Column Recht op progressie in De Morgen van zaterdag 19 juli 2021

Recht op progressie

De discussie over wat een zuivere prestatie kan worden genoemd voor een door eigen kracht aangedreven mens op twee wielen is al een jaar of tien bezig. Het resulteerde in een tsunami van cijfers waaruit dan die ene allesomvattende waarde naar voren kwam: de hoeveelheid vermogen die een renner levert. Anders gezegd: de veelbesproken watts per kilogram lichaamsgewicht.

Deze week was ook weer van alles aan de hand over een al of niet zuivere Tour en dat begon jammer genoeg met Thomas De Gendt, die beweerde dat hij topwaarden trapte maar toch werd gelost. Dat soort opmerkingen is nefast in de wielrennerij, want die sport is erg bedreven in zelfverminking. Terwijl natuurlijk niemand de redenering omkeerde en naar de ploeg verwees. Hoe komt het dat een Australische sprinter de zegekoning is, de enige die prestigieuze wedstrijden/ etappes wint voor Lotto-Soudal, en waarom presteerden de Belgen wel in het voorjaar? En waarom presteert Brent Van Moer wel?

Alle credits voor De Gendt, die daarna benadrukte dat hij gewoon had bedoeld dat hij niet meer meekon en niemand wilde beschuldigen. Het kwaad was inmiddels wel geschied en vooral in Frankrijk koren op de molen van de flitspolitie die elke prestatie van een niet-Fransman of een renner uit een niet-Franse ploeg verdacht vindt. Wat een geluk dat daarna ene Ben O’Connor zichzelf bijna in het geel reed na een lange solo. Het geluk zat hem er vooral in dat hij voor AG2R-Citroen reed, een Franse ploeg.

Dat Tadej Pogacar nu een merckxiaanse marge heeft van meer dan vijf minuten op zes naaste belagers is niet verdacht maar perfect verklaarbaar. Pogacar had die marge vorig jaar ook op ongeveer dezelfde renners met dezelfde capaciteiten. De enige die daar nog tussen zat vorig jaar was Primoz Roglic, en met veel goeie wil kon je daar ook Richie Porte bij rekenen. Roglic was zijn voornaamste uitdager dit jaar. Jammer, maar helaas, we weten wat de moedige Sloveen is overkomen.

Pogacar, om het over fysiologie te hebben, heeft deze Tour geen buitensporige prestaties geleverd. Ja, er was die ene rit dat hij iedereen oprolde behalve Dylan Teuns en onderweg op de Col de Romme het klimrecord verbeterde, maar ook die prestatie bleef binnen wat men vandaag aanziet als normale fysiologische grenzen. Dat hij die rit niet won en de rit over de dubbele Ventoux door Jonas Vingegaard bergop uit de wielen werd gereden, werd dan weer als de wielerversie van een schwalbe vertaald. Zo is het nooit goed.

De klimtijden die in deze uiterst competitieve Tour worden neergezet komen niet de buurt van die twintig jaar geleden, maar zelfs als pakweg het Ventoux-klimrecord uit 2004 van Iban Mayo (55:51) ooit wordt verbeterd (Pogacar reed 57:16) is dat nog geen reden om iemand vals te beschuldigen. Wat las je deze week in sommige media? Jonas Vingegaard heeft het record van de Ventoux verbeterd. Neen. Jonas Vingegaard heeft in de laatste zes kilometer vanaf Chalet Reynard de beste tijd ooit gereden. Dat heeft alles te maken met wat je die eerste vijftien kilometer hebt gedaan en met het supertalent van Vingegaard, die drie minuten sneller klom dan Wout van Aert. Er stond ook nog eens vaker rug- dan tegenwind.

De discussie over wat fysiologisch al of niet normaal is, mag wel eens wat meer fundamenteel worden gevoerd. Geen mens die zal geloven dat de Ventoux oprijden in een halfuur legaal kan, toch niet binnen wat we nu als legaal aanvaarden. Anderzijds raakt het instellen van een bovengrens aan het menselijk kunnen op twee wielen aan de essentie van topsport: de eeuwige verbetering.

Uitgerekend in een van de aanvankelijk minst ontwikkelde sporten die de laatste jaren veel beter het beschikbare genetisch potentieel benut, is dat een slecht idee. Uitgaan van waarden uit het nabije verleden om het heden te beoordelen en grenzen op te leggen is een vergissing van formaat.

Elke sport heeft recht op progressie, ook het wielrennen. Als voetballers de afgelopen twintig jaar sneller zijn gaan lopen en dubbel zoveel meters maken tegen hoge intensiteit en twee keer zoveel wedstrijden spelen, waarom vinden we vooruitgang in het wielrennen per definitie verdacht?

Het beste argument om niet in doping als deus ex machina farmaceutica te geloven is nog wel dat het vaak om jonge renners gaat, beter geselecteerd, beter getraind, en behorend tot allemaal verschillende ploegen. Neen, ik steek mijn hand niet in het vuur voor deze generatie (voor niemand), maar ik heb niks objectiefs om aan hun eerlijkheid te twijfelen.