Column Overbevraging in De Morgen van 15 okt 2016

Overbevraging

Je kunt de internationale wielerbond verwijten dat ze naar Qatar zijn gegaan met hun WK, maar als eerste buitensport ooit jonge mensen door de woestijn sturen op het heetst van de dag, is anders best wel grensverleggend, weze het dan in debiliteit. Innoverend hoe er ook een wetenschappelijk experiment aan werd gekoppeld: renners werden gevraagd om pillen te slikken met daarin thermometertjes die de kerntemperatuur van het lichaam zouden doorsturen.

Moeten we te doen hebben met die arme wielrenners? Ja, omdat ze voor een voldongen feit zijn gesteld. De coureurs zitten in Qatar omdat die bond van hen absoluut een keertje naar de VS wilde met het WK. Hoezo dan Qatar? Welnu, er waren gerede twijfels of Richmond 2015 het zaakje financieel rond zou krijgen en in geval van een teruggave van dat WK, hadden ze bij de UCI een organisator nodig die meteen kon inspringen. Van alle kandidaten die zich toen hadden gemeld, had alleen Qatar dat moeiteloos geflikt en die kregen dus de editie 2016 met de uitdrukkelijke toezegging dat ze eventueel al in 2015 in de dans zouden springen.

Overigens hebben de Amerikanen de financiering van dat WK in Richmond nooit rond gekregen: ze hadden 17 miljoen dollar ingestoken en kwamen er eerst vijf en uiteindelijk nog twee te kort. Ten slotte heeft de UCI bij monde van voorzitter Cookson met de Amerikanen een deal gesloten waarbij hij nog één achterstallig miljoen van de twee kreeg, op voorwaarde dat hij de claim op dat laatste miljoen zou laten vallen. Daarom heeft Cookson na zijn aantreden in 2013 nooit meer een poot uitgestoken naar die waanzin van fietsen in een hete woestijn in Qatar. Hij had de Arabieren nodig als back-up voor 2015 en kon het bijgevolg niet maken hen te dumpen voor 2016. Dat zou Cookson zijn herverkiezing kunnen kosten in 2017.

Nathan Van Hooydonck werd van de week geïnterviewd. Hij verbaasde zich erover dat de organisatie hem was komen vragen of hij liever de afstand wat ingekort zag. Hij was verontwaardigd: moeten ze dat nu aan ons komen vragen? Naar aloude Vlaamse traditie heeft hij zijn mond gehouden. Kun je hem dat verwijten, als je weet dat hij van de week 21 is geworden?

Natuurlijk zouden ze dat aan de renners moeten vragen. En vooral aan de renners, aan hun vakbond en misschien ook af en toe aan de ploegeigenaars. En naar hun wensen zou het circus zich moeten plooien. In elk geval moeten ze het niet aan Eddy Merckx vragen want, wat die tegenwoordig allemaal uitkraamt in het belang van zijn bankrekening, hoogst gênant.

Wielrennen is geen tafeltennis, waar het grootste gevaar bestaat in die ene kans op één miljoen dat je een balletje in je oog krijgt. Wielrennen is een hoogst gevaarlijke sport en het wordt tijd dat renners hun zeg krijgen in het hoe, wat, waar en wanneer van hun sport. Die inspraak hebben ze nooit gekregen en – eigen schuld, dikke bult – die hebben ze nooit gevraagd of geëist.

Nu is het weer de warmte, dan weer de kou. De volgende keer de zwaarte van een etappe of de steilte van een klim. Overbevraging van de sporter loopt als een rode draad door het wielrennen. Dit is een sport die is begonnen met zesdaagsen voor één man; wie het minste sliep, won. Vervolgens werd de Tour de France uitgevonden. Alle Pyreneeën-ritten van de voorbije editie reden ze toen in één etappe, over moddercols. Les forçats de la route schreef Albert Londres in 1924, de dwangarbeiders van de weg.

Er is in honderd jaar weinig veranderd. Doorheen de geschiedenis vind je legio voorbeelden van gevaarlijke etappes of loodzware wedstrijden, in helse omstandigheden gereden. De renners die zich daartegen hebben verzet, kun je op één hand tellen. Bernard Hinault en zijn hetze tegen de Koppenberg is de bekendste, maar verder hebben ze alles lijdzaam ondergaan, in zoverre dat ze zoals Jacques Anquetil zelfs hun dopinggebruik ermee vergoelijkten.

Je zou bij wijze van hyperbool kunnen eindigen met de frase ‘er zullen doden moeten vallen, voor er iets verandert’. Dit is het drama van het wielrennen: er zijn doden gevallen en er zullen er nog vallen, en niks verandert.

20161015_de-morgen_p-18-19-2-mail

Woestijn, Warm, Wind, Waaier in De Morgen van 15 okt

Waaier Wind Warm Woestijn

 

Niks, nada, nothing (in het Arabisch) . Dat viel er te beleven in Qatar na zes dagen WK wielrennen, op de gelukte reanimaties van oververhitte renners na. Bij de profs berust alle hoop op een ongetwijfeld warme maar toch vooral stevige woestijnwind.

Wielrennen is de helft hard trappen en de helft uit de wind blijven.

Een wielerwaarheid als een koe die in Doha en wijde omstreken door de hoofden zal spelen van al wie denkt een kans te maken op de wereldtitel. Zoals de Belgen die samen met de Nederlanders hopen op een stevige wind om het mondiale en multiraciale WK-peloton uit te dunnen tot een West-Europese elite.

Laaglanders hebben aan één blik genoeg en op een ideaal stuk zullen ze dan hele of halve baan gaan rijden. De Engelsen zullen echelon roepen en de Fransen éventail. De Italianen bordure maar ze vergissen zich want dat is de vertaling van ‘op de kant trekken’ of ‘in the gutter’ (het gootje). Het resultaat blijft hetzelfde: blinde paniek. Ook de rest van de wereld zal weten wat hen dan te doen staat: aanklampen en hopen dat ze het geluk hebben mee te mogen schuiven in de eerste waaier.

“Een lang stuk, wind schuin vanachter, geen hindernissen als huizen of publiek, enkele sterke mannen die tien minisprintjes rijden en het peloton scheurt gegarandeerd in verschillende waaiers.” Aldus ex-prof Frank Hoste, Radio 1-cocommentator tijdens de Tour en koersdirecteur van Gent-Wevelgem, de windkoers bij uitstek in onze contreien. Hoste kent alle geheimen van die buitengewoon spectaculaire koersontwikkeling.

Ook goed op de hoogte is José De Cauwer, zijn collega-commentator van Sporza, en zelf ooit als renner in dienst van Nederlandse ploegen. “Waaiers zijn van oorsprong een Hollands fenomeen. In de Zeeuwse koersen op die lange, rechte wegen zonder hindernissen was het altijd van dat. De Nederlanders warmden zich op, kwamen naar de start, hielden zich vast aan de nadar, het startschot ging en meteen reden ze in een waaier het dorp uit. Vervolgens werd gekoerst tot viervijfde eraf lag en zo ging het naar de meet.”

Derde plek, beste plek

Eerst wat lagere-schoolfysica. Een renner moet drie weerstanden overwinnen: de rolweerstand van de weg, de helling en de luchtweerstand. Een renner fietst dus altijd een beetje tegen de wind/lucht, ook al blaast de wind in de rug. Hellingen zijn er niet in Doha en aangrenzende woestijn, het asfalt ligt er lekker glad bij: de lucht is bijgevolg de voornaamste tegenstander. En hoewel warme lucht minder zwaar is dan koude lucht, blijft het lucht die weerstand biedt. Renners rijden in elkaars spoor om uit de wind te rijden,
of met verminderde luchtweerstand. Zelfs ook als de wind in de rug waait, heb je profijt om in het zog van een ander te rijden. In het Engels heet dat drafting.

Drafting is pas echt voordelig vanaf 20 kilometer per uur, maar hoe groter de weerstand van de oppervlakte, hoe minder de winst. Voor mountainbikers die met 20 per uur op keien en zand klimmen, is die winst minder groot dan bij wegrenners.

Wat gebeurt precies bij het draften? Fysicus Charles Dauwe (zie de site fietsica.be) legt uit. “Pal achter de eerste renner ontstaat een zone met verlaagde luchtdruk. De tweede renner moet dicht op het wiel in de zone rijden om meegezogen te worden. De winst die hij haalt uit het draften, verschilt volgens de snelheid en of de eerste renner handen boven op of onder in het stuur heeft, maar telkens is dat voordeel aanzienlijk.”

De meeste studies wijzen uit dat je een kwart en in ideale omstandigheden tot soms een derde minder vermogen moet leveren als je niet op kop rijdt. Erwin Koninckx, als wetenschapper in dienst bij de Belgische en Vlaamse wielerbond, deed destijds onderzoek naar het fenomeen in een windtunnel. “Als twee renners samen rijden, heeft de tweede het meeste voordeel. Ook bij drie renners heeft de tweede het meeste voordeel. Bij vier renners is de derde plek de meest voordelige en bij nog meer renners blijft dat plaats drie.”

Vreemd genoeg heeft ook de renner op kop baat bij één renner of meerdere renners die in zijn wiel zitten, zo vond Koninckx. “Normaal ontstaat achter de eerste renner een ruimte van lagedruk die hem achteruittrekt, maar niet als die ruimte wordt opgevuld door een andere renner. De winst op kop is beduidend minder dan die in het wiel, maar hoe sneller ze rijden, hoe groter de winst.” Moraal van het verhaal: renners die elkaar begrijpen, rijden samen sneller dan dat ze alleen zouden rijden, zelfs al rijdt er maar één op kop. En ook om te onthouden: hoeveel er ook rijden in je peloton, de derde plaats is altijd de meest voordelige.

De (dubbele) waaier

Een groepje renners dat toevallig getrapt achter elkaar rijdt en waarbij de ene na de andere kop trekt omdat de wind schuin op kop blaast, wordt ook soms een waaier genoemd. Specialisten zijn het daar niet mee eens. Een pelotonnetje dat zich zoals trekvogels in waaiervorm een weg baant door de wind en geregeld iemand anders op kop zet – zie de ploegentijdrit – is nog geen waaier. De echte waaier is een dubbele waaier.

Frank Hoste legt uit: “Die bestaat uit een groepje van een aantal renners – in het begin meer en later minder – dat probeert weg te rijden uit een groot peloton, gebruikmakend van de wind, en met hele snelle aflossingen een hoge snelheid aanhoudt waardoor een dubbele rij renners ontstaat. De ene rij rijdt naar de kop, de andere komt van kop af. Het is een smalle ellips die zich ronddraaiend vooruitbeweegt.”

Wat zijn de noodzakelijke ingrediënten voor een mooie waaier met kans op overleven? Sterke mannen met goesting om te koersen, en wind. Maar welke wind? Laten we meteen hét vooroordeel van de wielertoerist, bevestigd door allerlei websites, uit de wereld helpen.

Het peloton is niet bang van wind, om te beginnen als die pal in de rug blaast. Vreemd genoeg is het peloton ook niet echt bang van wind op kop, ook niet als die schuin op kop staat. Dan zetten ze wel een paar mannetjes op kop en verstoppen zich netjes achter een brede rug. Wie dan mag schuilen, rust uit.

Zijwind is al een ander verhaal, maar het rode waaieralarm gaat pas echt af bij wind schuin in de rug, liefst op een lang recht stuk, zonder hindernissen. Frank Hoste: “Wind schuin in het voordeel, dát is waaierwind. Als dan de sterke mannen naar voren komen, is het minutenlang een strijd op leven en dood.”

Voorbeelden van waaiers zie je bij ons in het voorjaar in De Moeren in Gent-Wevelgem. Ook in de Tour de France komt een waaier af en toe voor. De moeder van alle waaiers was rit drie in de Tour van 2009 toen 29 renners op de brede weg naar La Grande Motte een waaier vormden en rond begonnen te draaien onder impuls van Mark Cavendish en Lance Armstrong. Voor renner dertig was geen plaats meer om aan te pikken en hij moest lossen. Renner dertig was Alberto Contador, bij Astana ploegmaat van Armstrong, die zich van geen kwaad bewust was.

Vier jaar later lapte Alberto Contador Chris Froome hetzelfde op weg naar Saint-Amand-Montrond. De Saxo-Tinkoffs kwamen naar voren en reden een tijd hard op kop, het peloton brak en Froome zat in de tweede waaier die op enkele seconden van de eerste bleef hangen, maar ineens brak de weerstand van Sky en werd de kloof een minuut.

Een recenter voorbeeld uit de Tour was het mini-waaiertje van Peter Sagan en Chris Froome in de elfde etappe. Frank Hoste zag wat er gebeurde. “Eigenlijk was het Fabian Cancellara die de aanzet gaf, alleen geraakte die niet op gang. Toen ineens Peter Sagan een snok gaf en hij Maciej Bodnar meehad, kon Cancellara niet volgen. Froome wel, omdat hij de hele dag al uit de wind had gezeten, en die reed er samen met Geraint Thomas naar toe en met hun vieren draaiden ze mooi rond.”

Korte pieken, hoge vermogens

Volgens de specialisten zijn de sterke jongens op hun best in de waaiers. Korte pieken van hoge vermogens, keer op keer, daarop heeft bondscoach Kevin De Weert ook geselecteerd. Nicolas Maes, Oliver Naesen, Jasper Stuyven, Tom Boonen, Greg Van Avermaet, Jürgen Roelandts, Jens Debusschere, Jens Keukeleire en Iljo Keise, geen land kan zoveel kwaliteit voor dat soort werk inzetten. Toch zal een van die sterke mannen zich na een signaal van de kopmannen moeten opofferen om het peloton op een lint te trekken. In een tweede moment zal de man vooraan links of rechts van de weg gaan rijden, afhankelijk van waar de wind komt. Op normale wegen bij ons kan er dan vijftien tot twintig man mee in de waaier. In Qatar wellicht iets meer.

Frank Hoste: “Het komt erop aan de juiste groep mee te hebben met mannen die meedraaien als ze beginnen af te lossen. Dat aflossen gebeurt kop over kop. Van het moment dat je vooraan komt, ga je opzij en haal je de druk van de pedalen. Een sleper die niet op kop komt, betekent meer energieverspilling voor anderen. In het begin als er nog te veel renners aanhangen, is het ook een gevecht als je van kop af komt om te kunnen of mogen inschuiven. Ofwel hang je dan het smeerlapje uit en kwak je je ertussen, ofwel laten ze je ertussen.

“De eerste minuten zijn de kwaadste. Dan rijd je tien keer een sprint, niet zozeer als je op kop komt, maar als je van kop af gaat om in te schuiven en in te pikken bij de man voor jou. Vervolgens schuif je geleidelijk aan weer meer naar voren tot je weer op kop komt, vooral niet versnelt of heel geleidelijk, en weer van kop af gaat.”

Na die openingsminuten van koersen tot het gaatje wordt de schade opgemeten. De breuk in het peloton is ontstaan bij de renner die niet meer in de lagedrukzone van de renner voor hem kon blijven rijden omdat er aan de kant van de weg geen plaats meer was. Op een lint achter een waaier blijven aan rijden is onbegonnen werk, want dan krijg je te maken met te veel luchtweerstand. Aangezien die renners veel meer energie hebben verkwanseld dan de mannen op kop, wordt het gat snel groter.

In een laatste move komt het erop aan de groep uit te dunnen tot het juiste aantal renners. Twintig is te veel. De hele sterke renners van het groepje zullen het dan heel even op de kant trekken – tegen de stoep of wegrand, vandaar la bordure – zodat alleen de allerbesten in hun wiel overleven.

Hoste: “Vijf tot zeven vind ik ideaal. De man op kop gaat dan halfweg de baan rijden of daar waar hij schat dat er nog een stuk op zeven uit de wind kunnen zitten. Dat is weer een beetje oorlog tot ook die schifting is doorgevoerd.”

José De Cauwer: “Dan komt het erop aan slim te zijn. Als je nog net hebt kunnen inpikken, kun je de sympathieke uithangen en de man die van kop af komt voor jou laten inschuiven. Iedereen is blij met die geste, want je maakt plaats maar jij zit voortdurend uit de wind want je komt nooit op kop. Bij waaiers moet je vooral je hoofd erbij houden. In de wind verbruik je te veel energie en dat merk je pas als je aan de streep komt.”

Het cortisone-spook in De Morgen van 8 oktober 2016

Het cortisone-spook

Bradley Wiggins zondigde niet tegen de regels, toen hij een corticoïdenspuit kreeg. Toch wordt nu al weken geoordeeld en veroordeeld. Jazeker, Wiggins zat in de grijze zone, maar die is er juist om de atleet te behoeden voor erger.

Patiënt: “Dokter, ik heb al vier weken een verkoudheid: loopneus, niezen, rode ogen en jeuk, niet te doen.” Dokter: “U heeft hooikoorts.”
Patiënt: “Ik kan nauwelijks met de auto rijden en morgen vertrekken we op reis.”
Dokter: “Ik zal u een spuitje geven in uw bil en morgen zal dat voorbij zijn.”

Het spuitje was Kenacort, de dosis ben ik vergeten, en probleemloos reed ik een dag later de 1.200 kilometer naar de Côte d’Azur.

We schrijven de jaren 80 en cortison (verzamelnaam voor wat correct gluco-corticosteroïden heet) is dan het populairste middel in de sport, want onopspoorbaar. Het wordt niet alleen gebruikt tegen allergieën en/of om beter te presteren. In die tijd heb ik ook drie spuiten in mijn pijnlijke volleybalschouder gehad. Zo ging dat vroeger. Een peesontsteking? Cortison erin. Rond de pees, vergoelijkte de dokter: Depodillar, met als actief bestanddeel paramethasone-acetaat. Het actieve bestanddeel van Kenacort is familie: triamcinolone-acetaat.

Dat laatste kennen we van Bradley Wiggins. Die heeft dat gebruikt, en wel tot drie keer toe, is recent bekendgemaakt door de Russische hackersgroep Fancy Bears. (Dat over ‘de zaak-Wiggins’ wordt geschreven en niet langer over hoe de Russen de wereld hebben belazerd, maakt dat ze hun slag hebben thuisgehaald.) In zijn geval ging het om zes zogeheten TUE (therapeutic use exemptions of TTN, toestemming voor therapeutische noodzaak).

De eerste drie daarvan dateren van 2008 en 2009 en dienden voor de behandeling met puffers (tot drie verschillende toe) en voor een neusspray met corticoïden. Voor 2010 is geen TUE aangevraagd en dat kan kloppen: 2010 ging voor Wiggins de mist in nadat hij het in januari wekenlang op een zuipen had gezet.

In 2011 kreeg hij op 29 juni – drie dagen voor de Tour-start – een TUE om 40 milligram triamcinolone-acetaat (Kenacort) intramusculair te spuiten. Hij moest in de eerste week al opgeven na een val. Een jaar later kreeg hij nog een TUE voor hetzelfde, op 26 juni deze keer. In beide gevallen en ook een jaar later op 30 april bij de start van de Giro wordt op de TUE omstandig uitgelegd waarom hij dat product nodig heeft: lopende neus, jeuk in de ogen, irritatie luchtwegen, enzovoort.

Bradley Wiggins – of liever zijn artsen – melden ook op elke aanvraag voor therapeutische uitzondering dat hij ooit positief heeft gereageerd op een uitlokkingstest voor allergieën: timoteegras of lammerstaart – vaak gebruikt voor het inzaaien van weiden en voorkomend in bermen langs de wegen – is in zijn geval de boosdoener.

Conclusie? Bedrog, zeggen de strengste waarnemers, want in zijn boek beweert hij dat hij nog nooit een spuit zou hebben gehad. Tja, zeggen de Engelsen – normaal pilaarbijters in dopingzaken als de sporter géén keurig Engels spreekt – maar misschien heeft hij wel een goeie reden, zoals die allergie. In die zin verdedigde Bradley Wiggins zich ook vorig weekend in The Guardian. Samengevat: hij wilde af van dat gedoe met die verschillende puffers en zalfjes en druppeltjes, want zeer onhandig tijdens drie weken op de fiets.

Van aan de zijlijn zijn er zowel redenen om aan te nemen dat hij niet liegt, dan wel de boel bedriegt, maar wat zeggen de echte kenners? Voor professor Peter Van Eenoo, die het DoCoLab in Gent leidt en deze week nog op dopingcongres was in Seattle, is er niks aan de hand. “Ik vind dit zelfs geen grijze zone. Kenacort is een stevig middel, dat wel, maar hij heeft het niet in grote hoeveelheden gebruikt. En het was eenmalig. Was dit meerdere keren per jaar toegediend, dan zou ik mijn twijfels hebben.”

Doping of geneesmiddel

Zal de hysterie hiermee ophouden? Neen, natuurlijk niet, want gluco-corticosteroïden en afgeleiden hebben na vijftig jaar driftig gebruik een haast mythische geschiedenis, met name in de wielrennerij.

Enkele getuigenissen.

Lance Armstrong in het najaar van 1996 op de vraag van de oncoloog wat hij allemaal aan doping had genomen. “Epo, groeihormoon, testosteron, anabole steroïden en corticosteroïden.”

Bjarne Riis in zijn boek Stages of Light and Dark: “Corticosteroïden nemen de pijn weg en maken je sterker.”

Een anonieme renner uit de jaren 70 in Wie gelooft die coureurs nog?. “De allerbeste van onze en veel andere generaties kon dubbele doses aan, maar dat was niet iedereen gegeven. Je voelde geen pijn en je had moral, maar je kon er evengoed erg ziek van worden. De weerstand werd aangetast en voor je het wist, had je bronchitis.”

Johan Museeuw in december 2014 in De Morgen: “Vóór de Ronde en Parijs-Roubaix twee streepjes Diprophos op vrijdag en dat was alles. Achteraf beschouwd had ik zelfs nooit de indruk dat die corticosteroïden echt werkten.”

Wijlen dokter Rijckaert, de Festina-ploegarts in de ‘doping-Tour’ van 1998: “Ik heb in de Ronde van Frankrijk renners gezien die zich 40 tot 80 milligram inspoten. Elke dag, moordende hoeveelheden. De therapeutische hoeveelheid bij een peesontsteking is 40 mg triamcinolone in drie weken. Bernard Thévenet heeft achteraf toegegeven dat hij op cortison de Tour heeft gewonnen, maar dat het ook het einde van zijn carrière heeft betekend.”

Omdat het niet allemaal wielrennen moet zijn, een getuigenis van vorig jaar uit de atletiek over Alberto Salazar, coach van onder meer viervoudig goudenmedaillewinnaar Mo Farah en Galen Rupp. “Voor Rupp vertrok naar Dusseldorf voor een 5.000 meter indoor, wilde Salazar dat hij prednison nam. Omdat het de pijn wegneemt en wellicht de zuurstofhuishouding verbetert. Er moest een TUE worden gevraagd.”

Inspanningsastma

Natuurlijk kunnen corticoïden gebruikt worden als doping. Daarom worden ze ook opgespoord. Peter Van Eenoo zag in Seattle eerder deze week studies die aantonen dat ze de samentrekking van de spieren, de uithouding en kracht verbeteren. “Toen ook werd gesuggereerd dat ze de eiwitsynthese zouden bevorderen, moest ik slikken. Wij hebben altijd geleerd dat cortico’s katabool werken, dus spierafbrekend, en nu zouden ze anabool werken?”

Natuurlijk kunnen corticoïden ook te goeder trouw als geneesmiddel worden genomen. Het is een van die middelen die in de grijze zone zit. Het mag niet, maar soms mag het wel. Correctie: het mag, maar soms niet.

Het ooit massale gebruik in het wielrennen, en dan vooral in Frankrijk en België, vindt zijn oorsprong in de wintertraining, die bij nogal wat wielrenners inspanningsastma of andere aandoeningen van de luchtwegen uitlokte. Het eerste en lang enige geneesmiddel dat daarop een antwoord bood, waren precies de corticoïden. Een bijverschijnsel was dat je er beter van ging presteren, hoewel sommige studies daaraan twijfelden en wijzen op een placebo-effect.

Yvan Vanmol, al dertig jaar wielerarts: “Ik ben er heel zeker van dat het bij sommige atleten een positieve invloed heeft op prestaties.”

Tom Teulingkx is voorzitter van de vereniging voor Sport- en Keuringsartsen (SKA), wielerbondsarts, en in een eerder leven tien jaar lang dopingcontrolearts: “Natuurlijk zijn corticoïden doping. Dus stel ik mij vragen bij de noodzaak van een flinke spuit Kenacort voor het allergieprobleem van Wiggins, zeker als het preventief wordt toegepast, maar ik ken natuurlijk de juiste omstandigheden niet.

“In het algemeen kun je stellen dat cortisonegebruik nog meer aan banden zou moeten worden gelegd. Ik zie al te vaak meldingen van een intra-articulaire (in een gewrichtsholte, red.) inspuiting van cortisone waar ik twijfels bij heb. Erger nog is dat dit gebruik is doorgesijpeld naar de rangen van de amateurs. Het blijft een gevaarlijk product dat op termijn het lichaam onherstelbare schade berokkent.”

Cortisones halen energie uit de afbraak van spiereiwitten en de hartspier is ook een spier. Het ongebreidelde gebruik in de jaren 70 (toen nog in combinatie met anabole steroïden) en de jaren 80 wordt volgens meer dan één rapport in verband gebracht met een aantal plotse hartdoden bij wielrenners.

Pas vanaf 1999 kon die chemische familie worden opgespoord, maar vreemd genoeg besloot het Wereld Antidoping Agentschap (WADA) in de 21ste eeuw de gluco-corticosteroïden zo goed als van de lijst te halen. In hoofdzaak omdat het WADA een Angelsaksische organisatie is en cortico’s in de grote sportlanden als de VS en Engeland als een verwaarloosbaar probleem worden beschouwd vergeleken met de andere middelen.

Eerst werd in 2004 de detectiedrempel verhoogd tot 30 (nanogram per milliliter urine), en sinds 2012 stipuleert de WADA Code dat ze nog steeds verboden zijn als ze systemisch – bijvoorbeeld oraal (via de mond), intraveneus (in een ader), intramusculair (in een spier, zie Wiggins) of rectaal (anus) – worden toegediend. Sporters kunnen hiervoor wel een toestemming voor therapeutische noodzaak aanvragen.

Het lokale gebruik via elke andere weg (zalf, puffer, in het gewricht gespoten) moet simpel worden vermeld bij elke dopingcontrole binnen wedstrijdverband of in het geval van een spuit, aan de internationale wielerbond UCI. Er is maar één probleem:
behalve voor één product kunnen de dopinganalyses niet aantonen hoe het product is toegediend. Peter Van Eenoo: “Zelfs die rapporteringsdrempel van 30 nanogram per milliliter urine is hoogst arbitrair. Wij proberen met het labopersoneel zelf wel eens de neusspray Sofrasolone (prednisolon, HV) uit. Toegelaten dus, want een courant middel tegen verkoudheden, maar soms komen wij boven die grens uit.”

16 jaar, 26 veroordelingen

Er is nooit veel animo geweest om te veroordelen op cortico’s. Sedert begin deze eeuw zijn slechts 26 sporters wereldwijd tegen de lamp gelopen, allemaal onbekenden. Vandaag is het middel ook bij ons minder populair dan pakweg tien jaar geleden, toen in een doctoraat cijfers werden gepubliceerd over UCI-renners: terwijl in 2002 één op de vier nog corticosteroïden meldde op zijn dopingformulier, was dat in 2005 gestegen tot meer dan één op de drie, wellicht het gevolg van het terugdringen van epo-gebruik. Van Eenoo: “Dat is nu opnieuw aan het dalen. Ook de astmapuffers zijn op de terugweg. Eigenlijk gaat het de goede kant op.”

Ook Yvan Vanmol heeft dat gevoel. “Tegenwoordig beslist een commissie van drie man over die TUE’s en dat duurt zijn tijd. Eer je er één vasthebt, kan je renner al dood zijn. (lacht) TUE’s voor corticoïden een plaag? Ik heb het nagekeken: bij ons in de ploeg hebben we de laatste drie jaar één TUE gevraagd en gekregen. Ik denk ook niet dat je voor een kwaal als die van Wiggins vandaag nog zo’n TUE zou krijgen.” Van de recente Olympische Spelen in Rio, waar Wiggins goud won op de achtervolging, hebben Fancy Bears alvast niks gevonden.

Medisch geheim

Wielerjournalisten en hun masochisme. Het zou de titel van een pamflet kunnen zijn, naar aanleiding van deze ‘affaire’-Wiggins, niet eens een voetnoot waard in het Grote Dopinggeschiedenisboek. Is het gebrek aan kennis van het probleem? Ja. Is het afschrijfgedrag van collega-media? Ja. Is het een kwaal van de wielerpers? Helemaal. Sinds de jaren 20 van de vorige eeuw zijn de volgers van het wielerpeloton obstinaat over de geheime middeltjes waarmee de dwangarbeiders van de weg hun bestaan verteerbaar maakten. Later kwam daar de echte medicatie bij.

Waarom schrijft de voetbal- en andere sportpers niet over de corticosteroïden die worden ingespoten bij ontstekingen? Waarom wordt er geen moord en brand geschreeuwd over de ontstekingsremmers (NSAID’s) die met hele dozen worden geslikt? Andere sporten hebben die traditie van overbelichting niet.

In het wielergevolg vinden hardliners nu dat dat de therapeutische uitzonderingen openbaar moeten worden gemaakt. Het medisch geheim staat in het Strafwetboek in artikel 458 omschreven: wie medische geheimen openbaar maakt zonder dat de wet hen dat verplicht, krijgt gevangenisstraf en een boete.

Tom Teulingkx: “Daar zijn wij als vereniging niet voor te vinden. Als de sporter dat vrijwillig doet, is dat zijn zaak, maar dat kan niet door de arts of iemand anders van de entourage gebeuren.”

Yvan Vanmol wijst erop dat het kind met het badwater wordt weggegooid. “Het medisch geheim dient om iemand te beschermen. Als wij of iemand anders verplicht worden te melden wie aan welke kwalen lijdt, dan zou het kunnen dat die om die reden geen andere werkgever vindt.”

Verbod op arbeid

Teulingkx: “Uiteraard is een weloverwogen gebruik toegelaten. Alles begint bij ons, de artsen. Als wij niet meestappen in dat verhaal van attesten en geen cortisone voorschrijven, is er niks aan de hand. Artsen moeten hun verantwoordelijkheid nemen en neen zeggen. Dit staat zo ook in de ethische code van onze vereniging.”

Moet na corticosteroïdengebruik automatisch een verbod op arbeid volgen? Het Mouvement pour le Cyclisme Crédible zet zo’n renner met een TUE voor corticoïden automatisch acht dagen aan de kant.

Vanmol: “Bij een lokale cortisonenspuit eist de internationale wielerbond UCI ook acht dagen rust. Maak eens aan voetbaldokters wijs dat ze een behandelde speler acht dagen niet mogen opstellen? Wij zijn er in de sport om net als in de algemene volksgezondheid mensen te helpen om hun normale functioneren te hervatten. Bovendien zijn corticosteroïden soms een goed alternatief voor veel erger. Een ontsteking van de polszenuw (carpale tunnel, HV) behandel je met een spuitje of met opereren. Dan lijkt mij dat spuitje een beter alternatief.

“Bij de gewone bevolking heeft 9 procent astmatische verschijnselen; in het wielrennen is dat meer dan 30 procent, in het zwemmen meer dan de helft. Dat heeft te maken met de omgeving waarin ze moeten presteren: bij wielrenners de ene maand bij meer dan 40 graden in de woestijn en de andere maand bij vrieskou. Iemand verbieden zijn beroep uit te oefenen die wordt geholpen om dat beroep uit te oefenen nadat hij een bepaalde kwaal heeft opgedaan, misschien uitgerekend dóór datzelfde beroep, hoe absurd is dat niet?”

Column Qatar in De Morgen van 8 oktober 2016

Qatar

Op woensdag 19 september 2012 kondigde de internationale wielerbond UCI aan dat Qatar de enige kandidaat was om het WK van 2016 te organiseren. Alle andere kandidaten hadden zich vreemd genoeg teruggetrokken. De UCI kwam met een communiqué met daarin een quote van Philippe Chevalier, UCI Sport and Technical Director. “Het management van de Qatar-kandidatuur presenteerde een buitengewoon interessant project met daarin innovatieve oplossingen die ons zullen toestaan een technisch interessant parcours uit te tekenen. We kijken ernaar uit met hen samen te werken.”

Eerlijk, zo stond het er: een buitengewoon interessant project. Dat interessant was vooral in Zwitserse francs uit te drukken. Meer dan 20 miljoen had Qatar er voor over om het weeklange circus op twee wielen naar de woestijn te halen en dat was drie keer meer dan toen gebruikelijk. De juiste sommen kent niemand.

Het mag een raadsel heten wat er precies innovatief was aan het parcours dat parallel aan de kust 75 kilometer naar het noorden loopt en dan 75 kilometer naar het zuiden waarna nog 7 ronden van 15,2 kilometer worden gereden op het kunstmatige eiland The Pearl, en dat allemaal plat. De wind misschien? Die zal wellicht waaien, maar die is geen vinding van het organisatiecomité.

Over de data zal nog worden onderhandeld, werd ook nog meegegeven, want het schijnt dat het daar heet is in september. Goed gezien. Meer zelfs, het is daar ook heet in oktober, en in november en alle maanden van het jaar behalve december, januari en begin februari. Maar dat wist men al in 2012.

Het jaartal is belangrijk: Valkenburg 2012 – waar Philippe Gilbert zou winnen – was het voorlaatste WK van de zittende voorzitter Pat McQuaid, de Ier die in 2013 in Firenze de duimen zou moeten leggen voor de Brit Brian Cookson. Dat is een sukkelaar, maar dat was McQuaid eigenlijk ook. McQuaid heeft de UCI en de wielerwereld met die beladen erfenis opgezadeld.

Maar goed, we zijn er (morgen begint het met de ploegentijdrit), het wórdt warm en we zúllen fietsen. Hoe lang, dat wordt nog uitgemaakt. De ene bron gewaagt van een inkorting met honderd kilometer, de andere bron zegt dat de wedstrijd zou worden ingekort tót honderd kilometer. Niet duidelijk of ooit een sport een groot kampioenschap op een minder geschikte plaats heeft georganiseerd dan het wielrennen in Qatar, tenzij misschien het WK voetbal van 2022, ook in Qatar.

Philippe Chevalier is weg en Pat McQuaid is ook weg en het is lang niet zeker of ze wel zouden antwoorden op de vraag wat hen toen bezielde. De bestuurders van toen zijn ook niet meer dezelfde.

Het is niet bewezen dat iemand persoonlijk beter is geworden van de keuze voor de hete woestijn, maar als Qatar in de sport een spoor van smeergeld heeft achtergelaten, zoals met de toewijzing van de World Cup voor 2022, dan mag je ervan uitgaan dat ook in de buurt van Aigle geld is blijven plakken. Deel de 4,5 miljoen euro die diende om de voetbalbestuurders om te kopen misschien door tien en dan zitten we in de buurt. Als dit onderwerp uw interesse wegdraagt, dan bestelt u nu op Amazon The Ugly Game: The Qatari Plot to Buy the World Cup uit 2015, geschreven door journalisten van The Sunday Times.

De 4,5 miljoen euro werd toen gebruikt om het executief van de FIFA om te kopen, met uitzondering uiteraard van onze Michel D’Hooghe, behalve dan dat zijn zoon Pieter (orthopedisch chirurg) geheel toevallig rond die tijd een lucratieve baan kreeg in Aspetar, de hoogtechnologische sportkliniek van Doha. De timing was de volgende: Qatar werd gekozen in december 2010, Pieter D’Hooghe werd visiting chirurg in 2011 en verhuisde in juni 2012 naar Doha voor een fulltimebaan.

Vader D’Hooghe heeft als voorzitter van de medische commissie van de FIFA destijds pro forma gewaarschuwd voor de hitte. Hij ging alvast nooit op de rem staan. Wat kan het hem ook schelen: in 2022 is hij 77 en al lang niet meer in functie. Zoon Pieter D’Hooghe is deze week tijdens de Aspetar Cycling World Championships 2016 chief medical officer. Misschien kan die een rapportje sturen. “…Pa. 1.000 wielrenners gestart, 300 aangekomen, 200 uitgedroogd, 200 van hun fiets gevallen, 100 infusen gestoken, alle halve doden gereanimeerd. Toch oppassen in 2022.”

Black Power, deel 2 in De Morgen van 1 okt 2016

De zwarte sporter maakt weer een vuist

Vijftig jaar na de eerste grote revolte van de zwarte atleet is nu een nieuwe generatie miljonairs-activisten opgestaan. Voorlopig met beleefd protest, maar hoe reageren de NBA-spelers dit weekend bij de start van het seizoen?

Zwarte atleten hebben een bijzonder statuut in het meritocratische Amerika, want ze zijn niet helemaal zwart. Een scène uit de Spike Lee-film Do the Right Thing vat het ongeveer samen. Mookie, gespeeld door Spike Lee, is een zwarte pizzajongen, Pino is de Italiaanse zoon van de pizza-eigenaar.

Mookie: “Wie is je favoriete basketbalspeler?” Pino: “Magic Johnson.”
Mookie: “Wie is je favoriete filmacteur?”
Pino: “Eddie Murphy.”

Mookie: “Wie is je favoriete rockster? Prince, hè? Geef toe.”

Pino: “Nou en?”

Mookie: “Pino, je hebt het alleen maar over nigger hier en nigger daar en al je favoriete bekende mensen zijn niggers.”

Pino: “Dat is verschillend. Magic, Eddie en Prince zijn geen niggers. Ik bedoel: ze zijn niet echt zwart. Wat ik wil zeggen: ze zijn wel zwart, maar niet helemaal zwart. Ze zijn meer dan zwart.”

Méér dan zwart. Ooit werd in een straatenquête gevraagd om zo snel mogelijk het ras van bekende Amerikanen aan te duiden. Bij ’s werelds beste sporter en basketbalgod Michael Jordan werd het langst geaarzeld. De National Basketball Association vond dat passe- partoutimago van haar ster prachtig, want zo maakte Jordan de NBA weer aanvaardbaar voor de midden- en toplaag van blanken die zich in de jaren 70 hadden afgekeerd van die broeihaard van drugs en corruptie. Mede door Jordan werd de NBA ‘a black man’s game, for a white man’s audience’.

Jordan was niet altijd zo rassenloos. In de traditioneel zwarte verzetshaard Chicago werd hij al snel gerekruteerd door de linkse dominee Jesse Jackson en zijn volgelingen. Hij werd lid van het zwarte broederschap Omega Psi Phi en wie ooit beroepshalve dicht bij een halfnaakte Jordan stond, kon op zijn borst de getatoeëerde omega herkennen.

De tattoo volstond; voor de barricaden bedankte hij, zoals al zijn zwarte collega’s in alle sporten in de jaren 80 en 90. “Begrijpelijk”, spotte zijn illustere voorganger Kareem Abdul-Jabbar die in de jaren 60 en 70 wél de revolte van de zwarte atleet in daden omzette: “De jongens vandaag hebben het te druk met hun imago en geld verdienen.”

Jordan oversteeg zijn ras niet, hij vermeed het, en hij deed ook niet aan politiek. “Republicans buy Nike too”, zei Jordan ooit. In interviews ten tijde van de Rodney King- en O.J. Simpson-affaires – toen zwart en niet-zwart in de VS ook al lijnrecht tegenover elkaar stonden – nam all American Michael Jordan nooit een standpunt in.

Vandaag is Jordan 53, speelt geen basketbal meer, is sinds 2014 volgens Forbes dollarmiljardair en eigenaar van een NBA-team, maar deze zomer kon hij niet langer zwijgen. Op de zwarte sportwebsite The Undefeated (een sub brand van ESPN) publiceerde hij volgend (ingekort) statement:

“… Als een trotse Amerikaan, als een vader die zijn eigen vader heeft verloren in een daad van zinloos geweld (zijn vader werd in 1993 vermoord langs de snelweg door blanke kruimeldieven, HV), ben ik diep geraakt door de dood van African-Americans door de politie, maar evengoed ben ik boos na de hatelijke aanslagen op de politie.

“We moeten oplossingen vinden om gekleurde mensen een eerlijke en gelijkwaardige behandeling te geven en tegelijk de politie te respecteren.”

De GOAT – de greatest of all time – had gesproken: de wereld aan de andere kant van de oceaan stond heel even stil. Als zelfs Jordan het al op zijn heupen krijgt, hoe erg moet het dan wel niet zijn?

Vrouwen eerst

Michael Jordan was niet de eerste zwarte sporter die van zich liet horen in deze uitzonderlijk hete Amerikaanse zomer vol rassenrellen en met het ene na het andere incident. Die eer kwam de vrouwen van de Women’s NBA toe: op 9 juli droegen speelsters van de Minnesota Lynx warm-up shirts met daarop ‘Black Lives Matter’.

De dagen daarna volgden New York Liberty, Indiana Fever en Phoenix Mercury hun voorbeeld. Tina Charles ontving haar Player of the Month-award met haar shirt binnenstebuiten als een reactie op het dreigement van de WNBA om hen te beboeten, wat een week later ook effectief gebeurde. Daarop volgde een media black-out, geen woord kregen de reporters nog uit de vrouwen.

De WNBA is met 70 procent de meest zwarte vrouwencompetitie van de hele VS, maar stelt economisch niets voor en daarom passeerde hun protest haast onopgemerkt. Andere koek was het toen op 13 juli vier van de beste zwarte NBA-spelers van het moment bij de ESPY Awards samen een lange speech hielden. Gekleed in een donker pak, met een bedrukt gezicht en passende lichaamstaal, begon Carmelo Anthony van de Knicks, viel Chris Paul in, gevolgd door Dwyane Wade. LeBron James besloot met de woorden: “We gaan hier vanavond Ali eren. Laten we dat doen door als atleten niet langer te zwijgen.”

Op 9 juli had ‘Melo’ Anthony zich al via Instagram tot zijn volgelingen gericht. “Ik ben voor marsen, protesten, vechten voor ons volk. Ik wil zelfs de aanval voeren. Het systeem is kapot. Martin Luther King marcheerde. Malcolm X rebelleerde. Muhammad Ali vocht. We kunnen niet langer bang zijn voor de sponsors die we gaan verliezen. Collega-atleten, the time is now. Demand change.”

Kort daarna vertrok Melo Anthony als captain van de Amerikaanse ploeg naar de Olympische Spelen in Rio. Als dat maar goed afloopt, was de reactie. Het liep goed af: na een aarzelende start verpletterde Team USA alle tegenstand, met alleen maar zwarte spelers. Anthony begon in zijn laatste persconferentie opnieuw over de heropbouw van Amerika en hoe hij daaraan constructief wil meehelpen.

Opvallend in die eerste boodschap van 9 juli, twee dagen na de aanslag op de politie in Dallas, was de foto die Anthony daarbij had gebruikt: het iconische beeld van de zogeheten Muhammad Ali-top van Cleveland 1967. Zwarte sporters kwamen die dag Ali ondervragen over zijn dienstweigering en de verwachting van de blanke sportpers was dat ze hem zouden overhalen om toch dienst te nemen, waarna hij alsnog niet naar Vietnam zou worden gestuurd.

Het liep totaal anders en ze betuigden hun steun. “We begrijpen hem en zijn geloof, en steunen hem in zijn beslissing.” Naast Ali zat de zwarte crème de la crème van de Amerikaanse topsport: de basketbalspelers Bill Russell en Lew Alcindor (later Kareem Abdul- Jabbar) en American footballspeler Jim Brown.

Belediging van de vlag

Dat 1967 was hét scharnierjaar. Eerst kwamen de regelneven van de universitaire sport met de regel dat dunken in universitaire competities voortaan verboden was. Een duidelijke maatregel tegen Lew Alcindor en andere zwarten die fysiek te dominant waren geworden. Alcindor/Abdul-Jabbar sprak over openlijk racisme en zou daarop een ander geheim wapen perfectioneren: de skyhook.

Een maand later weigerde Ali dienst, waarop de Ali-top in Cleveland plaatsvond. Nog iets later kreeg aan de Westkust het verzet tegen zwarte deelname aan de aanstaande Spelen in Mexico gestalte onder de paraplu van het Olympic Project for Human Rights (OPHR). Het was het een na het ander, met op de achtergrond ook nog eens het groeiende verzet tegen de Vietnamoorlog. De monden van blank Amerika vielen collectief open.

‘Uppity niggers’. ‘Aanmatigende, omhooggevallen negers.’ Zo werden in de jaren 60 de zwarte sporters als Russell, Abdul-Jabbar, Brown en alle anderen genoemd die veel geld verdienden in een door blanke eigenaars gedomineerde Amerikaanse sporteconomie maar toch de pretentie hadden zich te laten gelden in de beweging voor zwarte burgerrechten. Het waren ondankbaren, vergeten waar ze vandaan kwamen. Of net niet.

De meest spraakmakende actie werd overigens niet in de VS gevoerd, maar in het Aztekenstadion in Mexico City op 16 oktober 1968, bij de medaille-uitreiking van de 200 meter. Gouden Tommie Smith en bronzen John Carlos stonden op het podium in zwarte sokken als symbool voor de zwarte armoede, met een vuist gehuld in een zwarte handschoen opgestoken in de lucht, de Black Power-groet, en het hoofd naar de grond gebogen als verwijzing naar de lynchings van zwarten.

Smith en Carlos waren lid van het Olympic Project for Human Rights van de zwarte sociologieprofessor Harry Edwards. Die doceerde aan de University of California in Berkeley, ook een haard van verzet tegen de Vietnamoorlog. OPHR vroeg de boycot van apartheidslanden Zuid-Afrika en Rhodesië, de teruggave van de wereldtitel aan Ali, het aftreden van de racistische Avery Brundage als voorzitter van het Amerikaans Olympisch Comité en het aanstellen van meer zwarte coaches.

Edwards’ lessen in communisme (aldus de latere president Ronald Reagan) beïnvloedden veel topsporters uit die tijd, zoals Lew Alcindor, die nochtans op het rivaliserende UCLA studeerde. Alcindor bleef thuis van de Olympische Spelen. Smith en Carlos niet, maar zij zouden de wereld choqueren en het bloed van onder de nagels halen van het blanke establishment, dat hun actie interpreteerde als een belediging van de Amerikaanse vlag en de Star-Spangled Banner, het volkslied.

Shirts verbrand

Dat wist quarterback Colin Kaepernick maar al te goed toen hij eind augustus in een voorbereidingswedstrijd op de American footballcompetitie bleef zitten tijdens het nationale volkslied. Kaepernick gaf na afloop een achttien minuten durende les in mensenrechten en activisme. Die ene zin bleef hangen: “Waarom rechtstaan voor een vlag en volkslied als in naam daarvan een heel ras wordt onderdrukt?”

Kaepernicks shirt werd verbrand, hijzelf werd voorwerp van beledigingen en zelfs Donald Trump haalde uit. Het zwaarste verwijt aan zijn adres was dat hij dedain had getoond voor alle militairen die in naam van de vlag ergens ter wereld vochten. Daar had het halfzwarte adoptiekind, opgevoed in een blank middenklassengezin, oren naar. Hij inviteerde Nate Boyer, een vroegere NFL-collega die als green beret (elitecommando) had gediend in Irak en Afghanistan en in een open brief Kaepernick had bekritiseerd. Na een goed gesprek kwamen ze tot de consensus dat Kaepernick in het vervolg niet zou blijven zitten, maar zou knielen op één knie, een gebruik uit het American football, maar ook in het leger, waar het voor een moment van bezinning staat.

No justice, no LeBron

Bij de wedstrijd die avond kon weeral een iconisch beeld worden geschoten: de blanke Nate Boyer verscheen aan de zijde van Kaepernick en zijn ploegmaat Reid bij het volkslied: de twee activisten knielden, de patriot stond achter hen recht, hand op het hart. Kaepernick besloot die namiddag ook één miljoen dollar van zijn salaris (van 11 miljoen dollar) weg te geven aan goede doelen. Na die boodschap van begrip werd het nummer 7 van de San Francisco 49’ers, het shirt van Kaepernick, in de eerste twee weken van de reguliere competitie ineens het meest verkochte in de VS. Sindsdien is bij alle wedstrijden door zwarte NFL-spelers tijdens het nationaal volkslied geknield, maar tot een overweldigend massale steunbetuiging kwam het nooit.

Dit weekend begint de voorbereidingsperiode op het NBA-seizoen. De eerste wedstrijden in het preseason staan voor vanavond geprogrammeerd. Afwachten hoe de van oudsher meest zwarte (75 procent) en meest militante competitie reageert. De slogan
No justice, no LeBron leeft en die betekent zoveel als “indien geen gerechtigheid, dan moet LeBron James ook niet spelen”. Het verschil tussen Colin Kaepernick en pakweg Carmelo Anthony en LeBron James is hun status: de basketbalspelers behoren tot de absolute wereldtop en worden door hun collega’s gezien als rolmodellen. Als zij doorgaan met hun al dan niet stil protest, of als nieuwe incidenten nieuwe levens eisen van zwarten, zou de vlam in de pan kunnen slaan.

De verwachting is ook dat nogal wat blanke spelers mee hun steun zullen betuigen. Uit opportunisme in een competitie waar soms 95 procent van de starting five zwarten zijn, maar ook omdat de NBA de meest liberale competitie is in de VS, met een traditie in politieke stellingnames. Tegen de oorlog, maar recentelijk ook tegen de wet in North Carolina die transgenders verplicht om de toiletten van hun oorspronkelijk geslacht te gebruiken. De NBA haalde daarop het All Star Game van februari 2017, een miljoenenaffaire, weg uit Charlotte. Ook Steve Kerr, luitenant van het grote Chicago naast Jordan, en nu coach van vicekampioen Golden State, kwam twee weken geleden nog militant uit de hoek na de dood van Terence Crutcher, een zwarte vader van vier kinderen die werd neergeschoten hoewel hij twee armen in de lucht had gestoken.

Kerr is de zoon van een ex-UCLA-professor in Midden-Oosten-studies die achttien maanden nadat hij in Beiroet rector was geworden van de Amerikaanse universiteit, door een jihadi werd doodgeschoten. Kerr, blank ervaringsdeskundige in zinloos geweld, koos duidelijk een kant: “Ik ben gedegouteerd en begrijp het protest. Ik weet ook dat nogal wat NBA-spelers zijn geïnspireerd door de correcte manier waarop Kaepernick zijn onvrede uit. Ik denk dat we dit ook bij ons zullen zien.”

In dit verhaal staat enkele keren het racistische woord ‘nigger’, onder meer in citaten of historische begrippen. De redactie is van mening dat de journalistieke context een beperkt gebruik wettigt.

Column Houtprut in De Morgen van 1 okt

Houtprut

Wat is een groter probleem voor ons voetbal, denkt u? Een derde keeper van Waasland-Beveren die een gokje waagt op zijn eigen team? Een speler van Anderlecht van wie de broer (of hijzelf) 50 euro inzet op verlies van zijn ploeg in een wedstrijd die normaal nooit kan worden gewonnen? Of toch die voorzitter van een eersteklasser die in de val trapt van undercoverjournalisten, gretig als hij is om de Third Party Ownership te omzeilen om daar samen met zijn club beter van te worden?

Het eerste is spielerei.
Het tweede grenst aan slavernij.

Het eerste is men nu met inzet van politie volop aan het uitzoeken. Het tweede doet men af als een inschattingsfout, uitlokking en niet bewezen. Zal het ooit bewezen worden wat Jimmy Houtput van OH Leuven wilde doen? Natuurlijk niet, het waren immers geen echte zakenlui die hem benaderden om een illegaal driehoekje op te zetten maar journalisten en die hebben niet de miljoenen om daadwerkelijk spelers te kopen.

Die hebben gewoon gepeild of hij interesse had en dat had hij wel degelijk. Hij heeft hen alvast niet de wacht aangezegd, maar nu is het woord tegen woord. Dat van de succesvolle zakenman die het zo goed voorheeft met zijn club tegen dat van journalisten die hem in de val lokten – entrapment, zei de Engelse bondscoach Sam Allardyce die ongeveer hetzelfde was overkomen.

Houtput stapte snel op als voorzitter van OHL, maar dat was geen bekentenis. Neen, hij heeft schoon genoeg van die zieke wereld. “In de jungle van de voetbalwereld kan ik niet zijn wie ik echt ben en ik heb dan ook beslist om ontslag te nemen als voorzitter van OHL.”

Ik heb altijd goeie commentaren gehoord over Houtput, maar misschien moeten die ook naar de categorie ‘perceptie creëren’ worden verwezen. U moet de opgenomen conversatie toch maar eens googelen via Telegraph en Houtput. Wie expliciet benadrukt dat hij de oplossing heeft gevonden om het verbod op Third Party Ownership via een sponsoringconstructie of een schaduwmaatschappij te omzeilen en elke transfereuro die binnenkomt zal doorstorten, is geen slachtoffer van uitlokking maar mededader. Van Houtput tot Houtprut, jammer voorwaar.

Als OHL-woordvoerder Chris Vandenbroeck, in zijn vrije tijd ook advocaat, het woord voert, dan weet je dat het is om te zaken te verdraaien. “Die mensen bleven vaag en de voorzitter heeft getracht om meer informatie te krijgen.” Neen, de voorzitter heeft actief meegewerkt en oplossingen aangereikt om het geld van de transfers van zijn club door te kunnen storten naar derden en dat is de essentie van Third Party Ownership, dat sinds 2015 verboden is.

Dáár maakt de voetbalwereld zich natuurlijk niet druk om. Een nest Afrikaantjes naar het makkelijke België halen om door te verkopen, al of niet via een schimmig constructietje, dat doen we allemaal, ja toch? Neen, dé bedreiging voor de mores in het voetbal zijn de voetballers die een gokje zouden hebben gewaagd. En als die voetballer dan nog een doelman is met wie de club niks meer kan aanvangen, zet men hem aan de deur.

Altijd een slag om de arm houden in deze business, maar tenzij alsnog bekend raakt dat ‘Olli’ Deschacht spelers heeft doorgelaten omdat zijn broer of zijn vader een paar keer hun inzet konden terugverdienen, is er in die affaire weinig aan de hand. Denkt u nu echt dat Olivier Deschacht, via wiens rekening 50 euro is ingezet op het verlies tegen PSG, ook bewust aan een verlies heeft meegewerkt?

In die wedstrijden van 2013 werd het 0-5 thuis (waarin Deschacht niet meespeelde) en 1-1 in Parijs (waarin Deschacht wel meespeelde). In het best geval had die 50 euro op het logische verlies een 3 tegen 1 opgeleverd, dus 150 euro maar wellicht zelfs minder. Wat dacht u dat de spelers van Anderlecht aan premie konden verdienen als ze hadden gewonnen van PSG? Wellicht honderd keer meer dan 150 euro.

Voorstel: stop met die hysterie rond gokkende voetballers, voer snel een verbod in op gokken op eigen sport, haal ook die flikken van die zaak weg en zet ze op de mensenhandel in het voetbal. Dat is een veel grotere prioriteit, maar die raakt natuurlijk aan de perverse economie van de kamelenmarkt die het voetbal zo graag wil zijn.

Column Willi Waffel in De Morgen van zat 24 sep 2016

Willi Waffel

Tijdens Euro 2016 was er veel tijd voor introspectie. Er waren de trainingen waar je niks van mocht zien en die ook niks voorstelden, er waren de persconferenties waarin niks werd gezegd en er werd twee keer per week gevoetbald. Er moest wel veel worden gereisd, maar dan nog. Elke dag een verhaaltje, elke dag die onzin aanhoren, om de zoveel tijd honderden kilometers aan het stuur, dan heeft een mens tijd om na te denken.

Zo stelde ik mij meermaals de existentiële vraag of ik niet te negatief schreef. Bijvoorbeeld over de toiletten met houtzaagsel op onze perscampus. Of over de bondscoach. Telkens weer kwam ik na bezinning tot de volgende conclusies:

a. de toiletten stinken en zijn derhalve vies;

b. bondscoach Marc Wilmots kan er niks van.

Dat laatste was al in 2014 op de worldcup gebleken toen hij met amper één goede wedstrijd werd uitgeschakeld. In al je naïviteit denk je – hoop je – dan: ook trainers kunnen bijleren, of ze kunnen zich laten bijstaan als ze het zelf niet meer zo goed weten. Niet Wilmots. De fouten van de worldcup werden de fouten van Euro 2016. De val was niet te vermijden.

Insiders, onder wie spelers, (oud-)stafleden en (oud-) collega’s die veel meer van dat rare voetbalspel kennen dan ik, hadden mij in de aanloop naar dat Europees kampioenschap haarfijn op Willi’s manco’s gewezen.

In de rampzalige wedstrijd tegen Italië, waarin geen tempo en geen bezieling zat en waarin de verdedigers niet wisten wat de middenvelders zouden doen en omgekeerd en ook de middenvelders niet wisten wat de aanvallers zouden doen en omgekeerd, en de doelman zich blauw ergerde en dat ook na afloop liet blijken, werden alle manco’s live afgespeeld. Play, rewind, play, rewind, play: het deed pijn aan de ogen.

Ondanks de blessurelast in de defensie als ontsnappingsroute zag je na die wedstrijd ook de Wilmots-fans onder de pers opschuiven in de richting van – zo zei hij het van de week op de tv – “de drie of vier Vlaamse bashers onder de journalisten die hij een waffel had willen verkopen”.

Van één zinnetje had ik kort na het EK wel een beetje spijt: een aap in de dug-out had het even goed gedaan, dat was er misschien wat over. De kans was niet onbestaande dat het gezin Wilmots-Lambeets, hoewel geen DM-lezers, dat ooit onder ogen zou krijgen – bij de kapper bijvoorbeeld, want het zinnetje haalde Dag Allemaal. Bovendien was ik niet vergeten hoe ik tien jaar geleden heel keurig was ontvangen op zijn gerestaureerde hoeve in zijn bureau, waar hij voor koffie en versnaperingen had gezorgd. En dat het een leuk gesprek was geworden.

Die wroeging is van de week op slag verdwenen. Door de schuld van Wilmots heb ik naar Luk Alloo moeten kijken, maar gelukkig zitten aan alle slechte dingen altijd goede kantjes. Zo begreep ik uit zijn apologie dat hij eind augustus al een interview had gegeven aan Le Soir. Dat had ik gemist en heb ik dinsdagnacht nog opgehaald. Collega Stéphane Vande Velde stelde daar keurig de vragen die moesten worden gesteld en Wilmots antwoordde even keurig. Weliswaar meestal naast de kwestie en steeds teruggrijpend naar zijn mantra’s: ik heb veel gewonnen (maar nooit als het er echt toe deed), ik heb geen fouten gemaakt en ik heb veel pech gehad.

De aankondiging van deze Alloo luidde: “Had Wilmots dit interview gegeven na het EK, hij was nooit ontslagen.” Dat was een beetje veel eigen lof stinkt, maar dat heb je met televisie altijd. Tv-makers moeten tv maken en vooral niet boven hun journalistiek gewicht boksen. Let op, de road trip van Alloo en Wilmots was best wel goed entertainment waarbij niet te veel moest worden nagedacht, maar ook niet meer dan dat.

Nooit ontslagen? Wilmots was altijd ontslagen, niet door de schuld van de pers maar omdat de meeste spelers hem niet meer wilden. De bottomline blijft: Wilmots is een miscast als trainer. Eerst bij STVV, dan bij Schalke en uiteindelijk ook bij de Rode Duivels viel hij door de mand. Hij gaat het nu in het buitenland proberen. Doe maar Willi. Probeer Saudi-Arabië, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten. Het imperium Willi Waffel en Meesteres zal er ongetwijfeld wel bij varen en ons voetbal ook.

Column POEF in De Morgen van 10 sep 2016

Poef

Ik had deze week een beetje te doen met de naar de Paralympische Spelen uitgezonden Sporza-collega Stefaan Lammens, gespecialiseerd in paardensport en formule 1. Het praat niet makkelijk met een paard of met een zescilinder, maar een gesprek voeren met een verstandelijk gehandicapte autistische jongen is ook apart, niet in het minst als die zopas de emotie van zijn leven heeft beleefd.

Tafeltennisser Florian Van Acker won goud na een fantastische comeback en riep daarbij meermaals ‘poef’. Nu roept heel Vlaanderen poef en schrijft heel Vlaanderen over Florian-het-Roemeense-weeskind. Lammens had al snel door dat het geen zin had om te beginnen over tactiek. Hij deed dus maar mee met het ge-poef en kreeg daarvoor her en der wat goedkope kritiek, al was de persiflage in De ideale wereld van dinsdag er wel eentje om in te kaderen.

Acteur en ervaringsdeskundige Mathias Sercu had die ochtend op Radio 1 een meer ter zake doende bijgedachte: Florian vindt zichzelf nu een held en een legende met dank aan de media, maar wat als straks de aandacht van heel Vlaanderen is gaan liggen? Inderdaad, wat als straks de paralympiër van het jaar moet worden verkozen? Dat wordt wellicht zijn veel jongere collega-tafeltennisser en gouden medaille Laurens Devos: 16 jaar nog maar, welbespraakt, ook grappig en een betere speler. Leg dat in december nog maar eens uit aan Florian.

Overigens zou rolstoelatleet Peter Genyn, die andere gouden medaille, paralympiër van het jaar moeten worden omdat hij het koninginnennummer van de Paralympische Spelen won. Dat zal niet gebeuren omdat journalisten liever meegaan in de hype en zullen kiezen voor het meest aandoenlijke verhaal. Vorig jaar was dat Marieke, dit jaar Laurens of Florian; de beste verhalen hebben geen achternaam.

Storytelling. Yes! Maar benchmarking? Euh, wat is dat? Juistheid? Van geen belang. Zo werd van de week gedagdroomd over een eventuele deelname van de licht verlamde Laurens Devos aan de Olympische Spelen. Zou een primeur zijn voor België, zo stond
er. Toch maar eerst weer even een voorspelling: hoe hoger die jongen speelt, hoe meedogenlozer de tegenstand zijn handicap zal uitbuiten en hoe harder hijzelf zal trainen, hoe zwaarder het spieronevenwicht en de daarmee gepaard gaande blessuregevoeligheid. Die valide Olympische Spelen halen wordt lastig, indien niet onbegonnen.

Bovendien, is een beetje historisch besef en wat bijpassend opzoekwerk te veel gevraagd? Sonja Vettenburg heeft twee keer een medaille behaald in het schieten op de Paralympische Spelen van 1984 (zilver) en 1988 (goud), waarna ze in 1992 in Barcelona aan de Olympische Spelen deelnam. Niks primeur dus.

Het is ook een raadsel waarom steeds weer wordt vergeleken met andere categorieën sporters en bij voorkeur met de valide man. Zo was er van de week heel wat te doen over de 1.500 meterfinale van de slechtzienden, waarin de eerste vier sneller liepen dan de goudenmedaillewinnaar van de ‘echte’ Olympische Spelen. Leuk weetje, maar compleet naast de kwestie. Ten eerste is slechtziend nog niet blind. Ten tweede was die 3:48 van de slechtziende Algerijn Baka een nieuw wereldrecord, maar wel 22 seconden trager dan dat van de valide atleten en maar een dikke seconde sneller dan het wereldrecord bij de vrouwen.

Ten slotte komt het in tactische races niet op de eindtijd aan, maar op de laatste ronde: 50.6 seconden liep olympisch kampioen Matthew Centrowitz. Veel kans dat die jongens van de Paralympics in die finale op vijf seconden waren geëindigd. De essentie blijft natuurlijk dat geen enkele paralympiër die Olympische Spelen had gehaald, want de limiet om deel te nemen was 3:36, twaalf seconden sneller dan het nieuwe paralympische wereldrecord.

Vanwaar toch steeds weer die onwetenschappelijke nonsens dat atleten met een beperking stilaan hun achterstand op de valide man inhalen? Voor eens en voor altijd: de maat der dingen in de sport is de valide man. In een bui van generositeit heeft die aparte categorieën voor de fysiek minderbedeelden in het leven roepen: in het begin van de 20ste eeuw voor een hele grote groep hormonaal anders uitgeruste medemensen (de vrouwen) en na de Tweede Wereldoorlog voor alle andere groepen mensen met een beperking. De waardering voor die specifieke categorieën sporters zal erop vooruitgaan als men stopt met die onzinnige vergelijkingen.

Column Pep en José in De Morgen van 10 sep 2016

Pep en José

Het is dat het mooi fietsweer is en dat de digicorder bestaat, anders zat ik vanmiddag om halftwee voor de tv. En ik vraag mij af waarom. De Premier League is de meest overroepen voetbalcompetitie die de beste spelers haalt en het meeste geld betaalt, maar toon mij één speler die in Engeland beter is geworden. Toch zal de hele wereld vandaag kijken naar de clash tussen Pep van de bal en José van de bus.

Het zal spektakel worden, zegt Marouane Fellaini in The Sun. Meer zelfs, het zal oorlog worden. Ben benieuwd, de digicorder ook. Voor hetzelfde geld parkeert Mourinho vandaag zijn befaamde bus en spijkert hij zijn doelgebied dicht. Zijn Man United, de thuisploeg, zal dan aan de overkant nauwelijks aan een halve kans geraken, en het publiek zal dat niet leuk vinden, maar dat zal hem een zorg zijn. Voor die halve kans hebben ze Zlatan Ibrahimovic gekocht en dat is net als José ook een Pep-hater.

Zestien keer hebben Pep en José tegen elkaar gespeeld: zeven keer won Guardiola, drie keer Mourinho en zes keer was het gelijk.
Er vielen tien rode kaarten in hun duels, negen voor de troepen van Mourinho, wat hem er toe aanzette om er een groot complot in te zien. “Hij heeft altijd een man meer tegen mij.” Dat complot moet u niet geloven, maar dat Pep een man meer heeft dan weer wel. Daar is het spel van Pep ook op gebaseerd: een man meer-situatie in het middenveld creëren en geduldig aanvallen.

Drie jaar en enkele dagen is het geleden dat ze nog eens tegenover elkaar stonden. Het ging toen om de Supercup tussen de winnaar van de Champions League en de Europa League. Bayern had in Londen de Champions League gewonnen van Borussia Dortmund, toen nog van Jürgen Klopp. Chelsea had met 2-1 de finale van de Europa League gewonnen van Benfica. In de Supercup stond het na 120 minuten 2-2, maar Bayern en Pep wonnen op strafschoppen. Weeral kreeg de ploeg van José rood: Ramires ging voet over de bal door op Mario Götze, die nadien weken aan kant zat, maar kreeg felicitaties van zijn coach, die de rode kaart totaal onterecht vond, zoals ook alle andere rode kaarten daarvoor.

Drie jaar waren ze trainer in dezelfde competitie: van 2010 tot 2012, de ene bij Real Madrid en de andere bij FC Barcelona. Elf keer speelden ze in die drie jaar tegen elkaar en daarvan verloor Guardiola er maar twee. Het begon met een 5-0 van Barça thuis tegen Real. Elk wonnen ze in die periode één kampioenschap, Real en Mourinho wonnen ook nog een nationale beker, maar Barcelona en Guardiola pakten de Champions League door in de halve finale Real uit te schakelen.

Pep staat ver voor op punten. Hij kan zich zelfs een knockdown veroorloven zoals toen hij met Barça werd uitgeschakeld door het antivoetbal van het Inter van Mourinho en dat is iets waarmee José moeilijk kan leven. Uit elke porie van zijn lijf komt de scherpe geur van revanche. Ooit waren ze zielsgenoten bij Barcelona, Pep eerst als speler en José als T3. In 2008 ging het mis. José Mourinho verwachtte te worden aangesteld als T1 van Barcelona en zou van Pep Guardiola zijn T2 maken. Hij schrok toen hij het nieuws hoorde: Johan Cruijff had er persoonlijk op aangedrongen om Pep meteen T1 te maken. De liefde sloeg om in haat, tegen Pep en tegen Barça.

Sinds deze zomer zijn ze herenigd in de meest gehypte sportcompetitie van de planeet en nu ook nog eens in dezelfde stad, Manchester, hoofdstad van het internationaal voetbal. Voor deze Manchester-derby en voor de Premier League is het een primeur dat een clash tussen twee teams wordt verengd tussen een strijd tussen twee trainers. En in mindere mate tussen een spits en een trainer. Ibrahimovic steekt in cynisme en grootspraak zijn trainer naar de kroon en heeft gezegd dat hij “basically” zou willen sterven voor Mourinho. Over Guardiola die hem weg stuurde bij Barça, ging het dan weer zo: “Een lafaard zonder ruggengraat.”

Bij nader inzien installeer ik toch misschien beter de tv op het terras voor een live onder de parasol.

 

(Ik heb niet gefietst, wel gekeken)

Verhaal over Paralympiërs Sven Decaesstecker en Diederick Schelfhout in De Morgen van 3 sep

‘De ‘wat als’-vraag stellen? Dat is zinloos’

Woensdag beginnen de Paralympische Spelen, met wielrenner Diederick Schelfhout (30) en zwemmer Sven Decaesstecker (31). De een liep ooit zware brandwonden op, de ander mist een onderbeen. ‘Weinig media-aandacht? Ach, zolang we maar niet te vaak in de rubriek human interest staan.’

De Paralympische Spelen is de officiële benaming voor het mondiale toernooi voor atleten met een beperking dat begint op woensdag 7 september en eindigt op zondag 18 september, in Rio, op dezelfde locaties als de Olympische Spelen voor valide atleten.

Bij de vorige editie in Londen had de Belgische delegatie geen klagen over de belangstelling. Er was niet alleen de mediagenieke knuffelbeer Marieke Vervoort, die de helft van alle aandacht opzoog, maar ook medailles won. Daarnaast was er nog handbiker Wim Decleir, die in een mediastorm terechtkwam toen zijn vriendin werd vermoord door haar man, nadat ze haar affaire met Decleir had opgebiecht. Decleir won ook medailles, maar is er niet meer bij, Marieke Vervoort in extremis wel.

2012, dat was Londen, een stad zowat om de hoek. Rio de Janeiro is voor de armlastige media een ander paar dure mouwen. Een verre trip, in een ongunstige tijdzone, buiten de vakantie: de Paralympics van Rio worden een heel-ver-van-ons-bedshow.

De Morgen kruiste onderweg naar huis van Rio twee atleten met medaillekansen en ging zitten voor een babbel met zwemmer Sven Decaesstecker (31), die voor de vierde keer deelneemt en tijdens de openingsceremonie de vlag zal dragen, en wielrenner Diederick Schelfhout (30), die als allerlaatste werd toegevoegd na het startverbod van de Russische ploeg.

Decaesstecker is een S10 (zie kader). Hij mist een onderbeen nadat op zijn 10de botkanker werd vastgesteld. Schelfhout is een C3. Hij heeft tal van beperkingen ten gevolge van een motorongeval op zijn 22ste, waarbij zijn lichaam zwaar werd verbrand en waarna zestig operaties volgden.

Heren, voor ik aan de soul searching begin, wat zijn jullie sportieve ambities?

Sven Decaesstecker: “Mijzelf verbeteren en Belgische records zwemmen. Of dat volstaat voor medailles, zie ik daar wel.”

Diederick Schelfhout: “Ik ben pas laat gewaarschuwd dat er toch een kans was dat ik zou worden opgevist. Ik zat al met mijn gedachten bij het WK later op het jaar en ik reed een beetje met de mountainbike, toen ik ineens moest omschakelen.

“Blij? Ja, heel blij, nadat ik eerst ontgoocheld was dat ik er niet bij was. Ik had er vier jaar alles aan gedaan en dan beslist zo’n commissie dat ik niet mag gaan.”

Zijn er geen internationale criteria in de paralympische sport?

Schelfhout: “Jawel, maar dan is er nog een commissie van het Belgian Paralympic Committee, dat bepaalt wie de Belgische startbewijzen krijgt. Ik had pech dat mijn WK op de baan niet zo goed was, daarna ben ik ook nog gevallen en heb ik mijn sleutelbeen gebroken. En op de selectiewedstrijd in Oostende, die door Kris Bosmans werd gewonnen, mocht ik niet achter hem aan rijden.

“Het ergst vond ik hun conclusie dat ik op de wielerbaan weinig kon gaan doen, terwijl ik vicewereldkampioen en Europees recordhouder ben. Dat is nu allemaal wel vergeten, maar heel even zag ik vier jaar hard werken niet beloond. Ik rijd op de baan de kilometer en de achtervolging, en op de weg de tijdrit en de wegrit.”

Decaesstecker: “Ik zwem de 200 meter wisselslag en de 400 meter vrije slag. Ik was meteen bij de zwemmers die werden geselecteerd, maar ik begrijp de ergernis van Diederick. Het gaat om een commissie die alle sporten beoordeelt en dat maakt het complex. Als parasporter wil je dit niet missen.”

Jullie zijn allebei bewust als valide sporter ineens een, euh, hoe-moeten-we-dat-nu-weer-zeggen-sporter geworden? Wat horen jullie het liefst?

Decaesstecker: “Ik stoor mij nergens aan. Handicap mag. Atleet met een beperking is het mooiste.”

Schelfhout: “Is het echt een beperking? Onze ambitie is om de kloof tussen ons en het valide milieu zo klein mogelijk te maken en te tonen dat we heel sterke sporters zijn.”

Bij een onderbeen dat je mist, kan ik mij de beperking bij zwemmen voorstellen. Bij brandwonden en fietsen al minder.

Decaesstecker: “Mijn nadeel is duidelijk: start en keerpunten zijn minder goed en de stuwing in het water door de benen is ook minder, want ik zwem zonder prothese. Ik droom nooit van twee volledige benen en ik antwoord ook niet graag op de vraag ‘wat als?’. Maar ik kan mij wel iets voorstellen bij wat Ryan Lochte (Amerikaans valide topzwemmer, red.) moet voelen bij zijn onderwaterfase van vijftien meter, want met vinnen kan ik het wel, dus ik weet wat het is. Het is niet verboden te denken wat het zou zijn geweest als valide atleet, maar het is zinloos.”

Schelfhout: “Ik heb dat mijzelf moeten afleren. Ik was al 22 toen ik in 2008 dat ongeval kreeg; ik had net een stagecontract als prof vast, maar dat ging niet door. Tijdens mijn eerste jaar als paratleet in 2012 heb ik vaak vergeleken hoe ik koerste en trainde voor en na mijn ongeval. Mentaal was dat heel zwaar.

“Ik had ook brandwonden in de vierde graad, wat wil zeggen dat mijn huid verkleefd was aan de spieren en pezen. Dat beperkt de mobiliteit enorm. Daarnaast had ik twee zware zenuwletsels door dat ongeval. Mijn hele linkerkant was geraakt en mijn been hing alleen nog aan mijn lichaam met huid. Het gevolg van al die trauma’s is dat ik in mijn linkerbeen maar een kwart van de kracht heb van rechts. Mijn linkerarm is ook niet volledig functioneel.”

Jullie sporten in een classificatiesysteem, wat mensen met een totaal verschillende beperking in één competitieklasse onderbrengt.

Decaesstecker: “Ik zwem met mensen die wel twee benen hebben, maar die door een andere beperking evenveel nadeel ondervinden en dus in mijn klasse S10 terechtkomen. Ik ga ervan uit dat dit een eerlijk systeem is, maar er zijn aanwijzingen dat dat niet zo is.

“In mijn klasse zijn er een paar jaar geleden ineens twee Oekraïners bijgekomen die vroeger zwommen in de nationale ploeg bij de validen. Nu is er zelfs nog een derde. En ik zeg niet dat ze niks zijn tegengekomen en niet gehandicapt zouden zijn, maar in eigen land zwemmen ze 2.04 op de 200 wisselslag en op de Europese kampioenschappen zwemmen ze dan 2.15. We hebben dat gemeld en gevraagd te onderzoeken, maar de internationale bond staat machteloos. En wij kunnen niet weten wat hen scheelt, want dat behoort tot het medisch geheim.”

Schelfhout: “Je classificatie wordt bepaald door een nationale en internationale jury. Ik denk dat je het spel vuil kunt spelen. Het is zoals doping, het zal altijd blijven bestaan.”

Decaesstecker: “Het classificatiesysteem dateert van 1992 en werd ondertussen wel wat bijgestuurd, maar het is tijd voor een herziening.”

Wij begrijpen er niks van. Het publiek nog minder.

Schelfhout: “Als je naar onze kilometer op de baan komt kijken, dan wint niet noodzakelijk de snelste. Wij rijden met de categorieën C1, C2 en C3 samen. Onze tijd blijft staan en die van de C1 en C2 krijgen een coëfficiënt, waardoor het voor ons heel moeilijk is om te winnen op dat nummer. Omgekeerd winnen meestal de C3’s op de weg of in de tijdrit en is het voor de C1 en C2 nagenoeg onmogelijk om ons te kloppen.”

Decaesstecker: “Het is erg verwarrend. Er worden vijf verschillende 100 meters vrije slag gezwommen, gelukkig op verschillende dagen, maar ze zijn er wel. En in mijn categorie staan er atleten met één been op het blok naast atleten met twee benen. Dan krijg ik sms’jes: het was niet eerlijk, hè, want jij was de enige met één been.

“Duidelijkheid zul je maar krijgen als je voor bepaalde sporten de handicaps beperkt: zoals voor rolstoelrugby, dat alleen dwarslaesies toelaat. Je zult moeten komen tot bijvoorbeeld zwemmen alleen voor wie in een rolstoel zit, en fietsen enkel voor prothesen, maar dan sluit je heel wat mensen uit.”

Marc Herremans wilde de mensen aanvliegen die hem vroegen of hij een rijker mens was geworden door zijn handicap, maar hij gaf wel toe dat hij een ander mens was geworden.

Schelfhout: “Heel eenvoudig: je karakter is versterkt. Je gaat makkelijker door, je relativeert makkelijker een tegenslag.”

Decaesstecker: “Had je al niet zo’n sterk karakter en sta je daarom waar je nu staat? Er zijn er genoeg met onze tegenslag die wél in een hoek zijn blijven zitten. Wij zijn blijven sporten, maar misschien zat dat al in ons.”

Zou het geld van de paralympische topsport niet beter worden besteed aan de inclusie van iederéén met een beperking in de sport, want daar is nog veel werk.

Decaesstecker: “Ik zwem al twintig jaar tussen de validen, dus soms kan het. Maar om de inclusie helemaal door te trekken naar Olympische Spelen voor validen en atleten met een beperking, dat is volgens mij een illusie.”

Schelfhout: “Ik heb het geluk dat Etixx-QuickStep mij ondersteunt en binnen de wielerwereld heeft dat deuren geopend voor anderen. De reactie van de ploeg was ook top. Ik ging mee op stage, ik kwam in de media, allemaal met dank aan Patrick Lefevere.”

Decaesstecker: “De waardering bij het grote publiek is totaal verschillend vandaag vergeleken bij mijn eerste Spelen in Athene in 2004. Toen wist niemand wat de Paralympics waren. Het BOIC heeft ons ook bij het Rio House in Oostende betrokken en dat is opgepikt door de media.

“Wat de aandacht betreft, zie ik weinig verschil met pakweg judo. Is daar dan in de loop van het jaar aandacht voor? Taekwondo hetzelfde. Het enige minpunt van de aandacht of het gebrek eraan, is dat we nogal vaak in de rubriek ‘human interest’ staan en minder op de sportpagina’s.”

Schelfhout: “Onze verhalen zijn nu wel al bekend, zeker?”

Hoe kijken jullie naar Marieke Vervoort? Een euthanasiewens en topsport gaan moeilijk samen, en is topsport nog gezond als je zo ziek bent?

Schelfhout: “Zij krijgt heel veel belangstelling en dat straalt af op de volledige paralympische sport. Alleen zijn de media wel een beetje selectief in wie ze een podium geven. In haar categorie is er ook niet zoveel tegenstand, maar het blijft een goeie atlete.”

Decaesstecker: “Dat is wat ik bedoelde met die human interest. Zoekt Marieke die aandacht ook niet wat op? Ik weet het niet. (aarzelt) Het is moeilijk, want ik mag haar wel.”

Schelfhout: “Topsport is nooit gezond, maar het klopt dat in mijn geval die topsport het onevenwicht tussen mijn beide lichaamshelften nog meer in de verf zet, maar dat is een keuze die ik maak en die Marieke ook heeft gemaakt.”

Decaesstecker: “De nadelen wegen niet op tegen de voordelen. Topsport heeft geholpen bij mijn revalidatie, heeft geholpen voor mijn zelfbeeld. Juist, ik kan mijn beperking ook makkelijker wegsteken dan Diederick. Als ik een lange broek draag en erop let dat ik mooi stap, zie je het verschil niet. In korte broek zie ik mensen weleens staren naar mijn prothese, maar dat neem ik er gewoon bij.”

Schelfhout: “Dat ik een pet en een zonnebril draag, heeft niks te maken met wegstoppen, maar met het licht dat ik moeilijk verdraag omdat mijn oogvliezen ook verbrand waren. Ik heb van in het begin gezegd: wie mij niet kan aankijken, moet zich maar omdraaien.

“Natuurlijk is het soms vervelend dat mensen mij maar blijven aanstaren. Kinderen zijn anders. Die komen meestal op je af en vragen: mijnheer, wat is er gebeurd? Waarna ik het uitleg. Het meest deugddoende zijn die Facebook-berichten: ‘Hallo Diederick, ik heb ook brandwonden en nu ik jouw verhaal ken, kom ik ook meer buiten.'”

Die topsport is voor jullie toch een bevrijding?

Schelfhout: “Tot ik hoorde dat ik niet geselecteerd was. Dan heb ik die fiets twee, drie weken niet bekeken. Nu weer wel. Ik amuseer mij met die fiets. Ik studeer voorlopig ook niet meer. Eerst wil ik kijken hoe ver ik hiermee geraak en dan zien we wel.”

Decaesstecker: “De gedachte dat dit mijn laatste Spelen kunnen zijn, is niet prettig. Ik hou wel van dit bestaan: twee keer per dag trainen en tussenin rusten, krachttraining en kine. (lacht) Of zoals vandaag naar de VRT gaan en daarna een interview.

“Ik werk ook niet, want ik heb sinds 2009 een topsportcontract bij Sport Vlaanderen. Ik ken ondertussen ook veel mensen in die wereld, dus ja, ik zal het zeker missen als het stopt.”

Is de vraag relevant of je nog terugdenkt aan wat je mist?

Decaesstecker: “Dat is geleden van toen ik een tiener was en absoluut wilde meedoen met de andere kinderen die op de speelplaats aan het basketten waren. Ik deed mee en had daarna vijf dagen last. Ik ken mijn grenzen: ik weet wat ik kan, wat mag en wat gezond is voor mij, en als je die grenzen hebt bepaald, is dat prima vol te houden.

“Ik zag laatst wel mijn trainer met zijn kinderen een modderwandeling maken. Toen dacht ik: als ik ooit kinderen heb, moet ik daar niet aan beginnen of mijn prothesen zijn kapot.”

Schelfhout: “Ik fiets in het valide milieu, dus mis ik eigenlijk niks en dat is mentaal wel een opsteker. Ik koers wel niet meer zo aanvallend als vroeger, omdat ik met een ander lichaam koers. Heb ik nog mijn dipjes? Zoals iedereen zeker?”