Column ‘Nationalisme’ in De Morgen van 25 juni 2014

NATIONALISME

Kennelijk moet je toch inwoner van een gewezen bananenrepubliek zijn om je volkslied zo mee te schreeuwen zoals de Brazilianen, Uruguayanen, Chilenen en nog wat andere landen op dit WK.

Het volkslied van Brazilië gaat de hele tijd over patria, het vaderland, en hoe goed, schoon, eendrachtig en sterk dat wel niet is, en niet echt over moord en doodslag maar helemaal gerustgesteld ben ik niet. Als de muziek stopt en dat volk in de tribunes, die spelers op het veld en de staf ernaast het tweede couplet verder schreeuwen, slaat de schrik mij om het hart. Fascistoïde is de enige kwalificatie die ik mij daarbij kan voorstellen.

Dat fanatieke geschreeuw, ogen wijd opengesperd, vuist in de lucht, is niét sympathiek, het is weerzinwekkend en angstaanjagend. Het is een foute voetbalversie van de haka, het oorlogsritueel van de Maori’s dat Nieuw-Zeeland telkens opvoert als ze gaan rugbyen. Ik begrijp het niet goed, want ik kende de Brazilianen op de tribunes tot nu toe als onveranderlijke ambiancemakers met hun aanstekelijke ritmische deuntjes en hun trommels. Dat vertoon in die voetbalstadions doet denken aan foute tijden.

In 2011 verbleef ik een week lang in Duitsland in de buurt van Roth in een Ramada Parkhotel ter voorbereiding op een wedstrijd. Ik ging geregeld lopen of fietsen door een gigantisch park waar hele vreemde kolossale bouwsels stonden met her en der een bordje met een beetje uitleg.

Hoewel alleen de wedstrijd telde, pleegde ik enige research. Bleek dat ik in de buitenwijken van Nürnberg zat en elke dag door de Reichs- parteitagsgelände liep, ooit het epicentrum van het nazisme. Je kon ter plekke in aftandse koptelefoons Hitler horen tieren en het volk horen bevestigen wat de Führer wou: de verplettering van de tegenstand. Er is geen verschil tussen het geluid uit die koptelefoon op het Zeppelinfeld en in sommige van die WK-stadions, behalve dat er geen Hitler voorspreekt.

Na al die jaren sport, na al die kampioenschappen en al die Olympische Spelen went het nog steeds niet: hoe het onschuldig vermaak ‘sport’ soms wordt gerecupereerd als een vreselijk vehikel voor nationalisme. Zoals in juni ’69, toen na de voetbalwedstrijd Honduras-El Salvador onlusten uitbraken omwille van een sluimerend conflict en kort nadien beide landen in oorlog waren.

Zo erg wordt het nooit meer. Maar of het nu de Amerikanen zijn
en hun Star Spangled Banner die zelfs voorafgaand aan elke wedstrijd op een lagere middelbare school wordt gespeeld, of de Australiërs met hun ‘Aussie, Aussie, Aussie’ of dat Chinese gezeur ‘Zhong guo, di yi’ (China, nummer één), je krijgt er altijd weer koude rillingen van.

Met onze gektes heb ik dat niet, misschien door gewenning. De Fransen zingen in hun Marseillaise ook dat ze iedereen zullen doodslaan, maar de Nederlanders in hun Wilhelmus blijven braaf. Ze zingen wel luidop mee, maar de Oranjegekte wekt hooguit medelijden op bij weer eens een verloren finale. En wij? Wij zijn uiteindelijk compleet ongevaarlijke en tegenwoordig vooral feestvierende nationalisten. Ik zie onze Rode Duivels met hun hand op het hart de Brabançonne meeneuriën of prevelen, maar echte marsmuziek kun je dat niet noemen. Er zal niemand ten oorlog trekken na het horen van dat operettedeuntje, maar misschien moeten we toch eens aan de Zuid- Amerikanen vragen hoe zij dat zien.

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2014 De Persgroep Publishing. All rights reserved

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s