik achtte het niet voor mogelijk – zeurden nóg meer. De nieuwe lichting journalisten was erg jong en zat de hele wedstrijd door op de laptop te tokkelen. Dat werkte mij danig op de zenuwen en bij een middagwedstrijd op Club Brugge, waar journalisten sinds de laatste verbouwing als ingelegde ansjovisjes op elkaar zitten, zei ik er toch iets van: “Kijk jij nooit naar wat er op het veld gebeurt dan?”

“Oui, oui,” zei de journalist, want het was een Franstalige, “mais je parie.” Je Paris zei mij niks en op een voetbalveld met joelende Club-supporters die dat jaar de titel zouden vieren – het is dus een eeuwigheid geleden – begreep ik er nog minder van. Na enkele pogingen draaide hij zijn scherm en zag ik een site die ik nog nooit eerder had gezien. Er verschenen allemaal wedstrijden op en veel getalletjes. Een hele wereld ging voor mij open in de rust.

Hij had via een eigen modemverbinding tot dan al 50 euro ingezet op wedstrijden in Engeland, Nederland en eentje in België. Na de persconferentie van Trond Sollied – dat waren nog eens tijden – meldde de jonge collega trots dat hij meer had verdiend met het gokken dan met de randstukjes die hij als stagiair die avond zou doorsturen. Later ging hij in vaste dienst, en telkens ik hem zag, zat hij op zijn smartphone en nog later op zijn tablet te tokkelen. “Je parie toujours,” lachte hij, “et je gagne souvent.”

Moraal van het verhaal: de media die nu grote lappen volschrijven of minuten vollullen met al of niet verdacht gokgedrag van voetballers zouden beter eens in eigen boezem kijken. Misschien is een journalist die gokt niet in staat om zoals een speler een wedstrijd te beïnvloeden, maar dat kan worden betwijfeld als je weet dat er journalisten zijn die spelers aan contracten en bevriende trainers aan een nieuwe club helpen.

Rewind naar zes jaar eerder. Ik loop met een Nederlandse voetballer rond in een grote stad en ik vraag hem waarom hij zopas een voetbal heeft gestolen. Om op straat wat kunstjes uit te halen, zegt hij. De voetballer had de hele winkel kunnen kopen, zo goed verdiende hij, maar hij verkoos te stelen, een plastic bal dan nog, wat niet simpel is. “Waarom? Voor de kick.” En toen volgde een blik in de wondere wereld van de topvoetballers. “Er zijn verschillende manieren om te kicken als voetballer. Spelen en scoren, maar dat kan maar één keer per week en ik ben nu geblesseerd. Je suf neuken (ik citeer letterlijk, HVDW) en dat doe ik ook (lachje), maar voor je het weet staan ze aan je deur en de vrouwen die niet aan je deur staan, hebben beestjes of zijn erg duur. Gokken kan ook, maar daar begin ik niet aan, want dat kan niet anoniem. En af en toe kattenkwaad uithalen, zoals dit met die bal.”

In 1998 kon gokken nog niet anoniem. Wifi was voor een jaar later, internet was nog met inbellen; gokken betekende dus naar een gokkantoor gaan of telefoneren. Vandaag kan gokken wel anoniem. Je suf neuken als voetballer niet meer. Gaan stappen ook niet meer. De schrik voor de selfies zit er goed in. Dus maar gokken zeker, om het leven spannend te houden? En af en toe te snel rijden.

Voetballers zijn thrill seekers, zoekers van opwinding, met een bovengemiddelde spanningsbehoefte. Zoeken ze spanning omdat ze voetballen, of voetballen ze omdat ze spanning willen? Dat is nog de vraag. Zou er geen genetische component aan zitten? De dopaminereceptor D4 is aanwezig bij mensen die opwinding zoeken, gokverslaafd geraken, veel sekspartners hebben en kattenkwaad uithalen of een combinatie van dat alles.

Conclusie van deze column: de combinatie voetballer- gokker is misschien aangeboren. Onderzoek dringt zich dus op en ondertussen moet het gokken bij profvoetballers te vuur en te zwaard worden bestreden. Laten we beginnen met een verbod op sponsoring en reclame door goksites, dan kan Geert De Vlieger ook weer normaal doen, in plaats van zich te hoereren voor Tipico.

Column over wielrennen in de shit in De Morgen van zat 27 feb 2016

Bokrijk

 

De geesten zijn om. Dat mag je toch zeggen, nu ook een organiserende krant die zichzelf verkoopt onder de tagline ‘De koers is van ons’ tot het besef is gekomen dat wielrennen nog alleen in Vlaanderen goed verkoopt en dan vooral aan vijftigplussers. Dat wisten ze ongetwijfeld al, maar dat ze nu niet te beroerd zijn om daar ook een stuk over te schrijven, is niettemin opvallend.

Overigens is met vijftigplussers he-le-maal niets mis, wel integendeel, want die zijn juist het fanatiekst met de fietshobby en hebben ook het meeste geld te besteden. Anderzijds wordt het wel een probleem als alleen nog vijftigplussers kijken naar de koers, want die kijken niet omdat ze vijftig jaar oud zijn geworden en ineens de behoefte hebben om drie of vier uur lang bewegende baasjes te zien in de hoop dat die aan sporten toe komen. Neen, die kijken omdat ze dat van in hun jeugd hebben meegekregen. Als zij niet worden vervangen door jongeren die geleidelijk ouder worden met wielerpassie, hou je over twintig jaar alleen nog een grote groep (hoog)bejaarden en een handjevol jonge aficionado’s over. Van een regionale passie zoals vandaag zal geen sprake meer zijn en wielrennen wordt dan een beetje krulbollen, ook een sport ‘van ons’.

De geleerden die een paar weken geleden in deze krant al de noodklok luidden in het artikel ‘Een sport voor oude mannen’ hebben van de week in de Leuvense Economische Standpunten een doorwrocht stuk gepubliceerd getiteld ‘Een economische blauwdruk
voor het wielrennen’. Eigenlijk zeggen ze hetzelfde als in hun verhaal van 16 januari in deze krant, maar academischer en dus een beetje wolliger, ook minder hard. Wat ze ook doen, en daar hadden wij geen plaats voor: ze brengen bouwstenen aan voor een op alle vlakken beter beheerd wielerlandschap.

Heren professoren, hoe lovenswaardig uw visie ook, sta mij toe te twijfelen aan de effectiviteit van externe sectorversterking (management en medisch), vrouwenwielrennen, minder renners per team en innovatieve wedstrijdformules. De allereerste regel van de bullets op de cover van hun zevenduizend woorden lange epistel, vrij ter beschikking en een must voor iedereen die met koers is begaan, is ronduit vernietigend: de afwezigheid van een economische hefboom naast sponsoring, de zwakke economische regulering, de (weg)zappende sportconsument en de dichtslibbende openbare weg bedreigen het huidige wielerbusinessmodel. Nog meer deprimerende taal in de bullets: opgeblazen budgetten en salarissen door mecenassen, overdreven kijkcijfers, managementdeficit…

Elke andere sport is na zo’n analyse verschrompeld tot het artisanale niveau van de volksspelen, maar wielrennen zit te veel in de genen. De harde realiteit blijft wel dat het huidige wegwielrennen geen levensvatbaar businessmodel heeft. Het hele Pro Tour-peloton moet het stellen met één derde van de jaaromzet van Real Madrid. De volledige tv-rechten van het mondiale wielrennen bedragen evenveel als wat de laatste krijgt in de Premier League.

Als wegwielrennen zich niet dringend moderniseert, is het samen met de kasseien die wij zo graag berijden rijp voor Bokrijk. Natuurlijk zullen sympathieke anachronismen als het Vlaams openingsweekend, de Ronde van Vlaanderen en godbetert Parijs-Roubaix
nooit verdwijnen en gelukkig maar. Zolang ze evenwel de core van de business zijn en niet het randgebeuren, zullen we alleen in Vlaanderen (en in de zomer in Frankrijk) een beetje geld verdienen met de koers.

Om in het economische jargon te blijven: is een turnaround van de sector wegwielrennen mogelijk? Volgens de economen Wim Lagae en Daam Van Reeth, die net als ondergetekende een groot hart voor de koers hebben, is het vijf over twaalf. Hoe is het zover kunnen komen en waarom heeft niemand ingegrepen? Ik denk dat ik het weet. Ik heb vergaderingen meegemaakt met de hervormers en met de grote wielerploegen, ik was lid van een commissie van de UCI over het nieuwe wielrennen met daarin alle grote actoren vertegenwoordigd en ik heb drie jaar de werking van de Belgische wielerbonden van binnenuit meegemaakt. Managementdeficit? Dat is een understatement van formaat. Ik heb in al die organen, cenakels, commissies en coulissen slimme mensen, eerlijke mensen en zieners ontmoet, maar ook domme mensen, corrupte mensen en blinden. Dom, corrupt, blind – meestal een combinatie van dat alles – maakte de dienst uit.

U kijkt toch ook vanmiddag en morgenmiddag?

Interview Belgisch kampioen Preben Van Hecke in De Morgen van zat 27 feb 2016

‘Mijn wielerbestaan?

Een gratis fietsvakantie’

Achteraf was het geluk bij een ongeluk dat hij negen jaar geleden bij Topsport Vlaanderen belandde. Maar het Belgisch kampioenschap dat hij vorig jaar won, had dan weer niks met geluk vandoen. “Ik was de sterkste en vooral de slimste. Mij moeten ze geen koers meer leren lezen.”

Hij komt terug van Oman, bruingebrand op de plaatsen waar geen lycra, bril of helm zat en beaamt dat het verdomd fris en nat is in het thuisland. Zijn fiets in de nationale driekleur draagt achterop een spatbord voor een mountainbike waarmee de modale toertocht-toerist als een sissy wordt weggezet. “Je bent pas gek zonder. Drie maanden op natte wegen trainen, weet je wat dat doet met het gat van een coureur? En toch is er niets mooiers dan de Omloop winnen in guur weer. Dat blijft de mensen bij.”

Preben Van Hecke heeft ontzettend veel zin in het Belgisch openingsweekend. Als het weer wat meezit en dag één is geen calvarietocht, dan staat hij morgen ook in Kuurne aan de start. Dit zijn de maanden waarin hij zijn driekleur in de grootste wedstrijden hier te lande zal kunnen tonen. “De ploeg heeft me een mooi, vooral Belgisch programma gegeven tot en met Luik-Bastenaken-Luik, voor mij de mooiste wedstrijd van allemaal, met alle betere renners aan de start.”

Wat heb je aan die trui als je ermee in Frankrijk gaat rijden, redeneert hij. Hij rekent op meer aanmoedigingen dan ooit, zoals op de trainingstochten met zijn vriend en collega Greg Van Avermaet. “Hé Greg, hé kampioen”, roepen de mensen. “Dat is lachen.”

Voorgevoel

Rewind naar vorig jaar. Wonende in een aanpalend dorp sta ik op 23 juni naar een veredelde kermiskoers te kijken, Ruddervoorde Koerse, samen met echte kenners, onder wie een soigneur van een topteam, tevens een talentzoeker. Als het groepje van vijftien ontsnapte renners met een moordvaart passeert, zeggen de kenners: “Hmm. Het zou weleens voor Preben kunnen zijn, zoals die op zijn fiets zit.” Even later rijden er drie weg, onder wie Preben Van Hecke. Nog iets later wint Preben Van Hecke. “Dju”, vloeken de kenners. “We hadden Preben moeten spelen (bij de bookmakers).”

Ruddervoorde Koerse was nog maar eens een triomf voor Topsport Vlaanderen, op dat moment kwalitatief het beste Belgische team van de voorbije twaalf maanden met klassieke overwinningen van Jelle Wallays in Parijs-Tours en de eerste twee plaatsen van alweer Wallays en Edward Theuns in de semiklassieker Dwars door Vlaanderen. En toen, vijf dagen na Ruddervoorde, kwam het Belgisch kampioenschap.

Preben Van Hecke: “Ik was in vorm. Ik rijd altijd goed in mei en juni. Het was warm, ook in mijn voordeel, en ik was mee in de groep van 25 met veel goede renners en met Thomas De Gendt die voor Jürgen Roelandts ongelooflijk werkt verrichte. Van 25 ging het naar tien, toen naar drie, vervolgens naar twee. Jürgen Roelandts was er zeker van dat hij mij zou kloppen, maar ik was de beste die dag.

“Ik had een soort voorgevoel. Bij de bespreking in het hotel in Brussel zaten Oliver Naesen en ik aan de verste kant van een lange tafel waaraan we de briefing kregen over de wedstrijd. We konden niet alles goed verstaan. Niet erg, zei ik tegen Oliver, ik win toch. En Robert D’hont, onze soigneur, vroeg ik voor de koers mijn sportschoenen klaar te houden. Voor het podium, zei ik. Hij keek vreemd op, maar ik wist dat ik er niet ver af zou zijn. Toen QuickStep in de verdrukking kwam, de Lotto’s het voortouw namen en iedereen dacht dat wij de kaart Theuns trokken, terwijl die mij had gezegd dat het zijn dag niet was, toen wist ik dat ik een kans had.”

Moeilijke jongen

De ploegkapitein van een opleidingsploeg die alle zelfverklaarde grote Belgische renners het nakijken geeft, het was het zoveelste teken aan de wand dat het Belgische topwielrennen slabakt. Preben Van Hecke protesteert. “Jürgen Roelandts was niet zwak, hij was sterk. Greg Van Avermaet ook, maar hij kwam te laat. En de Lotto-tactiek klopte voor 99 procent. (lachje) Die van ons voor 100 procent. Ik weet inmiddels hoe er moet worden gekoerst, en oké, het was een zware wedstrijd van 250 kilometer, maar ik rij al twintig jaar met de fiets sinds ik begon bij de nieuwelingen. Ik weet hoe ik de koers moet lezen.

“Dat ik nu het ongelijk bewijs van Lotto, dat me in 2007 geen contract meer gaf? Een beetje wel. Ik heb het eigenlijk nooit goed begrepen. Ik had een goed 2005 en een goed 2007 gereden. Ik kon toen wat ik nu kan: heel hard en lang op kop rijden. En ik had toen ook al koersinzicht. Later heb ik begrepen dat ik de reputatie had een moeilijke te zijn. Een jonge ploegmaat kwam naar me toe en zei dat het best meeviel met mij, ook al was ik een moeilijke mens. Ik viel uit de lucht. Neen, ik heb nooit gevraagd waarom ik weg moest. Van enige rancune na die overwinning in Tervuren op het BK was echt geen sprake. Toch niet na negen jaar?”

Preben Van Hecke had goede leermeesters zoals Tom Steels en Bert Roesems, twee intelligente renners. Hij stak veel op van hen en is nu zelf wegkapitein, de coach op de fiets midden in het peloton. De spelmaker die niet noodzakelijk zelf moet scoren, maar die iedereen in het gareel moet doen rijden en ervoor moet zorgen dat de ploegtactiek wordt uitgevoerd.

“Ik praat veel voor de wedstrijd over wat er zal gebeuren en waar. Soms ben ik mis, maar meestal ben ik juist. De Omloop Het Nieuwsblad, hoe die zal verlopen? Dat is een simpele: bij het buitenrijden van Gent zal twintig, dertig kilometer hard worden gekoerst. Er zal een groepje van vijf, zes man wegrijden en tegen de Kruisstraat begint de koers en moet je vooraan zitten. (aarzelt) Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Net als op de Taaienberg. Ook daar: vooraan, als het kan. Ik kan daar niets betekenen, er zijn er te veel die dat beter kunnen dan ik. Het wordt voor mij dus de vroege vlucht, in de hoop het zo lang mogelijk uit te zingen.”

Peloton wint altijd

Het vak ‘dynamiek van de ontsnapping’, open vragen of multiple choice: Preben Van Hecke haalt grootste onderscheiding. Dat een goede ontsnapping niet te groot en te klein is, kan iedereen wel verzinnen, en dat de samenstelling moet kloppen ook. Maar dan: hoe vaak kom je op kop?

“Ik rij altijd, behalve dan die laatste anderhalve kilometer van het BK, maar dat was de koerstactiek van het moment. In een ontsnapping draai ik vol mee. Sportdirecteurs die dat zien vanuit de auto zeggen dan ‘doe eens wat minder’, maar zo werkt het niet. Als je in een groep van tien de enige bent die ‘sleept’, nemen ze je niet zomaar mee. En als je zegt dat je net kunt aanklampen, geven ze een snok om te kijken of je geen toneel speelt, en dan ben je er ook af.”

Maar dan: tactiek voor gevorderden. Soms loont het om een ‘sleper’ toch mee te nemen, vooral als hij van een grote ploeg is. “Het hangt allemaal af van de wedstrijdsituatie. Op het BK hadden we dat ook voor met drie QuickSteppers in onze groep. Het kwam erop aan die zo lang mogelijk mee te nemen om die ploeg op afstand te houden. Ik heb in Kuurne-Brussel-Kuurne eens de fout gemaakt om Rosseler van QuickStep eraf te rijden. Iets later kregen we de hele ploeg op ons dak.”

Vroege ontsnappingen zijn vaak zelfmoordmissies. Heel af en toe overleeft er eentje. Ook daar bestaat een recept voor, en dat begin bij lef. “Het peloton laat nooit betijen. Als ze besluiten ons op drie minuten te houden, dan moeten wij – de ontsnapten – het lef hebben om trager te gaan rijden. Je kunt geen ontsnapping volhouden waarin je twee uur tegen vijftig per uur rijdt. Maar als je trager rijdt, minder dan veertig bijvoorbeeld, zal dat peloton ook vertragen. Waarom? Er is een groep weg, niemand heeft baat bij een hergroepering op honderd kilometer van de finish waarna er weer als zot wordt gekoerst. Af en toe gebeurt het dat de ontsnappers voorop blijven, maar dan heeft het peloton zich altijd misrekend. Normaal gezien wint het peloton het altijd van de vlucht.”

Op de klassieke vraag of er een hiërarchie is in het peloton en hoe zijn ploeg van jonge jongens daarmee omgaat, heeft hij een genuanceerd antwoord. “Ik heb de indruk dat het nu lijkt alsof ze de air hebben: ‘Ik laat mij niet doen, nooit.’ Terwijl je juist moet weten wanneer je je plaats moet opeisen tegen de groten. Ik geef een voorbeeld: als Vincenzo Nibali zich in Oman na tien kilometer, als we nog koffie aan het drinken zijn in het peloton, door een klein gaatje probeert te wurmen, laat hem dan. Gebeurt dat vandaag met een grote naam op pakweg de Taaienberg, zet dan je elleboog wel, doe de deur dicht en zorg ervoor dat het gootje voor jou is. Zorg er vooral voor dat ze je geen vervelende collega vinden, want dan rij je niet weg.”

Een mooi leven

Dit is het weekend waarin Topsport Vlaanderen zich zal moeten tonen. De winter zijn ze goed doorgekomen. Die was zacht en niet te nat tot na Nieuwjaar. Daarna volgde net als bij de grote ploegen een stage in Zuid-Spanje en mochten ze mee naar Qatar en Oman.

“De Omloop en Kuurne zijn de wedstrijden waarin wij kunnen meedoen, omdat we dezelfde voorbereiding hebben gehad als die andere ploegen. Daarna gaan de Pro Tour-ploegen naar de Tirreno, Parijs-Nice en vervolgens Milaan-San Remo. Als ze daarna terugkomen naar Vlaanderen, merken wij dat het ineens een stuk sneller gaat. Jammer dat wij niet een van die wedstrijden kunnen rijden.”

Een ‘normale’ Belgisch kampioen van 2015 uit het tewerkstellingsproject Topsport Vlaanderen had die kunnen rijden, want die had in 2016 bij een andere, grotere ploeg gereden. Preben Van Hecke is niet normaal: hij is al 33. Toch kwam de Franse ploeg Fortuneo aankloppen en, toegegeven, hij heeft even getwijfeld. “De Tour rijden in een kampioenentrui zou mooi zijn, maar de Tour valt na het BK en de kans dat ik opnieuw win is nogal klein. Wellicht nemen ze dan toch een Fransman mee. Inderdaad, als ze al mogen gaan. Ik heb niet lang getwijfeld.”

Vrienden onder elkaar

De aanbiedingen hebben vooral zijn ego gestreeld, maar hij was zo slim om ook te gaan praten met Christophe Sercu, zijn ploegmanager. “Wij verdienen niet veel (de basissalarissen worden betaald door de Vlaamse overheid, HV), maar ik heb mijn Belgische titel toch kunnen verzilveren in de criteriums. Ik mag niet klagen. Ik heb nu weer werkzekerheid tot eind 2017. Het is niet met zoveel woorden gezegd, maar ik hoop dan door te kunnen schuiven als Walter Planckaert stopt en Hans De Clercq zijn job overneemt.

“Bovenal voel ik me goed bij die gasten. Wij zijn een vriendengroep. Wielrennen is een zware sport en het kan tegenslaan, maar euh… dit is niet echt werken. Zeg nu zelf. Ons seizoen begint in november en dan bellen we elkaar op. ‘Ik ga trainen, rij je mee?’ En we
gaan fietsen, op de weg, op de wielerbaan of op de mountainbike. Later gaan we op stage met de ploeg, weer fietsen met vrienden. Vervolgens gaan we nog eens op stage naar Zuid-Spanje. En ik heb wedstrijden gereden in Qatar en Oman, waar we als koningen werden ontvangen. Mensen betalen geld om met vrienden te mogen fietsen, wij krijgen geld. Ik zie dat de jonge gasten in onze ploeg dat niet beseffen. Ik was ook zo, maar nu ben ik 33 en weet ik: ik heb een mooi leven.”