Interview de laatste (Walter) Planckaert in De Morgen van 28 feb 2015

‘Stoppen lukt me maar niet’

Meer dan een halve eeuw reden er Planckaerts in het profpeloton, soms met drie tegelijk. Vandaag in Gent-Gent stuurt ploegleider van het jaar Walter Planckaert (66) de volgwagen van Topsport Vlaanderen-Baloise. ‘Ik kijk ernaar uit om met de nieuwe mannekes te werken.’

Het begin

“Mijn broer Willy koerste en reed met de fiets naar de koers. Wij reden mee, supporters en familie, soms met veertig man. Je rijdt goed, zeiden ze tegen mij, je moet ook eens koersen. Daar had ik geen zin in. Ik rookte een pakje per dag: Zemir. Ik haalde de filter van een sigaret en bond die met een blaadje aan een tweede, om een extra lange te hebben. Ik dronk ook liever pinten in het supporterscafé van mijn broer. Vijf frank in de jukebox gooien, dat was mijn sport.

“Op een dag heb ik toch een koerske gereden op een fiets van Willy en ik werd gedubbeld. ‘Ziede nu hoe goed ik ben?’, zei ik, maar ze bleven zagen en bij de juniores heb ik een licentie gevraagd en ik was vertrokken. In mijn laatste jaar liefhebber won ik 22 koersen en werd ik 18 keer tweede. In mijn derde jaar prof won ik de Amstel Gold Race; als coureur van het concurrerend bier Watneys, tegen hun Zoetemelk in de spurt, daar konden de Nederlanders niet mee lachen. Mijn eerste vier jaar als prof ging ik in de winter werken: na Lombardije reed ik twee jaar lang mazout uit met de camion en daarna heb ik nog twee jaar gelast in een serrebedrijf.

“Rik Van Looy en Eddy Merckx, tegen allebei heb ik nog gekoerst en van allebei weleens gewonnen, maar Van Looy was al op zijn retour toen ik hem in mijn eerste profjaar in Laarne klopte in de sprint voor de zesde plaats. Hij heeft mij scheef bekeken zoals hij dat alleen kon. Eddy was de beste. Die reed rap bergop om je eraf te krijgen. Als dat niet lukte, ook rap bergaf en desnoods ook rap op het vlakke. Zijn laatste jaar bij C&A reed ik in zijn ploeg. Het was op bij Eddy, dat was eraan te zien en wij voelden dat hij zou stoppen. Die laatste koers in Kemzeke, daar was ik bij. Eddy is later mijn fietsensponsor geworden.”

Het einde (x3)

“Na Parijs-Tours van 1985 vroeg Peter Post mij of ik geen ploegleider wilde worden bij onze ploeg, Panasonic. Probleem: ik moest dat stilhouden voor iedereen en dus ook voor mijn eigen broer Eddy die in onze ploeg reed.

“Ik trainde die winter minder en Eddy vond het vreemd. ‘Ge zit gij niet meer op uwe velo?’ Toch wel, zei ik, ik heb een speciaal, geheim toestel van de ploeg boven en daar train ik op om een betere tijdrijder te worden. Ik wil de prologen winnen en als het lukt, krijg jij het en win je zeker de proloog van de Tour. Eddy was gerustgesteld en op de ploegvoorstelling later viel hij vreselijk uit de lucht toen Post mij als nieuwe ploegleider voorstelde.

“In 1995 ben ik een jaar uit het peloton geweest. Ik kon dat jaar goed gebruiken, want ik heb dan dat huis hier verbouwd. Een jaar geen koers kwam net op tijd. Bij Post was ik dag en nacht bezig – met hotels, met tickets, alles deed ik – en altijd was ik weg, altijd in hotels. Op het laatst kwamen de muren op mij af.

“Na 2003 heb ik nog eens een jaar zonder ploeg gezeten. Ik zat bij Lotto en mijn collega-ploegleider was Claude Criquielion. Die was ziekelijk jaloers op mij en heeft mij de schuld gegeven voor verlies in wedstrijden waar ik niet eens ploegleider was. Ik heb Marc Sergeant gezegd dat het niet meer hoefde voor mij. Dat jaar werd ik wel bijna gek thuis en zat ik met een maagzweer door al die ellende.

“Tja, Criquielion… we hebben later nog wel eens goeiedag gezegd, maar zo oneerlijk, zo liegen, zo vals, daar kan ik niet tegen. Wat hem is overkomen (hij overleed vorig week aan een herseninfarct, HV) wens je je ergste vijand niet toe. Hij mocht van mij honderd jaar zijn geworden, maar ik ben niet naar de begrafenis geweest.

“Ik ben pensioengerechtigd, maar ik kan niet stoppen. Als ik zaterdag niet zou moeten werken? Dan zou ik voor de tv zitten en mij af en toe ergeren aan de commentaar van Wuyts. Als die begint met zijn tien kilometerregel, dat een peloton op de vluchters een minuut per tien kilometer kan goedmaken, dan krijg ik het. Als een peloton echt wil, rijdt het een minuut per dríé kilometer dicht, verdorie.”

De Planckaerts I

“Dat ras, zei Patrick Lefevere ooit eens over ons, omdat hij nijdig was op Jo (de zoon van Willy, HV) en vooral Willy was toen heel erg kwaad. Het was gemeen. Wij waren een gezin van bescheiden komaf, dat heel veel pech heeft gekend.

“Het ergste wat ons ooit overkwam, was dat auto-ongeval in Kruishoutem: in de zomer van 1964 reden vader en moeder samen
met twee kinderen frontaal in op een tegenligger. Maanden lagen ma en pa in het ziekenhuis. Kort daarna reed Willy tijdens een kermiskoers op een bieruitzetter en lag ook met breuken in het ziekenhuis in Deinze, waar ma en pa al lagen. En daarna reed ik in op een ijskar, ook in Kruishoutem en ook ik belandde in Deinze. Alle vier lagen we in hetzelfde ziekenhuis, alle vier door een ongeval in Kruishoutem. Van een noodlot gesproken.

“Terwijl ik daar lag, is mijn vader gestorven van dat ongeval en dat was een zware klap voor het gezin. We hadden het niet breed, maar wie bij ons over de vloer kwam, was welkom. Eddy’s grootste concurrent, de Australiër Allan Peiper, hebben we in huis genomen omdat hij geen leven had waar hij woonde. Hij sliep in Eddy’s bed en at mee met ons. We hadden er een broere bij.”

De Planckaerts II

“Ze zegden dat we luiaards waren. Niets van, maar we waren wel speciaal. Willy was een raspaard, Eddy was een koerspaard, ik was een boerenpaard. Dat zei moeder Gusta over ons. Willy en Eddy hadden twee weken training nodig om in vorm te geraken. Nu rijdt Willy elke dag, zelfs op nieuwjaardag is hij gaan rijden, maar toen hij nog coureur was en het regende, zei hij: het zal voor van den achternoene zijn. Hij heeft wel tot zijn 44ste in het profpeloton gereden.

“Ik moest veel kilometers doen. Ik trainde altijd, bij regen en ook bij min elf als mijn ogen dichtvroren en als ik na de training verging van de pijn toen ik bij de stoof mijn geweetwel-hier-van-onder (wijst tussen zijn benen, HV) moest ontdooien. Wij reden op training altijd rap, zo rap als in koers of nog rapper. Ik heb ook nooit meer dan 140 kilometer getraind. Als we met een klein groepje waren, een man of vier, reden we elk een kilometer op kop, volle gas van kilometerpaal naar kilometerpaal.

“Frans Verbeeck heeft mij leren hard trainen. Die reed altijd volle bak. Twee keer per week moesten wij naar het meer van Keerbergen komen om daar rondjes van vijf kilometer te draaien. Wij haalden daar gemiddelden van 45 per uur, op training. Frans was een halve zot als het op trainen aankwam. Hij is nu onze kledijsponsor.”

De Planckaerts III

“We hebben ooit alledrie samen gekoerst, Willy, Eddy en ik bij Mini Flat-V.D.B.. Willy was einde carrière toen Eddy begon, maar we hebben samen in Eddy’s eerste profkoers hier in Nevele gereden. Later ben ik Eddy’s meesterknecht en wegkapitein geworden en daarna ploegleider.

“Neen, het is niet altijd koek en ei geweest tussen de Planckaerts. Op een dag kregen Willy en ik van Rik Van Looy en Staf Janssens (oprichter van IJsboerke, HV) een contract om bij IJsboerke te rijden: 1,2 miljoen frank (30.000 euro, HV) per jaar, maar thuis zagen we dat ze zich hadden vergist. Het bedrag hadden ze per maand ingevuld en dat was netjes ondertekend. Wij zouden dus twee jaar lang elke maand een jaarloon uitbetaald krijgen.

“Van Looy is die avond nog naar hier gereden om dat te regelen. Ik zag toen een mogelijkheid om toch bij Maes-Watneys te blijven, want ik had spijt, maar Willy vertrok naar IJsboerke. Staf Janssens vond dat ik woordbreuk had gepleegd en Willy heeft dan van zijn ploeg op mijn wiel moeten rijden.

“Willy en ik hebben het daar nooit meer over gehad, we zijn niet zoveel van zeggen bij de Planckaerts. Willy is mijn buur rechts en mijn zus woont links. Wij zien elkaar haast nooit en er zit echt geen haar in de boter. In de zomer, ja, als we toevallig samen buiten zijn, lopen we eens naast de deur binnen voor een potje koffie en met nieuwjaar gaan we ook altijd.

“Eddy en ik hadden een heel bijzondere band, tot hij met zijn docusoap begon. Ik ben in de val gelokt door een van die boekses om iets te zeggen over Stephanie die nogal vroeg moeder was geworden en daar een boek over geschreven had. Ik zei toen dat ze haar boek beter Papa, ik schaam mij had genoemd. Dat was verkeerd van mij, maar ik had dat langs mijn neus weg gezegd na twee uur doorpraten over de koers en uitgerekend dat stond op de eerste bladzijde.

“We hebben daarna een tijd niet tegen elkaar gesproken en op al de volgende feesten ben ik niet geweest. Maar toen Stephanie haar kindje veel te vroeg werd geboren, heb ik wel elke avond gebeden.

“Op een dag waren Eddy en ik samen uitgenodigd in Genval voor een tv-uitzending en toen zijn we beginnen praten en zijn we in elkaars armen geëindigd. ‘Dat mag nooit meer gebeuren’, hebben we gezegd en nu gaat het goed, We zien elkaar niet veel, maar wij gaan af en toe naar zijn chambre d’hôtes in Lesterny. Dat draait daar formidabel. Hij heeft nu een vierkantshoeve gekocht om op te knappen. Ik ben blij voor Eddy.”

Ronde van Vlaanderen 1976

“Hier staat of hangt niet veel van de koers. Ik heb het meeste weggegeven. Daar staat mijn Trofee Stan Ockers. Die kreeg je destijds als bergkoning van de Waalse Pijl. Jawel, ik, 1m76 en 76 kilo, was op al die achttien bergjes tesamen als beste boven gekomen. Toen was de Waalse Pijl nog zwaarder dan Luik-Bastenaken-Luik, hè. Dat is een trofee die ik koester.

“Mijn trofee van ploegleider van het jaar 2014 staat daar naast de tv. Ik was ontroerd, ook omdat mijn vrouw en mijn dochter erbij waren en het applaus maar bleef duren. Achteraf hoorde ik ook dat de meeste Franstalige journalisten op mij hadden gestemd, en dat voor een ploeg van de Vlaamse regering.

“En ik heb twee foto’s hangen in mijn inkomhal. Uiteraard mijn Touroverwinning van 1978 aan de Heizel, een sprint bergop, dat kon ik als geen ander. En de andere is de Ronde van Vlaanderen van 1976 waar veel over gezegd en geschreven is.

“Natuurlijk had ik ook gewonnen van Freddy Maertens en Roger De Vlaeminck als die niet naar elkaar hadden gekeken. Ik was niet te kloppen die dag, dat voelde ik. Roger heeft daar achteraf wat raar over gedaan, maar Roger kon niet goed tegen zijn verlies. De andere was nooit beter. Afgezien daarvan was er maar één echt beter dan Roger en dat was Eddy Merckx. Wat ik Roger heb zien doen… Grote klasbak.”

Ploegleider-opleider

“Topsport Vlaanderen-Baloise, mijn ploegje, is een schoon ploegje dat Christophe Sercu en ik helemaal hebben opgebouwd. Christophe moest een jaar na mij ook weg bij Lotto en samen hebben we hier een beetje revanche genomen, zo voel ik het toch aan.

“Wij hebben geen geld voor grote renners, onze jongens krijgen een ‘gesco’ van de overheid (gesubsidieerd contractueel statuut, HV), ik ook trouwens. De grote klim- en rondetalenten zullen niet eerst naar ons komen en de tijdrijders met de grote motor ook niet, maar elk jaar pikken wij talenten op die de anderen laten liggen en die wij ontwikkelen en afleveren als prof. Dit jaar weeral zes.

“Ik weet wat Lefevere bedoelt als hij zegt dat ik de talenten niet naar hem wil sturen. Ik dacht dat Yves Lampaert beter bij Trek zou zitten, maar hij ging naar Etixx-Quick Step. Maar dat Lefevere zoiets koppelt aan die Kuurne-Brussel-Kuurne van 1978 die ik niet zou hebben verteerd omdat hij toen zou hebben gewonnen van mij? Eén: hij heeft niet gewonnen, want om te winnen moet je als eerste over de meet komen. Twee: hij heeft gewonnen voor de groene tafel, terwijl later is gebleken dat ik juist wél de goeie weg heb gevolgd, maar toen was het al te laat.

“Lefevere is een rare: ik krijg die trofee van ploegleider van het jaar en de hele avond zie of hoor ik hem niet. Later, op de Zesdaagse aan de champagnebar, komt hij wel, begint een hele litanie af te steken over iets anders en zegt op het laatst: o ja, proficiat hè.

“Elk jaar kijk ik ernaar uit om met de nieuwe mannekes bij ons te werken en ze in de ploeg te kneden. Ik ben nu een beetje de onderwijzer die ik ooit wilde, maar nooit kon worden. Natuurlijk is er een generatiekloof, natuurlijk stel ik mij vragen bij hoe vandaag wordt getraind en gekoerst. Wij spraken over zoveel uur en we reden altijd rap. Nu spreken ze over zoveel watt en rijden ze soms zeven uur aan een goeie 25 per uur. Volgens mij kun je dan evengoed in je zetel zitten en een film ophalen. Ik durf daar wel eens over te zagen en dan zegt men mij dat we met die nieuwe methode toch goede resultaten boeken.

(denkt na) “Ik moet ze gelijk geven, maar het doet toch zeer als ik hoor dat ze weer eens niet in de grijze, bruine of rode zone mogen. Wij zaten al na vijf minuten in het rood. Ik reed mijn oprit af op 54×15 en dan ging het naar de 14. Ik zou wel eens een talent op
de oude manier willen trainen. Ik denk dat die minstens even goed zou zijn, want vergeet niet: ze trainen nu allemaal op watts en hartslagzones. Niemand doet het nog zoals wij en wij reden verdorie erg hard, een heel jaar door.”

Walter Planckaert

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s