Column Code Rood in De Morgen van maandag 22 feb 2021

Code rood

Bijna een jaar geleden zat ik in De afspraak naast professor-expert infectiologe Erika Vlieghe, samen met Steven Van Gucht de meest vertrouwenwekkende en minst mediageile van alle echte en zogeheten experten, maar dat is dan ook een geheel persoonlijke mening. Ik zat daar in verband met het al of niet doorgaan van de Olympische Spelen in Tokio en ik had toen nog het gevoel dat het allemaal wel in orde zou komen tegen de zomer. Niet dus en ik ben inmiddels geleerd: nu kan ik alleen hopen dat het tegen volgende zomer goed komt en dat ik in het spoor van de olympische atleten in Tokio mag landen, gevaccineerd en wel.

Toen ik daar bij De afspraak zat, waren Frankrijk, Italië en Spanje al helemaal op slot en mocht de gemiddelde burger van die landen zich nog hooguit een kilometer buiten zijn huis begeven en in sommige landen zelfs alleen om inkopen te doen. Ik zei – het was niet mijn onderwerp, maar ze hebben in die actuaprogramma’s graag wat kruisbestuiving – dat ik mij aan alle regels zou houden, maar nooit de beperking van één kilometer zou aanvaarden.

Ik gaf het voorbeeld van waar ik woonde – in een bosgebied met single tracks waar ik geen mens tegenkom – en dat ik zou blijven mountainbiken waar en hoe ik dat wilde. Mevrouw Vlieghe schuifelde wat heen en weer op haar stoel en jawel, ik heb mij achteraf geëxcuseerd voor die ongemakkelijke confrontatie. Ze zei nadien wel dat het nooit zover zou komen in België, maar dat ze zoiets moeilijk kon verklaren in een studio.

Onmiddellijk liepen bij de krant verontwaardigde reacties binnen en belandde ik heel even in de wasmachine van de sociale media. Het was nog niet voorbij. Pieter De Crem, toen nog minister, vond in al zijn onmetelijke wijsheid dat ritjes met de fiets van meer dan vijftig kilometer niet langer verantwoord waren. Ik tweette daarop dat hij gelijk had want dat een beetje wielertoerist eind maart toch al aan honderd kilometer moest zitten. Wéér verontwaardiging: van een wielerterrorist viel geen burgerzin te verwachten.

Toch wel, maar niet als het burgeronzin is. U herinnert zich vast nog wel dat het bijna daags na de lockdown van 16 maart ineens zomer werd, ja toch? Welnu, kort daarna – de kilometer-van-huis-beperking was er niet gekomen maar de grenzen waren wel dicht – ben ik in een vlaag van burgerlijke ongehoorzaamheid de grens overgestoken nabij Sint-Laureins en in een bocht naar Cadzand-Bad gereden. Een honderdje, waarvoor ik op de heenweg over een grote berg zand moest klauteren en op de terugweg tussen Sluis en Damme heksentoeren moest uithalen om mij langs een metershoog hek te wurmen nadat ik eerst mijn fiets aan de andere kant in het gras had gegooid. Slecht voor de derailleur en voor de schoenplaatjes, maar het voelde als een overwinning.

Ik vraag mij nu al een een paar maanden af hoe we over enkele jaren op deze periode zullen terugkijken. Ik hoop alvast dat een aantal heel gemotiveerde studenten en hun professoren nu al bezig zijn de rol van de media in het versterken van het angstgevoel bij burgers en politici te fileren. Nooit is meer pseudo-wetenschap en slechtere statistiek opgeschreven en/of verteld dan het voorbije jaar. Ik hoop ook dat een aantal gerenommeerde onderzoeksinstituten na deze ellendige periode met duidelijke richtlijnen zullen komen over hoe we in de toekomst moeten omgaan met een onbekend virus dat velen besmet maar alleen de zwaksten doodt.

Voor alle duidelijkheid, ik houd mij aan de mondmaskerplicht, net als aan de afstandsplicht, alleen met het bezoek van mijn twee kinderen en twee kleinkinderen neem ik het niet zo nauw, maar knuffelen is er niet bij. Ik vreet wel een hele krant op als straks die studies, rapporten en aanbevelingen niét met de conclusie komen dat we met heel wat maatregelen zijn doorgeschoten en met andere oekazes de bal compleet hebben misgeslagen.

Neem nu het verbieden van sport en dan heb ik het niet over profsport met of zonder publiek maar over recreatieve sport en recreatief bewegen. Gelukkig zijn de zwembaden nu alweer een tijdje open, maar het is toch niet te geloven dat die ooit zijn dicht gegaan. Sporten houdt je fit, houdt je gezond. Zelfs voor binnensport overstijgen de voordelen de nadelen en daarom is dat verbod op competitieve buitensport niet te vatten. Wat is nu gevaarlijker? 22, 10 of 12 jongens, meisjes, mannen, vrouwen in korte broek

die samen sporten of een duizendvoud daarvan dat uit arren moede bij de eerste opstoot van de zon naar een kustdijk trekt? De burgemeesters van Oostende en Blankenberge maakten zich druk over code geel of oranje. Dat komt ervan als je de sport in code rood zet.

Column de Dynastie FCB in De Morgen van zaterdag 20 feb 2021

De dynastie FCB

Ze hebben woensdag in Oekraïne geprobeerd Club Brugge uit de comfortzone te halen door een bijkomende coronatest op te leggen. Club had daar geen zin in, maar gaf toe: bleek dat Mats Rits het ook vlaggen had en hij mocht/moest in een privévliegtuig, gezeten in een opblaasbaar condoom, naar huis. Elke andere Belgische club was na die nieuwe tegenslag een vogel voor de kat geweest. Niet Club. Met deze nooit geziene hoogconjunctuur is de kans levensgroot dat het grote blauw-zwarte verhalenboek wordt herschreven: de trip naar Kiev zal een apart hoofdstuk omvatten.

De coronaseizoenen 2019-’20 en 2020-’21 hebben de mannen van de jongetjes gescheiden. Bij Club hebben ze na het afserveren van de prima donna’s alleen nog mannen lopen en die willen nu maar één ding: wraak en doorgaan in Europa. Wie weet met Hans Vanaken en Noa Lang terug, en misschien mirakelgewijs alweer met Mats Rits in de plaats van Eder Balanta, die de enige dekkingsfout van de avond voor zijn rekening nam. Maar ook zonder moeten de Oekraïners donderdag voor de bijl.

Ook dat was het theater van Kiev, hoe de Dinamo-jongetjes van het veld stapten, hoe ze hun doelman voor het oog van de camera’s schoffeerden omdat hij bij de kopbal van Brandon Mechele in niemandsland stond. En dan de Club-mannen die na een tactisch stevige prestatie – hoog verdedigen, risicoloos aanvallen, weinig weggeven – met een grote glimlach de deur van de diepvriezer van Kiev achter zich toetrokken.

Club is hét Belgisch voetbalinstituut (dat Anderlecht ooit was en al een tijdje niet meer is). Het team dat referentiewedstrijd na referentiewedstrijd opstapelt en zo aan referentieseizoenen bouwt en uiteindelijk zal uitkomen bij een dynastie. Het was al de meeste bewonderde en tegelijk de meest gehate club van het land, maar een deel van die bewondering komt nu ook van hun tegenstanders.

In tegenstelling tot de andere ‘grote’ clubs in België hebben ze de juiste dingen goed gedaan. Ze hebben het daar goed voor mekaar, in Westkapelle. Dat succes is geen toeval meer, maar het gevolg van een cultuur. In de schaarse bezoeken aan het Belfius Basecamp viel op dat alles topsport ademde.

Natuurlijk is veel terug te leiden tot financiën, maar niet alles. Vorige week bracht Het Nieuwsblad een statistiekje van het aantal geblesseerde spelers per club en het aantal gespeelde wedstrijden. Gent heeft 38 wedstrijden gespeeld en zit aan 9 (vaak zelfs langdurig) geblesseerden, Anderlecht en Genk speelden 10 wedstrijden minder dan Gent en hebben 1 geblesseerde. De conclusie zou dan kunnen zijn: overbelasting door een overladen kalender. Alleen heeft Club inmiddels ook 37 wedstrijden achter de kiezen en nul (0!) geblesseerden.

Er zullen wel verschillen in aanpak zijn, maar laten we er toch van uitgaan dat de medische staf van Gent zijn voet mag zetten
naast die van Club. En Club zal iets meer geluk hebben gehad dan Gent, maar er zijn nog factoren die bepalend zijn voor het aantal geblesseerden. De rekrutering en testing bijvoorbeeld: is het een speler die de fysieke parameters haalt om het voetbal te spelen dat wij willen spelen?

Vervolgens is er de training. Gent heeft dit seizoen vier trainers gehad en alle vier hadden ze een ander systeem. Het begon met Thorup-voetbal gebaseerd op vrijheid-blijheid en de filosofie ‘laat aanvallend talent renderen, de rest zien we wel’. Dat vertaalde zich voor sommige spelers in minder intensief trainen en die betalen daar nu het gelag voor.

Finaal is Gent weer bij Hein Vanhaezebrouck uitgekomen, zowat de antipode van Jess Thorup. Hein verlangt hoge druk in combinatie met aanvallen over de vleugels en ziet (terecht) voetbal als loopsport. Die omschakeling zonder de juiste fysieke onderbouw, dat kan figuurlijk en letterlijk pijn doen. Bij Club spelen ze al sinds Michel Preud’homme hetzelfde voetbal, al werd Ivan Leko steeds meer een stoorzender. Hij verdween dan ook.

Vervolgens is er de monumentenzorg. Bij Club zweren ze bij blessurepreventie en medische parameters om een speler al of niet op te stellen. Ook bij de andere clubs kennen ze dat concept, maar bij blessurepreventie komt het erop aan de spelers te overtuigen. Bij Club is dat gelukt en kwamen ze beter uit de coronaperiode. Bij Gent was het andersom. Jonathan David liet vorig week in L’Equipe optekenen dat zijn zwakke start bij Lille het gevolg was van vijf coronakilo’s te veel.

Medisch coördinator David Bombeke van Club Brugge zei ooit in deze krant: “Als het zoals in de herfst van 2019 lukt om de spelersgroep door een drukke periode te loodsen en toch te blijven presteren, ben je daar trots op.” Hij mag weer trots zijn. Dat kunstje hebben ze deze nóg drukkere herfst herhaald. Dat is geen toeval meer.

Verhaal over Red Bull in sport/voetbal in De Morgen van zaterdag 13 feb 2021

Voetbal geeft je vleugels

Snuivend als een stier breidt Red Bull zijn sportimperium uit. Hét uithangbord van het bedrijf is het in Duitsland gehate RB Leipzig, dat dinsdag in de Champions League tegen Liverpool speelt. Wat is hun geheime formule?

Niemand weet waar de voetbalplannen van Red Bull eindigen, maar alvast niet bij een eventuele nederlaag in de aanstaande dubbele confrontatie van RB Leipzig met Liverpool. Het begin van die plannen kennen we wél en dat is in een lobby van een vliegveld in het Verre Oosten waar een Oostenrijkse marketingdirecteur van tandpasta en shampoo last heeft van een jetlag.

Dietrich Mateschitz maakt zo kennis met het Thaise energiedrankje Krating Daeng, wat rode waterbuffel betekent. Hij is zo onder de indruk van wat het met hem doet – vleugels geven? – dat hij zijn persoonlijk vermogen in een joint venture met de Thaise eigenaar Chaleo Yoovidhya investeert. Europa móét kennis maken met Krating Daeng, vertaald Red Bull. Vervolgens gaat het snel, een beetje zoals alle sport bij Red Bull, niet het minst hun voetbal: agressief, veroverend, scorend.

In 1987 wordt Red Bull voor het eerst in Oostenrijk geproduceerd. Buurland Hongarije en het Verenigd Koninkrijk volgen kort daarna en in 1994 wordt Duitsland als markt veroverd. In 1997, tien jaar na de lancering, gaat Red Bull naar de Verenigde Staten. Dat land is eind vorige eeuw vooral in de ban van dorstlessers en sportdranken als Gatorade en heeft nog nooit van het concept energydrink gehoord. Met een jaarlijkse groei van 25 procent is Red Bull bij het begin van deze eeuw het hotste drankje van de planeet. Het laatst bekende cijfer is dat van 2019: wereldwijd werden 7,5 miljard blikjes voor een omzet van 6,1 miljard euro geproduceerd.

Energiebommetje

De samenstelling van het drankje was letterlijk en figuurlijk gefundenes Fressen voor sport. Een blikje Red Bull van 250 milliliter bevat – behalve water – 27,5 gram suiker, 1.000 milligram taurine, 200 milligram glucuronolacton, B-complex vitamines en 80 milligram cafeïne. Glucuronolacton is een lichaamseigen stof die bij de afbraak van glucose in de lever vrijkomt. Taurine is dan weer een aminozuur dat een rol speelt in de vetverbranding. Wat suiker doet, weten we – snelle energie aanleveren en dik maken – en de hoeveelheid cafeïne is die van één grote kop koffie of twee à drie blikjes cola. Een energiebommetje dus, niet langer in een flesje zoals in Thailand, maar door de marketeer in Mateschitz mooi verpakt in een trendy blikje.

Red Bull is onder zijn impuls een eigenzinnige weg ingeslagen en dat houden ze nu al vijfendertig jaar vol. Het drankje dat op alle marktstudies buisde, gooide zich in de meest diverse sponsorprojecten, investeerde in iconische gebouwen, om finaal toch uit te komen bij de grote sporten van deze planeet: Formule 1 en voetbal.

Red Bull wordt als case in tal van marketinghandboeken uitgeplozen. Hun knapste verwezenlijking is hoe ze een eigen markt hebben gecreëerd. Van bij de eerste marketingplannen stonden energie en daadkracht centraal en waar vind je die meer dan in sport en niet zomaar sport, maar ware waaghalzerij?

De immer discrete Mateschitz (met een vermogen van 23,5 miljard euro staat hij op nummer 57 op de miljardairslijst van Forbes) legde aan dat zakenblad ooit uit hoe sponsoring van nichesporten het succes aanzwengelde. “Ik heb zelf altijd de grenzen opgezocht als het om lichaamsbeweging ging. Ik vloog met van alles, ik was een van de eerste snowboarders in de Alpen, ik deed aan motorcross, noem maar op. Alles wat een beetje gevaar inhield en snel ging, was mijn ding. Dat moest ook de speeltuin van Red Bull worden.”

Aanvankelijk deed Red Bull aan zogeheten guerrillamarketing. Zonder sponsorrechten te verwerven doken ze bij allerlei events op, deelden gratis blikjes uit en verdwenen weer voor de ellende met organisatoren te groot werd. De volgende stap was de creatie van eigen nieuwe events zoals de Red Bull Flugtag in 1991, waarbij uitvinders met eigen ontwerpen vanaf een pier moesten proberen vliegen. Tien jaar later zouden ze Red Bull Crashed Ice uitvinden, een waanzinnige afdaling op schaatsen langs een pop-upijspiste. Hoe groter de waaghalzerij, hoe beter Red Bull het bij het imago vond passen, met als top of the bill de Red Bull Air Race: elf stuntpiloten die op de meest diverse plekken in de wereld met vliegtuigjes van acht meter 400 kilometer per uur vliegen en terwijl allerlei hindernissen moeten nemen. Na 2019 is dat event opgedoekt omdat het nauwelijks nog toelating kreeg.

Red Bull is vandaag niet meer alleen in de niche van de waaghalzerij actief. Ook individuele atleten uit traditionele sporten die een jong publiek aanspreken, worden ondersteund. Internationaal voert Neymar een lange lijst aan. In België zijn de bekendste RB-atleten Nafi Thiam, snowboarder Seppe Smits, wielrenner Wout van Aert en de hockeyers Arthur Van Doren en Felix Denayer.

De bekende slogan ‘Red Bull geeft je vleugels’ is inmiddels in alle wereldtalen ingeburgerd bij het doelpubliek: the young, fast and furious. Red Bull houdt dat levend door geregeld te stunten en de overtreffende trap daarvan was in 2012 de Red Bull Stratos van Oostenrijker Felix Baumgartner, een duik uit een heliumballon vanop 39 kilometer boven de aarde. Die duurde tien minuten en Baumgartner ging daarbij door de geluidsmuur.

Dat ze in de erg dure Formule 1 zelf eigenaar werden, was verrassend. Red Bull was wel al cosponsor van Sauber, maar kocht in geen tijd twee teams. Eind 2004 nam het Jaguar Racing over van de noodlijdende eigenaars. In 2006 kwam naast Red Bull Racing ook Scuderia Torro Rosso op de startgrid. Begin 2020 werd dat omgedoopt in Scuderia Alpha Tauri, naar het kledingmerk van Red Bull. Dat is dan weer geïnspireerd op de grootste ster in de sterrenconstellatie Stier. Jawel, wat ze ook bedenken in het futuristische Red Bull-hoofdkwartier, verscholen in het Salzkammergut van The Sound of Music, achter alles zit een idee.

Aanwezigheid in de eerste wereldsport voetbal was een kwestie van tijd en een logische stap voor een bedrijf met een rebels imago dat zijn niche wilde overstijgen. Oprichter Mateschitz stond erop in 2005 per mail aan deze krant de sportmarketingmix te verklaren. “Als global company kunnen we niet naast de nummeréénsport kijken en we hebben ons op het voetbal gericht. Voetbal is de laatste jaren een andere sport geworden. Het spel is intelligenter, gesofisticeerder en sneller geworden. Voetbalsterren zijn tegenwoordig popsterren. Het publiek is veranderd, vrouwen en hele families komen naar het voetbal

Grasbalsport

‘Zich op het voetbal richten’ is een understatement. Een voetbalkenner-vriend en verre buur van Mateschitz in Salzburg gaf hem de raad om een bestaand team in te palmen. De adviseur? De Duitse voetballegende Franz Beckenbauer. De eerste steen van het voetbalimperium van Red Bull zou op 25 kilometer van het hoofdkwartier worden gelegd, met de overname van Traditionsverein Austria Salzburg.

Die club was al in 1978 van naam veranderd in Casino Salzburg en in 1997 werd het zelfs Wüstenrot Salzburg. Het was de derde naamsverandering, die van 3 juni 2005 in FC Red Bull Salzburg, maar ze wekte meer weerstand op dan ooit. Dat alles anders en beter zou worden, met al dat geld, en een vernieuwd stadion, daar waren de fans van overtuigd. Het hek ging pas van de dam toen ook de clubkleuren veranderden naar rood, wit en goudgeel in plaats van het traditionele paars-wit van de Oostenrijkse Austria-sportteams. Nadat bij een wedstrijd tegen Austria Wien rellen uitbraken, nam Herr Mateschitz de drastische beslissing om de geschiedenis van de in 1933 gestichte club te schrappen.

Red Bull Salzburg Gmbh was opgericht in 2005. Punkt. Aus. Ende.

Het plan was om met Red Bull Salzburg de eerste drie tot vijf jaar bij de top tien van het Europees voetbal te behoren en regelmatig aan de Champions League en UEFA Cup deel te nemen. Dat is af en toe gelukt, maar meer niet dan wel. Met elf titels in de eerste vijftien jaar van het bestaan, waarvan zeven op rij in de laatste zeven seizoenen, was het snel duidelijk dat Red Bullvoetbal te groot was voor Oostenrijk. Maar voor Europa waren ze iets te klein.

Het totaalconcept van het mini-Bayern München, dat zich in een rijke thuismarkt als groot-Salzburg richtte op een evenementieel publiek en families die voor twee uur vermaak wilden betalen, sloeg dan wel aan, de ‘global brand’ Red Bull had nog grotere markten nodig. Het werd meteen de grootste van alle sportmarkten: New York Metropolitan Area met zijn 18 miljoen inwoners.

In 2006 werden de New York Metrostars overgenomen en omgedoopt in de New York Red Bulls. Meteen werd begonnen met de bouw van een eigen voetbalstadion, de Red Bull Arena.

De overnamedrang was niet te stoppen. Leonard Cohen zong ‘First we take Manhattan, then we take Berlin’. Mateschitz probeerde het in Berlijn, maar ook in Hamburg en Düsseldorf. Het werd Leipzig.

Red Bull kwam finaal uit in het voormalige Oost-Duitsland, dat met geen enkel team in de Bundesliga was vertegenwoordigd en
waar sinds de World Cup van 2006 een mooi vernieuwd stadion lag te wachten op de roemrijke tijden van weleer. Omdat de twee traditieteams van Leipzig geen zin in een commercieel verhaal hadden, kocht Red Bull in 2009 de licentie over van vijfdeklasser SSV Markranstädt, een dorpsploeg in de buurt van Leipzig. De club kreeg de naam RB Leipzig waarbij de RB niet staat voor Red Bull – het staat u vrij dat te geloven – maar voor RasenBallsport, of grasbalsport.

Dat cynisch-semantisch trucje, bedoeld om de Red Bull-connotatie levendig te houden, werd niet gesmaakt in een land dat zijn clubs verplicht om voor meer dan de helft (de ’50+1′-regel) in handen van een ledenvereniging te zijn. Alleen als bedrijven een langdurende link kunnen aantonen met de vereniging, zoals bij Hoffenheim, kan daar een uitzondering op worden toegestaan. Red Bull omzeilde die bepaling door de spitsvondigheid RasenBallsport en door slechts negentien leden toe te laten, die zonder uitzondering met het bedrijf Red Bull verbonden zijn.

RB Leipzig wordt daarom samen met Hoffenheim, dat in handen is van de industrieel Dietmar Hopp en ook niet is onderworpen
aan de 50+1, door de fans van de andere Duitse clubs uitgespuwd. Toen de twee in het seizoen 2016-2017 voor het eerst in de Bundesliga tegen elkaar speelden, nadat RB Leipzig in zeven seizoenen vijf keer was gepromoveerd, eisten de fans van Hoffenheim hun geuzentitel van meest gehate club terug en dat was gemeend.

Gegenpressing

Hoffenheim en Dietmar Hopp zijn tijdelijk iets minder kop van Jut omdat Hopp de hoofdaandeelhouder is van CureVac, dat een goedwerkend vaccin tegen corona op de markt zal brengen tegen nauwelijks meer dan de kostprijs. RB Leipzig kan dan weer het Duitse voetbal een boost bezorgen door de arrogante Jürgen Klopp en Liverpool in de achtste finale van de Champions League schaakmat te zetten. Te beginnen dinsdag om 21 uur met de thuiswedstrijd, die omwille van corona in het Hongaarse Boedapest plaatsvindt.

De match tussen Liverpool en RB Leipzig is in vele opzichten een clash; niet alleen van het oude tegen het nieuwe businessmodel. Het is een strijd op hoog niveau van twee hogepriesters van de nieuwe Duitse school, van Jürgen Klopp tegen Julian Nagelsmann, de jongste trainer die ooit een halve finale van de Champions League coachte.

De wedstrijd is voetbaltechnisch een confrontatie van twee teams die zweren bij Gegenpressing, wat letterlijk betekent het counteren van de tegenaanval. Gegenpressing is hoogenergievoetbal dat een in de aanval verloren bal zo hoog mogelijk wil heroveren. Ideaal gebeurt dat binnen de vijf seconden en binnen de tien seconden volgt een nieuwe doelpoging.

Dát is het moderne voetbal, dat alleen kan worden uitgevoerd met perfect getrainde atleten – fysiek en tactisch – bovendien voorzien van goede voeten. Bij Liverpool – tien punten achter op de leider in de Premier League – stokt het momenteel en dat geeft de Duitse burger moed.

Terugspoelen naar zondag 7 februari, naar de topper tussen Liverpool en Manchester City, die door de ploeg van Pep Guardiola met 1-4 werd gewonnen na onder meer twee foute ballen van doelman Ederson. Die foute ballen van Ederson kwamen er niet zomaar. Ze werden uitgelokt door een hoge pressing van City, ook Gegenpressing, maar dan volgens de filosofie van Guardiola. Hij jaagt niet zozeer direct op de bal of baldrager, maar probeert de bal te heroveren door de passlijnen af te dekken. Dat scheelt in verspilde energie. Liverpool en ook RB Leipzig spelen een andere variant: ze vallen bal en baldrager direct aan met minstens twee spelers. Dat is nog energieker dan de City-versie en vereist een nog betere fysieke conditie.

Gegenpressing, de naam verraadt het, is een Duits concept en de godfather ervan heet Ralf Rangnick, tot juli vorig jaar head of sport and development bij Red Bull GmbH. Hij kwam pas in 2012 bij de RB-familie en probeerde zijn ideeën eerst met succes uit bij Hoffenheim, waar hij onder meer het Dortmund van Klopp versloeg met 4-1. Klopp belde hem nadien op en zei: “Jouw voetbal is het voetbal dat ik wil spelen.”

Naast Klopp zijn ook Julian Nagelsmann, Thomas Tuchel (eerst PSG en nu Chelsea), Ralph Hasenhüttl (Southampton) allemaal aan de Rangnick-universiteit – hun woorden – afgestudeerd. Een minder bekende alumnus is Alexander Blessin, die acht jaar jeugdtrainer was bij RB Leipzig en als onbekende begin dit seizoen in Oostende kwam aanwaaien. KVO speelt Rangnick-voetbal en presteert misschien niet toevallig verrassend goed.

Belangenvermenging

Rangnick staat niet meer op het veld, is nu ook weg bij Red Bull, waar hij mee het voetbalimperium uitbouwde. Wat Red Bull doet, heet technisch gezien multi-club ownership. Hun portfolio bevat clubs als FC Liefering in de tweede Oostenrijkse afdeling, Red Bull Salzburg, RB Leipzig en Red Bull Bragantino in Brazilië. Naast een team in New York had het met de academie Red Bull Ghana in Sogakope ook een vertegenwoordiging in Afrika, maar dat project werd stopgezet.

De link tussen Red Bull Salzburg en RB Leipzig heeft alvast die laatste club enkele interessante spelers opgeleverd. Dayot Upamecano, Konrad Laimer en Hannes Wolf kwamen zelfs eerst in FC Liefering terecht, vervolgens bij Salzburg en uiteindelijk bij Leipzig, waar Wolf alweer weg is. Ook Naby Keïta was eerst in Salzburg en dan in Leipzig alvorens naar… Liverpool te verhuizen. Andere Liverpool-spelers die volgens de RB-filosofie zijn opgeleid, en dus zo mee kunnen met de ideeën van Klopp, zijn Sadio Mane en Takumi Minamino.

Het Red Bull-netwerk – vijf clubs, Liefering meegerekend – vertoont gelijkenissen met dat van City Football Group, al heeft die holding uit de Emiraten tien clubs over de hele planeet, tot in Japan, India en Australië (zie grafiek). Met SK Lommel, AC Troyes en FC Girona in Europa lijkt CFG weinig risico te lopen dat ze van belangenvermenging zouden worden verdacht. Voor Red Bull is dat gecompliceerder.

Toen Red Bull Leipzig, pardon RB Leipzig, zich voor het seizoen 2017-’18 klaarmaakte om voor het eerst in de UEFA Champions League aan te treden, had ook Red Bull Salzburg zich voor de eindfase geplaatst. De UEFA heeft toen Mateschitz verplicht een aantal banden door te knippen. In hoever dat echt is gebeurd, dan wel windowdressing, is niet duidelijk. De twee clubs hebben recent wel een signaal uitgestuurd dat de UEFA heeft gerustgesteld. Zo is het grootste goudhaantje dat ooit met het Red Bull-logo voetbal speelde, voor één keer niet van Salzburg naar Leipzig getrokken.

Erling Braut Håland vertrok voor veel geld van Salzburg naar Dortmund, de naaste belager van RB Leipzig.

Column Super Suck in De Morgen van zaterdag 13 feb 2021

Super suck

Puppy pose. Tim Wellens deed het in de Ster van Bessèges toen hij ontsnapte en de basis legde voor zijn eindoverwinning. Dat zag
er heel stijlrijk uit en niet gevaarlijk, zo alleen onderweg. Lager liggen met de voorarmen op het stuur, vermindert de CdA. De C staat voor coëfficiënt, de d voor drag of windweerstand en de A voor area, of oppervlak. Een lagere CdA betekent minder weerstand door de verkleining van het frontaal oppervlak, dus sneller rijden voor hetzelfde vermogen, dus minder energie verbruiken.

Super tuck dan. Dat kent u vast: neus over het stuur, ballen op de bovenbuis, en maar snelheid maken, weeral een verhaal van C, d en A. Renners doen de super tuck om sneller een berg af te dalen. Ze doen maar. Ik trek boven een jasje aan, zet het half open en als het dan nog te snel gaat, ga ik rechtop zitten, met ellebogen en benen open. Een beetje als een terminale pad die de oversteek heeft gemist, maar ik ben dan ook geen prof.

De puppy pose en de super tuck worden door de internationale wielerbond UCI verboden in het inmiddels wereldberoemde artikel 1.3.008 van de UCI technical regulation. Daar stond al in dat de renner de voeten op de pedalen, de handen op het stuur en het zitvlak op het zadel moet houden. Vanaf 1 april komt daar een verduidelijking bij: je mag niet op de bovenbuis zitten en de voorarmen mogen niet dienen als steunpunt, tenzij in een tijdrit.

De renners zijn furieus, op een paar uitzonderingen na vinden zij het super suck. Iljo Keisse argumenteerde dat de renners zelf wel zullen beslissen hoe ze (naar beneden) rijden. Daar ben ik het niet helemaal mee eens. Soms zijn buitenstaanders beter geschikt om een probleem te benoemen en te verhelpen, denk maar aan doping. Als de renners begin deze eeuw alles zelf hadden kunnen bepalen, zaten we nog met het dopingspook.

Afgezien daarvan hebben de protesterende renners wel een punt. Het absurde aan de hele discussie is dat de renners niet werden betrokken bij die besluitvorming die als doel heeft, hun beroep, het wegwielrennen in peloton veiliger te maken. Nog vreemder wordt het als blijkt dat de CPA, de rennersvakbond die al zo onder vuur lag bij de renners, mee is gegaan met de UCI in dit verhaal.

Louis Vervaeke van Alpecin-Fenix, een slimme renner die zelden zijn mond opentrekt, was vernietigend: “Hoeveel renners zijn al gestorven, zo hard gevallen dat ze verlamd waren of belandden in een coma nadat ze in super tuck-houding of met hun handen op hun stuur hebben gereden? En hoeveel door onveilige wegen, motoren of niet-goedgekeurde nadars? Kun je de tel nog bijhouden?”

Het grote probleem van het wielrennen ís de veiligheid, met dat steeds sneller peloton, op dat steeds nerveuzer materiaal, op een
al maar minder geschikte openbare weg. Dat is benoemd, dat is geanalyseerd, er zijn voorstellen geformuleerd. Helemaal veilig
krijg je het wielrennen nooit, maar veiliger maken kan wel en daarvoor volstaat moed en visie. Moed en visie om een allesomvattend masterplan te schrijven, samen met de renners. Met daarin een doorgedreven kwaliteitscontrole voor de parcours van start tot aankomst, met strenge regels voor het gemotoriseerd verkeer in de koers, en met een afdwingbare gedragscode voor de renners, niet het minst voor de massasprint.

Pas als de renners beseffen dat hun bestuurders oprecht bekommerd zijn om hun veiligheid, zullen ze ook regels aanvaarden zoals het verbod op vreemdsoortige, al bij al ongevaarlijke fietshoudingen en het weggooien van drinkbussen op niet-voorziene plaatsen. Dat de UCI met deze nieuwe maatregelen het veiligheidsprobleem bij de renners neerlegt, is een belediging van formaat.

Er zijn corrupte sporten en sportbonden: bijvoorbeeld het atletiek ten tijde van Lamine Diack, of de AIBA of Internationale boksbond, of de internationale gewichtheffersbond en sinds kort mag daar ook de internationale biatlonfederatie bij in die 26 jaar dat de Noor Anders Besseberg daar de baas was. Vervolgens zijn er slecht bestuurde sporten en sportbonden zoals het malgoverno van het wielrennen door de UCI. In geen ander sportmilieu zijn de bestuurders – we houden het netjes – zo incompetent én tegelijk zo bekrompen en archaïsch als in het wielrennen.

België levert de meeste profrenners af. Als ze willen dat hun protest weerklank krijgt, dan raad ik hen aan om bij hun trainingsritjes door de Vlaamse Ardennen boven op de Paterberg aan te bellen bij het eerste huis links. Daar woont de voorzitter van de wegcommissie van de UCI en van de Professional Cycling Council en hij is ook nog eens lid van het UCI Management Committee. Kampioenenshirtjes aantrekken kan hij als geen ander. Laat het hem ook eens uitleggen hoe de vork daar in Aigle in de steel zit.

Column Amerikanisering in De Morgen van zaterdag 8 feb 2021

Amerikanisering

Interessant interview met Michael Verschueren gelezen in Het Laatste Nieuws van afgelopen zaterdag. Michael Verschueren is, zoals u wel weet, de zoon van Mister Michel. Michael was niet soft, maar toch niet hard genoeg voor de slechte wereld van het voetbal. De ‘turnmeester’ Michel Verschueren had daar geen probleem mee. Hij kon af en toe een bullebak zijn, maar met het hart op de juiste plek. Je kon op hem schelden zoals op deze plek meer dan twintig jaar geleden wel eens is gebeurd, en dan kreeg je op zaterdagochtend telefoon. “Kom ne keer iets eten in mijn frituur, we moeten een klapke doen.”

Michael Verschueren is behalve kleine aandeelhouder bij Royal Sporting Club Anderlecht ook lid van het executief van de European Club Association. Die drukkingsgroep van voetbalclubs is ontstaan in 2008 uit de toenmalige G14 die een zetel had op de Gulden Vlieslaan in Brussel en als lobbygroep was erkend bij de Europese Unie. Uiteindelijk braadde die haring daar niet en werd geopteerd voor een rol binnen de UEFA. Die ECA heeft dertien van de achttien leden in UEFA Club Competitions Committee, de commissie die gaat over de verschillende Europabekers.

Verschueren werd in HLN onder meer aan de tand gevoeld over de op handen zijnde hervormingen van de pan-Europese clubcompetities. Naast de UEFA Champions en Europa League komt vanaf volgend seizoen een derde competitie: de Conference League. Michael Verschueren verdedigde die plannen en daar is niet iedereen in België blij mee.

De nummer drie en vier van de Belgische competitie zullen meer dan waarschijnlijk in die Conference League uitkomen, de Europese derde klasse dus. De nummer twee, als die zich niet heeft kunnen plaatsen voor de Champions League, krijgt in de huidige Europa League een stekje en de kampioen is voorlopig nog gekwalificeerd voor de Champions League.

In de nabije toekomst zal de Belgische kampioen alleen nog bij hoge uitzondering de Champions League halen. In de verre toekomst wellicht nooit meer nu de UEFA vanaf 2024 denkt aan een Europese supercompetitie boven alle andere. Het protest daartegen komt van de European Leagues. Dat is de koepelorganisatie van de Europese nationale competities die in 2005 het licht zag. De European Leagues hebben binnen de UEFA niet de vertegenwoordiging, noch de macht die de ECA heeft.

Zij zien een gevaar in de plannen van de UEFA. Die zouden een eerste stap zijn naar een gesloten competitie en de toegang voor kampioenen uit kleine competities in de hoogste Europese competitie bemoeilijken of uitsluiten. Nog een bezwaar: de belangen zouden verschuiven van het nationale naar het internationale, waardoor de inkomsten van de nationale competities zouden verminderen. Er zouden meer Europese wedstrijden komen – ook in het weekend – en ten slotte zou de kloof tussen de Europese elite en de andere clubs in kleine landen nog groter worden.

Michael Verschueren ziet geen probleem in de Europese hervormingen. Ik ook niet. De amerikanisering van het Europees voetbal stond in de sterren geschreven en voor één keer is amerikanisering niet fout. Een goed uitgedokterde pan-Europese supercompetitie heeft alles om de voetbalconsument te plezieren.

Op termijn is het afsluiten van de competitie zelfs de enige weg. De vereisten om met de top mee te mogen doen, zullen niet langer puur sportief zijn. De commerciële slagkracht van een kandidaat-deelnemer zal het belangrijkste criterium worden. Kan de club die deelneemt aan de European Super Champions Premier League, of hoe dat ding ook zal heten, bijdragen tot het product? Heeft die een achterban en een stadion – dus een marktplaats – op niveau van het product? De haast die Club Brugge maakt met de bouw van het nieuwe stadion heeft precies te maken met die Europese plannen en de daarmee gepaard gaande normen. Als FCB de enige Belgische club is die over een modern stadion van 40.000 man beschikt, maakt het een kwantumsprong. Europa en niet langer België is dan de speeltuin.

Dat de pintjesliga bij de hervorming van de Europese competities grotendeels of misschien helemaal uit de boot zal vallen, staat nu als een paal boven water. Wij boksen boven ons gewicht door een aantal fiscale en parafiscale voordelen, maar we zijn en blijven een feeder league, zoals dat in de sporteconomie heet. Wij kopen in, wij leiden op en we verkopen door naar de top van de voedselketen. Financieel zal het weinig of geen verschil maken, volgens Michael Verschueren. Het statusverlies in Europa moeten we erbij nemen, tenzij we vol voor de BeNeLiga gaan. Daarin moet ik hem tegenspreken: één plus één zal bij een BeNeLiga nooit drie zijn. Hooguit anderhalf.

Verhaal over de Nederlandse topsportsters in De Morgen van zaterdag 6 feb 2021

De gouden vrouwen van Nederland

(met in PDF hierbij extra materiaal)

Niet verwonderlijk dat de Nederlandse wielrensters die van ons met huid en haar opeten. Dat doen ze in wel meer sporten, met wel meer landen. Ze domineren zelfs hun eigen mannen. ‘Nergens presteren de vrouwen beter dan in Nederland.’

Hoe het vrouwenpodium vorig weekend op het wereldkampioenschap veldrijden in Oostende zou kleuren, dat lag op voorhand al zo goed als vast: oranje, oranje en nog eens oranje. Alleen de volgorde waarin de Nederlandse vrouwen de eindstreep aan de Wellingtonrenbaan zouden bereiken, was nog even onduidelijk. Op de weg, in het veld, modder of zand: Nederland is bij de vrouwen dé wielernatie van het moment.

En dat is niet voor het eerst.

Brasserie Het Houten Hand aan de Ninovesteenweg 80 in Erembodegem, België dus, bestaat nog steeds. Daar begint in de jaren dertig van de vorige eeuw de sportieve geschiedenis van het Nederlandse wielrennen. Jarenlang was Mien van Bree vanuit Loosduinen bij Den Haag op de fiets naar België gereden, had logies gezocht voor een nacht of twee, om tussendoor een koers te rijden en dan terug naar Loosduinen te fietsen.

Voor Nederlandse vrouwen was koersen uit den boze. Op rijscholen, zoals de dameswielrijschool van mejuffrouw Schakel in Amsterdam, leerden vrouwen goed gekleed en met rechte rug te rijden. Dat was anders in België, waar de Eerste Wereldoorlog voor een versnelde ontvoogding van de vrouw had gezorgd. Op stemrecht moesten de Belgische vrouwen wachten tot 1948 (in Nederland al in 1919), maar ze mochten wel koersen.

Op een van die wedstrijden kwam Mien van Bree in contact met de Belgische Maria Gaudens. De vrouwen hadden een gezamenlijke passie voor de fiets en uiteindelijk ook voor elkaar – twee keer geen evidentie in die tijd. Ze gingen samenwonen en werkten allebei in café Het Houten Hand.

Hoewel de Internationale Wielerunie (UCI) wereldtitels voor vrouwen pas zal erkennen vanaf 1958, organiseert België al veel langer een officieus WK voor vrouwen. In 1934 wordt de dan 23-jarige Van Bree meteen achtste en tussen 1935 en 1937 wordt ze drie keer tweede na de ongenaakbare Elvire De Bruyn, ook uit Erembodegem bij Aalst. In 1938 en 1939 lukt het Van Bree dan toch om wereldkampioene te worden. Haar concurrente is afgehaakt. De intersekseatleet Elvire heeft zich in het bevolkingsregister als Willy De Bruyn laten inschrijven.

Van Brees wereldtitel ging in Nederland niet onopgemerkt voorbij. In de Nieuwe Tilburgse Courant verschijnt na dat WK in 1938 een stukje, mét foto: ‘… Zondag is te La Louvière het wereldkampioenschap voor vrouwelijke renners verreden over 120 km. Eerste werd Mien van Bree uit Den Haag in 3 uur, 41 seconden…’

De journalist besloot met een uitsmijter: ‘… Zouden onze vrouwen niets beters te doen hebben?’

Onzedelijke kledij

Nederland was toen nog lang niet hét wielerland bij de vrouwen – en bij uitbreiding hét fietsland met 22 miljoen rijwielen voor 32.000 kilometer aan fietspaden. Wielrennen was een zaak van mannen op afgesloten wielerbanen. De fiets was in de eerste plaats een keurige en veilige manier om je te verplaatsen. Rustig fietsen was de boodschap en daarom kregen de Nederlandse rijwielen – de zogenoemde Dutch bike werd later ook een hele industrie – bewust geen versnellingen.

Voor een deel van de Nederlandse vrouwen bleek het nieuwe vervoersmiddel wel een manier om zich los te maken van het huishouden, ondanks enkele hardnekkige vooroordelen. Zo zou de fietskleding van de vrouwen – een soort broekrok en blouse – onzedelijk zijn. Vrouwen die te veel fietsten, zouden misvormd raken door te zwaar ontwikkelde bovenbenen. Of ze zouden onvruchtbaar worden. Misschien nog erger: de fiets was een geheim middel ter bevordering van masturbatie.

Ondanks die toegenomen populariteit van de fiets, verdween wielrennen als vrouwensport na het curiosum Mien van Bree in de vergetelheid. Gymnastiek en zwemmen waren dé vrouwensporten. De Nederlandse zwemsters hadden in het interbellum een dynastie opgebouwd met medailles op de Olympische Spelen van 1932 en 1936. In Berlijn stonden vijf gouden medailles op het spel: Nederland won er vier van, drie alleen al voor Rie Mastenbroek, die ook nog eens tweede werd en op dat moment de meest gelauwerde olympiër aller tijden was.

Na de Tweede Wereldoorlog was het de beurt aan een andere vrouwelijke olympiër om de show te stelen: Fanny Blankers-Koen onttroonde met vier keer goud in sprintnummers en verspringen Rie Mastenbroek als meest succesvolle medaillewinnares.

Sporthistoricus Jurryt van de Vooren heeft onderzoek gedaan naar de positie van Nederland in de vrouwensport. Hij noemt Mien van Bree, Rie Mastenbroek en Fanny Blankers-Koen toevalstreffers. “Nederland was dan nog erg conservatief en of het nu dankzij, of ondanks dat conservatisme is, daar ben ik niet uit. Maar na Blankers-Koen ging het een hele tijd minder met de vrouwentopsport. Pas in de jaren tachtig en vooral vanaf 2000, is er sprake van structureel betere prestaties.”

Opvallend is dat zelfs de successen van Fanny Blankers-Koen niet voor een déclic in de Nederlandse maatschappij zorgden. De vrouw moet zich fysiek zo niet uitsloven, was de algemene teneur. Als de stad Rotterdam in de jaren vijftig de plannen bekendmaakt voor een standbeeld voor de viervoudig olympisch kampioene, schrijft een lezer van de linkse krant Het Vrije Volk: “Dat heeft duidelijk te maken met verafgoding en waar moet dat heen?”

Sportverdwazing is het, aldus een groep christelijke studenten lichamelijke opvoeding die protesteert tegen de inhuldiging van het beeld in 1956 bij de ingang van Diergaarde Blijdorp, de Rotterdamse dierentuin. In datzelfde jaar wordt de wet afgeschaft die vrouwen uit hun baan ontslaat als ze willen trouwen. De stemming in de Tweede Kamer voor het nieuwe wetsvoorstel is nipt: 46 tegen 44.

Neen, Nederland loopt kort na de Tweede Wereldoorlog niet voor in vrouwenemancipatie. Dat verandert met de komst van de pil (niet langer verboden vanaf 1964), parttimebanen, kinderopvang en sociale voorzieningen. Vrouwen krijgen het makkelijker om hun zorgtaken met een baan te combineren.

In de jaren zestig en zeventig beleeft Nederland vooral in de verstedelijkte gebieden woelige tijden. De positie van de vrouw verandert samen met de hele Nederlandse maatschappij. Of de doorbraak van de Nederlandse sportvrouwen in de jaren tachtig een rechtstreeks gevolg is van die tweede feministische golf (de eerste golf liep van 1870 tot 1920 en eindigde in kiesrecht), wil geen Nederlander met kennis van zaken bevestigen.

Van de Vooren is formeel: het feminisme van de jaren zeventig was geen directe factor: “De Dolle Mina’s waren helemaal niet geïnteresseerd in sport, wel in politiek en cultuur.”

Het bloed van de sportende Nederlandse vrouw kruipt evenwel waar het niet gaan kan en is niet meer te stoppen. Op de vijf Olympische Spelen tussen Tokio 1964 en Moskou 1980 wint Nederland dertig medailles, negen daarvan door vrouwen. In Los Angeles 1984 winnen Nederlandse vrouwen plots elf van de dertien Nederlandse medailles. Voetnoot: dat is mede te verklaren door de afwezigheid van de (meeste) Oostbloklanden, waaronder de powerhouses USSR en DDR, die traditioneel op vrouwen inzetten.

In de twee daaropvolgende Spelen in Seoel en Barcelona zullen de Nederlandse vrouwen net niet aan de helft van de mannenmedailles komen. In 1988 wordt Monique Knol wel de eerste Nederlandse olympisch kampioene in het wielrennen.
Op de negen keer dat de wegwedstrijd voor vrouwen olympisch was, heeft Nederland vier keer goud gehaald. Ook op wereldkampioenschappen begint het met een superieur individu – Katie van Oosten-Hage wint in 1968 en 1976 – om te evolueren naar een structureel overwicht. De laatste vier wereldkampioenen bij de vrouwen op de weg zijn Nederlandse vrouwen. Vandaag voeren onze noorderburen de alltime medailletabel aan met dubbel zoveel WK-medailles (34) als het tweede land, Frankrijk. België won voor het laatst een vrouwenmedaille in 1994.

Die evolutie zet zich ook door in andere sporten en krijgt een olympisch vervolg: in Atlanta 1996 nemen de Nederlandse vrouwen weer de bovenhand op de mannen en vanaf Sydney is het hek helemaal van de dam. De hele ploeg scoort beter dan ooit – vijfentwintig medailles waarvan twaalf gouden – en in die ploeg nemen de vrouwen met vijftien plakken het voortouw.

Jurryt van de Vooren: “In de laatste 25 jaar leverde ons land net zoveel olympische kampioenen als in de 75 jaar daarvoor. De feminisering van olympisch succes typeert het Nederlandse topsportklimaat van deze eeuw. Sterker: er is geen ander land ter wereld waar de vrouwelijke sporters zo veel invloed op de nationale olympische successen hebben gehad. Nederland is de laatste decennia dankzij de vrouwen een topsportland.”

De grafiek hierbij slaat op de olympische zomermedailles behaald in de 21ste eeuw (inclusief Sydney 2000) door landen die geregeld in de top tien eindigen. Nederland won er 102, waarvan er 4 gewonnen zijn door gemengde teams. De overige 98 zijn behaald door mannen of vrouwen. De vrouwen hebben op die vijf Spelen 80 procent meer medailles gewonnen dan de mannen. Dat is opmerkelijk, in het besef dat er voor vrouwen op die vijf Olympische Spelen samen bijna zeshonderd medailles minder te verdienen waren.

Het Internationaal Olympisch Comité wil dat straks in Tokio bijna evenveel vrouwen als mannen deelnemen. Tegen Parijs 2024 moet het verschil helemaal weg zijn, maar in Tokio zijn – als de Spelen doorgaan – voor vrouwen nog steeds 75 medailles minder te verdienen. Van de Vooren denkt dat Nederland goed zit. Frankrijk, waar de mannen de vrouwen met 110 procent overtroeven, heeft dan weer een probleem. “Die lopen echt achter met hun vrouwen en straks zijn er nooit meer vrouwenmedailles te winnen dan op hun eigen Spelen van Parijs. Benieuwd of ze die inhaalslag kunnen maken.”

Ook in België scoren de vrouwen olympisch beter dan de mannen. Zij behaalden elf van de negentien medailles tussen 2000 en 2016, maar België is als zwak sportland statistisch eigenlijk weinig relevant.

Zoals wel vaker in de sport is er niet één verklaring voor dat plotse succes van de Nederlandse vrouwen. Romantici gaan soms vijfhonderd jaar terug en dagdromen over een eeuwenoude zorgvuldig opgebouwde genetische superioriteit van de onverzettelijke Nederlandse vrouw. Dan valt al snel de naam van Kenau Simonsdochter, de eigenares van een scheepswerf die in 1572 het voortouw nam in het verzet van Haarlem tegen de Spanjaarden.

De kwalificatie ‘kenau’ staat sindsdien voor ‘bazige vrouw’, maar evengoed voor ‘heldin die weet van aanpakken’.

Hebben alle Nederlandse vrouwen dan een soort kenau-gen? De 22-jarige Ceylin Del Carmen Alvarado, tot vorige week de regerende wereldkampioene veldrijden en het grootste talent, met haar 100 procent Dominicaanse roots alvast niet. Via haar Nederlands paspoort en opvoeding sloop er volgens haar ploegleider Christoph Roodhooft wel een Nederlandse eigenschap naar binnen: “Ze is klein en ziet er helemaal niet oer-Hollands uit met haar krullend haar en huidskleur, maar die grote mond heeft ze wel. Ceylin komt op voor zichzelf. Goed zo, zou ik zeggen. Met de Belgische vrouwen heb ik totaal andere ervaringen.”

Als de genen niet alles verklaren, komt het dan vanuit de overheid?

In de Verenigde Staten verplichtte in 1972 het zogeheten Title IX, als onderdeel van een onderwijswet, gendergelijkheid in het onderwijs en dus ook in de universitaire sport. Als gevolg daarvan groeiden de VS uit tot het land met de meeste olympische medailles in de vrouwensport.

“Nederland heeft nooit ingezet op vrouwen alleen”, duidt Van de Vooren. “De Nederlandse sport heeft zich in zijn totaliteit geprofessionaliseerd en daarvan profiteerden de vrouwen meer dan de mannen.”

De sociale randvoorwaarden voor Nederlandse topsporters zijn deze eeuw wel fel verbeterd. Na de succesvolle Spelen van Sydney kwam er het stipendium, een maandelijkse topsportvergoeding die overigens een stuk lager ligt dan in België. Die vergoeding heeft heel wat potentiële topsporters (mannen en vrouwen) een houvast gegeven om alles op hun topsport te kunnen zetten, maar veel van de betere vrouwenprestaties zijn geleverd vóór het stipendium. In Sydney gingen zeven van de twaalf Nederlandse gouden medailles naar vrouwen, waaronder drie voor zwemster Inge de Bruijn en drie voor wielrenster Leontien van Moorsel.

Generatie-effect

Is er dan misschien sprake van een wielersysteem? Nederland kent de Dikke Banden Races (wedstrijdjes voor kinderen van 7 tot 12 jaar op hun eigen fiets, red.), maar dat lijkt ook geen allesbepalende factor. Nederland is natuurlijk een fietsland en telt, naast 50 procent meer inwoners dan België, ook veel meer fietskilometers bij de jeugd. Komt daarbij dat er nu sprake is van een generatie- effect: door onderlinge concurrentie maken de vele toppers elkaar beter.

De meeste waarnemers en kenners schrijven het succes toe aan een veelheid van factoren die gunstig op elkaar inwerken. Een welvarend land, gendergelijkheid, rolmodellen, een topsportcultuur, een ingebakken assertiviteit, een sterke generatie… Vermeng dat alles met een gunstige fysieke voorbestemdheid en je hebt wellicht het recept voor het succes.

Fysiek heeft de Nederlander wel degelijk een voordeel op de rest van de wereld: nergens worden langere mensen geboren en lengte is in de meeste sporten een voordeel. Die lengte is terug te voeren op eeuwenlange eiwitrijke voeding in een welvarend land. Mannen van negentien zijn in Nederland gemiddeld bijna 181 centimeter lang. Als daar de mannen van oer-Nederlandse origine uit worden gefilterd, stijgt dat zelfs tot bijna 184 centimeter. Bij de vrouwen is het respectievelijk 167,5 en 170,7 centimeter. Autochtone Belgen – mannen en vrouwen – zijn bijna vier centimeter kleiner dan Nederlanders op die leeftijd.

Opvallend en een bewijs dat lengte ook niet altijd de reden is: in 2012 en 2016 pakte zowel een Nederlandse man (Epke Zonderland) als een Nederlandse vrouw (Sanne Wevers) een gouden medaille in het gymnastiek, een sport die het juist níét van lengte moet hebben. Zonderland en Wevers komen dan ook nog eens uit Friesland, waar de allerlangste van de lange Nederlanders wonen.

Gracenote, een statistiekbureau dat zich op de resultaten van alle internationale sportevenementen van de afgelopen vier jaar baseert, zette Nederland vorig jaar voor Tokio 2020 op een zesde plaats in het verwachte medailleklassement. Dat is nog twee plaatsen hoger dan bij Sydney 2000. De prognose kwam uit op een recordaantal van 41 medailles, waarvan 24 voor de vrouwelijke olympiërs en 15 voor Nederlandse mannen.

Bronnen: Mariska Tjoelker, Mien, een vergeten geschiedenis; Sportgeschiedenis.nl van Jurryt van de Vooren.

Column Faraonisch (salaris Messi) in De Morgen van zaterdag 6 feb 2021

Faraonisch

Lionel Messi: 434 miljoen aan salaris en premies voor vier jaar en nog eens 76 miljoen over diezelfde periode aan beeldrechten. Tel op en je komt uit bij 511.540.545 miljoen euro voor vier jaar, zijnde 139 miljoen euro bruto, waar na belastingen nog 75 miljoen van overblijft. Het had ook 555 miljoen bruto kunnen zijn, had hij alle prijzen gewonnen waar een premie aan verbonden was.

Dat is lang niet alles. Forbes schat zijn publicitaire contracten met onder meer adidas (20 miljoen) en met Gatorade, Huawei, MasterCard en Mediapro op in totaal 30 miljoen euro. Slotsom: de laatste jaren heeft Lionel Messi afgerond 170 miljoen euro per jaar (139 + 30) verdiend.

Forbes zat er dus naast. Die hadden het totale inkomen van Messi vorig jaar, dus nog vóór de pandemie, geschat op een goeie 86 miljoen euro bruto. In het echt verdient hij ongeveer 86 miljoen netto en dat is toch wel een heel verschil. Forbes had zijn basissalaris juist maar sloeg de bal compleet mis met premies en portretrechten. Als Messi dit seizoen uitspeelt – hij moet niet eens blijven – krijgt hij nog eens 39 miljoen euro van de eerder afgesproken 66 miljoen getrouwheidspremie. Ik zit al van bij het begin bij deze krant, Messi brengt mij op ideeën.

Dat contract van Messi is niet zo ingewikkeld als men ons wil laten geloven. Die premies voor elke titel/prijs zijn de normaalste zaak van de wereld. Het kan nog gekker: honkballer Alex Rodriguez tekende ooit een contract bij New York Yankees voor tien jaar ter waarde van 275 miljoen dollar gegarandeerd en liet in een aparte clausule opnemen dat hij tien jaar lang minstens twee miljoen dollar meer moest verdienen dan de op één na best betaalde collega op zijn positie, de korte stop.

Vergelijkingen met Amerikaanse contracten zijn een beetje onzinnig. Messi speelt voetbal en zoals bekend is de planeet voetbal – behalve in de VS – een economische jungle. Waarmee we komen tot dé hamvraag: hoe is het in godsnaam mogelijk dat iemand zoveel geld krijgt? Of: hoe is het te verantwoorden dat één lid van een team een kwart van de totale salarismassa opsoupeert?

Het antwoord daarop is niet simpel. Op het eerste gezicht lijkt het onverantwoord, maar toen Michael Jordan voor het seizoen 1995-1996 terugkeerde bij de Chicago Bulls kreeg hij 33 miljoen dollar betaald, terwijl het totale salarisplafond voor de rest van het team 23 miljoen dollar bedroeg.

Dat de Bulls door het salarisplafond braken (en daar een luxetaks voor betaalden) werd destijds goedgekeurd door alle teams omdat de comeback van Jesus II de business van de NBA goed zou doen. Dat hadden ze goed ingeschat. Overigens kunnen die jordaneske bedragen en loonverschillen in de NBA van vandaag niet meer, omdat ook toppers aan barema’s onderhevig zijn. Het bedrag dat Jordan destijds kreeg zou na inflatiecorrectie vandaag 50 miljoen waard zijn.

De best betaalde speler in de huidige NBA is Stephen Curry met 43 miljoen dollar. De minst betaalde met evenveel seizoenen (12) op de teller, moet minstens 2,5 miljoen dollar verdienen. Dat is zeventien keer minder. FC Barcelona betaalt Messi duizend keer meer dan de minst betaalde speler in La Liga en niks of niemand die dat verhindert. Er is ook geen sprake van een plafond, van barema’s of van een koppeling aan inkomsten. Onder meer door Messi te overbetalen heeft Barcelona een schuld opgebouwd van 1,1 miljard euro.

De Madrileense krant El Mundo, die de bedragen in de openbaarheid bracht, noemt het een faraonisch contract. Fa-ra-o-nisch, een schitterend adjectief, moeten we meer gebruiken. Er is om te beginnen al die morele kwestie: hoeveel te veel mag de mens verdienen die beter is in een kunstje opvoeren dan de rest van de wereld? Dat is een lastige, want dat heeft te maken met de vrije markt.

In het paradijs van de vrije markt, de VS, is dat alvast beperkt. Alleen als in de NBA de inkomsten volgend jaar ineens het tienvoudige zouden bedragen, zullen de salarissen met die factor stijgen. Alle salarissen, voor alle duidelijkheid. Herverdeling en evenwicht in de salariëring, zeker in teamsport, zou voorop moeten staan.

Dat mechanisme is in voetbal totaal afwezig. Het faraonisch contract van Messi is het ultieme bewijs dat de financial fair play-regels van de UEFA te laks zijn, dat ze bij de Spaanse Liga en bij uitbreiding in het voetbal geen idee hebben waar ze mee bezig zijn, maar vooral dat bestuur en management van FCB compleet incompetent is en/of de weg kwijt.

Dit bewijst ook eens te meer dat voetbal onderhevig is aan wat economen surpluswinst heten: hoger vergoed worden dan nodig om in voldoende mate te produceren. Spelers, makelaars, clubmanagers, trainers, iedereen in het voetbal wordt te veel betaald.

Column Korfbal op Wielen (over WK cross) in De Morgen van maandag 1 feb 2021

Korfbal op wielen

Ik zag het ook al in nieuwsuitzendingen: ‘we hebben veel vragen gekregen van kijkers’ of ‘kijkers hebben ons gemeld’. Daar wordt dan ‘onze expert van de redactie’ bijgehaald en – gruwel, gruwel – die antwoordt zowaar. Nog erger zijn de straatinterviews. De ideale wereld bewijst telkens weer: de journalistieke waarde van de voxpop is minder dan nul.

Gisteren op Sporza toonden ze dan weer een verdwaalde tweet. Elke aap met een hoedje en een computer zit tegenwoordig op Twitter, het digitale equivalent van de cafétoog. Die ene van wie ze de tweet toonden, kreeg zijn minute of fame en zal afgelopen nacht moeilijk de slaap hebben kunnen vatten. Het is hem gegund.

Ik trap in dezelfde val en vat zijn tweet samen: ‘We zijn beroofd van een spannende strijd door een lekke band.’ ‘Zijn we het daarmee eens?,’ vroeg Karl Vannieuwkerke aan Sven Nys en Richard Groenendaal. Vervolgens gebeurde er iets vreemds. De twee analisten in de studio schudden hun hoofd van links naar rechts, ontkenden dus de stelling in de tweet. Ze vonden het wat kort door de bocht. Ze hadden die wedstrijd anders geanalyseerd, maar toen zaten ze nog alleen met Vannieuwkerke in de studio. Nadat Wout van Aert was komen aanschuiven, veranderde de toon: ineens bleek die lekke band wél cruciaal.

Oké, rewind. Na honderd meter reden Mathieu van der Poel en Wout van Aert vooraan en hing de rest tussen het kader. Na drie minuten en dertig seconden waren Van der Poel en Van Aert definitief weg en was de rest supporting cast. Die klagen dan wel dat ze weinig in beeld komen, maar wat wil je als je niet in één beeld te vatten bent? Harder rijden jongens, blijven trainen en nog beter jullie best doen.

Mathieu van der Poel was de eerste twee ronden niet top en kreeg een paar meter aan zijn broek. En aan zijn beenstukken, want hij was de enige die niet met blote benen reed. Dat was overigens een aspect dat ik over het hoofd had gezien en waar ik in de nacht van zaterdag op zondag toch even wakker van heb gelegen: de koude als scherprechter. Mathieu houdt niet van extreme temperaturen.

Van der Poel hing op een paar seconden en ging vervolgens nog eens overkop. Van Aert zag pas achteraf de beelden terug en schrok. Daar had hij meer moeten en kunnen mee doen, je zag het hem zo denken. Ineens was de kloof meer dan vijftien seconden, maar ook niet meer dan dat. Speelbaar op dat parcours.

Daarna, na 22 minuten koers (dus net over één derde wedstrijd), reed Van Aert lek. Vooraan, dat is erger dan achteraan als je Paul Herygers mag geloven, en als het daarover gaat geloven we die. Ineens had Van der Poel weer een seconde of tien voorsprong.

Vanaf ronde drie begon hij ook beter door het zand te rijden. Ergens zag ik de snelste rondetijd: dat was ronde drie van Van der Poel met 7:11. Waar Van Aert in de eerste twee ronden net iets beter leek, waren ineens de rollen omgekeerd. Komt daar nog bij: in de steile klim op de brug, komend vanaf het zand waar ze nog ternauwernood door konden rijden, reed Van der Poel elke ronde flukser naar boven. Ik had het u voorspeld: het zou een intervalcross worden.

Sporza bracht dat telkens netjes in beeld. De passage door het zand scheelde soms 2 seconden en op de 55 meter lange klim van 21 procent pakte de Nederlander telkens bijna 1 seconde. Doe daar nog een handvol bij op de hippodroom en je hebt die halve minuut bonus waar hij mee eindigde.

Met al zijn klasse en nuchterheid zou Wout van Aert Wout van Aert niet zijn, als hij de schuld bij die leegloper zou leggen in plaats van bij zichzelf. Die lekke band, die had hij beter niet gehad, maar dat hij vervolgens niet kon terugvechten en steeds meer terrein verloor nadat hij heel even op vijf seconden had gehangen, dát was volgens hem het verschil met Van der Poel, die een sterkere tweede wedstrijdhelft reed. Ik was niet goed genoeg, was zijn conclusie.

Ten slotte nog dit. Eén keer per jaar moet dit van mijn lever en door uw strot. Er waren zaterdag en zondag in Oostende vier gouden medailles te winnen en ze gingen alle vier naar Nederland. Verder lagen nog acht medailles van een andere legering klaar en daarvan hebben ze er nog eens vier om een Nederlandse nek gehangen. België heeft er drie en een verloren gelopen Hongaarse kreeg ook nog een bronsje. Veldrijden wordt meer en meer korfbal op wielen.

Mathieu en Wout, ik wil niks afdoen van jullie wereldprestaties, maar verdwijn nu uit de zandbak en de modder en gun de andere jongens ook nog iets.

Column over WK veldrijden in De Morgen van zaterdag 30 januari 2021

België-Nederland

Het zand zal beslissen. Ik weet wat het is om in het zand te rijden. Correcter: ik weet wat het is om níét in het zand te kúnnen rijden. Trap ik te klein, te groot, leg ik mijn gewicht te veel naar achteren of toch weer naar voren, of rij ik gewoon te traag? Het zal van alles wel wat zijn.

Zandrijden is techniek, dat geldt zowel voor de fietser als voor het materiaal. Is die 1,2 bar in mijn banden te weinig? Of nog te veel? Minder vertrouw ik niet, met mijn gewicht. En ik rij dan nog op mountainbikebanden van 2,75 inch, dat is bijna 7 centimeter breed. Met een te grof profiel, ook dat nog.

Donderdag zag ik op Twitter twee filmpjes passeren. Eén kwam van de Real Federación Española de Ciclismo: ‘Meer beelden van de spectaculaire training van de leden van de Spaanse selectie voor de Mundial de Ostend21.’ Je ziet rood-gele mannetjes langs palmbomen rijden op een strand waarin een spoor is getrokken. Correctie: de eerste rijdt, zou dat Felipe Orts zijn? De tweede gaat al wat minder hard en de derde zou ik kunnen zijn. Hij moet al na een paar meter van de fiets als hij uit het brede spoor sukkelt.

Dan het tweede filmpje, gepost door Alpecin-Fenix: de oranje broers Van der Poel die het zand van Oostende testen, komend van de Koninklijke Gaanderijen. Mathieu rijdt er als een speer doorheen, David doet het wat rustiger aan.

Het is vrijdagochtend, dit stukje moet binnen en ik heb nog geen Van Aert-filmpje gezien.

Goh, wat wordt het spannend. Collega Thijs Zonneveld had gelijk toen hij het WK veldrijden maandag in De tribune als het leukste uurtje van de hele winter betitelde. Er sneuvelen kijkcijferrecords, ga daar maar van uit. Publiek is niet toegelaten en maar goed ook, want dit is een ouderwetse België-Nederland om de wereldtitel, in België. De laatste keer, in Zolder in 2016, werd het randje naar. Mathieu van der Poel werd uitgejouwd en haalde niet eens het podium. Hij is dat niet vergeten.

De laatste keer België-Nederland in het zand voor de wereldtitel was in Koksijde. Paul Herygers haalde Richard Groenendaal in, tikte hem even op de schouder en kwam later solo over de streep. Het verschil tussen toen en nu is immens. In 1994 waren veldrijders nog gebuisde wegrenners die hun boterham uit de modder moesten halen. Vandaag zijn ze cycling’s finest crop zoals een internationale wielersite Van der Poel en Van Aert laatst omschreef. Voor het eerst kijkt de hele wielerwereld mee naar wat morgen in Oostende in de op één na kleinste wielerdiscipline te gebeuren staat.

De stand in gewonnen WK’s vóór dit duel-aan-zee is 3-3. Bart Wellens en Sven Nys geven Wout van Aert als favoriet. Ze verwijzen naar zijn grote motor en zijn onverzettelijkheid als het gaat om lange tijd hoge vermogens te trappen. Dat vermogen van Van Aert is ongetwijfeld fenomenaal, maar ik heb ook al waarden van Van der Poel gezien die flirten met de wetenschappelijke grenzen.

In een uur een hoog vermogen leveren, zullen ze elkaar niet veel ontlopen. Maar vergelijkingen met de ploetercross van Dendermonde, waar continu hoge vermogens vereist waren, zijn naast de kwestie. Het zwaarste stuk in Oostende is het stuk vanaf het strand bergop. Dat gaat tegen 10 per uur door stroef zand en dan komt die brug van 55 meter aan 21 procent. Dat ploeterstuk is in totaal 150 meter lang. Daar rijden ze minimaal 2 (7,2 km/u) tot 3 meter (10,8 km/u) per seconde. Resultaat: tussen 50 en 75 seconden stoempen. Het andere zware stuk, van het harde zand van de waterrand naar de dijk, zal minder dan een halve minuut duren. Oostende wordt een intervalcross. Dat vereist ook vermogen, maar anders.

De banden? Met 33 millimeter zal ik er niet ver af zijn. En de druk? Insiders denken tussen 1,05 en 1,2 bar. Het profiel hangt dan weer af van de techniciteit van de chauffeur en van het weer en van de staat van het parcours. Nogmaals, het zand zal beslissen. Het losse zand van de duinen van Koksijde is niet het zand van het strand van Oostende, waar sporen makkelijker blijven liggen, maar dat tegelijk stroever loopt omdat het natter is. Met andere woorden: de winnaar is hij die met het meest gunstige zandprofiel kan/durft rijden, onderweg de minste energie verbruikt én recht kan blijven op het vettige stuk in de hippodroom.

Ik sprak onze bondscoach Sven Vanthourenhout voor dit WK (zie Zeno) en hij praat rechtuit: inzake crosstechniek is Van der Poel superieur, waardoor hij op beslissende momenten net iets frisser is. Lukt het hem niet om snel weg te rijden van Van Aert, dan krijgt die het mentale overwicht. Gelukkig is de aankomstzone breed en lang genoeg om er een Ronde van Vlaanderen-sprint van te maken, deze keer op sintels.

Het kamp-Van der Poel is alvast redelijk gerust: “De kansen? Tachtig-twintig, voor Mathieu.”

Interview Sven Vanthourenhout in De Morgen van zaterdag 30 januari 2021

‘Van der Poel heeft dat speelse, Van Aert is een machine’

Nooit had een bondscoach in het wielrennen meer te vertellen dan Sven Vanthourenhout (40), en dat in een jaar met twee wereld- kampioenschappen in België. Dit weekend is het WK veldrijden in Oostende. ‘Ik moet die gasten niet vertellen hoe ze moeten winnen.’

Hij genoot al veel respect onder wielrenners en volgers, en toen Sven Vanthourenhout op maandag 18 januari de selecties voor het WK cross bekendmaakte, is dat respect alleen maar gegroeid. Omdat Wout van Aert de wereldbeker won, krijgt Tim Merlier de extra plaats, en hoewel die Belg is, heeft de Nederlander Mathieu van der Poel er meteen een potentiële handlanger bij. Voor Thibau Nys, zoon van zijn boezemvriend Sven Nys, had hij dan weer geen plaats in de belofteselectie. Sven Vanthourenhout kan alle beslissingen objectiveren.

“Selecties zijn een gevolg van uitslagen. Sven Nys belde mij de week voor ik de selectie zou bekendmaken. ‘Hoe staat Thibau er voor?’, vroeg hij. Ik zei: ‘Niet goed.’ Sven en ik hebben jaren samen opgetrokken, maar dat speelt hier geen rol. Wil je mijn Excel-file met alle uitslagen zien? Van de laatste tien wedstrijden staat er zeven keer dnf (did not finish, red.) bij Thibau. Ik heb in eer en geweten geselecteerd, gebaseerd op data.”

Groot talent wellicht, de kleine Nys, maar overbelicht.

(zucht) “Als er nu iets is waar Sven en ik van mening over verschillen… Hoe Thibau nu bezig is, dat zou carrièrebedreigend kunnen zijn. De media-aandacht, de sociale media, maar ook de belasting op jonge leeftijd en vooral het verwachtingspatroon. Sven weet hoe ik daarover denk. Los daarvan is het misschien niet eens zo erg dat Thibau eens tegen de muur loopt. Het zal hem weer met beide voeten op de grond zetten.”

Hoe wordt een coach van de beloften – de categorie onder 23 jaar – ineens bondscoach van veld en weg?

“Dat begint met de renner die stopt (maart 2016, red.) en een mooie kans krijgt om bij Telenet-Fidea de beloften en de vrouwen te begeleiden. Ik heb mij toen meteen gesmeten en een dik jaar later heeft de bond mij gevraagd om in de plaats van Rudy De Bie bondscoach veldrijden te worden. De Bie had het daar moeilijk mee, en terecht. Het had netter gekund, zeker hoe het in de media is gekomen, maar ik heb hem meteen gebeld: ‘Rudy, dit is mij gevraagd en ik heb toegezegd. Kunnen we samenzitten?’ Een dag later zaten we om de tafel en ik heb hem nadien vaak om raad gevraagd.

“Omdat ik in dienst van de bond was, wilde ik mij ook nuttig maken in de maanden dat er geen veldrijden was. Zo ben ik meegegaan om te helpen met Carlo Bomans en zijn klimproject. Daar zat toen ene Remco Evenepoel in. Tegelijk hielp ik Ludwig Willems met zijn vrouwenploeg en zo was ik overal bij betrokken. Op het moment dat Kevin De Weert na het WK in Innsbruck in 2018 als bondscoach stopte en naar Lotto-Soudal ging, dacht iedereen dat ik hem zou opvolgen.

“Het werd Rik Verbrugghe, maar toen hij ook al na een jaar vertrok om sportdirecteur bij Israel Start-Up Nation te worden (het team van Chris Froome, red.), kwam ik weer in beeld. ‘Zijn weg en veld te combineren?’, vroegen ze bij de bond. Welnu, als er twee disciplines te combineren zijn, dan wel die. Zo is het gegaan.”

Bondscoach wielrennen is meer bond dan coach.

“Ik moet ervoor zorgen dat ze zich goed voelen als we naar een EK, WK of Olympische Spelen gaan. Ik werk met toppers in hun sport en die zijn logistiek wel wat gewend, ook qua voeding en sportdrank. De logistiek en randvoorwaarden op orde hebben, is mijn taak.

“Met Wout van Aert vorig jaar wees de tactiek zichzelf uit. Daar zit een logica achter. Je zet Eden Hazard ook niet achteraan en Kevin De Bruyne niet in het doel. Het is duidelijk dat Van Aert met dat palmares als kopman mee bepaalde hoe we zouden koersen. Ik moet die gasten niet vertellen hoe ze moeten winnen.

“Ik kan wel wegen op de samenstelling van een evenwichtige ploeg en zodoende een situatie creëren waarin de ploeg in die tactiek meegaat. Dat hebben we op het weg-WK in Imola afgelopen herfst zo gedaan, en dat is ook uitgevoerd. Jammer, maar helaas: er was er op die dag één beter dan Wout (Julian Alaphilippe won, red.).

“Of Primoz Roglic, een ploegmaat van Van Aert bij Jumbo-Visma, hem nog meer had kunnen helpen dan hij heeft gedaan? Ik denk echt dat hij niet beter kon.”

Het is geleden van de Merckx-jaren dat België op de weg nog zo veel talent had.

“We hebben een fantastische jonge generatie met Evenepoel en Van Aert. We hebben toppers van 20 tot bijna 40 jaar oud en er komt nog wat aan. Ooit komt de dag dat ik Philippe Gilbert en Greg Van Avermaet zal moeten bellen met de melding dat ze er niet bij zijn. Dat is dan de minder leuke kant van de job.”

U bent de eerste bondscoach met twee WK’s in eigen land.

“Ja, het wordt een wreed jaar.”

Ik wil niet onrespectvol klinken, maar u hebt in uw carrière uw wagonnetje altijd op het goeie moment aan de juiste locomotief gehaakt, te beginnen met Sven Nys.

(lacht) “Met Sven op pad gaan was voor mij anders niet altijd de beste manier om nog ambitie te koesteren. Sven trainde en trainde en legde de lat altijd hoger. Ik had dat niet nodig, ik heb dat nooit gedaan, dus ik kwam vaak in overreaching. Sven weet dat, Paul Van Den Bosch (sportcoach, red.) weet dat en ik ook.

“Als we de trainingen analyseerden, zag je dat onmiddellijk, maar ik heb geen spijt. Het is gelopen zoals het is gelopen. Ik heb een carrière met ups en veel downs gehad en dat zie ik nu als één lang leerproces dat me bij wat ik nu doe van pas komt. Ik kan dat zelf loslaten, maar kan daardoor de opkomende talenten behoeden voor wat ik fout heb gedaan.”

In de grilligheid van uw carrière zaten verdachte schommelingen.

“Ik begrijp dat je zo dacht. Als we het over het epo-tijdperk hebben, dan heb ik wel mijn verdediging klaar. Van mijn veertiende tot op vandaag heb ik een hematocriet (volume rode bloedcellen ten opzichte van het totale bloedvolume, red.) van 0,50-0,51 gehad, wat inhoudt dat er voor mij geen opties waren om dat nog hoger te krijgen (bij een hematocriet van meer dan 0,52 wordt het bloed te ‘plakkerig’, red.).

“Je bent niet de enige die mij ooit verdacht. In 2002 reden we met Domo-Farm Frites de Ronde van Zwitserland. Ik was eerstejaarsprof. We hadden zes of zeven van de toen nog tien koersdagen gehad en af en toe had ik echt afgezien. Op dag acht hadden we ’s ochtends bloedcontrole en ik had 0,502 hematocriet. Yvan Vanmol was ploegdokter. Na de rit moest ik direct bij hem op de kamer komen. Hij liep vijf keer rond de kamer zonder iets te zeggen en ik zat daar. Ik denk dat het wel vijf minuten duurde. Ik wist niet wat of hoe. Ineens sprak hij: ‘Sven, wat heb je gedaan?’

“Ik was eerstejaarsprof, ik had nooit iets gedaan en ook nooit iets zien doen. Yvan toonde mij de bloeduitslag. ‘Goh,’ zei ik, ‘50,2, dat is goed.’ Hij was verontwaardigd dat ik er nog trots op was ook. Ik legde hem uit dat Toon Cruyt, die later ook bij de ploeg-Lefevere is gekomen, altijd van jongs af aan mijn sportarts is geweest en dat hij mijn bloedwaarden kende. Yvan heeft Toon toen meteen gebeld en die heeft hem gerustgesteld: ‘Niet mee inzitten, van bij de nieuwelingen is die nooit onder de 0,49 gegaan.'”

Point taken, maar verklaar uw carrière dan eens? Vergeef mij het sarcasme, maar één ding zullen ze van de bondscoach Vanthourenhout niet leren en dat is veel winnen.

“Dat klopt helemaal. Ik was geen grote winnaar. Ik ben ervan overtuigd dat je niet noodzakelijk de beste ploegleider bent omdat je veel koersen hebt gewonnen. En ik ben ook het bewijs dat wat je in de jeugd presteert, niet altijd op latere leeftijd een vervolg krijgt. Ik heb als jeugdrenner heel veel gewonnen, tot bij de beloften, waar ik wereldkampioen werd in het veld.

“Ik ben prof geworden op mijn twintigste. De winter 2004-2005 was mijn beste in de cross. Daarna ben ik bij Rabobank gekomen en is het bergaf gegaan. Ik heb als jeugdrenner nooit veel getraind, eerder gewoon gefietst. Ik had dat talent: ik kon winnen zonder echt te trainen. Ik had waarschijnlijk wel een ‘motor’ want ik overleefde die Ronde van Zwitserland ook als eerstejaarsprof. Ik kwam zelfs een keer als vijfde over de meet in een rit die de Duitser Erik Zabel won.

“Later heb ik mij te veel belast door met Sven Nys mee te willen doen, daar ben ik wel zeker van. Ik was veel beter gewoon blijven fietsen in plaats van zo intensief te trainen. Eigenlijk was ik ook de eerste van de nieuwe generatie die de weg combineerde met drie maanden veld, een beetje zoals Tim Merlier en Gianni Vermeersch nu, en uiteraard ook Mathieu van der Poel en Wout van Aert, maar met hen ga ik mij niet vergelijken.”

U won vier kleine wegwedstrijden, waaronder de Grote Prijs Briek Schotte.

(lacht) “Dat levert je geen monstercontract op. De Briek Schotte, daar had ik wel mijn zinnen op gezet. Desselgem was een van de mooiere kermiskoersen en we kwamen in de finale met Max van Heeswijk, Bart Leysen en Gert Steegmans. Ik ben in de laatste anderhalve kilometer weggereden. Hoeveel ik heb moeten betalen? (lacht) Daar hangt een verhaal aan vast. Bart Leysen werd een jaar later mecanicien bij Patrick Lefevere in de ploeg. Alles viel in de juiste plooi.”

U zat wel erg mooi op uw fiets.

“Dat zeggen ze nog steeds.”

Maar dat maakt het uittesten van het BK-parcours met de televisie in uw spoor niet minder belachelijk.

“Dat doe ik omdat de bond dat vraagt, onder meer voor hun partners. Ik sta daar niet om te springen, om heel eerlijk te zijn. Ik ken mijn plaats. Fietsen is voor mij nog alleen recreatief. Ik heb ook vaker mijn loopschoenen dan mijn wielerschoenen aan.”

Lopen kon u beter dan Sven Nys.

“Juist, met het lopen kon ik hem pijn doen. Wat ik beter niet had gedaan, want ik kreeg dat tijdens de fietstraining terug. Sven en ik hebben samen veel meegemaakt. Hij heeft zijn eigen palmares gecreëerd, maar er zijn ook momenten geweest dat ik voor hem een meerwaarde was. Sven was in het begin heel onzeker en had bevestiging nodig. Ik kon beargumenteren waarom hij de beste was en hij luisterde echt.

“Drie weken voor het WK van 2013 in Louisville zat hij fysiek en mentaal op of zelfs over de rand. Ik heb hem toen gezegd dat hij drie dagen van zijn fiets moest blijven – iets wat voor hem tot dan compleet ondenkbaar was. Hij heeft mijn raad opgevolgd en hij voelde bij onze trainingsrondjes in Lichtaart meteen het resultaat. Ik weet zeker dat het hem heeft geholpen om wereldkampioen te worden.”

Was u ook niet beter dan Nys in de Cape Epic die jullie samen reden?

“We waren daar ongeveer even goed. Lange inspanningen liggen mij. De eerste drie uur was hij altijd beter dan ik. Gingen we richting het vierde uur, dan kantelde dat en het vijfde uur deed ik met hem wat ik wilde. Blijkbaar is uithouding mijn talent. Ik heb in 2019 de marathon van Rotterdam gelopen. Ik had een startnummer van iemand kunnen overnemen en ik had niet echt veel getraind, maar ik was in 2u36 binnen, ook al was ik naar het einde toe aan het sterven. En dan te weten dat Koen Naert (Belgische marathonloper, red.) mij nog zo voor de muur van de 35 kilometer had gewaarschuwd.”

De cross zit nu met twee supergetalenteerde renners die als het past een intensieve training inlassen – een cross op zondag – en daar 10.000 euro voor krijgen. In die wedstrijd rijden ze dan iedereen naar huis.

“Het grote voordeel is dat Wout van Aert en Mathieu van der Poel op de weg ook geen ‘pelotonvullers’ zijn. Ze winnen Milaan-Sanremo en de Strade Bianche en in de finale van de Ronde van Vlaanderen rijden ze samen een minuut weg van andere grote namen. Onze crossers weten dat ze te maken hebben met twee echte fenomenen, dat maakt het draaglijker.

“Er is nog wel overlap geweest tussen de weg en het veld – denk maar aan Zdenek Stybar en Lars Boom – maar het is wel voor het eerst dat renners beide disciplines schijnbaar moeiteloos combineren en domineren.

“Als Mathieu en Wout er zullen zijn, rij ik met een ander verwachtingspatroon naar de wedstrijd. Ik krijg soms de opmerking dat ik te veel bewondering heb voor Van der Poel. Hoe kan je nu geen bewondering hebben voor de atleet Mathieu van der Poel? En voor Wout van Aert?

“Ik heb ook geen moeite om mijn bewondering te tonen voor wat de broers Roodhooft met hun Alpecin-Fenix presteren. Zij pakken dat erg slim aan. Twee jaar geleden hadden ze al een WorldTour-team kunnen worden door een licentie te kopen. Neen, ze hebben eerst geïnvesteerd in hun ploeg en in een prestatiecultuur. Ze bleven Pro Continentaal en mogen overal starten, maar moeten niet overal starten, hoe comfortabel is dat?”

Er zit maar één voordeel aan voor het veldrijden: wegrenners moeten niet langer bang zijn om ook te crossen.

“Daar is niet iedereen van overtuigd. Laatst had ik nog een gesprek met een trainer en die had het toch liever niet dat zijn renner – die vroeger een topcrosser was (dat was Stybar, die nu toch meedoet, hv) – nog eens in het veld zou komen rijden. Ik snap niet waarom: die intensieve prikkel kan geen kwaad, wel integendeel. De combinatie van uithouding en die korte intensieve inspanning is volgens mij een goeie zaak. Met Wout en Mathieu weet je ook zeker dat die altijd zullen crossen. Ze verdienen er goed hun boterham mee. Ze doen het erg graag. En ze winnen op het veld en op de weg.”

Als we Van der Poel vergelijken met Van Aert, eerst fysiek…

“… Puur voor de cross? Voor een inspanning van een goed uur op een crosstechnisch parcours heeft Van der Poel een streepje voor. Hoe verder ze in hun carrière komen, hoe meer ze zullen verschillen en Van der Poel vaker in het voordeel is. Waarmee ik niet wil zeggen dat Van Aert nooit meer zal winnen van Van der Poel. Dat zal nog gebeuren en misschien zelfs op het WK.

“Van der Poel kan in een intervalinspanning enorm hoge waarden halen en recupereert daar heel snel van. Hij heeft dat in zich en combineert dat ook met een killerinstinct, wat dan weer verband houdt met het fysieke en technische. Mathieu komt zuiniger in die laatste ronde. Wout is toch van de langere volgehouden inspanning en traint daar ook op: tijdritten, lang meegaan in de cols. Van der Poel zie ik nooit een klassement rijden in een grote ronde, Van Aert wel.

“Ik ben gefixeerd op rondetijden. Telkens na een wedstrijd wil ik die bestuderen. Dan zie je ineens dat Van der Poel in ronde drie 25 seconden rapper is dan de rest. Hoe kan dat? Geloof mij, ik héb gecrost, dat is bijna niet te doen.”

Van der Poel heeft zich op sommige belangrijke momenten, zoals op het WK in Valkenburg in 2018, mentaal fragieler getoond dan Van Aert.

“Mentaal is Wout absoluut sterker dan Mathieu. Wout is een machine. Natuurlijk kan Mathieu ook diep gaan en afzien, maar Wout is veel meer een sterke kop. Ik heb hem al vaak op hotel meegemaakt. Het verschil tussen Wout de dagen in de aanloop naar en de dag van de wedstrijd is immens. De wielrenner wordt dan een machine, klaar om te presteren.

“Mathieu is ook ernstig bezig met zijn vak, ongetwijfeld, maar hij heeft toch eerder dat speelse in zich. Ik denk ook dat Van Aert op de minuut en de watt het schema van zijn trainer volgt en dat dit bij Mathieu toch iets anders verloopt. Ik weet wat Wout elke dag doet. Elke seconde die Marc Lamberts in het trainingsschema heeft gezet, wordt door Wout uitgevoerd. Elke dag opnieuw. Ik ken er heel weinig die dat kunnen.”

Technisch is Mathieu beter.

“Ongetwijfeld. Dat is dan het voordeel geweest van dat speelse. Hij rijdt even makkelijk en even graag met een BMX’je als met een crossmotor en hij rijdt in het veld, op de weg en niet te vergeten ook op de mountainbike. Daar wint hij, maar is hij niet bij de beste technici. Als het parcours erg technisch wordt, heeft hij soms moeite om de top te volgen.”

Hebt u nog wat kunnen morrelen aan het Oostendse parcours in het voordeel van de Belgen?

“Ik ben daar geweest. Wil je nog wat veranderd zien, vroegen ze. Ik heb niks gevraagd, behalve dat ze de trechter na de eerste bocht wat wijder zouden maken om ongelukken te voorkomen.

“Verder is het een parcours zonder veel franjes: eerst wat op de hippodroom draaien en keren, dan over de brug naar het strand, richting zee, een stukje langs het water, de dijk op en weer af, strand, brug over en weer op de hippodroom. Dat zand kan twee kanten uit. Kunnen ze erdoor rijden, dan is Van der Poel in het voordeel. Is het los en moeten ze lopen, is Van Aert in het voordeel. Als ze beiden in orde zijn, zal het spannen.”