Column over Jan Ullrich in De Morgen van maandag 18 juli 2022

Mythische renners

Er is een boek verschenen over Jan Ullrich, geschreven door Daniel Friebe. Jan Ullrich: de man, de mythe, de waarheid, zo heet het boek, uitgegeven bij Thomas Rap. Het leest als een trein, de hollandismen in de vertaling moet u er wel bij nemen.

Niet toevallig dat het nu verschijnt, exact 25 jaar na zijn eerste en laatste Tour-overwinning. Eerste en laatste, jawel. Zijn palmares met een Tour (1997), een Vuelta (1999) en olympisch wegritgoud (2000) valt al bij al mager uit voor iemand die door velen die zijn pad kruisten – niet het minst Lance Armstrong – de grootste motor op een fiets werd genoemd. The best there never was, is de toepasselijke ondertitel in het Engels.

Ik ben het boek pas beginnen te lezen toen ik in het Hoge Noorden regenbuien moest uitzitten. Zonde, want die zondag in Rostock, toen ik wachtend op de ferry van een dag later naar Warnemünde fietste, ben ik zowaar door Lütten Klein gereden, het Linkeroever van Rostock. Blijkt uit het eerste hoofdstuk dat kleine Jan daar is opgegroeid en daar de pletsen tegen zijn kop kreeg van zijn agressieve vader die later het gezin zou verlaten.

Een treurige typische DDR-woonwijk, zoals Friebe het omschrijft, is Lütten Klein nu ook weer niet. Meer zelfs, enkele kilometers verder liggen van de mooiste stranden van de Oostzee, waar de nomenklatoera van de SED kwam verpozen. Je kon veel slechter opgroeien. Friebe heeft rond Ullrich alles en iedereen kunnen bevragen, alleen Ullrich niet. Ondanks het gemis van Ullrich blijft het een erg lezenswaardig en meticuleus geresearcht boek.

Ullrich is een mythe geworden. Frank Vandenbroucke bij ons en Marco Pantani: evengoed mythes. Dat zagen we onlangs nog in een prachtige maar al even leugenachtige docu met de vrienden van Pantani. Neem die drie en doe er nog Armstrong bij en je hebt de vier meest besproken en beschreven renners van rond de eeuwwisseling. Met dat verschil dat het palmares van Armstrong met zeven Tour de France-overwinningen de mythe rechtvaardigt. Twee van de vier zijn dood, Ullrich was bijna dood. Alleen Armstrong heeft de storm van zijn bestaan doorstaan.

Armstrong is iets meer dan twee jaar ouder dan Ullrich, maar al in 1993 stonden ze op dezelfde pagina. Armstrong werd in een helse regenbui wereldkampioen in Oslo. Hij was amper 22 jaar en had op kop gereden met een jagende Miguel Indurain in de achtervolging en alleen wat corticoïden in het lijf, terwijl Indurain toen al aan de epo zat. Een dag eerder had Ullrich bij de amateurs gewonnen.

Armstrong vond Ullrich de enige ernstige bedreiging in zijn Tour de France-jaren. Pantani? Mayo? Te kleine motoren. Ullrich, dat was andere koek. Maar volgens zijn eigen trainer Michele Ferrari dwaalde Armstrong. “Hun fysiologische waarden zullen niet ver uit elkaar liggen, maar Lance reed zoals de Kenianen lopen: efficiënter.”

Ter aanvulling op het boek krijgt u nog twee anekdotes mee. Ze typeren hoe het er in die tijd aan toe ging.

De Tour van 2003 had Armstrong nooit gewonnen als Ullrich niet ziek was geworden aan het begin van de Tour. Dat was eigen schuld dikke bult, want Ullrich had zich een koortsaanval op de nek gehaald omdat hij met slecht bewaarde Actovegin had gewerkt. Actovegin was toen nog toegestaan. Het is afkomstig van kalfsbloed en bevordert de zuurstofhuishouding in het bloed.

Pas in de tweede week kwam Ullrich weer een beetje bij en reed hij in de tijdrit naar Cap Découverte Armstrong in de vernieling. In de laatste tijdrit naar Nantes verkende Armstrong het parcours wel en Ullrich niet. De Duitser kwam in de regen ten val op een rotonde en verloor de Tour met één luttele minuut.

Een jaar later zou het dan gebeuren. Maar Armstrong was in 2004 beter dan in 2003. Ullrich trouwens ook. Hij was beginnen te ‘werken’ met dokter Eufemiano Fuentes in Madrid om bloeddoping te organiseren buiten de ploeg. Armstrong had Manuel Beltrán overgekocht van T-Mobile en wist zo dat Ullrich bij Fuentes klant was, net als nog twee van zijn eigen ploegmaten.

Halverwege die Tour, toen de karavaan in de Pyreneeën was aanbeland en een levering bloed uit Madrid op weg was naar een appartement dat dokter Fuentes maanden van tevoren al had gehuurd, liet Armstrong een niet nader genoemde renner van zijn US Postal-ploeg de bestelling afblazen. Het was te gevaarlijk, er was te veel politiecontrole. Fuentes, met maar lieft zes gsm’s op zak, was toen al paranoïde. De bloedzakjes voor de drie van US Postal bereikten zo nooit de Tour. Het bloed van Ullrich evenmin. Armstrong had drie van zijn pionnen ingeruild voor de koningin van de andere kant. Schaakmat volgde.

Column Jonas Vingegaard Rasmussen in De Morgen van zaterdag 16 juli 2022

Jonas Vingegaard Rasmussen

Het wielrennen treft het als kleine sport met zijn nooit vervulde mondiale ambities niet. Alleen wildwaterkajak rekende dit jaar voor het spektakel in de grootste wedstrijd van het jaar op de onbaatzuchtige inbreng van Slovenen. De voorbije week heeft de Tour de France er voor de gele trui een derde hoofdrolspeler bij gekregen: een bleke Deen, vel over been, Jonas geheten.

Nog niet zo heel lang geleden werkte die in een vismijn en hij blinkt niet uit in boeiende teksten. Of het een met het ander te maken heeft, is niet duidelijk, maar veel schiet je als sport op zoek naar internationale exposure met Jonas Vingegaard niet op.

Helemaal juist: dit mag niet ter zake doen. De fanatieke wielerliefhebber zal dit terecht onrespectvol vinden ten aanzien van de atleten in de mooie sport die het wielrennen absoluut is, maar het is wel de keiharde realiteit. Paradoxaal misschien, maar eind vorige en begin deze eeuw stond het wielrennen er beter voor, en dat ondanks alle schandalen. Toen Amerikanen nog de dienst uitmaakten. Toen ook – even vloeken in de kerk – epo nog in zwang was en de renners er niet uitzagen als hongerstakers. Toen kreeg je de Tour de France ongevraagd in samenvatting in alle lounges van alle luchthavens over de hele wereld.

Sinds de defenestratie van Lance Armstrong is wielrennen er inzake internationale impact niet bepaald op vooruitgegaan. De enige Amerikanen die nu nog af en toe worden vernoemd, rijden op kop voor UAE (voor een Sloveen) of voor Jumbo-Visma (voor een Sloveen en een Deen).

Een Deen op één, waar en wanneer hebben we dat nog gezien? In 1996 natuurlijk, met Bjarne Riis. En in 2007, meer in het bijzonder toen Alberto Contador op de Col d’Aubisque leider Michael Rasmussen bestookte. Rasmussen hield stand, counterde en pakte nog meer tijd op de Spanjaard. Waarna hij nog diezelfde avond door zijn ploeg werd verplicht op te geven. Rasmussen had gelogen over zijn verblijfsgegevens om een dopingcontrole te omzeilen en dat kon het veelgeplaagde Rabobank er niet nog eens bij hebben.

Jumbo-Visma is zowat de erfgenaam van het Rabo-model, en Jonas Vingegaard heet voluit Jonas Vingegaard Rasmussen, maar verder gaat de vergelijking niet op. Team Jumbo-Visma, met drie Belgen waarvan één in een absolute hoofdrol tegenover één anonieme Nederlander, is meer een Belgische dan een Nederlandse ploeg, terwijl Rabobank in 2007 vier Nederlanders opstelde in de Tour, met Michael Boogerd als medekopman.

Aardig detail is wel dat ook Grischa Niermann in die ploeg van 2007 reed. Later werd die Rabo-selectie in meer dan één achtergrondverhaal neergezet als ‘zonder uitzondering gedopeerd’. Vandaag is Niermann de meest welbespraakte ploegleider bij Jumbo-Visma. Tijden zijn veranderd, wielrennen zeker en mensen veranderen ook.

Bovendien is het nagenoeg ondenkbaar dat de controlefreaks van TJV – en dat is een compliment, want zo hoort het – hun Jonas ook maar een moment uit het oog zouden hebben verloren. Het is niet omdat zijn laatste training op zijn Strava-account dateert van jaren geleden dat ze bij het team niet weten waar, wanneer en wat deze man op zijn fiets(en) uitvreet.

De conclusie na de eerste week luidde: Tadej Pogacar is de beste. ‘Voorlopig’ had daar bij gemoeten. De conclusie na de tweede week? Jonas Vingegaard is de beste. Voorlopig. De derde week is die van de Pyreneeën. Wie wordt daar de beste? Twee en een halve minuut goedmaken, waar moet dat gebeuren?

Bergop is de Deen de betere van de Sloveen, die in de rit naar de Granon te veel van zijn pluimen liet en alle twijfels bevestigde: minder in de hitte en beter op korte hellingen dan op lange cols. Bergaf is Vingegaard de mindere, maar als hij daar de rol moet lossen, heeft hij nog zijn sterk blok om hem terug te brengen.

Het verloop van de Tour 2022 is een voortzetting van die van 2021. Niet alleen doet Wout van Aert in 2022 zowat overal zijn goesting zoals in 2021, ook Vingegaard liet zich vorige editie al opmerken. Met een beetje meer lef en minder altruïsme had hij de rit over de Ventoux gewonnen en niet Van Aert. Een paar dagen later waren alleen Van Aert en Asgreen beter in de heuvelachtige tijdrit en reed hij Pogacar op meer dan twintig seconden.

Vingegaard eindigde als helper van de ongelukkige Roglic nog als tweede, dat was al een voorteken. Hoewel het wielrennen eerder gebaat is bij een nieuwe dynastie en derde Tour-winst op rij van Pogacar heeft Vingegaard de beste kaarten. Een voorspelling, nog maar een: twee en een halve minuut goedmaken, dat zal niet gebeuren.

Column Platoche in De Morgen van maandag 11 juli 2022

Platoche

Het meest belangwekkende sportnieuws van het voorbije weekend (vrijdag al bekendgemaakt, maar zaterdag in de media) was niet wat zich in de Vogezen of Lausanne of gisteren in de Alpen onder wielrenners afspeelde, wel wat in Bellinzona werd beslist in de voetbalcoulissen.

Daar, in het zuiden van Zwitserland, zijn Sepp Blatter en Michel Platini volledig vrijuit gegaan voor welke malversatie dan ook. Zoals daar zijn het afsluiten van bedrieglijke contracten, misbruik van vertrouwen, valsheid in geschrifte, witwaspraktijken en oplichterij. De strafrechter in Bellinzona heeft brandhout gemaakt van de eerdere veroordelingen van de ex-voorzitters van de Wereldvoetbalbond FIFA en de Europese voetbalbond UEFA.

Hoe ging dat alweer? Blatter en Platini waren aanvankelijk in 2015 door de FIFA geroyeerd voor het leven. Ze tekenden beroep
aan bij het internationaal sporttribunaal TAS en daar werd die veroordeling bevestigd, maar herleid naar zes jaar verwijdering uit de voetbalbesturen. Voor beroep bij het TAS moesten ze naar een Zwitserse strafrechtbank. Daar voltrok zich in de tweede helft van juni de grote Platini en Blatter-show.

Een column over deze vrijspraak is niet meer dan terecht. Al was het maar om het journalistiek evenwicht te bewaren. Toen de twee heren voor het eerst voor de rechtbank moesten verschijnen, was dat wereldnieuws. De kranten wijdden er grote verhalen aan, de journaals en sites brachten het item met een beeldfragment en een stand-up van hun voetbalorakel, tijdschriften berichtten over het olijke duo dat zich had verrijkt op de nek van die arme voetballers en voetbalsters.

Zaterdag stond het nieuws in alle kranten onderaan de pagina. In het journaal heb ik niets gehoord, maar dat kan aan mijn vakantie liggen. De grote analyse over de grote vrijspraak was er alvast niet bij. Alleen L’Equipe gaf present. Van begin tot eind hebben ze elke dag bericht en zaterdag stond hun Platoche – de koosnaam van Michel Platini – op de één.

De vrijspraak werd afgelopen vrijdag 8 juli iets na tienen voorgelezen door de griffier van de rechtbank in Bellinzona. 8 juli, daarvoor moet je L’Equipe lezen, is een beladen dag in de Franse sportgeschiedenis. L’Equipe Magazine wijdde er de voorbije twee nummers aan.

8 juli 1982, veertig jaar geleden. In een bloedheet Sevilla wordt de halve finale van de World Cup gespeeld door Frankrijk en West- Duitsland. Bij 1-1 lanceert Michel Platini, dirigent bij les Bleus, Patrick Battiston. Die gaat alleen af op Harald Schumacher, de doelman van de Mannschaft en van 1. FC Köln. Schumacher – er is geen andere omschrijving mogelijk en het is terug te zien op YouTube – torpedeert Battiston buiten de grote rechthoek. Vandaag krijgt hij daarvoor onmiddellijk donkerrood en wordt hij minstens drie speeldagen geschorst.

Toen had rood ook gemoeten maar de Nederlandse scheids Charles Corver was niet in zijn dagje en bevoordeelde al de hele wedstrijd de Duitsers. Hij floot niet eens een fout terwijl het een regelrechte aanslag was. Een eerdere op artiest Bernard Genghini had hij ook al laten passeren. Beide spelers, de ene was de andere al komen vervangen, moesten het veld verlaten. Lang verhaal kort: 1-1, na verlengingen 3-3, strafschoppen… Daarin stopte Schumacher, die in minuut 56 van het veld had gemoeten, de beslissende strafschop. Oef, drie dagen later zouden de Duitsers kansloos verliezen van Italië.

Het was het eerste wat Platoche zei tegen L’Equipe: “Er zijn dan toch nog gelukkige achtste juli’s in mijn leven.” Om er aan toe te voegen dat hij klacht heeft ingediend bij het Frans gerecht tegen de FIFA en al wie hem het leven zuur heeft gemaakt. Ook in Zwitserland zal klacht worden neergelegd, onder meer tegen de FIFA en de UEFA die onder één hoedje zouden hebben gespeeld met het Zwitsers parket-generaal.

Wat er nu van aan was van die vier miljoen Zwitserse francs die Platini en Blatter in 1998 hadden afgesproken voor het raadgeverschap van de Fransman aan de Zwitser, wie zal het zeggen? Of het toeval was dat twee van de vier miljoen pas twaalf jaar na die afspraak is uitbetaald en toevallig net voor een herverkiezing van Blatter als FIFA-voorzitter? Wellicht niet.

Indien uw interesse is gewekt: Platini en wellicht ook Blatter gaan nu in de tegenaanval. Hun doel is de verwijdering van Gianni Infantino, de vroegere secretaris-generaal van Platini bij de UEFA, die zo maar ineens na de uitschakeling van Platini naar het voorzitterschap van de FIFA werd gekatapulteerd. Sport, en zeker voetbal, is soms veel spannender en verrassender naast dan op het veld.

Column ‘Statement?’ in De Morgen van zaterdag 9 juli 2022

Statement

Soms wordt wielrennen voetbal. Dan gebeuren dingen die niet te voorspellen zijn, vallen goals die je nooit had verwacht, maar aan het eind wint dan toch de sterkste. En als het helemaal voorbij is, treedt het Grote Analistenleger aan om uit te leggen wat we hebben gezien en – vooral – waarom is gebeurd wat is gebeurd.

Als het even kan wordt subtiel verwezen naar een eerdere voorspelling om aan te geven dat ze wat was gebeurd toch min of meer hadden ingecalculeerd. Maar dat Wout van Aert afgelopen donderdag ogenschijnlijk als een kip zonder kop voorin zou gaan rijden, smijtend met krachten die hem in de eindfase van die bewuste rit met een hem op het lijf geschreven aankomst aan een nieuwe ritoverwinning hadden kunnen helpen, neen, dat oversteeg bij menigeen de pet.

De eerste logische reactie bij die 150 kilometer waanzin: Wout, we weten het nu dat je de gele trui draagt (voor wat het waard is op dat moment in een wedstrijd van drie weken) en die staat je goed, maar dit is hybris. Hoe het peloton hem netjes in het vizier hield en hem doodkneep op het moment dat ze zelf kozen, dat was pijnlijk. Het leek de perfecte chasse patate.

Maar wat als dit behalve teamtactiek ook een statement was van Van Aert? Iedereen gezien? Ik ben geen knecht, zelfs geen meesterknecht. Ik stel nu mijn groene trui veilig en ik zal de volgende dagen wel helpen als jullie dat vragen. Dat is het wielrennen zoals het mooi is beschreven door Guillaume Martin, de velosoof die ook in deze Tour meerijdt. Wielrennen is, aldus Martin, een sport voor individualisten die tegen hun wil af en toe als ploeg moeten opereren. Of zoals Rik Van Looy het ooit treffend omschreef: de beste ploeg die je je kan indenken is de ploeg met zo weinig mogelijk renners die tegen jou rijden.

Wout van Aert, als je de ploeg mag geloven, reed voor zijn ploeg donderdag en niet voor zichzelf. Ze wilden UAE afmatten. Kan best, maar dat mislukte grandioos en ondertussen is Wout van Aert zelf afgemat.

En passant heeft hij wel dat statement gemaakt: ik ben het derde ijzer in het vuur van TJV en hebben jullie gemerkt dat ik op termijn weleens zelf voor dat geel wil gaan. Niet het kruimeltjesgeel van de eerste week, maar helemaal tot in Parijs? Zou ASO het hebben begrepen? Als die een keertje geen pure klimmer op hun erelijsten willen, maar de ultieme allrounder, dat ze dan twee flinke tijdritten programmeren. Al is er de komende jaren nog een allrounder in het spel, jonger en net iets beter.

Boeiende sport dat wielrennen. Eerlijke sport ook. De beste, als die gespaard blijft van pech, wint vaak, zeker als het over langere tijd gaat zoals in een grote ronde. De enige manier om de beste niet de beste te laten zijn, is de dingen anders doen dan de beste ze verwacht. Hem en zijn ploeg uit de comfortzone halen, dat was precies wat TJV deed donderdag, maar het zag er – sorry Wout – een beetje amechtig uit. Net als woensdag in de kasseienrit overigens toen het meest gesmeerde team van de wereld bij een simpele mechanische pech van een kopman niet meer wist wat te doen.

De beste deerde het allemaal niet. Nog voor de eerste pedaalslag verloor hij zijn wegkapitein aan corona. En die eerste week, was die niet aangestipt als de week waarin hij op achterstand moest worden gereden. In de openingstijdrit bijvoorbeeld. Dat lukte niet. In de waaierrit dan maar. Lukte ook niet want geen wind.

De kasseien van Noord-Frankrijk? Jammer, maar de beste is groot geworden offroad. Hij viel zelf aan en pakte tijd op zijn concurrenten. Net als donderdag. Toen Wout van Aert was opgesoupeerd, begon de koers voor echt en wie won? De beste. In de sprint.

Gisteren was de eerste bergrit, met aankomst op de plek waar de beste twee jaar geleden verrassend kwam bovendrijven als de allerbeste en voor het eerst de Jumbo’s in de vernieling reed. Wat hield hij het spannend op La Planche. Hij heeft geleerd, van Armstrong en alle andere kannibalen die hem voorafgingen. Te veel overmacht is niet goed, wekt afgunst op. Zuinig winnen, de rest ook de illusie laten dat ze iets kunnen betekenen, tegelijk het spektakel verzorgen en de spanning bewaren.

Ook dat was vooraf door analisten gezegd: als het echt steil wordt, kan de beste er wel eens doorheen zakken. Na de tijdrit (waar hij verraste), de rit op de kasseien (waar hij aanviel), de rit met aan het eind het kaske (die hij won), reed de allerbeste in een bloedstollende laatste honderd meter weer als eerste over de streep.

De beste, de allerbeste is Tadej Pogacar. Nog maar één concullega bevindt zich binnen de minuut. Pas zondag gaan we naar zijn speeltuin, de bergen.

Column Superbrandstof in De Morgen van maandag 4 juli 2022

Superbrandstof

De politionele acties bij de renners en de staf van Bahrain-Victorious hebben meer weg van een getimede intimidatie dan wel van een gericht onderzoek. Deze soap, waar het wielrennen een patent op heeft, begon vorig jaar in de Tour met een inval in het hotel van de ploeg. Een jaar later weten we nog steeds niet wat daar is gevonden. Een berekende gok is: niks. Oké, een (niet-verboden) spierrelaxans, maar daar win je echt geen wedstrijden mee. Hooguit helpt het je beter te slapen na een val.

De Franse politie heeft in dopingaffaires de gewoonte om lekken te organiseren naar bij voorkeur Le Monde. Als die te veel zijn bediend, deelt ook Libération geregeld in de kruimels. En als de Franse politie voor één keer niet uit de biecht klapt, zijn het wel de Franse dopinginstanties zelf die graag wat lossen. Tussen de Tour van 2021 en vandaag is geen kruimeltje van de tafel gevallen.

Hun vroegere spreekbuis zijn ze kwijt. In 2005 zocht de sportkrant L’Equipe in nauwe samenwerking met de dopinginstanties naar een smoking gun die Lance Armstrong als epogebruiker kon ontmaskeren. Dat lukte aardig, maar juridische consequenties konden daar niet meer aan worden verbonden. In de lange nasleep ervan besloot de directie van de krant – ook eigenaar van de Tour – dat negatieve berichtgeving zoals dopingverhalen voortaan geen journalistieke prioriteit meer waren.

De collega die na de Festina-Tour van 1998 door zijn toenmalige hoofdredactie was vrijgesteld om doping te onderzoeken stapte dan maar op. Damien Ressiot werd adviseur van de Oclaesp. Dat is een Franse overheidsdienst en de afkorting staat voor Office central de lutte contre les atteintes à l’environnement et à la santé publique.

Als u de beelden van de huis/hotelzoeking bij Bahrain hebt gezien afgelopen weekend, dan zag u agenten van de Oclaesp bij de onderzoeken. Ressiot is daar overigens al weg. Hij is nu hoofd van de dopingcontroles bij de AFLD, het nationale antidopingagentschap van Frankrijk. Dat noemen ze nog eens carrière maken.

Die switch heb ik vorig jaar grandioos gemist. Na de Spelen van Tokio kreeg ik een telefoon van een kopstuk van de International Testing Agency (ITA), de onafhankelijke dopingtesters die veel sportbonden bedienen, waaronder de internationale wielerunie UCI. Of het klopte dat ik mij bekommerde om doping? Ja mijnheer, ik heb er een boek over geschreven.

Mijn boek interesseerde Mr. ITA niet. Wel of ik ‘intell’ kon verzamelen. Plots voelde ik mij als gerekruteerd door de CIA. Wel spannend. En waarover moest die intell dan wel gaan? “We are intensively looking into Team Bahrain. If you could be of any help?”

Dat jullie Bahrain in het vizier hebben, was mij al opgevallen, antwoordde ik. In dezelfde zin heb de aanbieding meteen afgewezen. Ik was nu zover in mijn, ahum, ‘journalistieke carrière’ en al die tijd was ik rechtdoor blijven gaan (of toch ongeveer). Ik zag het niet zitten om ineens undercover tegen pakweg Dylan Teuns aan te schurken, in de hoop te weten te komen welke superbrandstof hij, Colbrelli en Mohoric dan wel tankten.

Is het bah of is het rein, met Team Bahrain, dat is nu de vraag. Een deel van het peloton denkt luidop aan de eerste optie en verdenkt Bahrain-Victorious van bedrog. Aan dat soort complottheorieën valt het wielrennen nu al meer dan een eeuw ten prooi. Ik geloof niet in een superbrandstof dat één team tankt en dat de rest niet kent. Ik geloof wel in de manier waarop vandaag wordt gecontroleerd. Aan de flitspaal van de toevallige urinecontrole is de trajectcontrole van bloed toegevoegd en hoe langer dat traject, hoe verfijnder de controle. Als het biologisch paspoort het dopinggebruik niet heeft uitgeroeid, heeft het dat toch serieus teruggedrongen.

Alles wat helpt om beter te presteren zal zich op de een of andere manier manifesteren in de bloedwaarden. En als die bloedwaarden worden gemanipuleerd in het lichaam om weer normale waarden te bekomen is meteen het dopingeffect ook weg. De atleet die naar de donkere kant neigt, moet zich afvragen of de minieme baten nog opwegen tegen de logistieke lasten en de eeuwige schrik voor een onverhoedse controle.

Als de ITA namens de UCI bij Team Bahrain op verdachte waarden is gestoten, dan moet ze die kwestie aanhangig maken bij het dopingtribunaal van de UCI. Wat ze vooral niet moeten doen, is zoals nu net voor de Tour politiediensten inschakelen in de hoop het team te intimideren. Het wielrennen van na 2010 verdient beter. Laten we hopen dat ze tegen het einde van de zomer of ten laatste eind dit jaar hun onderzoek afsluiten: of ze klagen renners en entourage aan, of ze excuseren zich.

Column Sportzomer 2022 in De Morgen van 2 juli 2022

Sportzomer 2022

Dit is de derde rare sportzomer op rij.

Normaal gaat het zo: in de pare jaren die deelbaar zijn door vier (schrikkeljaren) worden in de zomer de Olympische Spelen georganiseerd. In de pare jaren niet deelbaar door vier wordt in de zomer om de worldcup voetbal gespeeld.

Tot 1992 hadden de schrikkeljaren twee Olympische Spelen – ook eentje in de winter – maar Zomer- en Winterspelen zijn vanaf 1994 uit elkaar gehaald. Hoe dat komt, zou ons binnen dit bestek een beetje afleiden, maar er was wel degelijk een sportpolitieke reden waarom de Winterspelen plots naar het jaar van het WK voetbal verhuisden.

De zomers van de onpare jaren waren dan weer voorbehouden voor WK’s en EK’s in andere sporten, vaak een mooie opstapje naar de Olympische Spelen. De laatste decennia willen alle sporten minstens om het andere jaar en zo mogelijk zelfs elk jaar een WK. Dus is de kalender een beetje van slag. En de volgers zijn dat ook, want wie plant nu in dezelfde zomer een WK atletiek en een EK atletiek, en een WK zwemmen – net voorbij, iets van gemerkt? – en een EK zwemmen?

Het EK voetbal gaat ook traditioneel door in het jaar van de Zomerspelen, waardoor die schrikkeljaarzomer steevast de titel ‘Grote Sportzomer’ kreeg. Dat staat dan voor de Tour, het EK voetbal en dan de Zomerspelen. 2020 was zo’n jaar. Eerst hadden we het Europees kampioenschap voetbal, gewonnen door Italië. En dan? Dat was alles die zomer. De Tour ging twee maanden te laat van start, de herfst was al begonnen.

We hadden eind juli in Tokio moeten landen met het grote sportcircus, maar daarover was al in maart beslist dat het een jaartje zou worden uitgesteld. Daardoor kregen we in 2021 voor het eerst Olympische Spelen in een onpaar jaar. Zonder publiek: een gruwel voor de sfeer, een zegen voor de volgers. 2022 had de eerste normale sportzomer kunnen worden, maar dat was buiten de FIFA gerekend die zo nodig de worldcup voetbal aan Qatar moest toewijzen, waardoor we pas in de allerlaatste maand van 2022 zullen weten welk land wereldkampioen wordt.

Gelukkig is er de Tour de France waarop je kunt rekenen. Wat zou een sportzomer zijn zonder de Tour? Zelfs in de barste coronatijden hebben ze die gewoon gereden, weliswaar een paar maanden later. Met publiek, met vips, iedereen met mondmaskers en rijden
maar. Wie in het spoor zat van het circus had gemengde gevoelens. Ja, er was gedoe met tests en quarantaines, en neen, de renners aanraken kon niet meer, maar er werd tenminste gekoerst.

Een armlastige sport was gered en de Tour de France en organisator ASO kwamen er als grote overwinnaars uit. Na 2020 hoor je niemand meer over de verstikkende dominantie van de Tour. De verschoven corona-editie werd gewonnen door Tadej Pogacar, het was zijn eerste. Wie herinnert zich nog dat de anders zo uitbundig bloeiende zonnebloemen er nu ineens donker en verwelkt bij hingen, dat de lavendel niet langer lila maar grijs was en dat her en der al druiven werden geoogst?

La Planche des Belles Filles, de tijdrit, Pogacars triomftocht en de deconfiture van Primoz Roglic, aansluitend het ongeloof op het gezicht van Wout van Aert en co., dat is in het collectief geheugen van de wielerliefhebber blijven hangen.

Gisteren is de Tour begonnen. Te vroeg deze keer. Misschien dat het in de prehistorie ooit is gebeurd, maar een start op vrijdag lijkt op een primeur. De Tour startte traditioneel op de eerste zaterdag van juli, of de laatste van juni in een olympische zomer. De Giro is al een aantal keer gestart op vrijdag. De Vuelta en de Tour zijn er dit jaar ook mee begonnen.

Die vervroegde start heeft natuurlijk alles te maken met die extra rustdag op de eerste maandag. Voor alle duidelijkheid, de renners en de ploegen vragen niet om een rustdag na amper twee en een halve inloopetappe. De rustdag is eigenlijk een reisdag, bedoeld om het circus een belachelijk verre afstand te laten afleggen omdat zo nodig in een ander land, niet eens een buurland van Frankrijk, moet worden gestart. In de Giro ging het al van Boedapest helemaal naar Sicilië, maandag in de Tour gaat het van Denemarken naar Noord-Frankrijk en in de Vuelta straks van Nederland naar Baskenland.De Tour had een grappige communicatie om de start

in Denemarken uit te leggen. Le grand départ in Kopenhagen zou een hommage zijn aan de manier waarop het Deense wielrennen zich uit het slop heeft getrokken na de vele dopinggevallen (Bjarne Riis, Michael Rasmussen en tal van andere bekentenissen). Dat is klinkklare nonsens. De Tour zou nooit in Kopenhagen zijn begonnen en vervolgens drie dagen in Denemarken zijn gebleven als de Denen geen 15 miljoen euro hadden willen investeren.

Column Open categorie in De Morgen van zaterdag 25 juni 2022

Open categorie

Stel: je zwemt, in competitie, en je staat ergens anoniem hoog in de ranking van je favoriete afstand, maar je wilt nummer één worden. Wat zijn je opties dan?

Beter en meer trainen? Je traint al tien keer per week, inclusief droog- en krachttraining. Veel rek ziet er niet meer op.
Doping? Als je dat al zou overwegen: niet doen. Je wint er hooguit een paar tientallen plaatsen mee, maar de beste word je nooit. Een speciaal pak? Mag niet meer.
Je enige hoop is een geslachtsverandering, als je tenminste een man bent en bereid bent vrouw te worden.

Hoe oprecht ook de drijfveer om zoiets ingrijpends als een transitie te ondergaan, dat is precies wat de universitaire zwemmer William Thomas is overkomen. Hij was een meezwemmer op de 500 yards bij de mannen op universitair niveau, werd in 2019 Lia Thomas, won in maart van dit jaar de 500 yards en werd eerste op de universitaire ranglijst, bij de vrouwen.

Om alles in perspectief te plaatsen: Lia Thomas zwom negen seconden trager dan het record van de topzwemster Katie Ledecky, die wel is geboren als vrouw. Thomas had dus nog wat werk om haar droom – deelnemen aan de Olympische Spelen van Parijs in 2024 – waar te maken. Eerder deze week bleek dat ze die mag opbergen. Van de internationale zwembond FINA heeft ze de deur op haar neus gekregen.

Wat was het schrikken dat uitgerekend dat bejaardentehuis van het wereldzwemmen met de meest verregaande verordening kwam in de kwestie rond trans vrouwen. Zij mogen bij vrouwen in competitie uitkomen, aldus FINA, op voorwaarde dat ze hun transitie voor hun twaalfde hebben doorgemaakt.

Je had tot nog toe de bepaling van het Internationaal Olympisch Comité die de beslissing per sport aan de internationale bonden overliet. Dat werd als laf aangezien, maar dat was wetenschappelijk de enige juiste visie. Niet alle sporten zijn gelijk, niet alle trans vrouwen hebben in alle sporten evenveel voordelen, maar ze hebben wel in alle sporten een voordeel als ze als man zijn geboren en de puberteit als man hebben doorgemaakt. Daarom drong een reglementering zich op.

Zo had je al de bepaling van World Athletics, de internationale atletiekbond, die zegt dat een trans vrouw ten minste twee jaar haar testosterongehalte onder de 5 millimol moet houden, maar nu het voorbeeld van de zwembond wil volgen. De internationale wielerbond UCI vindt dan weer dat het 2,5 millimol moet zijn. Ja, het is ingewikkeld en het zal nog ingewikkelder worden.

Vrouwensport bestaat nu eenmaal met dank aan de binaire opdeling in geslachten. Het voordeel van de mannelijke puberteit staat onomstotelijk wetenschappelijk vast. Het bedraagt minimaal 10 procent in uithoudingssporten zoals lopen, zwemmen en fietsen, maar kan oplopen tot de helft in hockey en honkbal bij de sleeppush en de worp. Het grootste verschil wordt gemeten bij de vuistslag, die bij de mannen 160 procent harder is dan bij de vrouwen.

In de meeste sporten presteren jongens rond hun veertiende doorgaans beter dan de absolute wereldtop bij de vrouwen, met dank aan de mannelijke puberteit. Uit studies blijkt nu dat dit voordeel vermindert bij de typische hormoonbehandelingen voor trans vrouwen, maar nooit helemaal verdwijnt. Toch is er een categorie activisten die vindt dat inclusie voorop moet staan. Daartegenover staat de 99,999 procent sportvrouwen die vinden dat voormalige mannen bij hen niks te zoeken hebben.

De trans vrouw in de topsport is al een tijdje hét hot item van het moment, vooral in de Angelsaksische landen. Je had dit jaar Lia Thomas in het zwemmen. Vorig jaar was er de Nieuw-Zeelandse Laurel Hubbard in het gewichtheffen, voor wie op de Spelen in Tokio de wereldpers was uitgerukt, maar die helemaal de mist in ging. Daar is nu nog de Engelse wielrenster Emily Bridges bij gekomen, die net als Thomas naar Parijs 2024 wil. Premier Boris Johnson heeft Bridges onlangs helemaal afgebrand en in de VS overkwam Thomas hetzelfde met Trump-zender Fox, waardoor het debat ook een politieke dimensie kreeg.

De FINA heeft het trouwens slim aangepakt. Zij willen trans vrouwen wel een kans geven om in competitie uit te komen in een open categorie. Geen mens die weet hoe dat praktisch in zijn werk moet gaan. Voor een aparte categorie trans zwemmers vinden ze nooit genoeg atleten van niveau.

Of ze zouden van het mannenzwemmen een open categorie kunnen maken en dan zwemmen trans vrouwen gewoon weer tegen mannen zoals voorheen. Of ze zouden, zoals al is geopperd, die open categorie in de paralympische sporten kunnen onderbrengen in aparte hormonale categorieën. Die hebben ervaring zat met classificaties.

Column Blad, Steen, Schaar in De Morgen van maandag 20 juni 2022

Blad-steen-schaar

Een kat vindt er haar jongen niet in terug.

Mooie uitdrukking, heel vaak van toepassing op de sport. Neem nu zwemmen dit jaar, met een aan gang zijnd wereldkampioenschap in Boedapest en in augustus een Europees kampioenschap in Rome. Idem voor atletiek: een WK in Oregon, een maand later een EK in München en tussendoor krijgen we nog wat Diamond League-resultaten in de mailbox.

Voor deze moedersporten (zwemmen en atletiek) geldt nog een ander spreekwoord: de kip met de gouden eieren slachten. Er was een tijd dat de modale sportliefhebber de namen van de toppers in die sporten, en als het even kon ook hun tijden of prestaties, uit het hoofd kende omdat die nu eenmaal tot de algemeen verworven kennis behoorden. Niet langer. Vraag de voxpop – liever niet, maar bon – naar toppers en je hoort vast nog over Usain Bolt en Michael Phelps.

Waar de kat nu wel haar jongen in terugvindt, is de competitieformule in het Belgische voetbal. Die geldt tot 2030, zegt de nieuwe Pro League-CEO Lorin Parys. Dat willen we nog wel eens zien, maar voorlopig is het dus met zestien clubs, met play-offs, met drie potentiële dalers en stijgers, met halvering van de punten en tegelijk gaan ze ook de financiën gezond maken.

De argumenten van de clubs die vrezen voor calamiteiten onderin hebben het niet gehaald. Het andere argument voor die ene club ver bovenin die het zo belangrijk vindt om in Europa lang actief te zijn en dus een lang uitgesponnen, uitbollende competitie prefereerde, ook niet. Dit is een format op maat van de clubs die de hoop koesteren om kampioen te worden maar er meestal naast grijpen en die zo goed als zeker nooit gaan degraderen.

Maar welke kat durft nog een jong te baren, laat staan het daarna terug te vinden in het wielrennen? Is de aanloop naar het grote moment van het jaar al ooit zo versnipperd, verwarrend en onoverzichtelijk geweest? Nog niet zo heel lang geleden had je als renner/ ploeg de keuze tussen het Critérium du Dauphiné, zeg maar de Dauphiné, en de Ronde van Zwitserland om je voor te bereiden.

Nog iets eerder, ook eerder in de kalender want georganiseerd rond eind mei, was er een alternatief voor de Dauphiné en Zwitserland. Dat was de Grand Prix du Midi Libre. De laatste werd georganiseerd in 2002. Daar was ik bij, omwille van Lance Armstrong. Hij verloor de tijdrit van Igor González de Galdeano, won wel het classement général, maar is later uit de uitslag geschrapt.

Er was toen ten minste de schijn van wat strijd, waarbij de allergrootsten elkaar wel min of meer ontweken. Het zorgde met andere woorden voor een mooie, redelijk overzichtelijke opbouw naar de Tour de France. Niks daarvan dit jaar.

We hadden al de Dauphiné waarin het trio Roglic-Vingegaard-Van Aert namens Jumbo-Visma een tweede garnituur op een hoop reed. Aansluitend begon het wielercircus een voorstelling in Zwitserland waar wat andere grote namen aan deelnamen. Nog iets later begon La Route d’Occitanie, dat de opvolger moet worden van de Midi-Libre.

Dus, samenvattend: Roglic reed de Dauphiné en won die ook. Je kreeg niet de indruk dat daar iemand meereed die TJV het vuur aan de schenen kon leggen. Reden die dan in Zwitserland, dat gisteren eindigde? Dat weten we ook niet echt, want onderweg verloren we een kwart van het peloton met corona. Het werd wel spannend in Zwitserland en het goede nieuws is de hernieuwde standvastigheid van winnaar Geraint Thomas.

Waren er wel veel toppers in Occitanië? Neen, ook niet echt, tenzij we Nairo Quitana namens Arkéa-Samsic nog serieus moeten nemen. De grootste van het moment, de topfavoriet voor de Tour, Tadej Pogacar dus, deed het nog anders. Hij was in zijn achtertuin met wat vrienden op vijfdaagse uitstap. Ze gaven die happening een naam: de Ronde van Slovenië.

Onderweg deden de fietsmaten elkaar af en toe de duvel aan op de fiets, niet moeilijk in Slovenië waar haast geen meter plat is. Ze droegen er wel zorg voor – het is te zeggen: hij droeg er zorg voor – dat de verstandhouding onder de vrienden goed bleef want als hij voorop ging rijden nam hij altijd een maat mee op zijn zitbuis of in zijn slipstream, kwestie van onderweg een klapke te kunnen doen. Bij de aankomst mochten de vrienden die hem vergezelden eerst over de streep passeren, al of niet na het winnen van een spelletje.

Het is niet duidelijk of het wielrennen wel beseft dat het twintig jaar geleden nog een sport was die leefde van een strijd op het scherp van de snede tussen Amerikanen en het nu moet stellen met Slovenen die één of twee worden en elkaar daarbij net niet tongzoenen. Het laat dat soort geintjes als blad-steen-schaar toch maar best achterwege.

Column Save Roberto in De Morgen van zaterdag 18 juni 2022

Save Roberto

Roberto Martínez heeft een probleem. Hét probleem waarmee wel meer trainers en lieden van gezag te kampen hebben als ze een tijdje op dezelfde plek zitten en de goegemeente, aangevuurd door de media, een beetje uitgekeken geraakt op die figuur.

De grote paniek veroorzaakt door de 1-4 tegen Nederland was een beetje gaan liggen door die 6-1 tegen Polen. Weinigen die durfden door te analyseren: die 1-4 was overdreven en die 6-1 nog meer. Dat was eindeseizoens-toevalvoetbal op zijn best, met spelers die binnen dezelfde ploeg op twee gedachten hinkten, vol aanvallen of toch maar een beetje op safe, en weerbaarheid die smolt naarmate het einde naderde.

Na die 6-1 volgde een 1-1 in Wales. Late gelijkmaker, vintage Wales zeg maar, want dat flikten ze ook twee keer tegen Nederland, dat daar in twee hoteldebotel-eindfases alsnog onderuit geraakte door een late winning goal.

Roberto Martínez heeft een probleem als naast zijn resultaten – voor wat die waard zijn in een onzincompetitie als de Nations League – ook randzaken mee worden vermeld in achteraf-analyses. Zoals zijn salaris: 3 miljoen euro per jaar, stond ergens. Als dat klopt, is dat goed betaald. Ik denk niet dat ooit in België een trainer meer zal hebben verdiend, maar de man heeft dan ook een duobaan: bondscoach en technisch directeur. Hij is een harde werker, zegt iedereen rondom hem. Voor 3 miljoen mag dat.

Roberto Martínez heeft een probleem omdat hij een paling is. Dat heb ik zelf ondervonden in interviews, waarbij moet benadrukt dat hij steeds antwoordt, altijd beleefd blijft en geregeld erg zinnige dingen zegt. Maar tegelijk er wel zorg voor draagt het narratief te controleren, duidelijk mediagetraind. Als de vraag hem niet aanstaat, geeft hij aan het gesprek een draai die je niet zag aankomen. En als je denkt dat je hem klem hebt, glibbert hij weg in een woordenbrij waar je ter plekke geen antwoord op kunt verzinnen. Nadien bij het beluisteren van het bandje kun je alleen maar glimlachen: well done, Roberto.

Roberto Martínez zou geen probleem mogen hebben want hij heeft het niet zo slecht gedaan in die vier wedstrijden voor de Nations League. Zeven punten op twaalf, middels één nederlaag, twee overwinningen en een gelijkspel, dat is redelijk. Oké, nemesis-van-altijd Nederland deed beter en kwam winnen in Brussel. Daarom hebben zij in de groep een streep voor. Maar Frankrijk en Engeland: twee punten uit vier wedstrijden. Italië vijf uit vier, Duitsland zes uit vier.

En toch heeft Roberto Martínez een probleem. Veel heeft te maken met het aflopen van zijn contract na de World Cup. De voetbalbond wil dat met zes maanden verlengen, maar Marc Degryse en Jan Mulder hebben al laten weten dat ze dat niet zien zitten. “Het is afgelopen met de leerschool van professor Martínez,” aldus Mulder, om er haastig aan toe te voegen: “Ik heb me nooit echt aan hem gestoord.” Dat is de hypocrisie en kontendaaierij van de analist ten top, vele malen erger dan palinggedrag.Is een langere verlenging echt geen optie? Martínez heeft zijn probleem ook zelf ten dele veroorzaakt. De barsten in zijn pantser waren tot voorheen amper te zien, niet groter dan haarlijntjes. Deze campagne zijn daar twee kraakjes bijgekomen en die hebben aanleiding gegeven tot nieuwe analyses waarbij de ondertoon duidelijk is: het is einde verhaal voor de man die zes jaar lang bondscoach was.

Zes jaar heeft het geduurd voor Martínez een klein kantje liet zien. Zijn analyse van het VAR-moment tegen Wales (de gelijkmaker) was de ontkenning van het licht van de zon: er bestaat nu eenmaal zoiets als perspectief en dan lijkt het alleen maar alsof parallelle lijnen niet parallel lopen. Een uitschuiver. Daarmee gaf hij de ruimte weg waarin de gebuisde ex-bondscoach René Vandereycken als analist dankbaar kon duiken.

Martínez’ reactie op Louis van Gaal die iets sarcastisch zei over de Gouden Bal voor Kevin De Bruyne of voor Noa Lang kan ook te maken hebben met de eeuwige vete tussen Van Gaal en de familie Cruijff, aan wie Martínez via zijn vriendschap met Jordi C. onvoorwaardelijke trouw heeft gezworen. Iets betere coaching van zijn entourage over de ondertoon van Van Gaal had kunnen helpen, maar het was ook niet meer dan een emotionele uitglijder. Dat haast niemand het glas halfvol ziet nadat hij in Polen een onuitgegeven elftal matuur neerzette en naar een overwinning coachte, is opmerkelijk.

Het is duidelijk: de messen zijn geslepen. Het is tijd voor een nieuwe bondscoach, aldus de media, een die ze bij voorkeur op de zenuwen kunnen werken van bij de eerste kennismaking. Dat maakt de job van journalist en analist veel spannender.

Column Jaagpad in De Morgen van maandag 13 juni 2022

Jaagpad

Zomaar een namiddag enkele maanden geleden. Op een breed fietspad rijdt voor ons een vrouw op een elektrische fiets. Grote tred, lage snelheid, beetje wankel. Wij komen achterop en rijden 20 per uur, niet snel, maar toch het dubbele van die vrouw. Mijn fietsmaat rijdt eerst, vertrouwt het niet en springt van het fietspad, de weg op. Dat durf ik niet meer want er komt een auto aan, aldus mijn radartje.

Ik bel. Geen reactie. Ik bel nog eens. Voor de kenners: met een Spurcycle, de luidste bel en ook nog eens pokkeduur. Niks. Ik nader en zeg hallooooo. Aha, de vrouw heeft het kennelijk gehoord; ze schuift vreemd genoeg op naar links en laat plaats rechts. Ik rijd haar voorbij, maar als ik ter hoogte van haar ben, besluit ze ineens rechtsaf een winkelcentrum in te slaan. Fuck, ze had dus niets gehoord. We raken elkaar niet omdat ik mij met een brede zwieper voorbij haar schiet. Toch valt ze. Van de schrik.

Ik besluit om te draaien en te kijken of ik moet helpen. Ik verwacht dus enige dankbaarheid, maar krijg de wind van voren. Hoezo dan, vraag ik haar. U neemt het hele fietspad in, gaat eerst naar links en dan zonder arm uit te steken naar rechts? Bovendien valt u, wellicht omdat u niet in staat bent om met deze fiets te rijden. Dat viel niet goed, maar het was de waarheid en die valt nooit goed als het gaat om rijkunsten.

Ik las deze week alles over die arme man die, nadat een groep wielertoeristen hem was gepasseerd, is gevallen op een jaagpad langs een kanaal omdat zijn stuur het stuur van een inhaler heeft geraakt. Hij heeft het niet overleefd. Mijn eerste reactie: wijdden de kranten maar zoveel pagina’s telkens wanneer iemand op een fiets wordt aangereden door een auto. Tweede reactie: wat als in mijn geval
die vrouw op haar hoofd in plaats van op haar bips was gevallen en het niet had overleefd? Had men dan ook mijn Garmin in beslag genomen om te kijken of ik niet te hard reed? Moet ik voortaan met een dash/bodycam met geluidsopname rijden?

Fietsers die met fietsers botsen, het is een zeldzaamheid. Fietsers die iemand iets aandoen ook. Er bestaat een boutade: fietsers vegen even vaak hun voeten aan de verkeersregels als automobilisten, maar de fietser die daardoor iemand doodrijdt (tenzij zichzelf) moet nog worden geboren. Dat is volgens sommige media achterhaald na deze week, en uiteraard wordt met de vinger naar een groep (snellere) wielertoeristen gewezen. Wielerterroristen dus.

Zal ik mij eens niet populair maken? Voor de verandering? Ik heb een hekel aan mensen die zich voortbewegen, met welke modus dan ook, zonder kennis van de regels en zonder de juiste vaardigheden. Maar ik heb een nog grotere hekel aan grote groepen wielertoeristen die erop uit zijn om met zo veel mogelijk, zo snel mogelijk te fietsen. Die menen dat ze als volume in groep meer rechten kunnen laten gelden tegenover de medeweggebruikers dan als ze als individu onderweg zouden zijn.

Ik ken die groepen. Ik kruis die ook soms, of ze halen mij in, bulderend en schruwelend, driekwart tussen hun kader hangend. Ik kan hen met naam en toenaam benoemen in mijn provincie en ik vervloek ze. Ze geven elkeen die met een koersfiets een beetje sportief wil rijden, een slechte naam. Je vraagt je af wie ze kopiëren. Ik kruis ook soms profs en amateurs die samen rijden. Die gedragen zich to-taal anders en er kan zelfs een groet af.

Automobilisten op de autoweg rijden tussen 70 en 120 kilometer per uur. Het verschil is zeventig procent. Ze zitten bovendien goed beschermd in hun carrosserie. De snelste fietsers op een jaagpad rijden vier keer sneller dan de traagste, driehonderd procent verschil. Als ze vallen, gaan ze bijna steeds tegen de grond, onbeschermd.

Er moet iets gebeuren op die steeds drukkere jaag- en andere fietspaden en dat is niet op te lossen met flitscontroles. Al zou een agent met een speedgun te zijner tijd wonderen kunnen doen, al was het maar om de illegaal ondersteunde pseudoracefietsen in beslag te nemen.

Een combinatie van respect voor elkaar… Kennis van de regels… Invoering van nieuwe regels zoals verboden om naast elkaar te rijden als de weg/het pad smaller is dan vier meter. Onze archaïsche fietsinfrastructuur kan de toename van fietsers onmogelijk volgen, dus zal het van gezond verstand en gedragswijzigingen moeten komen.

Ik heb een voorstel. Groepen fietsers die niet op de weg rijden maar op jaag- en andere fietspaden zouden uit maximaal tien fietsers mogen bestaan. Zijn ze met meer: verplicht op de gewone weg, per twee, en gevolgd door een auto. En als nu ook de wielerclubs én OKRA boos worden, dat kan er ook nog bij.