Verhaal over het gevaar van wielrennen in De Morgen van woensdag 7 augustus 2019

Steeds sneller fietsen op steeds onveiliger wegen

Ergens in Polen: rechte weg, droge gracht, betonnen duikers. Op één ervan staan kaarsjes. Brute pech heeft Bjorg Lambrecht en bij uitbreiding het peloton getroffen. En toch … wielrennen is de meest dodelijke sport geworden.

Het lot slaat / reddeloos / op hol. Rust zacht. / Voorgoed / beloftevol.

De kortste en meest treffende verwoording van het drama Bjorg Lambrecht kwam van de hand van modern rederijker Stijn De Paepe op Twitter. “Dit is het noodlot, maar we moeten niet blind zijn: vallen is wel steeds vaker het lot van de wielrenner”, aldus wielerarts Yvan Vanmol. Frank Hoste, bekend als co-commentator op de VRT radio maar specialist veiligheid voor wielerkoersen: “Wielrennen is de enige sport die onveiliger is geworden.”

De juiste omstandigheden van het ongeval, wil iemand die nog kennen, kent iemand die? Het regende, maar was dat de oorzaak? Of was het onoplettendheid op een stuk waar niet moet worden opgelet, het voorwiel dat een achterwiel aantikte en dan onvermijdelijk de gracht in? Het doet er niet meer toe, de jongen uit Knesselare wordt straks begraven.

‘Citius, altius, fortius’ is de olympische leuze voor sport. Sneller, hoger, verder. Vervang dat voor het wielrennen maar door ‘citius, acutius, lethalius’ of sneller, gevaarlijker, dodelijker. Is het niet door een val, dan wel door een hart dat in kortsluiting gaat. Het zal je kind maar wezen dat je vanaf zijn veertiende als aspirantje hebt gestimuleerd om zijn stinkende best te doen op dat grote fietsje.

Rij snel of zelfs maar gezwind sportief met de fiets, dan is niet de vraag of je zal vallen maar wanneer en hoe vaak. Op de Prudential Ride van zondag – een recreantenrace van 40.000 deelnemers in Londen op het parcours van de profs – heb ik drie ambulances gezien. Twee keer lag bij een roerloos lichaam een man die in afwachting van nog meer hulp de nek van het slachtoffer stabiliseert.

Iets later scheurden de profs over dezelfde weg. Onheil diende zich aan maar voltrok zich niet, een zware crash zonder veel erg in de aanloop naar de sprint niet te na gesproken. Als renners weten dat ze kunnen vallen, kunnen ze vallen en vallen ze goed, enfin meestal toch. Elia Viviani won, weer een wedstrijd goed afgelopen. Een dag later ging het finaal mis in Polen.

Gevaarlijkste aller sporten

De dood van de jonge Bjorg Lambrecht een plaats geven is onmogelijk: dit is het noodlot aan het werk, in het kwadraat, hoeveel pech kan een jong mens op een fiets hebben? De bredere context blijft evenwel dat wielrennen al een tijdje de gevaarlijkste aller sporten is. Waar alle sporten de afgelopen twintig jaar veiliger zijn geworden – denk aan formule 1, motorrijden, skiën, eventing – is alleen in wielrennen jaar na jaar het ongevalsrisico toegenomen.

Yvan Vanmol, langstdienende wielerarts in het profpeloton: “Een val zoals die van Bjorg Lambrecht zal bijna altijd goed aflopen, deze uitkomst is echt het noodlot, maar er wórdt meer gevallen en dus wordt ook het noodlot steeds vaker getart. De pelotons zijn compacter, rijden meer in ploeg en rijden veel competitiever, misschien zelfs agressiever. Stel je voor dat ze nu zonder helm zouden rijden, ik mag er niet aan denken.”

Alle sporten zijn sneller geworden, maar er is één groot verschil: de ruimte waarbinnen worden gestreden om de overwinning is in alle sporten van jaar tot jaar veiliger geworden, niet in wielrennen.

Neem nu skiën. Toen Ulrike Maier in 1994 in de afdaling van Garmisch op het laatste rechte stuk ten val kwam en haar nek brak tegen een onbeschermd paaltje van de tijdopname – ze stierf kort daarna in de kliniek – zijn alle skipistes onder handen genomen. Toen maanden later uit onderzoek bleek dat niet het paaltje maar wel een hoopje verijsde sneeuw langs de kant van de piste haar dood had veroorzaakt, kwamen ook voor de stroken naast de piste nieuwe richtlijnen. Een skiër die na 1994 uit de bocht vloog – tik maar eens Nagano, crash en Hermann Maier in – werd opgevangen door soms drie netten met elke hun eigen technologie. Een ongeval als dat van Gernot Reinstadler die in 1991 in Wengen op de piste doodbloedde na een val, is zo goed als onmogelijk gemaakt.

Frank Hoste: “Ook op racecircuits voor motoren of voor auto’s zijn geen grachten of duikers, laat staan vluchtheuvels of verkeersremmers. Een motorrijder die valt, schuift netjes naast het circuit in het gras, veegt zich wat schoon en springt terug op zijn motor.”

Schijfremmen

In Polen regende het pijpenstelen. Is dat een reden om een wedstrijd te neutraliseren? Toen in 2010 in de Tour Fabian Cancellara de rit naar Luik voorin stillegde omdat het gevaarlijk glad bleek in de afdaling van de Stockeu, ook door de regen, sprak een deel van de wielerpers schande over zo’n hoog jeanettengehalte. “Als ze niet willen vallen, moeten ze op een vliegveld gaan rijden.”

Ooit waaiden Gert Steegmans en Geraint Thomas in Gent-Wevelgem in de gracht door de felle wind. Frank Hoste was toen koersdirecteur en twijfelde over al dan niet neutraliseren. “Stel je voor dat ze tegen een obstakel waren gevlogen. Een wielrenner
die van de weg geraakt, moet hopen dat niks in zijn weg staat. Wielrennen is een gevaarlijke sport, maar zowel organisatoren als wielerbonden zouden veel meer kunnen doen voor de veiligheid van de renner. Het besluit om de wedstrijd niet stil te leggen, lag toen bij mij en dat was een te zware verantwoordelijkheid. Eerlijk: ik dacht toen ook aan de 4.000 vips. Gelukkig is er nu een protocol, maar de Gent-Wevelgem waar ik over spreek, dateert nog maar van 2015.”

 

Deze kop kan onderhand onder een sneltoets: ‘Wielrenner in coma, c.q. sterft’. Wat hierna volgt, kan ook onder die sneltoets: ‘Er zijn te veel/te weinig motards. Er wordt te gevaarlijk/snel gereden door de motards/de wielrenners. Er zijn te veel/te weinig renners. Er zijn te veel gekke/onrespectvolle wielrenners.’ (Schrappen wat niet past) En ook: ‘De wegen zijn te smal, de weginfrastructuur kan geen wielrennen meer aan, het wielrennen verslindt zijn kinderen.’

Yvan Vanmol beaamt wat Walter Godefroot in een eerder gesprek met deze krant stelde. “De moderne fiets is te nerveus. Het is als een Porsche, duw te hard het pedaal in en je belandt in de gracht.” Vanmol: “Geef een renner die stabiele fiets van vroeger en hij wil er niet op rijden. Hoe stijver, hoe nerveuzer, hoe beter.”

Frank Hoste is naast ex-wielrenner, koersdirecteur en commentator ook fietsenbouwer. Hij wijst op nog een probleem: “Schrijfremmen zijn fantastisch, je remt in alle omstandigheden, maar daardoor wordt veel later en krachtiger geremd. De bandjes zijn weliswaar 25 millimeter breed, maar wel met 8 bar in. Het bandoppervlak waarop wordt geremd, is hetzelfde. Resultaat: er wordt sneller en meer geslipt.

“Een pasklare oplossing voor die problematische wegeninfrastructuur met die verkeersremmers? Die is er niet, tenzij vaste circuits, een betere beveiliging van alle obstakels en parcours die niet langer dorpen en gemeentes aandoen die de organisator betalen om in beeld te worden gebracht. Veilige parcours zijn evenwel duur, en vergen veel mankracht.”

 

20190807_De-Morgen_p-4-mail

Column Tribuneklanten in De Morgen van maandag 5 augustus 2019

Tribuneklanten

Hoe goed of hoe slecht het voetbal dit seizoen zal zijn op de Belgische velden, voor dát oordeel is het na twee speeldagen nog wat vroeg. Voor de omkaderende televisieprogramma’s was de conclusie al na één speeldag zonneklaar: top aangeworven, geen sprake van brain- of talentdrain zoals bij de clubs, wel integendeel.

Van de week een interview gelezen met Frank Raes. Het thema was ‘gepensioneerde die jonge gasten de kans ontneemt om door te groeien’. Zo letterijk werd het probleem niet gesteld, natuurlijk niet, maar Raes – oudere, blanke man ondervraagd door jongere vrouw – moest toch uitleggen waarom hij is blijven zitten waar hij zit, bij Extra Time. Had hij niet moeten doen. Hij zit daar uitstekend.

Een van de vragen was hoelang hij nog zou blijven presenteren? Zolang het voetbalcontract met de zenders loopt, had de VRT hem gevraagd. Interessant. Hieruit zou je kunnen afleiden dat de VRT er rekening mee houdt dat het haar monopolie op kwalitatieve omkadering van het voetbal, in de vorm van een maandagse praatshow, dreigt kwijt te spelen.

Wellicht wordt bij de volgende biedingen VTM hun grote concurrent. Die hebben van de zomer al Marc Degryse en Jan Mulder weggehaald bij de VRT en kunnen met die dure vogels voorlopig weinig of niks omdat niemand naar VTM kijkt voor het nationaal voetbal. Een goede voetbalpraatshow trekt kijkers en dat is voor de moeilijke maandagvond altijd meegenomen.

Vooralsnog blijft Extra Time op Canvas de norm en de formule staat na al die jaren nog steeds als een huis. De mix pakt. Meer nog, de samenstelling van het panel is er dit seizoen op vooruitgegaan. Althans voor de sportliefhebber die op zoek is naar meerwaarde, zoals inzicht in hoe het spel wordt gespeeld en wat er allemaal komt bij kijken. De tooghanger die af en toe een goeie (of minder goeie) grap wil horen, zal wellicht wat op zijn honger blijven zitten. De vrouwen die kijken voor de (af en toe gespeeld) verontwaardigde, c.q. naïeve Jan Mulder ook, want Jan is naar de overkant.

Nieuwkomer Gert Verheyen heeft al na één aflevering zijn meerwaarde bewezen: rustig zijn punt maken, af en toe relativeren, niet kort door de bocht, de rust van de kenner die met zijn volle verstand voor deze uitweg/zijweg heeft gekozen, Extra Time kan er wel bij varen.

Andere nieuwkomer in het eerste speelweekend was Hein Vanhaezebrouck als analist in Sports Late Night, het omkaderend programma van Vier en Play Sports, gepresenteerd door Bart Raes. Drie dagen later stond hij prominent met zijn eerste wekelijkse column – eerder een meanderende monoloog, vintage Hein – in Het Nieuwsblad.

Het eerste tv-optreden van Vanhaezebrouck werd fel gesmaakt, al is het wachten tot hij iets zegt over Club Brugge om in te schatten in welke mate voetbalkijkend Vlaanderen hem lust. Hein zag er goed uit. Hersteld van de Coucke-terreur, licht vermagerd (met de nadruk op licht), modieuze look, stylish in het pak, hij zat er als seigneur-analist. Zijn lichaamstaal, een blok West-Vlaams graniet, verried niet dat hij duizend keer liever op het veld zou staan.

Hein hoedt zich voor rancune of oud zeer. Zijn afgemeten conclusie na het eerste verlies van Anderlecht, thuis in de openingswedstrijd dan nog, was simpel: laat Vincent Kompany maar doen en de directie moet aan de slag want er moet nog wat kwaliteit bij.

Woensdag hield hij in zijn eerste krantenmonoloog dan weer een pleidooi voor zijn favoriete spelmaker, Sven Kums. Kums heeft wat Kompany zoekt, zei Vanhaezebrouck, maar voegde daar onmiddellijk aan toe dat hij denkt dat Kums naar het buitenland moet om nog wat van zijn carrière te maken. Kums-Vanhaezebrouck, drie seizoenen lang waren ze twee handen op één buik. Master van hun universe, althans bij Gent. Het eerste seizoen meteen kampioen, een jaar later meesterlijk in de Champions League. Daarna een derde rampjaar bij Anderlecht en vandaag samen in de tribune, de ene werkloos, de andere ongewenst.

Kums zat ook in de samenvatting van Anderlecht-KV Oostende, maar veel te dicht bij de aftiteling om goed te zijn. Na de wedstrijd sleepten de tribuneklanten, onder wie Kums, zich door de catacomben richting kleedkamer om daar hun helden die wel speelminuten hadden gekregen te groeten. “Dat is gebruikelijk bij Anderlecht”, verduidelijkte Hein. Dat zal wel, maar de houding van die gasten: ongeïnteresseerd, blik op oneindig, sloffend, hand op het mobieltje in de hoop dat het trilt en het nummer van de makelaar oplicht. Twee waren gekleed in een T-shirt van Givenchy, godbetert. Daartussen Sven Kums, met een pet op. En Hein die dat in de studio becommentarieert. Twee keer zonde.

 

20190805_De-Morgen_p-19-mail

Column Kompany en Co in De Morgen van zaterdag 3 augustus 2019

Kompany en Co

De kranten van maandag 29 juli 2019. Titel 1: Start in mineur, maar Kompany gaat niks veranderen. Titel 2: Debuut van Kompany, mooi om naar te kijken, maar geen punten. Titel 3: SLIK, Anderlecht ziet grote comeback van Kompany uitdraaien op een sisser. Titel 4: Débuts manqués pour Kompany. Titel …

De kranten van maandag 29 juli 2019.

Titel 1: Start in mineur, maar Kompany gaat niks veranderen.

Titel 2: Debuut van Kompany, mooi om naar te kijken, maar geen punten.

Titel 3: SLIK, Anderlecht ziet grote comeback van Kompany uitdraaien op een sisser.

Titel 4: Débuts manqués pour Kompany.

Titel 5: Il faudra un 9 et de la patience.

Titel 6: Kompany a raté ses débuts à Anderlecht.

Vincent Kompany kon maandag meteen van zijn wolk. Eén troost: was hem dit overkomen in Engeland, hij was afgemaakt op de één van The Sun, dat in één moeite zijn eigen foutjes in de voorbereiding netjes had opgelijst.

Vincent Kandanie, zoiets.

Hoelang zal het duren voor Kompany ons er zal op aanspreken dat we te veel in de waan van de dag leven, schrijven en becommentariëren? Dat we het grotere plaatje niet zien? Dat we geen oog hebben voor Het Project? Dat we, kortom, er geen zak van kennen? Mijn inschatting: tot hij zijn cool verliest, want vergis u niet, ook Kompany kan nijdig worden.

De werken Coucke & Kompany zijn wel al halfweg. Marketingtechnisch is zijn komst geslaagd, hoewel de impact op de abonnementenverkoop nog niet onmiddellijk zichtbaar is. Met 13.000 verkochte seizoenskaarten is Anderlecht pas zesde in de Jupiler Pro League. Minder abonnees hoeft geen financieel drama te zijn, want een deel van de abonnees van een voetbalclub zitten daar tegen de kostprijs en brengen een club geen cent op, soms kosten ze geld.

Het zijn de premium seats die geld in het laatje brengen en precies daarom is de marketingstunt met Kompany uitermate geslaagd. Als de cijfers kloppen, haalt Coucke vergeleken met de vorige eigenaars een derde tot de helft meer uit sponsoring en commerciële activiteiten. Dat is het Kompany-effect.

Je moet het Marc Coucke nageven: niemand kan een product in het schap te zetten als de Gentse apotheker-miljardair. Soms is de verpakking spectaculairder dan de inhoud. Die reflex heb ik altijd als ik mij was met Bodysol, een vinding van Coucke, inmiddels voor veel geld verkocht. Het is zeep met een kleurtje, een lekker geurtje en de verpakking heeft een handig haakje, maar het blijft gewoon zeep.

Kompany is niet banaal, laat dat duidelijk zijn, maar vooralsnog zijn hij en zijn voetbal zeep met een kleurtje, meer verpakking dan inhoud. Dat kan en zal veranderen, heeft hij beloofd. Moeten we dat geloven? Afgaand op een deel van de eerste helft vorige week thuis tegen KV Oostende wel, afgaand op de rest van die wedstrijd toen Oostende de belangrijkste passlijnen had gesloten dan weer niet.

Het Project is lovenswaardig en verdient krediet, laten we afspreken zo ongeveer tot Nieuwjaar. Het is alvast een stijlbreuk met wat we gewend zijn in het Belgische voetbal. Talentvolle jeugd mixen met wat ervaren spelers en een voetbal spelen dat hooguit drie clubs in de wereld aankunnen, je moet het durven met deze onevenwichtige selectie. Nico Otamendi was geen genie in het uitvoetballen bij Manchester City, maar Seb Bornauw is dat nog veel minder bij Anderlecht. Pep Guardiola deed een keeper weg omdat hij niet kon passen: Bravo kwam voor Hart en even later kwam Ederson, nog een betere voetballer, voor Bravo. Bij Anderlecht komt Hendrik Van Crombrugge met zijn goede voeten de onzekere voeten van Thomas Didillon vervangen.

Het niveauverschil tussen België en Engeland is net de crux: dat verschil is het grootst aan de bal, voetballistiek, en veel minder uitgesproken verdedigend en fysiek. Met andere woorden: het systeem-Guardiola/Kompany gespeeld door Anderlecht in België is makkelijker vast te zetten dan het systeem-Guardiola gespeeld door City in Engeland. En Ajax dan? Wat die konden moet hier toch ook kunnen? Juist, maar in Nederland wil (haast) elke club eerst voetballen en in België zal haast elke club eerst vechten tot ze er bij neervallen. Dat maakt het leerproces voor Kompany en co. er niet makkelijker op.

De belangrijkste titel van afgelopen maandag was die in La Dernière Heure: een 9 (een spits dus) en geduld. Een spits zou helpen, geduld ook, maar misschien nog meer een realistische inschatting van de voetbalkwaliteiten van de kern. Als Anderlecht zegt dat ze de spelers en het spel hebben om uit duel te voetballen en het spel vanaf de eigen achterlijn op te bouwen, dan is dat een grove misvatting. Elke Belgische wedstrijd wordt eerst gewonnen in de loopgraven. De grootste fout die een beginnend trainer kan maken, is een spel willen spelen dat zijn spelers niet aankunnen.

 

 

20190803_De-Morgen_p-19-mail

Column KV Ontkenning in De Morgen van 29 juli 2019

KV ONTKENNING

Dante Vanzeir wordt sinds vorige week op handen gedragen door de fans van KV Mechelen. Twee weken geleden werd hij nog uitgescholden door diezelfde fans en dat komt hierdoor: Vanzeir was toen nog van KRC Genk en speelde tegen KV Mechelen de supercup. Een normaal mens zou reageren met “ja, en dan?”, maar neen, zo simpel is het voetballeven niet.

Vanzeir speelde vorig seizoen op uitleenbasis voor Beerschot Wilrijk en zoals bekend – of niet en dan nu wel – is Beerschot de meest gehate tegenstander van de Malinwa-fans. En dat komt dan weer hierdoor: Beerschot is de ploeg die het niet kon hebben dat KV Mechelen hun in extremis de promotie naar eerste klasse had afgesnoept.

De twee trainers maakten al eens ruzie en de besturen scholden elkaar uit. De supporters deden wat ze altijd doen tegen andere supporters die ze van haar noch pluimen kennen: elkaar tot op het bot beschimpen en als ze dichtbij kunnen geraken elkaar de hersens inslaan. Toen Beerschot zich ook nog eens mengde in de hele soap van de matchfixing en de plaats van KV Mechelen in eerste klasse opeiste, was het hek helemaal van de dam.

Wat heeft dat alles nu te maken met Dante Vanzeir, die ineens op handen wordt gedragen door de Kakkers (dat is een andere naam voor de vele fans van KV Mechelen)? Hier komt het: Vanzeir wordt dit jaar door KRC Genk niet langer aan Beerschot uitgeleend, wel aan KV Mechelen en nu is hij ineens een goeie.

Als u zelden over sport leest en toch in deze column bent verdwaald, maar nu na de passage-Vanzeir denkt dat voetbal een spel is voor onnozelaars, weet dan: u hebt niet helemaal ongelijk. Let wel, er zitten mensen in het voetbal met het hart op de juiste plaats. Er zitten zelfs mensen in het voetbal met een buitengewoon IQ en met burgerzin. Maar de overgrote meerderheid, in de eretribune zowel als op de volksplaatsen, heeft van hart, IQ en burgerzin, ethiek of mores niet al te veel last.

Neem nu vorige week, ook bij die wedstrijd om de supercup. Begonnen die fans van Malinwa bij een al bij al verdiende achterstand en het nakende verlies daar niet ineens “Voetbalbond! Mafia!” te roepen.

Bepaald vreemd, want het is uitgerekend door die voetbalbond en zijn krakkemikkig reglement dat KV Mechelen in eerste klasse zit en niet pakweg in eerste amateur of, zoals in een aantal andere landen met betere reglementen, gewoon zou zijn geschrapt als club. “Voetbalbond! Sukkelaars!” was alvast correcter geweest.

Zaterdag moest ik even de Nederlandse collega’s van de radio bijpraten. “Kunt u het voor ons nog eens kort samenvatten, mijnheer Vandeweghe?” Ik antwoordde: “De voetbalbond heeft KV Mechelen veroordeeld met degradatie voor bewezen matchfixing aan het eind van het seizoen 2017-’18. De beroepsinstantie achtte vervolgens de matchfixing ook bewezen, maar heeft geen straf opgelegd omdat het reglement van de voetbalbond zegt dat die matchfixing voor 15 juni na het betrokken seizoen moest worden aangekaart.”

Het werd even stil aan de andere kant van de digitale lijn, wat mij toestond een linkje te maken naar de opportunistische actie van doelman Michael Verrips, die ineens hogere ethische waarden bij zichzelf had ontdekt en die aanwendde om zijn contract te verbreken. De Nederlanders waren wel opgelucht te vernemen dat er heel misschien toch een degradatie inzit voor KV Mechelen, bijvoorbeeld als die volgend jaar op basis van die bewezen matchfixing geen licentie zouden krijgen.

“Waardoor ze nu een seizoen in de onzekerheid spelen?” “Euh ja, zoiets, ja.”

Noem het verdringing of iets anders ernstigs in mijn bovenkamer, maar ik had mij voorgenomen niet te veel woorden meer vuil te maken aan de affaire-KVM. Na het lezen van sommige reacties van de Mechelse fans – de ene al beschaafder dan de andere – krijgen ze voorrang van mij bij de psychiater/psycholoog. De meesten weten wel dat een schaap dat wordt geschoren best stilzit – een paar pleitten zelfs in een krant voor meer nederigheid – maar een overdreven groot deel heeft de graad van ontkenning bereikt die zelfs Sigmund Freud nooit voor mogelijk zou hebben geacht.

Hun meest belachelijke argument is: wij willen de volledige telefoontaps horen. Alsof alles kaderde in een repetitie voor een toneelstuk, of het inleven in een filmrol zoals die actrice op Tomorrowland of wat dan ook. Neen, dit was heel eenvoudig een massieve poging tot omkoping door de eigenaars/machthebbers/ bestuurders van het import/exportvoetbalbedrijf KV Mechelen. Dat ze hun straf voorlopig ontlopen, tot daar aan toe, dat recht hebben ze. Net zoals de Profliga en de voetbalbond het recht hebben om op wraak te zinnen. Het wordt één tegen allen. Zaterdag won één, ook dat is hen gegund.

 

KV Ontkenning

Analyse Tour de France in De Morgen van maandag 29 juli 2019

De Tour was mooi, en wordt nóg mooier

Zelden was de dominantie van dat ene zo vaak verguisde en ook nu weer zegevierende team zo uitgesproken. Toch kon iedereen zich verzoenen met deze Tour de France, inclusief de Fransen, die niet eens op het podium staan.

Hans Vandeweghe

1. Wat te denken van deze Tour?

De Tour was spannend, maar niet de spannendste ooit – die met het duel LeMond-Fignon in 1989 eindigde op de laatste dag in de laatste minuut, zelfs in de laatste tien seconden met een dramatische machtsoverdracht.

Het is van de editie 2012 geleden dat één team zo dominant is geweest en de eerste twee plaatsen op het podium bezet. Toen met Bradley Wiggins en troonopvolger Chris Froome, gisteren met Egan Bernal en uittredend winnaar Geraint Thomas.

Het toppunt: dit was het plan. Een bron bij het winnende team Ineos verwoordt het zo: “Geen moment hebben we gedacht dat we niet zouden winnen. Julian Alaphilippe ging kraken in de etappes met aankomst bergop, weliswaar na lang klimwerk. Die hadden we alleen in de Alpen. Toen hij zo lang in het geel bleef rijden, was dat een godsgeschenk voor ons, en nog meer dat die Belgen (van Deceuninck-Quick Step, HV) meenden de koers in handen te moeten nemen. Wij waren alleen in de problemen te brengen door chaos, en die was er nooit, never.”

2. Wat te denken van het parcours?

De spanning van de laatste week is typisch voor een parcours zonder veel tijdritkilometers en met het zwaartepunt – lees: veel bergen – in de laatste week. In deze tijden van geen of minimaal dopinggebruik weten renners en teams maar al te goed wat ze wel en niet aankunnen.

Een Tour voor aanvallers? Dan alleen voor de succeszoekers van één dag, zoals de onnavolgbare Thomas De Gendt, maar niet voor wie mikte op de hoofdvogel van deze sportwedstrijd. De strijd om de gele trui van Parijs was geen Barcelona-PSG, om in voetbaltermen te verdwalen, maar wel Man U (onder Mourinho) tegen Atlético, counter tegen counter, wachtend op een fout. De korte rit van zaterdag was daar het beste voorbeeld van: allemaal samen, oerend hard, dat wel, op weg naar boven. Achterin stond de deur open, voorin bleef ze dicht.

Parcoursbouwer Thierry Gouvenou maakte een rittenschema op maat van de Fransen, met veel klimwerk en weinig tijdritkilometers. Hij kon niet voorzien dat van hun drie chouchous de één door zijn benen zou zakken (Thibaut Pinot), een andere zijn hoofd niet op orde had (Romain Bardet) en een derde (Julian Alaphilippe) niet de motor had om lange beklimmingen te overleven.

3. Wat te denken van Egan Bernal en de Colombianen?

Egan Bernal wordt nu al zeven of meer Tour- overwinningen toegedicht. Bernal is nog maar 22, en wat jong komt, is vaak goed, maar is ook sneller weg. Bovendien is de houdbaarheidsdatum van Colombianen beperkt. Dat heeft meer dan één oorzaak: de druk van de natie, de verlokkingen van de roem, het gemis van de hoogte. In het geval van Bernal speelt ook nog iets wat hem vandaag zo sympathiek maakt: met deze emotionaliteit zijn de dalen net zo diep als de toppen hoog zijn.

Nu Colombia zijn eerste Tour-winnaar heeft, wordt het misschien tijd voor een deftig dopingbeleid. Die vaststelling staat, voor alle duidelijkheid, los van winnaar Bernal, die nog nooit ook maar zijdelings in verband is gebracht met doping. Maar Colombia drijft
nog steeds op een parallelle drugseconomie. Drugs en doping maken gebruik van dezelfde circuits. De signalen zijn slecht: met de regelmaat van een klok worden Colombiaanse sporters betrapt, dit jaar nog Jarlinson Pantano van Trek-Segafredo op epo. Wat Kenia is voor de atletiek, is Colombia voor het wielrennen: talent bij bosjes door de grote hoogte en – zoals de officiële site colombia.co meldt – “la pasión por la bicicleta”.

Die passie in combinatie met een niet altijd even sterk presterend dopinglab in Bogota, een darwinistische visie op sport en een machiavellistische op sociale promotie, is de ideale cocktail voor een dopingcultuur. Komt daar nog eens bij dat de gewone wetten van het biologisch paspoort niet of nauwelijks van toepassing zijn op hooglanders die frequent wisselen tussen hoog en laag.

4. Wat te denken van de Belgen?

Drie overwinningen voor Belgen, zeven voor Belgische ploegen, prima gedaan. De Wanty’s deden het dit keer beter dan vroeger, toen ze vooral blind op kop reden. Deze keer koersten ze om een mooie ereplaats. Is dat genoeg? Belgen, Vlamingen in hoofdzaak, kunnen ritten winnen. Maar kan deze regio, die als de meest koersgekke van de wereld geldt, ooit nog eens een Tour winnen? Met Dylan Teuns, Laurens De Plus, Bjorg Lambrecht, Remco Evenepoel en de nog piepjonge Mauri Vansevenant heeft België alvast klimmers op overschot. Evenepoel heeft de beste troeven, als zijn ontwikkeling niet stopt.

5. Wat brengt de toekomst?

De Tour de France 2020 start in Nice op 27 juni, een week vroeger vanwege de Olympische Spelen. Met Egan Bernal, Chris Froome, Geraint Thomas en Richard Carapaz hebben de Ineos-boys hun kwartet om uit te kiezen al klaar. Voeg daarbij nog wat Colombianen, de drie voornoemde Fransen en Warren Barguil, de Nederlanders Tom Dumoulin en Steven Kruijswijk misschien in één team met Primoz Roglic en Laurens de Plus: op papier is 2020 nu al de mooiste Tour ooit.

 

TDF 2019:2020

Column Wat. Een. Tour! in De Morgen van zaterdag 27 juli 2019

Wat. Een. Tour!

Nog twee ritten te gaan. Een voor echt met aan het eind dertig kilometer klimmen naar een lelijk Frans skidorp (zijn er andere?) en een showcase rond en in Parijs met één opdracht: recht blijven. Er staat een Colombiaan in het geel. Is nog al gebeurd, maar niet met slechts één bergrit met aankomst boven voor de boeg.

Wat. Een. Beeld!

Geraint Thomas die aan de auto van Tour-baas Christian Prudhomme gaat hangen. Egan Bernal die eerst niet wil luisteren en dan toch stopt met trappen. Julian Alaphilippe die halfweg de afdaling in de auto stapt. Onbegrip in de rennershoofden, maar:

Wat. Een. Verstandige. Beslissing!

Natuurlijk: neutraliseren die rit. Vervolgens: hoe leg je als koersdirectie uit dat het beneden sneeuwt, midden in een afdaling met 90-100 per uur aan renners die soms niet meer goed weten van welke parochie ze zijn en daarnet door een halve zon de hoogste col in de Tour hebben gerond? Boven niks, beneden sneeuw? Enfin, hagel, zo dik dat het sneeuw lijkt en de weg in een modder- en ijsstroom heeft herschapen.

Wat. Een. Mooie. Tour!

Hoezo anticlimax? Alles hebben we gehad. Drama als we erom vroegen, Belgen die ritten wonnen, Fransen die de Tour gingen winnen, Britten die van een Colombiaan op hun doos gingen/gaan krijgen. Weinig valpartijen, weinig uitvallers door ongelukken, gelukkig geen doden. Precies om dat te vermijden is de rit van gisteren ingekort.

Bij het begin van de negentiende rit hadden de Fransen nog hoop. Twee Fransen met zicht op het podium, quel luxe! Julian Alaphilippe – in Belgische dienst – was als gele trui, aldus L’Equipe gisteren, touché, mais pas coulé. Geraakt, maar niet gezonken: zeeslagje als metafoor, niet wetend dat water over de te rijden rit zou beslissen.

Het was een kwestie van tijd, kilometers, percentages. Na één derde rit zonk het eerste Franse slagschip, Thibaut Pinot. Het is geen pech wat hem is overkomen, maar een combinatie – noem het gerust een combine – van genetica en psychologie. Die man heeft een lange geschiedenis van ultieme mislukkingen, te veel om van pech te spreken.

Pinot is top getraind, top begeleid, kortom top als hij gezond is. Met de nadruk op áls, want hij blijft zelden gezond in een grote ronde. Er was van alles te lezen over de blessure van Pinot. Op de televisie spraken ze zelfs van een spierscheur. Wat het ook is, tenzij hij Ibiza-gewijs van het balkon in het zwembad is willen springen en daarbij verkeerd is geland, duidelijk een ingebakken oud zeer. Dat moet etappe na etappe erger zijn geworden en na de lange stukken bergop op de Izoard en de Galibier donderdag onoverkomelijk zijn geworden. Met de oneindige Iseran in het vooruitzicht boden de ibuprofen of andere (niet-verboden) ontstekingsremmers geen soelaas meer.

Renner na renner reed hem voorbij, inclusief ploegmaats die geen aanstalten maakten om hem bij te staan. Pinots zwanenzang deed denken aan Cyrille Guimard en diens aftocht in 1972. Guimard was een puncher die Eddy Merckx het vuur aan de schenen legde, ook in de bergen, en lang in het geel reed. Tot het vuur in de schenen van Guimard sloeg, de weg naar zijn kniepees vond en het was einde verhaal. Talent is ook: kan je bewegingsgestel de prestaties aan die je fysiologie wil leveren?

Vervolgens zonk Alaphilippe. Bij Deceuninck-QuickStep moeten ze niet zeuren dat hij zijn afdaling van de Iseran niet heeft kunnen rijden. Na die afdaling kwam er nog een beklimming. De Iseran is 12,9 kilometer aan 7,5 procent en gaat flink boven de 2.000 meter, maar laat u niet wijsmaken dat dit een magische grens is waar zuurstof schaars is. Ten eerste is er overal evenveel zuurstof maar is de luchtdruk lager op hoogte, waardoor op 2.000 meter 4 tot 5 procent minder zuurstof in de longen komt. Voor alle duidelijkheid: er staat bij 1.999,5 meter niet een duiveltje dat een zuurstofkraan dichtdraait. Echt niet, dit even terzijde.

Alaphilippe was zijn geel kwijt boven op de Iseran, won in de eerste kilometers van de afdaling maar heel traag seconden terug op Bernal en zou in de klim naar Tignes (de zogeheten loper, maar toch 7,4 kilometer aan 7 procent naar 2.113 meter) wellicht nog eens twee minuten aan zijn broek hebben gekregen. Alaphilippe heeft nu nog een beetje zicht op het podium, met de originele etappe tot in Tignes stond hij misschien niet eens meer in de top vijf. De fysiologische wetten van de Tour zijn gerespecteerd en het gezeur over Alaphilippe en zijn Belgische medische begeleiding kan hiermee ophouden.

 

WAT EEN TOUR!l

Zuurstofmonsters in De Morgen van zaterdag 20 juli 2019

Zuurstofmonsters zijn aan zet

Van de toekomstige Tour-winnaar weten we niet hoe hij heet, hoeveel hij weegt, hoe lang en hoe oud hij is. Wél dat de maximale zuurstofopname van het podium in Parijs tussen de 80 en 90 ligt.

Geen mooi fysiologisch rapport? Geen prijs in Parijs. Maar cijfertjes volstaan niet om podium te rijden in de Tour. Als laboresultaten de eindstand konden voorspellen, dan won een Noor. Oskar Svendsen is de naam. Wielerkenners zullen zich hem misschien herinneren als de wereldkampioen tijdrijden bij de juniores in Valkenburg in 2012. Hij reed toen net geen drie jaar met de fiets. Hij won met zeven seconden marge voor Matej Mohoric en net geen twaalf op Maximilian Schachmann. Svendsen had dat jaar in het olympisch lab van Lillehammer de hoogste maximale zuurstofopname ooit laten noteren.

Aanvankelijk geloofden de testers hun eigen resultaten niet. Ze checkten en dubbelcheckten, vergeleken andere resultaten die dag. Er was niks mis met hun toestel en nog geloofden ze hun ogen niet: nooit eerder was een VO2max van 96,7 milliliter per minuut per kilogram lichaamsgewicht gemeten. Svendsen was een fysiologisch monster, een zuurstofverwerkingsfabriek op twee benen. En dat voor een voetballertje dat uiteindelijk aan alpineskiën begon te doen en bijna als bij toeval werd getest op iets wat hij in zijn sport niet eens nodig had, uithouding.

Zijn eerste test legde hij af toen hij 15 was. Meteen gingen alle alarmen af: met twee keer sporten in de week scoorde hij al 74,6, een waarde waarvoor klassieke renners een been zouden afstaan. Na een halfjaar gerichte training scoorde hij 83,4 en na een jaar 86,8. Nog een jaar later haalde hij die 96,7 en werd wereldkampioen. Ter vergelijking: de trouwe, gezonde hobbysporter zonder te veel overgewicht zal zelden boven de 50 uitkomen.

De podiumcollega’s van Svendsen destijds in Valkenburg, Mohoric (Bahrein-Merida) en Schachmann (Bora-Hansgrohe), rijden mee in deze Tour. Svendsen niet en daar is één goede reden voor: hij fietst niet meer. Na een tijdje bij de U23 te hebben gereden, met wisselend succes, is hij in 2018 gestopt met wielrennen. Hij studeert nu psychologie.

De winnaar op zondag 28 juli kan er een zijn met 82 VO2max, terwijl de tweede misschien ooit 88 heeft gescoord. De capaciteit om zuurstof op te nemen is niet dé discriminerende factor om topatleten van elkaar te scheiden (ketonen ook niet, even terzijde). Maar alles begint wel bij die zuurstof.

VO2max is trainbaar, maar het plafond is voor elke mens genetisch bepaald. Zo kan die capaciteit alleen tot volle wasdom komen binnen het juiste kader. Sommige fysiologische freaks zullen nooit hebben geweten dat ze een potentiële Svendsen waren omdat ze viool speelden of schaakten in plaats van te sporten.

Met zuurstof wordt in de spieren de brandstof ATP aangemaakt. De transporteur van zuurstof is hemoglobine, het eiwit dat ongeveer een derde uitmaakt van de rode bloedcel en dat is dan weer de cel waarvan de uithoudingsatleet er zo veel mogelijk van wil en die hij/ zij destijds (of misschien nog steeds) probeerde te verhogen met erytropoëtine of epo.

Efficiëntie

Het zuurstofmonster Svendsen kon per minuut de hallucinante hoeveelheid van net geen 7,4 liter zuurstof verwerken en dat is een enorm voordeel want hoe meer zuurstof kan worden ingezet bij de aanmaak van ATP, des te minder lactaat (‘melkzuur’) wordt geproduceerd. Nu is over dat lactaat als beperkende factor de laatste tijd heel wat te doen, maar het staat vast dat te veel lactaat in het bloed een intensieve inspanning compromitteert.

Het is wel bewezen dat de ene atleet meer lactaat kan bufferen (beletten dat het direct in het bloed komt) dan de andere. Sommige atleten kunnen ook meer lactaat inzetten als extra brandstof dan anderen. Het is duidelijk: het stikt van de hindernissen voor je aan een topprestatie toe bent. Straks in bergen bijvoorbeeld: hoe reageert het lichaam op hoogte, op eventuele koude of hitte? Nog belangrijker: hoe goed is de recuperatie, nachtrust, de vertering van de enorme hoeveelheden voedsel?

Je hebt het ook in de formule 1: auto’s met een grote tank, flink wat cilinders, maar een concurrerende auto met evenveel in de tank en evenveel cilinders en dezelfde banden rijdt een stuk sneller. De ene auto/atleet is nu eenmaal efficiënter dan de andere. Bij de renner wordt efficiëntie (hoeveel van het potentieel wordt benut) bepaald door talent en geoptimaliseerd door training.

Uiteindelijk komt het erop aan wat uit die cranks komt, hoeveel vermogen kan worden geleverd over een langere periode. Wielrenners en hun ploegleiders of trainers hechten daarom minder waarde aan de VO2max dan aan bijvoorbeeld de FTP, wat staat voor functional threshold power. Dat is het hoogste gemiddelde vermogen dat je een uur kunt volhouden en wordt uitgedrukt in watt.

Het woord threshold verwijst naar de drempel, het punt waarop het lichaam de eliminatie van lactaat nog net aankan. Een klassieke test om die te bepalen is twintig minuten lang alles geven. Dat kan op een stationaire fiets in een labosetting, maar Lance Armstrong deed het bijvoorbeeld op de Col de Madone tussen Menton en Nice. Het gemiddelde vermogen dat je haalt over twintig minuten vermenigvuldigd met 0,95 zou (in theorie) het vermogen moeten zijn dat je een uur lang kunt volhouden. Voor thuisgebruikers (als die al over een vermogensmeter beschikken) zou dat weleens flink kunnen tegenvallen.

De test en de afgeleide FTP is een basis om trainingszones te bepalen, gaande van 55 procent van de FTP voor herstel tot 120 procent voor korte intervallen.

Het brein wint

 

Het is niet duidelijk waar het fout is gegaan met het zuurstofmonster uit Noorwegen. Misschien heeft hij de verkeerde uithoudingssport gekozen, was zijn spierstelsel beter geschikt voor skilopen dan voor fietsen, of misschien zat het tussen de oren. Meer en meer wordt aanvaard dat de bovengrens van het menselijk kunnen zelden wordt bereikt; soms zegt het brein onderweg stop, om welke reden ook.

Wellicht wordt ook het Tour-podium voor een stuk daardoor bepaald. De Italiaans-Britse onderzoeker Samuele Marcora, laatst nog op een congres in Brussel, ontwikkelde het concept van brain endurance training. Het brein trainen om een betere uithouding te genereren, dat was pas controversieel. Zijn collega Alexis Mauger pakte de VO2max-test anders aan. Hij liet de vermogensdrempels (30 watt extra om de zoveel minuten in een klassieke test) verhogen op basis van gevoel van de proefpersonen en die kwamen uit op een hogere score dan in de klassieke setting.

De capaciteit om een inspanning langer vol te houden, uithouding dus, berust voor een deel op de hoeveelheid zuurstof in de hersenen. Dat zou nog een verklaring kunnen zijn waarom atleten die op grote hoogte zijn geboren beter presteren in uithoudingssporten.

Al in 1996 argumenteerde de Zuid-Afrikaanse sportwetenschapper Tim Noakes voor het eerst dat het concept van VO2max niet de beperkende factor is, maar het brein. Twee jaar later kwam hij met zijn ook al controversiële concept van ‘centrale sturing’. Het zijn de hersenen die bepalen hoelang een inspanning kan worden volgehouden, zei Noakes, en hij werd net niet gevild.

Nochtans was dat in 1939 al bewezen. Duitse onderzoekers in hun studie over pervitine (een vaak gebruikt opwekkend middel, later ingezet in de oorlog en nog later in sport) zagen de uithouding verdrievoudigen na inname van pervitine. Interessant: de test werd gedaan op een fiets.

VO2max is wel degelijk dé discriminerende factor tussen Tour-winnaars en klassieke renners, maar straks staan op dat Parijse podium alleen maar fysiologische freaks. Het onderlinge verschil is zo klein dat andere elementen spelen. Zoals de Duitsers al concludeerden: “Het eind van een inspanning is geen vooraf bepaald punt maar de som van negatieve factoren als vermoeidheid en pijn vermeerderd met positieve factoren als motivatie en wilskracht.”

 

 

Zuurstofmonsters

Column Appeltjesbrood over Claudia, Stig, Erik, Karl et les autres in De Morgen van zaterdag 20 juli 2019

Appeltjesbrood

Vroeger was een trip naar het buitenland een welgekomen aanleiding om je mediagewijs te onttrekken aan het thuisland. Met Stievie kan dat niet meer. Sinds 2014 heb ik de Belgische televisiezenders in een vingerknip. Vorig jaar op het WK in Rusland had ik het veld voor mij, een scherm rechts van mij en ook nog eens Frank Raes of Filip Joos op mijn iPad, weliswaar met enige vertraging, wat handig was om bepaalde acties terug te kijken. Rio 2016, de Olympische Spelen, idem.

Deze Tour? Ook Stievie. Tot in het kleinste sterrenloze hotel van Frankrijk hebben ze tegenwoordig snel internet. Heel af en toe worden de gigabytes van Wigo Business van Telenet aangesproken om over de 4G te kijken, maar alleen bij hoge uitzondering. Die Europese roaming is een mooie zaak, maar je schermtijd in het buitenland vermindert er niet op. Ik kan het ten minste nog vergoelijken met het argument ‘alles voor de job’. Het baasje dat ik van de week in een Franse eetzaal zag – obees, pet en T-shirt van Fortnite – heeft dat geluk niet.

Stievie niet opstarten, niet naar het nieuws, naar de lives van de Tour, naar Vive le vélo kijken, niet naar Radio 1 luisteren, het is natuurlijk ook een optie. Het zou de gemoedsrust ten goede komen.

Ik volg Herman Chevrolet niet die de avonduitzending van France 2 beter vindt dan Vive le Karl of De avondetappe op de NOS. Neen, de VRT heeft nog altijd dé formule te pakken en de juiste presentator, maar ik word soms een beetje ongemakkelijk van die geregisseerde emo.

Bij de uitzending van donderdag met Stig Broeckx gingen mijn tenen lichtjes krullen. Bargoens had al subtiel de grenzen van het voyeurisme afgetast zonder evenwel te overdrijven en dat had kunnen volstaan. Eric Goens en Stig Broeckx helemaal naar de Pyreneeën halen, was dat niet van het goede te veel? Dat kon je horen aan Broeckx, hij heeft al beter gepraat. Maar goed, er moest een film worden gepromoot en de televisie leeft van kruisbestuiving.

Nu we toch op dreef zijn, wat stoort nog? De holheid van het vulsel. Luc Appermont bij Vive le vélo, wat heeft die in godsnaam te vertellen over koers? Dat hij veel naar wielrennen kijkt, oké, en daar bleef het ook bij. Onkundigen op tv kan af en toe goede tv opleveren. Zo had de NOS het beter voor elkaar donderdag toen ze de stand-upcomedian Louis van Gaal op bezoek hadden. Die ging de ploegleider van Jumbo-Visma even uitleggen hoe hij wel de sprint had gewonnen met Dylan Groenewegen tegen Caleb Ewan. Dat gezicht van Nico Verhoeven die dacht: oké, de camera draait, ik blijf vooral beleefd en ik geef hem gelijk, dan ben ik er snel van af. Kijk het even terug: schitterende tv.

In het verder uitstekende Sporza Tour van Radio 1 hadden ze ook hun dipje toen Claudia Van Avermaet een oversteekje waagde van MNM. Oversteken tot daar aan toe, maar haar werd ook wat gevraagd. Niet over haar appeltjesbrood, dat was nog te verteren geweest. Ze kreeg de vraag om core balance uit te leggen, omdat de journalist met dienst daar ook eens wilde aan beginnen. Nu gingen de tenen echt krullen en ze zijn nog steeds niet terug. Ze raaskalde, niet meer of minder.

Mensen die niet hebben doorgeleerd, iets hebben van horen zeggen en teren op een bekende broer of een bekende vent moet je niet opvoeren en al helemaal niet als ze spreken in gezegden en de voorzetsels door elkaar halen. Paul Van Den Bosch over ketonen was nog zo’n raar moment, wetende dat Van Den Bosch en de pleitbezorger van ketonen, professor Peter Hespel, ooit gezworen vrienden waren maar nu niet meer door één deur kunnen.

Wat ergert nog? De waan van de dag. Gisteren stond een verhaal in de krant over dry needling. Dat is, kort door de bocht, met naalden in de spieren prikken om zo die spieren te ontspannen. Het bestaat al bijna vijftig jaar, maar het was op tv geweest en omdat deze generatie nieuwsmanagers onthoudt van twaalf uur tot de middag was dat ineens nieuws en moest het in de krant. Idem voor die ketonen. Plots waren ze weer hét onderwerp en een dag later waren ze zelfs verdacht. Allemaal de schuld van teams en journalisten die hun huiswerk niet hebben gemaakt.

Ten slotte krullen ook de tenen van het chauvinisme van de Belgische media en met name van die Belgische media die de Fransen chauvinisme verwijten. Wout van Aert had volgens de VRT die tijdrit helemaal niet moeten rijden. Rechtstreeks naar het podium en daar zijn prijs ophalen. Het was geen kat in ’t bakkie, nog voor zijn jammerlijke val was hij al geklopt. Vervolgens ging Thomas De Gendt winnen. Wonderbaarlijk, die De Gendt, maar er gingen er nog twee voorbij. De Belgen doen het niet slecht, maar le Tour des Belges? Voorlopig toch eerder le Tour des Français.

 

Appeltjesbrood

Column Wielernatie België in De Morgen van zaterdag 13 juli 2019

Wielernatie België

Als later de Grote Geschiedenis van het Belgisch Cyclisme in de 21ste eeuw wordt geschreven, zal het jaar 2019 een apart hoofdstuk krijgen. De tekst zal als volgt beginnen: “In april verbeterde Victor Campenaerts het werelduurrecord en plots werd België een tijdritnatie. Enkele maanden later begonnen Belgen ineens zware bergritten te winnen, klimtruien te verzamelen en werd België ook een natie van klimmers. En toen moest Remco Evenpoel nog komen…”

Donderdag 11 juli en de rit van Mulhouse naar La Planche des Belles Filles zal een paginaatje krijgen. Eerst was er een kopgroep met veel Belgen, daarna reed een Belg weg, maar werd teruggepakt, waarna een selectie werd doorgevoerd. In het verleden was dat het sein om de Belgen ongenadig over boord te kieperen. Niet donderdag in de lastige Vogezen-rit. Oké, Thomas De Gendt was er dan wel af, maar met Tim Wellens, Xandro Meurisse en Dylan Teuns bleven drie Belgen over in een kopgroep van vier.

 

Op de laatste steile klim halveerde de groep tot twee leiders: een Belg en een Italiaan. Tot vorig jaar zouden die op een paar kilometer van de aankomst zijn overvallen en voor dood achtergelaten door de klassementsmannen en hun meesterknechten. Niet donderdag. De twee zouden sprinten om de overwinning. Normaal legt een Belg dan de duimen. Niet donderdag op La Planche des Belles Filles. Teunske snelde tegen die 24 procent op, liet de king of the mountain van de voorbije Giro achter en reed recht in de armen van zijn eigen belle fille.

Drie Belgen op het podium na een van de lastigste ritten van deze Tour de France: twee voor de etappe en een andere Belg die de bolletjestrui mocht aantrekken. De ene bolletjestrui is de andere niet, die van Greg Van Avermaet op de Kapelmuur was een grap. Wellicht zal ook Wellens die niet kunnen houden, maar zijn ambitie om ervoor te gaan maakt wel deel uit van een ongeziene bewustzijnsverruiming.

Overigens was die donderdag 11 juli ook de dag waarop België ein-de-lijk een achtervolgingsland werd. De U23 brak het Belgisch record achtervolging: 3:56.818 alstublieft en dat op een zeer trage baan met moeilijk lopende bochten. Robbe Ghys, Sasha Weemaes, Fabio Van den Bossche en Gerben Thijssen: de ploeg voor Tokio is gekend.

Of er zit iets in het kraantjeswater, of er is sprake van een echte revival, of het is toeval, maar er is íéts aan de hand in dit wielerland. Wat precies, dat valt pas over enkele jaren te achterhalen, maar ondertussen wijzen alle tekenen erop dat we ons mogen opmaken voor een paar mooie jaren. Vette jaren? Ook dat valt nog af te wachten. Wie uit een woestijn komt, is al snel blij met een dode mus.

Het werd hoog tijd. Van alle traditionele wielerlanden heeft België – zeg maar Vlaanderen, want na Philippe Gilbert is het Waals cyclisme één zwart gat – de grootste dichtheid aan talent. Dat heeft zich na de jaren 70 zelden nog vertaald in de uitslagen. Dat we er al meer dan veertig jaar niet in slagen om een grote ronde te winnen, is beschamend. Dat we de laatste jaren ook elke renner met klassementsambities hebben afgebrand of het dwingend advies gegeven om toch maar voor de eendagsklassiekers te kiezen, getuigde van bekrompenheid en klein denken.

In 2019 is een nieuwe generatie Vlaamse renners opgestaan. Victor Campenaerts was de eerste: onbevreesd ambities uitspreken en die ook nog waarmaken. Het valt niet te onderschatten wat dat werelduurrecord heeft losgemaakt bij zijn collega’s, het respect voor Campenaerts oversteeg de ploegen en de landsgrenzen. Plots werd België een tijdritnatie.

Wout van Aert won een WorldTour-tijdrit en werd de beste van het best bezette nationaal tijdritkampioenschap ooit. In deze Tour sleurde hij samen met Tony Martin zijn ploeg Jumbo-Visma als eerste over de streep in de ploegentijdrit. Van Aert (en Mathieu van der Poel) leerden dit wielergekke landsgedeelte dat crossen een ideale trainingsvorm kan zijn voor de weg, als je daarnaast maar genoeg uithouding traint. Het is wellicht geen toeval dat de allerbeste renners van het moment allemaal een verleden hebben in andere disciplines.

Nu moeten we nog een stap zetten. Dylan Teuns, gevraagd naar zijn klassementsambities in de toekomst, vatte het samen voor alle Belgen: velen hadden het hem gevraagd, hij had er al over nagedacht en misschien zou het er ooit wel van komen, maar hij was ook gek van het eendagswerk en bovendien – het allerbelangrijkste van zijn betoog- was hij niet getraind om drie weken lang te presteren. Hoog tijd voor Belgische renners om anders te trainen en zich ook te bekwamen in het langere rondewerk.

 

Wielernatie België

 

Interview Dries Devenyns in De Morgen van maandag 8 juli 2019

‘De koers wordt oververwetenschappelijkt’

Als Julian Alaphilippe (en/of Enric Mas) een rit wint, misschien al vandaag in Epernay, bedankt hij eerst Dries Devenyns. ‘Rijden voor een succesteam geeft ook voldoening.’

Een renner kan onmogelijk méér uit de Vlaamse klei – eigenlijk zandleem, maar passons – zijn getrokken. Hij woont halfweg de Oude Kwaremont, droomde als kind van de Ronde van Vlaanderen en rijdt – hoe kan het anders – als een speer bergop. Als prof werd hij de man voor de etappewedstrijden. Ooit werd hij door zijn toenmalige en huidige baas bewierookt: “Het zou al heel vreemd moeten lopen, wil Dries Devenyns geen grote koers winnen.”

Dat was Patrick Lefevere in september 2011. Het liép vreemd.

Dries Devenyns: “Ik heb daar wel eens van gedroomd, een grote koers winnen. Wie niet? Ik zou zelfs heel veel willen winnen, maar zonder al het gedoe errond. Stel je voor dat ik hier een hekken voor mijn huis moet zetten omdat de mensen naar ons komen kijken, ik moet er niet aan denken.

“Rijden voor een succesteam geeft ook voldoening. Voor het zelfde geld werk ik nog harder en zit ik bij een ploeg die vijf koersjes heeft gewonnen. Julian Alaphilippe heeft ook bijgetekend terwijl ik haast zeker weet dat hij geld laat liggen. Voor hem telt ook: met deze ploeg win ik het meest.

“De basis van het succes blijft de chemie en die is gebaseerd op de intuïtie van Patrick Lefevere om te bepalen wie hij in de ploeg wil. Zijn renners moeten willen winnen en, vreemd genoeg misschien, willen wij dat meer dan de andere ploegen.

“Het idee dat ik werk voor iemand die het altijd kan afmaken, geeft mij extra vermogen. Ik kan dan iets harder, iets langer op kop rijden. In de Tour wordt mijn opdracht bij Alaphilippe blijven en hem aan ritwinst helpen. En bij Enric Mas, met wie we willen kijken hoever hij komt in het algemeen klassement. Dat gaat van op kop rijden, over uit de wind zetten, tot bidons halen. Acht krijg ik er weg. Dat is zwaar, je laten afzakken en vier kilo zwaarder weer naar voren rijden en die drank verdelen.”

Ik vind geen grote interviews van jou in de database terwijl een van je studievrienden van de universiteit in het peloton zit als journalist.

“Ik heb niks tegen de media, maar die koppen, die grote woorden, ‘ik ben daar niet aan’. Er lopen nogal wat narcisten in de media rond en ik erger mij aan straffe uitspraken die worden opgeblazen of kranten die dingen van de sociale media halen. Die sociale media (zucht)… Iedereen roept of post maar wat, ik denk dat we beter af zouden zijn zonder. Het is vergif en het legt een druk op de maatschappij.

“Ik heb een Twitter-account en toevallig heb ik na de Ronde van Zwitserland iets getweet over drie euro per megabyte data die ik moest betalen in Zwitserland. Natuurlijk was mijn account geblokkeerd want ik zat aan te hoog extra verbruik.”

Ach, je hebt pas je contract verlengd, dus dat kan er van af. Opvallend dat je als bijna 36-jarige (hij verjaart op de rustdag in Nîmes op 22 juli, HVDW) in een dienende rol zo snel verzekerd bent van werk.

“Ik denk dat ik het verdien. Na mijn rugoperatie vorig jaar ben ik sterk teruggekeerd en dit voorjaar was ik ook goed, al van in januari toen ik in de Cadel Evans-race het peloton controleerde en Elia Viviani het meteen kon afmaken. Dat ik tegen Lefevere heb gezegd dat ik nergens anders meer wilde rijden, dat klopt. Tegelijk heb ik ook getwijfeld na die operatie. Mentaal was het nog niet op, maar die pijn moest weggaan.

“Ik heb bij andere ploegen gereden. In België ben ik begonnen bij Lotto, later zat ik bij Giant-Shimano, de voorloper van het Sunweb van nu en daarna bij IAM. Alleen bij Giant-Shimano heb ik mij niet ‘gejeund’. Absurde situaties meegemaakt. Reed ik van de service course naar huis langs een iets langere weg, moest ik die extra kilometers verantwoorden. Achteraf bekeken had ik daar nooit moeten gaan rijden.

“Bij IAM moest niet per se worden gewonnen en uitgerekend daar heb ik vijf van mijn zes koersen gewonnen. Van Lotto herinner ik mij vooral mijn doop, te beginnen met een liter sangria uitslurpen met een rietje. Mijn beker was eerst uit: vier jaar op kot in Gent, dat is een goede training.”

Een van de vreugdekreten bij jouw contractverlenging kwam van Julian Alaphilippe.

“Dat is mooi. Hoewel we van andere generaties zijn, kunnen we het goed vinden. We liggen meestal samen op de kamer. Hij is druk, ik ben rustig. Hij praat veel, ik minder, maar ik kan goed Frans en dat schept een band. Als hij nog bezig wil zijn, mij goed, ik doe mijn ogen dicht – dat zijn mijn gordijnen – en ik slaap.

“In de koers zijn we ook samen. Als ik zeg: ‘het is het moment, komaan, volg mij’, dan weet ik dat hij in mijn wiel zit tot ik hem afzet. Even later demarreert hij en maakt hij het meestal af.

“We zijn al acht ritten van deze Tour gaan verkennen. Van de week nog Epernay en dan rijden we naast elkaar. ‘Goh, Dries mooi hellinkje hier. Zou ik hier niet proberen?’ Maar dan volgt tien kilometer plat. ‘Neen, toch misschien wachten op het volgende.’ Wanneer het moment is? Dat is de ervaring van jaren. In sommige races als de Amstel of de Waalse Pijl weet iedereen waar het moet gebeuren. In de Ronde van Vlaanderen is dat hier in mijn straat. Dit jaar met Van der Poel die beneden viel en dan toch nog terugkeerde, dat is uitzonderlijk. Het is ook straf wat die presteert, op drie verschillende fietsen nog wel.”

Jij bent licentiaat lichamelijke opvoeding. Analyseer jij wat er met jou gebeurt tijdens een inspanning?

“Neen. Ik denk daar niet bij na. Ik heb ook de laatste evoluties in de trainingsleer niet meer gevolgd. Ik volg wel de wetenschappers die er toe doen, via Twitter dan. Met de tijd ben ik gaan geloven dat de psychologie het verschil kan maken. Waarom kan de ene renner dieper gaan dan de andere?

“Koers wordt voor mij over-verwetenschappelijkt. Je toonde mij daarnet de renners met wie ik heb gereden. Ik zag in dat lijstje Francis De Greef staan. Die reed alles aan flarden in zijn labotest en hoelang is hij al niet gestopt? Labotests op stationaire fietsen is een heel andere dynamiek dan op een echte fiets. Ik ben er ook niet goed in, maar tijdens de laatste hoogtestage op Sierra Nevada reed ik in mijn laatste drempel van acht minuten nog tegen 435 watt. Ik denk dat ze ook zullen hebben gedacht: ‘kan die dat nog?'”

Ben jij streng op jezelf? We drinken hier – welgekomen in deze hitte overigens – Appletise, een suikerdrankje.

“Ik let op mijn gewicht en die suiker… ach, straks moet ik nog fietsen. Ik weet waar ik mee bezig ben. Ik bepaal ook wat ik doe op training maar ik zet mijn trainingsdata altijd online. Als het slecht zou zijn, zou ik het wel horen. Dat heb ik onthouden uit mijn studies: op een hele set data wordt statistiek losgelaten en worden gemiddeldes berekend. Daar wordt dan een trainingsschema uit afgeleid dat zou moeten werken voor iedereen. Dat klopt niet, elk lichaam is verschillend.”

Met die hernia vorig jaar leek het einde verhaal voor jou.

“Ik heb dat ook even gedacht, maar paniek? Waarom? Ik moet nog wat anders doen als ik stop met fietsen en om heel eerlijk te zijn: eigenlijk kan ik niks anders dan met de fiets rijden. Als het zover is, zal ik wel zien. Ik lag ooit met een collega op de kamer die met zijn nacarrière zo hard bezig was dat hij de rest vergat. Hoe vaker je er aan denkt, hoe sneller het er is.”

Met je contract voor volgend seizoen zit je vijftien jaar in het peloton. Vier keer de wereld rondgereden, met honderd renners aan je zijde. Goede vrienden, goede momenten?

“Kennissen wel, geen vrienden. Mijn vrienden zijn nog dezelfde vijf van op de universiteit. Goede momenten zeker, maar er waren ook slechte: de dagen dat ik besefte dat ik beter was dan mijn kopman. Dan denk je: ik had hier ook finale kunnen rijden. Winnen? Ik ben geen afmaker, geen puncher, dat heb ik gemerkt toen ik nog in ontsnappingen meezat. Mijn sterkte is vijftien minuten voluit bergop rijden. Alaphilippe is nog beter dan ik. Op stage reed hij mij in ons laatste blokje zo uit de wielen. Dan weet je: wow, die is echt beter, voor hem wil ik werken.

“Eigenlijk ben ik maar één keer gefrustreerd geweest in mijn hele carrière. Dat was toen bondscoach Kevin De Weert met wie ik zoveel koersdagen samen heb gereden mij niet selecteerde voor de Olympische Spelen. Een week eerder was ik in de Clásica San Sebastián op een gelijkaardig parcours zesde geworden en latere geselecteerden eindigden op minuten. Toen heb ik beseft dat bij selecties niet altijd de kwaliteit telt, maar dat vriendjespolitiek meespeelt.”

 

 

 

 

Devenyns