Black Power, deel 2 in De Morgen van 1 okt 2016

De zwarte sporter maakt weer een vuist

Vijftig jaar na de eerste grote revolte van de zwarte atleet is nu een nieuwe generatie miljonairs-activisten opgestaan. Voorlopig met beleefd protest, maar hoe reageren de NBA-spelers dit weekend bij de start van het seizoen?

Zwarte atleten hebben een bijzonder statuut in het meritocratische Amerika, want ze zijn niet helemaal zwart. Een scène uit de Spike Lee-film Do the Right Thing vat het ongeveer samen. Mookie, gespeeld door Spike Lee, is een zwarte pizzajongen, Pino is de Italiaanse zoon van de pizza-eigenaar.

Mookie: “Wie is je favoriete basketbalspeler?” Pino: “Magic Johnson.”
Mookie: “Wie is je favoriete filmacteur?”
Pino: “Eddie Murphy.”

Mookie: “Wie is je favoriete rockster? Prince, hè? Geef toe.”

Pino: “Nou en?”

Mookie: “Pino, je hebt het alleen maar over nigger hier en nigger daar en al je favoriete bekende mensen zijn niggers.”

Pino: “Dat is verschillend. Magic, Eddie en Prince zijn geen niggers. Ik bedoel: ze zijn niet echt zwart. Wat ik wil zeggen: ze zijn wel zwart, maar niet helemaal zwart. Ze zijn meer dan zwart.”

Méér dan zwart. Ooit werd in een straatenquête gevraagd om zo snel mogelijk het ras van bekende Amerikanen aan te duiden. Bij ’s werelds beste sporter en basketbalgod Michael Jordan werd het langst geaarzeld. De National Basketball Association vond dat passe- partoutimago van haar ster prachtig, want zo maakte Jordan de NBA weer aanvaardbaar voor de midden- en toplaag van blanken die zich in de jaren 70 hadden afgekeerd van die broeihaard van drugs en corruptie. Mede door Jordan werd de NBA ‘a black man’s game, for a white man’s audience’.

Jordan was niet altijd zo rassenloos. In de traditioneel zwarte verzetshaard Chicago werd hij al snel gerekruteerd door de linkse dominee Jesse Jackson en zijn volgelingen. Hij werd lid van het zwarte broederschap Omega Psi Phi en wie ooit beroepshalve dicht bij een halfnaakte Jordan stond, kon op zijn borst de getatoeëerde omega herkennen.

De tattoo volstond; voor de barricaden bedankte hij, zoals al zijn zwarte collega’s in alle sporten in de jaren 80 en 90. “Begrijpelijk”, spotte zijn illustere voorganger Kareem Abdul-Jabbar die in de jaren 60 en 70 wél de revolte van de zwarte atleet in daden omzette: “De jongens vandaag hebben het te druk met hun imago en geld verdienen.”

Jordan oversteeg zijn ras niet, hij vermeed het, en hij deed ook niet aan politiek. “Republicans buy Nike too”, zei Jordan ooit. In interviews ten tijde van de Rodney King- en O.J. Simpson-affaires – toen zwart en niet-zwart in de VS ook al lijnrecht tegenover elkaar stonden – nam all American Michael Jordan nooit een standpunt in.

Vandaag is Jordan 53, speelt geen basketbal meer, is sinds 2014 volgens Forbes dollarmiljardair en eigenaar van een NBA-team, maar deze zomer kon hij niet langer zwijgen. Op de zwarte sportwebsite The Undefeated (een sub brand van ESPN) publiceerde hij volgend (ingekort) statement:

“… Als een trotse Amerikaan, als een vader die zijn eigen vader heeft verloren in een daad van zinloos geweld (zijn vader werd in 1993 vermoord langs de snelweg door blanke kruimeldieven, HV), ben ik diep geraakt door de dood van African-Americans door de politie, maar evengoed ben ik boos na de hatelijke aanslagen op de politie.

“We moeten oplossingen vinden om gekleurde mensen een eerlijke en gelijkwaardige behandeling te geven en tegelijk de politie te respecteren.”

De GOAT – de greatest of all time – had gesproken: de wereld aan de andere kant van de oceaan stond heel even stil. Als zelfs Jordan het al op zijn heupen krijgt, hoe erg moet het dan wel niet zijn?

Vrouwen eerst

Michael Jordan was niet de eerste zwarte sporter die van zich liet horen in deze uitzonderlijk hete Amerikaanse zomer vol rassenrellen en met het ene na het andere incident. Die eer kwam de vrouwen van de Women’s NBA toe: op 9 juli droegen speelsters van de Minnesota Lynx warm-up shirts met daarop ‘Black Lives Matter’.

De dagen daarna volgden New York Liberty, Indiana Fever en Phoenix Mercury hun voorbeeld. Tina Charles ontving haar Player of the Month-award met haar shirt binnenstebuiten als een reactie op het dreigement van de WNBA om hen te beboeten, wat een week later ook effectief gebeurde. Daarop volgde een media black-out, geen woord kregen de reporters nog uit de vrouwen.

De WNBA is met 70 procent de meest zwarte vrouwencompetitie van de hele VS, maar stelt economisch niets voor en daarom passeerde hun protest haast onopgemerkt. Andere koek was het toen op 13 juli vier van de beste zwarte NBA-spelers van het moment bij de ESPY Awards samen een lange speech hielden. Gekleed in een donker pak, met een bedrukt gezicht en passende lichaamstaal, begon Carmelo Anthony van de Knicks, viel Chris Paul in, gevolgd door Dwyane Wade. LeBron James besloot met de woorden: “We gaan hier vanavond Ali eren. Laten we dat doen door als atleten niet langer te zwijgen.”

Op 9 juli had ‘Melo’ Anthony zich al via Instagram tot zijn volgelingen gericht. “Ik ben voor marsen, protesten, vechten voor ons volk. Ik wil zelfs de aanval voeren. Het systeem is kapot. Martin Luther King marcheerde. Malcolm X rebelleerde. Muhammad Ali vocht. We kunnen niet langer bang zijn voor de sponsors die we gaan verliezen. Collega-atleten, the time is now. Demand change.”

Kort daarna vertrok Melo Anthony als captain van de Amerikaanse ploeg naar de Olympische Spelen in Rio. Als dat maar goed afloopt, was de reactie. Het liep goed af: na een aarzelende start verpletterde Team USA alle tegenstand, met alleen maar zwarte spelers. Anthony begon in zijn laatste persconferentie opnieuw over de heropbouw van Amerika en hoe hij daaraan constructief wil meehelpen.

Opvallend in die eerste boodschap van 9 juli, twee dagen na de aanslag op de politie in Dallas, was de foto die Anthony daarbij had gebruikt: het iconische beeld van de zogeheten Muhammad Ali-top van Cleveland 1967. Zwarte sporters kwamen die dag Ali ondervragen over zijn dienstweigering en de verwachting van de blanke sportpers was dat ze hem zouden overhalen om toch dienst te nemen, waarna hij alsnog niet naar Vietnam zou worden gestuurd.

Het liep totaal anders en ze betuigden hun steun. “We begrijpen hem en zijn geloof, en steunen hem in zijn beslissing.” Naast Ali zat de zwarte crème de la crème van de Amerikaanse topsport: de basketbalspelers Bill Russell en Lew Alcindor (later Kareem Abdul- Jabbar) en American footballspeler Jim Brown.

Belediging van de vlag

Dat 1967 was hét scharnierjaar. Eerst kwamen de regelneven van de universitaire sport met de regel dat dunken in universitaire competities voortaan verboden was. Een duidelijke maatregel tegen Lew Alcindor en andere zwarten die fysiek te dominant waren geworden. Alcindor/Abdul-Jabbar sprak over openlijk racisme en zou daarop een ander geheim wapen perfectioneren: de skyhook.

Een maand later weigerde Ali dienst, waarop de Ali-top in Cleveland plaatsvond. Nog iets later kreeg aan de Westkust het verzet tegen zwarte deelname aan de aanstaande Spelen in Mexico gestalte onder de paraplu van het Olympic Project for Human Rights (OPHR). Het was het een na het ander, met op de achtergrond ook nog eens het groeiende verzet tegen de Vietnamoorlog. De monden van blank Amerika vielen collectief open.

‘Uppity niggers’. ‘Aanmatigende, omhooggevallen negers.’ Zo werden in de jaren 60 de zwarte sporters als Russell, Abdul-Jabbar, Brown en alle anderen genoemd die veel geld verdienden in een door blanke eigenaars gedomineerde Amerikaanse sporteconomie maar toch de pretentie hadden zich te laten gelden in de beweging voor zwarte burgerrechten. Het waren ondankbaren, vergeten waar ze vandaan kwamen. Of net niet.

De meest spraakmakende actie werd overigens niet in de VS gevoerd, maar in het Aztekenstadion in Mexico City op 16 oktober 1968, bij de medaille-uitreiking van de 200 meter. Gouden Tommie Smith en bronzen John Carlos stonden op het podium in zwarte sokken als symbool voor de zwarte armoede, met een vuist gehuld in een zwarte handschoen opgestoken in de lucht, de Black Power-groet, en het hoofd naar de grond gebogen als verwijzing naar de lynchings van zwarten.

Smith en Carlos waren lid van het Olympic Project for Human Rights van de zwarte sociologieprofessor Harry Edwards. Die doceerde aan de University of California in Berkeley, ook een haard van verzet tegen de Vietnamoorlog. OPHR vroeg de boycot van apartheidslanden Zuid-Afrika en Rhodesië, de teruggave van de wereldtitel aan Ali, het aftreden van de racistische Avery Brundage als voorzitter van het Amerikaans Olympisch Comité en het aanstellen van meer zwarte coaches.

Edwards’ lessen in communisme (aldus de latere president Ronald Reagan) beïnvloedden veel topsporters uit die tijd, zoals Lew Alcindor, die nochtans op het rivaliserende UCLA studeerde. Alcindor bleef thuis van de Olympische Spelen. Smith en Carlos niet, maar zij zouden de wereld choqueren en het bloed van onder de nagels halen van het blanke establishment, dat hun actie interpreteerde als een belediging van de Amerikaanse vlag en de Star-Spangled Banner, het volkslied.

Shirts verbrand

Dat wist quarterback Colin Kaepernick maar al te goed toen hij eind augustus in een voorbereidingswedstrijd op de American footballcompetitie bleef zitten tijdens het nationale volkslied. Kaepernick gaf na afloop een achttien minuten durende les in mensenrechten en activisme. Die ene zin bleef hangen: “Waarom rechtstaan voor een vlag en volkslied als in naam daarvan een heel ras wordt onderdrukt?”

Kaepernicks shirt werd verbrand, hijzelf werd voorwerp van beledigingen en zelfs Donald Trump haalde uit. Het zwaarste verwijt aan zijn adres was dat hij dedain had getoond voor alle militairen die in naam van de vlag ergens ter wereld vochten. Daar had het halfzwarte adoptiekind, opgevoed in een blank middenklassengezin, oren naar. Hij inviteerde Nate Boyer, een vroegere NFL-collega die als green beret (elitecommando) had gediend in Irak en Afghanistan en in een open brief Kaepernick had bekritiseerd. Na een goed gesprek kwamen ze tot de consensus dat Kaepernick in het vervolg niet zou blijven zitten, maar zou knielen op één knie, een gebruik uit het American football, maar ook in het leger, waar het voor een moment van bezinning staat.

No justice, no LeBron

Bij de wedstrijd die avond kon weeral een iconisch beeld worden geschoten: de blanke Nate Boyer verscheen aan de zijde van Kaepernick en zijn ploegmaat Reid bij het volkslied: de twee activisten knielden, de patriot stond achter hen recht, hand op het hart. Kaepernick besloot die namiddag ook één miljoen dollar van zijn salaris (van 11 miljoen dollar) weg te geven aan goede doelen. Na die boodschap van begrip werd het nummer 7 van de San Francisco 49’ers, het shirt van Kaepernick, in de eerste twee weken van de reguliere competitie ineens het meest verkochte in de VS. Sindsdien is bij alle wedstrijden door zwarte NFL-spelers tijdens het nationaal volkslied geknield, maar tot een overweldigend massale steunbetuiging kwam het nooit.

Dit weekend begint de voorbereidingsperiode op het NBA-seizoen. De eerste wedstrijden in het preseason staan voor vanavond geprogrammeerd. Afwachten hoe de van oudsher meest zwarte (75 procent) en meest militante competitie reageert. De slogan
No justice, no LeBron leeft en die betekent zoveel als “indien geen gerechtigheid, dan moet LeBron James ook niet spelen”. Het verschil tussen Colin Kaepernick en pakweg Carmelo Anthony en LeBron James is hun status: de basketbalspelers behoren tot de absolute wereldtop en worden door hun collega’s gezien als rolmodellen. Als zij doorgaan met hun al dan niet stil protest, of als nieuwe incidenten nieuwe levens eisen van zwarten, zou de vlam in de pan kunnen slaan.

De verwachting is ook dat nogal wat blanke spelers mee hun steun zullen betuigen. Uit opportunisme in een competitie waar soms 95 procent van de starting five zwarten zijn, maar ook omdat de NBA de meest liberale competitie is in de VS, met een traditie in politieke stellingnames. Tegen de oorlog, maar recentelijk ook tegen de wet in North Carolina die transgenders verplicht om de toiletten van hun oorspronkelijk geslacht te gebruiken. De NBA haalde daarop het All Star Game van februari 2017, een miljoenenaffaire, weg uit Charlotte. Ook Steve Kerr, luitenant van het grote Chicago naast Jordan, en nu coach van vicekampioen Golden State, kwam twee weken geleden nog militant uit de hoek na de dood van Terence Crutcher, een zwarte vader van vier kinderen die werd neergeschoten hoewel hij twee armen in de lucht had gestoken.

Kerr is de zoon van een ex-UCLA-professor in Midden-Oosten-studies die achttien maanden nadat hij in Beiroet rector was geworden van de Amerikaanse universiteit, door een jihadi werd doodgeschoten. Kerr, blank ervaringsdeskundige in zinloos geweld, koos duidelijk een kant: “Ik ben gedegouteerd en begrijp het protest. Ik weet ook dat nogal wat NBA-spelers zijn geïnspireerd door de correcte manier waarop Kaepernick zijn onvrede uit. Ik denk dat we dit ook bij ons zullen zien.”

In dit verhaal staat enkele keren het racistische woord ‘nigger’, onder meer in citaten of historische begrippen. De redactie is van mening dat de journalistieke context een beperkt gebruik wettigt.