Gesprek met Lode Grossen van de Gymfed over vrouwengymnastiek in De Morgen van zaterdag 8 aug 2020

‘Tuurlijk vloeiden er soms traantjes’

Maandag begint de ethische commissie van de Gymfed haar werk. Ondertussen is het puinruimen bij de sportbond. ‘Wellicht waren er misstanden’, zegt Lode Grossen, ‘maar deze karaktermoord hebben we niet verdiend.’

In navolging van het uitbreken van de pleuris in de Nederlandse gymwereld kwamen ook in Vlaanderen van alle kanten aantijgingen als verbale en psychische terreur. Algemeen gymdirecteur Lode Grossen werd verweten dat hij zijn opvolgster Ilse Arys de kastanjes uit het vuur liet halen. Waar was Grossen?

“Ik zat op een eiland waar ik niet zo gauw weg kon”, zegt hij. “Uitbollend bij de Gymfed werkte ik elke dag aan een plan voor mijn nieuwe functie als technisch directeur van de Vlaamse Zwemfederatie en toen kwam dit er nog bij. Ik had me mijn laatste maand anders voorgesteld en mijn erfenis ook: een paar maand geleden waren we nog de modelbond en kijk nu…”

Maandag was Grossen op post om te zien hoe de nationale vrouwenploeg op stage vertrok naar Marseille. “Het is goed dat ze hier eventjes weg zijn. Ze waren er alle tien. Vijf van hen zullen naar Tokio mogen en daar zal er één reserve moeten zijn. Ik weet nu dat we de gymnastes die afvallen beter moeten opvangen want meer dan dertig uur trainen en dan uit de boot vallen, dit is het hardste sportmilieu dat ik ken.”

Hard wettigt niet vermeend misbruik. Een van de zwaarste getuigenissen komt van Gaelle Mys, drievoudig olympiër.

Lode Grossen: “Ik ken niet de juiste inhoud van haar getuigenis of klacht, maar wel de achtergrond. Van bij het begin waren er conflicten met Yves Kieffer en Marjorie Heuls. Ze is ooit een week niet komen trainen. Gaelle is uiteindelijk teruggekeerd omdat ze voor de derde keer naar de Spelen wilde, maar het heeft nooit geboterd. Kiefer en Heuls waren inmiddels begonnen met een hele jonge groep talenten en wilden ook haar op hun veeleisende manier trainen.”

Yves Kieffer vond Mys te zwaar.

“Hij wilde met haar geen moeilijker oefeningen proberen, omdat ze volgens hem te veel woog. Dat kan gevaarlijk zijn voor een gymnaste. Gymnastiek is een sport tegen de zwaartekracht. Discipline en absolute heerschappij van de trainer over de atleet zijn cruciaal, anders wordt het te gevaarlijk. Gaelle is gestopt na Rio en daarna is ze bij Cirque du Soleil gaan werken. Toen ik haar daar terugzag, was ze magerder dan bij ons.”

Fatshaming in de sport bestaat niet, maar je zegt natuurlijk niet ‘je bent een dik varken’.

“Als dat is gebeurd, is het verkeerd. Voor alle duidelijkheid: dat soort opmerkingen is nooit tot bij mij geraakt. Ook niet vergeten dat onze Franse coaches er al van 2009 waren, Gaelle al langer zelfs. Ikzelf ben pas in 2013 gekomen en ik trok mij de eerste jaren relatief weinig aan van de topsportwerking. Na Rio heb ik wel ingegrepen toen ik vond dat het de verkeerde kant opging.

“Gaelle was 22 toen ze voor het eerst bij mij kwam aankloppen. Ik heb vaak bemiddeld om de scherpe kanten eraf te halen maar, eerlijk is eerlijk, ook om met een ploeg naar de Spelen van Rio te kunnen. Daar wil ik niet onnozel over doen want ik ben ook prestatiegericht.”

Dat kleineren, die mentale en psychische agressie, ooit iets van gemerkt?

“Niet toen ik in de zaal was. Natuurlijk ging het er daar wel hard aan toe en werden de dingen benoemd en vloeiden er traantjes, maar eerlijk: neen. En al helemaal niet tussen 2016 en 2020 toen ik program driver was van het topsportprogramma en elke week wel een paar keer onverwacht in de zaal kwam.

“Bij de jongeren heb ik wel dingen gezien die niet door de beugel konden. Daar zat ook een Franse coach en die heb ik ooit een brief gestuurd dat het zo niet verder kon. Zijn contract hebben we niet verlengd.”

Wat zijn jongeren?

“Eerst en tweede jaar secundair onderwijs. Die trainen ook al meer dan twintig uur per week. Dat is juist een van de problemen in de gymnastiek: een meisje van dertien jaar is al junior. Je bent senior als je zestien bent. Dat is een systeemfout van die sport. Ik heb dat intern gezegd en op een congres van de Europese bond: die leeftijd zou naar achttien moeten. Dan kijken ze mij aan: iemand uit het zwemmen die ons komt zeggen hoe wij onze sport moeten organiseren.”

Na 2016 is de psychische terreur volgens bronnen niet opgehouden, ondanks dat u er dichter op zat.

“Dat weet ik niet en dat is dan mijn woord tegen dat van anderen. We zijn met aparte conditietrainers beginnen te werken, met diëtisten naar wie werd geluisterd, een biomechanicus, drie artsen, een psycholoog als Jef Brouwers…”

Volgens die bronnen een spion van het systeem.

“Ik vind het erg als dat wordt gezegd. Brouwers heeft goed werk geleverd ten aanzien van de coaching. Hij vond ook dat ze hun stijl moesten veranderen. Ik had schrik in de aanloop naar het cruciale WK van Stuttgart vorig jaar. Welnu, door die nieuwe structuur is alles opperbest verlopen.”

Laura Waem is pas gestopt in 2017 en heeft ook klachten.

“Blijkbaar. Zij was geblesseerd na de Olympische Spelen en heeft verkozen om niet verder te doen. Ik ken haar klachten niet, maar ze was ons wel genegen want ze heeft nog in het internaat gewerkt bij jongerenstages. Als we een ex-gymnast kunnen inschakelen, doen we dat.”

Behalve Aagje Vanwalleghem.

“Die heb ik een contract gegeven toen ik een paar maanden in dienst was. Onze Franse coaches vonden dat ze te weinig ervaring had om de top te begeleiden en dan hebben we haar gevraagd naar onze regionale topsportclub in Antwerpen te gaan. Ze woonde in Gent, met een kind van anderhalf, alle begrip daarvoor, maar we hebben ook voor een auto gezorgd. Uiteindelijk werd het te veel, oké. Vandaag zou het wel hebben gewerkt. Julie Croket werkt nu in Gent met de jeugd onder David Spagnol.”

Nog een Fransman.

“Ja, ik kan het ook niet helpen dat die Franse trainers zeer goed zijn opgeleid, beter dan bij ons. Het echtpaar Landi, de nieuwe coaches van Simone Biles (de Amerikaanse meervoudige olympisch kampioene, HVDW), zijn ook Fransen. Kieffer wordt nu verweten dat hij een bullebak is, maar ik heb hem ook de laatste maanden puur didactisch zien werken aan nieuwe elementen met de jongste meisjes in het team. Hoe hij erin slaagt om de atleten vooruitgang te laten maken door hier en daar matten te plaatsen en via tussenoefeningen, knap gewoon.”

Een journalist schreef vorig weekend dat de Gymfed een getuigenis heeft tegengehouden.

“Daar ben ik van geschrokken. Ik heb het uitgezocht en het klopt. Blijkbaar heeft iemand uit de gymwereld een interview gegeven en is die door een medewerker van de Gymfed onder druk gezet om dat in te trekken. Dat kan niet en dat heb ik de bewuste persoon ook gezegd.”

Bent u nog geschrokken?

“Als een trainster zou wensen dat de moeder van een atlete dood was… Dat is dat slikken, áls het effectief is gezegd. Cindy Vandenhole heeft dat verklaard. Dat Marjorie Heuls zeker vroeger soms vilein uit te hoek kon komen, heb ik zelf ondervonden. We hebben haar duidelijk gemaakt dat het anders moet.

“Ik heb gevraagd aan Heuls wat er van aan was. Ze beweert dat ze het nooit heeft gezegd. Dat moeten de getuigenissen uitwijzen. Tot nog toe hebben wij weinig weerwerk kunnen bieden, maar voor zo’n commissie die onafhankelijk is en waarbij iedereen kan getuigen zullen alle partijen worden gehoord. Voorzitter Bart Meganck wordt bijgestaan door een andere rechter en een psychologe. Hij zal bovendien een beroep doen op een aantal andere experts die hij zelf uitnodigt. De insinuatie dat een rechter zich zal laten sturen door ons is belachelijk.”

Denkt u dat dit topsportprogramma nog te redden valt?

“Dat weet ik niet. De trainers zijn erg aangeslagen. Of ze hier straks nog zijn betwijfel ik. Als zij weggaan, vertrekken ook andere trainers en is het terug naar af.”

In hoeverre probeert u nu het aangekondigde goud van Nina Derwael te redden ten koste van anderen?

“In het begin spookt dat door je hoofd, maar als van alles naar buiten komt, is toch de eerste bekommernis: dit moet worden uitgeklaard en eventueel aangepakt, wat ook de gevolgen zijn. Uiteraard hoop ik nog steeds dat wat we hebben opgebouwd niet helemaal verloren gaat.”

Column over Groenewegen-Jakobsen in De Morgen van zaterdag 8 aug 2020

Aanvaard risico

Het is de plicht van eenieder in de sport om die zo veilig mogelijk te laten verlopen. Dat geldt voor alle sport, van de a van atletiek tot de z van zwemmen. Dus ook voor wielrennen, de gevaarlijkste sportieve bezigheid van de mens, het beklimmen van de Annapurna (153 op de top tegenover 53 doden) en andere achtduizenders even daar gelaten.

In theorie kan alles op de Everest, zoals in je zwembroek proberen naar boven te klauteren, maar niet in georganiseerde sport die aan heel wat regels is gebonden. Dachten we. Er is bijvoorbeeld een regulerend orgaan dat ervoor zorgt – of zou moeten zorgen – dat die bezigheid/beroep/volksvermaak zo veilig mogelijk verloopt. Dat het risico dat je loopt bij het beoefenen van die sport binnen de perken blijft. Men heeft daar in de sport een mooi begrip voor: aanvaard risico.

Een voetballer hoort te aanvaarden dat hij in uitzonderlijke gevallen een been breekt, een wielrenner dat hij valt. Als beenbreuken door schoppen en valpartijen door koersen de regel worden, is er een probleem. Met voetbal valt dat mee, het spel is over het algemeen niet brutaler geworden, wel integendeel. Wielrennen is andere koek. Daar wordt steeds vaker gevallen en gaan steeds meer renners dood. De redenen: stijvere fietsen (daar moet dringend iemand naar kijken), meer en betere renners, maar ook driestere renners, gevaarlijker wegen.

Dat in het peloton meer dan ooit erg goede renners rondrijden, is zowat het enige wat je niet in de hand hebt als regulerende partij. Je moet het zelfs toejuichen. Al het andere is beheersbaar, móét beheersbaar zijn, maar wordt niet beheerst en wordt vooral niet gereguleerd. We kunnen Dylan Groenewegen wel aan de hoogste boom willen opknopen – met zijn uitspraak “podium of jodium” leek hij redelijk voorbestemd voor ongelukken – die gast heeft gebruikgemaakt van de lacunes van zijn sport.

Volledig mee eens dat niet iedereen in het peloton zou doen wat hij heeft gedaan, en dat hij finaal in de fout gaat. Maar draai die sprint om en zet daar anderen voorin, ik wil het nog weleens zien.

Patrick Lefevere wil hem voor de rechter slepen. Hoe en waar, dat valt nog te bezien, maar ook zijn reactie begrijp ik. Zoals ik ook begrip heb voor de tweet van Groenewegen zelf dat hij dit niet heeft gewild. Er had wel een formeel excuusje bij gemogen om helemaal goed te zijn, en ja, het zal kloppen dat hij dat niet heeft gewild. Het probleem is dat ratio en intuïtie bij sprinters tijdens de sprint door elkaar lopen. Groenwegen zal hebben gedacht: ik zet mijn elleboog – misschien is dat gewoon diskwalificatie, misschien ook niet – maar geen gek die hier nog voorbijkomt. Jammer, maar helaas.

Wat Lefevere eerst en vooral moet doen, is de Ronde van Polen en de UCI voor de rechter slepen. Blijkbaar heeft Katowice de reputatie van gevaarlijkste aankomst in het circuit. Dat men daar eerst eens iets aan doet. Bijvoorbeeld, in de algemeenheid: geen aankomsten in dalende lijn. Het is vaker gezegd, elk parcours moet tot in den treure worden gekeurd en beveiligd. In opdracht van de UCI? Van de rennersvakbond? Van wie dan ook, maar van een instantie die weet hoe het moet en vooral niet moet. Afsluitingen die uit elkaar spatten als je ertegen rijdt: afvoeren die handel. Onbeschermde duikers langs de weg: afdekken, ook al is het een rechte weg, remember Ronde van Polen 2019. Worden de aanbevelingen niet gevolgd, dan starten de renners niet.

Jawel, dat vereist mankracht en dat kost ongetwijfeld geld en die sport heeft er al niet te veel, in de eerste plaats de organisatoren niet. Alleen, die verdomde UCI wil toch zo graag van Argentinië tot Zimbabwe koersen en doet daarom graag een oogje dicht in niet- traditionele wielerlanden. Welnu, renners: fuck de UCI. Jullie moeten jullie sport zelf in handen nemen en samen met de organisatoren veiliger maken.

Jawel, ook de massasprint, zelfs al snij je daarmee in je eigen vel. Bijvoorbeeld: verbod op lead-outs in de laatste kilometer. De renners die onder de rode vlag op kop liggen in wat zich aankondigt als een sprint met een grote groep zijn de ‘designated sprinters’. Eén per ploeg en sprinten voor de overwinning. De rest: opzouten.

Idem voor de laatste vijfhonderd meter. De weg moet dan zijn opgedeeld in sprintbanen: zes, zeven, acht, tien, twintig als het kan.
Een beetje zoals in de atletiek. Wie als eerste in een baan rijdt, mag in die baan de sprint aangaan tegen de andere banen. Dat voorsorteren zal de piek uit de topsnelheid halen. Uit de baan: diskwalificatie. De rest: opzouten, andere keer beter. Wat het ook wordt, er moet iets gebeuren: nooit, never meer de horror van Katowice. A.u.b..

Column Zegegebaar in De Morgen van maandag 3 aug 2020

Zegegebaar

Oliver Naesen heeft er zelf voorlopig weinig deugd van gehad, maar hij had het wel voorspeld: de Belgen die konden trainen tijdens de lockdown zouden bij de beteren behoren. En zie: een jonge Belg won zaterdagnamiddag de Ronde van Burgos, normaal de speeltuin voor buitenlandse klimmers. Een paar uur later won een iets minder jonge Belg de Strade Bianche, waar we als Belgen – noblesse oblige als het om slechte wegen gaat – wel al een paar keer aan het feest waren.

Wat Wout van Aert en zijn entourage hebben geflikt in dat ene jaar sinds die carrièrebedreigende hapering aan dat fout geplaatste hek in de Tour, is niks minder dan de comeback van de eeuw. Van bang om nog ooit normaal te kunnen stappen, over gelukkig dat hij weer kon wandelen en later een beetje lopen en fietsen, tussentijds doodgelukkig dat hij weer kon trainen, bij de beteren in februari op de Teide maar toch nog steeds zorgen om die opengescheurde dij en de opspelende knie, tot dit: iedereen naar huis rijden in de Strade Bianche. Het hele Jumbo-Vismateam heeft fe-no-me-naal gewerkt, de renner en zijn trainer op kop.

De aanleiding voor de harde reset wens je niemand toe, maar de reset zelf heeft Van Aert goed gedaan. Hij is nu een wegrenner
die nog af en toe in het veld zal verschijnen en eens zal winnen. Zijn body boven het middel is hij kwijt. Sarah zal al weleens hebben gemopperd dat lepeltje-lepeltje iets anders aanvoelt dan een jaar geleden, maar het is niet anders: hoe minder nutteloze spieren, des te hoger de klassering in deze sport.

Ik zag een prachtig beeld op Twitter van Van Aert in het laatste rechte stuk bergop naar de Piazza del Campo, daar waar hij in 2018 nog verging van de kramp. Hij danste op de pedalen, keek om en zag alleen leegte. Aan beide kanten stonden dranghekken, maar niks of niemand om tegen te houden. De sport was er niet minder om. Wel integendeel, een danteske hel is zoveel helser zonder toeschouwers.

Zaterdag, in het door God en klein Pierke verlaten Siena, is het bewijs geleverd dat koersen zonder publiek perfect kan. Niemand van RCS die er (gelukkig maar) aan had gedacht om supportersgejoel door de luidsprekers te laten schallen. Als één sport deze coronahysterie kan overleven, dan wel het wielrennen. (En nu maar hopen dat er geen uitbraak komt in het peloton.)

1.500 kilometer naar het westen en een paar uur eerder had Remco Evenepoel zijn meesterschap over een select gezelschap berggeiten bevestigd. Er was in de slotrit die ene poging om weg te rijden maar of hij niet beter kon, dan wel er sprake was van voortschrijdend inzicht bij hem of in de volgauto – “Remco, dit is nergens voor nodig, laat de anderen ook iets” – dat horen we ooit nog wel.

Ze verschillen vijf jaar, zullen elkaar nog tegenkomen, maar tussen Wout van Aert en Remco Evenepoel zit een wereld van verschil. Van Aert is de Kempense modderstoemper die wegrenner is geworden, maar in hart en nieren de veldrijder is gebleven. Randstedeling Evenpoel is de voetballer die per ongeluk in het wielrennen is gesukkeld, maar zijn sjottersmentaliteit heeft behouden. Van Aert is hooguit van Twitter, Evenepoel is een TikTokker.

Van Aert reed in Siena over de streep met een klassiek zegegebaar, de vuisten in de lucht, de armen wijd uitgestrekt. Toen Evenepoel van de week alle klimmers het nakijken gaf op de Picon Blanco richtte hij zich net voor de eindmeet op en veegde zijn schouders schoon, inclusief de verveelde blik waarmee je een ambetante vlieg verjaagt.

Zijn ploegbaas Patrick Lefevere probeerde nog dat het kon gaan om het stof van zijn shirt vegen na maanden inactiviteit, maar gaf dan toe: “Hij had mij gezegd dat hij aan het nadenken was over wat hij zou doen. Hij heeft drie maanden de tijd gehad. Voor mij hoefde het niet, maar dit is de nieuwe generatie.” Dus niemand in de entourage van die jongen die zegt: “Niet doen, Remco, niet nadenken over een zegegebaar, vooral niet een uur per dag voor de spiegel gaan staan en oefenen, zoiets komt wel vanzelf”? Gemiste kans.

Neen, Evenpoel is natuurlijk niet de eerste met zegebaren. Alberto Contador had er ook een met zijn pistoolschot en toen Peter Sagan nog won pompte hij onophoudelijk uppercuts, maar geen gebaar is zo denigrerend als dat van R.EV. Hij mag blij zijn dat hij niet meer voetbalt. Zijn schouders afstoffen is het equivalent van een oudere speler poorten, niet één keer per ongeluk maar steeds weer. Voor je het weet lig je met gekraakte enkels en uitgerekte kruisbanden ergens tussen de zijlijn en de boarding. Benieuwd wat de collega- wielrenners voor hem in petto hebben.

Column De Gymfabriek in De Morgen van zaterdag 1 aug 2020

Gymfabriek

In 1995 publiceerde Joan Ryan Little Girls in Pretty Boxes, haar groundbreaking (zoals dat in de VS heet) boek over kindermisbruik in twee sporten: kunstschaatsen en gymnastiek. We waren in aanloop naar de Spelen van Atlanta en ik kocht het boek in de VS, in een echte boekhandel. Amazon bestond nog maar een jaar en was nog geen thuisbrenger.

In 1995 werd ook mijn dochter geboren en toen die enkele jaren later lid werd van een turnclub, kwestie van de motoriek wat aan te zwengelen, hoopte ik vooral dat ze geen talent had. Dat had ze niet. Na een jaar of zo besteedde de trainster nauwelijks nog aandacht aan haar. Weinig snelheid en weinig coördinatie, oef, ze bleek een uithoudings- en krachttype.

In het boek had ik gelezen over wervels van ontkalkte bejaarden in ruggen van turnstertjes van achttien, over blessures, over allerlei praktijken om ze toch maar kindje te laten blijven en het onderhuids vet tegen te gaan waardoor de menstruatie niet op gang kwam. De ‘female triad’ heet dat in de literatuur: geen eten, geen menstruatie, geen puberteit, geen borsten, geen gewicht, wel veel prijzen.

Dik tien jaar later (13 mei 2006) klapten voedingsdeskundigen uit de Vlaamse gymwereld uit de biecht en schreef ik het verhaal op over Gerrit Beltman, de Nederlandse trainer die onlangs bekende dat hij fout zat met zijn trainingsmethodes. De kop was zijn quote: ‘Mijn turnsters mogen niet menstrueren’. Beltman was boos, de Gymfed (die heette toen zo nog niet) ook.

Ondertussen was ik op bezoek geweest in Plano, voorstad van Dallas, waar Aagje Vanwalleghem aan haar reset werkte. Daar is bovenstaande foto genomen. Kleuters met gespierde billetjes en kontjes en armpjes die je normaal pas bij een tienjarige ziet. Het resultaat van urenlange training, al of niet in de vorm van spel, maar steeds in de geest van wat bij hun opleider op de rug staat: train hard or go home.

Na Beltman landden Yves Kieffer en zijn vrouw Marjorie Heuls in Gent. Ik had nog steeds mijn reserves tegenover die sport, maar liet mij overhalen om een dag in de gymfabriek rond te kijken. Het was een selectiedag, dus op het scherp van de snee. Om halfnegen had ik al een juniortje zo vaak van de brug met ongelijke leggers zien stuiteren (in de kussens) dat ik in haar plaats kippenvel kreeg, van plaatsvervangende schrik welteverstaan. Een gymnaste, later absolute top, deed het bij de selectieproeven in de broek voor een sprong op het paard en huilde. De trainer, Kieffer, was duidelijk: “In topsport moet je iets willen. Als je wilt dat we je niet selecteren, doe zo verder, maar kom het ons zeggen, dan besparen we elkaar de moeite.” Dat kwam hard binnen, maar de volgende sprong lukte. De ploeg applaudisseerde.

Kort voor de Spelen van Rio in 2016 belde Vanwalleghem. Of ik op de achterflap van haar boek een quote kwijt wilde. Jazeker. Ik schreef: “Met Aagje Vanwalleghem was het altijd goed praten als journalist. Ze is open, eerlijk en intelligent en dat is ze ook in dit boek. Het is goed haar hele verhaal te lezen, met de rozen, maar ook met de doornen. Een must voor de topsporters in spe en voor alle trainers.”

Ik heb het boek nog eens doorgebladerd. Er zitten doornen aan die hele gymnastiek, maar die zitten aan alle rozen. Verhult dat misbruik, verbergt dat pijnlijke waarheden, is Aagje niet eerlijk geweest in haar boek? Deze inmiddels mevrouw en jonge moeder wil ik niet afvallen. Ze zal het beter weten dan ik, maar iedereen die nu naar voren stapt met klachten over de gang van zaken in de gymfabriek in Gent en over die Franse succestrainers moet zich wel even bezinnen.

Willen we de canceltoer op? Het hele programma decimeren of zelfs afschaffen zoals in Nederland? Of willen we correcties die eerder al zijn aangebracht versterken en beter controleren? Willen we eerlijke getuigenissen of gaan we die mengen met verborgen agenda’s? Ten slotte: zijn we (journalisten, atleten, bestuurders) klaar voor de harde topsport die overigens niet harder is dan de opleiding van het hulpje bij een sterrenchef of van het kleuterpianistje?

Toen vrouwengymnastiek als speerpunt van het Vlaams topsportbeleid werd omarmd, was het zonneklaar dat we met de topsport grenzen opzochten die nooit eerder in dit land van vooral comfortsporters waren verkend, tenzij dan misschien het judo (en die hadden ook succes). Het zou de klaagsters – respect voor hun klachten – sieren als ze de ethische commissie te woord staan en stoppen met open brieven te schrijven. Dat leidt nergens toe. Hun constructieve inbreng kan wel helpen om wat slecht is te corrigeren en wat goed is te behouden.