Column Cold Turkey in De Morgen van maandag 16 maart 2020

Cold turkey

Gisteren had een hele spannende sportnamiddag en -avond moeten worden: de ontknoping van het degradatiedebat, de ultieme kwalificatie voor play-off 1 van Anderlecht (of niet) en in de aanloop daarnaartoe de laatste rit van Parijs-Nice. Tussendoor had Sportweekend ons beelden geserveerd van het olympisch kwalificatietoernooi in het boksen, hadden we iets gezien van de F1 die in Melbourne was van start gegaan, een streepje rally had er ook nog bij gekund.

Alleen van wielrennen en boksen hebben we nog een laatste glimp kunnen opvangen. Voor wie denkt ‘toeval’, neen, dat is het niet. Meer dan welke andere sport ook dragen boksen en wielrennen het recht van de sterkste hoog in het vaandel. Wat is een onbekende griep vergeleken bij een slag op de hersens waarbij heel wat lichten uitgaan en misschien uitblijven? Wat is een onbekende griep vergeleken bij een duik in het ravijn? Dat er in Engeland publiek bij aanwezig was, is dan weer te gek voor woorden en kan alleen maar te wijten zijn aan die crazy Boris and his brexiteers.

Nooit sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft de wereld minder gesport dan in het weekend van 14 en 15 maart 2020. En niet voor het laatst: de weekends van 21 en 22 maart en die van 28 en 29 maart worden nog sportarmer. Voor een sportliefhebber en een sportjournalist – dat zijn niet altijd synoniemen – is dit een keiharde ontwenningskuur na decennialang drugsmisbruik. Dit is cold turkey gaan en niet weten waar je uitkomt.

De volleybalcompetitie zal na 3 april niet meer herbeginnen. Voor het oorlogsjaar 2019-’20 wordt geen kampioen aangeduid. De basketbalcompetitie zal na 3 april ook niet meer herbeginnen. Daar hebben ze wel een kampioen aangeduid: Oostende, omdat dat nu op één staat. Vreemd, want daar zijn ze het gewend door te gaan tot begin juni met allerhande eindrondes. De officiële mededeling luidde dat ze die beslissing hebben genomen met bijstand van juristen en medici. Nonsens. Ze hebben gewoon hun rekening gemaakt. Net als voor het volleybal was er voor het basketbal nog tijd zat in om in april, desgevallend mei een eindronde in elkaar te boksen. De reden dat beide competities nu zijn stopgezet is puur en simpel te wijten aan de exodus van buitenlanders die terug naar huis zijn of zo snel mogelijk terug willen.

Zowel ons volleybal als basketbal draait competities op een handvol goeie Belgen – samen met moeite één volwaardige eersteklasser – en hele horden buitenlanders. Die in België houden, verder moeten betalen en onderhouden, is in ons inflatoire businessmodel van de zaalsporten je reinste zelfmoord. Wat we nu meemaken zou ons aan het denken moeten zetten om de instapdrempel voor niet-EU-sporters gevoelig op te trekken. De toekomst zal het uitwijzen, maar het vermoeden bestaat dat ze in Nederland, waar veel buitenlanders spelen, dit seizoen wel nog competitief zullen volleyballen en basketballen.

De sportieve lockdown is niet meer dan terecht. Voetballen zonder publiek is geen optie. Of een keer bij grote uitzondering, maar een wedstrijd zonder publiek staat haaks op de verbondenheid die hoort bij spektakelsport. Alleen in Engeland hadden ze een iets andere opinie en daar was tot midden vorige week de officiële mantra dat de fans maar een beetje op afstand moesten blijven.

Of hoe je enerzijds de bevolking vraagt thuis te blijven en contact te mijden, om dan alsnog voetbal te organiseren met publiek. Ze mogen daar van geluk spreken dat een T1 van een topclub – Mikel Arteta van Arsenal – positief testte, waarna de geldfabriek Premier League in arren moede ook maar de deuren dicht deed.

Bij al die terechte maatregelen hoort ook het sluiten van alle sportfaciliteiten. Een uitzonderingsmaatregel voor topsporters die moeten trainen in functie van wat komt zou wel op zijn plaats zijn. Het sluiten van topsportcentra is geen goed idee. Je kan een atleet niet even stilleggen zoals een lopende band. De atleet is ook geen superverspreider; de kans dat die zich niet zal beschermen tegen het virus is te verwaarlozen. Ze worden ook verondersteld minder vatbaar te zijn voor aandoeningen of althans de effecten ervan minder te voelen en sneller te herstellen.

Een heel interessante case, zeker voor de Italianen, is het gevolg van deze verplichte sabbat midden in een seizoen dat geheel in functie staat van de Olympische Spelen. Volgens zowel IOC-baas Thomas Bach als premier Shinzo Abe van Japan gaan die overigens gewoon door. Optimisme is een morele plicht, aldus virologisch baken Marc Van Ranst. Ik geloof ook nog steeds in Tokio 2020.

 

20200316_De-Morgen_p-21-mail

Interview Thomas Bach en reportage IOC in De Morgen van zaterdag 14 maart 2020

‘We hebben nog geen plan B

Dinsdag trapt België het olympisch jaar 2020 af met 100 jaar Spelen in Antwerpen, zonder sportpaus Thomas Bach die wegblijft door corona. De Morgen ging dan maar zelf op audiëntie. ‘Wel of geen Tokio 2020 door corona, al of niet met Russen door doping? Maak u geen zorgen, dat doe ik ook niet.’

Adembenemend. Klasse. Niet pompeus, maar een en al majestueuze uitstraling. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) heeft zich met zijn nieuwe hoofdzetel aan de boorden van het Meer van Genève definitief in de 21ste eeuw gekatapulteerd. Deze achterstand maakt de wereldvoetbalbond FIFA niet meer goed.

Vorige maandag. Drie Belgen staan bovenaan op de centrale wenteltrap die bestaat uit de vijf olympische ringen en hebben net
de executive boardroom bezocht. Onze Belgische gastheer en gids praat honderduit en kijkt met een mix van geamuseerdheid
en trots hoe we foto’s nemen. Dit gebouw was zijn project. Zijn voormalige baas Jacques Rogge had gezegd: “Oké voor de haalbaarheidsstudie, maar ik ga dit niet meer beslissen. Dat is voor mijn opvolger.” De nieuwe, Thomas Bach, had gelachen: “Hmmm. Toevallig één van de agendapunten van mijn voorzitterschap. Doen.”

Afgelopen maandag was een klassiek dagje Lausanne. Er ging veel mailverkeer aan vooraf, zoals de items voor het interview met The President, de codes voor het internet en de toegang tot de ondergrondse parking. Op plaats 123 stond een rood kegeltje. Aan de muur een blad: Messieurs Vandeweghe et Vandeweyer. Die laatste is de collega van Le Soir met wie de missie ‘terug naar het sport- Vaticaan, bezoek aan het IOC, interview Bach’ was opgezet. Een man van de security – in battle dress en boots – loodste ons door de poortjes.

Het IOC mag dan een beetje op het Pentagon zijn gaan lijken, de balie werd zoals tijdens de jaren onder Rogge bemand door een oude bekende: Annie Inchauspé. Annie was ooit de personal assistant van wijlen Juan Antonio Samaranch en de vrouw bij wie ik niks meer fout kan doen sinds de dag – il y a 25 ans, herinnerde ze zich nog – dat ik tijdens een trip langs de nieuwe Russische republieken die hele zware tas die ze overal met zich meezeulde, van haar overnam. Wat daar dan in zat, vroeg ik in een stoute bui toen we in Minsk in het paleis van Lukasjenko onze intrek hadden genomen. “Prullaria om uit te delen et les haltères du président.”

Samaranch leeft niet meer, jammer, hij had het nieuwe gebouw moeten zien. En vooral dan de state-of-the-artfitnessruimte. Geen sprake meer van overal zijn gewichtjes mee te sleuren, van Lausanne Palace naar kantoor en vliegtuig op, vliegtuig af. Hier had hij elke dag om zeven uur zijn oefeningetjes kunnen doen, zeker weten. Maar Samaranch is niet meer en zijn opvolger Jacques Rogge, die mij bevoorrecht deelgenoot maakte van zijn eigen bestaan als sportpaus, is na zijn maximale termijn van twaalf jaar ook alweer zes jaar vrijwillig in het verborgene getreden.

Dertig jaar geleden was ik hier voor het eerst voor de ontmaagding in de wondere wereld van de olympische bobo’s, een one on one met Juan Antonio Markies de Samaranch. Na de steile opgang van Jacques Rogge – in 1991 het nieuwste en al snel meest prominente Belgische IOC-lid ooit – kwam ik er elk jaar wel een keer. Toen de voormalige chirurg in Moskou in 2001 de hoogste sportinstantie ging leiden, werd dat zelfs een bevoorrechte rol van waarnemer met geregeld een trip samen en jaarlijks één lang bezoek met lunch en interview.

De laatste keer was 2013, voor een finaal afrondend gesprek met de bijna uittredende Rogge. In 2016 stond opnieuw een tripje naar Genève/Lausanne gepland. De EasyJet van 8.30 uur is die dag nooit vertrokken omdat die 22ste maart aanslagplegers de vertrekhal waar ik een half uur eerder was doorgelopen hadden uitgekozen om dood en vernieling te zaaien. De eerste bezorgde ‘alles oké?’ kwam toen vanuit Zwitserland.

Sommige dingen zijn veranderd, zoals het imposante nieuwe gebouw, maar niet de man die ons rondleidt in zijn project en die ook het gesprek met Thomas Bach heeft geregeld. U heeft zijn naam nog te goed: Christophe De Kepper, de belangrijkste Belg in de sport van wie u vast nog nooit heeft gehoord. Dat komt door zijn tweede voornaam: Discretie.

De Kepper was de kabinetschef van Rogge en toen diens afscheid nabij kwam, werd hij, zoals in de politiek, door zijn baas gepromoveerd naar een minder volatiele baan. De Kepper is sinds 2011 directeur-generaal van het IOC, de hoogste in rang in vaste dienst, zeg maar de CEO. In afwachting van onze audiëntie bij de allergrootste baas worden we bijgepraat. Over corona en de Spelen, over het immer vervelende Canadese IOC-lid Dick Pound die nog steeds niet heeft verwerkt dat hij in 2001 door Rogge werd geklopt in de race om het voorzitterschap, ten slotte ook over de columns van ondergetekende die hem vanuit het thuisland worden doorgestuurd en fel becommentarieerd.

Over het verschil tussen Bach en Rogge zegt Christophe De Kepper: “Rogge is een Belg van wie je verwacht: aha, een bourgondiër. Bach is een Duitser van wie je verwacht: altijd ernstig. Welnu, Bach is meer bourgondiër dan Rogge.”

Hij hangt er geen waardeoordeel aan vast, maar je merkt dat hij, net als Rogge, ook zijn nieuwe baas hoog heeft zitten. Dat staat in schril contrast tot de algemene perceptie die de buitenwereld en vooral de media van de kleine Duitser hebben.

Als het moet, pakt De Kepper ook de kogel. “De kwestie Rusland en de doping en dat we hen niet als land hebben uitgesloten voor de Spelen van Rio en later Pyeongchang? Dat was vooral mijn dossier en mijn advies was: geen totale uitsluiting. De voorzitter is mij daarin gevolgd. Ik wil dat gerust op mij nemen en ik sta daar nog steeds achter.”

De espresso bij het antichambreren in afwachting van het interview wordt verrassend door de IOC-voorzitter zelf gebracht. “Let’s work, u begrijpt dat het een beetje druk is nu.” Een uur later zal woordvoerder Mark Adams de klassieke woorden ‘last question’ spreken.

Beginnen we met de coronacrisis en hoe het IOC daarop reageert met het oog op de Olympische Spelen deze zomer in Tokio?

Thomas Bach (glimlach): “O, die vraag had ik niet verwacht. Corona schept een probleem. Op korte termijn zitten we met de kwalificatietoernooien die her en der op stapel staan. Aanvankelijk volstond het om toernooien te verhuizen, maar nu kunnen ze soms nergens meer gehouden worden door reisbeperkingen. Atleten moeten het land uit kunnen, maar ook nog kunnen terugkeren.

“Ik ben zeer te spreken over de solidariteit van de olympische beweging: sportbonden en olympische comités zoeken samen naar oplossingen om die toernooien te kunnen afwerken. Maar niet alleen dat. Atleten uit getroffen gebieden zijn nu over de hele wereld opgevangen en werken daar hun training af. Niet ideaal, maar toch beter dan in quarantaine zitten.

“We hebben voor een aantal sporten de kwalificatieperiode verlengd en voor een aantal andere sporten zullen we misschien het aantal toegelaten atleten moeten verhogen, maar dan alleen in samenspraak met de organisatoren in Japan. Het gaat niet over een paar duizend atleten extra, eerder een paar honderd.”

Wat is uw grootste zorg?

“Dat zou kunnen zijn dat de Spelen in gevaar komen, maar met wat we vandaag weten en met de maatregelen die internationaal zijn genomen, gaan we ervan uit dat we op 24 juli beginnen met de Olympische Spelen. Tegelijk zijn wij geen onverantwoorde organisatie en hebben we al van eind januari een task force opgezet samen met de organisatie, de Wereldgezondheidsorganisatie en de bonden. Neen, we hebben geen plan B, maar we bestuderen wel verschillende scenario’s.”

Zoals later in 2020 of zelfs in 2022 organiseren, zoals vanuit Japan werd geopperd?

(zucht) “Ach, daar is zo veel om te doen geweest en vervolgens zo veel over gespeculeerd. Of ik verrast was door die uitspraken? Laten we zeggen – hoe moet ik nu diplomatiek blijven? – dat ik ze niet had verwacht. Of het überhaupt kan, uitstel, dat is niet aan bod gekomen. Om eerlijk te zijn, ik heb als hoofd van de juridische commissie zes jaar geleden het contract met het organisatiecomité onderhandeld namens het IOC, maar dat ding is zo dik en ik zou niet weten wat daar precies in staat. We bereiden op het IOC de Spelen voor zoals een atleet: we hebben een doel en daar gaan we voor en alles wat ons zou kunnen afleiden van dat doel, proberen we te vermijden. ‘Als’ en ‘indien’ leiden zelden tot succes.”

Laten we ervan uitgaan dat de Spelen doorgaan. Wat verwachten we van Tokio 2020? De editie 1964 was alvast op technologisch vlak baanbrekend.

“Ik denk dat dit opnieuw een mijlpaal wordt. Niet alleen op technologisch vlak, zoals virtuele realiteit, 8K-televisie en artificiële intelligentie voor de toeschouwers. Dit zijn de Spelen van de vierde industriële revolutie, maar evengoed urbane Spelen. Desondanks zullen ze CO-neutraal zijn. Daarnaast zijn er vijf totaal nieuwe sporten, de grootste hervorming in meer dan vijftig jaar van het olympisch programma. Ten slotte streven we nu naar evenveel vrouwen als mannen. We zullen in Tokio 49 procent vrouwen hebben.”

Het was voordien al zes keer makkelijker voor een vrouw om een medaille te halen dan voor een man. Dat is wel een heel erg positieve discriminatie.

(lacht) “Het is nooit makkelijker om een medaille te halen. Neen, en ook niet minder moeilijk. Die vergelijkingen, daar houd ik niet van. Dan moet je ook sporten vergelijken met veel en met minder deelnemers. We hebben het over de top van de top en daar is een prijs halen altijd zwaar.”

Wat is uw opinie over gender X? Mannen die zeggen dat ze een vrouw of geslacht-neutraal zijn en willen meedoen met de vrouwen?

“Dit stelt ons voor problemen en het gaat niet alleen over transgenders. Een sportorganisatie moet inclusief zijn, maar ook eerlijke competitie kunnen organiseren. Daar moeten de regels op geënt zijn en dat is het probleem: men kan in deze problematiek niet voor iedereen goed doen.

“Neem nu Caster Semenya (Zuid-Afrikaanse hyperandrogene atlete met mannelijke testosteronwaarden, HV). Niet eens als jurist, maar puur vanuit menselijk standpunt heb ik alle begrip voor haar ergernis. Beeld je in dat je in haar plaats bent: de hele wereld is op de hoogte van je meest persoonlijke biologische kenmerken. Dat moet vreselijk zijn.

“Tegelijk is het de taak van haar internationale bond World Athletics dat er een eerlijke competitie wordt georganiseerd en daarom is er nu die regel over de maximale hoeveelheid testosteron aangenomen. Maar nogmaals: als mens bewonder ik haar om haar moed en de manier waarop ze hiermee omgaat.”

Zonder corona zou u naar België zijn gekomen voor de viering van 100 jaar Olympische Spelen in Antwerpen. Een gemiste kans om de eerste Duitser te zijn die iets te maken zou hebben gehad met de Spelen van 1920.

(lacht) “Ik weet dat in Antwerpen, net na de Eerste Wereldoorlog, Duitsers niet welkom waren, maar ik ben niet zo oud dat ik toen had kunnen meedoen. Het belang van 1920 kan niet worden overschat. Volkeren die het voordien niet altijd goed met elkaar konden vinden, samenbrengen om te sporten niet eens twee jaar na die vreselijke oorlog: dat was het unieke van deze Spelen in Antwerpen. In 1920 hing echt de geest van baron Pierre de Coubertin (stichter van de olympische beweging, HV) over de stad: de wil om te reconciliëren, de hunker naar vrede en een betere wereld, die waren heel sterk aanwezig.

“Antwerpen 1920 was ook zeer belangrijk voor de grote rol die België zou gaan spelen in de olympische beweging. Het is geen toeval dat jullie in 1925 met Henri de Baillet-Latour de opvolger van De Coubertin leverden als IOC-voorzitter en dat zeventien jaar lang. Ik heb altijd belangrijke Belgen gekend in de olympische beweging. De grote Raoul Mollet (legerkolonel en voorzitter van het Belgisch Olympisch Comité, HV) heeft bijvoorbeeld een grote indruk op mij gemaakt. Later is Jacques (Rogge, HV) ook nog gekomen, de tweede Belg die het IOC ging leiden, maar ook een discipel van Mollet.”

U bent de opvolger van Rogge. Hoe heeft hij u beïnvloed?

“Nog voor hij voorzitter werd in 2001 hebben Jacques en ik vaak samengewerkt. Hij in de strijd tegen doping en ik op juridisch vlak. Met hem als voorzitter werd doping een van onze prioriteiten. Zijn idee om de atleet centraal te stellen in de olympische beweging, is ook dat van mij. We zijn beiden atleet geweest en hebben ons in 1980 allebei verzet tegen de boycot van de Spelen door het Westen (België zou deelnemen, West-Duitsland niet, HV), nog iets wat ons bindt.

“We horen elkaar nog af en toe. Meestal per telefoon. Ik heb gevraagd dat hij een rol zou blijven spelen in het beheer van het Olympisch Museum. Om de zoveel tijd bellen we, mailen of treffen we elkaar hier voor een lunch.”

Rogge wilde absoluut de Spelen op 28 sporten houden en 10.500 atleten. U vindt dat er nog wat bij kan. In Tokio hebben we 33 sporten en 11.100 atleten.

“Dat was inderdaad een aspect waarover wij van mening konden verschillen. Vooral over het aantal sporten en medailledisciplines. Ik was het met hem eens over het aantal atleten en in Parijs 2024 zullen we terug aan die 10.500 zitten. Nu in Tokio gaan we naar 11.000 of in die buurt omdat het nu even moet voor de transformatie van het programma. Gelukkig kan Tokio dat aan.

“Wat het aantal sporten betreft: die vijf extra disciplines zijn niet echt een probleem, zolang er geen extra competitieplaatsen moeten worden ingericht – 310 gouden medailles uitreiken of 339 zoals in Tokio, dat maakt geen verschil als je geen nieuwe infrastructuur moet bouwen.”

Er is wat te doen geweest, vooral gevoed vanuit uw thuisland Duitsland, over Regel 40, de commerciële belangen van atleten die tijdens de Spelen worden ingeperkt. Sommige atleten eisen nu een deel van de koek.

“De atleten krijgen nu al een mooi deel van de inkomsten van de Spelen.”

Weten ze dat wel?

“Exactly. Dat is het hele probleem. Dat weten ze niet. Wij herverdelen 90 procent van de inkomsten terug naar de basis. Dat is bekend, dat staat in ons jaarrapport en toch… In vele gevallen is goed nieuws geen nieuws.

“Wat is de situatie? De atleten zijn lid van hun olympische ploeg en wat dat betreft is er geen verschil met een voetballer in de Champions League of in de World Cup. Het team van de voetballer of de atleet krijgt geld en het team kan dat geld verdelen naar de atleet of daar iets anders mee doen. In het geval van olympische sporten, die minder geld genereren dan voetbal, wordt daar vaak iets anders mee gedaan, zoals training financieren, infrastructuur voorzien, jeugd opleiden.

“Het grootste deel van de olympische inkomsten gaat naar de nationale olympische comités, internationale sportbonden en solidariteitsprogramma’s. Uiteraard storten wij ook een aanzienlijk deel (meer dan een kwart, HV) van onze inkomsten (om en nabij de 7,5 miljard euro per vier jaar, HV) naar de organisatie van zomer- en winterspelen, maar dat is normaal.

“Er is natuurlijk wel dat verschil met voetbal: in de olympische sporten gaat minder geld om. Een olympische atleet komt niet uit de hemel gevallen. Als hij of zij klaar is om te presteren, zit daar een heel traject achter. Al die jaren is die atleet mee gesteund geworden in zijn ontwikkeling. Zijn coach, zijn zwembad of sporthal, zijn stages, dat is allemaal betaald uit de olympische pot. Atleten die zeggen dat ze rechtstreeks geld willen verdienen aan de Olympische Spelen, zeggen niks minder dan ‘geef dat nu maar aan mij en ik trek mij van wie na mij komt, niks aan’.”

Is er een gevaar dat het conflict ontspoort?

“Niet direct, op voorwaarde dat we dat beter uitleggen aan de atleten. Het voorbeeld van het voetbal steekt natuurlijk de ogen uit en daarom moeten we wijzen op het verschil tussen een waardengedreven organisatie als het IOC en een door winst gedreven eventorganisator.

“De Olympische Spelen hebben waarden als universaliteit en solidariteit. Vooral de nationale olympische comités en de internationale bonden moeten dat uitleggen. In sommige landen gebeurt dat al en is er ook geen discussie over Rule 40. Neem nu Australië. Daar hebben we een contract met de atleet: dit krijg je en dit moet je doen. En is er geen protest.”

Regel 50 zegt dan weer dat het olympische stadion geen podium mag zijn voor uitingen van niet-sportieve meningen. Dus de zwarte mensenrechtenactivisten Tommie Smith en John Carlos van Mexico 1968 zouden opnieuw worden uitgesloten?

“Daar ga ik niet over speculeren, maar de atletencommissie heeft heel duidelijk gesteld dat een vorm van protest in het stadion een gebrek aan respect is voor de andere atleten en ook ingaat tegen de verbindende kracht van de Spelen. Er zijn genoeg momenten, ook op de Spelen, om een punt te maken. Ik denk maar aan persconferenties.”

Een ander conflict dat in de verte als een wolk boven het olympisme hangt, is de Russische kwestie na de opeenvolgende dopingbeschuldigingen en de vier jaar schorsing door het Wereldantidopingagentschap.

“Dat is een makkelijke: dat dossier is in handen van het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) hier in Lausanne, want de Russen zijn tegen hun schorsing in beroep gegaan. Afwachten wat die beslissen.”

Ik noem een paar namen: Lamine Diack, voorzitter atletiek in de gevangenis, Sepp Blatter, voorzitter FIFA en afgezet, Ahmad al- Sabah, IOC-lid en geroyeerd, Tamas Ayan, geschorst als voorzitter van de gewichtheffersbond. De bobo’s liggen onder vuur.

“Misschien moeten we eerst eens nagaan wanneer de feiten zich hebben voorgedaan die deze mensen ten laste worden gelegd. U laat het toch niet uitschijnen alsof dat te maken heeft met mijn voorzitterschap? ”

Neen, dat is eerder een kwestie van toevallige timing, maar hun problemen zijn wel begonnen na uw aantreden in 2013 als voorzitter, dus kreeg u ermee te maken.

“Ik ben blij dat u dat zo stelt. We hebben ondergaan wat er in het verleden is misgegaan en we hebben nieuwe regels opgesteld. Met de Olympic Agenda 2020 hebben we een pagina omgedraaid. Ons systeem van corporate governance zowel op het niveau van het IOC als op dat van de sportbonden is veranderd.”

U bent in 1991 samen met Rogge lid geworden van het IOC. U moet toch hebben gezien dat het niet allemaal koosjer verliep?

“U zei daarnet dat ik niet verantwoordelijk was, zegt u nu iets anders? (lacht) De namen die u noemt, zaten in hun sportbonden en wat binnen die bonden allemaal gebeurde, was een interne aangelegenheid waar ik en mijn collega’s in het IOC geen zicht op hadden.

“Toen we vernamen wat Lamine Diack had gedaan in die dopingzaken (Russen werden niet positief verklaard als ze de atletiekvoorzitter betaalden, HV), ben ik erg geschrokken.”

Wat doen we in Tokio met Iran dat zijn atleten belet tegen Israëlische atleten uit te komen?

“Zoals we nu hebben gedaan, simpel: elke discriminatie om welke reden ook, is verboden. De Iraanse judoka die niet tegen een Israëli mocht vechten op het voorbije WK, heeft onderdak gekregen in Mongolië en die hebben we de toestemming gegeven om meteen voor Mongolië uit te komen in Tokio.

“Die zaak zit ook nog voor het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) omdat Iran dwars ligt, dus daarvan moeten we nog het resultaat afwachten. Het is in dit geval een beetje zoals met de Russen. Men vraagt nu om de hele Iraanse ploeg uit te sluiten, maar daar ben ik tegen. We moeten zoeken naar de gepaste sanctie zonder dat atleten die geen schuld treft sportief in gevaar komen.”

Kan u ook eens uitleggen wat de Duitse pers tegen u heeft? Zoals u wordt aangepakt, dat is nogal wat. Wij waren milder met Rogge, hoor.

(zucht) “Ik weet niet hoe dat komt. Voor een aantal onder de Duitse journalisten – niet allemaal, gelukkig – heb ik de laatste vijftien, twintig jaar geen enkele correcte beslissing genomen. Dat is natuurlijk belachelijk en daarom zal ik mij pas zorgen maken als ze ooit vinden dat ik iets góéd heb gedaan.

“Ze doen maar. De tijd dat ik daar mee zat, is gelukkig voorbij.”

U heeft nu al 20 miljard dollar vast door sponsoring en tv-gelden voor de komende jaren. Dat is een mooie basis voor een herverkiezing in 2021.

“De beslissing – of ik voor nog eens vier jaar ga – zal ik tegen het einde van dit jaar moeten nemen, zes maanden voor de verkiezingen.”

 

20200314_De-Morgen_p-38_-We-hebben-nog-geen-plan-B–all-mail

Column In Tijden van Corona in De Morgen van zaterdag 14 maart 2020

In tijden van corona

Het ergste wat mij ooit is overkomen dat in de buurt komt van technisch werkloos zijn, zoals nu, is vastzitten op Lanzarote ten tijde van die IJslandse vulkaan met die rare naam. Een dag of vijf extra vakantie, extra trainingen, extra zon. Een olympisch zwembad voor ons alleen, de wegen vrij om te fietsen, restaurants die blij waren ons te zien want de klassieke toerist durfde zijn hotellobby niet meer uit, vijf dagen was al bij al aan de korte kant. De voorjaarsconditie is dat jaar nooit zo goed geweest. De professionele moraal was minder want ik heb toen ook Flat Earth News van Nick Davies uitgelezen.

Dit is anders dan wat vulkaanstof dat moet gaan liggen vooraleer vliegtuigen kunnen vliegen. Dit lijkt op oorlog. Denk ik. Ik zou het niet weten. Ik ben wel ooit op een plek geweest waar oorlog woedde en later ben ik daar teruggegaan toen de oorlog gedaan was. Dat was Sarajevo en een plaatselijke collega zei: “Het eerste wat stopt in tijden van oorlog is sport. Het eerste wat opnieuw begint, dat is ook sport.” Zullen we daar maar op hopen dan?

Er zijn wel nog zekerheden. De olympische vlam is donderdag in brand gestoken op Olympia, dat is op de Peloponnesos. In aanwezigheid van de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité, Thomas Bach, nog wel. Die heb ik maandag nog gezien samen met een Franstalige collega (zie het verhaal in Zeno). Moeilijk is dat niet: ze rijden van Lausanne in een busje naar Genève, wassen hun handen, gaan aan boord van een ontsmette privéjet en landen in Athene of Kalamata en rijden dan in een konvooi naar de plek waar voor het eerst georganiseerd werd gesport. Noblesse oblige.

Na het interview maandag heb ik toch nog de hand uitgestoken met de melding: “Ik ben een Belg, het valt bij ons reuze mee en we hebben nog geen doden.” Hij aarzelde geen moment en er volgde een ferme handdruk. Een goeie kennis die ik op het vliegtuig trof, was al minder happig.

Daarna ging het snel. Woensdag kreeg ik een berichtje dat mijn afspraak voor donderdag met een speler van een bekerfinalist (verhaal voor volgend weekend) niet doorging. Alle externe contacten worden vermeden. Eergisteren dan het mailtje over de benefietrit voor Kom op tegen Kanker waaraan ik zou deelnemen: afgelast. Niet duidelijk of dat te maken had met de schrik die bij deelnemers in de darmen is geslagen om in een pelotonnetje te rijden met in ons midden misschien wel een superverspreider, dan wel met het levensgevaar verbonden aan het eten van stoofvlees met frieten achteraf. Gisteren werd een Nachtwacht opgenomen over de uitwassen van het voetbal: opgenomen, maar nog niet uitgezonden, dat wordt 3 april. Misschien.

Dit zijn interessante tijden voor studenten die nog verlegen zitten om een thesisonderwerp. Afgezien van de voor de hand liggende mediagerelateerde werktitels zoals ‘welke wetenschapper heeft het meest uit zijn nek geluld?’ of ook ‘hoe de verschillende media de risico’s hebben (over/onder)belicht’ denk ik dat er voor sportwetenschappers een hele mooie opportuniteit in zit: een bevraging van de topsporters naar hun trainingsarbeid met als titel ‘trainen in tijden van corona’.

Zwemmers moeten vrezen voor hun trainingen. Als ze besluiten ook de Wezenberg in Antwerpen te sluiten voor de elites, moeten we vrezen voor het Belgisch zwemmen op de Olympische Spelen. Nu het hier zo zwart op wit staat: als ze die niet sluiten ook. Voor de fysiologische (buiten)sporten is er in principe geen probleem. Lopers kunnen hun schoenen aantrekken en zonder een mens tegen te komen zich in het ontluikende lentegroen klaarstomen voor wat dan ook. Idem voor fietsers, zolang ze niet aangestoken zijn of in quarantaine zitten op een kamer zoals die arme renners in Abu Dhabi.

Boeiend is hoe ze deze weken die trainingsarbeid invullen, hoe ze wedstrijdintensiteit simuleren, of ze korte dan wel lange blokken trainen, veel uren traag rijden afwisselend met bijzonder intensieve trainingen. Wie in de buurt van bergen woont, heeft alvast een voordeel. Als ik een wielerteam was, ik liet mijn renners screenen op het virus en ik zorgde voor een virusvrije centrale stageplek. De wielerteams hebben net het omgekeerde gedaan en halen iedereen terug.

Competitie simuleren zonder oefenduels en toch klaar zijn voor als de competitie weer op gang komt, dat is dé uitdaging van teamsporten. Voor een voetbalteam – weer op voorwaarde zonder besmette speler in het midden – is deze coronacrisis na de winter het ideale moment om de conditie bij te spijkeren, de pijntjes te verzorgen en zich op en top klaar te stomen voor de play-offs. Als die tenminste doorgaan. Zo niet voor het nieuwe seizoen.

 

20200314_De-Morgen_p-19-mail

 

De opstand van de kop, de ultra’s tegen het voetbalbestel in De Morgen van 7 maart 2020

Voetbal

De opstand van de kop: activisme of nieuw hooliganisme?

Een deel van de Bayern München-aanhang toont een beledigend spandoek gericht aan Hoffenheim-eigenaar Dietmar Hopp.Beeld AFP

Elkaar de hersens inslaan in het stadion? Te veel camera’s en te veel stadionverboden. Daar buiten? Zo jaren tachtig, maar het kan nog wel een enkele keer. De nieuwe vijanden van supporters zijn het clubbestuur, de voetbalbond en het systeem.

Vandaag om halfvier speelt Schalke 04 thuis. De bezoekende club is TSG 1899 Hoffenheim. Voor beide ploegen zijn titel of degradatie ver weg en Europees voetbal zit er ook niet meer in, toch is dit geen eindeseizoenswedstrijd. Als Hoffenheims teameigenaar Dietmar Hopp opnieuw voor ein Hurensohn wordt versleten, stappen de Schalke-spelers van het veld, zo hebben ze laten weten. Bij de Deutscher Fussbal-Bund houden ze hun hart vast want net als die van Hoffenheim-Bayern vorig weekend zullen ook die beelden de wereld rond gaan. Wat de uiteindelijke bedoeling is.

De fans in Gelsenkirchen hebben een reputatie als het gaat om nietsontziende harde acties. Vorig jaar nog in de gewonnen derby tegen Dortmund vroegen ze om de vrijlating van Sergej Wenergold. ‘Eine Bombenidee’, stond er op het spandoek, laat Wenergold vrij. Wenergold was de aanslagpleger (met bommen) op de bus van Borussia Dortmund die in april 2017 op weg was naar het stadion voor de kwartfinale van de Champions League. Niet eens een Borussen-hater van een andere club maar gewoon een gast die opties had gekocht en hoopte dat het aandeel van de BvB uit Dortmund zou kelderen na de aanslag. Er hadden toen doden kunnen vallen. Wenergold kreeg veertien jaar.

Spelers die het oneens zijn met hun harde kern, het is nog al gebeurd. Maar de eigen fans het voetbal afnemen, dus hun klanten het product ontzeggen waarvoor ze hebben betaald, is zelden of nooit vertoond. Toen op de vorige speeldag Hopp door de Bayern-aanhang in schrift en gezang werd uitgemaakt, waarop de wedstrijd twee keer werd gestaakt en de spelers bij een 0-6 stand weer op het veld kwamen, speelden ze uit protest de bal naar elkaar, dertien minuten lang. Al die tijd stonden de golfbuddy’s en clubvoorzitters Dietmar Hopp (Hoffenheim) en Karl-Heinz Rummenigge (Bayern) schouder aan schouder aan de rand van het veld naast elkaar, verenigd tegen de vijandige fans in de tribune. Rummenigge wilde zelfs het handje vasthouden van Hopp, maar de zevende rijkste Duitser leek dat net iets te melig te vinden. Hopp was zichtbaar geëmotioneerd door de solidariteit. Rummenigge was nadien hard voor zijn fans: “Die idioten zijn het lelijke gezicht van Bayern. Dit moet ophouden.”

Een omhelzing tussen Dietmar Hopp (links, Hoffenheim) en Karl-Heinz Rummenigge (Bayern).Beeld Revierfoto/dpa

Die strenge veroordeling vanuit het bestuur heeft een achterliggende reden. De actie van de Bayern-aanhang – en naar wordt gevreesd ook van de andere harde kernen dit weekend – is een zelden geziene solidariteit tussen de ultra’s van het Duitse voetbal. De directe aanleiding was de collectieve straf voor de fans van Dortmund voor identieke beledigingen aan het adres van Hopp. Na een eerste voorwaardelijke straf werd die na nieuwe spreekkoren omgezet in effectief: drie keer op rij mag Borussia geen fans meenemen naar Hoffenheim. De verontwaardiging over die collectieve bestraffing – een extreme belediging voor ultra’s en andere harde voetbalfans – overstijgt nu de onderlinge voetbalhaat. Plots is het solidaire gevecht tegen het voetbalbestel belangrijker dan de wederzijdse haat.

Dit gaat voorlopig niet weg. Eintracht Frankfurt speelde woensdag de kwartfinale voor de Duitse beker tegen Werder Bremen en de fans van de Nordwestkurve hadden een originele banner. Eerst ontrolden ze de tekst ‘Dietmar Hopp du Sohn einer…’ en toen iedereen het vervolg hoer verwachtte, kwam er ‘Mutter’.

50+1-REGEL

Dit Duitse verhaal past in een bredere Europese beweging met uitlopers tot in onze pintjesliga, maar is binnen de Duitse context in eerste instantie terug te voeren op de harde supporterskernen die hun macht niet beknot willen zien door externe investeerders. Die macht van de fans in Duitsland is eerder symbolisch verankerd in het 50+1-principe. In voetbalclubs, hoe groot en hoe rijk ook, moet de meerderheid van de aandelen worden gecontroleerd door de clubleden.

Uitzonderingen daarop zijn de traditionele fabrieksclubs zoals Bayer Leverkusen en VfL Wolfsburg, dat in handen is van Volkswagen. Maar ook – en daar knijpt het schoentje – 1899 Hoffenheim. Die club is als een komeet door de Duitse voetbalafdelingen naar omhoog geschoten met dank aan het grote geld van softwaremiljardair Dietmar Hopp. Dat hij een uitzondering kreeg op de 50+1-regel had te maken met zijn verleden als jeugdspeler en zijn reputatie als ethisch bedrijfsleider en mecenas in de lokale gemeenschap.

Critici zeggen dat hij via het voetbal zijn familieverleden wil compenseren. Vader Hopp was een Duitse militair die in de Tweede Wereldoorlog overijverig tekeer ging in de opsporing en deportatie van Joden in Hoffenheim. Of dat is gelukt, is niet helemaal duidelijk. Op een totaal ander vlak is het alvast een hele verwezenlijking dat de club Hoffenheim niet langer afhankelijk is van het geld van Hopp. Vorig jaar hadden ze 50 miljoen euro over op de transferbalans.

Wat er ook van aan is, de fans van de Traditionsvereinen zoals Bayern, Borussia of Schalke 04 willen van dat kunstmatige Hoffenheim en hun Dietmar Hopp niet weten. Ook van RB Leipzig trouwens niet, want die club is in handen van Red Bull en eigenaar Dietrich Mateschitz. Hoewel de 50+1-traditieclubs evengoed worden gefinancierd door multinationals en nog actiever zijn in het miljoenenspel van de spelershandel, zien hun fans in Hopp en Mateschitz de verpersoonlijking van het moderne voetbal waarin geld een allesbepalende rol speelt.

AMF

Het Duitse voorbeeld is een illustratie van de steeds grotere kloof en de daaruit volgende machtsstrijd tussen de fans enerzijds en clubeigenaars en -besturen anderzijds. Het is voor alle duidelijkheid de fan die ongelukkig is, niet het clubbestuur. Die zijn zich van geen kwaad bewust, behalve dat ze in hun maag zitten met de onvoorspelbaarheid en koppigheid van hun harde kernen.

De Schickeria’s, de bekendste ultra’s in de Südkurve van Bayern met wie Rummenigge nu in een conflict is verzeild, zijn overigens een buitenbeentje. Waar nogal wat Italiaanse en enkele Duitse ultragroepen een uitgesproken rechtse signatuur hebben, manifesteren veel andere Duitse ultra’s (onder wie de Schickeria’s) zich als antiracistisch, antifascistisch, pro een menselijke opvang van vluchtelingen, maar zijn ze evengoed gekant tegen het afbouwen van de 50+1-regel. En zeker tegen Hopp. Hun laatste actie was het kapittelen van het Bayern-bestuur toen bekend raakte dat het team op winterstage zou gaan naar Qatar.

Ze passen perfect onder de noemer against modern football of AMF. Ryan Kelly vat die soms naïeve stroming op goal.com zo samen: “AMF is een een breed gedragen internationale beweging tegen de vermarkting van voetbal waardoor supporters consumenten zijn geworden en het spel een product. Tegen het moderne voetbal betekent tegen een verhoging van de ticketprijzen, tegen stadions met alleen zitjes, tegen de gentrificatie en de daarmee gepaard gaande verdrijving van de lagere klassen en eigenlijk tegen alle beperkingen die fans krijgen opgelegd.”

Supportersprotest bij PSV Eindhoven.Beeld ANP/VI Images

Een van die beperkingen betreft de pyrotechniek, alles wat een stadion letterlijk in vuur en vlam kan zetten, zoals Bengaals vuur, rookbommen, fakkels en vuurpijlen. Die worden steeds vaker verboden en kunnen leiden tot zware straffen. No pyro, no partyis de bijpassende slogan.

Stadionverboden vinden ze bij AMF ook maar niks. Nieuwlichterijen als de VAR worden gezien als een aanslag op hun fandom en als zelfverklaarde laatste hoeders van het echte voetbal eisen ze te worden geraadpleegd in het beslissingsproces. In Nederland was begin dit seizoen het hevigste protest te horen tegen 20 uur als aanvangsuur op zondagavond. ‘Tegen zondag 20.00 uur, Against Modern Football’, zo stond het op een spandoek in het PSV-stadion, waar de fans de eerste twintig minuten stil bleven.

DE ULTRA’S

Ultra’s zijn niet te verwarren met hooligans. Die laatsten zijn bekend van de wilde jaren tachtig en negentig, toen terreininvasies en vechtpartijen in de tribunes schering en inslag waren.

Het begrip ultra is voor het eerst gebruikt in 1969, toen de harde kern van Sampdoria Genua zichzelf tot de Ultras Tito Cucchiaroni omdoopten, gevolgd door de fans van Torino die de Ultras Granata werden. Ultra’s zijn overal en zijn altijd bekend voor hun pyrotechniek, tifo’s (spandoeken soms over een hele tribune), gezangen, trommels, en andere sfeerelementen. Overal in het voetbal, behalve in een stadion in de Premier League, waar vlaggen, vlaggenstokken, vuur en aanverwanten helemaal verboden zijn en een opgestoken vinger of een scheldwoord al heeft geleid tot een stadionverbod wegens ‘aanzetten tot haat’.

De eerste Belgische ultragroep dateert van 1996: de Ultras Inferno op Sclessin, de thuishaven van Standard de Liège. Die zijn berucht van de tifo in januari 2015 met de onthoofde Steven Defour, toen hun ex-speler met Anderlecht op bezoek kwam. In Vlaanderen was Genk eerst in 2002 met de Drughi Genk. Zelfs STVV en Eupen zouden tegenwoordig ultra’s hebben. Een kenner van het Belgische supporterslandschap is niet overtuigd: “Met uitzondering van Standard gaat het om copycatgedrag, na-apen wat in de grote landen gebeurt. Er zit niet echt een maatschappijkritische boodschap achter.”

Over de subcultuur van de ultra’s in de Lage Landen en daarbuiten lees je op de Nederlandse site indehekken.net. Kort na de gebeurtenissen in Duitsland van afgelopen weekend hadden ze al een prima geschreven en goed gedocumenteerd achtergrondverhaal.

Hun mantra is ‘Start de normalisatie’, een ietwat cryptische en alleen door insiders begrepen eis om als normaal te worden behandeld en niet langer voor het minste vergrijp en zeker niet collectief te worden bestraft. In België kregen ze trouwens een medestander in advocaat en Beerschot-ondervoorzitter Walter Damen. Waar de meeste bezoekers van voetbalstadions vinden dat niet streng genoeg kan worden opgetreden tegen misdragingen, pleitte Damen in een open brief het omgekeerde: “De supporter moet moeder Teresa en Gandhi in één persoon zijn. Het wordt tijd de supporter te respecteren in zijn emotionaliteit.”

Een standpunt dat lijkt op dat van de Inter-fans die hun eigen spits Romelu Lukaku ter verantwoording riepen toen hij de oerwoudgeluiden bij Cagliari als racistisch bestempelde. “Neen, Romelu, in Italië is dat geen racisme. Dat is destabilisatie.”

De Ultras Inferno op Sclessin, de thuishaven van Standard, kwamen in opspraak met deze tifo over oud-speler Steven Defour.Beeld AP

Bij KAA Gent weten ze nu ook beter. In de hoop de sporthalsfeer in de Ghelamco Arena wat meer des voetbals te maken en op vraag van de harde jongens (en meisjes) van Ultras Ghent, Buffalo Indians en Banlieue Gantoise werd in samenspraak met de supporterskoepel Armada Ganda een sfeervak gecreëerd in het midden van Tribune 2. Er kwamen vergaderingen aan te pas. Waar de club had verwacht dat de fans met inspraakideeën zouden komen, bleef de inbreng beperkt tot ‘we willen de Buffalomars terug’ (en de Gentse versie van ‘Nessun Dorma’ in de vuilbak) en ‘we willen katrollen om tifo’s te kunnen uitrollen’. Sinds dit jaar lijkt het centrale gedeelte van Tribune 2 in de Ghelamco op alle andere vakken of bochten met harde kernen: zwarte kledij en vooral geen clubkleuren want dat is niet zoals het hoort. Wie een sjaal van een club koopt, aldus het verhaal, steunt de commercialisering.

Dat je met harde kernen dreigt een hand kwijt te spelen als je hun een vinger geeft, heeft KAA Gent inmiddels ook geleerd. Op zowat alles werd toegegeven en de enige eis daartegenover was: gedraag jullie te allen tijde conform de voetbalwet. In Mechelen op 1 februari ging het mis toen vuurpijlen vanuit het Gentse uitvak op het veld belandden. De club strafte de overtreders, waarop verontwaardigd werd gereageerd. De reactie liet niet op zich wachten: op 7 februari, toen Anderlecht op bezoek kwam, bleef het sfeervak met harde jongens de eerste twintig minuten muisstil en stonden de hardste kernen met de rug naar het veld. Het leidde tot een ietwat akelige sfeer. De spelers misten iets en in Tribune 2 keerden de andere fans zich tegen de saboteurs. Ze zongen: “En laat uw ploeg maar in de steek”, wat verhitte discussies en opstootjes veroorzaakte.

Het copycatgedrag waarvan eerder sprake, manifesteerde zich in een spandoek met daarop ‘Start de normalisatie’. Niemand in het hele stadion begreep waar het over ging. Om het clubbestuur helemaal hoorndol te maken en erop te wijzen dat zij de club zijn en zich aan geen regels houden, werd vorige week bij het bezoek van AS Roma een straatgevecht tegen de Italianen uitgelokt. De geëigende socialemediakanalen deden de rest: de Gentse ultra’s, tot dan niet voor echt aanzien, bestaan.

Column CB-virus in De Morgen van 7 maart 2020

CB-virus

Waarschuwing aan de bevolking, meer in het bijzonder de sportfans/sportjournalisten, en speciale aandacht voor topsporters op rust: er is een nieuw, zeer krachtig en uiterst besmettelijk virus op ronde. Het wordt niet alleen overgedragen door druppels die vrijkomen bij niezen, zoenen, handjes schudden en/of onoordeelkundig snuiten van de neus. Ook te veel naar het tv-nieuws kijken of te veel gazetten lezen is gevaarlijk voor de verspreiding.

Hysterie loert om de hoek, maar het goeie nieuws is: je gaat er niet van dood. Sporters op rust die zijn aangetast door het CB-virus beginnen onder hoge koorts te geloven in het waanidee van een comeback op late leeftijd en riskeren hun imago en carrière te compromitteren. Sportjournalisten die besmet raken, krijgen last van een onweerstaanbare drang om over die comeback te berichten. Zij steken op hun beurt de sportfans aan, die in extase geraken.

Patiënt zero was Kim Clijsters. Haar incubatie dateert al van vorige zomer. Ze is niet doodgegaan, maar ze is ook niet bepaald springlevend, toch niet als tennisspeelster. Van de week moest ze in Monterrey tegen iemand die door blessures een hele tijd niet had gespeeld en die haar laatste wedstrijd had gewonnen in september van vorig jaar. Kansloos verloren. De journalisten die erbij waren, hielden zich een beetje in. Proxy bias heet dat. Hoe dichter bij je onderwerp, hoe groter het mededogen. Journalisten meesturen met een tennisspeelster zonder ranking en na twee kleine toernooien nog steeds zonder was misschien niet de meest correcte sportjournalistieke inschatting.

Iedereen heeft recht op een comeback. Muhammad Ali zijn eerste was meteen raak. Zijn tweede was al minder geslaagd. Zelf kreeg ik ooit kippenvel van die van Johan Cruijff, die op 34-jarige leeftijd een wereldgoal scoorde in Ajax tegen Haarlem, een boogbal over het hoofd van Edward Metgod. Op 19 maart 1995 was ik erbij in de Market Square Arena in Indianapolis, toen de 31-jarige Michael Jordan na anderhalf jaar honkballen zijn comeback vierde in de NBA. “Hoewel het nog even te gaan is tot Pasen, is dit de grootste verrijzenis sinds Jezus Christus”, schreef ik toen, en daar was geen woord van gelogen. Later heb ik ook de derde comeback van Jordan in Washington aanschouwd. Af en toe deed het pijn aan de ogen.

Daarom geloof ik niet in Kim III. En ook niet in Tom II. Voor wie deze week onder een steen zat, bij Studio Brussel zei Tom Boonen onomwonden dat als hij terug wil komen, hij niet te lang moet wachten want hij wordt dit jaar 40. Getrouwen van weleer hebben het gerucht bevestigd: hij wil weer koersen. Die getrouwen hebben hem dat afgeraden.

Er is een wet in de sport: hoe groter het belang van de fysiologie, des te kleiner de kans op een succesvolle comeback. Omgekeerd: des te meer een sport berust op techniek, tactiek en skills, hoe groter de kans op succes bij een terugkeer. Tennis is een skillsport. Was Clijsters een wielrenster, ze zou op de eerste brug worden gelost en daar hoeft geen verdere uitleg bij. Ze tennist evenwel en ze raakt, naar men zegt, de bal nog af en toe zoals vroeger. Dat volstaat om spelletjes te winnen.

Wielrennen heeft niks vandoen met spelletjes en skills. Wielrennen is een fysiologische afrekening. Als Boonen weer wil koersen, kan dat ten vroegste volgend voorjaar. Een renner van 40 hoeft niet versleten te zijn, maar een burger van 40 die op 36,5 stopte nadat hij het laatste jaar meer viel dan won en die vervolgens niet bleef trainen zoals een wielrenner, dat is een ander verhaal.

De voormalige entourage van Tom Boonen is er alvast niet gerust op. Boonen heeft al meermaals laten verstaan dat het hem zwaar valt, dat gemis aan aandacht, dat niet langer het centrum van de wereld zijn, dat al te rustige leventje met het gezinnetje in de week en die racekarretjes in het weekend. Als deze comeback doorgaat, lijkt hij net als die andere sterk op aandachtszoekerij, wat vreemd is voor iemand die zich in de laatste jaren van zijn wielerbestaan behoorlijk afschermde. Ongetwijfeld volgt nu al een productiehuis zijn Spaceride, zoals de Spacewalk van Clijsters.

Een comeback in het wielrennen is om nog een reden anders dan in het tennis. Wielrennen is de gevaarlijkste sport en is Boonen dan vergeten dat hij op het laatst meer viel dan won, met een schedelbasisfractuur in de herfst van 2015 erbovenop? Stel je voor dat dit niet goed afloopt. Dat wens je geen mens toe. Al is het wel goed voor de aandacht. Voor je het weet staat er weer een ander productiehuis klaar voor een beklijvende serie, docu en bijpassend boek.

 

20200307_De-Morgen_p-19-mail

Column Bashir Abdi in De Morgen van 3 maart 2020

Bashir Abdi

Antwerpse Ghanees had gekund. Of Belg met Ghanese roots. Dan hadden we ook al veel geweten en daaruit veel kunnen afleiden, zoals zijn huidskleur, als die er al toe doet. Maar neen, een pipo/pipa schreef zaterdagavond in een wedstrijdverslag van Waasland- Beveren tegen Anderlecht doodleuk “de kleine kleurling” toen hij het over de prestatie van de getalenteerde buitenspeler van Anderlecht had die, toeval of niet, een behoorlijk donkere huid heeft.

Jérémy Doku tweette het stukje met de melding dat hij geschokt was en het hek was van de dam. De schrijver van het beladen woord kleurling moest worden gevierendeeld of – nog erger – worden gevoederd aan Unia. Aldus de sociale media. Excuses moesten ook. Niks daarvan: tenzij de steller lid is van Bloed & Eer en/of Schild & Vrienden is dit een stommiteit en volstaat een tik op de vingers, uitschelden voor onnozelaar (m/v) en vooral dat woordgebruik snel corrigeren. Dat gebeurde ook: kleine kleurling werd kleine dribbelaar.

Met ‘kleurling’ zitten we in het officiële (Zuid-)Afrikaans woordgebruik ten tijde van de apartheid. Dat was dom en het was vooral overbodig. Nog niet zo heel lang geleden ging een voorganger van Doku op die linksbuiten dood en dat was een hele bleke blanke, een witte zouden ze nu zeggen. Hij heette Rob Rensenbrink.

Om het plaatje helemaal compleet te maken en toch even historisch te kaderen: toen Rensenbrink uit België vertrok om in de VS wat uit te bollen, had Standard net een dribbelaar van Ajax aangetrokken. De Molukker Simon Tahamata speelde in september 1980 Club Brugge op eigen veld in de vernieling. Het werd 1-7. Een dag later verscheen in Het Volk een verhaal met als kop ‘Het zwarte diertje’.

Wat heeft wat hier voor staat nu te maken met het titeltje van deze column, met Bashir Abdi? Welnu, dat ras, genen en roots in de biologische betekenis van deze woorden in voetbal minder doorwegen dan de sociale context. Het is niet omdat Doku zwart en Ghanees is dat hij zo goed kan voetballen. Wellicht heeft hij geen nadeel ondervonden van zijn West-Afrikaanse roots, maar is het toch eerder zijn opgroeien op de pleintjes in Borgerhout dat van hem de voetballer heeft gemaakt die hij nu is.

Helemaal anders ligt dat in puur fysiologische sporten. Neem nu Abdi, die zijn eigen Belgisch record op de marathon heeft verpulverd: 2u04:49, dat verdient een diepe buiging. In twee jaar tijd heeft hij zes minuten afgehaald van zijn pr. Dit is een fenomenale progressie met wellicht meerdere oorzaken.

Ten eerste, de accumulatie van trainingen. Hij zat weer lang op hoogte en heeft naar verluidt wat anders getraind, niet duidelijk of dat nog samen met Mo Farah was. Indien niet, omdat Farah vol voor de olympische medailles op de atletiekbaan gaat, heeft dat meegespeeld.

Ten tweede, de schoenen. In tegenstelling tot Koen Naert, die overstapte naar Asics, is Abdi op Nike blijven lopen. In Tokio liep hij op de Next%, de tweede versie die een carbonplaat in de zool heeft zitten. De Alphafly, ook goedgekeurd, wordt wellicht iets voor de olympische marathon.

Ten slotte, waarmee we bij de biologie zijn aanbeland, is er zijn aangeboren talent voor de lange afstand. Daar moeten we eerlijk in zijn: Bashir Abdi uit Nieuw Gent heeft met zijn Somalische genen en roots een voordeel op eender welke Gentenaar pakweg geboren uit blanke Gentse ouders aan de Brugse Poort. Hij zette op de all-time ranking in Tokio de zeventigste prestatie ooit neer. De eerste witte atleet en eerste Europeaan is de Noor Sondre Nordstad Moen met 2u05:48 op plaats 176. 490 van de 500 snelste marathons zijn gelopen door Afrikanen.

Daarom zou het wijs zijn om het concept Europees record in deze context te laten vallen, want nu krijg je een hele vreemde ranglijst die wordt aangevoerd door de Turk Kaan Kigen Özbilen, die geboren is als Keniaan en Mike Kipruto Kigen heette. De tweede en derde op die lijst zijn Bashir Abdi en Mo Farah, een Belg en een Engelsman met twee Somalische ouders.

Somaliër, Belg, Gentenaar, wereldburger, whatever, Bashir Abdi is in de eerste plaats een topatleet en ook nog eens een goed mens, nooit te beroerd om terug te geven aan de gemeenschap die hem heeft opgevangen. België mag blij zijn met deze topper en is meteen een olympische medaillekandidaat rijker. Bepaald verheugend was hoe Abdi tot deze toptijd kwam. Hij liep helemaal geen vlakke marathon en versnelde nog aan het eind. Dat moet nog sneller kunnen en laat het beste verhopen voor de olympische marathon in Sapporo.

 

20200302_De-Morgen_p-19-mail

Column Wielervirus in De Morgen van 1 maart 2020

Wielervirus (beetje achterhaald 😉

 

Er zijn twee redenen waarom ik deze ochtend ruim voor het krieken van de dag in Belle Plagne de auto heb gestart en in één ruk naar huis ben gereden. Ten eerste: de Fransen, die de voorbije week ook massaal congé hadden, willen allemaal over hetzelfde eerste stuk autoweg tot aan Lyon. Ten tweede: ik wil de finale van de Omloop niet missen. Zelfs al had de zon vandaag geschenen, waardoor een mooie laatste skidag lonkte, dan nog was ik vroeg gaan rijden. Ik heb last van het wielervirus en daar kan en mag geen Marc Van Ranst iets aan doen.

Ik kan niet wachten tot ze vanmiddag de Haaghoek bestormen. Niet dat de Fransen mij deze week hebben besmet. Ik downloadde de hele week L’Equipe en las die van achteren naar voren, idem voor het magazine dat op vrijdag verschijnt. Ik heb het ten behoeve van dit stukje nog eens opgezocht: geen woord over wielrennen.

Of toch, het WK op de baan in Berlijn kreeg met het oog op de Olympische Spelen een paar keer een dubbele pagina. Alle andere wielerwedstrijden waar onze kranten heelder spreads aan wijdden moesten het in de grootste Europese sportkrant stellen met een vermelding in de rubriek uitslagen. Remco Evenepoel en zijn winst in de Ronde van Algarve? Een uitslag, niks meer. In de maandagkrant stond wel een verhaal over de comeback van Chris Froome na zijn lelijke val van vorig jaar.

Ik heb ook de Vlaamse kranten gedownload en van achteren naar voren en omgekeerd uitgepluisd, inclusief hun wielergidsen. Ik heb voorlopig drie gidsen gescoord: Het Nieuwsblad, Het Laatste Nieuws en Sport/Voetbalmagazine – duidelijk de betere, die laatste. Alle drie hebben ze dezelfde cover: Remco Evenepoel, Wout van Aert en Mathieu van der Poel, weliswaar in verschillende poses.

Drie jonge jongens, de Jonge Drie, wielerhoop van de Lage Landen. Ze hebben behalve hun immens talent een gemeenschappelijk kenmerk: geen heeft de klassieke weg bewandeld. Veel bondswerking of federatieve opleiding kwam er bij hun ontwikkeling niet aan te pas. Van der Poel en Van Aert komen uit het veldrijden. Ze hebben eigenhandig hun traject uitgezocht en zelfstandig beslist wanneer en hoe ze naar het wegwielrennen zouden komen.

Evenepoel is helemaal een buitenbeentje. Hij was een getalenteerde voetballer die zichzelf buisde voor die sport omdat hij voelde dat hij niet de allerbeste kon zijn. Wellicht ook omdat hij niet geschikt was voor een teamsport, maar dat moet nog eens worden uitgeklaard. Hij ging dan maar fietsen en toen hij zichzelf spontaan aanbood op een klimstage van Cycling Vlaanderen (aldus vorige week vernomen in het programma Wereldrecord) reed hij alle klimrecords aan diggelen.

Ondertussen is in mijn digitaal archief in de cloud ook een mapje ‘jeugd aan de macht’ aangemaakt en dat steekt al vol met allerhande verhalen en interviews. Al die aandacht voor de jonge garde, die covers, dat moet steken bij de ouderen. Greg Van Avermaet, Sep Vanmarcke en Philippe Gilbert, laten die dat zomaar passeren? ‘Me-myself-and-I’ Gilbert toch niet? Je zult zien dat er in finales
rare samenwerkingsverbanden ontstaan. Reken maar dat ook de niet meer zo jonge en helemaal nog niet oude garde zoals Jasper Stuyven, Tiesj Benoot (amper een half jaar ouder dan Van Aert en nog eens veranderd van ploeg en land) en Dylan Teuns zich niet zomaar opzij laat zetten.

De aandacht voor de jonge drie is terecht. Van der Poel (dit weekend ziek, jammer is dat) en Van Aert (toch van de partij vandaag, een leuke verrassing) zijn twee klasbakken zoals ze maar een keer in een decennium langskomen. En wie kan met zekerheid voorspellen wat Evenepoel nog uit zijn mouw zal schudden, hoeveel progressie hij nog zal maken? Moet dat nog, progressie, volstaat het nu al niet? Die lange klimmen, die redt hij wel met gerichte training. De grote onbekende is zijn recuperatievermogen in een drieweekse etappewedstrijd. Hoewel, ik voorspel Evenepoel nu al op het podium van de Giro. Zot? Het kan nog zotter: winst. Als dat lukt, wint hij ooit de Tour.

Jammer dat de Ronde van Frankrijk meer dan ooit geprangd zit tussen het EK voetbal en de Olympische Spelen, want de editie 2020 zou wel eens de spannendste in jaren kunnen worden. Ten noorden van ons bouwt men minutieus aan een team voor grote rondes en heeft men inmiddels tonnen kennis opgebouwd. Jumbo-Visma met zijn drie speerpunten (Roglic, Dumoulin, Kruijswijk) wordt in de Tour de grote uitdager voor Ineos met Bernal en Thomas. Onmiddellijk na de Tour gaan we naar Japan voor de olympische wegrit, tijdrit en de mountainbikerace. 2020 en daarna kondigen zich aan als de meest boeiende wielerjaren sedert mensenheugenis.

Verhaal over en met Wout van Aert in De Morgen van 22 feb 2020

‘Ik heb weer het gevoel dat ik nog sneller kan’

Ei zo na kwam er een abrupt einde aan de nog prille wielercarrière van Wout van Aert. Maar zeven maanden na zijn horrorval in de Tour zegt hij weer op niveau te zijn. ‘De Ronde van Frankrijk winnen met de ploeg is nu alles wat telt.’

Dienstmededeling aan de toeristen die op Tenerife zijn: als u Wout van Aert wil spotten, hij rijdt af, rond en dan weer op de plaatselijke vulkaan El Teide tot en met 26 februari. Wel even een auto huren en de lange klim verbijten. Het rennershotel heet de Parador de Cañadas del Teide, u kan niet missen, het ligt naast het bezoekerscentrum.

Op de tot veertig kilometer lange en niet al te steile klimmen op de flanken van de hoogste berg van Spanje (3.718 meter) zijn Tours voorbereid en nadien gewonnen, door onder anderen Miguel Indurain, Bjarne Riis, Lance Armstrong en Alberto Contador. Mythische trainers en wetenschappers als Francesco Conconi en Michele Ferrari waren er te gast.

Tegenwoordig willen alle renners er zitten. Train low, sleep high (waar de luchtdruk lager is en dus minder snel zuurstof wordt opgenomen), en vooral véél trainen, dat is wat de renners doen. Johan Bruyneel hoeft niet lang na te denken over het geheim van de Teide als trainingsplek. “Nergens in Europa kan je zo vroeg in het seizoen op hoogte verblijven en in een aangenaam klimaat trainen, zowel vlak langs de kust als bergop.”

Alleen al het uitzicht daarboven loont de moeite voor een kiekje of twee, zelfs zonder een Jumbo-Visma-renner die door het beeld rijdt. Als u een terugvlucht heeft geboekt op 27 februari, dan maakt u weer een kans op een selfie in de luchthaven Tenerife Sur of in het vliegtuig, want die dag keert hij ook terug. Als dat allemaal niet volstaat of timinggewijs niet past, waag dan uw kans in de late namiddag op het terras van Restaurante Las Estrellas, de favoriete koffiestop van de renners op de flank van de Teide, dat is een kilometer of vijf in de klim vertrekkende van Chio, gelegen op de TF38 richting top.

Nu even serieus: Wout van Aert werkt er na een carrièrebedreigende blessure onverdroten aan een van de snelste en meest spectaculaire comebacks uit de geschiedenis van het cyclisme. Daarom: geef hem de ruimte die hij vraagt en verdient. Val hem niet lastig op de luchthaven, ook niet in het vliegtuig. Schreeuw niet als u hem bergop voorbijrijdt, blijf vooral niet naast hem of andere renners rijden en hou minstens anderhalve meter afstand zoals dat in Spanje verplicht is, maar waar – dat moet gezegd – de meeste Spanjaarden en toeristen geen boodschap aan hebben.

Zeg ook niet zoals de oudere overwinteraar bij een koffiestop in Las Estrellas “niet te veel pintjes” tegen Wout als die na zijn laatste zware blok in een training van zes uur zijn fiets tegen het terras parkeert. Hij hoort het wel, dat zie je aan zijn lichaamstaal, maar het is de aard van Van Aert om u te negeren.

Voedingsdeskundige Martijn Redegeld die samen met hem vanuit Zaventem naar Tenerife vloog, heeft begrip: “Echt niet normaal, dat heb ik nog niet meegemaakt: op de luchthaven in Brussel, in het vliegtuig of de luchthaven op Tenerife, mensen die met hem op de foto wilden, of een handtekening vroegen of gewoon iets wilden zeggen, het hield niet op.”

Ik dacht al: Herentals had ook gekund voor een babbel, maar je wilde hier, een goeie drieduizend kilometer van thuis.

Wout van Aert: “In Herentals een koffie drinken zonder lastig te worden gevallen, dat zit er niet meer in. En thuis is privé. Hier heb ik tijd, kan ik rustig gaan zitten en ben ik aan het werk. Met jullie spreken, hoort bij werken.”

Dat we dit overhebben voor iemand die twee ritten in de Dauphiné heeft gewonnen en twee in de Tour, betekent dat jij ons aanspreekt. (lacht)

“Ik voel mij gecharmeerd.”

Hoe vervelend is de aandacht?

(aarzelt) “Ja. (zucht) Het is soms redelijk niet te doen. Ik drink nog wel eens een koffie buiten huis, maar het laatste half jaar sinds de Tour is het erg veranderd. Het is niet alleen de selfierage, ze komen ook gewoon aanbellen, voor alles en nog wat: een getekend shirtje, iets voor een benefiet, een videoboodschap voor een zieke nonkel, noem maar op…”

Een poort en een bel doen wonderen, zag ik bij Sven Nys.

“We zijn pas verhuisd van het centrum naar een huis buiten Herentals, richting Lille. Het is tegen mijn principe om mij op te sluiten, dus hebben we niet voor een poort voor ons huis gekozen. We hebben wel een videofoon en dat volstaat voorlopig om te weten wie belt en waarvoor het is. Kinderen voor een handtekening, daar doe ik wel voor open.”

Het laatste half jaar sinds de Tour… In die Tour won hij samen met Jumbo-Visma de ploegentijdrit, sprintte hij later topspurters naar huis en won een tweede etappe. Maar er gebeurde nog meer die Tour. Je wil deze man, deze atleet, niet reduceren tot dat ene drama, maar er is geen ontsnappen aan. Grote Belgische renners lijken wel gedoemd tot carrièrebedreigende ongevallen – Merckx in Blois, Museeuw in Roubaix, Boonen in Abu Dhabi – waarna ze uit de spreekwoordelijke doden opstaan.

Een ‘val’, zo noemt Wout van Aert zijn drama. ‘Ongeval’ is een betere omschrijving van wat hem op 19 juli 2019 overkwam. Vallen was het niet te vermijden laatste bedrijf in een dramatische samenloop van omstandigheden: een renner die al twee ritten heeft gewonnen die Tour en hoort dat hij gas moet geven als hij weer wil winnen, en dan… een minieme stuurfout op de tijdritfiets, een hapering aan een spandoek, een fout geplaatst hek, dij en heup die langs het hek schuren en scheuren, bloed op het asfalt… De schreeuw ging tot in de huiskamer door merg en been.

Renners vallen wel vaker, maar dit was geen gewone val, zag ook meteen Jumbo-Visma’s performance director Mathieu Heijboer, die met de volgwagen achter hem reed. “Ik was als eerste bij hem. Die wonde. (zucht) Dat zag er niet uit. Ik dacht toen even niks, behalve: die moet hier snel weg. Later heb ik getwijfeld zoals iedereen: komt dit wel weer goed? Nog steeds hou ik een slag om de arm, maar ik ben heel optimistisch. Dit is een wonderbaarlijk snelle comeback na zo’n horrorblessure.”

Halfweg de stage arriveerde zijn trainer Marc Lamberts op de Teide. Hij zal blijven tot het eind. Lamberts had tot eind december een traject voorzien met alleen rustig duurwerk. Dat heeft hij moeten herzien, tot groot jolijt van hemzelf, het team en niet het minst Wout van Aert. “Ineens is het snel gegaan. Ik herinner mij nog dat chirurg Toon Claes, kine Lieven Maesschalck en ik bij hem op bezoek gingen nog voor zijn revalidatie begon. Je voelde bij iedereen de twijfel: dit kon goed komen, maar dit kon ook heel erg fout gaan. Ik heb vaak gedacht: haalt die nog zijn oude niveau? Nu ben ik het haast zeker. Haast, ja, want de vraag blijft: wat met herhaalde zware belastingen? Hoe zullen die spieren, die pees dan reageren? Het ziet er prima uit. Hij heeft niks aan power ingeboet. De wattages die hij trapt, verschillen in niks met die van vorig jaar. Alleen moet er wel nog wat bij om echt met de top mee te kunnen, maar dat was ook zo vorig jaar.”

Je medische en paramedische entourage had er niet altijd een goed oog in.

“Dat is best grappig, want telkens als ik Toon en Lieven zag, deden ze erg luchtig. Zo van: geen twijfel, dit komt goed. Pas nu het echt goed gaat, geven ze ook toe dat ze met behoorlijk wat twijfel hebben gezeten. Ze hebben het goed kunnen verbergen.

“Jij zegt nu dat het vlot is gegaan met mijn revalidatie, maar gek genoeg zie ik dat anders, We zijn al zeven maanden verder ondertussen en nu pas ben ik weer op niveau. Het ergste was kort na de blessure. Eerst twaalf dagen in de kliniek en daarna moest ik zes weken rusten. Geen belasting, geen revalidatie, niks. Die pees moest aan elkaar kunnen groeien. Na drie weken beterde het niet meer en dan moest ik nog drie weken wachten voor ik naar de kine kon.

“In die periode zijn Sarah en ik ook op reis gegaan naar Italië: vijf dagen Puglia en vijf dagen Sorrento. Heel mooi, maar echt genieten was er niet bij. Die tijd was de zwaarste. Ik heb even gedacht: ga ik ooit nog kunnen lopen?”

Thuis stilzitten, kan jij dat? Peaky Blinders op Netflix uitgekeken?

(lacht) “Onder meer. En de Vuelta. Lastig was dat niet, want ik was toch niet voorzien voor die koers. Toen de eerste moddercrossen eraan kwamen, kreeg ik het wel kwaad. Ik was toen wel al toe aan revalideren. Vijf keer per week twee tot drie uur naar Antwerpen. Ik heb de Vespa geprobeerd, maar haakte af nadat ik een paar keer zeiknat was thuisgekomen. Twee keer per dag in de file, dat was nieuw voor mij. Toen realiseerde ik mij dat wij als renner niet de problemen hebben van de mensen die echt moeten werken.

“Weet je wat het ergste was en waaraan ik merkte dat ik eigenlijk niks kon? Ik heb meer dan drie maanden niet op mijn zij kunnen slapen. Niet rechts op de wonde, maar ook niet links, want dan kwam er spanning op rechts. Drie maanden op de rug. Of ik heb gesnurkt, moet ik eens aan Sarah vragen.

“Half november mocht ik voor het eerst lopen: twee minuten op de loopband tegen acht per uur of zo, heel snel stappen dus. Het leek alsof mijn kontspier los hing te zwabberen, een heel vreemd gevoel, maar ik liep. Van dan af is het snel gegaan. In december op ploegstage reed ik met de groep mee. Niet vooraan zoals vroeger, maar gewoon volgen. Euforisch? Neen, ik dacht: oké, ça va.”

Tom Boonen beweerde in de krant met grote stelligheid dat jij nooit meer de oude zou worden.

“Ik ben daar op aangesproken… Ik denk dat Tom Boonen heel veel is, maar zeker geen dokter. Rare uitspraken zijn dat. Het kan dat iedereen een mening heeft over mijn blessure, maar hoe hij kan inschatten hoe erg het met mij was gesteld, is mij een raadsel. Hij had iets voorzichtiger mogen zijn. Als een nobody dat zegt, passeert dat, maar dit was Boonen en dan neemt de helft van België dat aan.”

Twee jaar geleden stierf je persoonlijke helper Michael Goolaerts tijdens Parijs-Roubaix. Vorig jaar crashte jij en in het najaar kwam dat proces. (Zijn ex-ploegleider bij Roompot-Charles Nick Nuyens verweet Van Aert misbruik van ontslagrecht en vroeg 1,1 miljoen schadevergoeding. Van Aert werd vrijgesproken.) Hoeveel jaar ben jij ouder geworden?

(stil) “Van alles wat mij is overkomen, is de dood van Michael Goolaerts het ergste. Dat valt niet meer te herstellen. De rest wel. Mijn rugzak is aardig gevuld, dat gevoel heb ik ook. Er is de laatste jaren iets te veel gebeurd in mijn omgeving en met mij om nog aangenaam te zijn.

“Dat proces bezorgde me minder stress dan het ongeval van Michael of de onzekerheid na mijn valpartij in de Tour. Ik wist dat het er zat aan te komen in november. Tegen die tijd was ik alweer aan het herstellen. Ik wist ook wat er gezegd zou worden door de twee partijen, het ging alleen nog om doorbijten. De uitslag kende ik niet, maar die viel uiteindelijk ook mee.”

Begin deze maand won je weer een cross in Lille. Welke gekke toeren heb je uitgehaald?

“Niks, triestig is dat. (lacht) Ik ben naar huis gereden, heb mijn spaghetti opgegeten en ben op tijd gaan slapen. Een dag later was het cross in Merksplas. Aan de bus hadden mijn ouders champagne bij zich en ik had een vat bier gewonnen, er hing wel een feestgevoel.

“Die cross was een grote stap vooruit, het was de eerste keer dat ik niet vanaf de start à bloc zat en het gevoel had: ik kan nog sneller. Oké, dit was een cross waarin Mathieu van der Poel niet meedeed. Anderzijds had ik het de weken voordien ook lastig tegen Toon Aerts en nu niet meer. Had ik geweten dat Merksplas een dag later zou worden afgelast door de storm, dan had ik wel een feestje gebouwd.”

Ik ben blij dat ik gelijk heb gekregen.

“Zeg maar…”

In 2016 heb ik als eerste geroepen dat jij en Van der Poel zo snel mogelijk naar de weg moesten. Dat beviel jullie toen niet, maar zie…

“We zitten op de weg, maar we zitten ook nog in de cross. Ik had er een probleem mee dat er zo denigrerend werd gedaan over de cross, alsof we daar niet met topsport bezig zijn. Het is irritant om daarna in elk interview de vraag te krijgen of het niet tijd is ‘om te stoppen met dat crossen’.”

Dat voortschrijdend inzicht is er inmiddels wel: de combinatie cross-weg werkt.

“Daar heb je gelijk in en dat heb ik ook altijd geloofd. Niet iedereen in het veld kan prof worden op de weg, maar het niveau in de cross is over het algemeen wel hoger dan werd ingeschat. Mathieu en ik zijn niet de enigen die een deftig niveau halen op de weg. Neem Gianni Vermeersch, Tim Merlier uiteraard, Quinten Hermans, Toon Aerts.”

Alles is terug te voeren op de motor in je lichaam. Wanneer heb jij voor het eerst geweten dat je op de weg ook potentie had?

“De eerste keer dat ik op de weg iets opvallend presteerde, was bij de beloften met winst in de Ronde van Luik in 2014. Ik reed die als voorbereiding op het crossseizoen en over een heuvelachtig terrein won ik twee ritten en het eindklassement. Oké, ik was toen lichter dan nu, minder gespierd, maar ik had niet naar die koers toegeleefd. Ik won de derde rit en in de laatste moest ik de trui verdedigen. Ik ben zelf op twintig kilometer van het einde vertrokken en solo binnengekomen. Op de erelijst stonden heel wat namen van renners die prof waren geworden.”

Wat wordt je programma de komende maanden?

“Ik begin niet in het openingsweekend in België, voor alle duidelijkheid. Sommigen hadden dat graag gezien, maar nog voor ik mijn ongeval had in de Tour was mijn terugkeer in competitie voorzien voor de Strade Bianche op 7 maart. Ik heb de Omloop twee jaar na elkaar gereden, maar met al dat wringen is dat voor mij een veel moeilijker koers om te beginnen.

“Na de Strade rijd ik Milaan-Sanremo en vanaf dan alle klassiekers tot en met Roubaix. Vervolgens stap ik, na eerst wat rust, in de Tour-voorbereiding, daarna hoogtestage gevolgd door de Dauphiné en de Tour de France. De hoogtestage in mei zal op de Sierra Nevada zijn.”

Het is hier beter dan op de Sierra.

“Dat klopt. Het hotel is beter, de trainingsomgeving is ook oké, je rijdt in een mooier landschap. Op de Sierra kunnen we wel een kok meenemen en daar zitten we op een appartement dat net iets beter is dan het sportcentrum. Hier zitten we in een echt hotel, waar ook toeristen verblijven, en is het verboden om zelf voor eten te zorgen. Nog een nadeel: we zitten op een eiland, waar heel wat logistiek bij komt kijken. Geen enkel team heeft hier een eigen auto en alles moet met het vliegtuig mee.”

Ben jij een man van de data? Je studeerde informatica, dus dat lijkt mij wel.

“Ik ben een dataman, jazeker, maar die studie was bij nader inzien een vergissing. Bij mijn eerste examens was ik voor vijf van de zes vakken geslaagd, maar nadien ging het steeds minder en interesseerde het mij ook niet zo veel meer. Toen ik prof werd, stonden mijn ouders mij toe dat ik alles op de koers zette.

“School was voor mij tot dan makkelijk geweest: ik dacht altijd dat ik veel had moeten studeren, maar uiteindelijk heb ik wetenschappen-wiskunde afgemaakt zonder veel te doen. Die informatica, dat was het toch niet. Het deed geen pijn om te stoppen, laat ik het zo zeggen. Als ik nu opnieuw een studie zou opnemen, zou dat iets zijn met economie. Daar heb je tenminste iets aan in het leven.

“In het middelbaar is economie niet de zwaarste richting. Wie goed studeert moet wetenschappen of wiskunde doen, maar wat heb ik nu nog aan die chemische formules? Mijn vrouw Sarah heeft rechtspraktijk gestudeerd. Dat komt nog wel eens van pas in het echte grotemensenleven, heb ik nu ondervonden.”

Wat met de trainingswetenschap? Geloof je daar in?

“Helemaal. Je kan niet zonder, Ik train op wattages, zoals iedereen. Als we een nieuw computertje krijgen, ben ik er ook altijd heel snel mee weg, dat interesseert mij echt. Voor cross is het niet zaligmakend. Die inspanningen zijn niet te meten en crosstraining gebeurt toch meer op het gevoel. Het is makkelijker om een Ronde van Vlaanderen voor te bereiden dan een cross. Van de Ronde weet je: na zes uur moet je de Kwaremont aan dat wattage naar boven kunnen rijden en daar train je dan op tot je dat kan.”

Je blijft crossen, net als Mathieu van der Poel, en met mijn excuses als jullie steeds in één adem worden genoemd.

“Dat ben ik gewend. (lacht) Ik wil er twintig rijden. Wat Mathieu wil, weet ik niet. Ook geen veertig schat ik en geen van beiden mikken we op de klassementen, dat zal voor de anderen zijn. Ik ontloop hem niet en hij zal mij ook niet ontlopen. We zijn steeds vriendelijk voor elkaar. Ik merk wel dat als we samen in koers zijn, op de weg, dat hij dan iets meer op mij let dan op anderen. Wij zijn geen vijanden en we zijn geen vrienden. Of ik iets heb gehoord van hem na de Tour? Neen, niks.

“Het klopt dat Mathieu wellicht beter de combinatie weg-cross verteert dan ik, hoewel ik tot aan Kerstmis kon zien dat hij een zwaar wegprogramma had gereden. Daarna was hij weer de oude en was die vinnigheid terug. Behalve dat we min of meer hetzelfde programma rijden, zijn we verschillende types. Dat begon al in de jeugd. Hij heeft altijd alles gewonnen wat hij wilde winnen. Ik heb er meer voor moeten werken, maar vergis je niet: Mathieu is ook een harde werker, al zal ik daar meer voor uitkomen dan hij.”

Waar droomde klein Woutje van?

“Van Bart Wellens en Erwin Vervecken worden. Daarom zal ik altijd terugkeren naar de cross. Daarom was ik er ook zo op gebrand dat ik dit seizoen nog kon crossen en toen ik dat eenmaal kon, wilde ik er nog een winnen ook, om deze winter niet alleen maar te hebben getraind.

“Ik was fan van Vervecken omdat hij van Lille is, net als ik. En van Bart Wellens was ik fan omdat hij een Kempenaar is en veel klasse had. Een idool heb ik nooit gehad, dat was Bart ook niet, maar als het tussen hem en Nys ging, dan wilde ik toch dat Bart won.”

Jij verrast steeds weer. Neem nu je Tour-selectie vorig jaar en wat je daarna presteert.

“Uiteindelijk begint dat bij Primoz Roglic die na een aantal valpartijen helemaal gesloopt uit de Giro komt, die vader gaat worden en die de Tour niet ziet zitten. Er is dus een plaats vacant. Daarop word ik met Steven Kruijswijk naar de Sierra op hoogtestage gestuurd en daar kan ik bergop goed volgen, dat is wat Kruijswijk althans meldt aan de ploeg. Waarop ik in de Dauphiné start en twee ritten win. En daarna de Tour.

“Ik heb het niet gekregen, ik heb het zelf afgedwongen. Ik heb geen gekke dingen gedaan op training, maar je trainingsmaat bepaalt toch vaak mee het tempo en als je achter Steven Kruijswijk moet rijden in de bergen, dan train je. Na die stage dacht ik: of ik heb te veel gedaan, of het zal fantastisch gaan. Het was dat laatste.”

Je rijdt in een Nederlandse ploeg met onder meer Nederlandse kopmannen. Hoeveel Nederlander ben jij nog?

“Ik ben een Belg, mijn vader was Nederlander. Hij is de zoon van Nederlandse ouders, maar zelf in België geboren en opgegroeid. Hij heeft sinds enkele jaren, net als de hele familie ondertussen, een Belgisch paspoort. Onze naam wordt met kleine ‘v’ geschreven als je voornaam ervoor staat, typisch Nederlands, en wij zijn daar heel gevoelig voor als het fout wordt geschreven.

“Ik hou van de Nederlandse directheid. Zeggen waar het op staat is wel een kenmerk van Jumbo-Visma, zonder dat te verwarren met grootspraak, waar wij Belgen de Nederlanders van verdenken. Mijn vrouw zegt dat ik als ik van een stage terugkom, nieuwe woorden gebruik en een beetje anders spreek, maar meer aanpassingen zullen er toch niet zijn.”

Wat staat bovenaan op je bucketlist?

“De Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix. Jawel, typisch Vlaams, ik kan het niet helpen. Maar ook Milaan-Sanremo, fascinerende koers is dat. Er gebeurt niks en als je denkt ‘nú dan’, ben je drie minuten later klaar met koersen. Elke klassieker bevalt mij wel, kleinere rondes moeten mij ook liggen. De twee wereldkampioenschappen in België in 2021, de cross in Oostende en op de weg in Leuven, die zijn ook een doel. Later ga ik misschien eens voor de groene trui in de Tour als de ploeg dat kan dragen. Voor 2020 is de Tour-zege het enige wat telt.”

Hoewel jij misschien een betere tijdrijder kan zijn dan Victor Campenaerts, zou ik je niet selecteren voor de olympische tijdrit. Jij zal total loss zijn van het vele werk in de Tour.

“Gelukkig ben jij de bondscoach niet, maar Rik Verbrugghe. Hij weet dat ik de Tour niet laat vallen voor een olympische selectie. Eerlijk, ik weet niet hoe ik uit de Tour zal komen. Die heb ik dan ook nog nooit uitgereden. Jij veronderstelt dat ik gesloopt uit de Tour kom, maar ik heb al renners weken na de Tour nog zeer hard rond weten rijden. Ik zal hard moeten werken, maar in de ritten die mij liggen zal ik mijn kans mogen gaan.”

 

20200222_De-Morgen_p-52_-Ik-heb-weer-het-gevoel-dat-ik-nog-sneller-kan–all-mail

Column over Kim Clijsters III in De Morgen van zaterdag 22 feb 2020

Kim III

 

Bij comebacks komen altijd dezelfde vragen terug bij de comebacker (m/v):

Kan ik nog zo goed wat ik vroeger goed kon?

Zal ik het fysiek trekken?

Wat zijn mijn verwachtingen en die van de buitenwereld?

Hoe lang zal de goesting duren?

Hoe verteer ik dat mentaal?

Je kan van Kim Clijsters veel zeggen, en op deze plaats was nooit een gebrek aan enige relativering, maar niet dat ze niet kan tennissen. Dat heeft ze afgelopen maandag bewezen tegen Garbine Muguruza, nummer zestien van de wereld en recentelijk nog finaliste van de Australian Open. De aandacht van de nationale media was een beetje buitenmaats, maar in de sport is dat de normaalste zaak van de wereld geworden. Perspectief houden, blijft lastig, maar toch een poging daartoe.

Waarom Kim Clijsters uitgerekend in Dubai haar start vervroegde en niet wachtte tot Monterey, is een beetje een raadsel. De beste opties zijn dat ze ongeduldig was en dacht ‘let’s get it over with girl’, en/of alle kosten voor haar en haar gevolg betaald kreeg en/of een aardige zak startgeld om precies daar haar comeback te maken. In elk geval heeft ze nu een referentiewedstrijd of althans twee totaal verschillende referentiesets. De eerste set was er een om snel te vergeten en legde meteen het grootste manco bloot: de service.

Met alle respect voor de reeds geleverde arbeid van Kim en co., dat is het enige onderdeel van het hele tennis dat je zonder tegenstander kan simuleren en trainen. Dat had beter gekund en ook gemoeten, maar kan het wel nog beter? De tweede set was dan weer een aardige aanwijzing van wat haast onaangetast is gebleven in die zeven en een half jaar afwezigheid: haar vechtlust.

Vraag 1 is beantwoord: ze kan het nog – met deze slag om de arm – áls de tegenstander het toelaat. Je kan er van op aan dat deze wedstrijd door heel het circuit is bekeken en dat elke coach van elke toekomende tegenspeelster het spel van Kim III zal ontleden en haar voortaan op de zwakke punten zal proberen pakken. Dat zijn er voorlopig nog heel wat.

Bij Muguruza kreeg je ook de indruk dat ze tijdens haar veertiendaagse congé na Australië niet te veel racket had gezien en dat ze schrok toen Clijsters haar spel optilde. Volgende wedstrijden zullen ons wijzer maken over de vraag of Clijsters zich herpakte in die tweede set dan wel dat Muguruza het bijna weggaf.

Vraag twee. In dat tempo – trainen, één matchke en weer naar huis – kan ze tot haar vijfenveertigste mee en makkelijk tussendoor nog eens drie kinderen kopen. Dat wil ze niet, dus zal ze de fysieke arbeid tussen de toernooien moeten opvoeren. Zelfs de tennisredacties hadden het inmiddels gezien. Ze omschreven het cryptisch als ‘er is nog wat fysiek werk te leveren’. Dat is allernoodzakelijkst om blessures te vermijden. Het is te hopen dat ze deze week thuis alweer hard aan het werk is. X aantal kilo’s te veel en 7,5 jaar jaar ouder, het is niet niks.

Vraag drie. Voor de verwachtingen hoeft ze niet bang te zijn, niet bij de buitenwereld en niet bij haar. De occasionele stukjesschrijver niet te na gesproken, is de buitenwereld volstrekt kritiekloos en zijzelf is al lang blij als ze zich niet belachelijk maakt. Van dat laatste is hoegenaamd geen sprake. Haar spel zag er bij momenten erg goed uit, maandag in Dubai, met de nadruk op ‘bij momenten’.

Probleem blijft dat ze nood heeft aan punten om een beetje een normale loting te krijgen. Nu moet ze overal rekenen op wildcards, maar zoals bekend komen die in de eerste ronde zelden of nooit uit tegen het nummer 1.000 of tegen een andere wildcard. De kans dat ze, waar ze ook speelt, weer een top 20-speelster of hoger treft en bijna zeker een reekshoofd, blijft levensgroot. In Monterey volgende week zullen we alweer wat wijzer worden.

Vragen vier en vijf zijn hele lastige. Die goesting is er, spatte er zelfs van af, maar als ze van toernooi naar toernooi sukkelt zonder één wedstrijd van belang te winnen, verdwijnt die goesting veel sneller dan ze is gekomen. Clijsters I en II waren gewend van af en toe te verliezen, maar veel vaker te winnen. Niks erger voor een winnaar dan verliezen. Of wel: geblesseerd geraken en daardoor verliezen, dat is helemaal het einde. Dan is de goesting zo voorbij.

Het is een beetje een catch 22 voor Kim Clijsters: of ze wint geregeld, speelt veel en riskeert blessures, of ze wint niet veel, speelt niet veel en blijft gezond, maar raakt het verliezen beu. Mooi zou zijn als ze een evenwicht vindt tussen winnen om het spannend en eerbaar te houden voor zichzelf en verliezen om te kunnen rusten en niet te kraken.

 

20200222_De-Morgen_p-19-mail

 

Column over de G5 of Gulzige 5 in De Morgen van 15 feb 2020

De G(ulzige) 5

De krantentitels deze week.
Maandag.
Experts hebben rapport klaar: 25 miljoen euro voor fiscus, maar RSZ blijft ongemoeid; Voetbal wil niet raken aan 150 miljoen euro voordelen.
Dinsdag.
87 miljoen euro verlies voor profclubs;
Eleven Sports haalt voetbalrechten binnen voor 103 miljoen euro;
Iedereen heeft wat tegen expertenrapport;
Zoenoffers Pro League zijn ‘ruim onvoldoende’;
Pikten ze extraatje mee via valse scoutingfacturen?
Woensdag.
Money time in match om voetbalrechten;
Verdeelsleutel verdeelt.
Donderdag.
Chaos rond tv-rechten. Nooit zo verdeeld;
Soap met tv-contract laat nog vele vragen achter;
Antwerp en Gent niet langer solidair;
Chaos rond voetbal op tv. Wantrouwen leidt tot impasse;
Vechten in plaats van voetballen.
Vrijdag.
8 miljoen minder dan Club, dat vindt Antwerp oneerlijk;
De Pro League heeft tot woensdag om Gent en Antwerp om te praten.

In die ene week waarin de expertencommissie voorstelde om een klein beetje in te leveren van de 150 miljoen euro voordelen die
het voetbal krijgt, bleek een dag later dat de clubs samen 83 miljoen euro verlies hadden geleden, dat een voorzitter niet wist dat zijn personeel corrupt was geweest, dat de voetbalclubs voor 103 miljoen kozen en daarna met zijn allen ruzie maakten. Het voetbal, want dat was er ook, leek nergens op: Standard-Club was extreem onsportief.

Dat in het televisierechtendossier voor Eleven Sports is gekozen voor 1,5 tot 2 miljoen meer (afhankelijk van de bronnen), op een totaalbedrag van om en nabij 100 miljoen, is het goed recht van de Pro League. Al is het niet gebruikelijk om de jarenlange partner voor zo’n klein verschil de deur te wijzen. Beter was geweest met hen in overleg te gaan en hun aanbod inhoudelijk bij te sturen.

Natuurlijk kan Eleven ook voetbalcommentaar verzorgen. Natuurlijk kunnen commentaarstemmen worden gekocht. Natuurlijk kan Extra Time op een andere zender met andere analisten, maar traditie en vooral knowhow zouden ook moeten meetellen. Als (met de nadruk op áls) het klopt dat Eleven zich heeft geëngageerd om het product Belgisch voetbal niet alleen te coveren maar tegelijk te promoten en bovendien de clubs exclusieve airtime biedt voor hun eigen boodschappen, is dat terug naar af.

Een kwarteeuw geleden stond in het eerste televisiecontract met de jonge zender VTM – toenmalige bobo Alain Courtois toonde mij in een overmoedige bui het zinnetje – dat VTM het Belgisch voetbal positief zou benaderen en meewerken aan het product. Daar kwam weinig van in huis, gelukkig maar. Ook Proximus, Telenet, VIER en VRT hebben de laatste jaren zoveel expertise opgebouwd en goeie analisten verzameld dat ze niet anders kunnen dan af en toe kritisch te zijn. Sommige commentatoren zijn zowaar bijna journalisten geworden.

Twintig miljoen euro extra bood zowel Telenet-Proximus enerzijds als Eleven Sports anderzijds (met die paar procenten verschil in het voordeel van die laatste partij) voor de Belgische tv-rechten. Dat is een stijging van 25 procent. Wat moet je met dat extra geld, wie moet dat krijgen en waarom? Misschien kan de Premier League als voorbeeld dienen.

In het seizoen 2003-2004 kreeg de laatste, Wolverhampton, 20 miljoen euro tv-geld, kampioen Arsenal 50 miljoen, 150 procent meer. Sindsdien heeft de Premier League bij elke stijging van de tv-gelden toch vooral de minst presterende clubs bevoordeeld. Resultaat: het voorbije seizoen kreeg de laatste 116 miljoen euro tv-geld en kampioen Manchester City 181 miljoen, 50 procent meer.

In België kreeg leider Club Brugge 250 procent meer dan de club die het minst kreeg, Eupen. Dat wordt met het nieuwe contract 450 procent meer. Antwerp kreeg vorig seizoen iets meer dan de helft van het tv-geld van Club. Het verschil bedroeg 4,6 miljoen euro. In 2025 zou er volgens een simulatie van de Pro League voor Antwerp een half miljoen televisiegeld extra bijkomen, voor Club 4,7 miljoen. Het verschil zou oplopen tot bijna 7 miljoen.

De kloof tussen de G5 – wat dat ook mag betekenen, misschien de Gulzige 5? – en de eerstvolgende ‘kleine’ club (nu Charleroi) zou van 1,3 miljoen in 2019 stijgen naar 3,2 miljoen in 2025. Het argument dat de Belgische eigenaars van topclubs niet willen delen met de buitenlandse eigenaars van kleine clubs omdat die niet inzitten met het algemeen belang van het Belgisch voetbal is hiermee doorgeprikt. Die zelfverklaarde topclubs willen met níémand delen. Zij willen hun G5-clubje afsluiten voor nieuwe leden en hebben hoegenaamd geen boodschap aan het geheim van elke goede competitie: herverdeling in functie van competitief evenwicht.

 

20200215_De-Morgen_p-19-mail