Verhaal De Nieuwe Nys in De Morgen van 29 okt 2016

‘Op de geluksschaal sta ik nu op 9’

Vader en nieuwe man, sportief manager, wielertoerist, tv-commentator, begenadigd spreker… Ex-profrenner Sven Nys (40) is zacht geland, ver van het zwarte gat, en heeft zijn carrièreswitch niet gemist. ‘Ik eet hetzelfde, ik denk hetzelfde en ik mis niks.’

Even terugspoelen. Bericht in de krant van maandag
23 februari 2015, één dag na de sluitingscross in Oostmalle. Het Nieuwsblad titelt ‘Nys eindigt seizoen in mineur’.

‘…Sven Nys stond zaterdag niet aan de start van de A-cross in Lebbeke. Dat liet de Brabander zaterdag weten via een communiqué. Maar ook zondag in Oostmalle liep het voor geen meter. Nys kwam matig weg en gaf op…’

Dat was het jaar min één, het voorlaatste jaar van de onwaarschijnlijke carrière van misschien wel de beste en zeker populairste veldrijder in de geschiedenis van deze piepkleine, maar fijne sport. De afgang in Oostmalle was bepaald geen accident de parcours. Hij had in 2014-’15 nog wel Las Vegas gewonnen tegen Janneke en Mieke, pakte dan een overwinning in Neerpelt, een mooie in Ronse en op 11 november in Niel. De rest van het seizoen reden Janneke, Mieke en alleman hem elk weekend voorbij.

Nog even verder terugspoelen. Het is september 2014, aan het begin van datzelfde seizoen en we zitten bij hem thuis in Baal. Die zomer stond het zwart op wit in de boekskes: zijn huwelijk met Isabelle was op de klippen gelopen. Trainer en atleet begonnen zelf over die privésores, dus was een logische vervolgvraag hoe hij dat allemaal zou klaarspelen: scheiden, co-ouderschap, profrenner, huishouden…

Antwoord: “Zoals mijn sportcarrière: rationeel en overwogen. Dat heeft één reden: Thibau, onze zoon, is 12 jaar, komt in zijn puberteit en moet liefde voelen van ons beiden. Als ik in ruzie zou leven, zou ik minder presteren. Het is natuurlijk een groot huis waar ik de helft van de week, als Thibau er niet is, alleen in zit, maar ik kan van een beetje tijd voor mijzelf ook wel genieten.”

Zijn trainer Paul Van Den Bosch: “En als hij het niet meer ziet zitten, kom ik met hem onder een dekentje naar tv kijken”. En ze schaterden het allebei uit.

Dat was twee jaar geleden. Doorspoelen naar half oktober 2016. We zitten boven op de Balenberg in de cafetaria en Oostmalle 2015 komt ter sprake. Hij glimlacht. Hij zegt dat hij toen de beste tijd van zijn leven heeft gehad. Als vader dan. “De week vóór Oostmalle was het krokusvakantie. Ik heb tegen Thibau gezegd: we zijn ermee weg, vér weg. En ik heb toen – helemaal alleen uitgezocht en geboekt – gekeken waar we naartoe konden, zonder fiets: Thibau en ik zijn naar de Malediven gevlogen. Natuurlijk moest ik Lebbeke afzeggen, want ik landde die dag pas. Een week lang had ik geen fiets gezien, maar een dag later stond ik in Oostmalle aan de start uit respect voor de organisatoren.”

Hoe hij toen voor zijn zoon zorgde én voor zijn sport, was de prelude op de nieuwe multitaskende Nys. “Ik zou het mijzelf nooit vergeven als Thibau op een dag zou zeggen: pa, je hebt je carrière mooi afgesloten, maar voor mij was je er toen niet, toch jammer. We hebben dat gesprek al gehad: de band tussen ons is nog nooit zo sterk geweest.

“Op de geluksschaal sta ik nu op negen. Jazeker, ik heb krassen, maar ik heb geen spijt van de beslissingen en de wendingen in mijn leven. Sommige dingen overkomen je en dat moet je aanvaarden.”

Sven Nys is nu samen met Anneke en hij slaapt per nacht één tot twee uur minder dan toen hij nog veldrijder was. Die uren investeert hij in qualitytime met vriendin en gezin, iets wat in zijn vorig leven van slapen, eten, fietsen en tv kijken met de benen omhoog weleens ontbrak. “Nu wordt het soms middernacht, soms zelfs al eens één uur. Het kan, het moet zelfs, want we hebben het allebei druk. Dat later opblijven voel ik onmiddellijk: ik ben minder scherp, minder alert, en prikkelbaarder.”

In die laatste twee seizoenen is de nieuwe Nys op een andere manier volwassen geworden. Tot de zomer van 2014 was hij het archetype van de eendimensionale, door de wol geverfde profrenner: alles – behalve stampen op de pedalen – werd gedaan door anderen, het meeste door zijn vrouw.

En toen kwam de breuk: gaan winkelen, koken, de facturen, de boekhouder, de vuilnisbakken: het kwam allemaal bovenop het trainen en koersen. Bovendien nog eens in de jaren dat zijn troon ongenadig werd aangevallen. “Ik heb het onderschat en mijn niveau heeft er onder geleden. Nadat Isabelle was vertrokken, moest ik alles leren – zelfs de codes van de bankkaarten kende ik niet.”

Obi-Wan Kenobi

In dat allerlaatste seizoen 2015-’16 brak een nieuwe generatie door. Twee nieuwe jongens – Wout Van Aert en Mathieu van der Poel – reden iedereen naar huis. Het werd een goed laatste jaar, al bij al. Behalve dat ene superweekend in november toen hij Hasselt op zaterdag en Koksijde op zondag won, stond hij veertien keer op het podium.

De landing was zacht. De Kannibaal van Baal bleef doorleven in de gedachten van zijn vele fans die vrede hadden met zijn nieuwe rol als de Obi-Wan Kenobi van de cross, de grote, oude en wijze man. Aan het eind van het seizoen konden die – tegen betaling uiteraard – meefeesten op een dubbele afscheidsavond in het Sportpaleis. Voor sommigen (ondergetekende) een gênante vertoning, voor anderen (Nys) een perfecte afsluiter.

Agree to disagree, dat kan met Sven. “Jij vond dat erover. Misschien. Het zat wel twee keer vol. Oké, misschien is dat niet de enige norm, maar het voelde goed aan. Ik haalde herinneringen op en ik zag mensen van vroeger terug. En het heeft navolging gekregen, want Fabian Cancellara doet het op 12 november ook in het Kuipke.” Waar hij fijntjes aan toevoegt dat die zaal in Gent een stuk kleiner is.

Het Sportpaleis en Sven was Golazo, het Kuipke en Fabian is ook Golazo, en aansluitend de Gentse Zesdaagsen straks ook, de meeste crossen hebben ze in bezit en zelfs de ploeg Telenet-Fidea, met Nys als sportief manager, is sinds dit jaar van het sportmarketingbedrijf op het industriepark in Beringen.

Golazo is overal en dus zit ook Sven Nys bij het bedrijf van Bob Verbeeck, een van de weinige money makers in een andere sport dan voetbal. Samen met Verbeeck had Nys op een zotte avond het plan om de Balenberg te kopen toen de villa daar ineens te koop kwam. Een offroadwielercentrum, daar droomde Nys van. De provincie Vlaams-Brabant investeerde mee.

Vandaag is Sven Nys er bestuurder, maar niet langer mede-eigenaar. Bob Verbeeck nam alle aandelen over en verbouwde de hele zaak. Het resultaat is verbluffend: een permanent cyclocrossparcours, een permanente mountainbikeroute, technische drops voor gevorderde mountainbikers, stenen partijen voor trialrijders, en een gezellig café-restaurant bovenop een offroadmuseum waar Sven Nys een centrale rol in vertolkt. En uit dit pareltje, uit dit walhalla van zijn sport is hij gestapt?

“Financieel wel ja, maar met mijn hart zit ik er nog in. Het heet ook het Sven Nys Cycling Center. Ik voelde mij niet goed bij het financieel risico dat ik liep. Bob kan daar sowieso beter tegen en ik heb van thuis uit meegekregen dat het allemaal voorzichtig moet. Ik slaap nu beter.”

Wachten op Jack Russell

Vorige week was er nog wat te doen bij zijn team Telenet-Fidea en stond hij ter discussie. Nys zou te veel met zichzelf bezig zijn, luidde het verwijt. Hij weet hoe dat is gaan leven.

“Laat ik eerst zeggen dat zo’n losse opmerking is ingegeven door afgunst, gretig is opgepikt door de pers en dat er dan nog een draaitje aan is gegeven. Je kent dat. Op de cross in Zonhoven had ik een verplichting: ik moest naar de studio van de VRT voor de analyse van het WK op de weg dat toen aan de gang was. Ik heb het verwijt achteraf ook gehoord: Nys zou beter bij zijn ploeg zijn.”

Dat zijn ploeg uitgerekend in Zonhoven erg zwak presteerde en wedstrijd na wedstrijd er niet in slaagt om het podium te halen, stoort hem ook, maar het één heeft met het ander niks te maken. Ze gaan heus niet sneller rijden omdat hij vooraf tien minuten langer in de campers zit. Zo werkt cross niet. Hij legt uit hoe wel.

“Cross is een aparte discipline. Jij hebt het over de grote motoren die winnen. Dat klopt. Die winnen vaak, maar kleine motoren kunnen grote motoren kloppen. Het komt er dus op aan om door slim te koersen, ervoor te zorgen dat je aan het eind nog bij zo’n grote motor zit. En dan kun je winnen, door een aparte move in de laatste ronde of door met een betere techniek een bocht sneller te nemen. Tom Meeusen zou dat moeten kunnen.

“Maar in wezen is cross eerlijk. De besten winnen meestal en sorry voor onze ploeg: wij hebben momenteel niet de beste renners.”

Vanaf 1 januari komt Lars van der Haar, de Nederlandse nummer twee bijgenaamd Jack Russell, erbij. Van der Haar is een Vespaatje, maar wel een bijzonder gedreven en getalenteerd exemplaar dat het de grote motoren Van der Poel en Van Aert knap lastig kan maken als ze met hem naar de laatste ronde gaan. Daar rekent Nys op, zodat hij nu al tijd investeert in zijn aanwinst. Samen trainen, bijvoorbeeld, aandacht geven, zoals het retweeten van een tweet van Van der Haar die een echte jack russell heeft gekocht. Neen, het wordt ook voor Nys wachten tot na januari tot de ploeg compleet is en dan wordt het andere koek.

“Ik wil ze wel samen laten rijden als ploeg, dat klopt. Ik wil ook meer grip op de renners, op hoe ze trainen, hoe ze leven. Sommige jonge gasten zie ik denken: waar bemoeit die zich mee, maar prof ben je 24 uur op 24. Het stoort mij als ik iemand fouten zie maken, maar ik kaart dat op een onbewaakt moment aan. Je zult mij niet iemand zien aanpakken of vernederen. Ik zit zo niet in elkaar. Maar wie in mijn team wil rijden, zal zich wel moeten voegen. Daar hoort ook de juiste trainer en de juiste dokter bij. Momenteel kan ik dat suggereren, nog niet afdwingen, maar dat is wel de bedoeling.”

Juffrouw Maria

Voorgaande quote is de heilig verklaarde Nys ten voeten uit: met iedereen door één deur kunnen, maar ondertussen wel zeggen waar het op staat of gewoon het goede voorbeeld geven.

Een anekdote in dat verband. Louisville 2013, wereldkampioenschap. Hij en Niels Albert rijden voor Colnago, beiden zijn uitgenodigd om in een grote fietsenzaak acte de présence te geven. Een toeschouwer die dag vertelt wat hij zag: “Nys kwam binnen en zegde tegen iedereen goeiedag, maar echt tegen ie-der-een. Niels, regerend wereldkampioen nota bene, kwam binnen en verstopte zich tussen de fietsen. Je zag hem denken: wat doe ik hier, ik wil hier weg. Ondertussen begon Nys aan een lange speech. Je zag Albert echt wit wegtrekken.”

Nys weet wat er destijds gebeurde. “Ik was toen de positivo met dienst. Ik dacht: ik ga hier positieve energie uit halen en ik wist dat Niels daar tegen zijn zin was. Hij had negatieve energie. Dat heeft zich geuit in de wedstrijd en ik werd wereldkampioen.”

Die anekdote haalt hij aan in zijn motivatieconference, nóg een taak naast sportief manager Telenet-Fidea, Trek-uithangbord, Balenbergbestuurder, VRT-commentator voor 25 dagen per jaar en, niet te vergeten, nieuwe man.

Sven Nys is een begenadigd spreker geworden en daar is niks aan overdreven. U zou hem moeten horen, u zou hem moeten zien, u kunt hem ook boeken al of niet samen met zijn coach en vriend Paul Van Den Bosch. Het zal een cent kosten, maar geen 10.000 euro meer zoals toen hij nog crosste.

Hoe hij op dat podium staat, praat, beweegt, grapt, vertelt, de slides op het juiste moment laat passeren. Onlangs bij Janssen Pharmaceutica in Beerse voor een zaal van wel 200 mensen had het de eerste minuten nog een beetje een hoog Merckx-gehalte met veel euh’s. Maar na de derde slide rolden de woorden eruit, in keurig Verkavelings-vlaams, en heel to the point. Geen mens komt weg met de doodernstig uitgesproken zin: “Ik ben afgestudeerd aan de universiteit van het veldrijden.” Sven Nys wel. De zaal hing aan zijn lippen en knikte instemmend.

En dat voor een man die het als jongen in zijn broek deed als de meester of de juf hem voor een voordracht naar voren riep. Juffrouw Maria is de schuldige. “Dat was mijn juffrouw in het vierde leerjaar. Ze leeft niet meer en ik weet niet of ze ooit heeft geweten wat zij voor mij betekend heeft. Ze heeft mij wel gevolgd, heb ik gehoord. Juffrouw Maria heeft mij bewust uit mijn schulp gehaald, dat weet ik zeker. Ik was niet zo’n goeie leerling, ik wilde helemaal niet in de belangstelling staan, ik was bedeesd. Ik kon maar één ding goed: met dat fietsje rijden. Zij wist dat en zij heeft mij gevraagd om op de speelplaats voor het zicht van de hele school mijn kunsten te vertonen. Zo ben ik mij wat bewuster geworden dat ik ook iets kon. (lacht)

“Maar een schitterende leerling ben ik nooit geworden. Thibau is gelukkig beter op school dan ik. Dat heeft hij van Isabelle. Hoe goed hij is op de fiets, weten we niet. Dat is voor later. Hij amuseert zich en daar gaat het om.”

Nooit terugkijken

De grote Sven Nys met zijn zelf aangekweekt ego is ook soms bang, zoals veel mannen: bang om oud te worden. Deze zomer is hij 40 geworden en dat is niet gevierd omdat hij op een clinic zat in Aigle bij de UCI. “Ik probeer nog elke dag te sporten. Van lopen krijg ik zere benen. Ik wil nog altijd aan 14, 15 per uur lopen. Ik weet dat het niet goed is. (lacht) Ik eet hetzelfde, ik denk hetzelfde en in gedachten ben ik nog prof. Maar van de wedstrijd mis ik niks. Dat heb ik gehad. Ik sta soms langs een parcours te kijken en nooit bekruipt mij het gevoel: doeme, nu heb ik goesting om mee te rijden. Toch het bewijs dat ik er klaar mee was.

“Op de fiets rij ik nog aan de snelheden van toen: 32, 33 gemiddeld voor een trainingsritje van twee uur, dat haal ik nog. En ik heb nog altijd de vermogensmeter als beste vriend. Hoe snel rijd ik, tegen welk vermogen, welke hartslag? Lach maar, het zit er nog in. Ik haal makkelijk 190 en meer hartslag, en een helling opsprinten tegen dezelfde wattages als vroeger lukt ook nog. Er is één verschil: ik kan het geen tien keer meer na elkaar.”

Hij troost zich met de foute gedachte dat dit een gebrek aan training is. De goedbedoelde opmerking dat hij 40 is en dat er voortaan elk jaar 90 gram spieren wegteren, vervult hem met afgrijzen.

“De gedachte dat ik niet het eeuwige leven heb, houdt mij bezig. Ik vind het zelfs angstaanjagend en toch wil ik niet terug. Elk jaar dat ik heb ingevuld, is een goed jaar geweest. Ik kijk nooit terug: zoals het nu is, zou het mogen blijven, maar dat dacht ik tien jaar geleden ook.”