Column Die gekke Giro in De Morgen van zaterdag 13 mei 2023

Die gekke Giro

Op Twitter heeft een discussie gewoed over de zin en onzin van de triptiek Vuelta-Giro-Tour, in die strakke volgorde. Toch zat er een logica in die opbouw. Althans voor Remco Evenepoel, een atleet met schijnbaar onbegrensde mogelijkheden, maar ondanks die grote ronde op het palmares zonder al te veel ervaring en met een jonge ploeg.

Er was één grote maar: zou je dat wel doen, die gekke Giro? Die is doorgaans minder hectisch dan de Tour, maar het weer is er slechter dan in Spanje en in Frankrijk, de hellingen zijn steiler en het parcours is gevaarlijker. De Giro is al te vaak wat het wielrennen niet meer zou moeten zijn: een gladiatorenstrijd waarbij slachtoffers vallen.

Hoe en waarom de Giro gevaarlijker is dan iedere andere grote ronde, daar bestaat geen twijfel over: drama en spektakel staan voorop, sport als opera. De Giro wil niet het Italiaanse doorslagje van de Tour zijn, maar dat is het wel. De Tour dateert van 1903, initiatief van de sportkrant L’Equipe. In 1909 ging de eerste Giro van start, initiatief van de sportkrant La Gazzetta dello Sport.

In 1919 begon L’Equipe met de gele trui, naar het gele papier waarop de sportkrant toen werd gedrukt. Hup, in 1931 volgde de Giro met de roze trui, met dank aan het roze papier van de Gazzetta. In 1910 trok de Tour voor het eerst naar het hooggebergte (de Pyreneeën) en een jaar later moest de Giro ook de bergen in. Probleempje waren de slechte wegen in de bergen, tot iemand suggereerde dat naar Sestrière een soort weg bergop lag die ook echt op een weg leek.

Aan hellingen sinds een jaar of vijftig geen gebrek meer en deze eeuw is het devies in de Giro: hoe vaker en hoe steiler, des te beter. De Zoncolan, de Mortirolo, een klimtijdrit op een skipiste (Kronplatz of Plan de Corones) of nog gekker, het kan niet op in de Giro. Die van 2011 was de ergste: maar liefst acht etappes eindigden bergop en daarbij waren er ook nog eens drie tijdritten.

2011 was de editie waarin Wouter Weylandt overleed na een zware val in de afdaling van de Passo del Bocco. Dat drama kan niet direct worden gelinkt aan de zwaarte van de Giro, maar had wel veel, zo niet alles te maken met het ondergeschikte belang van de veiligheid.

In die editie stond ook de afdaling van de Monte Crostis gepland. Niet alleen werden daarvoor meer dan duizend bomen omgehakt, de hele afdaling was zo gevaarlijk dat ze werd ‘beveiligd’ met honderden meters skinetten en driehonderd matrassen. Na de vreselijke crash van Weylandt wilde het peloton de Crostis niet meer aandoen.

De gekke Giro is zich van geen kwaad bewust. In 2017 wilde hij zelfs met Pirelli als sponsor een prijs voor de snelste daler invoeren. Ook daar stak het peloton een stokje voor. Renners weten maar al te goed hoe gevaarlijk koersen in Italië en dus in de Giro is. Dat zag je afgelopen woensdag in de rit naar Salerno toen ze met een half uur vertraging op het traagste uurschema arriveerden omdat ze elke bocht, elke afdeling uiterst voorzichtig reden.

Desondanks werd het een incidentrijke rit. Een zwerfhond zorgde al snel voor ravage bij Soudal-QuickStep en de roze trui lag er ook bij. De hele rit ging het goed, tot op zes kilometer van de aankomst in een flauwe bocht een aantal renners onderuit gingen over het natte, pas aangelegde en o zo vettige asfalt. Primoz Roglic, de grootste uitdager van Evenepoel, moest vol aan de bak en toen hij weer aansloot, ging in de hectiek van de spintvoorbereiding Evenepoel zelf in de fout en viel op zijn beurt. Al was het vreemd dat hij daar niet door meer ploegmaats werd beschermd. Lance Armstrong was dit nooit overkomen.

Ten slotte gleed Mark Cavendish na een circusnummer nog als vijfde over de aankomst. Het deed denken aan de rit in 2008 in Napels toen de helft van het peloton viel over spekgladde, olienatte wegen en de aangesnelde mecaniciens zich evenmin recht konden houden.

Geen wedstrijd die het wielrennen vaker een spiegel voorhoudt dan de Giro. Als wielrennen een volwassen, keurig georganiseerde en goed bestuurde sport zou zijn, dan zouden ze in vlakke etappes al veel eerder dan de laatste drie kilometer de tijdsopname neutraliseren. Dan zouden ze in massasprinten het aantal toegelaten renners per ploeg vanaf kilometer vijf beperken. Dan zou de rennersvakbond zonder garantie op schoongespoten wegen weigeren in het zuiden van Italië te koersen. En ga zo maar door.

En als de organisatoren van de Giro een beetje normaal hadden gedaan en geen moordende derde week hadden geprogrammeerd, dan zou de Gran Sasso van gisteren niet de grote sof zijn geworden. Dertig man, onder wie alle toppers, die zij aan zij naar boven rijden, nooit gezien. Als opgestoken vinger naar de organisatie kon dat tellen.

Column Emmanuel Gift Orban in De Morgen van maandag 8 mei 2023

Emmanuel Gift Orban

Wat bezielde hem? Wat ging er op dat moment om in zijn brein? Het kan toch niet dat dit was afgesproken, maar daar leek het wel op. Was er dan niemand die hem had gezegd, dat het geen goed idee was om na vijftien minuten zitten in de kleedkamer en daarna wat obligate pasjes op het veld meteen van bij zijn eerste balcontact er een lel op te geven?

Oké, er wordt bij het begin van de tweede helft de laatste jaren wel wat heen en weer gehupt, kwestie van het lijf cardiovasculair op gang te krijgen, maar daar is geen bal bij betrokken.

Heeft niemand hem gewaarschuwd: pas op voor een spierverrekking of nog erger een scheur? Wellicht wel, maar bij AA Gent weten ze inmiddels: de gewone wetten van het voetbal zijn niet altijd van toepassing op deze jongen. En luisteren is ook niet zijn sterkste gave.

In de sport worden de termen historisch en fenomeen al te vaak gebruikt, maar Emmanuel Gift Orban van AA Gent is een fenomeen. Hoe die deze competitie (en niet te vergeten Europa) is binnengestormd, is ronduit uniek. Hoe hij zaterdagavond bij de aftrap van de tweede helft achter de bal ging staan, hooguit anderhalve meter aanloop, en die bal op de lat van Arnaud Bodart poeierde, nooit gezien. De fase is terug te kijken op Sporza en luister dan ook naar de verwondering van Peter Morren en Gert Verheyen.

Er zijn er wel meer die zo’n lange bal kunnen trappen. Hein Vanhaezebrouck kon het in zijn prime naar eigen zeggen ook natuurlijk, het was van verder en hij had zelfs gescoord, maar wel op een lager niveau. Meer zelfs, elke profvoetballer zou dit moeten kunnen, maar het zal bij Hein en al die anderen niet met die kracht, niet met die curve, niet met die precisie zijn geweest.

De meeste van dat soort pogingen gaan te hoog, zijn te lang onderweg en worden vangballen voor de achteruitlopende doelman. Niet Orban. Om in het jargon van dit tijdsgewricht te blijven, die schoot een supersonische telegeleide raket af langs een perfect uitgekiende parabool.

Bodart had twee keer alle geluk van de wereld. De eerste keer dat het schot op de deklat uiteenspatte en een tweede keer dat de bal niet via zijn rug alsnog in doel belandde, maar in het veld. Je ziet de doelman daarna hoofdschuddend denken: waar kwam dit ineens vandaan, van welk onheil ben ik nu miraculeus gespaard gebleven? Geen haar scheelde het of Bodart was als posterboy van Orban de wereld rond gegaan.

Die trap moet worden ontleed. Dit was alles behalve een zondagsshot. De boog was minimaal, de zijdelingse curve of afwijking ook. Dit was een meesterlijke trap van een voetballer die tot voor een paar maanden ergens in de Noorse tweede klasse zijn boterham verdiende. Orban kwam al bij toeval in Gent terecht omdat ze daar plots gruwelijk veel geld kregen voor een salonvoetballer van Marokkaanse origine en een scout zich hard maakte dat ze die al bij al dure maar nog jonge Nigeriaan later voor een veelvoud zouden kunnen verkopen.

De eerste negen wedstrijden scoorde Orban twaalf keer. Twee keer tegen Westerlo, vier keer tegen Zulte Waregem, drie keer in Turkije tegen Basaksehir, maar het doelpunt dat het meeste indruk maakte was die afgemeten harde krul tegen Anderlecht. Nadien viel hij een beetje stil, verhuisde zelfs even naar de bank en zat in de kapitale verloren blamage tegen Oostende ook niet in de wedstrijd en kwam evenmin uit de verf tegen West Ham. Sinds de start van de Europe play-offs is hij weer op toerental met twee doelpunten in twee wedstrijden. Hij zit nu aan zestien doelpunten en twee assists in achttien wedstrijden.

Gift Orban heeft het allemaal. Hij weet het doel staan, hij ziet voetbal, is technisch goed ontwikkeld, heeft snelheid, is explosief en beschikt over een zuivere, snelle en harde trap. Links en rechts. Het bewijs leverde hij zaterdagavond nog eens bij die aftrap en eerder al met een fenomenale vrije trap in Waregem. Zijn grootste verbeterpunt is zijn duelkracht, daar kan nog wat bij. Zijn egotripperij, daar valt weinig aan te veranderen en daar blijf je ook beter af.

Hein Vanhaezebrouck, die zelf niet langer onomstreden is in Gent, haalde vorige vrijdag een klassieke truc uit: hij reageerde erg overtrokken op een analyse van Orban als risicopatiënt waarbij de naam Lamkel Zé viel. Hoewel daarin werd aangegeven dat de vergelijking mank loopt, vond HVH het toch een aanleiding om de media heel even tot gemeenschappelijke vijand te bombarderen.

De analyse was nochtans correct. Deze Gift Orban is te groot voor AA Gent, maar ook te gek en te goed om waar te zijn. Vandaar dat je hem beter deze zomer al zo duur mogelijk verkoopt.

Column Wedergeboorte in De Morgen van zaterdag 6 mei 2023

Wedergeboorte

De ene steekvlam brandt nog, steek de andere in gang. Na Lucaaaah is het aan Remcooooh. Die stapt vandaag op zijn tijdritfiets met als enig doel het veroveren van de roze leiderstrui in de Giro d’Italia, om die vervolgens zo snel en gecontroleerd mogelijk weer af te staan. Als u nu al een indigestie voelt opkomen, dit stukje volstaat om mee te zijn.

Opdracht: al meteen een zo groot mogelijke marge creëren op de naaste concurrenten voor de eindzege. Vervolgens in de zware bergritten minstens ‘gelijkspelen’ of de tegenstand naar huis rijden, en uiteindelijk de kloof uitdiepen en veiligstellen in de twee tijdritten die nog volgen.

De openingsetappe is geen sprintproloog, wel een echte tijdrit langs een oude spoorlijn omgedoopt tot Via Verde della Costa dei Trabocchi aan de oostkant van de Abruzzen. 19,6 kilometer, dat is lang en dat is geen toeval. Deze Giro is Remco Evenepoel op het lijf geschreven. Organisator RCS Sport wil Evenepoel op de erelijst vooraleer hij beslist om vanaf volgend jaar steeds weer van de Tour zijn hoofddoel te maken. Dat zegt heel veel over de status die de kleine van Schepdaal heeft verworven.

Drieëntwintig jaar en al twee keer op rij winst in ‘Liegi’, de belangrijkste klassieker buiten Italië voor de Italiaanse wielerfan, dat kunnen ze in de laars waarderen. Zijn bijna desastreuze bungeejump zonder elastiek in de Ronde van Lombardije in 2020 zit daar ook nog in het geheugen. La rinascita del campione, een grote kans dat dit de komende weken een kop wordt in een van de Italiaanse media. Rinascita is Italiaans voor renaissance en waar kun je beter weder worden geboren dan in Italië?

Evenepoels eerste optreden in de Giro dateert van 2021. Hij gaf toen op in de zeventiende rit nadat hij van in het begin op achtervolgen was aangewezen en uiteindelijk van het kastje naar de muur werd gereden. Wie de foto’s van Evenepoel van 2020 naast die van 2023 legt, ziet meteen het verschil. Het mannetje is een man geworden, het babyvet is weggesmolten op de flanken van de Teide, winst in twee monumenten en een wereldtitel gaven hem rust tussen de oren. Hij weet dat hij in normale omstandigheden iedereen die vandaag in Fossacesia aan de start staat moet aankunnen.

De valkuilen zijn die van alle grote rondes: recht blijven, zo min mogelijk schade oplopen bij een uitschuiver, niet lekrijden op cruciale momenten, hopen dat het team het houdt en vooral niet ziek worden, nu covid weer op gang is in het peloton. Dat team was vorig jaar ondanks de gewonnen Vuelta nog zijn grootste zorg. Vandaag heet het dat hij ten volle gelooft in zijn eigen pretorianen.

Nieuw voor Evenepoel is wellicht dat, in tegenstelling tot die Vuelta vorig jaar, waar zijn enige concurrent Primoz Roglic letterlijk wegviel (toen hij al op achterstand stond), in deze Giro nog andere renners aan de start staan met ambities.

Roglic is er nu weer bij en heeft in Catalonië bewezen dat hij Evenepoel kon volgen. Evenepoel heeft er sindsdien nog een trainingslaagje bovenop gelegd, oogt scherper dan ooit, maar Jumbo-Visma kennende is dat ook het geval voor Roglic. Het grootste onbekende gevaar komt in principe van Ineos Grenadiers, die met een tweetrapsraket naar Italië komen. Geraint Thomas won ooit een Tour. Tao Geoghegan Hart won de Giro twee jaar geleden. Hun supporting cast overtreft ruim die van Evenepoel.

Als Roglic, Thomas, Geoghegan Hart, João Almeida, Aleksandr Vlasov, Thibaut Pinot, Jack Haig, Damiano Caruso en Hugh Carthy de handen in elkaar slaan (twee of drie van hierboven volstaan), dan moet de jonge Wolfpack vol aan de bak. Jumbo-Visma, Ineos Grenadiers, UAE Team Emirates, Bahrain Victorius, Bora-Hansgrohe, EF Education, Groupama-FDJ, allemaal zullen ze naar de blauwe mannen van Soudal-QuickStep kijken om de kastanjes uit het vuur te halen.

Dat is het voorspelbare scenario met één topfavoriet die graag aanvalt en een tweede die bekendstaat om eerst het bord van een ander leeg te eten (Roglic). In de zware bergritten kan een goede Evenepoel zelf de meubelen redden, maar het gevaar schuilt in de overgangsritten en de vroege vluchten. Als een kwalitatieve groep met daarbij een schaduwfavoriet een mooie voorsprong bij elkaar rijdt, wordt het alle hens aan dek.

Deze Giro is een van de zwaarste ooit met 51.400 hoogtemeters en het zwaartepunt in een gruwelijke derde week. Als Evenepoel en co. dit kunststuk tot een goed einde brengen, bij voorkeur afgetopt met een demonstratie op de Tre Cime in de negentiende rit, zijn hij en zijn team klaar voor een Ronde van Frankrijk tegen de allergrootsten. Afspraak over drie weken.

Column Lucaaah-manie in De Morgen van dinsdag 2 mei 2023

Lucaaaaah-manie

Bij het ter perse gaan of althans het moment waarop de redactie deze column ingeleverd wilde zien, was nog niet bekend wie nu wereldkampioen snooker zou worden, de virtuoos Luca Brecel of de stoïcijn Mark Selby. De stand na de derde sessie, begonnen om 14 uur gisteren, was 10-15 in het voordeel van de Belg.

Bij het begin van de middagsessie won Brecel de eerste vier frames en de 8-9 van zondagavond laat werd ineens 8-13. 15u12 CET, zomeruur, dus kwart over twee in Sheffield en Luca Brecel had nog vijf frames nodig. Twee uur later miste hij nog drie frames. In de avondsessie stonden er nog tien geprogrammeerd.

Sinds zondagavond zit ik gebiologeerd te kijken naar dat snooker, een caféspel uit mijn jongvolwassen jaren waar ik nooit een jota van snapte en ook niet wilde snappen omdat snooker mij als knullige tapbiljarter veel te moeilijk leek om ooit aan te beginnen. Later, als sportjournalist, had ik er geen aandacht voor. Te veel andere, echte sport om naar te kijken.

We moeten het eerst hebben over de olifant in de kamer: neen, snooker is geen sport. Als u derhalve opmerkt dat deze column over snooker gaat en wel degelijk op de sportpagina’s staat, dan is dat goed gezien. Daar is geen goede reden voor, behalve dat dit mijn plek is en het na al die jaren ook is gaan dagen dat de wereld niet perfect en al helemaal niet zwart-wit is.

Toch even de puritein spelen. Om van sport te kunnen spreken bij een spel of een prestatie moet er sprake zijn van: – een competitie tegen een ander individu of team of tijd of score (check)
– afgesproken internationaal vastgelegde regels (check)
– een fysieke inspanning, die een effect heeft op hart- en bloedvaten (uncheck).

Die laatste voorwaarde — spanning alleen is niet voldoende — is meteen de meest in het oog springende en de meest omstreden omdat ze een aantal spelen, bezigheden of skills uitsluit, terwijl die over de jaren heen de status sport hebben verkregen. Denksport bijvoorbeeld. Of hengelsport. Of golf. Of darts. Of schieten. Of curling. Zeker e-sports. En jawel… alle vormen van biljart.

Bovenstaande drie criteria werden ooit opgesteld tijdens een sessie van de Sportakademie (is met K geschreven in het Duits), een lessenreeks voor jonge sportjournalisten aan de Sporthochschule in Keulen die tot doel had onze achtergrondkennis van sport en prestaties op te krikken.

De voorzitter van die sessie was de befaamde biochemicus en dopingjager Manfred Donike en die kwam met een uitsmijter van een uitsluiter: alle zogeheten sport waarbij betablokkers (hartslagverlagende middelen) kunnen helpen, is geen sport. Het staat buiten kijf dat een tragere hartslag helpt bij een precisiespel als snooker.

Je zou daar in het specifieke geval van Luca Brecel op het WK snooker ook nog kunnen aan toevoegen dat het bij echte sport tegenaangewezen is om niet te trainen en je tijdens het toernooi flink te bezatten, zoals hij aangaf na zijn eerste sensationele overwinning op Mark Williams.

Het meest gebruikte argument tegen de bewering dat snooker geen sport zou zijn, is deze: doe het zelf maar eens, snooker is superspannend en heel moeilijk. Dat is het zeker, vandaar dat ik ook gebiologeerd zat te kijken. Met alle respect, dat argument slaat nergens op: niet alles wat ik niet kan of wat supermoeilijk is, hoort thuis onder de noemer sport.

Tweede argument: wat dan met golf? Of curling? Of schieten? Waarom staan die zelfs op het olympisch programma? Precies, daar heb ik geen antwoord op, behalve dat fouten gemaakt in het verleden om welke reden dan ook (de commercie in het geval van golf) geen vrijgeleide zijn om er nog meer te maken.

Neen, snooker is geen sport, maar dat doet er allemaal niet toe. Het is heerlijke televisie, net als golf overigens, maar veel spannender. Snooker is een soort micro-golf, technisch heel moeilijk en mentaal een mindfuck als geen ander. Met hele keurige lui die dat spelen. Zoals Brecel zondagavond zijn medefinalist omhelsde omdat die een 147 maximumbreak had gescoord, waar zie je dat nog?

De Lucaaah-manie van de voorbije week is dan ook niet meer dan terecht. Luca Brecel is een virtuoos. Hij snookert als geen ander. Zelden verdedigend, maar hij kan het wel, altijd aanvallend, dodelijk precies, de moeilijkste ballen puntgaaf pottend. De Belgische wervelwind die gisterenmiddag door The Crucible trok, bezorgde Mark Selby een bronchitis.

Na zijn demonstratie van het voorbije lange weekend zal ongetwijfeld de roep weerklinken om hem sportman van het jaar te maken. Alle begrip, maar dat is dan weer meer dan een brug te ver.

Column Any Given Sunday in De Morgen van zaterdag 29 april 2023

Any Given Sunday

Of voor Club Brugge de voetbaljaargang 2022-’23 historisch wordt, moet nog blijken. Dat 2022-’23 voor KAA Gent nu al historisch is, zelfs met nog zes wedstrijden op de rol, staat vast. Zelden een grotere deconfiture, afgang, ineenstorting gezien als die van de Gantoise thuis tegen het al gedegradeerde, half failliete, ruziemakende KV Oostende.

Een week eerder tegen een herboren KV Mechelen geen kans weggegeven, de wedstrijd gedomineerd en zichzelf in een meer dan kansrijke positie gemaneuvreerd. Om zeven dagen later met toegeknepen billen en slappe knieën op het veld te komen voor de ultieme opdracht: winnen van het zootje van de zee. En dan zo te verliezen.

Europees voetbal een lastige taak, de kern niet op niveau, management en bestuur denkend aan een exit, en uitgerekend nu moet Gent sexy zijn voor eventuele investeerders die voor de deur staan. Of al binnen zitten, als de geruchten kloppen. De timing voor de Gentse wanprestatie van de eeuw kon nauwelijks slechter.

Het probleem van Gent tegen Oostende was tweeledig. Starten met Vadis Odjidja, die na zijn blessure niet meer vooruit te branden was, is een vergissing van formaat. Het team gaat dan voetballen in de Vadis-modus: elegant, niet te energiek, af en toe een hoogstandje. Oooh, zucht het publiek dan, en Vadis die glimt, maar ondertussen wordt het gevecht om het middenveld tegen een bewonderenswaardig Oostende verloren.

Dat mag Hein Vanhaezebrouck zich aanrekenen, maar de echte fout is natuurlijk gemaakt de dag dat Gent meende Odjidja een fel verbeterd contract te moeten aanbieden en hem kapitein te maken. Die dag sloegen ze een doodlopende straat in en zondag hebben ze zich vastgereden.

Van een trainer-coach in het voetbal verwacht je dat hij als trainer de juiste belasting plant, de tactiek voorbereidt en de oefeningen uitdoktert. In een eindfase is daar almaar minder nood aan. De spelers weten dan wel hoe het moet en hooguit toon je nog eens wat beelden en oefen je op standaardsituaties achter- en voorin.

Als het om winnen gaat, om een resultaat over de streep trekken, komt de coach op de voorgrond. Van hem verwacht je dat hij op de juiste knoppen drukt, weet welke speler wat nodig heeft, de gepaste motiverende volzinnen op het juiste moment debiteert en zodoende de elf spelers als een team met de juiste intensiteit in het veld stuurt. Sommige trainers zijn meer trainer dan coach en sommige coaches zijn meer coach dan trainer, maar een beetje van allebei kan geen kwaad. Sommige trainers willen gewoonweg geen coach zijn.

Soms helpt het om gewoon op YouTube ‘Al Pacino football speech’ te zoeken. Downloaden die handel, opschrijven wat hij zegt, vertalen en haal er de beste zinnen uit. Een goeie laatste speech hoeft geen 4:30 te duren zoals die van Tony D’Amato, maar de juiste zinnen op het juiste moment doen wonderen.

Rik De Mil, hoe zou die zijn? De trainer van het jaar, nu al. Hoe hij weer leven heeft gekregen in Club Brugge, dat verdient een prijs. Wat heeft De Mil gezegd in de laatste minuten voor de wedstrijd tegen Eupen, dat wil ik weten. Oké, de man heeft zijn looks mee om voor trainer te spelen – stijlvol, lang, knap gezicht, sportief lijf, rustige babbel in keurig Nederlands, geen haantje van het grote gelijk – én hij woont in Oostkamp, maar er moet meer zijn.

Ergens onder die verpakking moet een verdomd goede coach schuilen. Zijn carrièreverloop zit daar voor veel tussen. Begonnen als doelman in Oostkamp en Veldegem, later trainer in Oostkamp, vandaar naar de jeugd van Club Brugge, vervolgens de topjeugd bij Club NXT onder zijn hoede, om zo assistent te worden en bij het vertrek van de hoofdcoach een ziek team in geen tijd te reanimeren.

De Mil was leerkracht, dat helpt altijd. Neen, geen lichamelijke opvoeding maar toegepaste economie zowaar. Dus haast zeker ook een analytische geest. En een doelman toen hij nog voetbalde, dus een man van het bredere plaatje. Hij is van nature niet van my way or the highway, eerder van de bochtige provinciale weg. Van zo’n cv druipt de bescheidenheid af en daar is niks mis mee. Laat mij maar weer assistent worden, zei hij deze week nog. Dat is hem gegund, maar beseft De Mil wel dat hij voor minstens tien, vijftien jaar goed zit als hoofdcoach?

Hij is in de nieuwe generatie beloftevolle coaches (idem voor Jonas De Roeck) het totale pakket. Een trainer-coach die heeft bewezen de knoppen van zijn spelers te kunnen vinden en er op het juiste moment op te drukken, heeft de toekomst voor zich en vindt altijd een club. Laat Club Brugge winnen in Genk morgen, any given Sunday, en we krijgen de spannendste competitie in jaren.

Column Witte broek in De Morgen van maandag 24 april 2023

Witte broek

De grootste sportprestaties van het weekend zijn geleverd in Londen in de marathon. Om redenen die aanleunen bij tunnelvisie
en provincialisme zit u niet te wachten op een lyrische beschrijving van hoe Sifan Hassan bij de vrouwen eerst kraakte, daarna terugkeerde en alsnog won. Of hoe bij de mannen door Kelvin Kiptum uit Kapsabat de tweede snelste marathon uit de geschiedenis werd gelopen.

Dat willen we u niet aandoen en dus koers dan maar. Luik-Bastenaken-Luik is gewonnen door Remco Evenepoel. Net als vorig jaar. Nu wel met een grotere voorsprong. En in slechter weer. Meer valt daar niet over te vertellen. Een grote verrassing was die tweede overwinning op rij van het Belgische godenkind in de zwaarste wielerklassieker niet.

Meer zelfs, ze werd met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid voorspelbaar toen aan het einde van het tweede uur koers Tadej Pogacar het wiel aantikte van Mikkel Honoré nadat die dubbel lek was gereden op erg slechte wegen. Pogacar viel, stapte weer op zijn fiets, maar had te veel pijn. Twee handwortelbeentjes gebroken, of was het nu weer één middenhandsbeentje en het scafoïd? Dat is het zogeheten scheepsvormig botje, altijd ambetant als je dat breekt, want altijd opereren.

Wat het ook was, de schade werd gisteren meteen gerepareerd ergens in Genk, maar zo ging Luik-Bastenaken-Luik als laatste grote confrontatie van het voorjaar toch een beetje de mist in. Zoals een wielervolger op Twitter aangaf: niet zeuren over slechte wegen in de Ardennen als je een paar weken daarvoor met plezier Parijs-Roubaix hebt gereden of (in mindere mate) over de slechte wegen van de Vlaamse Ardennen.

Shit happens. Niet zeuren dus, maar ondertussen was de koers wel onthoofd: alsof op negen mei Man City in de eerste helft het veld verlaat in Bernabeu tegen Real Madrid en de Spanjaarden een paar goals cadeau krijgen en naar de finale mogen.

Het wedstrijdverloop devalueert geenszins de overwinning van Remco Evenepoel, die wel nog heeft moeten werken om de rest naar huis te rijden. Alleen werd de zwaarste klus toch geklaard door de combinatie Honoré en putten in de Waalse wegen. Jammer, erg jammer, want de demarrage van Evenepoel aan het eind van La Redoute, op een moment dat elke kenner dacht “dit is te laat” was bepaald indrukwekkend. In die ene move zaten al die trainingen op explosiviteit, die hun effect niet hebben gemist.

Het was niet eens op het steilste gedeelte van de klim, maar er zat behoorlijk poer achter, getuige de snelle halve minuut die hij nadien op Pidcock bij elkaar fietste. Uiteindelijk had hij in Luik ‘maar’ een dikke minuut marge op Tom Pidcock, maar dat hadden er evengoed een Merckxiaanse twee kunnen zijn als hij de hele tijd had doorgereden op droge wegen. Nu was de eerste boodschap recht blijven.

Knap werk, maar zijn knapste prestatie van de dag was hoe gaaf, netjes, onaangetast, hoe proper hij over de meet reed. Zelfs Eddy Merckx zag er na elke zware wedstrijd uit alsof hij door een camion was overreden, maar niet Evenepoel. Hoe hij het voor elkaar kreeg, het is een raadsel voor alle beginnende wielertoeristen die ooit zo vermetel waren om een witte koersbroek te bestellen.

U weet het vast nog wel: één keer en dan nooit meer na die ene vuile rit en daarna die zwarte streep op de kont die je niet meer proper kreeg. Het was lastig en het regende op vuile wegen, maar niets bleef aan hem kleven. Geen vermoeidheid en ook geen vuil. De les van de dag is deze: je mag een foute witte broek aantrekken, als je Remco Evenepoel heet (of Mathieu van der Poel). En als je maar rap genoeg rijdt, dan pas ben je het opspattende vuil te snel af.

De neutrale wielerliefhebber blijft na gisteren toch een beetje op zijn honger zitten en kan onmogelijk blij zijn met LBL ’23. Nooit in de laatste halve eeuw was het wielrennen boeiender, zelden hebben zich zoveel interessante boeiende atleten in deze sport aangediend, maar de beste renners koersen te zelden tegen elkaar. Alleen Tadej Pogacar is daarop een uitzondering, maar als die er dan ook nog eens bij gaat liggen en niet meer opstaat, krijg je de wedstrijd van gisteren. Dan wordt het een demonstratie waarvan je je afvraagt: wat als…

Wat als Van der Poel dit weekend geen Lamborghini’s aan het testen was? Wat als Van Aert niet op bikepacking naar de Champagne- streek was vertrokken met vrienden. Wat als Jonas Vingegaard van zijn berg was afgedaald en aan de start had gestaan, of Primoz Roglic? Wat als Tadej Pogacar niet was gevallen? Wie had dan de oerknal van Evenepoel op La Redoute kunnen volgen? Misschien iemand, misschien niemand.

Column Op (eenzame) hoogte in De Morgen van zaterdag 22 april 2023

Op (eenzame) hoogte

Sporza, de site, daar hielden ze laatst een poll. Dat was na Parijs-Roubaix, gewonnen door Mathieu van der Poel voor wie het
is vergeten, of is dat nu te veel zout in de Vlaamse wonde strooien? Enfin, de vraag van de poll luidde: wat vond u de mooiste voorjaarsklassieker van 2023? Het voorjaar, dat nog maar drie weken oud was, stopte dus na het tweede weekend van april voor Sporza, of althans voor wie die dag aan de digitale knoppen zat en de lumineuze ingeving had om de voxpop bij de zaak te betrekken.

Ten eerste: het voorjaar duurt officieel tot 1 of 21 juni, afhankelijk of u meteorologisch dan wel astronomisch denkt. Ten tweede: quid Amstel Gold Race, Waalse Pijl en Luik-Bastenaken-Luik? Nooit van gehoord. Of niet belangrijk. Of zich afspelend in een ander land (of landsdeel), dus van geen tel. Wat zal het zijn?

De Amstel? Oké, gekke koersdirecteur, en die willen de Ronde van Vlaanderen van Nederland spelen, en jawel, lastige koers, maar wie doet daar mee en wie staat daar op de erelijst? Welnu, onder meer Van der Poel, Van Aert (Pidcock, zegt Pidcock) en Pogacar wonnen er al een keer. De Waalse Pijl? De laatste tien jaar vier keer Valverde, drie keer Alaphilippe en afgelopen woensdag nog Pogacar. Luik-Bastenaken-Luik dan? De laatste drie jaar: Roglic, Pogacar en Evenepoel, drie winnaars van grote rondes.

Hoezeer Vlaanderen ook zijn eigen Ronde market naar het buitenland, Luik-Bastenaken-Luik wordt internationaal nog steeds als de belangrijkste en lastigste wielerklassieker aangezien. Een klassieker reken je niet af op de liters cava, vaten pils of braadworsten, niet op de kasseien en ook niet op de toeschouwers in de bermen van het parcours. Een klassieker reken je af op zijn historisch prestige, zijn parcours en zijn erelijst.

Daarom heeft Luik-Bastenaken-Luik een bijnaam: La Doyenne, de Oude Dame. De wedstrijd dateert van 1892 en is de oudste van de monumenten, 21 jaar ouder dan de Ronde, overigens de jongste van de monumenten. (Paris-Roubaix is van 1896 en is de tweede oudste. Lombardije en Sanremo dateren van 1905 en 1907.) Deze eeuw hebben twaalf verschillende nationaliteiten de koers naar Luik gewonnen. Geen enkel ander monument is diverser, internationaler in zijn erelijst.

Op dat schouwtoneel, en tot spijt van Sporza nog steeds in het voorjaar, misschien zelfs met een beetje winter op de hoogste toppen, nemen Tadej Pogacar en Remco Evenepoel het zondag tegen elkaar op. Dat is een bijzonder interessante confrontatie. Niet het minst omdat het de eerste keer is dit jaar dat de beste renner van de wereld de benchmark wordt voor wie de beste renner van België wil worden. Of misschien al is, maar dat zal de komende jaren duidelijk moeten worden.

Laten we ook meteen een onweerstaanbare drang de kop indrukken. Als Evenepoel zondag toevallig weer op La Redoute zou wegrijden zoals vorig jaar en weer niemand zou kunnen/willen volgen, en hij klopt Pogacar, dan is hij niet – we herhalen: níét – de beste renner van de wereld omdat hij die ene keer de allerbeste van de wereld heeft geklopt.

Evenepoel mag dan een uitzonderlijk fenomeen zijn op planeet Koers, Pogacar komt van verder, van een ander zonnestelsel. Afgezien daarvan, als Evenepoel weer wint zou dat een verdomd knappe prestatie zijn waar niks van moet worden afgedaan. Evenmin als hij verliest van Pogacar, of een ander.

Of het zondag een strijd met gelijke wapens wordt, daar gaan nu de debatten over. Zo wil het narratief dat Pogacar weleens over de top zou kunnen zijn. Dat kan, maar tussen 18 maart en 19 april heeft Pogacar amper vijf keer in wedstrijdmodus op de fiets gezeten. Zijn laatste drie optredens won hij. Over de top? Dan eerder mentaal.

Sowieso staan beide heren met een totaal verschillende voorbereiding aan de start. Evenepoels laatste wedstrijd dateert van 26 maart, toen hij zich op en rond Montjuich in Barcelona de tanden stuk beet op Primoz Roglic en tweede eindigde in de Ronde van Catalonië. Terwijl Pogacar op eenzame hoogte fietste en grote wedstrijden won, trainde Evenpoel op en rond de Teide, ook op hoogte.

Voor Pogacar breekt na Luik een lange periode van rust aan. Voor Evenepoel begint het nu pas. Hij wil de Giro winnen en die begint al over twee weken. Overigens heeft Evenepoel dit jaar drie koersdagen meer dan Pogacar: 21 tegenover 18. Hij heeft ook meer wedstrijdkilometers: 3.345 tegenover 3.247. Allemaal erg interessant, ook al omdat Pogacar sinds Sanremo verschillende wedstrijden van meer dan 250 kilometer achter de kiezen heeft, terwijl de langste rit in Catalonië 188 kilometer was.

Beste Sporza, na zondag mogen jullie het klassieke voorjaar afsluiten.

Column Een drukke sportzondag in De Morgen van maandag 17 april 2023

Drukke sportzondag

Mijn passie voor sport stamt uit mijn jeugd en dat was een tijd van hoogtes en laagtes, mijn jeugd én de sport. Je had momenten in het jaar waar het elke dag volle bak was. Ik was een merckxist. Tijdens een groot deel van de maand juli was ons lot met kramp in de darmen luisteren naar een krakende transistorradio of in heel uitzonderlijke gevallen een Frans of Italiaans cafeetje vinden waar ze toevallig naar de ORTF of de RAI keken.

Dan waren er weer andere dagen dat er helemaal geen sport was. Misschien was die er wel, maar ze sijpelde pas door tot België in de kranten daags erna. Al herinner ik mij ook nog de periode dat een wijlen chef-sport van de BRT zijn eigen wintervertier combineerde met verslaggeving van de grote skiwedstrijden vanuit de betere skioorden, genre Kitzbühel, Wengen of Garmisch-Partenkirchen. Die zagen wij dan in onze pyjama op zaterdag- en zondagochtend.

Maar zo’n gekke zondag als gisteren, met het één na het ander, neen, die hadden wij niet. Gisteren begon met het overlopen van de uitslagen van het voetbal van zaterdagavond. Verdorie, Club gelijk bij Westerlo, kansen bij de vleet, niet winnen, hoe bestaat het? Zou het dan toch lukken voor Gent, die Champions’ play-offs, en dat na een seizoen waarin zowat alles verkeerd ging wat kon verkeerd gaan? Afwachten maar.

KV Oostende degradeert. Dat is om warm noch koud van te worden. Deze club had nooit bestaansrecht in de voetbaleconomie van eerste klasse. Het opgeklopte sfeertje van destijds kwam er door Marc Coucke. Zijn gekke investeringen in de bodemloze put aan het strand van Oostende waren de rechtstreekse aanleiding voor de profliga om de financiële fair play op nationaal vlak in te stellen.

Daarna ging hij naar RSC Anderlecht, dat mogelijk volgende week zijn laatste competitiewedstrijd van het seizoen speelt en geen play- offs haalt. Het parcours dat Coucke bij elkaar heeft gevoetbald, meesterlijk bijgestaan door Wouter Vandenhaute, is ongezien. In elke andere sector waren die twee dood en begraven, bij wijze van spreken.

Sporza, de site, die hadden we in onze jeugd ook nog niet, maar of dat nu zo’n verbetering is? Af en toe wel, af en toe ook niet. Maar kijk eens aan, gisterenochtend liet Sporza weten dat de fans van New York Red Bulls vragen om een strengere straf voor Dante Vanzeir. Einde verhaal dit.

De sportzondag begon echt met de marathon van Rotterdam. Koen Naert ken ik een beetje, als inwoner van een naburige deelgemeente en heel af en toe spot ik hem op zijn lange trainingen langs het kanaal Brugge-Gent, het Bulskampveld of in de Vagevuurbossen. Bashir Abdi ken ik niet of nauwelijks, maar voor beiden: diepe buiging. Wie tweehonderd kilometer per week wil lopen, maanden aan een stuk en een groot deel daarvan ergens op eenzame hoogte, die moet een beetje gek maar vooral heel erg gek van sport zijn.

Dus ging de televisie snel op de NOS, alwaar ze al decennia live hun epische Rotterdam Marathon excellent in beeld brengen. Abdi won, verbeterde net niet zijn Europees record, de normaalste zaak met die weersomstandigheden (wind). Daarom kwam dé Belgische sportprestatie van deze marathon en van het weekend van Naert. Hij liep een seconde per kilometer sneller dan in 2019, dook onder de 2u07, verbeterde zijn persoonlijk record en eindigde als eerste loper uit de niet-Afrikaanse genenpool. Hoe Abdi hem opwachtte en aanmoedigde, het is het terugkijken waard. De olympische marathon in Parijs volgend jaar wordt een topnummer voor België.

Dat geldt traditioneel voor de olympische wegrit bij de mannen en sinds dit jaar definitief ook bij de vrouwen. Lotte Kopecky reed een ijzersterke Amstel Gold Race, maar gunde de eerste cartouche aan haar Nederlandse ploegmaat Demi Vollering. Die maakte het zaakje af. Kopecky werd tweede. Met steeds meer en betere Belgische rensters en één absolute kopvrouw moet Kopecky haar doel maken van WK’s en Olympische Spelen, waar nationale ploegen vol voor haar zullen rijden.

Bij de mannen won Tadej Pogacar na weer eens een mooie solo. Hij reed weg op de Keutenberg, en dat op advies van Mathieu van der Poel, die hem een sms’je had gestuurd. “De Keutenberg is de lastigste.” In de tijd van Eddy Merckx hadden ze geen smartphones en anders hadden ze elkaar zeker niet ge-sms’t met goede raad. Toch is Pogacar de nieuwe Merckx.

Het is tien voor zes en Sporza meldt dat AA Gent gelijk heeft gespeeld bij KV Mechelen. Volgende week volstaat winst tegen degradant Oostende voor de vierde plek. Het was een mooie sportzondag.

Column Safe space in De Morgen van zaterdag 15 april 2023

Safe space

Soms zijn clichés geen clichés. Soms zijn eerste indrukken de juiste. Soms blijkt een domoor op het eerste gezicht ook gewoon een domoor. Dat lijkt allemaal van toepassing op Dante Vanzeir. Jammer en tegelijk vreemd, want die move van hem van voetballen in Brussel naar voetballen in New York, die had iets avontuurlijks. Heel even leek Dante Vanzeir uit Beringen een wereldse voetbalspeler.

Neen dus. Vorig weekend presteerde hij het om een zwarte tegenstander te beledigen door hem een racistisch woord toe te roepen, voorafgegaan door een adjectief dat in de range van dom/stom thuishoort. Hij had de pech dat hij het tegen een jongen riep die in Nederland was opgegroeid en dus perfect verstond wat Vanzeir hem toeriep.

Hij had dubbele pech want een ploegmaat van die in Rotterdam geboren speler, die alles had gehoord, was precies nogal actief in de strijd tegen racisme in de sport. Die liet het niet op zijn beloop en de refs werden ingelicht. Er volgde een gigantische rel.

Het was in het heetst van de strijd en ach ja, dan willen potjes weleens overkoken, klonk het al snel ter verschoning. Het spel lag twintig minuten stil na dat incident. Zijn trainer (een Oostenrijker, dus ook een Europeaan) had dan nog steeds niet begrepen dat het best was voor het team, de wedstrijd, Vanzeir, de beledigde tegenstander, voor de hele voetbalgemeenschap van de Major League Soccer, om hem van het veld te halen. Vanzeir bleef staan.

In België had dit incident hooguit wat artikels in de kranten opgeleverd, zou er een onderzoek zijn gevoerd en de zaak geklasseerd als woord tegen woord. Nog erger, in Italië zou de tegenstander die zijn beklag maakte misschien van het veld zijn gegooid, zoals Romelu Lukaku laatst overkwam.

Maar New York ligt niet in Italië. Het is ook niet Beringen, niet de Jos Vaessen Talent Academy van KRC Genk (waar dat woordgebruik overigens ook niet wordt geduld), niet Beerschot, niet Mechelen, niet Brussel, waar Vanzeir overal speelde. New York ligt in de VS, waar zwarte sporters al van na de Tweede Wereldoorlog strijden voor erkenning en respect, en deze eeuw in de meritocratie die sport is naar waarde worden geschat en ook naar waarde worden vergoed, ongeacht hun kleur.

Zes speeldagen schorsing heeft Vanzeir aan zijn broek en die overleeft hij wel. Veel erger is het stigma dat in de VS en deels daarbuiten aan hem zal blijven kleven: Vanzeir is een racist. Jawel, wie of wat ook nog op de barricades verschijnt, op de tafels springt of om commentaar gevraagd ook zijn mening geeft zoals (zijn ex-ploegmaat Teddy Teuma deze week): Vanzeir is racist.

Niet voor Wikipedia. Dat heeft het over taalgebruik dat ‘racistisch kan overkomen’. Ook dat hoeft niet te verbazen. Commentaren ter verschoning als ‘een ongelukkige uitschuiver in het heetst van de strijd’ en ‘soms wordt ook klootzak geroepen, mag dat dan ook al niet meer?’ of ‘het was om de tegenstander te destabiliseren’ zijn in hetzelfde bedje ziek.

Anderzijds, wie lang en vaak genoeg in de Amerikaanse sport rond heeft gelopen en dus ook de Amerikaanse maatschappij heeft kunnen observeren, weet dat de strijd tegen racisme in de VS pure hypocrisie is. Sport zou er een de meest veilige ruimtes zijn voor mensen van welke kleur dan ook, maar de ene sport is dat al meer of minder dan de andere.

De basketbalwereld van de NBA is overwegend zwart. Op het veld, niet in het management, wel meer en meer in de coachingstaf. Ook niet in het eigenaarschap, en nu zou de enige zwarte meerderheidsaandeelhouder (Michael Jordan bij Charlotte Hornets) na dertien jaar zijn aandelen willen verkopen.

De NHL, het ijshockey, al helemaal niet, maar ook het American football van de NFL of het honkbal van de MLB zijn nog steeds geen safe spaces voor zwarte sporters. Jim Brown was de eerste die dat al aan het einde van de jaren vijftig aankaartte. Hij zat in 1967 de Cleveland Summit van zwarte topatleten voor. Kareem Abdul-Jabbar en Bill Russell waren andere prominente activisten die hun steun betuigden aan de dienstweigerende Muhammad Ali.

De vijfde landelijke profsport in de VS is de Major League Soccer. Hoe zou je willen dat het er daar anders aan toegaat? Voetbal is een Europese importsport voor een overwegend blanke of latino sportwereld en hoewel het Europese hooliganisme hen voorlopig bespaard is gebleven, heeft de MLS het slechtste van beide werelden in zich.

De ontvoogding van de zwarte Amerikaanse sporter is op enkele universiteiten een aparte cursus in de vakgroep sociologie. Als Vanzeir slim is, vraagt hij eens rond op NYU of Columbia University of hij daar wat lessen kan bijwonen.

Column Leegloper over RVV in De Morgen van maandag 11 april 2023

Leegloper

Was het 2013 of toch 2012? Ik werd dat jaar gebeld door twee broers die in het veldrijden al wat naam hadden gemaakt. Hun ambitie reikte verder dan de cross, maar niet zo heel veel verder. Ze wilden van mij (toen in een andere functie) weten hoe dat zat met de subsidies van het toenmalige Topsport Vlaanderen en of ze daar niet wat van konden krijgen voor wat zij in gedachten hadden.

Ze wilden iets meer dan veldrijden, een offroadteam was hun natte droom, maar veldrijden zou hun core blijven, en af en toe zouden ze er de weg bij doen, kwestie van bezig te blijven. BKCP-Powerplus, zo heette hun team en Niels Albert was hun kopman. 2014 zou hun laatste seizoen onder die naam zijn. Het was het laatste van Albert, die stopte met hartproblemen, maar ook het eerste van hun nieuwe kopman, de toen negentienjarige Mathieu van der Poel, die won in Gieten en in Diegem.

Tien jaar later zijn Christoph en Philip Roodhooft met hun Alpecin-Deceuninck in de WorldTour de norm in het klassieke voorjaar. Zondag pakten ze met Mathieu van der Poel, die ook al Milaan-Sanremo won, en Jasper Philipsen één en twee in een mythische Paris-Roubaix, de snelste editie (46,84 kilometer per uur) uit de geschiedenis en een van de meest spectaculaire.

De Vlaamse reacties op de winst van Van der Poel op de sociale media waren zo te voorspellen: “Die Hollander van een Van der Poel heeft smerig geprofiteerd van een leegloper bij Onze Wout.” In Vlaanderen zal het bij decreet voortaan afgelopen zijn met ook voor Van der Poel te supporteren. Dat de Hollander bij een Belgisch team rijdt en de Belg een halve Hollander is en voor een Nederlands team uitkomt, zal daarbij niet van tel zijn. Op de weg (en in het veld, maar dat is nog even) worden het voortaan oorlogjes tussen de Lage Landen.

Jawel, Mathieu van der Poel is (veel) harder gaan rijden toen hij merkte dat Wout van Aert een probleem had. Van Aert stak het ook niet weg, hij meldde het over de radio. Is dat gemeen van Van der Poel? In een wedstrijd die mee bepaald wordt door bandenselectie en aanverwanten, en dus lekrijden, is profiteren van een leegloper bij de concurrent de logica en deel van de wedstrijdtactiek.

Veel schuldgevoel moest Van der Poel overigens niet hebben. Jazeker, Van Aert had voor het bos van Wallers hoogstpersoonlijk aan de boom geschud, maar daarna werd hij in de kopgroep met drie renners van Alpecin-Deceuninck tot aan zijn leegloper toch een beetje een klaploper. Als hij al eens op kop kwam, ging hij heel snel weer van kop af. En toen hij op Van der Poel reageerde en ze even samen voorop geraakten, had hij geen zin om vol mee te rijden. Wel integendeel, hij volgde zijn nemesis kilometerslang als een schaduw, een beetje zoals op het WK cross in Hoogerheide.

De tweede poging van Van Aert om weg te rijden, die dus eindigde in die leegloper, kwam er na een bijna val van Philipsen en Van der Poel. Daar had geen van alle renners, en Van Aert nog het minst, schuld aan. Maar zijn mislukte zet om op dat moment het gas open te draaien is vergelijkbaar met de gelukte van Van der Poel een minuut of wat later bij zijn leegloper.

Ten slotte nog dit: Team Jumbo-Visma, die hadden het toch zo goed voor elkaar inzake banden en wielen en velgen en ventielen en druk al of niet aanpasbaar? Welnu, wellicht reed geen enkel ander team voorin zo vaak lek als TJV. Dat heeft niks te betekenen, behalve dat pech in geen enkel ander monument als in Paris-Roubaix zo vaak de uitslag bepaalt.

De voorlopige verliezer van het klassieke voorseizoen is Soudal-QuickStep. De transformatie van The Wolfpack die iedereen opvreet in eendagswedstrijden naar een rondeploeg laat zijn sporen na, zoveel is duidelijk. Maar dat de beste SQS’er zowaar Tim Merlier is, op plaats 23, is een regelrechte aanfluiting.

Voor TJV geldt dan weer enige verschoning. Ze wonnen in 2023 ongeveer alles waar ze aan de start kwamen – Jonas Vingegaard reed de voorbije week nog iedereen op een hoopje in het Baskenland -, alleen kwamen ze in de monumenten drie keer tekort. Twee keer was Van Aert in een kopmannengevecht niet goed genoeg (in Sanremo en in Oudenaarde) en zondag besliste pech mee over de uitkomst in Roubaix.

Toch blijft het een opmerkelijke vaststelling dat sinds Van Aert in Milaan-Sanremo en Primoz Roglic in Luik-Bastenaken-Luik, allebei in 2020, het beste team van de wereld geen grote klassieker meer heeft gewonnen. De druk om in de Giro (Roglic tegen Evenepoel) en in de Tour (Vingegaard tegen Pogacar) uit te pakken is alleen maar toegenomen. Het wielerseizoen 2023 kan al niet meer kapot en wat zich aankondigt maakt het alleen maar mooier en spannender.