Verhaal over voordelen Belgisch voetbal in De Morgen van maandag 10 feb 2020

Voetbal wil niet raken aan voordelen

Niet raken aan de lage sociale lasten en belastingvoordelen van de profvoetballers, maar wel (lage) heffingen op hoge lonen, makelaars- en transfervergoedingen en sportweddenschappen. De expertencommissie, met onder anderen Michel Maus en Johan Vande Lanotte, heeft een ei gelegd over het Belgisch voetbal. De Morgen kon het voorstel inkijken.

Profsporters moeten momenteel net geen 900 euro RSZ-bijdrage per maand betalen, hoeveel ze ook verdienen. Vooral het voetbal, waar de topspelers makkelijk tienduizenden euro’s per maand opstrijken, profiteert daarvan. Daarnaast geniet het voetbal ook nog flink wat fiscale voordelen, wat samen met de lage RSZ goed is voor jaarlijks 150 miljoen euro aan staatssteun. Maar sinds het losbarsten van Operatie Schone Handen en het onderzoek naar witwaspraktijken, omkoping en matchfixing ligt dat voordeelregime onder vuur.

Vanuit de politiek werden al drie wetsvoorstellen ingediend om dat aan te pakken. Elk van de drie voorstellen zaaide behoorlijk wat onrust en niet alleen in het Belgisch profvoetbal. Ook het basketbal en volleybal maakten zich zorgen dat het kind met het badwater zou worden weggegooid.

Het voetbal (en bij uitbreiding de andere Belgische profsporten) zet de hakken nu in het zand. In november vorig jaar vroeg de Pro League, de vereniging van profclubs, aan gokspecialist Karl Dhont, Johan Vande Lanotte (voormalig minister en informateur), Michel Maus (fiscaal expert) en Tomas Van Den Spiegel (oud-basketbalspeler en CEO van Flanders Classics) om een nieuw model te maken voor het voetbal. Het rapport van deze expertencommissie is nu klaar.

Hun insteek is duidelijk: maximale openheid en minimale nieuwe heffingen in de hoop te behouden wat ze hebben. Als het van de expertencommissie afhangt, wordt dus niet geraakt aan de RSZ- en belastingvoordelen. De regeling waarbij sportclubs bijvoorbeeld maar 20 procent van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing moeten doorstorten – de resterende 80 procent kunnen ze zonder beperking aanwenden in hun club, onder meer om hogere salarissen uit te betalen -, daar raken we best niet aan, aldus de commissie.

Idem voor de lage sociale lasten. Dat is een uitzonderlijk voordeel toegekend aan één sector en dat België ooit is ‘vergeten’ melden aan de EU. De expertencommissie wijst erop dat de bestaande toestand beter wordt behouden want dat elke nieuwe regeling die afwijkt van andere sectoren en werknemers, moet worden gemeld. Veel kans dat de EU dan wel moeilijk zal doen.

In ruil bieden ze onderwerping aan de witwaswetgeving en fiscale transparantie aan. In één moeite worden ook de tussenpersonen (lees makelaars) en een heel klein beetje de goksector aangepakt.

Daarnaast maakt het voorstel werk van een luxetaks op hoge salarissen en inkomsten uit transfers en Europees voetbal. Vier procent op het saldo van transferinkomsten. Een getrapte heffing op vergoedingen aan tussenpersonen. Twee procent op Europese inkomsten. Vier procent solidariteitsbijdrage op het deel van het loon boven de 200.000 euro bruto. Samen met een minimale heffing op sportweddenschappen zou dat alles 25 miljoen euro opbrengen voor de schatkist.

Opvallend in het voorstel is de opening die wordt gemaakt richting andere sporten en de solidariteit die het voetbal wil tonen. De oprichting van een nationaal sportfonds zou kunnen worden gespijsd met de belastingen (ongeveer 20 procent) die de clubs vandaag wel nog doorstorten.

 

20200210_De-Morgen_p-1

Column Belgian Bitches in De Morgen van maandag 10 feb 2020

Belgian Bitches

Er was van de week onder journalisten wat discussie over wat een team is, beter nog wat een olympische teamsport is. Een teamsport is een sport die met een bal wordt gespeeld en met minimaal vijf spelers (m/v) op het veld. Of nog: waarbij de specifieke teamtactiek de vraag overstijgt ‘wie loopt/zwemt wanneer?’, ‘wie turnt wanneer?’, ‘welk paard doet het wanneer?’ of ‘hoe hard roeien we met zijn allen?’.

Olympische teamsporten zijn voetbal, volleybal, basketbal, handbal, hockey, waterpolo, honkbal, rugby sevens en (is een debat waard) wielrennen. Estafettes in lopen, zwemmen en nu ook in triatlon zijn geen teamsport. Dubbel in (tafel)tennis: eveneens geen teamsport. Dat zijn dan weer duo’s, net als in zeilen, roeien (ook met vier of met acht) en duiken. De teamcompetitie in gymnastiek en artistiek zwemmen (die hebben ook duo’s): met alle respect, maar geen teamsport.

Dat is geen waardeoordeel. Individueel presteren waarna de behaalde punten worden opgeteld voor het teamresultaat, zoals in gymnastiek, is stresserender dan in een team spelen waar de fouten van de ene in het veld meteen door de andere kunnen worden gecompenseerd.

De component van x-aantal goede spelers/speelsters op hetzelfde moment zover krijgen dat ze samen presteren in een ploeg, zorgt voor een extra dimensie in de prestatie. Onder meer daarom zijn prestaties in de echte teamsporten, vaak ook spelsporten, een graadmeter voor de staat van een topsportland. U heeft er door deze introductie even op moeten wachten, maar hier volgt het goede nieuws: Team Belgium gaat met een vrouwenploeg naar de Olympische Spelen in Tokio en dat in de meest mondiale van alle teamsporten, basketbal.

Voor de tweede keer in de olympische geschiedenis nog maar vaardigt België een vrouwenteam in een ploegsport af naar de zomerspelen. Na de hockeyvrouwen in Londen in 2012 die elfde werden na een ultieme (en enige) overwinning op de VS, zijn de Belgian Cats van de zomer in Saitama Super Arena, veertig kilometer buiten Tokio, aan de slag.

Die olympische kwalificatie is een van de meest ophefmakende prestaties van de laatste jaren in de Belgische sport en het bewijs dat we er als sportland op vooruitgaan. De Belgian Cats zijn net als de hockey- en voetbalteams een echte nationale ploeg met een substantiële inbreng van Franstalige speelsters.

Dit olympisch ticket heeft vele vaders, maar de beslissing van de bobo’s van de basketbalbond om een gooi te doen naar de organisatie van het olympisch kwalificatietornooi is een gouden zet gebleken. De drie dagen in de Versluys Dome zijn begroot op 1,2 miljoen euro, waarvan een derde naar de internationale bond gaat. Of er winst dan wel verlies wordt gemaakt, daar zijn ze nog niet achter, maar is ook van geen belang. Sportief succes mag een cent kosten en deze investering zal zich op termijn terugverdienen.

Dit olympisch ticket heeft ook één oermoeder: Ann Wauters. Gisteren in Oostende werd ze gevolgd door twee cameraploegen. Productiehuis Deklat Binnen stoomt van haar een portret klaar dat al is verkocht aan de VRT. Play Sports plant met haar een ‘Hoogvliegers’. Zelden is een bankzitter (m/v) zo bejubeld als Ann Wauters.

Haar beste dagen op het veld liggen al een paar jaar achter de rug, maar het is haar verdienste dat de Belgian Cats heel veel losmaken bij de sportminnende bevolking van het hele land. In één dag waren de ruim twaalfduizend tickets de deur uit en de voorbije drie dagen kwamen ze even goed vanuit Brussel en Wallonië naar Oostende afgezakt. Daar mag aan het eind van het jaar, als ze na die deelname op de Olympische Spelen op haar veertigste stopt, eindelijk een trofee op volgen, en zelfs meer dan één.

Het Emma Meesseman-effect – na haar MVP en kampioenstitel in de WNBA – versterkte nog eens de Cats-hype. Vreemd genoeg gingen de Cats daar zelf bijna aan ten onder. Beangstigend soms, hoe ze in elke wedstrijd periodes hadden dat het hen zwart voor de ogen werd, het spel stokte, de tegenstand hen oprolde, dat ze als poesjes over het veld liepen. Waarna dan een periode volgde – meestal het derde quarter – waarin ze tijgers werden, de tegenstand van het kastje naar de muur speelden en in no time een beslissende voorsprong verwierven. Tegen Canada kwamen ze iets te kort. Tegen Japan en Zweden volstond telkens één superquarter.

De Belgian Cats zijn een vreemde ploeg met een dynamiek die gevonden vreten is voor sportpsychologen. Basketballen kunnen ze, mooi basketballen zelfs, de Belgian Cats. Nu nog een paar van die ideale schoondochters die tegen van de zomer Belgian Bitches worden en dan zijn ze met die ploeg in Tokio nog niet klaar.

 

20200210_De-Morgen_p-19-mail

Column Kamelenmarkt in De Morgen van zaterdag 8 feb 2020

Kamelenmarkt

Het beste voetbalfragment van de week was voor Extra Time, toen Filip Joos met een flipchart uitlegde dat de lijnrechter die vorige zondag het doelpunt van Club tegen Antwerp had goedgekeurd het áltijd bij het rechte eind had, wat hij ook zou hebben beslist. Die redenering klopt in theorie, al kunnen filosofen een avondje doorbomen over de stelling of géén goal toekennen evenveel beslissing is als wél een goal toekennen. Er bestaat dat ongeschreven scheidsrechtersadagium: weten we het niet zeker, dan geen beslissing. Daarnaast bestaat er zoiets als het voordeel van de twijfel, of (in sport) het voordeel voor de aanval, voor de meest voetballende ploeg. Hoe ook, we hebben hier te maken met een soort prisoner’s dilemma maar dan voor refs.

Om exact te weten of die kopbal over de lijn was, hebben we doellijntechnologie nodig. Die bestaat. Die wordt zelfs toegepast. Erger nog, de machinerie daartoe zou zondag nog in het Jan Breydelstadion hebben gehangen van toen Club daar de Champions League speelde.

Willen we wel exact weten of een bal over de lijn is? Ja, zeggen de voorstanders. Neen, zeggen de tegenstanders die argumenteren dat zo’n twijfelbal als zondag zeer weinig voorkomt en dat onzekerheid tot de charme van het spel behoort.

Juist, maar doelpunten komen (te) weinig voor in het voetbal en dat ene goaltje kan beslissen over degradatie of promotie. In een lagescoresport als voetbal, per definitie oneerlijk, moet het uitsluiten van scheidsrechterlijke vergissingen de eerste bekommernis zijn. Doellijntechnologie of minimaal een camera in het doel zou derhalve een goede zaak zijn. Eén camera moet er wellicht twee worden en wie moet die daar dan hangen? De rechtenhouders en het productiehuis allicht. Schrijf maar snel een addendum bij de tv-tender.

Wie zijn de voorstanders van meer technologie? Alvast de grote ploegen, de G6, dat is de klassieke G5 plus Antwerp. Wie zijn de tegenstanders? Clubs uit de K10, dat zijn de klassieke K11 min Antwerp. Waarom is de K10 tegen? Omdat het te duur zou zijn. Onzin. Twee GoPro’s achter op de kruisingen vijzen en met wifi verbinden, dat kunnen geen dure kosten zijn. Echte doellijntechnologie, waarbij de ref op zijn polshorloge een signaal krijgt dat de bal over de lijn is, zou dan weer per club 300.000 euro kosten en nog een 60.000 of wat aan jaarlijks onderhoud. Dat is het gemiddeld salaris van één eersteklassespeler.

De kleine clubs kijken nu naar de grote clubs om de doellijntechnologie te financieren. Hun redenering is een hele kromme: de twijfelgoaltjes zijn van levensbelang voor de grote clubs, niet voor de kleine. Dat zal duren tot er een K10’tje degradeert omwille van een spookgoal, zoals destijds met dat spookbuitenspel. De grote clubs repliceren dat het niet aan hen is om de kleine clubs financieel te helpen want – en nu komt het – hun in vele gevallen buitenlandse eigenaars zijn vele malen rijker dan onze Belgische eigenaars.

Valabel argument of niet, dit is naast de kwestie. Hoe komt het dat al die rijke buitenlanders zich hebben ingekocht in het Belgisch profvoetbal? Die zijn hier niet aan komen waaien omdat ze het zo leuk vinden in de bossen van de Oostkantons (Qatarezen in Eupen) of aan ’t zeitje (Amerikanen in Oostende) en ook niet omdat ze idolaat waren van de Jupiler Pro League.

Als buitenlanders inmiddels de dienst uitmaken bij meer dan de helft van onze profclubs heeft dat alles te maken met de essentie van de Belgische voetbalbusiness, gestuurd en gelobbyd door de grote clubs: het Belgisch voetbal is een marktplaats te vergelijken met een Afrikaanse kamelenmarkt, maar dan voor voetballers. Buitenlanders kopen zich hier in voor de aberrante fiscale en parafiscale voordelen die nergens in een ander beschaafd westers land te vinden zijn en omdat er nauwelijks een beperking is op import van spelers van buiten de Europese Unie. Als de grote clubs het goed voorhebben met ons voetbal en de Belgische verankering, dan moeten ze snel werk maken van een eerlijk fiscaal en parafiscaal systeem, van een verhoogde instapdrempel voor niet-EU’ers, van het strikt naleven van financial fair play en niet het minst van een eerlijke herverdeling van de centrale inkomsten van de competitie.

Als ze dat allemaal goed regelen, zullen de buitenlanders vanzelf wegblijven, worden de Belgische clubs weer meer lokaal verankerd via een doorgedreven jeugdwerking en zal het quotum buitenlanders dalen van twee op drie naar één op drie. Dat zal niet gebeuren want als de kleine clubs en hun buitenlandse eigenaars profiteren van onze nationale kamelenmarkt, dan de grote clubs en hun Belgische eigenaars nog veel meer.

 

20200208_De-Morgen_p-19-mail

 

Verhaal van Eline Berings in De Morgen van zaterdag 8 feb 2020

‘Misschien wíl ik wel obstakels in het leven’

Vorig jaar miste ze een EK en een WK door blessures. Dit jaar, gezond en wel op weg naar het WK indoor in Nanjing, gooit het coronavirus roet in het eten. Eline Berings (33): ‘Waarom ik mezelf blijf pijnigen? Omdat ik het gevoel heb dat ik nog niet klaar ben.’

Het miezert, het is grauw en grijs buiten, je kent de rugzak met tegenslagen die je afspraak met zich meezeult en zo ontstaat de vrees dat straks een halve depri atlete in de Gentse koffiezaak komt aanwaaien. Wel integendeel, met Eline Berings komt een beetje voorjaarszon naar binnen. “Een weekje heb ik het lastig gehad toen ik hoorde dat het WK indoor in Nanjing (oorspronkelijk voorzien voor 13-15 maart, red.) niet doorging. Daarna heb ik de knop omgedraaid.”

Dit is haar opmerkelijke topsportverhaal, het begint in 2003.

“Mijn eerste grote toernooi was het wereldkampioenschap voor scholieren in Canada. Ik werd daar zevende, stond derde op de wereldranglijst. Kort daarna waren er de Europese Olympische Spelen voor de Jeugd en ik was favoriet. Ze waren de ‘Brabançonne’ al aan het oefenen. Bam, in de reeksen eerste horde aangetikt en gevallen. Toernooi voorbij. Meteen wist ik het: tegenslagen horen erbij.

“Die zomer ben ik gaan dromen: dit wil ik doen, hier wil ik zo goed mogelijk in worden. We zijn zeventien jaar verder en ik heb die ambitie nog altijd. Oké, ik word in mei 34 en dat voel ik, maar dat lichaam van mij, al bij al, ça va nog.

“Ik heb wat obstakels moeten overwinnen, maar ik denk niet in setbacks. Ik heb pech gehad, zware en minder zware blessures, topsportcontract verloren en privé ook wel wat moeilijke momenten. Toch ben ik altijd positief gebleven. Natuurlijk is mijn carrière er een van ups en downs. Niemand die zeventien jaar aan de top meedraait zal alleen maar rozengeur en maneschijn kennen.”

Er zijn er die minder vaak in de lappenmand lagen en die al lang zijn afgehaakt.

Eline Berings: “Mijn zwaarste momenten waren de twee kruisbandoperaties. De eerste was in 2015, in de aanloop naar de Spelen van Rio, maar in de lente van 2016 was ik weer goed aan het trainen toen diezelfde kruisband opnieuw afscheurde. Blijkbaar gebeurt dat nog. Niet vaak, maar het gebeurt, bij mij dus. (lachje) Rio heb ik gemist en ik heb al bij al twee jaar gerevalideerd.

“Het diepst zat ik na het WK in Londen in 2017. Toen heb ik het er echt uitgegooid. Hoe ik liep op dat WK was niet zo bijzonder, maar dat ik überhaupt liep, nadat ik twee jaar uit was geweest, was op zich al een wonder. Ik heb toen in een interview gezegd dat ik door alles en iedereen in de steek was gelaten. Dat is niet mijn gewoonte, maar het is ook goed om eens te laten blijken dat niet alles altijd loopt zoals je wilt en dat vechten echt wel loont. Ik ben een vechter. Weinigen dachten dat ik zou kunnen terugkeren en enkele dagen voor dat WK was ook nog eens mijn tante overleden, dus ja, dan laat een mens zich al eens gaan.”

Zoals je onlangs een tweet hebt gestuurd richting de internationale atletiekfederatie (IAAF) en haar voorzitter Seb Coe.

“Dat was gecontroleerd stoom aflaten. Ik ga daar ook niet te veel energie aan besteden, want discussiëren en ruziemaken gaat ten koste van je gemoedsrust die je als atleet nodig hebt. Had ik dan geen gelijk dat ik mij even liet gaan? Ik moet punten halen om
op de ranking te stijgen, alleen zitten alle toernooien waar ik punten kan halen al vol en het WK wordt niet verhuisd maar een jaar doorgeschoven.

“Nog zoiets: het EK dit jaar valt twee weken na de Olympische Spelen, begrijp jij dat? Dat is nog nooit gebeurd. Ach, ik zou wel een uurtje of twee kunnen doorgaan over wat er allemaal fout is aan mijn sport, maar dat is dan weer niet goed voor die innerlijke rust. Als ik trainer zou zijn, dan zou je mij wel horen.”

Jij relativeert ook het verlies van een topsportcontract en je begint niet meteen wild om je heen te schoppen.

“Sport Vlaanderen (het vroegere Bloso, HV) heeft na mijn eerste kruisbandoperatie mijn topsportcontract verlengd en toen kreeg ik een jaar later hetzelfde voor. Hebben ze dat contract weer verlengd, drie maanden en dan nog eens drie maanden om dan halverwege de revalidatie van mijn tweede kruisband te zeggen dat het voorbij was. Je bent bijna terug en dan duwen ze je buiten op het slechtst denkbare moment. Rationeel had ik begrip voor hun politiek, emotioneel had ik het er moeilijk mee. Dat ik dan toch nog het WK haalde, zag ik als een revanche, vandaar ook dat interview.

“Vorig jaar was ik opnieuw topsporter onder contract bij Sport Vlaanderen, tot december. Nu weer niet meer. Als ik geen contract heb, kan ik terugvallen op een VDAB-statuut, wat 60 procent van je vorig inkomen betekent. Ik heb een huis af te betalen, de sponsors waren eerder al weggevallen, de kosten zijn gebleven en je doet extra moeite om terug te komen. Het is letten op de kleintjes, maar ik heb geen dure levenswandel. Toch ga je voor het eerst afwegen of het nog de moeite loont: ik heb dat diploma, ik kan psycholoog worden, coach… Ik kan heel veel dingen doen, waarom mezelf nog pijnigen? Voor wie, voor wat? Wel, omdat ik het gevoel had dat ik niet klaar ben. En ik word ook nog gesteund vanuit de atletiekbond, waar ik binnenkort een ambassadrice van word.”

Helpt het jou dat je klinisch psycholoog bent?

“Ja, maar niet dat ik mijzelf continu analyseer. Daarnaast heb ik ook nog twee jaar een postgraduaat sportpsychologie gevolgd en daarbovenop een opleiding MBTI (Myers-Briggs’ persoonlijkheidstypes, HV). Ik weet dat die typologieën kritiek krijgen als toepassing in het normale werkveld, maar als handvat voor coaching in de sport is het een goeie tool.

 

“Ik ben een ENFP-type. De E staat voor extravert, wat wil zeggen dat ik mijn energie vooral uit mijn omgeving haal. De N en F zijn bij mij heel sterk aanwezig. Ze staan voor intuïtie en gevoel: ik kijk naar het grotere geheel en niet zozeer naar de details. Ik wil een visie ontwikkelen en ook niet te analytisch werken. Beslissingen zal ik eerder vanuit een buikgevoel nemen dan met een pro-contralijstje.

“Daarom zeg ik na een wedstrijd: het voelde beter dan die tijd laat uitschijnen. Dat is het bijzondere aan die MBTI: het is niet omdat ik minder analytisch ben, dat ik mijzelf niet moet verplichten om het te zijn. Ik héb analyses nodig in mijn sport om beter te doen dan de laatste keer. Maar ik moet het eerst en vooral voelen.

“De P ten slotte staat voor perceivers, mensen die wel eens durven uitstellen, maar die beter worden onder druk. Ze plannen niet te graag, willen ook geen dwingende structuur, maar houden alle opties open. Dat maakt van mij een kampioenschapsbeest: vraag mij drie dagen voor een kampioenschap of ik zenuwachtig ben, dan antwoord ik: ‘Ja, maar ik vind het geweldig.’

“Ik ben geworteld in de sport en ik heb die studie psychologie en sportpsychologie. Dus ja, dit zou mijn nacarrière kunnen worden. Het is altijd een voordeel als je er zelf middenin stond: relaties coach-atleet, wedstrijddruk, blessures, privéproblemen, je hebt als atleet alles wel eens meegemaakt en je weet hoe je daarmee moet omgaan.”

Zou je het een atleet aanraden om zoals jij zonder vaste coach te werken?

“Dat valt te bezien. Ik ben niet de enige. De Australische Sally Pearson en de Wit-Russische Alina Talay, twee wereldtoppers, doen het ook op hun eentje. Ik weet wat ik doe en uiteraard bekijk ik veel videobeelden. Ik bundel de ervaring van jaren aan een stuk ontelbare keren over die horden lopen en dat pas ik toe op mijzelf. Ik win wel constant advies in bij experts, zoals kinesiste Hanne Pardaens, maar de invulling doe ik volledig zelf.

“Het is nu twintig jaar geleden dat ik op het sintelbaantje van Standaard Gent begon en nog steeds heb ik het gevoel dat ik beter kan.

“Waarom horden en moeilijk doen als het ook plat rechtdoor kan? (lacht) Je zegt het: plat. Misschien wil ik wel per se obstakels in mijn leven. Ik heb een goeie start, maar de 60 of 100 vlak is niet mijn ding, te weinig uitdaging.

“Qua mentaliteit ben ik een hordeloopster. Die dingen staan daar en die trekken mij aan. Wie er niks van kan, springt over de horden, maar wij lopen er echt over: eerst met het aanvalsbeen gestrekt, dan met het bijtrekbeen erover zwaaien en dat alles zo snel mogelijk omdat je snelheid maakt op de grond, niet in de lucht. Iedereen start in acht passen tot de eerste horde en neemt dan drie passen tussen elke horde. In de zweeffase over elke horde overbruggen wij bijna drie meter. Lange mensen hebben het moeilijk met hordelopen; kijk naar Nafi Thiam in haar zevenkamp.

“Ik weet beter hoe het moet dan ik het zelf kan, dat mag je gerust stellen. De uitdaging van de laatste jaren was mijn honderd meter outdoor op het niveau krijgen van mijn zestig meter, en in de zomer van 2018 was ik zover. Ik liep 12.72 en van de eerste pas tot de laatste voelde ik: dat zit hier juist, alles klopt. Dat is een onbeschrijflijk gevoel en dat gebeurt zes keer in een carrière.”

Je doet aan atletiek, de eerste dopingsport, en je traint samen met een Wit-Russische, een prominent dopingland.

“Ik ben ook geschrokken toen ik de documentaire Icarus (Netflix, HV) over dat Russische misbruik heb gezien. Tegelijk troost ik mij met de gedachte dat ik maar zelden het gevoel heb gehad dat ik geklopt werd door vrouwen die vol zaten met testosteron. Ja, die Turkse Nevin Yanit destijds (betrapt in 2013, HV), bij haar zag en wist je van: dit is niet normaal. Ze liep niet eens goed en toch zeer hard. Het verhaal moet kloppen, zoals bij de Wit-Russische Alina Talay, met wie ik vaak samen train. Zij is technisch zo verfijnd, dat is talent. Ik geloof niet dat er een pilletje bestaat om die techniek te ontwikkelen.

“Alina presteert een niveautje hoger dan ik, dus ik ben geen bedreiging. Ik heb mijn winterstage bij haar gedaan, in Minsk, jawel. (lacht) Het kan daar min vijftien zijn, had Alina gezegd. Ik dacht: waar ben je nu aan begonnen, je had in Zuid-Afrika kunnen zitten in de zon. Het was rond het vriespunt en dat voelde minder koud dan nu met die regen in Gent.

“Aparte omgeving, die hal in Minsk. In het begin bekijken ze je wel zo van ‘wie is dat en wat komt die hier doen’, maar na een tijd ben je deel van de topsportersgemeenschap. Juist, in Gent hebben we ook zo’n hal, maar die wordt niet gebruikt als centraal topsportcentrum. Iedereen die iets kan in onze sport, is in z’n eigen hoekje bezig. Als ik ooit iets te betekenen zou hebben in het beleid, is dat het eerste wat ik zou veranderen.”

Vorige zomer op het BK werd je geklopt door Nafi Thiam en dat was nieuws.

“Ja, het was zelfs een vraag: hoe voelt het om geklopt te worden door Nafi Thiam? Ik heb toen toch even de zaken geduid. Dat ik na mijn knieblessure weer veel last had van een opspelende achillespees, dat ik eigenlijk op één been liep en als ik op twee benen had gelopen, dat Nafi drie meter achter mij was geëindigd. Er is toch wel een heel groot verschil in onze persoonlijke records op de horden.

“Erkenning door de media is nooit mijn doel geweest. Anderzijds mis ik wel nuance in de benadering. Begrijp mij niet verkeerd: Nafi Thiam is absolute wereldtop in wat ze doet, maar niet in wat ik doe. Ik doe niks af van haar prestaties, integendeel, maar het is jammer dat journalisten de prestaties van individuele atleten niet altijd even goed naar waarde schatten.”

Opmerkelijk hoe jij vooruitdenkt en -kijkt.

“Ik leef niet in het verleden. Ik zou kunnen zeggen: ‘Ik ben Eline Berings, ik ben Europees kampioene geweest.’ Dan lieg ik niet, maar het is wel elf jaar geleden. Ik denk dat ik meer ben dan dat. Mijn sport is mijn passie; ik word er gelukkig van. Ik ben ook op een punt aanbeland dat ik heel veel nadenk over die topsport en hoe het nog beter kan.

“Neem nu al die topprestaties de voorbije jaren. Dat is geen generatieverhaal, maar heeft te maken met een verbeterd topsportklimaat. Sport Vlaanderen moet nu meer toptalenten ondersteunen, met ongeveer hetzelfde budget, en ze hebben al laten vallen dat ze misschien de lat bij de top acht van de wereld zullen leggen.

“In atletiek zou dat dramatisch zijn. Top acht in de wereld betekent nog hooguit twee atleten met een topsportstatuut. Er zijn wereldwijd maar een handvol atleten die jaar in jaar uit top acht van de wereld halen. Er moet ruimte zijn, zeker in een mondiale sport als atletiek, om af en toe een minder seizoen te draaien. Kunnen falen om te kunnen winnen, het klinkt misschien raar, is van cruciaal belang in topsport.

“Wij hebben nog steeds geen centrale trainingsstructuur, zoals de Nederlanders met Papendal. Die hebben hele trainingsgroepen die elkaar beter maken. Ons succes is het gevolg van individuele projecten: Thomas Van Der Plaetsen wordt gecoacht door zijn broer en woont in Zuid-Afrika of zo goed als. De Borlées is een familiebusiness. Ik ben ook een eenmansproject, terwijl ik altijd graag had willen worden opgevangen door een structuur. Het is waarschijnlijk niet eens duurder zoals de Nederlanders het doen.”

Zien we jou op de Spelen in Tokio deze zomer?

“Zoals het nu gaat, ben ik dat haast zeker. Of ik moet 12.84 lopen of mij kwalificeren via de ranglijst. Zoals ik eerder uitlegde, is dat een probleem omdat ik nergens in indoortoernooien binnengeraak. Oké, als ik een paar keer 13 rond loop, sta ik hoog genoeg. Vorig jaar heb ik op een half been 12.97 gelopen met net iets te veel rugwind, dus dat mag geen probleem zijn.

“Daarom heb ik mijn tegenslag gerationaliseerd: geen indoor, oké, dan maar alles op een goede voorbereiding voor de outdoor. Ik heb een maand meer om volume te trainen en ik denk aan een lange stage in de VS, ergens waar het goed weer is – in de buurt van Florida – en waar ze een horde- en sprintcultuur hebben.

“Wat die cultuur inhoudt? Bijvoorbeeld dat ze altijd trainen en wedstrijden lopen met de wind mee. Ja echt, ze hebben daar start, aankomst, uitloopzone en tijdopname in de beide richtingen. Met rugwind, zelfs met te veel wind, is een voordeel, omdat je locomotorisch dat gevoel van snelheid traint. Ik ben het nog aan het uitzoeken. Ik denk dat ik eens naar Jacques Borlée zal bellen.

“Of het eindstation de Olympische Spelen in Tokio wordt, daar ben ik niet uit. Ik bekijk het in projecten. Ik stop als ik tot de vaststelling kom dat ik geen goesting meer heb. Als het vat af is, is het goed geweest.”

 

20200208_De-Morgen_p-70_-Misschien-wil-ik-wel-obstakels-in-het-leven–all-mail

Column over WK veldrijden in De Morgen van maandag 3 feb 2020

Matje-Wattje

Zes minuten. Zes. Toen ging Mathieu van der Poel ervandoor en reed een uurtje en nog wat seconden helemaal alleen voorop. De weg is hem soms te saai, maar wat moet je dan met zo’n WK veldrijden op een loodzwaar en al bij al afgrijselijk parcours? Afgelopen week is in het mooiste berg- en heuvelland van Europa in het dorp Dübendorf, waar geen mens wil zijn, het meest afgrijselijke crossparcours uit de geschiedenis van het veldrijden gebouwd.

Van nadar naar nadar, van berm naar berm, van asfalt naar modder, ploeteren, draaien en keren, niet om aan te zien. Een beetje zoals de loopgravenoorlog die tegelijk werd uitgevochten in het Jan Breydelstadion. Gelukkig leverde dat twee keer een terechte winnaar op. Eerlijke topsport hoeft niet altijd mooi te zijn; het helpt wel om vrede te hebben met het eindoordeel.

Mathieu ‘Matje’ van der Poel is de beste crosser die ooit heeft geleefd, laten we daar nu maar van uitgaan. Techniek in surplus, branie in surplus, maar vooral vermogen in surplus.

Moet het veldrijden blij zijn met Van der Poel? Ja, om voorgaande redenen. De meest complete wielrenner aller tijden en de beste van de 21ste eeuw komt uit de cross. Dat is goud waard voor een discipline die amechtig hunkert naar erkenning en die de fata morgana van het olympisch statuut blijft najagen.

Neen, veldrijden moet juist niet blij zijn met Van der Poel omdat hij lak heeft aan de geplogenheden van het enge crosswereldje. Klassementen als World Cup, Superprestige, DVV, wat kunnen die hem schelen? De grote wedstrijden zal hij rijden en ook winnen. Als de Belgen veertig keer in een herfst en een winter willen crossen, dan moeten ze dat vooral niet laten, hij haalt de krenten wel uit de pap.

Gisteren rond een uur of vijf is hij uit de cross verdwenen en de eerste keer dat we zijn wereldkampioenentrui zullen terugzien is over negen maanden. Na een korte periode van rust – hij gaat ook even skiën – zal hij proberen semiklassiekers, klassiekers en monumenten op de weg te winnen. Dat moet lukken want hij lijkt sterker dan vorig jaar en toen won hij ook al.

Na weer een korte periode van rust zal hij vervolgens overschakelen op de mountainbike in een poging op maandag 27 juli olympisch kampioen te worden. Daarna volgt weer een korte periode van rust, waarna hij zal opbouwen naar het WK op de weg in Aigle/Martigny. Dat wordt een lastige maar doenbaar: twee regenboogtruien in twee disciplines in hetzelfde land én olympisch goud in één seizoen. Dat zou geen golden slam maar een diamanten slam zijn. Als één iemand het kan, dan wel ‘Matje-Wattje’ uit ’s Gravenwezel.

Dübendorf was een eerlijk WK omdat het vermogen, de arbeid per tijdseenheid, uiteindelijk de doorslag heeft gegeven in alle crossen van het weekend. Ook in de enige cross waarin de Belgen eraan te pas kwamen, die bij de juniores. Wie eraan twijfelde of Thibau Nys zijn vader naar de kroon kan steken (met de nadruk op kán), die is zondag weer wat wijzer geworden. Als de kleine Nys nog progressie kan boeken en hormonaal en fysiek nog niet vol ontwikkeld is, kan hij groter worden dan de grote Nys.

België gaat naar huis met de drie junioresmedailles en één bronsje bij de mannen-profs, vier in totaal. Nederland gaat naar huis met acht medailles, waarvan vier gouden, op een totaal van achttien te behalen plakken. Die dominantie is meer uitgesproken dan in het schaatsen en dat wil wat zeggen. Er is wel één verschil: Nederland is de schaatsnatie en dan is die dominantie normaal. In het veldrijden is Vlaanderen de crossregio en dan is de vaststelling dat we in één jeugdcategorie goed meedoen, in een andere een troostprijs uit de brand slepen en in de rest naar huis worden gereden niks anders dan beschamend.

Nog meer een teken aan de wand dan de dominantie van Van der Poel was de tweede plaats van Tom Pidcock. Een amper twintigjarige die Toon Aerts, Wout van Aert (clementie voor hem) en Laurens Sweeck in de prak reed op een parcours dat grote motoren bevoordeelde.

De conclusie kan simpel zijn: met uitzondering van Van Aert en in iets mindere mate Aerts worden onze crossers niet opgeleid als grote motoren maar als solexjes.

Er is nog een verschil: Nederland deed in elke categorie mee, ook bij de vrouwen. Een land dat alleen presteert bij de vrouwen is een slecht sportland, een land dat zowel bij de mannen als bij de vrouwen presteert is een bijzonder goed sportland en heeft zijn opleiding op orde. Het cruciale woord in voorgaande zin is op-lei-ding. Het is kiezen: of je hebt mooiste campers, zoals de Belgen, of de beste opleiding, zoals de Nederlanders.

 

20200203_De-Morgen_p-19-mail

 

Verhaal met Sven en Thibau Nys in De Morgen van zaterdag 1 feb 2020

Thibau: ‘Ik ga winnen, maar ik weet nog niet hoe’

Sven: ‘Thibau is een killer. Ik was soms te braaf’

Het manneke dat ooit zelf met zijn fietsje door de wei croste terwijl papa uitlegde hoe hij weer eens had gewonnen, wil morgen zijn eigen wereldkampioenentrui bij de junioren ophalen. Met andere woorden: Thibau Nys (17) wil beter doen dan Sven Nys (43). ‘Ze gaan zondag iets meemaken.’

Vorige zondag scheen de zon. Het voelde aan als een vroege lente in Hoogerheide, waar de natuurlijke hindernis luisterend naar de naam Brabantse Wal ideale omstandigheden creëert voor een crossparcours. Hier werd zondag de laatste manche van de Wereldbeker (WB) gereden, steevast de generale repetitie voor het WK, dat dit jaar in het Zwitserse Dübendorf wordt gehouden.

Alleen bij de vrouwen was het nog een beetje spannend voor de eindklassering. Lucinda Brand, een renster van de ploeg van Sven Nys, stond uiteindelijk op het hoogste schavotje. Vreugde alom. Even later opnieuw vreugde, toen bij de mannen Toon Aerts zich verzekerde van eindwinst. Opnieuw een renner van Telenet-Baloise.

Dat was drie op drie, want na de eerste race die ochtend was ook junior Thibau Nys gehuldigd als WB-winnaar. Maar: nooit een gehuldigde gezien met meer tristesse dan Thibau Nys op dat podium in Hoogerheide. En: nooit een rustiger vader gezien dan Sven Nys, terwijl zijn zoon door eigen stommiteiten een wedstrijd verloor.

“Wat is het plan: ervan wegrijden of controleren en sprinten?”, had hij Thibau voor zijn opwarming op de rollen gevraagd. Waarop de zoon: “Ik ga ervan wegrijden”. Dat probeerde hij anderhalve keer, maar hij botste tegen een nadar en even later zaten ze in de slotronde. Weer reed hij weg, maar na eerst een val en daarbovenop een weerbarstig pedaal in de sprint, eindigde Thibau Nys na zes WB-manches te hebben geheerst nu als derde, na de Zwitser Dario Lillo en zijn Belgische rivaal Lennart Belmans.

Een bagatel, letterlijk een accident de parcours, maar relativeren is lastig voor een zeventienjarige. “Nu heb ik mijn hele seizoen verkloot. Ik wilde alle zeven wereldbekers winnen.”

Vader Nys, eerlijk waar, was van bij de start tot en met die verklote laatste ronde aan het glimlachen. Nadien voorspelde hij: “Jonge, jonge, nu zal onze Thibau boos zijn. Dat wordt wat straks, ons gesprek. (ernstig) Wachten tot de laatste ronde is tricky. Dat bleek nu ook. Dit is het beste wat hem kon overkomen, op een week van het WK.”

De nv Thibau

Zelfs als u al eens last had van een Nys-indigestie – en Sven Nys is de eerste om dat te begrijpen – loont het toch de moeite DNA Nys op Eén te herbekijken. Is ook dat te veel gevraagd, probeer dan de laatste aflevering mee te pikken, de ontknoping, volgende week woensdag. Al was het maar de intro.

U zult een vader zien en zijn zoon, een ex-kampioen en een aanstaande kampioen. Een apart samengaan van topsport en het leven van alledag met een late puber die nog slechts mondjesmaat de adviezen van zijn ouders aanvaardt. Meer zelfs, ergens in de serie zegt zijn vader: “Hoeveel keer dat die zegt: ach jong, gij kent er niks van.” Waar een ander een oorveeg in gedachten heeft, moet Sven Nys erom lachen. “Het is een andere generatie.”

Thibau Nys werd dit seizoen Europees kampioen en won de wereldbeker bij de junioren, twee dingen die zijn vader nooit kon winnen, simpelweg omdat ze in zijn tijd niet bestonden. Sven Nys brak ook pas echt door bij de beloften met twee wereldtitels. Thibau Nys kan dit weekend ook de regenboogtrui bij de junioren pakken, en dat is zowat de enige trofee waar zijn vader nooit bij in de buurt kwam.

Sven Nys, nu 43, is negenvoudig Belgisch en tweevoudig wereldkampioen. Hij won 292 wedstrijden als prof, wat hem zeven eindoverwinningen in de Wereldbeker opleverde en dertien keer winst in de eindstand van de Superprestige, dat andere belangrijke klassement.

Thibau Nys (pas 17) heeft dus nog werk voor de boeg, maar zit op schema. Hij zit al aan zeventien gewonnen crossen. Hij timmert aan zijn eigen weg en is inmiddels een ‘merk’. Sinds zijn veertiende heeft hij een eigen Wikipedia-pagina, een lief en een eigen logo. Pet, kledij, zelfs de matten voor de camper dragen het logo TN.

De entourage is navenant. Zijn aanwezig in de camper op het moment van ons gesprek met vader en zoon: Benny Van Calster, zijn trouwe begeleider, Melanie, zijn vaste vriendin, en Liam, zijn beste vriend.

Nog maar eens een journalist in de camper, het doet geen van beiden iets. Nys en Nys, zelfs die ene van zeventien, ze weten wat journalisten willen.

Sven: “Wat wil je, hij heeft nooit iets anders gezien. Om de haverklap kwamen journalisten bij ons over de vloer. Tv-camera’s kent hij al van toen hij nog kroop. De cross is voor hem de doodnormaalste zaak van de wereld, de pers is dat ook. Hoewel ik er nog van sta te kijken hoe makkelijk hij ermee omgaat.”

Een eigen logo voor een zeventienjarige, dat is wel opvallend.

Thibau: “Hoe gaat dat…? Supporters wilden petten en ik ben gaan tekenen. Zelf, ja, dat TN is mijn ontwerp.”

Sven: “Weet je nog, je vroeg mij tijdens de wedstrijd of hij last had van zijn knieën omdat hij als enige beenstukken droeg. Neen dus, die heeft hij aan omdat hij dat mooi vindt. Wat dat betreft is hij een beetje Frank Vandenbroucke.”

Thibau: “Het moet af zijn: de fietsen moeten mooi voor de mobilhome staan, die matjes moeten goed liggen. Dat is goed voor de moral.”

Sven: “Hij weet wat hij wil. Thibau geeft zichzelf ook maar een bepaalde tijd om iets te bereiken in die sport. Lukt dat niet, dan zie ik hem afhaken.”

Thibau, je twijfelt er toch niet aan dat jij met de profs zal meekunnen?

Thibau: “Op het niveau dat ik verwacht? Dat weet ik nog niet. Ik hoop het. Meekunnen is niet genoeg.”

En voor de vijfde plek rijden?

Sven: “Neen.”

Thibau: “Ik denk het niet.”

Sven: “Dan is hij niet tevreden en gaat hij iets anders doen waarin hij kan uitblinken. Zo zit hij in elkaar, ik ken hem goed genoeg. Eigenlijk is Thibau een ondernemer: hij wil zich opwerken.”

Maar niet via de school.

Thibau: “Voorlopig ligt de focus op de koers, de cross en als dat over een paar jaar niet is wat ik ervan verwacht had, zal ik mij wel kunnen motiveren om iets te leren of een diploma te halen in iets wat mij boeit of waarin ik de beste kan worden. Op dit moment gaat dat niet echt. Het is nu even alles voor de fiets.”

Stilaan worden de rollen omgedraaid: Thibau groeide op als ‘de zoon van’, maar Sven is evengoed een beetje ‘de vader van’. Aan populariteit heeft vader nog niet ingeboet. Ik zag hem twee weken eerder op de fietsbeurs VeloFollies ontelbare gesprekken voeren, nog meer selfies en andere foto’s nemend. Tussendoor gaf hij lezingen in Oostkamp en Poperinge en verzorgde hij een stageweek voor de jongeren van zijn ploeg. Voorts is hij elk weekend op de cross te vinden.

Op het centrale veld in Hoogerheide wil weer de ene na de andere met hem op de foto. Daar luidt het niet: “Succes met Telenet- Baloise”, de ploeg waarvan hij de grote baas is. Wel: “Succes met Thibau”. Hij ondergaat het gelaten, het is wat het is, en het is genieten.

Sven: “Dat manneke op zijn fietsje in zijn regenboogtruitje dat door de televisiecamera’s wordt opgepikt terwijl ik een interview aan het geven ben, dat beeld heb ik ook nog. Nooit gedacht dat het zo snel zou gaan. Nooit gedacht dat ik naar hem zou kijken en mij ergeren, beseffend dat ik een kopie van mijzelf zie. Hoe ik in het leven stond, die ambitie, maar ook die nonchalance, alles op de laatste minuut, het gebrek aan structuur… Ik zie aan hem hoe ik was.”

U geeft niet de indruk dat u zich daarin opjaagt, maar misschien zal hij zeggen…

Thibau: “Toch wel, hij jaagt zich daar wel in op.”
Sven: “Soms in…”
Thibau: “…veel te veel.”

Sven: “… in structuur, in op tijd komen, zeker als er mensen op ons staan te wachten. Ik voed hem op zoals ik ben opgevoed. Ik zie mijzelf terug in mijn moeder, die mij constant achter de veren zat. Maar druk leggen om te presteren, dat was er niet bij mij thuis, en dat doe ik nu ook niet.”

Thibau: “Zolang als het om trainen en koersen gaat, heb ik wel structuur.” Serieus, je pa was relaxed, terwijl jouw wedstrijd echt spannend was. Thibau: “Dat weet ik. Ik voel ook geen druk.”

Wat was je eerste herinnering van je koersende vader?

Thibau: “Dat weet ik niet. Er waren altijd fietsen thuis en al heel vlug leefde ik elke maandag toe naar dat moment in het weekend dat ik mee kon naar de wedstrijd en mij met mijn fietsje op het parcours kon amuseren. Hij won ook nog de meeste wedstrijden, dat maakte het extra bijzonder. O jawel, het kon mij schelen of hij won.”

Sven: “Hij was een echte supporter. Na de wedstrijd kwam hij met verhalen over hoe hij de koers had gezien. Hij gaf zelfs tips over het parcours, toen mochten ze nog vooraf rondjes rijden, nu mag dat niet meer. Maar ik heb nooit iets gestimuleerd. Hij rolde er zo in.”

Thibau: “Er is nooit een moment geweest dat ik niet heb gedacht dat ik crosser zou worden. Dat ging gewoon gebeuren. Zelfs toen ik niet koerste en vooral tenniste.”

Sven: “Daar was hij ook goed in. Op een bepaald moment zat hij zelfs in het BeGold-project (het nationaal jeugdproject voor talentrijke jeugd, HV). Dat werd wat veel. Hij moest uren skippen op school om naar die tennisacademie in Tessenderlo te gaan en dat was te zwaar.”

Met tennis is nog meer geld te verdienen dan met cross.

Thibau: “Ik deed dat ook wel graag en ik kon het ook goed. Ik kan het nog steeds, maar ik kom er niet meer aan toe. Zelfs toen ik alleen tenniste en niet fietste, had ik toch altijd het gevoel: ik ga later crosser worden.”

Crosser, geen wielrenner?

Thibau: “Crosser ja. Wielrenner is iets anders.”
Ik denk dat je pa spijt heeft dat hij het niet breder heeft gezien, op zijn Van der Poels.

Sven: “Ja, misschien, maar de tijd was daar niet rijp voor. Er werd toen anders omgesprongen met medicatie zoals je wel weet en ik heb ook nooit mijn cross zo kunnen loslaten als Mathieu van der Poel doet. Die rijdt alleen nog de crossen waar hij zin in heeft. Ik reed er elk jaar tussen de dertig en veertig. Ik zou op de weg een meeloper zijn geweest, hooguit goed voor podium in een semiklassieker.”

Maar je grootste nationale trofee, Sportman van het Jaar, heb je gewonnen…

Sven: “…als mountainbiker, dat klopt. Dat heb ik nooit kunnen waarmaken als crosser. Je wordt op een andere manier bekeken als je op de Olympische Spelen presteert.”

Thibau: “Ik was ook in Beijing en ik herinner mij dat nog.”
Sven: “Mountainbike sluimert in zijn achterhoofd.”

Thibau, jij bént een mountainbiker, met jouw techniek, jouw gewicht, die explosiviteit…Maar laat mij raden: je mag niet van je pa?

Thibau: “Voilá. (lacht) Serieus, als ik echt zou willen, dan mag ik dat. Ik heb nu de kans om meteen als eerstejaars met de beloften op hoog niveau mee te doen. De voorbereiding van de zomer moet daarom ideaal verlopen en dat betekent volume trainen op de weg. Mountainbiken tussendoor is nu nog een risico. Ik zou het in de toekomst echt dolgraag doen.”

Sven: “Hij is daar ook meer voor geschikt dan ik destijds. Ik was toch iets te zwaar. Je ziet dat hij niet alles van mij heeft. Hij is iets kleiner en dat scherpe heeft hij van Isabelle, zijn moeder. Deze generatie met Mathieu van der Poel en Wout van Aert heeft poorten geopend die vroeger dicht waren. Wegploegen vinden het nu niet meer erg dat er in de winter wordt gecrost, of dat ze zoals Mathieu gaan mountainbiken. Dat biedt opties die wij niet hadden.”

Thibau: “Ik ben Belgisch kampioen bij de nieuwelingen geworden op de mountainbike, maar in België stelt dat niks voor. Ik weet niet hoe het niveau internationaal is. De Zwitser die mij vandaag klopte, rijdt wel bij de eerste vijf in de mountainbike en de vierde doet ook altijd mee vooraan. Dan droom ik er wel eens van om mij met die mannen te meten. Ik kijk ook liever naar mountainbike dan naar een koers op de weg.”

Het wordt mountainbike, Sven.

Sven: “Dat weet ik. Ooit wel. Maar in deze fase van zijn leven gaat het te veel energie kosten in reizen, in achteraan starten en terugvechten, terwijl hij baat heeft bij volume trainen op de weg met het oog op zijn ontwikkeling. Er komt een moeilijk jaar aan. Op de weg bij de junioren, maar in het veld al bij de beloften die ook nog vaak samen met de profs starten: dan gaat het ineens hard. Deze zomer moet hij die stap zetten. Mathieu van der Poel is ook niet beginnen mountainbiken bij de junioren, Thibau heeft dus nog tijd. Ik zou hem liever een WK junioren op de weg zien rijden.”

Thibau: “Dat is een beetje laat want dan is het alweer cross. Maar misschien kan het wel een keer. Ik ben voorstander van een volledig crossprogramma, van begin tot eind, en niet dat ze er zoals nu hun wedstrijden uitpikken.”

Wat heeft Thibau Nys allemaal aan gereedschap? Dat is de voorlopig gedeeltelijk onbeantwoorde vraag. Ten eerste: een bijzonder goede techniek op de fiets. Hij kan dingen op de fiets die zijn pa nooit heeft gekund maar daarvoor moet u DNA Nys herbekijken. Ten tweede: hij heeft explosiviteit. 1.500 watt piekvermogen is niet niks voor een pas zeventienjarige (watt is een eenheid die aangeeft welk vermogen een renner ontwikkelt tijdens een inspanning.Piekvermogen is het vermogen dat gedurende heel korte tijd, bijvoorbeeld 1 of 5 seconden, kan worden geduwd, bijvoorbeeld in een sprint, red.) Ten derde: een niets ontziende wil om te slagen. Blijft de vraag: welke motor zit onder de kap van dat frêle lijf?

Hoe goed denk je dat je zelf bent en kunt worden?

Thibau: “Dat is heel moeilijk te zeggen. Ik domineer mijn categorie, maar hoe goed is mijn generatie? Je kunt vijf jaar lang alles winnen en bij de profs tot de vaststelling komen dat de andere generaties veel beter zijn. Ik weet het niet. Inzake koersinzicht, techniek en explosiviteit zit ik op het niveau van de profs. Nu nog die motor, ouder worden, sterker worden en dan prof worden op een redelijk niveau.”

Sven Nys: “Hij heeft goede tests. Als je op die leeftijd zoals hij op je hoogste drempel meer dan 6 watt per kilogram lichaamsgewicht scoort, ben je een goede atleet.”

Uit DNA Nys blijkt dat als jullie samen trainen Thibau er de grootste lol in heeft als hij je er kan afrijden. Dan zegt hij zelfs over jou: je ziet hem zo achteruitgaan.

Sven: “Hoe wij daar tegenover elkaar staan, dat is echt niet gespeeld. Zo gaat het de hele tijd als we samen trainen. We dagen elkaar uit. Hij lacht mij uit. Hij rijdt mij eraf, dat klopt. Maar het is evengoed: papa wat denk jij ervan, hoe zou ik dat doen? Er worden nog vragen gesteld.

“Het is een goeie match tussen ons. De band die wij met ons tweeën hebben door de sport is tien keer sterker dan als hij geen interesse zou hebben in sport. Onze vader-zoonrelatie is een rijkdom voor mij. Onbetaalbaar.”

Thibau: “Ik heb niet altijd gelijk maar hij ook niet. Hij is een erg goede leermeester van wie ik op veel vlakken kan leren, maar als renner, sporter, mens moet je toch je eigen ding doen.”

Jij lijkt mij niet het nerveuze type.

Thibau: “Voor belangrijke momenten heb ik wel de bevestiging nodig van de mensen rond mij. Hoewel dit seizoen toch al is gebleken dat ik niet bang moet zijn en dat het vaak genoeg is wat ik presteer, wil ik toch horen dat ik goed bezig ben. Dat stelt mij dan gerust.”

Sven: “Hij is op die leeftijd veel cooler dan ik. Ik heb hem nog nooit zien verlammen door stress, wat mij als jonge crosser wel is overkomen. Op een belangrijke wedstrijddag zie ik hem ook veranderen, gaat hij de dingen zelf in handen nemen en structuur aanbrengen.”

Thibau is meer een killer dan jij.

Thibau: “Op het einde was hij dat ook.”

Sven: “Zeker op die leeftijd sta jij mijlenver voor op mij. Ja, ik was soms te braaf. Hij is veel meer een killer.”

Thibau: “Ik kan mij meer kwaad maken in een wedstrijd en mij mentaal oppeppen, neen?”

Sven: “Jazeker. Het ziet er allemaal heel goed uit, nu is het aan hem om er iets mee te doen.”

Wie wordt wereldkampioen bij de profs?

Thibau: “Dat is geen moeilijke vraag: Mathieu van der Poel. Vallen in de laatste ronde of uit zijn pedaal schieten? Dat zal hem niet gebeuren want hij zal het niet tot de laatste ronde laten komen.”

Sven: “We zijn met onze teams concurrenten maar er is veel wederzijds respect. We sturen af en toe eens een bericht naar Mathieu; Thibau misschien meer dan ik.”

Thibau: “Mathieu is buitenaards. Ik kan niet anders dan hem zo omschrijven. Wat hij heeft gepresteerd in drie verschillende disciplines heeft nog nooit iemand gedaan en zal ook nooit meer iemand hem nadoen. De beste op de weg, de beste in de cross en als hij focust ook de beste in het mountainbiken. Hij heeft een enorme motor, is superexplosief, kan het afmaken en is in al die onderdelen ook nog eens uitmuntend. Dat vind je normaal nooit in dezelfde wielrenner: alles komt bij hem samen.”

Sven: “Zijn enige beperking is zijn gewicht, toch voor de mountainbike. Maar voor een olympisch parcours moet dat volstaan.”

Jouw WK dan. Mag ik herhalen wat jij zei, Sven, toen hij derde werd tijdens de laatste manche van de Wereldbeker?

Sven: “Dat dit het beste was wat hem kon overkomen? Daar blijf ik bij.”
Thibau: (droog) “Ik koop daar niks voor.”

Sven: “Ook ten aanzien van die Zwitser, want die zal nu op een wolk leven.”

Thibau: “Die weet goed genoeg dat hij mij niet kan volgen. Zo verliezen…(diepe zucht) Ik wist waar het zou gebeuren, ik zet aan en ze zijn meteen kansloos, maar de volgende bocht lig ik tegen de grond en dan schiet ik ook nog uit mijn pedaal.”

Sven: “Dat is het leven, je zult meer verliezen dan winnen. Ik reed in Niel ook eens naar de meet en op tweehonderd meter draaide mijn derailleur in mijn wiel. Stond ik daar.”

Thibau (draait met de ogen): “In Niel oké, maar toch niet als je zeven op zeven kunt halen in de wereldbeker.”

Sven: “Bij de junioren, Thibau, de junioren… (Thibau gromt) Het is een winnaar, ik heb het nooit anders geweten. Een spelletje of met de fiets rijden, hij wil alles beter of rapper kunnen, hè Melanie? (het campergevolg knikt volmondig) En nu is hij getergd door dat verlies. Dat is een goed teken.”

Wat is het wedstrijdplan?

Thibau: “Daar moet ik nog eens over nadenken.”
Sven: “Moet je daar nu nog over nadenken?”
Thibau: “Ik ga dat winnen, maar hoe, weet ik nog niet. Het zal van het parcours afhangen, maar ze gaan wel iets meemaken.”

 

 

20200201_De-Morgen_p-76_-Ik-ga-winnen-maar-ik-weet-nog-niet-hoe-Thibau-is-een-killer-Ik-was-soms-te-braaf–all-mail

Column over Kobe Bryant in De Morgen van zaterdag 1 feb 2020

Mamba

 

Het is niet duidelijk wanneer en waar Kobe Bryant zal worden begraven. Of in intieme familiekring, of in het Staples Center voor 20.000 man, of iets daartussen. Als Kobe had kunnen kiezen, het was die tweede optie geworden.

Omdat eenieder (m/v) met een toetsenbord zich ineens geroepen voelt om Bryant te roemen en/of betreuren, eerst even dit: tussen 1993 en 2005 was ik beroepshalve een regelmatig bezoeker van de NBA. Michael Jordan heb ik 32 keer live zien spelen, Kobe Bryant minder. Hoeveel precies weet ik niet meer, want waarom de ontmoetingen met Sint-Pieter tellen als je God zelve geregeld zag?

Speciaal voor de millennials voor wie geschiedenis begint bij de aanschaf van hun eerste smartphone, even voor de goede orde: Michael Jordan is de beste ooit (zelfs de beste sporter ooit tout court), daarna komt wat basketbal betreft wellicht LeBron James, maar het zou evengoed Kobe Bryant kunnen zijn, dat laatste zal afhangen van wat James er in zijn ultieme jaren van bakt.

De twee belden zaterdagavond met elkaar nadat James Bryant had ingehaald op de all-time scoringstabel van de NBA. Die all-time scorers list zegt niet heel veel: zo heeft Jordan minder punten dan Byrant en James maar wel meer titels. Op nummer één staat Kareem Abdul-Jabbar. Op twee Karl Malone. Vrij naar Wittgenstein: wie niks zinnigs kan zeggen over Abdul-Jabbar (de eeuwige zwarte activist) of over Malone (nooit een titel gewonnen en als gewezen bestuurder van de National Rifle Association een Uncle Tom) moet over Bryant zwijgen.

De eenzijdige eulogieën wekten verbazing. Behalve Washington Post-journalist Felicia Sonmez (eerst ontslagen en snel in eer hersteld) viel tussen alle lofbetuigingen aan het adres van Kobe Bryant één realistische stem te horen. Dat was Eric Goens in VTM Nieuws. De ongekroonde koning van de emo-tv vervelde heel even tot de uitstekende NBA-commentator van weleer toen hij de basketbalspeler Kobe Bryant neerzette als “een fantastische speler, maar een ettertje”.

Wie was Kobe Bryant? Als rookie van achttien sprak hij zo min mogelijk tegen zijn medespelers van de Lakers, tenzij om hen te zeggen dat ze die basketbal zo snel mogelijk in zijn handen moesten geven. Shaquille O’Neal noemde Kobe in hun eerste seizoen samen al meteen ‘Showboat’. Zijn coach Phil Jackson, die Jordan in Chicago had getraind, moest na een paar jaar tussen Kobe en Shaq in psychotherapie, zo erg hing hij het uit.

Bryant kopieerde Jordan om hem te overtreffen. Omdat hij had gehoord dat Michael Jordan weleens de hork kon uithangen tegen zijn maats moest hij zo nodig ook de hork uithangen. Twintig jaar lang was er één constante: me, myself and I. And give me the ball. Vergeleken met Kobe Bryant is Cristiano Ronaldo de ultieme altruïst. Dat hij kon basketballen en inzake speelstijl het dichtst bij Jordan in de buurt kwam, laat daar geen twijfel over bestaan.

Over de doden niks dan goed, dat is een mooi principe, maar niet overdrijven. Van de week schreef een zwarte mevrouw een lang opiniestuk: “Kobe was het rolmodel waar wij zwarte jongeren krampachtig naar op zoek waren.” Meer van de pot gerukt is onmogelijk.

Kobe rolmodel? Hoezo dan? Omdat hij zichzelf als het merk ‘Black Mamba’ had gedeponeerd? Kobe Bryant was alvast veel meer mamba – giftig en agressief – dan hij ooit black was. Hij heeft zich nooit geuit in om het even welke discussie over zwarten in de VS, zelfs niet over Black Lives Matter en toen had het makkelijk gekund want hij was gestopt. Jordan overigens ook niet, al is hij tenminste lid van de Omega Psi Phi, een zwart studentenbroederschap. Kareem en LeBron spraken zich wel herhaaldelijk uit.

Nog meer onzin in dat opiniestuk? “De enige reden dat hij met een helikopter vloog was omdat hij zich ten volle wilde inzetten voor zijn werk, maar ook een aanwezige vader wilde zijn.” Woeha. Kobe Bryant vloog al met een helikopter toen hij nog speelde en kinderloos was. Die heli was er omdat hij speciaal wilde doen.

Er werd besloten met: “Ik zou ook kunnen schrijven over het meisje (het was een vrouw van 19, HVDW) dat Kobe in 2003 beschuldigde van verkrachting. Hoe hij zich verontschuldigde. Hij dacht oprecht dat zij seks met instemming hadden, maar na het horen van haar versie van de feiten zag hij in dat zij het waarschijnlijk anders had ervaren. Veertien jaar voor #MeToo was dat bijzonder.”

Zij had het anders ervaren… Dat toegeven was bijzonder… Het stond er echt. Geschreven door een vrouw. Een zwarte vrouw, over een zwarte man die een vrouw had verkracht. Het was niet erg, want hij had zich verontschuldigd. Dat kwam nadat hij 2,5 miljoen dollar had betaald, maar dat stond er dan weer niet bij.

 

20200201_De-Morgen_p-19-mail

Column over boek Pevenage in De Morgen van zaterdag 25 jan 2020

Waarde(n)loos

Denken dat je iets nieuws ontdekt en erachter komen dat het al een keer is ontdekt, het overkomt elke journalist. Lezers iets voorschotelen als nieuws, terwijl je weet dat het geen nieuws is maar slecht herkauwde prak, is journalistiek opportunisme grenzend aan bedrog.

Niks van wat Rudy Pevenage heeft verteld in zijn boek is nieuw. Niks. Neen, ook niet het colablikje dat ooit als een gimmick op de markt is gebracht. Die anekdote is gekend. Het blikje bestond overigens evengoed in de versie Sprite en Fanta en eigenlijk was
het een thermosje om drankjes koel te houden. Het leek op een colablikje, meer niet. Jawel, er zal bij Ullrich wel epo of zo hebben ingezeten, maar dat van die dubbele wand, neem dat met een korrel zout. Je kon het koelcontainertje uit het omhulsel halen om uit te spoelen, tot zover de dubbele wand.

Idem voor de bewering van ‘Der Rudy’ dat hij de namen van de sporters kent die bij de gecodeerde bloedzakken van gynaecoloog (én sportarts, beste collega’s) Fuentes horen: hier geen korrel maar een zak zout. Eufemiano Fuentes die hij recentelijk nog drie keer heeft gezien omdat ze zo goed bevriend zijn, geloof dat ook maar niet. Pevenage ken ik als een goeiige vent, maar door dit boek is hij een aandachtszoeker en een fantast.

Wanneer hij uitlegt waarom hij de namen van de eigenaars van de bloedzakken niet wil noemen, wordt het kolderiek: omdat hij niet met een afgesneden kop in zijn bed wil liggen. Die kop in dat bed, wellicht gezien in The Godfather beste Rudy, dat was een paard. Dus: koop geen paard en je bent safe. Bovendien loop je meer gevaar, zolang je je “bom aan informatie” voor jezelf houdt.

Behalve dat soort onnozeliteiten die ongefilterd in de media kwamen, bulkt het eigenlijke boek van de onjuistheden waarbij een zorgvuldig journalist zich bij het opschrijven vragen had moeten stellen. Is niet gebeurd. Jammer.

Pevenage beweert zomaar zonder tegenwoord dat Jan Ullrich zich met zijn hulp dopeerde omwille van de arrogantie van Lance Armstrong. Hoezo dan? Ullrich reed zijn twee beste Rondes van Frankrijk – mét epo, aldus Pevenage – in 1996 (tweede) en 1997 (eerste). Dat waren de jaren dat Armstrong een Waalse Pijl won en vocht tegen een uitgezaaide teelbalkanker. Hij kwam pas in 1999 terug in het Tour-peloton en toen was ‘Der Jan’ tot spijt van ‘Der Rudy’ al op drift, enkele te korte periodes van luciditeit en trainingsijver niet te na gesproken.

Met dopingverhalen van twintig jaar geleden zijn we aanbeland in de fase dat we nog alleen fossielen vinden zoals we er al honderden hebben opgegraven. Toch gaan we bij de minste vondst met zijn allen rond de sleuf staan en roepen steeds weer: “Goh, kijk eens wat we hier nu weer hebben ontdekt.”

In dit geval: Ullrich gebruikte doping en Pevenage hielp hem daarbij. Dat is al jaren bekend en is bevestigd door een bekentenis van beide partijen.

Oké, niet al het nieuws zal altijd tot iedereen doordringen en veel collega’s ondervinden weinig hinder van historisch besef, maar dat tot 2001 zowat elke renner aan de epo zat en een substantieel deel van het peloton heeft bekend, dat alle ploegleiders ervan afwisten, dat het vanaf 2002 vooral ging om bloedtransfusies en dat ze daar ook van afwisten, dat hoort tot de canon van het cyclisme.

Elke andere zogezegde onthulling is industriële archeologie op een leeggegraven site. Pevenage zijn memoires, om in de metafoor te blijven, zijn bezigheidstherapie, een scherfje aardewerk gevonden in een middeleeuwse bouwlaag die al intacte potterieën en zelfs lijken heeft prijsgegeven. Waardeloos en jammer genoeg ook waardenloos.

Het recycleren van de eigen ellende en de eigen donkere geschiedenis is hiermee weer eens een specialiteit van de wielrennerij gebleken. Geen enkele andere sport gaat zo slecht, zo onnauwkeurig en zo ongenuanceerd om met zijn verleden als het cyclisme. Het zou aan de journalisten moeten zijn om daarin nuances aan te brengen, feiten te checken en onzin van waarheid te scheiden. Helaas, spektakel voor alles.

Wielrennen is zowat de meest autodestructieve sport ooit, maar soms past het om mensen tegen zichzelf in bescherming te nemen. Rudy Pevenage heeft het recht te denken dat het moderne wielrennen nog steeds niet zonder doping kan, dat topsport bij uitbreiding niet op pompwater kan. Misschien was dat voor hemzelf een correcte inschatting. De vraag is niet of hij het recht heeft dat te denken, wel of je dat soort gratuite uitlatingen een forum moet geven, waarmee je de zwik randdebielen munitie geeft om alle topsport tot doping en samenzweringen te herleiden.

 

20200125_De-Morgen_p-19-mail

Verhaal over boek Rudy Pevenage in De Morgen van donderdag 23 jan 2020 (column volgt zaterdag)

Selectief geheugen van Rudy Pevenage

Ex-renner en ex-ploegleider Rudy Pevenage heeft een boek uit. Dat voegt behalve enkele nuances weinig toe. Maar iedereen heeft recht op zijn memoires en Pevenage heeft dan ook veel meegemaakt én geleden, meestal door eigen schuld.

Hoe gaat dat met een sportboek? De uitgeverij zoekt een medium voor een voorpublicatie en tegelijk worden journalisten ingeseind over het boek. De ingeseinden voelen zich dan verplicht om over het boek te schrijven in (minstens) neutrale of (als het even kan) lovende woorden. Zij moeten de verkoop aanzwengelen. Niet helemaal zeker of het boek van Pevenage veel zal verkopen. Het wordt voorlopig een beetje lauw ontvangen.

De allereerste zin van het boek dat gisternamiddag per pdf in de mailbox viel, en die elke journalist al had bedacht die over Pevenages boek had gehoord, luidt: “Velen zullen zich afvragen waarom dit boek nú pas verschijnt.” Inderdaad, dat vragen wij ons af. Daar zijn een aantal plausibele antwoorden voor, zoals: het is nu wel allemaal verjaard. Of nog: ik wil er een centje aan verdienen. Misschien: er lag nog wat op mijn lever. Het zal duren tot alle oud-strijders uit die weinig glorieuze periode zijn verdwenen.

Hoe problematisch memoires van oud-wielrenners steeds weer zijn, blijkt nog op diezelfde eerste pagina. “Tot 1995 had ik hoegenaamd niets te maken met doping, in 1996 wist ik ineens overal van.” Vreemd is dat, want naast het boek stuurde de uitgeverij een bloemlezing van de volgens hen meest saillante passages en daar kunnen we op pagina’s 110-111 lezen: “Ik had (als renner, HVDW) mijn pilletjes genomen, en ik wist ook dat dezelfde dokter als in Frankfurt de controle zou uitvoeren. Die man keek niet zo nauw, dus daar kwam ik wel doorheen.”

Nog iets verder heeft hij het over de medische problemen die hem later in de kliniek deden belanden: die waren het gevolg van zijn buitensporig cortisonegebruik als renner en hij vervloekt in één moeite de soigneurs die hem alles hadden gegeven. Later zal hij zo’n soigneur, Jef D’hont, een pad in de korf zetten door het in diens proces tegen Walter Godefroot voor de ploegleider op te nemen.

Even problematisch maar dan van een andere orde zijn de fouten in zo’n boek. Op pagina 180, in het hoofdstuk Erytropoëtine, zegt Pevenage: “Epo kwam in 1998 toch op de lijst, maar was daarmee nog steeds niet altijd te traceren, omdat het gemaskeerd kon worden. Als de epo binnen twee dagen voor de wedstrijd was toegediend dan werd het gevonden. Indien je het een week of twee op voorhand nam en ruim voor de wedstrijd stopte, dan niet.”

Dat is, met alle respect, manifeste onzin. Epo was pas opspoorbaar halfweg 2001 en kon niet worden gemaskeerd. Ook zijn beschrijving van de Fuentes-methode van doping met eigen bloed klopt niet. Eufemiano Fuentes had een toestel om bloed te glycoliseren, waardoor het langer bewaard kon blijven en niet al na drie weken ging degraderen. Lance Armstrong had geen toegang tot die moderne bloedbanken en deed het nog op de artisanale manier. Op dat vlak hadden Jan Ullrich en Pevenage een voorsprong op Armstrong, van wie Pevenage maar schoorvoetend toegeeft dat het een groot renner was en alvast ernstiger met zijn vak bezig dan zijn eigen pupil.

Dat lijken details, maar het zijn vervelende fouten die een schaduw werpen over alle andere pikante details en hoofdstukken. Voor wie het boekt koopt, die beginnen rond pagina 150 en daarna, als hij ploegleider wordt bij Walter Godefroot en Telekom. Want wie is nu geïnteresseerd in de wielrenner Pevenage?

De ploegleider Pevenage was dan weer een bijzonder figuur en het is vooral uit die periode als begeleider van Ullrich dat de pittigste anekdotes komen. Die gaan over dopinggebruik, maar ook over omkoping, over corrupte controleurs en over alle ellende die je over jezelf afroept als je met doping begint te klooien, in zijn geval nog eens verzwaard met zwart geld.

De mens Pevenage is oké en heeft meer geleden dan een normaal mens kan verdragen. Zijn boek is een therapie voor jarenlange opgekropte frustratie. Die heeft hij al vaker geventileerd, zoals destijds in het boek van ondergetekende, waarvoor hij een waardevolle bron was. Hij vertelde toen onder meer dat hij als renner zag hoe de grootste kampioenen zich volspoten met corticoïden tot hij dacht dat ze zouden ontploffen. “Ze ontploften wel degelijk, maar op tien kilometer van de meet en wij lagen eraf.”

Hij wilde die kampioenen toen niet met naam en toenaam in het boek en dat is maar goed ook. Een renner en nadien ploegleider uit de tweede helft van de twintigste eeuw heeft óf een selectief geheugen óf leidt een eenzaam bestaan. Hij zegt: “Ik vertel in deze biografie veel, heel veel, maar ik ben misschien wel het een en ander vergeten.”

Rudy Pevenage spaart de kool en de geit, en dan vooral de renners en ploegleiders die hij het hoogst heeft zitten. Daar is niks mis mee, maar schrik dan niet dat je boek maar half ernstig wordt genomen.

Vanavond is de boekvoorstelling voor vrienden, familie en oud-collega’s in Parike. De avond wordt gepresenteerd door Tom Coninx, sportjournalist, en tijdens de presentatie zullen onder meer Lucien Van Impe, Walter Godefroot, Eddy Merckx, Paul Van Himst en Roger De Vlaeminck aan het woord komen. Die staan dus niet in het boek, maar dat had u al begrepen.

 

20200123_De-Morgen_p-20-mail

Column over..gewicht in De Morgen van zaterdag 18 jan 2020

Het juiste gewicht

Kim Clijsters hield een mediadag. Ik wist nergens van. Misschien maar beter ook. Ik was toch weer de ambetanterik geweest die had gevraagd of het geen gekkenwerk is om met zoveel overgewicht aan de intensieve fase in de trainingsopbouw te beginnen. Mijn collega’s hebben het geprobeerd. “Ze staat al wat scherper”, schreef er een. Ik ken hem van vroeger. Hij zal wel hebben gegrinnikt bij het tikken. Een andere vroeg haar op de vrouw af of er nog wat kilo’s af konden. Ze antwoordde dat dat nog moest komen nu ze intensiever ging beginnen werken.

Dat is bepaald vreemd en baart een beetje zorgen. Het behoort tot de geplogenheden van de trainingsleer om de intensieve fase in een trainingsopbouw aan te vatten net boven het competitiegewicht en die laatste paar kilo’s er gaandeweg af te trainen. Wat overigens lastig is want voor elke spiercel die een vetcel vervangt, win je per saldo aan gewicht omdat spieren zwaarder wegen dan vet. Daarom zeggen verstandige diëtisten ook dat elk pondje langs het mondje gaat en dat vooral de energie-input moet beperkt worden, naast de energie-output optrekken.

Clijsters’ output in de maand december, daar hebben we het raden naar. Haar input? Ze ziet er niet uit alsof ze zich de voorbije weken heeft uitgehongerd. Nu wil ik Carl Maes best geloven dat ze een mentale en algemene fysieke reset heeft ondergaan in die zeven/acht jaar relatieve rust en die twee nieuwe zwangerschappen (na haar eerste kindje keerde ze alvast met succes terug).

Ze kan daarnaast haar enorme intrinsiek tennistalent in de schaal werpen én er is het voorbeeld van Serena Williams die 38 is, met veel meer overgewicht kampt en nog af en toe wint. Toch blijft het tricky om de belasting te verhogen op pezen, gewrichten en spieren als je x (zelf invullen) aantal kilo’s te veel moet meezeulen. Met het trackrecord aan blessures van Clijsters (36) is dat vragen om problemen.

Voor wie overweegt om bodyshaming in te roepen: gewicht is een essentieel gegeven in topsport en sporters daarop aanspreken is goeie sportjournalistiek. Het is ook een issue bij een lichtgewicht-roeier die zichzelf moet uithongeren, of een taekwondoka/judoka die voor de weging nog in een sauna moet gaat zitten om zijn of haar klasse te halen, of een renner die bergop wil presteren maar duidelijk te veel kilo’s meesleept en ten slotte bij de vadsige voetballer die niet verdedigt en maar zes kilometer per wedstrijd loopt. Dus mag je daar ook een tennisspeelster in een veel te wijde joggingbroek en T-shirt op afrekenen.

Toegegeven, het gaat soms verder en dan heb ik de onweerstaanbare drang om ook mijn niet-sportende medemens te waarschuwen voor het onheil dat obesitas met zich meebrengt. Ik houd mij dan een beetje in omdat het mijn zaken niet zijn, behalve dan dat obesen (en rokers) asociaal de gezondheidskosten de hoogte injagen, maar passons. Ik wil mij echter niet inhouden om het fenomeen ‘te dik’ in de sport te benoemen.

Het juiste gewicht halen is een discriminerende factor voor topprestaties. Daarom heb ik het ook niet begrepen op het omgekeerde fenomeen: al die sporters die zich geroepen voelen om hun eigen gevecht tegen de kilo’s aan te klagen als een uitwas van topsport. Erover praten: ja. Benoemen: oké. Maar toch niet aanklagen?

Magerzucht ís een fenomeen in de sport. Topsport ís balanceren op het randje of er net over, ook inzake gewicht. Met alle gevaren daaraan verbonden: denk maar aan de vele breuken in het wielrennen of de kreupele ruggen van de turnsters uit de jaren tachtig en negentig. We weten inmiddels dat de strijd tegen het gewicht bij topsport hoort.

Daarom begreep ik het belang van de recente interviews met atlete Louise Carton over haar eetstoornis ook niet zo goed. Om de topsport te behoeden? Meisjes, jongens, TikTok’ers, wakker worden: topsport is georganiseerde uitwas en gereglementeerd onrecht in competitieverband, punt aan de lijn.

Omdat anorexia misschien een maatschappelijk probleem is? Zou kunnen, maar willen we eens tellen hoeveel mensen er per jaar doodgaan aan anorexia en hoeveel er het loodje leggen omdat ze te dik zijn/waren? Rare maatschappij die te magere mensen moet bewenen en te dikke mensen niet mag responsabiliseren. In de topsport mag dat laatste wel, móét dat. Te mager of te dik, wie de strijd tegen de kilo’s niet aankan zit óf in de verkeerde sport/gewichtsklasse, óf heeft niet het juiste karakter of lichaam. Die zal het erg lastig krijgen. Amerikanen hebben daarvoor een mooi devies: als je de hitte niet kunt verdragen, blijf je beter uit de keuken.”

 

20200118_De-Morgen_p-19-mail