Column Suppen in De Morgen van zat 19 nov

Suppen

Er zijn meer en meer tekenen die erop wijzen dat de Apocalyps nabij is nu de surfbond tegen de Spelen van 2024 ook het suppen op het olympisch programma wil krijgen. Suppen staat voor stand up paddle. Dus boven op een surfplank staan en je dan met een peddel zo snel mogelijk voortbewegen op het water. Het is een sport – als je die onnozeliteit zo mag omschrijven – voor kleine, compacte mensen. Dat heb ik aan den lijve ondervonden, al is reikwijdte ook niet te versmaden.

Weinig echte sporten zijn voor kleine mensen. Dat denkt men van voetbal, maar hier vergist men zich schromelijk. Behalve bij sporten waar de middelpuntvliedende krachten (denk aan gymnastiek) en het gewicht (denk aan bergop fietsen) spelen, is klein zijn altijd
een zwaktebod. Tenzij op de sociale media, stond van de week te lezen in de krant. Eden Hazard is de eerste Belgische voetballer die twintig miljoen volgers heeft op Facebook, Instagram en Twitter opgeteld. Die populariteit heeft hij te danken aan zijn voetbalspel uiteraard, en aan zijn aura van boy next door, maar ook aan zijn gestalte.

Eden Hazard is namelijk klein en daarom zouden Aziaten gek zijn van hem. Wie dat soort onzin de wereld instuurt, zou verplicht moeten suppen bij 8 beaufort op de Noordelijke IJszee. Alsof Aziaten vooral kleine mensen willen. Juist niet, want daar zijn er al genoeg van in Azië. Usain Bolt heeft dertig miljoen volgers op die drie platformen samen en hij is zowat de antipode van Hazard. Als Bolt in Japan uitstapt, staat het land stil. Bolt is 1,95 meter en is dus een flinke man, rekening houdend met de vuistregel dat mannen beginnen bij 1,80 meter.

Diezelfde Usain Bolt gaat voetballen bij Borussia Dortmund. Tenminste, hij gaat wat meetrainen en kijken of hij het leuk vindt. Eerst was het plan om dat bij Manchester United te doen, want daar is hij fan van, maar dat ging nooit door. Later was sprake van City, maar Sergio Agüero zei daarover dat hij Bolt had zien spelen en dat hij hem niet slecht vond, maar niet goed genoeg voor City. Misschien wel voor Man U. U begrijpt dat dit een grapje was. Dortmund is geen grap en ook geen toeval, want die spelen met Puma, het huismerk van de snelste mens op aarde.

Maar wat als Bolt inderdaad als kind was gaan voetballen en alleen maar voetballen? Wat als hij als kind in Afrika was geboren en niet in Jamaica, waar sprinten de nationale sport en passie is? Dan had hij nog goeie voeten moeten hebben maar was hij misschien wel een mix van Bale en Ronaldo geworden, 1,95 meter lang.

Wat als de sprinters in de Verenigde Staten niet voor atletiek hadden gekozen maar voor pakweg voetbal, hoe anders zou die sport er niet uitzien? En, nu komt het: wat als alle basketbal- en footballspelers waren opgegroeid in een land waar voetbal de sport nummer één was? Simpel, dan zou voetbal een totaal ander spel zijn, gespeeld in andere dimensies: sneller, hoger, krachtiger.

Voetbal staat over de hele wereld op de eerste rij om te kiezen uit het voorradig talent, behalve in het grootste en eerste sportland. In de VS is soccer een sport van latino’s, meisjes en suburban kids. De Amerikaan met Afrikaanse roots, dé referentie inzake snelheid en kracht, heeft geen boodschap aan voetbal.

Zelfverklaarde slimmeriken in het voetbal hangen hele theorieën op over klein zijn en draaicirkels en beweeglijkheid. Onzin. Kijk maar eens op YouTube naar Stephen Curry, Derrick Rose of John Wall. Snelheid creëert extra ruimte. Pas als er geen ruimte is, door een gebrek aan snelheid, heb je die kleine ukjes nodig met hun draaicirkeltjes. Soms wordt de oppervlakte van het basketbalveld erbij gehaald, wat nog grotere onzin is. Als op een veel kleiner veld, dus binnen een kleinere ruimte, de snelste spelers allemaal 1,90 meter zijn, is er geen enkele reden waarom die dat niet op een veel groter veld zouden zijn. De reden dat zo weinig lange mensen voetballen is ook simpel: voetbal was niet hun eerste optie en/of hun jeugdtrainers waren gemakzuchtig, onkundig en ongeduldig.

Verhaal over Thomas Dekker en zijn nieuwe boek in De Morgen van 15 nov 2016

Thomas Dekker unplugged

Zijn moeder gaat al een maand niet meer werken en durft vanaf vandaag ook het huis in Dirkshorn niet meer uit, maar Thomas Dekker (32) zelf is blij zoals zijn levensverhaal rauw is opgetekend door ex-renner/journalist Thijs Zonneveld. Ook België deelt in de klappen.

In de gang van een mooi huis in Lommel staat een crossfiets met weinig lucht in de banden, klaar om mee te rijden. Maar het is de eigenaar, de ooit zo begenadigde bimbo d’oro van Nederland, niet meer aan te zien dat hij nog fietst. “Vijftien kilo te zwaar vergeleken met mijn koersgewicht. Fietsen wordt pas leuk met een beetje regelmaat en die heb ik nu niet.” Spoedig vertrekt Nederbelg Thomas Dekker uit Lommel. Zodra hij zijn mooie huis heeft verkocht, trekt hij naar Amsterdam. Naar het leven, dichter bij zijn stabiele basis in Noord-Holland en erg dicht bij Schiphol, waar de vluchten naar zijn vriendin vertrekken.

Thomas Dekker is de Nederlandse versie van Frank Vandenbroucke en die vergelijking vindt hij niet leuk. Er zijn wel verschillen, zoals: Dekker is 32, renner af en leeft nog. “Ik heb de kantjes er weleens afgelopen, maar ben nooit een grootverbruiker van coke en alcohol geweest.” En als Frank Vandenbrouckes laatste wapenfeit een derde plaats was in de Boucles de l’Artois met Nico Mattan in de volgauto, dan nam Dekker afscheid met een werelduurrecordpoging. Zonder baanervaring en na vier maanden trainen en leven als een monnik strandde hij op amper 270 meter van Rohan Dennis.

Een wereldprestatie en een bewijs van zijn onwaarschijnlijk (deels vergooid) talent, maar een nieuw contract zat er niet meer in. Dekker: “Ik ben wel blij dat ik geëindigd ben als een topsporter.” Zonneveld: “Vreemd dat hij zelfs bij Roompot niet meer aan de bak kon? Misschien, maar hij heeft natuurlijk niemand gespaard. Dat was ook de voorwaarde voor dit boek: we zouden het opschrijven zoals het is gebeurd.”

De auteur van Mijn gevecht is journalist bij het Algemeen Dagblad en was zelf een tijdje prof bij een Frans B-team. Hij is een ervaringsdeskundige met een lichte maar gezonde obsessie voor het fenomeen doping. Toen Dekker hem na zijn positieve dopingplas in 2009 bezwoer dat hij maar één keer had gebruikt, antwoordde Zonneveld: “Ik geloof je niet.” Hij kreeg gelijk en nu hebben ze samen Mijn gevecht geschreven, waaruit blijkt dat Thomas Dekker op zijn 21ste graag de stap naar de duistere overkant zette, daartoe aangezet door zijn toenmalige manager Jacques Hanegraaf.

Doping, drugs en hoeren

Het boek begint met zijn eerste bezoek aan de illegale bloedbank van dokter Eufemiano Fuentes. Thomas Dekker is dan 21 en nog geen vol jaar prof. In een hotel bij de luchthaven van Madrid zit Hanegraaf in de lobby, terwijl hij bloed laat aftappen op een kamer door een Spaanse dokter die slecht Engels spreekt. Hij krijgt nummertje 24 van de arts die enkele maanden later op heterdaad betrapt en wereldberoemd zou worden.

Enkele maanden later zal hij met dat bloed Tirreno-Adriatico winnen. Een ster is geboren, Nederland gaat gouden wielertijden tegemoet en Thomas Dekker houdt vooral van zichzelf. “Ik was de vedette, maar de wereld wist het niet.”

Dekker is streng voor zichzelf en spreekt zijn gedrag nergens goed in het boek. In tegenstelling tot zijn eerste levensverhaal (Schoon genoeg, Arbeiderspers 2011), waarin hij de schijn ophoudt, doet hij op pagina 27 meteen een knieval: “Ik deed alles fout wat ik fout kon doen.” Hij excuseert zich ook voor zijn arrogante, autodestructieve gedrag. Hij bestelde hoeren, ging naar de hoeren en zat ook ooit te klooien in een badkamer die helemaal onder het bloed hing omdat hij zijn ader maar niet doorprikt kreeg.

Het boek is doorspekt van doping, van bloedtransfusies, van Dynepo (waar hij in 2009 retroactief wordt op betrapt terwijl hij voor Lotto rijdt) en van de corticosteroïden. Die laatste krijgt hij bij het Belgische Lotto van dokter Jan Mathieu, over wie Dekker zegt: “Hij spoot de cortisone in en hij verzon achteraf wel een reden waarom ik dat moest krijgen.” Zonneveld checkte die bewering voor het boek en Jan Mathieu, vandaag niet langer bij Lotto, sprak tegen dat hij attesten zomaar verzon.

Dekker: “De Belgische artsen die ik ben tegengekomen bij mijn ploegen waren hele aardige mensen, maar ik kan de zaken niet anders voorstellen dan ze zijn.”

Boetedoening

Thomas Dekker en Thijs Zonneveld beamen wel de suggestie dat hij pech heeft gehad dat hij als jong supertalent prof werd te midden van de laatste generatie epoverslaafden die nog toegang had tot tijdelijk onopspoorbaar spul als Dynepo of technieken als bloedtransfusie. Zonneveld: “De generatie na hem, de Mollema’s en Gesinks, kwam in een totaal andere omgeving terecht en dat was maar goed ook.”

Dekker: “Ik wilde de grootste gorilla zijn onder de gorilla’s en daar stond geen rem op. En wat denk je dat het met een jonge renner doet als hij in zijn eerste Tour bij Michael Boogerd op de kamer mag, waar elke dag de wekker om 6 uur afgaat omdat die een infuus moet steken om zijn hematocriet naar beneden te halen? Dit heeft de rest van mijn carrière bepaald.” Die Tour was de Tour van 2007, die waarin Rabobank zou winnen met Michael Rasmussen tot de ploegleiding Rasmussen uit koers haalde omdat hij had gelogen over zijn whereabouts. Er zou binnen de ploeg nooit meer over worden gesproken.

Thomas Dekker heeft met Mijn gevecht zijn boetedoening neergeschreven. Daar hoort collateral damage bij en de vraag is maar of die niet als een boemerang terugkomt.

Hij zal nerveus zijn als vandaag het boek in Amsterdam wordt voorgesteld, want dan zal iedereen er naar eigen behoeven uit citeren. Sommigen hebben al geanticipeerd: als we met de ex-renner en de auteur samen zitten in Lommel heeft de advocaat van Jacques Hanegraaf net gemaild. De mail eindigt met de formule ‘onder voorbehoud van rechten’, en dat is nooit een goed teken.

Hoe zal Michael Boogerd reageren zoals die als een bandeloze dopeur en hoerenloper wordt voorgesteld? En de andere generatiegenoten die soms een erg prominente bijrol vertolken? Voor wat het boek met zijn ouders doet, heeft hij nog het meest schrik. “Die hebben er nooit om gevraagd toen ze mij op mijn elfde een koersfietsje gaven. Ze rekenen het zich aan dat ze er al die jaren nooit voor mij waren, maar dat wil ik niet. Mijn ouders zijn lieve mensen en ik moet het mijzelf verwijten dat ik foute beslissingen heb genomen. Ik leer er stilaan mee leven, zoals ook met de vaststelling dat ik het nog steeds lastig heb om maat te houden.”

Thomas Dekker, mijn gevecht Geschreven door Thijs Zonneveld, uitgegeven bij Voetbal Inside. 224 pagina’s, 19,99 euro.

20161115_de-morgen_p-23

 

Verhaal over Bradley, Gary en Gent in De Morgen van 14 november 2016

Gary, Bradley, Gent: de cirkel is rond

In Gent werd hij geboren en verlaten door zijn vader, in Gent zag hij hem terug, in Gent won hij zijn enige zesdaagse en in Gent zal Bradley Wiggins deze week de laatste herinneringen aan Gary Wiggins ophalen: shirts, krantenknipsels en niet altijd even fraaie verhalen.

Dit is het mooie sprookje van het jongetje dat wielrenner werd, zoals zijn vader maar oneindig beter. Dit is ook het trieste lot van een jongetje dat wielrenner werd ondánks zijn vader, op de fiets een dopingverslaafde en geëindigd op straat als dronkaard, leeggebloed. Volgens Bradley Wiggins (36) in zijn eerste boek In Pursuit of Glory heet zijn pa Garry. Volgens alle andere bronnen is het Gary, met één r. Gary noch Garry waren er ooit voor Bradley, behalve die eerste twee jaar in Gent waardoor vader en zoon voor eeuwig zijn verbonden met hun wieler-DNA.

In het boek staat een foto van Gary en kleine Bradley die samen brood geven aan de eendjes. ‘We feed the ducks together at a pond in Ghent’, luidt het bijschrift. De ‘pond in Ghent’ is in werkelijkheid de kom van de Gentse Watersportbaan. Dicht bij onze flat, luidt het bijschrift, wat ook niet klopt.

Net na het verschijnen van zijn boek en bij de start van Team Sky, waar hij zes jaar voor zou rijden, toonde ik hem de foto. Hij was niet echt scheutig om te reageren, tot mijn bemerking.

– “Ik weet waar die foto is genomen, je bent er vaak genoeg voorbijgereden.”
Bradley: “O ja, waar dan?”
– “Om de hoek van de wielerbaan, waar jullie in 2004 hebben getraind voor de Spelen van Athene.”

Hij had tijd nodig om dat te verwerken. Daarop vroeg hij om Watersportbaan, Gent op te schrijven op een papiertje en stak het weg bij zijn telefoon. “Ooit kom ik op die plek terug. Unfinished business needs a finish. Some day.” Hij knikte en draaide zich toen om. Het is niet bekend of hij plannen heeft om die foto opnieuw te nemen.

‘Hello, I’m your father’

Dat Bradley Wiggins naar Gent terugkeert, heeft minder te maken met een tournee en een afscheid – dat er misschien niet eens komt, heeft hij laten verstaan in Londen – dan met zijn pa. ‘Terug naar Gent’ is een laat eerbetoon aan Gary Wiggins, de man die hem ongewild met het wielervirus had besmet en dan verlaten voor Miss Dortmund, met wie hij samen in Essen een café zou beginnen tot hij zelf te veel van de drankvoorraad verzette en door Miss Dortmund op de keien werd gezet.

Het zou ook de vereffening kunnen zijn van een onverwerkt trauma. Toen hem in januari 2008 de melding bereikte dat zijn vader in duistere omstandigheden in Newcastle aan de Australische oostkust was overleden, koos hij voor zijn voorbereiding op de Spelen van Sydney en vloog niet naar down-under voor de begrafenis.

In zijn boek schrijft hij: “Op weg naar de luchthaven bedacht ik mij en maakte rechtsomkeer. Ik verloor mijzelf daarna in de training voor het WK op de baan, zeven weken later.” Bradley won daar drie keer goud: de individuele en teamachtervolging en de ploegkoers samen met Mark Cavendish, met wie hij morgen ook in Gent rijdt. In Peking, later dat jaar, zou hij twee keer olympisch goud winnen en zette het daarna op een zuipen, waardoor de ploegkoers – toen nog een olympisch nummer – helemaal de mist inging.

Bradley erfde dus niet alleen het koers-DNA van zijn pa toen hij op 28 april 1980 in Gent werd geboren. Zijn vader was een Australisch zesdaagserenner annex kermiscoureur die wanhopig probeerde een bestaan op het vasteland bij elkaar te fietsen. Zijn moeder was een mooie, jonge Engelse die tijdens zijn verblijf in Londen voor die knappe, lange Australiër met zijn grote mond was gevallen. Toen twee jaar later Linda en haar zoontje bij haar ouders op bezoek gingen voor Kerstmis, terwijl Gary rondtoerde in het toen nog lucratieve en uitgebreide wielerbaancircuit, kwam een telefoontje uit Gent: “Don’t come back. Blijf maar in Londen. Ik heb een nieuw lief.”

Nog één keer zou de kleuter Bradley zijn pa zien: samen naar de London Zoo. Daarna niks. In 1997, meer dan veertien jaar later en in volle voorbereiding op de Spelen van Sydney, ging de telefoon in Londen: “Hello I’m Gary Wiggins, I’m your father.” Gevolgd door een hele parlée, en excuses, en beloftes.

Het telefoontje deed meer met Bradley dan hij wilde toegeven en een jaar later belde hij Gary zelf op, in extase na zijn wereldtitel
bij de juniores. Nog een jaar later, in januari 1999, toen Bradley met de Britse ploeg op stage was in Melbourne, bracht Gary in een pizzeria zijn drie kinderen van drie vrouwen samen: Shannon, een ongewild kind uit een tienerrelatie, Bradley, van de Engelse Linda, en Madison, zijn laatste dochter bij zijn derde vrouw Fiona die hem tijdelijk op het rechte pad hield. Madison, jawel, genoemd naar de Engelse benaming voor ploegkoers, merkte Bradley op. Er groeide zowaar wat affectie, maar toen Bradley zijn vader terugzag in november, merkte hij dat de oude demonen terug waren.

Collega’s uit die tijd weigeren Gary Wiggins te veroordelen. “Gary was een goeie kerel. Hij kwam mij en mijn broer van de luchthaven in Engeland halen en zorgde voor ons tot we zelf onze weg vonden. Ik heb mijn vrouw toen leren kennen door Gary.” In een zoektocht naar generatiegenoten van de pistier Gary Wiggins vonden we in Tasmanië een oud-collega, Tom Sawyer, via een andere oud-collega en landgenoot. Dat was de bij ons bekende Allan Peiper en die was kort van stof. “Toen ik Gary leerde kennen in Gent was ik bang van hem. A wild man. Tom kent hem beter.”

 

Sawyer leerde Gary kennen als jonge prof en zag hem veel later nog terug in St Kilda bij Melbourne en zelfs in Tasmanië, waar hij volgens Bradley in zijn boek naartoe was gevlucht na weer eens een caféruzie die slecht was afgelopen. “Gary en ik reden vaak samen en dat ging goed, tot hij merkte dat ik het begon te maken als prof. Er waren maar zoveel plaatsen op het circuit voor aussies en ik was beter. Hij had nog steeds die brandende ambitie, maar trainen was er te veel aan. Bradleys verhaaltje dat pa in zijn luiers de amfetamines verstopte voor de douanes klopt jammer genoeg.”

Zijn ex Linda herinnert zich nog de stoet would-becoureurs die op alle mogelijke uren bij hen aanklopten en aan wie hij pillen verkocht. Zijn bijnaam was inmiddels ‘Doc’. “Je zag zo dat het fout zou aflopen,” zegt Sawyer. “Er waren zesdaagsen dat hij meer in zijn
cabine bleef zitten dan op de baan reed. Ooit heeft hij mij van mijn fiets willen trekken omdat ik te hard mijn best deed, terwijl hij mijn koppelmaat was. De pot belge (een in België populaire dopingcocktail, HVDW) was zijn grote vriend, en hij begon ook steeds meer

te drinken en altijd ruzie te zoeken. Reed je met hem mee en je vergat de benzine terug te betalen, dan had je slaande ruzie. Later in Australië zijn we elkaar nog tegengekomen, maar toen was hij nog verder weggezonken. Jammer, want diep vanbinnen was hij oké.”

Andere tijdgenoten van hem hadden niet door hoe erg het met Gary was gesteld. Frank Hoste reed vaak als renner van Marc Zeepcentrale samen met hem naar de kermiskoersen. Hoste, die anders geen blad voor de mond neemt, herinnert zich alleen dat Gary veel ontzag had voor hemzelf en daarom misschien rustig bleef. “Ik was de kopman en ik stond een trapje hoger. Goeie gast, Gary, met een hoge beensnelheid vanuit het zadel, zo’n typisch Australische tred.”

‘Ik was beter, zoon’

Net nadat hijzelf was gestopt met koersen werd Patrick Lefevere Gary’s eerste sportdirecteur bij Marc Zeepcentrale. “Gary was een brave mens, vond ik. Hij deed zijn best. Marc betaalde hem om in de winter op de piste te koersen en in de zomer parttime voor hem te werken. Nadat de ploeg was gestopt, heeft hij hem nog twee jaar privé gesponsord. Van die amfetamines heb ik niks gemerkt, maar het verwondert mij niet. Een hele generatie is daar gek van geworden. Ik weet dat Marc hem betaalde met voorschotjes op zijn salaris want hij had niks. Toen hij toch een beetje had verdiend, had hij zoals veel van onze collega’s dat geld belegd bij Parisis (een bekende beleggingsbank in Gent die plots failliet ging, HVDW). Op een dag waarschuwde hij de andere renners dat het fout zou aflopen. Onbegrijpelijk dat uitgerekend hij dat wist, maar hij kreeg gelijk en gelukkig voor hem had hij zijn geld weggehaald.”

De langste periode dat vader en zoon samen met elkaar zouden doorbrengen, was in november 1999 in Gent, toen Bradley er zijn eerste zesdaagse als een prof reed, samen met de Brit Rob Hayles. Gary leek de weg onherroepelijk kwijt en Bradley geneerde zich voor zijn vader maar deed alles om hem te plezieren.

Zes dagen lang zoop Gary zich het lazarus op het middenplein in Gent en verzamelde al zijn oude vrienden en collega’s rond hem. Hij sprak een aardig mondje Nederlands en het weerzien werd rijkelijk overgoten met bier. “Gesubsidieerd door mij natuurlijk”, aldus zijn zoon die overdag zijn vader volgde door Gent op zoek naar vervlogen herinneringen.

Eddy Verbust, notoir wielerverzamelaar en oude bekende van alle baanwielrenners die ooit in een zesdaagse reden, hield hij ook staande. “Eddy, ik had één trouwe supporter, Marcel, en ik zou die willen ontmoeten”, zei Gary. “Ik weet waar die woont”, antwoordde Eddy Verbust, en samen trokken ze naar Marcel.

Verbust: “Gary woonde boven de apotheker op de hoek aan de Wondelgembrug en aan het brughuisje hebben we toen afgesproken. Gary had Bradley meegenomen en die had niets aan die ontmoeting, want die verliep in het Nederlands en Gents. Maar hij was toch mee met zijn pa. Ik denk uit respect.”

Elke avond tijdens de zesdaagse diste Gary grote verhalen op aan de toog die toen nog in het midden stond. Terwijl gaf hij af op zijn zoon die elfde en laatste zou eindigen na 35 ronden. Zoonlief moest het telkens weer aanhoren: dat hij wel had gewonnen (maar nooit in Gent), dat hij Europees kampioen ploegkoers was geworden (toen het officieuze WK), dat de vader beter was dan de zoon, kortom. De zoon knikte, zijn tijd zou nog komen.

Drie maanden later spraken ze weer af, weer in Melbourne. Gary was er nog erger aan toe en zijn derde huwelijk met Fiona was inmiddels op de klippen gelopen. Het was de laatste keer dat ze elkaar zouden zien. Drie jaar later belde hij nog eens om Bradley te feliciteren voor zijn eerste wereldtitel individuele achtervolging. Dat was de laatste keer dat ze zouden spreken. De laatste keer dat hij zijn vader hoorde, was na zijn eerste olympische titel in 2004. Hij stond op zijn antwoordapparaat. Bradley Wiggins won in Athene goud, zilver en brons en was op slag de meest succesvolle Britse sporter.

‘Mijn vader was trots’

Nog eens drieënhalf jaar later kwam de rampzalige telefoon: je vader ligt in de kliniek en is kritiek. Dat was een flink understatement. Gary was dood, in duistere omstandigheden aan zijn einde gekomen. Zijn oudere zus Glenda zoekt sinds 25 januari 2008 naar opheldering, maar de politie heeft de zaak afgesloten.

Twee mannen zouden Gary hebben toegetakeld in een appartement en daarna voor dood op straat hebben achtergelaten. Toen hij daar werd gevonden en niet overreden zoals ze hoopten, hebben ze hem nog eens in elkaar geslagen en aan de rand van het kerkhof achtergelaten. Wat erachter zat – een ordinaire dronkemans- of verslaafdenruzie of meer – dat wil Glenda weten. Ze begon een petitie op change.org. Inmiddels hebben 220 mensen die petitie getekend. Ze heeft 120.000 handtekeningen nodig om de zaak te heropenen.

Glenda is aunt Glenda in het boek van Bradley. Zij heeft na zijn dood de flat van haar broer uitgemest, zoals ze zelf beschrijft. “Het was één varkensstal, behalve het schap met daarop de ingelijste foto’s van zijn drie kinderen en daarnaast een keurig chronologisch gerangschikt stapeltje met krantenartikels: de exploten van zijn zoon.” Wat Bradley in een onbewaakt moment verleidde tot een ontboezeming: “Mijn vader was toch trots op mij. Kijk eens aan.”

 

De zoon zegt het niet met zoveel woorden, maar hij is ook trots op Gary. Dat blijkt uit zijn geschriften, zijn quotes. Trots op Gary de renner vooral. “Hij was een oneindig veel betere renner dan een vader.” Het zijn de twee, vader en renner, die hij deze week komt eren in wat ooit hun beider hometown was, the beautiful historical Ghent, zegt Sir Bradley Wiggins.

Hij komt er niet alleen om te rijden. Verzamelaar Eddy Verbust, die hem in 1999 opnieuw met zijn supporter Marcel in contact bracht, is in blijde verwachting na een telefoontje eerder dit jaar. “Of Bradley die dingen van zijn vader kon kopen? Neen, heb ik gezegd, wat ik heb gekregen kan hij gratis krijgen, maar hij moet ze zelf komen halen.” En zo zal de onnavolgbare Eddy Verbust op een vrije middag tijdens de zesdaagse in zijn huis annex museum bezoek ontvangen van de ook al onnavolgbare Bradley, die de memorabilia van zijn nog meer onnavolgbare vader komt ophalen.

Straks zullen onder meer de groene koerstrui, gesponsord door danstent Tartuff, en de artikels over de kermiskoersoverwinning van zijn pa in Eeklo tegen Lucien Van Impe een mooie plaats krijgen in zijn huis in Lancashire, misschien zelfs naast zijn eigen vijf gouden olympische medailles. En om de cirkel helemaal rond te maken, kan Bradley misschien nog eens winnen in Gent, zoals in 2003 aan de zijde van Matthew Gilmore. De traditie wil dat de Gentse Zesdaagse op de laatste dag wordt beslist. Dat is op zondag 20 november, de dag waarop Gary 64 zou zijn geworden.

Column Nice shot, B. in De Morgen van zat 12 nov 2016

Nice shot, B.

Van de week had deze krant een groot verhaal met als titel ‘Het Witte Huis verliest een zwart icoon’. De foto’s sprongen in het oog. Het waren er zes, twee daarvan hadden te maken met sport. Eén daarvan is Barack Obama ‘duikend in de Hawaïaanse golven’. Het is verder van geen tel, maar hij ziet er erg blank uit. Misschien is hij Photoshop-gewijs uitgelicht, wat heel plausibel is. De grootste foto is een plaat genomen in een limousine bij zijn tweede inauguratie in januari 2013. Ik had voor een andere gekozen om groot af te drukken. Die rechtsonder. Obama basketbalt in zijn eentje en het onderschrift daarbij luidt: “Balletje gooien.”

Ba-lle-tje-goo-ien is een beetje denigrerend voor het perfecte shot van de op dat moment 48-jarige president van de VS. Ik heb de foto van de eenzame basketballende Barack Obama in de gymzaal in de legerbasis van Fort McNair inmiddels als achtergrond op mijn MacBook.

Het Obama-shot is ‘a nice jump shot’. Zijn voeten komen netjes los van de grond, wat wijst op een goede coördinatie en oké beenspieren. Zijn lichaam is mooi recht, zijn hoofd is opgericht en hij kijkt naar de ring. Zijn release lijkt ook oké, de boog (arch) in de balbaan ziet er prima uit, alleen de follow through van zijn linkerhand/arm is een beetje ingehouden, wellicht omdat hij te dicht bij de ring staat. Het is niet bekend of de bal binnenging. Ooit speelde hij basketbal in Martha’s Vinyard en shotte daar 2 op 22. “Amechtig, te vergelijken met zijn onmacht om de zwarte werkloosheid te verminderen”, concludeerde de (zwarte) Hinterland Gazette.

Jawel, hij kon basketballen, deze president van acht jaar. Dat was al meteen duidelijk na zijn aantreden en dat heeft hij volgehouden. Na zijn aantreden werd het tenniscourt in het Witte Huis omgebouwd tot een basketbalveld. Volksvertegenwoordigers van allerlei slag waren door ESPN massaal in de gym gespot in de hoop hun spel dermate te verbeteren dat ze door de president zouden worden uitgenodigd om met of tegen hem te spelen. Occasioneel sloeg hij ook een golfballetje weg en meer dan één – handicap 13 is licht gehandicapt en niets om over naar huis te schrijven – maar basketbal was zijn ding. Dinsdag op verkiezingsdag speelde hij nog een wedstrijdje met vrienden.

Basketbal bracht hem Michelle. Zijn schoonbroer Craig Robinson was de coach van Oregon State en Michelle vroeg haar broer om haar nieuw lief te testen in een pick-upgame. “We speelden uren na elkaar. Het echte karakter komt boven als je moe bent. Barack bleef een teamspeler”, zei de schoonbroer goedkeurend. Er was zelfs anderhalf jaar lang een blog die zijn avonturen op de court bijhield, maar de laatste bijdrage op baller-in-chief.com dateert nu al van 27 november 2010, de dag dat hij moest worden genaaid en twaalf halen door zijn lip kreeg na een onopzettelijke elleboogstoot. Sindsdien is het er stil.

Barack Obama was sport, hij was de meest atletische president sinds JFK. Obama was basketbal, de zwartste van alle sporten. Hij was alvast geen baseball, de witste van alle sporten. Ooit gooide hij de eerste pitch van een wedstrijd van de Washington Nationals. Het leek nergens op en dat is bepaald verheugend. Donald Trump is een rijke Joe Sixpack, genuine baseball. Benieuwd of en hoe die dikke met zijn rare haar en zijn kleine handjes de eerste bal zal gooien.

De nederlaag van Clinton beroert inmiddels de wereldsport. Obama was pro de Olympische Spelen. Hij en Michelle zijn in oktober 2009 in het Bella Center in Kopenhagen de kandidatuur van Chicago komen verdedigen. Het was een kansloze missie en Chicago ging er toen uit in de eerste ronde: de enige verloren verkiezing waarin hij zelf mee campagne had gevoerd, tot afgelopen dinsdag.

Obama en Clinton waren ook pro de kandidatuur van Los Angeles voor de spelen van 2024. Die leek een grote kans op slagen te hebben, tot het Amerikaanse klootjesvolk voor Trump koos. Parijs staat nu weer op voorsprong. Dat is voorlopig de enige meevaller bij de humanitaire ramp Trump: Olympische Spelen op een uurtje TGV en niet op negen uur vliegen.

Verhaal over de panda in Oranje in De Morgen van 5 nov 2016

DE PANDA IN ORANJE

Twee jaar na het brons op de wereldbeker lijkt de Oranje-machine vast te lopen in het eigen grote gelijk. Typisch Hollands om meteen alles ter discussie te stellen, inclusief wijlen Johan Cruijff. Zelfs een overwinning tegen de Rode Duivels woensdag zal voorlopig geen soelaas kunnen bieden.

Het is een oude gewoonte uit de Nederlandse jaren van ondergetekende: als de VRT voorbij Breda wegvalt, Sky Radio zoeken. Die zit tegenwoordig op 101 FM. Verzekeraar Centraal Beheer, bekend van ‘Even Apeldoorn bellen’, heeft er een spot lopen. “We gaan ons kwalificeren voor het EK van 2044. Wilt u er bij zijn, denk nu al aan uw pensioenplan!”

Leuk, grappig, spits, maar wat een blasfemie voor het gidsland van het voetbal. Wat een belediging voor de natie die de wereld het moderne voetbal schonk, die aan de basis lag van FC Barcelona, het tikitaka van Spanje, zelfs de reboot van het Duitse voetbal en wat al niet meer. Alsof dat allemaal niets te betekenen heeft – resultaten behaald in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst – is Oranje ineens in dubio, stuurloos de weg kwijt.

Stellen dat er crisis heerst, is overdreven, maar na het missen van het Europees kampioenschap in Frankrijk dit jaar vat vertwijfeling misschien het best de gemoedsgesteldheid van al wie bij het bekendste Nederlandse exportproduct is betrokken. Het probleem is niet het missen van een eindtoernooi, wat in het verleden wel vaker gebeurde. In de jaren 80 werden zelfs drie eindtoernooien op een rij thuis beleefd, maar na die tocht door de woestijn won Oranje de eerste en voorlopig enige titel: Europees kampioen in 1988. Neen, heel Nederland ergerde zich vorig jaar vooral aan de schlemielige manier waarop het EK van 2016 de mist in ging.

Voetbal voor/van Cruijff

Nederland overtrof al zijn tegenstanders met balbezit, maar dwong nauwelijks een kans af. Volgens de Nederlandse krant Trouw valt een datum te prikken voor de dag waarop de Hollandse School definitief ten grave werd gedragen: 7 september 2015, Turkije- Nederland. In de wedstrijd van de allerlaatste kans had Nederland 62 procent van de tijd de bal, gaf het het dubbele van Turkije aan passes en schoot het meer op doel. De uitslag? 3-0-verlies. Oranje, de panda van het Europese voetbal, schreef De Correspondent: lusteloos, traag, opwindingsvrij, notoir lastig tot seks te krijgen en dus onproductief.

Een beetje voetbalhistorie. Aan het eind van de jaren 60 trokken ze ten noorden van de Moerdijk een ton talent open. Een wervelende generatie die het wereldvoetbal zou veranderen, brak door. De leader of the pack was ene Hendrik Johannes ‘Johan’ Cruijff, die bij Ajax Amsterdam debuteerde. Een andere grote naam was Willem van Hanegem van toen nog Feijenoord, later Feyenoord. Met hun teams wonnen ze vier Europabekers voor Landskampioenen en een UEFA Cup. Samenspelend bij Oranje werden ze tweede op de wereldbeker in 1974 en derde op het EK van 1976, toen Nederland met een op de Ajax-huisstijl geïnspireerd totaalvoetbal uitpakte.

De Hollandse School van het eind van de jaren 60 was voetbal vol branie en brutaliteit, gedurfd aanvallend, gebaseerd op positiespel. Meestal begon het bij een 4-3-3, met buitenspelers die aan de zijlijn – ‘met het krijt op de schoenen’ – acties maakten. Rinus Michels, de coach van Ajax, later Barcelona en de WK-ploeg van 1974, ging daar slim in mee. Dit was niet zijn spel, maar dat van Cruijff.

“En daar is heel Nederland en bij uitbreiding de hele wereld ingetuind”, zegt nu Aad de Mos, ex-coach van Ajax en bij ons van KV Mechelen en Anderlecht. “Cruijff wilde die buitenspelers zo veel mogelijk op de zijlijn, om zelf het centrum vrij te hebben om zijn acties te maken. Zo willen wij nog steeds voetballen, maar wie heeft dat na Cruijff nog gekund, door het centrum acties maken? Niemand, tenzij Lionel Messi misschien. Het was een systeem op maat van Cruijff, geschikt voor het trage voetbal van de jaren 70, maar niet langer voor vandaag, met die kleine ruimtes en die fysiek sterke spelers. Het Nederlandse voetbal is niet mee met zijn tijd.”

Youri Mulder, ex-international en bekend met het Duitse voetbal na tien seizoenen Schalke 04, beaamt dat Nederland uniek is inzake positiespel. Toen hij naar Duitsland verkaste, werd hem dat duidelijk. “Daar kenden ze niet die typische oefeningen van vier tegen vier met twee neutrale spelers, en de bal maar vasthouden, en rondspelen, welke richting ook. Had je de bal in Duitsland, dan ging het zo snel mogelijk naar voren en iedereen liep erachteraan.”

Van Gaal, de schizofrenie

De Mos heeft misschien een punt als hij beweert dat Nederland langs rechts is ingehaald. In de lente van 2014 nam de KNVB, de Nederlandse voetbalbond, het initiatief voor een introspectie, wat resulteerde in een boekwerk. Winnaars van morgen is ten voeten uit Nederland, het land van de rapporten: 176 pagina’s vol analyses, grafieken, meningen, drie focusgebieden (de teamspelers, de trainer- coach en de competitie), onderzoeksverantwoordingen en wat al niet meer.

Jelle Goes, technisch manager van de KNVB, nadat hij eerder in Estland en Rusland had gewerkt en kort bij PSV, schreef de inleiding. Hij besloot: “We moeten de lat voor onszelf hoger leggen. Laten we de bal vanaf nu niet meer onnodig breed spelen, maar als één team vooruit.”

Die zin kan uitgelegd worden als een subtiele verwijzing naar het grootste manco van de Hollandse voetbalschool: balbezit om het balbezit, ballen breed, ballen op de doelman, weinig doelkansen, met als gevolg de onproductieve Oranje-panda.

Mulder vindt het goed dat de KNVB nadenkt over welke richting het uit moet, want zo heeft Duitsland zijn technische revolutie na 2002 ook geïmplementeerd in het voetbal. Hij heeft wel zijn twijfels bij de haalbaarheid van een plan op macroniveau. “De KNVB is de Duitse bond niet. Volgens mij doen ze bij de Nederlandse clubjes toch wat ze willen. En eerlijk: is het nu zo slecht gesteld met het Nederlandse voetbal? We hebben tijdelijk niet die absolute klassespelers die in het verleden voor ons het verschil maakten, maar die komen heus wel terug.”

In het boek Weg met de Hollandse School komen een aantal scherpe meningen aan bod. Samengevat komen die hier op neer: ‘We kunnen niet verdedigen, we kunnen niet omschakelen, we hebben geen conditie en we hebben geen mentaliteit.’ Vreemd, want was verdedigen, omschakelen, lopen en blijven lopen, dus mentaliteit, niet hét recept waarmee Louis van Gaal op de wereldbeker in Brazilië in een nooit geziene 5-3-2 de Spaanse wereldkampioenen, ook al zo verlekkerd op balbezit, een 1-5 om de oren gaf?

Dat gebeurde in de openingswedstrijd, en Nederland ging in Brazilië maar door op zijn elan. Het gaf de bal on-Hollands graag weg, had meermaals het geluk aan zijn kant en bracht het tot een saaie halve finale, waarin Argentinië meer strafschoppen omzette na 120 minuten en 0-0. Het bevattingsvermogen van de voetbalnatie Nederland was in 2010 al op de proef gesteld in Zuid-Afrika, toen te vaak de hakbijl werd bovengehaald om het doel te bereiken, wat resulteerde in zilver na een verloren finale tegen Spanje. Maar in Brazilië was de schizofrenie pas echt compleet: in zeven wedstrijden had Oranje alleen tegen Australië meer balbezit. Nederland had zijn ziel aan de duivel verkocht.

Ballet op kunstgras

Mulder: “Hoe Louis van Gaal heeft gespeeld in Brazilië op het WK, dat kon mij ook niet bekoren. Maar Van Gael was realistisch: hij had niet de ploeg om op balbezit aan te vallen. Dus deed hij het anders.” Een jaar na dat doffe, duffe brons praatte Nederland zichzelf de grootste voetbalcrisis van de laatste vijftig jaar aan: onwezenlijk hoe de derde van het WK vierde werd in een Europese kwalificatiegroep na Tsjechië, IJsland en Turkije.

Is de Clockwork Orange of La Maquina Naranja, zoals de wereld het Nederlandse voetbal bewonderend omschreef, vastgelopen? Zo ja: waar, wanneer en hoe in godsnaam? Nederland voetballand piekert nu een eind weg en zoekt naar schuldigen.

De grootste kritiek is voor rekening van het fundament van het Nederlandse voetbal: de veelgeroemde opleiding. Die zou te eenzijdig op balbezit gericht zijn, te weinig op verdedigen, mentale weerbaarheid en fysieke conditie en te vaak de heilige graal zoeken in de Cruijff-doctrine, de 4-3-3. Heeft Nederland de laatste jaren op zijn alom bejubelde kunstgrasvelden, waarvan nu zelfs wordt beweerd dat ze kankerverwekkend zijn, balletdansertjes zonder daadkracht opgeleid in plaats van voetbalvechtmachines?

Youri Mulder gruwelt van het werkwoord opleiden. “Voetballertjes met talent laat je tot wasdom komen. Je leidt geen talent op. Je leidt toch ook geen artiesten op? Ze moeten leren winnen, staat er nu. Elk kind wil winnen als het voetbalt. Misschien moeten ze tot tien jaar gewoon niet willen winnen, maar lekker leren voetballen.”

Tijd om langs te gaan bij de praktijk. Laag Holland heet het deel van Noord-Holland boven Amsterdam tot Alkmaar. Het is het wervingsgebied van AZ, een traditieclub uit het Nederlandse voetbal, en de afkorting van Alkmaar, waar het stadion staat, en Zaanstad. Het team werd kampioen in 1981 en nog eens in 2009. In Wormerveer ligt het nieuwe trainingscomplex van AZ. De club kreeg in mei voor het tweede jaar op rij de Rinus Michels Award voor de beste jeugdopleiding van het land. En dat met een begroting van 23 miljoen of drie keer minder dan Ajax of PSV.

Hoofd jeugdopleidingen Paul Brandenburg wil niet zeggen hoeveel van de totale begroting naar de jeugdwerking gaat, maar het moet een substantieel deel zijn, ook al gezien de doelstellingen. “Wij willen tegen 2020 dat de helft van ons eerste elftal uit zelf opgeleide spelers bestaat, aangevuld met een kwart spelers met ervaring in het buitenland, zoals Ron Vlaar vandaag, en nog eens een kwart jonge jongens die we zijn gaan halen en die we optrainen. De bedoeling is om op te leiden voor de Europese top. Momenteel halen we die top niet: we leiden nog te veel op voor het B-niveau.”

AZ weet dat het op papier het beste programma van de wereld heeft, zegt Brandenburg, maar hij vult aan: “Alles staat of valt met de jeugdtrainers en de omkadering. We hebben zowel ex-profs, zoals Danny Landzaat, als jeugdtrainers met een lerarenopleiding, zoals ikzelf. Jeugd trainen is een vak apart. Deze generatie is gemakzuchtiger dan ooit. Alles wordt altijd perfect voor ze geregeld. Het komt erop aan hen voortdurend uit te dagen.”

De omkadering in Wijdewormer is exemplarisch, en door de nabijheid van Amsterdam-Noord en -West is AZ nog meer een directe concurrent voor Ajax. Het oefencomplex, waar ook de eerste ploeg onder leiding van ex-Anderlecht-trainer John van den Brom traint, is state of the art. Veel geheimen komen er niet aan te pas bij AZ, tenzij harder werken dan de rest.

Brandenburg: “Wij trainen meer dan de andere clubs. Ik ben ooit begonnen met vijf keer per week trainen met de U13. Ze verklaarden ons gek, maar het werkte. Vijf keer per week betekent niet altijd intensief met de bal. Trainen kan ook met de computer en de virtualrealitybril of videoanalyse. Onze bedoeling is onderwijs combineren met de best mogelijke voetbalopleiding, als het kan zoveel mogelijk op de club. Waarom ook niet de schoolse vorming op de club organiseren?”

Maar welk voetbal propageert AZ, dat negen spelers in de nationale selectie van de U19 heeft? Oer-Hollands 4-3-3, balbezit, de schoonheid van het spel vertaald in oneindige passing? Niets van dat alles. Brandenburg: “Verschrikkelijk, zoals de nationale ploeg speelt: balletje breed, passen om het passen. Wij willen snel en efficiënt aanvallen. Wij leiden al vier jaar niet meer op in een vaste veldbezetting. De trainer kan wel bijsturen in de wedstrijd, maar wij willen spelers die oplossingsgericht denken en alle systemen aankunnen.”

En wat de kritiek op het kunstgras betreft – het is te veel luxe, waardoor voetballen op echt gras te zwaar wordt: daarop is de reactie veeleer genuanceerd. “Wij hebben hier kunstgras liggen en gewoon gras, maar evengoed sturen wij selecties naar een slecht veldje met putten en hobbels, of naar een Cruijffcourt, waar de bal nooit buiten gaat, zelfs op de parkeerplaats hiernaast wordt getraind. Zelfstandige spelers die zich aanpassen aan de omstandigheden, aan de tegenstander en aan het veld, dat is ons ideaal. Die spelers kunnen in de beste competities terecht.”

Column Dikke Kont in De Morgen van 5 nov 2016

Dikke kont

John Bico heeft Stallone Limbombe een oorveeg gegeven. John Bico is manager-trainer-redder-in-nood van Antwerp FC en Stallone Limbombe, broer van Club-aanvaller Anthony en genoemd naar Sylvester – of wat dacht u? – is er middenvelder. Het ging om een discussie over push-ups. Stallone moest er twintig doen en riposteerde dat hij er wel zestig aankon. Doe dan maar zestig, zei Bico. Daarna is het tot een handgemeen gekomen en zou Bico hebben uitgehaald.

Lijfstraffen in de sport is een problematiek die kadert in een breder geheel: hoe ver mag een hiërarchische meerdere in de sport gaan om zijn atleet (m/v) tot daadkracht aan te zetten of discipline bij te brengen? Seks of alle afgeleiden daarvan zijn uit den boze. Rule 1 in het handboek voor coaches: never fuck your athlete. Een enkeling durft nog wel eens en ofwel trouwen trainer en atlete, ofwel volgt een klacht, ofwel – in één enkel uitzonderlijk geval – gaan ze ook weer netjes uit elkaar en winnen samen nog steeds medailles.

Fysiek geweld is ook niet meer van deze tijd. Als Bico echt een oorveeg heeft gegeven, valt het te bezien hoe de kleine Limbombe daarop reageert. Hij is redelijk onmisbaar in het Antwerp dat weer eens op koers ligt voor een titel, maar misschien is Bico dat ook. Onder Afrikanen, waar een oudere een jongere altijd aan de oren mag trekken, zou dat nog kunnen passeren.

In Nederland zou Bico gegarandeerd een klacht aan zijn broek hebben. In Nederland mag niks meer, hoorde ik van de week. Zelfs als je een voetballertje aanspreekt op zijn prestaties, is de kans levensgroot dat de ouders zich tot het bestuur wenden en over ongeoorloofde mentale druk spreken. Ook volwassen voetballers van niet-Europese origine mag je niet openlijk confronteren met hun falen want dat staat gelijk met openbare castratie.

In die streng hiërarchische relatie van my way or the highway komt verbaal geweld nog het vaakst voor. Trainers die hun atleten wijzen op hun falen, doen dat vaak op een manier die pedagogen en gelijkheidscentra de gordijnen injaagt. En jawel, daar komt soms eens schelden bij te pas en soms loopt het de spuigaten uit. In Engeland kostte verbaal geweld en daarmee gepaard gaand vermeend seksisme dit jaar de kop van een van de toptrainers van British Cycling.

Shane Sutton(foto) had Jess Varnish, een sprintster, aangepakt op haar gewicht. Verlies wat kilo’s (lose some timber), had hij gezegd, zo beweert hij zelf. Volgens haar had hij ook gezegd dat ze een te dikke kont had, te oud was en beter zou stoppen en een baby kon krijgen. Bodyshaming? Verbaal geweld? Het is hoe je het bekijkt, maar de boodschap was wel duidelijk en Jess was helemaal van slag. Klein detail: zij en haar sprintteam waren er niet in geslaagd zich te kwalificeren voor de Spelen in Rio, het enige wielerevent waar de Britten geen deelnemers hadden. Vandaar de woede van de coach.

Na haar verwijdering uit de nationale selectie diende ze haar klacht in. Sutton werd eerst tijdelijk geschorst, maar nam daarna zelf ontslag. Na zes maanden onderzoek is vorige week in alle wijsheid geoordeeld door British Cycling, dat een panel van drie vrouwen op de zaak had gezet. Wat dacht u dat de uitkomst was? Sutton heeft volgens het panel seksistische en ongepaste taal gebruikt. Nogal wat atletes – meestal de medaillewinnaars – waren opgekomen voor Sutton, maar het hielp geen zier.

Schofferen moet niet de regel worden, maar schieten we niet een beetje door als we trainers gaan verbieden volwassen atleten aan te spreken op hun vet, hun leeftijd of hun prestaties? Dat overkomt overigens meer mannen dan vrouwen, met misschien de enige discriminatie dat mannen nooit het advies krijgen om aan kinderen te beginnen.

Het kan een beetje vreemd overkomen voor wie aan de zijlijn toekijkt, maar in topsport gelden niet de omgangsregels van de gewone maatschappij of een andere werkomgeving, waar dat soort taal terecht wel wordt bestraft. Topsport is een extreem darwinistische sub- cultuur die ongelijkheid versterkt, zelfs beloont en die balanceert op een dunne grens van motiveren en afbreken. Wie denkt daar niet in te passen, moet wegblijven en wie dat wereldvreemd vindt, moet de tv afzetten en deze pagina’s niet lezen.

Column LOTTO in De Morgen van 29 okt 2016

Lotto

De Lotto-wielerploeg ligt onder vuur en dat is niet voor het eerst. Oorspronkelijk kwam alle kritiek uit dezelfde hoek. Patrick Lefevere van Etixx-QuickStep fulmineert al bijna twee decennia tegen de ongeoorloofde staatssteun in een hoogst concurrentiële markt en sinds deze week is er ook kritiek uit politieke hoek.

Vraag één: moet een overheid een wielerploeg op de been houden? Een andere vraag: moet de overheid een CEO van een wielerploeg aanstellen met het salaris van een eerste minister? Op die laatste vraag: neen. Alle begrip dat de wieler-CEO het gemiddeld rennerssalaris in zijn ploeg verdient, zoals een voetbalmanager in een voetbalclub, maar als dat hoger ligt dan het salaris van de eerste minister moet de overheid daar geen steun meer aan verlenen en vooral niet zelf op zoek gaan naar die CEO.

Hoe zit dat met die steun aan het wielrennen vanuit de publieke sector? In het WorldTour-peloton zijn de helft van de ploegen niet levensvatbaar zonder overheden of zonder mecenas. In dat peloton zijn twee nationale gokinstanties actief als hoofdsponsor: onze Nationale Loterij met het product Lotto bij Lotto-Soudal en La Française des Jeux bij de gelijknamige ploeg. De omzet van de Nationale Loterij bedraagt 1,173 miljard euro en daarvan gaat 5,5 miljoen – in realiteit een stuk meer, maar leest u verder – naar een ploeg die een budget van 15 miljoen euro heeft. La Française des Jeux heeft een omzet van 13,7 miljard euro en draagt ongeveer 7 miljoen euro bij voor een ploeg die 10 miljoen euro budget heeft. Van een scheefgetrokken verhouding gesproken.

Goededoelenpot

Een foute voorstelling van zaken is de oorsprong van het wielergeld van onze Nationale Loterij. Dat komt niet uit de pot subsidies of goede doelen, maar uit de pot marketing en daar duikt al meteen een tweede en derde probleem op. Marketing is de baronie van Marc Frederix (55) en die heeft na het aantreden van Jannie Haek als gedelegeerd bestuurder van de Nationale Loterij in 2013 een medestander gevonden. Ze zijn overigens allebei van sp.a-signatuur, misschien heeft dat geholpen.

Voor Haek was die aanstelling een doekje voor het bloeden nadat hij in de NMBS-structuren niet langer gewenst was. Maar bij de passage van het Tour-peloton door België, een zomer later, was het hem al aan te zien dat hij met volle teugen genoot van zijn nieuw speelveld. De wielerploeg werd het speeltje van Frederix én van Haek.

Het besteden van gokgeld aan sportsponsoring om zo de bevolking nog meer tot gokken aan te zetten, is natuurlijk fundamenteel fout, maar die foute business leverde de staat vorig jaar wel 115 miljoen euro op en tegelijk ging ook 205 miljoen euro naar goede doelen, waaronder topsport. Die goededoelenpot wordt netjes over de twee gemeenschappen verdeeld via het bekende Belgische wafelijzer. Snapt u nu de frustratie van de Franstalige minister? Die 5,5 miljoen euro (en meer) die naar het wielrennen gaat – naar een Vlaamse sport en een Vlaamse ploeg – ontsnappen aan haar voogdij en zelfs aan de controle van de raad van bestuur.

Dat CEO-schap lijkt op het lijf van Marc Frederix geschreven, als die voor zijn laatste actieve jaren zijn passie als wielertoerist nog eens van dichtbij wil beleven. Hij droomt al langer van een bepalende rol in dat landschap. In 2013 was hij een van de aanstokers van een demarche naar de politiek om een Belgisch Sky op poten te zetten, met het profteam aan de top van een hele piramide, te beginnen bij talententeams in beide landsdelen.

Hij stuurde daarvoor Jochim Aerts van Ridley in de wei als verkenner en bleef zelf op het achterplan. De bezoeken aan Kris Peeters en Didier Reynders – die laatste om de NMBS mee te krijgen – verliepen voorspoedig (en ik kan het weten, want ik was erbij). Behalve de powerpoint die ik vast nog ergens heb liggen, kwam er niks van in huis. Men was uit het oog verloren dat Sky een commercieel bedrijf was. De overheid in Engeland springt pas in de bres als het om olympische prestaties gaat in een armlastig speelveld dat zelf niet genoeg privémiddelen kan genereren.

Tegen het Belgisch belang

Daar moet het wielrennen niet mee afkomen en de Lotto-ploeg is helemaal een onlogische constructie. Het is een commerciële entiteit in een privéomgeving, beheerd en bestuurd door een nv van publiek recht, met een voogdijminister en de hele santenboetiek van bestuurders die toekijken of het koosjer gebeurt. Maar wat is koosjer als je weet dat de Nationale Loterij elk jaar het financiële gat van die ploeg dichtrijdt en dat het gat in 2015 door de vele overwinningen en premies 800.000 euro bedroeg, naast alle andere extra kosten om die sponsoring te valoriseren, en het U23- en vrouwenteam te laten functioneren? Wat is koosjer aan een Duitse kopman, die niks toevoegt aan het Belgisch sportbestel? Wat is koosjer als diezelfde overheidsploeg ook gewoon tegen het Belgisch belang ingaat?

Neem nu Jasper De Buyst, ooit opgeleid met overheidsgeld in de Topsportschool en de Topsport Vlaanderen-ploeg om op de wielerbaan te scoren. Hij lag op koers richting wereldtop in de omnium, tot zijn kop door Lotto-Soudal zot werd gemaakt (in zijn geval was dat een koud kunstje). Alleen bij hen zou hij die fantastische wegrenner kunnen worden die iedereen in hem zag, niet het minst hijzelf. Waarop ze hem – ook met overheidsgeld – weghaalden bij Topsport Vlaanderen met de belofte dat hij alsnog naar Rio zou mogen. De fantastische wegrenner werd in geen tijd kermiskoereur, reed in Rio een ronde of twee als een gek aan de leiding in de puntenkoers om vervolgens ongenadig naar huis te worden gefietst. Na die desastreuze dag één bleef hij op dag twee wijselijk in het olympisch dorp en werd hem een diarreetje aangepraat door de wielerbond, die óók gesponsord wordt door de Nationale Loterij.

Neen, er is niks mis met een investering van onze nationale gokinstantie in onze nationale passie wielrennen, op voorwaarde dat het blijft bij sponsoring en dat sponsoringgeld en marketinggeld elkaar niet beconcurreren. Het is niet aan welke overheid dan ook om een staatsploeg op poten te zetten, te onderhouden en te runnen.

Verhaal De Nieuwe Nys in De Morgen van 29 okt 2016

‘Op de geluksschaal sta ik nu op 9’

Vader en nieuwe man, sportief manager, wielertoerist, tv-commentator, begenadigd spreker… Ex-profrenner Sven Nys (40) is zacht geland, ver van het zwarte gat, en heeft zijn carrièreswitch niet gemist. ‘Ik eet hetzelfde, ik denk hetzelfde en ik mis niks.’

Even terugspoelen. Bericht in de krant van maandag
23 februari 2015, één dag na de sluitingscross in Oostmalle. Het Nieuwsblad titelt ‘Nys eindigt seizoen in mineur’.

‘…Sven Nys stond zaterdag niet aan de start van de A-cross in Lebbeke. Dat liet de Brabander zaterdag weten via een communiqué. Maar ook zondag in Oostmalle liep het voor geen meter. Nys kwam matig weg en gaf op…’

Dat was het jaar min één, het voorlaatste jaar van de onwaarschijnlijke carrière van misschien wel de beste en zeker populairste veldrijder in de geschiedenis van deze piepkleine, maar fijne sport. De afgang in Oostmalle was bepaald geen accident de parcours. Hij had in 2014-’15 nog wel Las Vegas gewonnen tegen Janneke en Mieke, pakte dan een overwinning in Neerpelt, een mooie in Ronse en op 11 november in Niel. De rest van het seizoen reden Janneke, Mieke en alleman hem elk weekend voorbij.

Nog even verder terugspoelen. Het is september 2014, aan het begin van datzelfde seizoen en we zitten bij hem thuis in Baal. Die zomer stond het zwart op wit in de boekskes: zijn huwelijk met Isabelle was op de klippen gelopen. Trainer en atleet begonnen zelf over die privésores, dus was een logische vervolgvraag hoe hij dat allemaal zou klaarspelen: scheiden, co-ouderschap, profrenner, huishouden…

Antwoord: “Zoals mijn sportcarrière: rationeel en overwogen. Dat heeft één reden: Thibau, onze zoon, is 12 jaar, komt in zijn puberteit en moet liefde voelen van ons beiden. Als ik in ruzie zou leven, zou ik minder presteren. Het is natuurlijk een groot huis waar ik de helft van de week, als Thibau er niet is, alleen in zit, maar ik kan van een beetje tijd voor mijzelf ook wel genieten.”

Zijn trainer Paul Van Den Bosch: “En als hij het niet meer ziet zitten, kom ik met hem onder een dekentje naar tv kijken”. En ze schaterden het allebei uit.

Dat was twee jaar geleden. Doorspoelen naar half oktober 2016. We zitten boven op de Balenberg in de cafetaria en Oostmalle 2015 komt ter sprake. Hij glimlacht. Hij zegt dat hij toen de beste tijd van zijn leven heeft gehad. Als vader dan. “De week vóór Oostmalle was het krokusvakantie. Ik heb tegen Thibau gezegd: we zijn ermee weg, vér weg. En ik heb toen – helemaal alleen uitgezocht en geboekt – gekeken waar we naartoe konden, zonder fiets: Thibau en ik zijn naar de Malediven gevlogen. Natuurlijk moest ik Lebbeke afzeggen, want ik landde die dag pas. Een week lang had ik geen fiets gezien, maar een dag later stond ik in Oostmalle aan de start uit respect voor de organisatoren.”

Hoe hij toen voor zijn zoon zorgde én voor zijn sport, was de prelude op de nieuwe multitaskende Nys. “Ik zou het mijzelf nooit vergeven als Thibau op een dag zou zeggen: pa, je hebt je carrière mooi afgesloten, maar voor mij was je er toen niet, toch jammer. We hebben dat gesprek al gehad: de band tussen ons is nog nooit zo sterk geweest.

“Op de geluksschaal sta ik nu op negen. Jazeker, ik heb krassen, maar ik heb geen spijt van de beslissingen en de wendingen in mijn leven. Sommige dingen overkomen je en dat moet je aanvaarden.”

Sven Nys is nu samen met Anneke en hij slaapt per nacht één tot twee uur minder dan toen hij nog veldrijder was. Die uren investeert hij in qualitytime met vriendin en gezin, iets wat in zijn vorig leven van slapen, eten, fietsen en tv kijken met de benen omhoog weleens ontbrak. “Nu wordt het soms middernacht, soms zelfs al eens één uur. Het kan, het moet zelfs, want we hebben het allebei druk. Dat later opblijven voel ik onmiddellijk: ik ben minder scherp, minder alert, en prikkelbaarder.”

In die laatste twee seizoenen is de nieuwe Nys op een andere manier volwassen geworden. Tot de zomer van 2014 was hij het archetype van de eendimensionale, door de wol geverfde profrenner: alles – behalve stampen op de pedalen – werd gedaan door anderen, het meeste door zijn vrouw.

En toen kwam de breuk: gaan winkelen, koken, de facturen, de boekhouder, de vuilnisbakken: het kwam allemaal bovenop het trainen en koersen. Bovendien nog eens in de jaren dat zijn troon ongenadig werd aangevallen. “Ik heb het onderschat en mijn niveau heeft er onder geleden. Nadat Isabelle was vertrokken, moest ik alles leren – zelfs de codes van de bankkaarten kende ik niet.”

Obi-Wan Kenobi

In dat allerlaatste seizoen 2015-’16 brak een nieuwe generatie door. Twee nieuwe jongens – Wout Van Aert en Mathieu van der Poel – reden iedereen naar huis. Het werd een goed laatste jaar, al bij al. Behalve dat ene superweekend in november toen hij Hasselt op zaterdag en Koksijde op zondag won, stond hij veertien keer op het podium.

De landing was zacht. De Kannibaal van Baal bleef doorleven in de gedachten van zijn vele fans die vrede hadden met zijn nieuwe rol als de Obi-Wan Kenobi van de cross, de grote, oude en wijze man. Aan het eind van het seizoen konden die – tegen betaling uiteraard – meefeesten op een dubbele afscheidsavond in het Sportpaleis. Voor sommigen (ondergetekende) een gênante vertoning, voor anderen (Nys) een perfecte afsluiter.

Agree to disagree, dat kan met Sven. “Jij vond dat erover. Misschien. Het zat wel twee keer vol. Oké, misschien is dat niet de enige norm, maar het voelde goed aan. Ik haalde herinneringen op en ik zag mensen van vroeger terug. En het heeft navolging gekregen, want Fabian Cancellara doet het op 12 november ook in het Kuipke.” Waar hij fijntjes aan toevoegt dat die zaal in Gent een stuk kleiner is.

Het Sportpaleis en Sven was Golazo, het Kuipke en Fabian is ook Golazo, en aansluitend de Gentse Zesdaagsen straks ook, de meeste crossen hebben ze in bezit en zelfs de ploeg Telenet-Fidea, met Nys als sportief manager, is sinds dit jaar van het sportmarketingbedrijf op het industriepark in Beringen.

Golazo is overal en dus zit ook Sven Nys bij het bedrijf van Bob Verbeeck, een van de weinige money makers in een andere sport dan voetbal. Samen met Verbeeck had Nys op een zotte avond het plan om de Balenberg te kopen toen de villa daar ineens te koop kwam. Een offroadwielercentrum, daar droomde Nys van. De provincie Vlaams-Brabant investeerde mee.

Vandaag is Sven Nys er bestuurder, maar niet langer mede-eigenaar. Bob Verbeeck nam alle aandelen over en verbouwde de hele zaak. Het resultaat is verbluffend: een permanent cyclocrossparcours, een permanente mountainbikeroute, technische drops voor gevorderde mountainbikers, stenen partijen voor trialrijders, en een gezellig café-restaurant bovenop een offroadmuseum waar Sven Nys een centrale rol in vertolkt. En uit dit pareltje, uit dit walhalla van zijn sport is hij gestapt?

“Financieel wel ja, maar met mijn hart zit ik er nog in. Het heet ook het Sven Nys Cycling Center. Ik voelde mij niet goed bij het financieel risico dat ik liep. Bob kan daar sowieso beter tegen en ik heb van thuis uit meegekregen dat het allemaal voorzichtig moet. Ik slaap nu beter.”

Wachten op Jack Russell

Vorige week was er nog wat te doen bij zijn team Telenet-Fidea en stond hij ter discussie. Nys zou te veel met zichzelf bezig zijn, luidde het verwijt. Hij weet hoe dat is gaan leven.

“Laat ik eerst zeggen dat zo’n losse opmerking is ingegeven door afgunst, gretig is opgepikt door de pers en dat er dan nog een draaitje aan is gegeven. Je kent dat. Op de cross in Zonhoven had ik een verplichting: ik moest naar de studio van de VRT voor de analyse van het WK op de weg dat toen aan de gang was. Ik heb het verwijt achteraf ook gehoord: Nys zou beter bij zijn ploeg zijn.”

Dat zijn ploeg uitgerekend in Zonhoven erg zwak presteerde en wedstrijd na wedstrijd er niet in slaagt om het podium te halen, stoort hem ook, maar het één heeft met het ander niks te maken. Ze gaan heus niet sneller rijden omdat hij vooraf tien minuten langer in de campers zit. Zo werkt cross niet. Hij legt uit hoe wel.

“Cross is een aparte discipline. Jij hebt het over de grote motoren die winnen. Dat klopt. Die winnen vaak, maar kleine motoren kunnen grote motoren kloppen. Het komt er dus op aan om door slim te koersen, ervoor te zorgen dat je aan het eind nog bij zo’n grote motor zit. En dan kun je winnen, door een aparte move in de laatste ronde of door met een betere techniek een bocht sneller te nemen. Tom Meeusen zou dat moeten kunnen.

“Maar in wezen is cross eerlijk. De besten winnen meestal en sorry voor onze ploeg: wij hebben momenteel niet de beste renners.”

Vanaf 1 januari komt Lars van der Haar, de Nederlandse nummer twee bijgenaamd Jack Russell, erbij. Van der Haar is een Vespaatje, maar wel een bijzonder gedreven en getalenteerd exemplaar dat het de grote motoren Van der Poel en Van Aert knap lastig kan maken als ze met hem naar de laatste ronde gaan. Daar rekent Nys op, zodat hij nu al tijd investeert in zijn aanwinst. Samen trainen, bijvoorbeeld, aandacht geven, zoals het retweeten van een tweet van Van der Haar die een echte jack russell heeft gekocht. Neen, het wordt ook voor Nys wachten tot na januari tot de ploeg compleet is en dan wordt het andere koek.

“Ik wil ze wel samen laten rijden als ploeg, dat klopt. Ik wil ook meer grip op de renners, op hoe ze trainen, hoe ze leven. Sommige jonge gasten zie ik denken: waar bemoeit die zich mee, maar prof ben je 24 uur op 24. Het stoort mij als ik iemand fouten zie maken, maar ik kaart dat op een onbewaakt moment aan. Je zult mij niet iemand zien aanpakken of vernederen. Ik zit zo niet in elkaar. Maar wie in mijn team wil rijden, zal zich wel moeten voegen. Daar hoort ook de juiste trainer en de juiste dokter bij. Momenteel kan ik dat suggereren, nog niet afdwingen, maar dat is wel de bedoeling.”

Juffrouw Maria

Voorgaande quote is de heilig verklaarde Nys ten voeten uit: met iedereen door één deur kunnen, maar ondertussen wel zeggen waar het op staat of gewoon het goede voorbeeld geven.

Een anekdote in dat verband. Louisville 2013, wereldkampioenschap. Hij en Niels Albert rijden voor Colnago, beiden zijn uitgenodigd om in een grote fietsenzaak acte de présence te geven. Een toeschouwer die dag vertelt wat hij zag: “Nys kwam binnen en zegde tegen iedereen goeiedag, maar echt tegen ie-der-een. Niels, regerend wereldkampioen nota bene, kwam binnen en verstopte zich tussen de fietsen. Je zag hem denken: wat doe ik hier, ik wil hier weg. Ondertussen begon Nys aan een lange speech. Je zag Albert echt wit wegtrekken.”

Nys weet wat er destijds gebeurde. “Ik was toen de positivo met dienst. Ik dacht: ik ga hier positieve energie uit halen en ik wist dat Niels daar tegen zijn zin was. Hij had negatieve energie. Dat heeft zich geuit in de wedstrijd en ik werd wereldkampioen.”

Die anekdote haalt hij aan in zijn motivatieconference, nóg een taak naast sportief manager Telenet-Fidea, Trek-uithangbord, Balenbergbestuurder, VRT-commentator voor 25 dagen per jaar en, niet te vergeten, nieuwe man.

Sven Nys is een begenadigd spreker geworden en daar is niks aan overdreven. U zou hem moeten horen, u zou hem moeten zien, u kunt hem ook boeken al of niet samen met zijn coach en vriend Paul Van Den Bosch. Het zal een cent kosten, maar geen 10.000 euro meer zoals toen hij nog crosste.

Hoe hij op dat podium staat, praat, beweegt, grapt, vertelt, de slides op het juiste moment laat passeren. Onlangs bij Janssen Pharmaceutica in Beerse voor een zaal van wel 200 mensen had het de eerste minuten nog een beetje een hoog Merckx-gehalte met veel euh’s. Maar na de derde slide rolden de woorden eruit, in keurig Verkavelings-vlaams, en heel to the point. Geen mens komt weg met de doodernstig uitgesproken zin: “Ik ben afgestudeerd aan de universiteit van het veldrijden.” Sven Nys wel. De zaal hing aan zijn lippen en knikte instemmend.

En dat voor een man die het als jongen in zijn broek deed als de meester of de juf hem voor een voordracht naar voren riep. Juffrouw Maria is de schuldige. “Dat was mijn juffrouw in het vierde leerjaar. Ze leeft niet meer en ik weet niet of ze ooit heeft geweten wat zij voor mij betekend heeft. Ze heeft mij wel gevolgd, heb ik gehoord. Juffrouw Maria heeft mij bewust uit mijn schulp gehaald, dat weet ik zeker. Ik was niet zo’n goeie leerling, ik wilde helemaal niet in de belangstelling staan, ik was bedeesd. Ik kon maar één ding goed: met dat fietsje rijden. Zij wist dat en zij heeft mij gevraagd om op de speelplaats voor het zicht van de hele school mijn kunsten te vertonen. Zo ben ik mij wat bewuster geworden dat ik ook iets kon. (lacht)

“Maar een schitterende leerling ben ik nooit geworden. Thibau is gelukkig beter op school dan ik. Dat heeft hij van Isabelle. Hoe goed hij is op de fiets, weten we niet. Dat is voor later. Hij amuseert zich en daar gaat het om.”

Nooit terugkijken

De grote Sven Nys met zijn zelf aangekweekt ego is ook soms bang, zoals veel mannen: bang om oud te worden. Deze zomer is hij 40 geworden en dat is niet gevierd omdat hij op een clinic zat in Aigle bij de UCI. “Ik probeer nog elke dag te sporten. Van lopen krijg ik zere benen. Ik wil nog altijd aan 14, 15 per uur lopen. Ik weet dat het niet goed is. (lacht) Ik eet hetzelfde, ik denk hetzelfde en in gedachten ben ik nog prof. Maar van de wedstrijd mis ik niks. Dat heb ik gehad. Ik sta soms langs een parcours te kijken en nooit bekruipt mij het gevoel: doeme, nu heb ik goesting om mee te rijden. Toch het bewijs dat ik er klaar mee was.

“Op de fiets rij ik nog aan de snelheden van toen: 32, 33 gemiddeld voor een trainingsritje van twee uur, dat haal ik nog. En ik heb nog altijd de vermogensmeter als beste vriend. Hoe snel rijd ik, tegen welk vermogen, welke hartslag? Lach maar, het zit er nog in. Ik haal makkelijk 190 en meer hartslag, en een helling opsprinten tegen dezelfde wattages als vroeger lukt ook nog. Er is één verschil: ik kan het geen tien keer meer na elkaar.”

Hij troost zich met de foute gedachte dat dit een gebrek aan training is. De goedbedoelde opmerking dat hij 40 is en dat er voortaan elk jaar 90 gram spieren wegteren, vervult hem met afgrijzen.

“De gedachte dat ik niet het eeuwige leven heb, houdt mij bezig. Ik vind het zelfs angstaanjagend en toch wil ik niet terug. Elk jaar dat ik heb ingevuld, is een goed jaar geweest. Ik kijk nooit terug: zoals het nu is, zou het mogen blijven, maar dat dacht ik tien jaar geleden ook.”

Verhaal De Vloek van de Geit in De Morgen van 22 okt 2016

De vloek van de geit

De Amerikanen zijn deze week in de ban van een geit die ruim zeventig jaar geleden het stadion van de Chicago Cubs niet binnen mocht. Waarop het baasje van de geit zijn favoriete team vervloekte en dat team geen prijs meer won. Dat kan of moet dit weekend veranderen.

(De Cubs wonnen zaterdagnacht Game 6 en spelen de World Series, voor het eerst sinds 1908.)

De Tweede Wereldoorlog was eindelijk afgelopen, de Duitsers verslagen en de World Series werden in een uitgelaten sfeer gespeeld. De Chicago Cubs stonden op 2-1 en William Sianis, eigenaar van de Billy Goat Tavern op Chicago’s West Side had twee tickets voor Game 4, en toen mocht hij niet naar binnen. “Je geit stinkt te veel”, luidde de uitleg. Sianis argumenteerde dat hij eerder wel naar binnen mocht met zijn favoriete huisdier, maar er hielp geen lievemoederen aan bij de onverbiddelijke suppoosten.

Murphy de geit en William ‘Billy’ de cafébaas stonden terug op straat en over wat toen precies gebeurde, zijn de historische bronnen het niet eens. De plaatselijke krant Chicago Sun nam geen nota van een vloek. Volgens de krant bond Billy zijn geit vast aan een hekken op een grasveld en ging hij alleen kijken. Volgens anderen en de overlevering die vandaag nog geldt, sprak hij toen de desastreuze woorden: “The Cubs, they ain’t gonna win no more.” Naar clubeigenaar Philip K. Wrigley (van de kauwgum) schreef hij een brief: “U zult deze World Series verliezen en u zult nooit nog de World Series winnen omdat u mijn geit hebt beledigd.”

De ware toedracht is van ondergeschikt belang. De uitkomst van dit incident daarentegen des te meer: hoewel ze met 2-1 leidden na drie uitwedstrijden bij de Detroit Tigers, verloren de Cubs drie van de vier daaropvolgende thuiswedstrijden en uiteindelijk de finale met 4-3. Daarna ging van kwaad naar erger: na 1945, het jaar van de vloek van Billy Goat, hebben de Cubs niet alleen geen World Series (de finale van de play-offs) gewonnen, maar ze hebben ze ook nooit meer gehaald. Dat kon geen toeval zijn, vond Amerika. Na the curse of the Bambino (zie verder) was er nu the curse of the Billy Goat. De vloek was bepaald ernstig te nemen: 42 voormalige spelers van de Cubs konden na hun transfer weg uit Chicago wél een World Series-ring winnen en de Cubs zelf bleven al die tijd kansloos.

Deze week spelen de Cubs weer om een plaatsje in de World Series, en het zou de eerste keer zijn sinds 1945 dat ze zo ver zouden geraken. Hoewel favoriet, want ze hebben het beste team van de wereld volgens de analisten, verloren ze al meteen het thuisvoordeel in de tweede wedstrijd. De stand na twee thuis- en drie uitwedstrijden en met twee thuiswedstrijden dit weekend op het programma (in de acht van zaterdag op zondag en zondag op maandag bij ons), is 3-2 voor de Cubs. Een mooie uitgangspositie, maar in 1945 stond het 2-1, later zelfs even 3-3, en lukte het ook niet.

De hele VS, waar baseball een nationaal tijdverdrijf is, leeft mee met de Cubs. Een curse of een jinx is een essentieel onderdeel van de sportbeleving in een land dat aan elkaar hangt van geloof en bijgeloof. De bekendste is de inmiddels opgeheven de vloek van
de Bambino. Nadat Bambino – bijnaam voor Babe Ruth, de Pélé van zijn sport – door de Boston Red Sox in 1919 werd verkocht aan de Yankees uit New York, kwamen de Sox nooit meer in aanmerking voor een titel. De Yankees daarentegen werden het meest succesvolle team in de wereld. Die vloek eindigde 85 jaar later toen de Red Sox eindelijk de World Series 2004 wonnen.

Nog meer bekend bijgeloof maar van een andere orde, is de SI- of de Madden-jinx. Met sporters die op de cover staan van Sports Illustrated of American footballspelers van het computerspel Madden van EA Sports, loopt het soms niet goed af. Dat het meestal wél goed afloopt met sporters op die covers, wil het bijgeloof niet geweten hebben.

Doem weren

In het Europees voetbal is maar één geval bekend van ernstig genomen bovennatuurlijk bijgeloof. Derby County bouwde in 1895 een nieuw stadion op een weide waar zigeuners op stonden. Die zouden hebben gereageerd met een vloek dat Derby County nooit nog de FA Cup zou winnen. De voorspelling kwam uit, maar toen de club in 1946 toch nog eens de Cup Final haalde, zocht het bestuur de zigeunerclan op. Die waren blij dat ze de vloek konden opheffen, wat ook geschiedde. Toen Derby County op Wembley de 1-1 scoorde, ontplofte de bal. Van een duidelijk signaal gesproken, zoals de eindstand: 4-1 voor Derby.

Ook met de vloek van Billy Goat is geprobeerd om die om te keren. Eén keer werd heilig water van het Vaticaan over het veld gesprenkeld. Hoewel die wijk van Chicago eerder katholiek is, hielp dat niet. Later heeft men een Grieks-orthodoxe priester dan maar een duiveluitdrijving laten uitvoeren in het stadion. Ook zonder resultaat. In 1994 werd de erfgenaam van Billy Sianis, zijn neef Sam Sianis, gevraagd om met een geit naar het baseball te komen en ostentatief over het veld te lopen in de hoop de vloek om te keren. In 2007 werd een geit van papier maché rond het veld getrokken en zelfs geschopt om aan te tonen dat de vloek nergens op berustte. Niks hielp.

Als traditieclub de Cubs, die ook nog eens in het mooiste en op een na oudste baseballstadion spelen (alleen Fenway Park van de Red Sox in Boston, gebouwd in 1912, is twee jaar ouder) de World Series halen, zijn ze kampioen van de National League en dat voor het eerst sinds 1945. In dat geval beginnen ze aan de echte finale op 25 oktober tegen de winnaars van de American League, de Cleveland Indians voor een best of seven, met vier thuiswedstrijden voor Cleveland. Het hele schouwtoneel dat de VS in de ban houdt is ten laatste afgelopen op 2 november. Net op tijd om Clinton en Trump in de arena te laten.

Column Efficiëntie-oefening in De Morgen van 23 okt 2016

Efficiëntie-oefening

Wat is de objectieve reden waarom donderdagavond Standard-Panathinaikos wel live op de VRT werd uitgezonden en niet Shakhtar Donetsk-AA Gent, dat op hetzelfde uur werd gespeeld? Als er toch moet worden gekozen tussen de twee, zijn er eigenlijk alleen
maar argumenten waarom Gent en niet Standard op de openbare zender zou moeten. Zoals: de VRT is een Vlaamse zender met Vlaams belastinggeld betaald en Gent is een Vlaamse ploeg. Ten tweede: Gent heeft bewezen dat het in Europa een aardig mondje meespreekt – tot donderdagavond, maar dat wist de VRT niet op voorhand – en krijgt/kreeg daar ook overal lof voor. Ten derde: Gent is momenteel en dat al voor het derde seizoen op rij gewoon de betere van Standard, dat weliswaar een rijkere historie heeft.

De VRT heeft daarover uitleg verschaft. Omdat de wedstrijd van Standard iets meer spankracht zou inhouden voor de eindstand in de groep, stond ergens als redenering. Dat is – met alle respect – de grootste bullshit. Zeg dan waar het echt op staat. Of het is een te dure trip, of Play Sports wil ook wel eens een affiche, of verzin nog een andere echte reden (waar ik niet kan opkomen, tenzij misschien een filmpremière een avond eerder) maar stuur de kijkers niet met een kluitje in het riet.

Na week drie in het Europees voetbal, dus halfweg de groepsfase is een eerste tussenstand op te maken. Zowel Anderlecht, Genk, Standard als Gent maken nog een kans om de lente van de knock-outwedstrijden te halen, weze het dan in de Europa League, het achterkomertje van de Europese voetbalfamilie. Op het grote podium van de Champions League lijkt Club Brugge kansloos om de tweede ronde te halen en dat is wellicht het beste wat Club kan overkomen.

Het slaat nergens op hoe al die clubs eind augustus na de loting in Monaco hoog van de toren blazen: we willen overwinteren in Europa. Hoezo, zitten ze dan ineens in met het Europees coëfficiënt van de Belgische ploegen? Zo denken clubs niet.

Is het om het ego? Ja. Het extra geld? Ook ja. Maar goed, stel dat je twee ronden verder komt, dan verdien je 550.000 euro extra in die Europa League. Nooit te versmaden, maar wat koop je ervoor? Niks. Integendeel: je krijgt vier zware wedstrijden extra voor de kiezen, met als het wat tegenzit daar twee slopende trips aan verbonden. Gent had vorig jaar maar twee extra wedstrijden tegen Wolfsburg en daarvoor kreeg het 5,5 miljoen euro extra. Dat is al andere koek, maar zelfs hier wegen de baten soms niet op tegen de kosten. De kosten waren dat Gent gesloopt en ontregeld (Wolfsburg toonde hoe het moest) uit die dubbele confrontatie kwam, dat Brecht Dejaeghere nadien zijn kruisband afscheurde, dat de ploeg niet meer vooruit te branden was en dat de beste spelers werden weggekocht.

Nog erger overkwam Club Brugge twee seizoenen geleden. Die haalden zelfs de kwartfinales in de Europa League – wat slechts 1 miljoen extra opleverde – maar kregen daarvoor zes midweekwedstrijden extra op hun bord. Ze begonnen als uitgeperste citroenen aan de play-offs. Gent had geen last van Europa en was zo fris als een hoentje in de titelstrijd. Vorig seizoen was het andersom: Club was klaar in Europa in december en voetbalde zich fris naar een titel.

Club Brugge beseft het misschien nog niet, maar onder de Belgische teams zijn zij voorlopig de grote winnaar in Europa. Ze zullen geen 5,5 miljoen extra verdienen zoals Gent, maar als ze begin december ook nog eens het geluk hebben van geen derde, maar vierde te eindigen in hun groep, waardoor die ellende van de Europa League aan hen voorbijgaat, hebben ze een makkelijke 15 miljoen euro verdiend.

Een masterplan zal het wel niet zijn, maar ongewild is Club Brugge bezig aan een prima efficiëntie-oefening: met minimale inspanning geld oprapen in Europa en maximaal uitgerust aan 2017 beginnen, in de hoop van in mei weer op dat kampioenenpodium te staan en weer 15 miljoen of nog meer in de pocket te hebben. Europa is voor het snelle geld en dat verdien je niet door te presteren in Europa, maar in België.

 

20161022_de-morgen_p-21-web