Column Subcultuur in De Morgen van 4 juni 2017

Subcultuur

Goed gezien om het promofilmpje tegen grensoverschrijdend gedrag in de sport te laten beginnen met een zwemmer, vervolgens een judoka aan het woord te laten en te eindigen met een taekwondoka. Het is wel niet zeker of die stemmen allemaal even relevant zijn.

Die laatste is een brave gast die wellicht nooit heeft geweten dat de grootste vergrijpen zich op zijn topsportschool hebben voorgedaan, weliswaar niet in zijn sport. De judoka is een van de moedige vrouwen die al jaren willen getuigen maar die niet of nauwelijks werden gehoord. De zwemmer komt dan weer uit de inner circle van de initiatiefneemster. Drie ervaringsdeskundigen en/of slachtoffers was nog een sterker signaal geweest.

Maar prima dus dat het begon met een zwemmer want ik heb nooit grotere ogen getrokken over wat zich afspeelt in de coulissen van de sport dan bij het zwemmen. Mijn wake-upcall kwam die warme juli-avond in Barcelona in 1992 toen ik aan de voet van Montjuich op advies van enkele van onze eigenste atleten – ik was perschef van de Belgische ploeg – het adidas-dorp ontdekte. Of ik binnen mocht? Dat mocht, zei de halfnaakte hostess, want ik was Olympic Family. Ik verbleef in het olympisch dorp en toen zag ik er nog uit als een atleet.

Ik ben er drie keer geweest, in de befaamde/beruchte tweede olympische week als de zwemmers en judoka’s klaar zijn, en elke avond werd de hoop groter. Ik bedoel de hoop zwetende lichamen die onder de gratis alcohol (en tapas) op elkaar lagen te wriemelen, met daartussen coaches en officials van allerlei kunne en geslacht. Het was daar één grote dronken hoerenboel en overal rook je cannabis.

De jongste atlete die ik daar zag roken en die toen ook haar eerste lief binnendeed (of zelf werd binnengedaan) was de veertienjarige zwemgodin Franziska Van Almsick. In haar biografie en in latere interviews had ze het over Barcelona en de adidas-party’s als een heftige stap in haar volwassenwording. Drie dagen voor het einde van de Spelen moest adidas het bezoek contingenteren en werd de alcohol gerantsoeneerd. Vier jaar later was van een open dorp geen sprake meer.

Er werd gegrabbeld en gegraaid in de topjes en de broekjes dat het een lust was, maar was dat grensoverschrijdend gedrag?
Dan moeten we eerst weten waar de grens ligt. Is die leeftijdsbepaald? Ik ken sporters van zestien met een volwassen blik op de maatschappij en gymnastes van twintig met de levenservaring van een kind van de lagere school. Door heel wat sporters en coaches wordt de grens voor laakbaar gedrag – verbaal of fysiek – op achttien gelegd. Dat is een vergissing. Elk gedrag waarbij in een coach- atleetrelatie seks en/of geweld voorkomt, overschrijdt een grens.

Neem nu de coach die sms’jes stuurt naar een atlete: ‘Als je onder de douche staat, mag ik dan naar je borstjes komen kijken?’ Is dat fout als ze zestien is, omdat ze dan van slag kan geraken en moet ze daar kunnen om lachen als ze twintig is? Welnu, ze was twintig en ze raakte zo van slag dat ze niet meer presteerde. Moeilijk.

In onze weekendbijlage Zeno verdedigt Jean-Marie Dedecker zijn sport, probeert tussen het amalgaam aan beschuldigingen het kaf van het koren te scheiden, kadert ook een en ander in een tijdgeest en legt uit hoe de subcultuur van de (top)sport in elkaar steekt. Die is hormoongedreven, gericht op dominantie van de ene atleet tegenover de andere en onderwerping van de atleet aan de trainer. De hele handel en wandel in die wereld en het taalgebruik zijn navenant.

Dat kan allemaal wel kloppen, maar de topsport en bij uitbreiding de sport moet op zijn tellen letten. De sportwereld heeft er een handje van weg om het zo voor te stellen dat wat geldt voor de rest van de maatschappij niet zou gelden voor de sport. Zo’n jarenlange uitzonderingspositie is geen verworven recht en met de tijd heeft de maatschappij de sport op alle domeinen gecorrigeerd, zij het niet altijd even oordeelkundig.

Neem de soms onmenselijke werkomstandigheden in de eerste zesdaagsen en de vroege Tour de France. De wereld rond de sport en niet de sport zelf heeft ingegrepen. Of het arbeidsrecht. Ook daar heeft de sport een aparte status, al is die in 1995 uitgehold met het Bosman-arrest, ook een ingreep van de buitenwereld. De genderproblematiek: sport wil een strikte scheiding van de seksen en dus is er voor sommige transgenders en interseksen geen plaats in topsport. Daar komen processen van. Maar het beste voorbeeld van een subcultuur die een eigen weg was ingeslagen was de overmedicalisering, c.q. doping. Ook daar zijn buitenstaanders nodig geweest om de sport terug in de juiste koers te krijgen.

Al die uitzonderingen voor de sport staan onder druk en dat geldt ook voor de relaties tussen de atleten onderling en tussen coaches en atleten. In de problematiek van de transfers en de overmedicalisering heeft de sport nagelaten zichzelf te reguleren en het resultaat was een set maatregelen die inmiddels hun doel ver zijn voorbijgeschoten. De sport neemt dit probleem van grensoverschrijdend gedrag best ernstig want als de maatschappij er zich mee bemoeit, meestal niet bezwaard door al te veel kennis en opgejaagd door de (sociale) media, slaat de slinger door.