Column Sympathie voor de 3×3 in De Morgen van 28 augustus 2021

Sympathie voor 3×3

Na drie dagen diep nadenken, raadplegen van het ethisch kompas, en een sportieve realitycheck: achter hun computer gezeten hebben de 3×3 Belgian Lions zich niet gedragen zoals het hoort, maar dat doet niks af van hun prestaties op het veld. Zonder dat creatieve computeren was er van dat pleintjesbasketballen in Tokio evenwel geen sprake geweest en dat is voorwaar een probleem.

Hier is wat de 3×3 Lions hebben uitgevreten. (Dit is bedoeld voor wie alleen maar de koppen leest in de kranten en op de sites.) De aanleiding om te mispeuteren was de vaststelling in 2019 dat basketbaldwerg België geen punten genoeg had in de ranking om in aanmerking te komen voor een plek in een olympisch kwalificatietoernooi (OKT). Dat vonden de Lions dieptreurig, want ze waren ervan overtuigd dat ze een kans hadden om die kwalificatie af te dwingen en in op de Olympische Spelen thuishoorden.

De truc om België hoger te krijgen in de ranking, was veel 3×3-toernooien organiseren en winnen. Dat had gekund, maar daar heb je tijd, toernooien en vooral de spelers voor nodig. In een klein land dat bovendien een toevluchtsoord is voor C- en D-spelers uit de Balkan en de VS, lopen die Belgen niet dik.

Wie, wat, waar en hoe heeft beslist om over te gaan tot het computermatig invoeren van fictieve toernooien, doet er niet toe. Tenzij het die aankomende notaris is geweest. Het notariaat heeft een nogal strenge gedragscode naar het schijnt en of creatief boekhouden met sportieve resultaten – administratieve fraude dus – bij die club door de beugel kan, is hoogst onzeker.

Even terug naar de essentie, in deze niet onbelangrijk. 3×3 is bezigheidstherapie voor gebuisde basketbalspelers en hoort niet thuis op de Olympische Spelen. Voorlopig althans. Jawel, 3×3 is spektakel, het is snel, het is mooi om naar te kijken, maar niet alles wat snel, mooi en spektakel is, verdient de olympische status. De kans dat pleintjesbasket een eigen weg inslaat zoals beachvolleybal, is niet bijster groot.

Dat gehannes met de kwalificatie alleen al… U zou eens moeten weten wat een team in een echte teamsport moet doen om op de Spelen te geraken. Alvast heel wat meer dan een account aanmaken bij de internationale basketbalbond en wat resultaten van toernooien ingeven.

De internationale basketbalbond FIBA heeft er een zootje van gemaakt in de aanloop naar de Spelen door op geen enkel moment de procedure te controleren waardoor fraude op grote schaal mogelijk was. Het zou wel heel vreemd zijn als alleen de Belgen zich achter de computer hebben gezet en handig gebruik hebben gemaakt van de systeemfouten bij de FIBA. De verantwoordelijkheid van de Belgische bond in deze al bij al grappige affaire? Olympische kwalificatie is de unieke bevoegdheid van de internationale federatie, niet van de KBBB. Wat niet belet dat ook die beter had moeten opletten.

Al die beschouwingen daar gelaten, hebben die Belgian Lions het sportief wel meer dan waargemaakt. In Graz ging het op het eerste OKT nog mis, maar in Debrecen hebben ze zich tegen de thuisploeg geplaatst voor Tokio. Ze hebben géén wedstrijden omgekocht, laat dat duidelijk zijn. Ook in Tokio niet. Daar klopten ze zelfs latere winnaar Letland in de poule.

In de halve finale kregen ze klop van diezelfde Letten en in de wedstrijd om brons kwamen de Lions er ook niet aan te pas tegen Servië. Die laatste twee wedstrijden waren een sof. Wisten ze toen al wat hen boven het hoofd hing en lieten ze het bewust schieten? Ze mogen alvast blij zijn dat ze geen medaille hebben gewonnen. Een verplichte teruggave had hen voor de eeuwigheid een vermelding bezorgd op alle Wikipedia-pagina’s en naslagwerken over Tokio 2020.

Ten slotte nog een woordje voor wie het vergrijp van de Belgian Lions naar de media lekte en hen (naar verluidt) hiermee chanteerde. Tenzij u een tegenstander bent die heeft geleden onder het creatief computeren van Celis en co., maar die kans is erg klein, bent u meer dan een beetje laf. Aan de collega’s die uitstekend journalistiek werk hebben geleverd: als ik dit nieuws in mijn mailbox had gekregen, vóór Tokio, had ik het ook gebracht. Ná de Olympische Spelen, het eeuwige gedoe met de kwalificatieprocedures van nieuwe disciplines en sporten en de mooie sportieve afloop kennende, neen, dan denk ik niet dat ik dat verhaal had opgeschreven als Het Groot Schandaal.

Dat is het ook niet. De Belgian Lions hebben zichzelf met een administratief handigheidje op de weg naar Tokio gezet, maar de eigenlijke kwalificatie hebben ze sportief afgedwongen en eenmaal in Tokio hebben ze zich ook nog eens de darmen uit het lijf gespeeld. Dat verdient waardering. Noem het voor mijn part onjournalistieke sympathie, ik beken.

Verhaal in De Morgen van maandag 9 augustus 2021 ‘Tokio conclusie’

Het rapport van Tokio 2021

In 1976 wonnen de Belgische springruiters brons en een dag later werd Karel Lismont derde in de marathon. Afgelopen weekend herhaalde dat scenario zich met de springruiters en Bashir Abdi. België eindigt zo op zeven medailles. Is dat goed?

Hoe uitzonderlijk zijn die zeven Belgische medailles?

Als iemand nog zou twijfelen aan de sportieve en, jawel, morele superioriteit van olympiërs, kijk dan eens de laatste kilometer van de marathon terug. In de nacht van zaterdag op zondag eindigde die met een onverhoopte Belgische medaille in een Belgisch- Nederlands-Somalisch onderonsje. Twee gasten, geboren en getogen in Mogadishu, die voor hun beider adoptielanden een unieke kans zien om te schitteren en elkaar aanvuren, waarbij de ene zijn zekere medaille on hold zet om de andere op sleeptouw te nemen. En dan samen uitkomen bij zilver en brons dat ze vieren als goud, mooier wordt de sport niet.

De wonderbaarlijke Bashir Abdi uit Gent liep in een bloedstollende finale in het spoor van zijn vriend Abdi Nageeye naar een derde plek. Iets later eindigde zijn grootste concurrent in eigen land Koen Naert als tiende en ook zij vielen in elkaars armen.

Om halfelf Belgische tijd is gisteren de strijd om de laatste gouden en zilveren medaille van de Spelen van de 32ste olympiade beslist: het ging om waterpolo, een clash tussen Servië en Griekenland. Servië verlengde zijn olympische titel. Iets eerder piloteerden de Amerikaanse vrouwen hun land naar de eerste plaats in de medailletabel, voor China.

Met 7 medailles (3 goud, 1 zilver en 3 brons) is België uiteindelijk 29ste geëindigd in de traditionele olympische medaillestand. Servië sprong in de allerlaatste wedstrijd van Tokio 2021 met dat waterpologoud nog over België. In de tabel volgens het totaal aantal medailles staat België 33ste.

Zeven medailles voor België is geleden van Londen 1948. Drie keer goud is geleden van Parijs 1924. Maar in Parijs waren slechts 378 medailles te winnen en in Londen 411. In Tokio waren dat er 1.080.

Zes medailles was voor de recente moderne Olympische Spelen (na de boycots van ’80 en ’84) het beste resultaat. Die werden behaald in Atlanta 1996 en in Rio 2016. Toen telkens met twee keer goud, maar wederom deze nuance: in Atlanta waren 842 medailles te verdelen, in Rio 973. Een vooruitgang van één medaille (van zes naar zeven) is dus statistisch logisch, wetend dat alle nieuwe sporten behalve rugby met zeven appelleren aan sporters uit rijke landen.

België ziet in de medailletabel nog steeds elf landen met minder inwoners en een lager bruto binnenlands product beter doen. Het beste van die kleine landen is Nieuw-Zeeland, dat met twintig medailles waarvan zeven keer goud zichzelf op plaats dertien parkeert.

Nationale euforie omwille van die zeven Belgische medailles is dus nergens voor nodig. De drie keer goud geeft bovendien een vertekend beeld. Dat overaanbod aan goud is het gevolg van enkele toppers die bevestigen, maar van wie lang niet zeker is dat die ook in Parijs nog dit niveau zullen halen.

Het intrinsiek niveau van België is en blijft meer dan tien medailles.

Hoewel conclusies op basis van deze vreemde Spelen uit den boze zijn, lijkt het toch alsof de Belgische sport op de goede weg is en dat de basis voor betere medaille-output aanwezig is. De zeven vierde plaatsen liggen in het verlengde van de vier vierde plaatsen in Rio. Idem voor de 26 topachtplaatsen (18 in Rio). Dit bewijst dat het potentieel voor tien podia aanwezig is en het bewijst eveneens dat investeren in wie behoort tot de wereldtop loont.

De vierde plaats van Noor Vidts is dan weer een ander verhaal. Zij werd als enige van de topachtfinishers tot dit jaar niet gesteund door Sport Vlaanderen. De reden? Ze had nog geen resultaten gehaald, maar haar trainer maakte wel deel uit van het meerkampproject dat wordt ondersteund. De motivatie om zonder salaris verder te doen kwam uit zichzelf. Meer van dat.

Geen enkele sport viel echt tegen of het zou tennis moeten zijn, dat al te vaak toerisme met een sporttas is.

Wielrennen, met dat ene zilver van Wout van Aert, mag stilaan de vraag beantwoorden of al die investeringen in het baanwielrennen wel de moeite waard zijn. Straks wordt een nieuwe wielerbaan gebouwd in Zolder. Als die moet dienen als schuiloord voor wegrenners en crossers die in de winter graag droog trainen en niet in de file willen staan richting die andere baan in Gent is dat een onverantwoorde uitgave. Het wordt een ander verhaal als daar een model aan wordt gekoppeld dat talent naar de wielerbaan draineert en daar ook kan houden.

Hoe presteerden de toplanden?

Nederland eindigt met 36 medailles zevende in de medailletabel en is het kleinste grote sportland van het noordelijk halfrond. Australië is dat van het zuidelijk halfrond. Beide landen behoren tot de sterkste stijgers met zeventien medailles meer, samen met Japan en China die er ook zeventien en achttien meer halen. Van thuisland Japan was dat min of meer verwacht. China is een grote verrassing, samen met Rusland, dat onthoofd als Russisch Olympisch Comité ging maar uiteindelijk met vijftien medailles in de plus uitkomt.

De top vijf in de medaillestand wint een recordaantal van 395 medailles waarvan 148 gouden. Het waren de Amerikaanse vrouwen van het volleybalteam die uiteindelijk de 39ste gouden medaille voor de VS bij elkaar tikten, waardoor hun land zowel in het aantal gouden medailles als het totale aantal op de eerste plaats kon finishen. Toch doen de VS het minder goed dan in Rio en leveren zeven gouden medailles in.

Andere flinke dalers in de top tien zijn Duitsland, nog maar eens, dat nu op 37 medailles uitkomt en zeven gouden plakken moet inleveren, waardoor het van plaats vijf naar negen zakt. In 1988 haalden Oost- en West-Duitsland samen 142 medailles (waarvan 102 voor de DDR). Vandaag wint het eengemaakte Duitsland minder medailles dan West-Duitsland alleen in 1988 en toen waren er 30 procent minder medailles te verdienen.

Ook Frankrijk deed het in de totaalstand niet goed (min negen) maar manifesteerde zich wel met acht medailles in teamsporten, waarvan drie keer goud. Zo behoudt het de tien gouden medailles van Rio.

Speelden corona en de tijdzone een rol?

Of er sprake is van een corona-effect is erg onduidelijk. Italië, dat in 2020 het ergst is getroffen door de epidemie, gaat er twaalf medailles en twee gouden plakken op vooruit. Misschien ga je van corona wel harder lopen, want de Italianen wonnen zowel de 100 meter individueel als de estafette. Ook coronaland Nederland, waar de topsport langer dicht bleef dan bij ons, deed het goed, net als China en Japan die op slot gingen.

Wellicht heeft corona geen effect gehad, tenzij dan op kleine en arme landen waar atleten zich minder goed konden voorbereiden. De grote landen wonnen samen meer medailles, maar tegelijk hebben meer landen dan ooit een medaille gewonnen: 94 tegenover 86 in Rio. Ook gouden landen zijn er ineens meer: van 57 naar 65. Bermuda, de Filipijnen en Qatar wonnen hun eerste gouden medaille. Burkina Faso, Turkmenistan en San Marino wonnen hun eerste medaille ooit.

Een indirect effect van corona zou het verminderd aantal dopingcontroles kunnen zijn. Zowel naar Rusland als naar China werd al uit Amerikaanse hoek met een beschuldigende vinger gewezen, maar na analyse blijkt toch dat de Amerikanen het zelf hebben laten liggen. Een aantal prestaties zal achteraf fout blijken en medailles zullen wisselen van eigenaar en land, dat is elke Spelen zo. Maar opmerkelijk en een primeur: geen enkele medaille werd op de Spelen zelf afgenomen door een positieve test.

Als China, Japan en Australië het samen opvallend goed doen, kan dat te maken hebben met de geopolitieke belangen in de regio, maar meer nog met de biologische klok. Het is bewezen dat atleten die grote tijdverschillen moeten overwinnen ook na een aanpassing nog met prestatieverlies te kampen hebben. Omgekeerd is dat uurtje verschil tussen Peking of Sydney en Tokio best te overbruggen.

Werden de toeschouwers fel gemist?

Tokio heeft prachtige maar onzichtbare Spelen georganiseerd. Dat buitenlandse bezoekers werden geweerd en delegaties werden beperkt, leek logisch. Dat de Japanse bezoeker van de Olympische Spelen ineens zijn tickets terugbetaald kreeg en moest thuisblijven, was een vergissing van formaat. Er was geen objectieve reden voor lege olympische stadions terwijl voetbal, honkbal en sumo in Japan wel publiek mochten binnenlaten.

De Spelen in Tokio, de tweede na die van 1964, hadden net als toen een mijlpaal kunnen zijn in de organisatorische geschiedenis van de Olympische Spelen. Nu zullen ze worden herinnerd van atleten die net hun uiterste best hadden gedaan en gewonnen of verloren, en die voor digitale schermen met het thuisfront enkele woorden konden wisselen.

De anticovidmaatregelen waren rigide, maar uiteindelijk leefbaar en ze hebben gewerkt, met amper honderd besmettingen in de hele olympische bubbel en waarvan de helft dan nog van Japanse vrijwilligers. De vijandigheid onder de Japanse bevolking tegenover olympiërs bleek een uitvinding van vooringenomen lokale correspondenten.

Uiteindelijk zal de geschiedenis uitwijzen dat Tokio zijn eigen Spelen heeft vermoord, enkel en alleen omdat later dit jaar verkiezingen plaatsvinden. Het hele avontuur heeft de Japanse belastingbetaler klauwen vol geld gekost. De totale investering wordt op meer dan 15 miljard euro geschat.

Was het jaar uitstel van de Spelen een wijze beslissing?

Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en zijn voorzitter Thomas Bach kregen sinds maart 2020 tot en met vandaag bakken kritiek te slikken, maar wie met wat afstand analyseert, moet concluderen dat het IOC er wijs aan deed toen het vorig jaar de Spelen uitstelde. Het had evengoed zijn 25 miljoen euro kostende verzekering kunnen aanspreken, de Spelen schrappen en zonder te organiseren de miljarden oprapen.

Dat deed het niet, maar na dat uitstel viel de verzekering voor de editie van 2021 wel weg. (Alleen Peking 2022 is nog gedekt en daarna is het verzekeren van Spelen niet meer mogelijk.) De Japanse regering was het eens met dat uitstel, maar na een premierwissel wilde die alsnog de staart intrekken, waarop het IOC op de rem ging staan. Japan, het IOC en de wereldwijde sport zaten in een do-or-diescenario.

Dat ‘doen of sterven’ en vooral het sterven slaat op de wereldwijde sport en de internationale federaties die afhangen van het geld van de olympische beweging. Zonder het geld van Tokio 2021 had de helft van de olympische bonden geflirt met het faillissement. De Amerikanen, die zoveel kritiek hadden op de niet-afgelasting, zouden ook beter twee keer nadenken: zij krijgen voor deze olympische cyclus 750 miljoen dollar uit de olympische kassa, meer dan alle andere landen samen en meer dan alle sportbonden samen.

Ook de atleten zullen vroeg of laat beseffen dat het IOC er wijs aan heeft gedaan om die Spelen toch te laten doorgaan en dat zij de voornaamste begunstigden zijn van die koppigheid.

Parijs 2024, wat nu?

Voor België zouden Spelen in de achtertuin een aanleiding kunnen zijn om te investeren in een nog betere omkadering van topsport. Het verschil met de cultuursector is nog steeds bijzonder groot als men weet dat één eerbiedwaardige cultuurinstelling in Brussel evenveel of meer overheidssteun krijgt dan de niet minder eerbiedwaardige en veel beter presterende Belgische topsport samen.

In Parijs komt breaking (breakdance) op het programma, naast klimmen, skateboarden en surfen. Karate, honkbal en softbal verdwijnen weer, maar die laatste twee sporten komen vast terug in Los Angeles 2028.

Wat in de hectiek van het laatste weekend van deze Olympische Spelen wel is verloren gegaan, is een ultieme beslissing door de sessie van het IOC die bepaalt dat voortaan de executive board van het IOC de bevoegdheid heeft om sporten tijdelijk van het programma te halen als ze vindt dat die slecht worden beheerd. Dat is een eerste stap naar het snel kaltstellen van boksen en gewichtheffen.

Column 18 uit Tokio ‘Sport in België’ in De Morgen van maandag 9 augustus 2021

Sport in België

Het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) heeft vijf jaar na Rio zijn vierjaarlijkse vreugdedans gehouden. Daar hadden ze het recht toe, want er is cijfermatig beter gepresteerd dan ooit tevoren. Tegelijk was er ook een bepaalde berusting merkbaar bij de BOIC-top. Pierre-Olivier Beckers sluit zijn periode als Belgische olympisch voorzitter af en daar heeft hij meer aan overgehouden dan hij erin heeft geïnvesteerd, dat is eens wat anders dan zijn investeringen destijds bij Delhaize, maar dat is een ander verhaal.

Beckers is vast IOC-lid geworden en doet het daar niet slecht voor zover je het daar slecht kunt doen. Zo geniet hij aanzien als IOC- coördinator van de Spelen van Parijs 2024. Onderweg is hij op een blauwe maandag ook baron geworden. Waar zijn voorganger François Narmon geen enkele verdienste had voor de topsport kan Beckers zich de pluim op zijn hoed steken dat hij als hobby- hockeyer in die sport heeft geloofd van in het begin en dat de eerste investeringen in de nationale ploegen vanuit de kas van het BOIC kwamen.

Beckers vertrekt in september, kort daarna gevolgd door het andere BOIC-kopstuk, CEO Philippe Vander Putten. Die heeft in extremis geprobeerd om zelf voorzitter van het BOIC te worden, om zo zijn olympische status nog wat te rekken. In het jargon van de Boechoutlaan heet dat ‘een Adrientje doen’, naar Adrien Vanden Eede, die van secretaris-generaal (zo heette de CEO toen nog) in 1992 ineens (royaal) betaalde voorzitter werd. Dat leidde tot een quasi-ramp, maar ook dat is een ander verhaal.

Het is de verdienste van Beckers dat hij dat afblokte en naar een andere kandidaat-voorzitter op zoek ging en die vond in Jean-Michel Saive. Inmiddels is van nergens uit ook een tweede kandidaat opgedoken in de persoon van Heidi Rakels. Zij is in tegenstelling tot wat de Franstaligen in de Belgische sport vermoeden geen voorbode van een Vlaamse putsch, maar heeft op eigen kracht uitgevlooid dat dit wel iets voor haar kon zijn.

Als zakenvrouw, vrouw, olympiër met medaille (in tegenstelling tot Saive), ervaring in leiding geven en bovengemiddeld intelligent, lijkt zij een gedroomde kandidate voor het BOIC, dat al bijna 29 jaar door een Franstalige voorzitter wordt geleid.

De verhoudingen binnen de Belgische sport zijn een weerspiegeling van die in de Belgische politiek. En neen, dat is in dezen niet de schuld van de N-VA. Dat is wel het gevolg van een scheefgegroeide situatie waarbij wie de portemonnee trekt niks te zeggen heeft en voor de Olympische Spelen afhankelijk is van wat het veredeld reisbureau BOIC beslist.

Een voorbeeld daarvan is de niet-selectie van de Waalse zwemster Valentine Dumont. Die werd geweigerd op basis van onduidelijke en onsportieve redenen. Nooit eerder hebben Vlamingen na die beslissing zo gefulmineerd op de niet-selectie van een Waals talent als toen Dumont een no-go kreeg van het selectiecomité van het BOIC. Hun topsportdirecteur Olav Spahl, de man van staal, heeft daar meer dan één slecht punt gescoord.

De scheefgegroeide situatie is inmiddels een soort surrealisme geworden waarbij zelfs Magritte even zou slikken: de drijvende kracht achter de Belgische olympische sport is Vlaanderen met het verzelfstandigd agentschap Sport Vlaanderen (‘den Bloso’ van vroeger). Ruim twee derde van de middelen die worden geïnvesteerd in topsport komt uit Vlaanderen. Dat geldt zowel voor Vlaamse atleten als voor nationale projecten.

Ook het hockey wordt vooral met Vlaams geld betoelaagd. De 4×400, die geen medaille behaalde, heeft bezieler Jacques Borlée inmiddels bij Vlaanderen ondergebracht. Judoka Toma Nikiforov, Franstalige Brusselaar, zit ook bij Vlaanderen. Alleen de Vlaamse taekwondoka’s gingen de andere kant op, maar die trapten op deze Spelen geen deuk in een pakje boter.

Franstalig België investeert ook, maar dat levert nauwelijks wat op. Het heeft één atleet van niveau, en wat voor een: dubbel olympisch kampioene Nafi Thiam is het vleesgeworden schaamlapje van de Franstalige sport die schromelijk achterblijft bij Vlaanderen. Van de 44 Belgische topachtplaatsen in Rio en Tokio zijn er vier van Franstalige atleten. Negen topachtplaatsen zijn van nationale projecten, die steeds belangrijker geworden. Ook daarin investeert Vlaanderen het merendeel van het geld.

Dit is dus geen verhaal van separatisme maar van realisme. Het wordt tijd dat het BOIC zich conformeert aan de realiteit van het topsportveld en de betaler mee laat beslissen. Het zou nog beter zijn als de topsport binnen het BOIC zou worden geleid door zij die er 95 procent van de olympische cyclus mee bezig zijn en meer dan 90 procent van de fondsen ophoesten, de gemeenschappen.

Column 17 uit Tokio ‘De Mentale Spelen’ in De Morgen van zaterdag 7 augustus 2021

De Mentale Spelen

Een kwarteeuw geleden maakte ik kennis met een groot kampioen. Aan het eind van zijn carrière gekomen, vroeg ik hem een keer wat nu de rotste momenten waren als topsporter. Vandaag zou ik vragen: “Heb jij ooit last gehad van mentale issues en ben je daarna in therapie gegaan?” Maar toen wisten we niet dat die bestonden – issues én therapeuten.

Hij antwoordde: “Aan het eind van de zomer, toen ik merkte dat de vakantie en de zomer voor het gezin pas goed waren geweest als ik goed had gepresteerd. Als dat niet zo was, en er waren wel wat zomers dat ik het liet schieten, had het gezin geen goede zomer gehad. Dat vond ik vervelend.”

Die druk vond hij ‘vervelend’, maar ook niet meer dan dat. Hij gooide er nog achteraan dat kunnen omgaan met die druk precies het verschil maakt tussen seriële winnaars en occasionele winnaars. Zonder druk kwam in zijn geval van presteren niks in huis, was zijn conclusie.

Ik vraag mij al de hele Olympische Spelen af of ik jarenlang onder een steen heb gezeten. Omdat het mij nu pas opvalt dat zoveel wordt gehuild, zowel bij verlies (“wat ben ik ongelukkig”) als bij winst (“wat ben ik gelukkig” of “wat ben ik ongelukkig geweest” of gewoon “wat is de druk groot”).

U weet wel waar ik naartoe wil: ik heb het een heel klein beetje gehad met die tranen op het podium, ernaast en in de mixed zone. In het verlengde daarvan heb ik het ook gehad met die naar mijn bescheiden mening overdreven aandacht voor de mentale druk. Ik denk dat trouwens dingen die niet bij elkaar horen op één hoop worden gegooid.

Ik wil het in dat verband nog één keer hebben over Simone Biles, van wie ik vernam dat ze in de turnhal en in het olympisch dorp juist als een lachebekje door het leven ging. Alleen turnen lukte niet te best, want ze had last van ‘twisties’. Uit de uitleg van technici begreep ik dat twisties bestaan, dat ze een gevaar opleveren omdat de gymnast de ruimtelijke perceptie voor een deel kwijt is, maar ook dat twisties te maken hebben met een overload aan informatie. Je kunt dat een mentaal probleem noemen, maar ik hoorde dat ze in dit geval blokkeert door slechte coaching.

Vergelijk het met een tennisser die zoveel tips krijgt om aan zijn service te sleutelen dat hij geen bal meer over het net krijgt en onderhands moet serveren. De eerste die ik dat heb zien doen, was ene Michael Chang, een Amerikaanse Chinees die onder de druk bezweek op Roland Garros. Vreemd genoeg kraakte zijn tegenstander aan de overkant van het net daardoor nog meer, dat was Ivan Lendl.

Ook Nafi Thiam barstte na haar goud in huilen uit want het waren twee verschrikkelijke jaren geweest. Hoezo? Ze heeft twee zware dagen gehad, dat klopt. Je trainer moeten missen door een vals-positieve test, ik had die Japanners die mij zoiets hadden aangedaan vermoord. Die spanning die dan van je afvalt als het toch nog goed komt, alle begrip voor de emoties die dan vrijkomen.

Maar twee vreselijke jaren van ellende? Ik vond niks, behalve een bericht van begin februari van dit jaar. ‘Drama voor olympisch kampioene Nafi Thiam: ‘Mijn hart is gebroken… Waarom jij?” Ik dacht: jeetje, wat erg, dus toch… Ik las verder: Titus was dood. Bleek het om een hond te gaan.

Neen, praat mij niks aan, ik ben niet zo inslecht dat ik met mensen lach die hun huisdier hebben verloren. Maar, als megaster eerst de aanschaf van je huisdier, vervolgens het zindelijk maken, dan de spijtige dood en vervolgens je eigen verdriet uitgebreid op Instagram becommentariëren, waar is dat goed voor?

Zal ik de vraag meteen zelf beantwoorden? Dat is goed voor de eigen marketing. En zal ik daar meteen iets in het Frans achteraan gooien? On ne peut avoir le beurre et l’argent du beurre. In dit geval zorgen de sociale media voor een zorgvuldig opgebouwd imago (“kijk eens hoe sympa”) en zo voor l’argent. Maar dus ook voor immense druk. Dat gaat aan één stuk door: Twitter, Facebook, Instagram… Niet te weinig posten, ook niet te veel, maar toch een inkijkje geven in de privé.

Daarom mijn vrijblijvend advies aan alle topsporters: ik respecteer u en uw gezondheid. U mag huilen, u mag breken, ik zal mij verwijderen. Maar kom niet zeuren dat de druk die u zichzelf oplegt via de sociale media te veel wordt. Niemand verplicht u om al die randzaken erbij te nemen. Niemand verplicht u om uw privéleven te openbaren en al helemaal ik niet. Uw hond, ouders en familie interesseren mij niet, fotoshoots met u bekijk ik niet, ik doe niet aan Instagram en TikTok heb ik niet.

Het enige wat ik wil weten, is waarom u hebt gewonnen of waarom niet. En als dát voor te veel druk zorgt boven op al het andere, tja, het spijt mij zeer, ik zal het blijven vragen.

Column 16 uit Tokio ‘Goud ademen’ in De Morgen van vrijdag 6 augustus 2021

Na 97 jaar ademt België weer goud

Op een warme zomeravond in Tokio heeft de Belgische sport na jaren van occasionele successen een unieke prestatie neergezet. Niet dat de hele wereld nu verbaasd toekijkt, maar twee keer olympisch goud binnen hetzelfde uur is een ongekende luxe voor deze (voormalige) sportwoestijn.

Met nog drie dagen te gaan op deze Spelen komt het Belgian Olympic Team zo op drie keer goud op een voorlopig totaal van vijf medailles. Het maakt een sprong van maar liefst twintig plaatsen in de officiële medailletabel en behoort nu tot de top 25 in Tokio. Dat is eerbaar, maar ook niet meer dan dat.

Of er nog wat achteraan komt, dat is maar de vraag. Nog eens goud? Dat zou pas een wonder zijn. Misschien nog een andere medaille met het jumpingteam, misschien onze ploegkoerskoppels op de wielerbaan met de nadruk op de vrouwen, misschien de 4×400 mannen of vrouwen. Misschien. Op deze speciale Spelen is alles mogelijk, maar de voornaamste conclusie is alvast: de Belgische sport heeft niet gefaald en lijkt aan de beterhand.

Opvallend is dat drie van de vier kansen op goud zijn waargemaakt. Alleen het wielrennen bleef een beetje onder de verwachtingen. Zij konden niet wat de andere drie wel konden: de allermooiste van de medailles voor de neus van alle anderen wegkapen.

Gymnaste Nina Derwael beet de spits af. Ze was niet top in de finale en heeft op haar favoriete brug met ongelijke leggers alles uit de kas moeten halen om de tegenstand af te houden. Ze leek te plooien onder de enorme druk, maar de rest brak.

Ook zevenkampster Nafi Thiam moest haar goud ver gaan zoeken. Ze moest zelfs wachten tot de tweede dag om een tegenstander af te houden die ze in normale vorm geen blik waardig gunt. Ook zij sleepte haar goud uit de brand.

De hockeyers gingen het diepst. In een bijzonder spannende finale dreigden ze helemaal aan het eind kopje-onder te gaan na een hele wedstrijd te hebben gedomineerd. Ze hielden de Australiërs af, hergroepeerden zich rond een wonderbaarlijke doelman en gingen in zenuwslopende shoot-outs hún goud halen. Drie keer druk, drie keer succes: drie on-Belgische prestaties.


Drie keer goud op één Olympische Spelen is voor België 97 jaar geleden. Zevenennegentig. Laat dat even doordringen. Wat voor een onderontwikkeld sportland zijn/waren wij dan wel, zeg? Wellicht zijn er noorderburen die ons met onze vijf medailles nu blij weten met een dooie mus en ze hebben gelijk, maar weten zij veel hoe erg het hier was gesteld met de topsport. Nederland haalde in de eerste week in één dag ook twee keer goud op en nog zes andere medailles, acht in totaal. Het zij zo, België moet tevreden zijn met wat het heeft en dat is deze ‘Chinese’ score met meer goud dan de andere medailles opgeteld.

Drie keer goud op een totaal van vijf medailles is wonderbaarlijk. De normale verhouding is één keer goud op drie podiumplaatsen. Iedere volger van de Olympische Spelen stelt nu al twee keer op rij vast dat de absolute toppers het waarmaken, zelfs het podium domineren, maar dat we voor de andere plaatsen nog een maatje te klein zijn.

Het Belgian Olympic Team zal op deze Spelen op meer dan twintig topachtplaatsen uitkomen. In Rio waren dat er ook al achttien en veel vierde plaatsen. Tot dusver heeft het Belgian Olympic Team in Tokio opnieuw vijf vierde en vijf vijfde plaatsen. Al die olympische diploma’s hadden minstens zeven medailles moeten opleveren. Elke simulatie geeft aan dat, rekening houdend met grootte van de bevolking en het economisch niveau van België, tien plakken ons intrinsiek niveau is. Tien zou het streefdoel moeten zijn.

Ook als het bij deze vijf medailles blijft zijn die drie gouden medailles toch een resultaat om mee thuis te komen en op te bouwen, zeker voor een land dat in de eerste vijf Spelen van deze eeuw in totaal amper vijf keer goud won. Zowel Derwael als Thiam scoort in disciplines met aanzien. De hockeymannen tekenen dan weer voor het eerste goud in een teamsport in 101 jaar.

Het is geleden van de olympische voetbalploeg van 1920 dat België een teamsport op de Spelen won. Toen ging dat erg makkelijk. De Tsjechische finalisten voelden zich benadeeld na de uitsluiting van een van hen en weigerden verder te spelen. Nu was daar geen sprake van. Met Australië kwam de allerzwaarste tegenstander aan het eind van een bijzonder zwaar toernooi. Hockey mag dan de kleinste teamsport zijn, het is op Olympische Spelen de zwaarste, met een finale als achtste wedstrijd in dertien dagen.

Wat nu? De situatie is vergelijkbaar met die van 1996. In Atlanta won België onverwachts zes medailles waarvan twee keer goud. Daar is toen heel slecht mee omgegaan. In die tijd was het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité de drijvende kracht achter de topsport. Het wist zich met die zes medailles dronken van succes, iets wat sommigen bij het BOIC al te letterlijk namen.

Er kwam ruzie van, met als uiteindelijk gevolg een machtsvacuüm waarin bijzonder zwakke sportbestuurders de dienst kwamen uitmaken. Vandaag bestaat dat gevaar niet. De olympische bestuurders zijn nog steeds niet bijzonder briljant, maar de rol van het BOIC is herleid tot een olympisch uitzendbureau. De topsportdrivers in België zijn vandaag de gemeenschappen met Sport Vlaanderen, het voormalige Bloso, als voornaamste actor. Die zijn vastbesloten dit momentum niet te laten voorbijgaan.

Column 15 uit Tokio ‘Belgische gloriedag’ in De Morgen van donderdag 5 augustus 2021

Belgische gloriedag

Dag dertien van zestien op de Olympische Spelen en tijd om er een lap op te geven. Journalistiek, columnistisch en sportief als het even kan. Vandaag kan België twee gouden medailles en een zilveren winnen. Ga maar even terug in de geschiedenis, dat is dit land na de Tweede Wereldoorlog nog nooit overkomen.

Sowieso zijn wij Belgen geen specialisten in olympisch goud ophalen. Peking 2008 was daarop een uitzondering, maar dat ging in twee schuifjes. Op de laatste vrijdag toen België nog medailleloos, moedeloos en wezenloos rondhuppelde haalde de 4×100 bij de vrouwen een mooie zilveren medaille achter Rusland. Een jaar later werd dat omgezet in goud omdat ze bij een Russin iets in de urine hadden gevonden dat daar niet mocht in zitten. Doping dus. Een dag na die mooie medaille won Tia Hellebaut het toen nog enige Belgische goud in het hoogspringen. Een topmedaille. Twee medailles, twee keer goud.

Twee keer goud op de Spelen is zeldzaam voor dit land. Het is het Belgian Olympic Team overkomen – dat is niet overdreven – op de eerste dag in Rio toen Greg Van Avermaet verrassend voorop geraakte en de sprint won van Jakob Fuglsang. In de tweede week kwam Nafi Thiam van ongeveer nergens uit en liep, sprong en gooide zich naar de eerste plaats in de zevenkamp.

Twee keer goud haalden we ook in Atlanta 1996 en wie er bij was herinnert zich nog dat elke Belg in Atlanta de eerste zondag van de Spelen werd bekeken alsof hij plots deel uitmaakte van een ineens wakker geworden sportieve supernatie. Een minder aangenaam bijproduct was dat we ook werden gefeliciteerd. Ik zelfs door (toen nog) prins Filip, en een collega van Le Soir bezwoer mij dat Filip dacht dat ik Fred Deburghgraeve was.

Op die gloriedag van Fredje won België nog een medaille. Dat was het judobrons van Harry Van Barneveld. Heerlijke gast, de Harry, ik hoor het hem nog zeggen: “We winnen haast nooit medailles op de Spelen en als ik er een keer één win is er godverdomme iemand die tegelijk met mij goud moet winnen.” Zo was het maar net, Harry’s triomf raakte ondergesneeuwd.

Zeker toen het een dag later weer prijs was, nu met een andere judoka: Ulla Werbrouck smeerde met een sublieme overname een Japanse een ippon aan. Het was de start van wat tot op heden de meest succesvolle Spelen aller (moderne) tijden zijn geworden voor België: zes medailles, waarvan twee keer goud.

Daarom zou het zo mooi zijn als België er vandaag twee keer goud bij doet. Drie keer goud heeft België nog nooit gehad, tenzij dan op de eigen Spelen in Antwerpen in 1920 (veertien keer goud) en vier jaar later in Parijs (drie keer goud). Op de eerste moderne Olympische Spelen in Parijs in 1896 was dit land zelfs vijf keer de allerbeste.

De zeven medailles en twee keer goud van de Spelen in 1948 in Londen is het naoorlogs record voor dit land. Aan zeven geraakt België in Tokio niet meer, of het zou alle grote en kleine kansen in medailles moeten omzetten. Vandaag zal daar zeker wat bij komen. Te beginnen morgenavond rond de klok van halftien hier in Tokio, dus zeven uur vroeger bij u, als de hockeyers klaar zijn met hun finale tegen Australië. Rond die tijd wordt ook de afsluitende 800 meter gelopen in de zevenkamp voor de vrouwen.

Om het met José De Cauwer te zeggen: het zou zomaar kunnen dat we binnen de vijf minuten twee extra gouden medailles ophalen. Of niet natuurlijk, want wij blijven België, een sportland waarmee het vaker mis gaat dan goed.

In die hockeymannen heb ik wel vertrouwen. Dat hele management is ook zo on-Belgisch als maar kan en dat heeft zo zijn voordelen als het erop aankomt om recht op een doel af te gaan. De ploeg lijkt mij fysiek op en top en hun wil om te winnen en geloof in eigen kunnen is groter dan ooit tevoren bij een Belgisch team. De kans dat dit wel goed komt, is groot.

Wat Nafi Thiam betreft zijn de meningen onder de atletiekkenners na haar eerste dag verdeeld. Sowieso is ze er na vier proeven nog niet in geslaagd ook maar één keer in de buurt van een persoonlijk record te komen. De concurrentie is ook niet top en toch staat ze pas derde na de eerste dag en dat is haar nog niet al te vaak overkomen. Evenmin dat de tweede een Belgische is die 20 punten voorsprong heeft op haar en de eerste een Nederlandse die al 47 punten bonus heeft. Als alles meezit, kunnen we vandaag zelfs drie medailles winnen: twee keer goud en één keer zilver. Zit alles tegen, dan is het één keer zilver. Van één medaille zijn we zeker: de hockeyers winnen minstens zilver.

Column 14 uit Tokio ‘Een voorspelling’ in De Morgen van woensdag 4 augustus 2021

Een voorspelling

Ik had beloofd om geen diepgaande conclusies te trekken na deze Spelen van de 32ste olympiade en dat zal ik nu dus ook niet doen. Om twee redenen. De eerste: omdat dit heel aparte Spelen zijn. En de tweede: omdat de Spelen nog negen dagen duren. Niettemin is één zilver en één brons niet direct de intermediaire buit na zeven dagen competitie waarmee je het vooropgezette doel van tien medailles gaat halen. Er is niks mis mee om nu al voorzichtig te poneren dat we tevreden zullen mogen zijn als we er zes halen.

Even vooraf. Ik weet dat een deel van de fans thuis zit te genieten van deze Olympische Spelen en van al onze Belgische prestaties. Ik wil dat later deze week nog even analyseren, maar het lijkt mij niet dat daar echte wanprestaties bij waren. Iedereen heeft tot nog toe zijn stinkende best gedaan, maar ja, het liep niet altijd zoals gewenst en dat kan gebeuren.

Een iets fanatieker deel van de fans is al blij als onze jongens en meisjes de wedstrijd volmaken zonder ongelukken, of de overkant halen, of het einde van de wedstrijd zonder kleerscheuren. En dan heb je nog dat deel dat superblij is als onze jongens en meisjes ook de weg naar huis terug vinden. Wat ook de uitslag was, die staan met een fanfare klaar op Zaventem. Voor deze laatste twee categorieën is dit stukje niet bestemd.

We hebben tot op heden twee medailles. De mooiste viel al op de eerste dag en daarmee stonden we een tijdje
bovenaan te blinken. Dat deed denken aan die eerste dag op de Spelen van Atlanta in 1996 toen Fred Deburghgraeve ’s ochtends een wereldrecord zwom en in de namiddag het goud won. Er vielen ook nog twee judomedailles dat eerste weekend. Enfin, we stonden toen heel even erg hoog in de medaillestand.

Wout van Aert bezorgde België meteen een eerste medaille. Dat had goud kunnen zijn, mits bijvoorbeeld Remco Evenepoel eerst was opgesoupeerd en Tiesj Benoot als laatste was behouden gebleven om Van Aert bij te staan, maar wie zal het zeggen dat dit wel had ge- werkt? Juist, niemand, maar toch…

Het brons van judoka Matthias Casse had zilver of goud kunnen zijn, als hij niet tegen een Japanner had gemoeten. Die videocall was een duidelijk voorbeeld van thuisvoordeel. Casse is misschien niet echt bestolen, maar het had ook anders kunnen uitdraaien. Zijn enige troost is dat hij heeft verloren van de latere olympisch kampioen.

Overigens halen die Japanners hier behoorlijk uit en liggen ze op koers om hun dertig gouden medailles binnen te halen. Die 120 van de VS, die komen er niet, maar dat geldt voor zowat alle voorspellingen van Gracenote. Dat is een heel tof bedrijf dat gespecialiseerd is in het aanleveren van fantastische info op maat van organisatoren, maar uitslagen voorspellen – al helemaal van olympische sport – daar begin je beter niet aan.

En wij dan, welke ijzers hebben wij nog in het vuur? We staan nu in de medailletabel – laat het toch maar even inzinken – achter Mongolië. Maar laten we positief zijn en ons geestelijk welzijn niet te veel op de proef stellen. We hebben nog drie certitudes, één redelijke kans en twee waterkansjes op medailles. Over de jumpingploeg ga ik niks zeggen. Ik hoor al sinds 1980 dat ze medailles gaan winnen en ik weet sinds 1992, toen wijlen Eric Wauters mij dat uitlegde, dat de Spelen de grootste pop-up-paardenmarkt van het jaar zijn, meer dan een sportevent.

De eerste redelijke kans op een medaille is Emma Plasschaert in haar laser radiaal. Ze hangt daar op die vijfde plek met nog de medaillerace met dubbele punten te gaan en ze heeft al gezegd dat ze er zal invliegen. Het zal een toprace zijn of het zal niets zijn. Zo willen we het horen. Goud zal niet meer lukken, het wordt brons of in het allerbeste geval zilver.

Dat gebeurt allemaal zondagochtend bij u en in de na- middag is het de beurt aan Nina Derwael. Als ze perfect turnt aan de brug, wint ze goud. Is het een ietsje minder, dan wordt het zilver. Is het meer dan een ietsje minder, brons. Valt ze van de brug, is het niks.

Ook een certitude zijn uiteraard de Red Lions. Die speelden gisteren hun laatste groepswedstrijd tegen Groot-Brittannië en moeten zondag in de kwartfinale tegen Spanje. Dat kan altijd misgaan, maar met deze gasten gaat het toch altijd net iets vaker goed.

Nafi Thiam idem. Tenzij ze alleen maar nulsprongen laat optekenen of haar aanvangshoogte niet klaart in het hoogspringen, of struikelt over de horden of zich pijn doet. Laten we vooral hopen dat dit allemaal niet gebeurt. In dat geval pakt ze een medaille. Gezien haar talent en de tegenstand is de kans groot dat het goud wordt.

Als het Belgian Olympic Team nu eens op drie keer goud zou kunnen uitkomen, dat zou pas mooi zijn. Dat zou beter zijn dan Atlanta en Rio, waar we twee keer goud wonnen op zes, en vooral: we doen dan beter dan Mongolië.

Column 14 uit Tokio ‘Olympisch Blues’ in De Morgen van dinsdag 3 augustus 2021

Olympische blues

Ik zat er op te wachten maar het kwam maar niet. Elke Spelen heb ik ze al gehad: de olympische blues. Het heeft niks te maken met heimwee, misschien wel met oververzadiging. Sinds vandaag is het er, het gevoel dat het nergens meer om gaat op deze Olympische Spelen.

Terwijl ik dit tik, zit ik bij België tegen China basketbal. Het is rusten, de Belgian Cats staan een puntje in het krijt. Zopas heb ik de bevestiging gekregen dat er plaats is voor mij op de perstribune van het hockey voor de halve finale tegen India, die al achter de rug is wanneer u dit leest. Al die procedures, dat is om stilaan moedeloos van te worden. Op elke tribune in elke hal of elke venue kan je steevast nog een heel Japans leger en wat middelbare scholen een zitje geven met covidafstand ertussen, maar toch vragen ze altijd weer of ik mij heb aangemeld en waar mijn toestemmingsmail dan wel is.

Er komen nog zoveel plezante dingen om naar uit te kijken en toch, vanaf nu bloeden de Olympische Spelen stilaan dood. Vandaag zag ik de eerste vertrekkers in het hotel. “Arriving?”, vroeg ik. “Going”, zei de man. Een Amerikaan van het blad en de site The Swimming World. Tja, die heeft hier niks meer te zoeken. Zwemmen is klaar. Alles wat nu nog in het bad gebeurt, is niet langer rechtdoor van muur naar muur, maar is achter een bal aanzwemmen en terwijl trappen uitdelend of zo schoon mogelijk figuren maken.

Ik las ergens een tweet van een collega die zich verbaasde over al die zwemmedailles en een andere tweet van iemand die de wegrit vergeleek met een zwemtoernooi. Ja, er wordt behoorlijk meer gezwommen op Olympische Spelen dan er wordt gefietst. Dat heeft zo zijn reden. Ten eerste is zwemmen een wereldsport en wielrennen een bijzonder kleine sport, het economisch belang ervan is te vergelijken met dat van badminton. Ten tweede is wielrennen lang een olympische sport voor amateurs geweest en de eerste keer dat de profs er waren, trokken ze ook hun neus op voor het wielrennen.

Dat is overigens nog steeds zo. Er is echt geen enkele sporter die zo uitgewoond arriveert op de Spelen als de renner die de Tour heeft gereden en denkt, nu gaan we nog even een medailletje meegraaien. Ik begeef mij nu op glad ijs, want als je in koersland België het belang van die gewonnen Tour-ritten durft te relativeren tegenover het belang van een olympische medaille, word je stante pede gecanceld.

Van cancellen gesproken, ik had een gesprek met een collega die ik in de konbini (de supermarkt, red.) om de hoek tegen het lijf liep. Ik kende hem niet en hij mij niet, maar in het Tokio van juli-augustus 2021 herken je je collega’s aan hun uiterlijk: elke niet-Japanner is hier betrokken bij de Olympische Spelen en veel kans dat het een journalist is of iemand van de audiovisuele media. Soms zijn dat ook journalisten, soms zijn dat supporters die het goed kunnen uitleggen en goed kunnen schreeuwen dat er iets gebeurt.

De collega was een Litouwer en ik begon over basketbal en Arvydas Sabonis en de shirts van Barcelona 1992, maar hij had niks met basketbal en was hier voor de moderne pentatlon. Ik zei: zo, u bent die journalist die daar over schrijft? En hij begon een hele uitleg, nog voor ik mijn zin had kunnen afmaken, over hoe mooi die sport wel is, hoe sterk de pentatleten en hoe spectaculair enzovoort. Ik antwoordde standaard: niet alles wat mooi is en spectaculair hoort op de Spelen en dat geldt in de eerste plaats voor de moderne pentatlon.

Toen begon hij weer over traditionele sporten en tegen zijn ultieme argument had ik geen verweer: of ik dat circus met die onnozele kleine fietsjes dan de olympische status waard vond. Ik betaalde, liep met hem naar buiten, klopte hem op de rug (wat verboden is, want we mogen geen andere mensen aanraken) en zei: als je het over dat freestyle BMX hebt, daar heb je helemaal gelijk in, wat een onzin.

Na introspectie denk ik dat dit gesprek de uiteindelijke trigger is geweest van mijn olympische blues. Ik heb afgelopen nacht gedroomd van skateboarden, een sport of wat daarvoor moet doorgaan, waar dertienjarigen gouden medailles in winnen. In mijn slaap trok ik de conclusie dat kinderen die te jong zijn voor de Youth Olympic Games – waar de minimumleeftijd veertien is -, op de Olympische Spelen voor volwassenen medailles mogen winnen. Sporten waar kinderen winnen van volwassenen zijn geen sporten, maar spelletjes. Over drie jaar krijgen we breakdance op de Spelen, maar dat mogen we zo niet noemen op straffe van cancelling. Sporten hebben nu ook hun deadname, waar gaat dat heen?

En de Cats hebben verloren. Neen, die blues gaat voorlopig niet weg.

Column 13 uit Tokio ‘Gemengd Sporten’ in De Morgen van maandag 2 augustus 2021

Gemengd sporten

Zaterdag. Vijfde. Waarin dan? De 4x400m. Oh ja? De gemengde estafette, voor alle duidelijkheid. Oké,… zit dat ook al op de Spelen? Ja, dat zit ook al op de Spelen en om heel eerlijk te zijn: ik ben niet blij dat België geen medaille heeft – dat zat er nooit in – maar ik kan daar ook niet om treuren.

Wat allemaal op de Spelen hoort en wat niet, daar zal ik later deze week misschien nog eens mijn licht over laten schijnen, maar gemengd sporten alvast niet. Waar het een uiting van is, ik ben er nog niet uit. Van wokeness? Van paternalisme/maternalisme? Van onkunde? Van buikkrampen?

Ook hier weer verschilt topsport van het dagelijkse leven waarin het juist goed is – dat wordt toch gezegd – dat vrouwen en mannen dingen samen doen. Vooral dan dingen die de vrouw vroeger alleen deed, zoals het huishouden, koken, pampers verversen. Of dingen die de man vroeger alleen deed, zoals op café gaan, sporten, voetbal/porno kijken.

Topsport hoort daar niet bij, met de nadruk op niet. En wel hierom: de (top)sportende vrouw is in alle sporten minstens tien procent minder performant dan de man en soms zelfs een kwart minder, als het om pure kracht gaat. Die samen laten (top)sporten, dat geeft ongelukken, dat verschil is niet om aan te zien en het is bijzonder verwarrend.

Wel moet even worden aangestipt dat in enkele olympische sporten vrouwen en mannen al langer samen sporten, bijvoorbeeld de paardensport. In dressuur winnen vrouwen het vaker van mannen dan omgekeerd. Als man ben ik daar blij om. In jumping doen de vrouwen het ook samen met de mannen, maar in al die Spelen hebben ze nog maar één keer een B-medaille gewonnen. Bij eventing gebeurt het wel meer dat vrouwen op het podium staan. En er is natuurlijk de moeder van alle gemengde sporten, het gemengd dweilen, ook wel bekend als curling.

Nog iets over die verwarring. In de series van die onzalige gemengde 4x400m bestond een Britse commentator het om een loper ‘a tremendous leg’ (bedoeld wordt beurt en niet been) te laten lopen omdat hij ongeveer iedereen net niet dubbelde. Tja, hij liep toen wel in de beurt met haast alleen vrouwen en dus zag het er naar uit alsof hij een wereldrecord aan het verbeteren was. Wedstrijdsport voor de vrouw is een verhaal dat ongeveer 120 jaar oud is. Op de eerste Spelen van 1896 waren nog geen vrouwen aanwezig. Op de tweede van Parijs wel, in ‘elegante’ sporten. Later kwamen daar op vraag van de vrouwen – toegestaan door oudere witte mannen – andere sporten bij zoals gymnastiek en ook een beetje lopen. Maar niet te ver want een transpirerende vrouw was mensonterend, zei De Coubertin.

Er zijn bijna evenveel vrouwen op deze Spelen als mannen en in Parijs zal dat echt gelijk zijn. Het bijproduct van die positieve discriminatie is dat je met vrouwen minstens zes en in sommige sporten tien keer betere kansen hebt om medailles te winnen. Wie dat toejuicht, denk nog maar even na, want dat komt toch vooral de rijkere landen met veel atleten ten goede. Hetzelfde geldt voor de verdubbeling van de gemengde sporten – van negen naar achttien – sinds Rio.

Wat heet gemengd? Gemengd dubbeltennis stond al op het programma in Parijs in 1900 en bleef erop tot in 1928. Toen verdween het om pas in 2012 weer op te duiken. Gemengd tafeltennissen, dat nog maar bij deze editie olympisch is geworden, is net als gemengd tennis echt gemengd. Overigens is het gemengd pingpongen gewonnen door Japan. China geklopt. Human Rights Watch zag dit weekend twee nieuwe bewoners bij een heropvoedingskamp arriveren.

In tennis en tafeltennis kan een man een bal naar een vrouw slaan en omgekeerd. Dat is gemengd. De meeste gemengde sporten zijn echter mannen die achter of naast vrouwen lopen, of zwemmen of omgekeerd. Nog erger zijn de gemengde competities waar niets in wordt gemengd maar gewoon de punten worden opgeteld.

Neem nu het mixed judo, dat zaterdag zijn beslag kreeg. Het is niet dat mannen ineens vrouwen door de tatami konden boren. Drie vrouwen en drie mannen van elk land namen het tegen elkaar op. Individueel wonnen de Japanners negen van de vijftien gouden plakken, maar deze moesten ze aan Frankrijk laten.

In het schieten zijn ze helemaal gek geworden. In 1992 won de Chinese Zhang Shan het van alle mannen in de skeet (schieten naar dingen die in de lucht worden geschoten, ooit waren dat duiven). Vier jaar later was skeet alleen nog voor mannen. Tot in 2000. Toen mochten vrouwen weer skeeten. En op deze Spelen – ik verzin niets – is het gemengd schieten weer ingevoerd.

Verhaal over de internationale medaillewedloop in De Morgen van zaterdag 31 juli 2021

De oorlog om het goud

Nina, Nafi, de hockeyers, de Belgian Cats… De jacht op olympisch goud duurt nog een week. Steeds meer landen gaan voor het allerhoogste. Maar hoe bereik je dat? Wat is het beste model, hoeveel kost het? En: hoe doet België het eigenlijk in de medaillewedloop?

De Verenigde Staten startten traag in Tokio, maar strijden inmiddels volop mee om de koppositie in de medailledans. Historisch staan ze onbedreigd bovenaan. Sportland nummer één heeft op de moderne Olympische Spelen al bijna drieduizend medailles gewonnen, bijna het dubbele van de nummer twee, Duitsland (Oost en West bij elkaar opgeteld). Nummer drie is Rusland, in de huidige en in de vroegere communistische versie samen.

De Amerikaanse telwijze om goud, zilver en brons bij elkaar op te tellen, en op basis van de som het klassement op te maken, heeft inmiddels algemeen ingang gevonden, maar op de officiële olympische medailletabel is het aantal gouden medailles doorslaggevend: een land dat één keer goud haalt en verder niks, eindigt in de ‘medaillespiegel’ boven het land dat misschien vijftig keer zilver won, maar geen goud.

Deze manier van tellen stamt uit het antieke Griekenland, waar alleen de winnaar werd gehuldigd. Hij (er mochten geen zij’s meedoen) kreeg een olijftak rond het voorhoofd. Die kwam van een heilig verklaarde boom, maar dat was alles. De olijftak was nominaal alvast minder waard dan de huidige medailles. Als je een gouden medaille van Tokio zou smelten, hou je 550 gram zilver en 6 gram goud over. Dat is ruim 700 euro aan edelmetaal.

Uiteraard is de echte waarde van de medaille verbonden met de sport en de eigenaar. De duurste medaille die ooit op een veiling werd verkocht, was een van de vier gouden plakken die Jesse Owens in 1936 won. Voor 1,25 miljoen euro vertrok het ding naar een teameigenaar in de Amerikaanse ijshockeycompetitie.

De meest recente gouden medailles die te koop werden aangeboden, waren gewonnen door de Cubaan Ivan Pedroso in Sydney 2000 (verspringen) en zijn landgenoot, (schutter) Leuris Pupo in Londen 2012. De medailles brachten elk een schamele 60.000 euro op. Hoe wanhopig kun je als gouden olympiër zijn?

Underperformers

Een goed sportland meet je niet af aan het resultaat op een WK voetbal, want dan zouden Nigeria en Brazilië goede sportlanden zijn en dat is niet het geval. Wielrennen is evenmin een maatstaf, voor alle duidelijkheid, want dan zou België ook een goed sportland zijn, en dat…

België heeft de laatste vijftig jaar maximaal zes medailles per editie van de Zomerspelen gescoord, maar is eigenlijk tien olympische plakken waard, als je de twee belangrijkste parameters voor olympisch succes in rekening neemt: de bevolking en het bruto binnenlands product (bbp).

Maar niet alle landen met een grote bevolking en een redelijk functionerende economie zijn succesvol. India, het tweede grootste land qua bevolking (1,4 miljard), heeft het vijfde bbp van de wereld.

Het gigantische land doet al vanaf 1900 mee aan de Zomerspelen en heeft in al die tijd amper 29 medailles opgehaald. Eentje daarvan werd op deze Spelen gewonnen: Chanu Mirabai pakte bij het gewichtheffen in de categorie van onze Nina Sterckx zilver.

India heeft geen sportcultuur en geen topsportsysteem, tenzij dan in cricket en hockey. De acht gouden medailles (op een totaal van negen) die ze in het hockey hebben behaald (cricket is geen olympische sport), dateren van tussen 1928 en 1980, dus met het tophockey zit het de laatste tijd ook niet lekker. India is een underperformer, net als België, maar nog iets meer uitgesproken.

Cuba, waar de atleten uit armoede hun gouden medailles verkopen, was ooit een zeer goed sportland, het beste kleine sportland ooit. Dat hadden ze te danken aan een topsportsysteem. Cuba is nu een meeloper. Van de 31 podiumplaatsen (14 keer goud) in Barcelona 1992 waren er in Rio 2016 nog 11 medailles, waarvan 5 gouden, overgebleven. Nog steeds oké voor een land met evenveel inwoners als België, maar Tokio dreigt voor Cuba een sof te worden: in Rio waren tweemaal zoveel Cubaanse sporters ingeschreven als nu. Reden: het Cubaanse sportsysteem is niet meer te financieren.

Leren van Nederland?

Als er underperformers zijn, dan ook overperformers en daarvan kunnen we leren. Niet van Cuba, en ook niet van onze buur Duitsland, want die presteert minder dan het zou kunnen. Die andere buur Nederland zou wel een voorbeeld kunnen zijn.

In de ‘Universiteit van Vlaanderen’ (waarbij Vlaamse topwetenschappers op internet, tv of radio college geven, red.) legt professor Veerle De Bosscher (VUB) in het filmpje Hoe kan België meer olympisch medailles winnen? (het duurt zestien minuten en is te zien op YouTube) haarfijn uit wat er in theorie nodig is om sportsucces te halen. Ze baseert zich daarvoor op het SPLISS-model dat negen pijlers van topsportwerking in vijftien verschillende landen (onder meer Nederland, België opgesplitst in gemeenschappen, Japan, Australië en Brazilië) in kaart bracht. Die pijlers zijn onder meer de betoelaging, het aantal sporters in een land, de kwaliteit van de coaches, de trainingsfaciliteiten, wetenschappelijke omkadering… Daaruit blijkt dat er niet één ideaal sportmodel bestaat, want geen enkel land scoort goed op alle pijlers.

Er zijn met andere woorden verschillende wegen die naar Rome leiden, maar misschien niet de weg die België heeft ingeslagen. Ons land scoort op alle pijlers net op of net onder het gemiddelde, met een negatieve uitschieter voor de financiering van topsport. Binnen België scoort Vlaanderen beter – of minder slecht – dan Franstalig België. Nederland scoort doorgaans op alle pijlers beter dan België, behalve voor talentdetectie. Daar wint België, dankzij de goede werking van de topsportscholen.

Nederland heeft als kleinste grote sportland wel het geluk – of de verdienste, zo u wilt – dat het in verschillende olympische disciplines meer dan één wereldtopper heeft. Dat kunnen het kleinere België en het nog veel kleinere Vlaanderen niet zeggen.

De Nederlandse ‘chef de mission’ in Tokio, Pieter van den Hoogenband (ex-zwemmer en drievoudig goudenmedaillewinnaar): “Toppers in interne concurrentie maken elkaar beter. Ik ben samen met Marcel Wouda in dezelfde baan gaan zwemmen omdat we allebei de beste van de wereld wilden worden. Dat was tijdens de trainingen een groot voordeel. Als de ene hard ging, wilde de andere niet onderdoen. Vergelijk dat met die Belgische wereldtopper uit mijn tijd, Fredje Deburghgraeve (olympisch kampioen in 1996, red.). Tja, die trainde dag in dag uit in zijn eentje en dan wordt het lastig. Hij heeft maar twee Spelen gehaald, ik vier.”

Een heel extreem voorbeeld van interne concurrentie zijn de zwem- en atletiektrials in de VS. In die genadeloze voorcompetities sneuvelen soms op papier betere sporters ten voordele van mindere goden. Maar in de praktijk leidt dit systeem altijd tot medailles.

De macht van het getal is ongenadig. De vijf meest succesvolle landen op de Olympische Spelen zijn grote landen. Vanaf 1996 winnen zij bijna vier op de tien medailles. Rekenen we alleen maar goud, dan zijn ze goed voor meer dan vier op de tien olympische titels.
Een normale olympische prestatie van een land vereist minstens één gouden op drie medailles. Op de laatste Spelen van Rio wonnen de vijf eerste landen op de medailletabel – zeg maar de sterkste sportlanden van de wereld – samen meer dan 36 procent van de medailles. Als je alleen het goud telt, kwamen ze zelfs aan 42 procent.

Opmerkelijk aan die verhouding medailles/gouden medailles is dat de grootste landen op één uitzondering na altijd meer goud scoren dan die ‘één op de drie’. Ook dat is de macht van het getal: meer goeie atleten maken de allerbeste atleten. Voor landen met minder inwoners en dus minder potentieel talent, wordt het zo lastiger om de podia te halen.

In Rio leek het grote getal een beetje aan macht te hebben ingeboet en voltrok zich iets wat leek op een democratisering van het olympisch succes. Maar liefst 87 verschillende nationale olympische comités wonnen medailles. Nog opmerkelijker was dat tien landen in 2016 voor het eerst in hun bestaan goud wonnen. Drie van hen hadden zelfs nooit eerder een medaille gewonnen. Mooiste voorbeeld: Fiji, dat won in het ‘rugby sevens’. Hoe belangrijk olympisch succes voor kleine landen wel is, bleek daar, midden in de Stille Oceaan: het rugbygoud was goed voor vier extra nationale feestdagen.

Experts twijfelen of de tendens van meer kleine landen die medailles winnen zich in Tokio zal doorzetten. Uit alle analyses blijkt dat juist kleine en vooral armere landen onder de coronapandemie hebben geleden. Internationale toernooien werden afgelast, kampioenschappen – waarvoor aan behoeftige landen soms beurzen werden uitgereikt – werden geschrapt en vanuit de internationale bonden die hun geld krijgen uit de olympische pot ging de geldkraan ook gedeeltelijk dicht.

Eerder al slaakten Afrikaanse atleten een noodkreet. Wereldtoppers die door een van de grote schoenmerken werden gesponsord, kregen nog wel het afgesproken salaris, maar de lucratieve extraatjes zoals startgeld bij marathons, wegwedstrijden en baanmeetings vielen helemaal weg en met virtuele marathons viel geen cent te verdienen. In de media verschenen eerder dit jaar getuigenissen van lopers die hun boerenbestaan weer hadden moeten oppikken om de levensstandaard van henzelf en hun familie op niveau te houden.

Gevolg: de subtop liet het schieten en de top zag zich verstoken van internationale contacten en wedstrijden en was verplicht om rondjes te draaien op het plateau in Iten, Eldoret in Kenia of ergens op een hoogvlakte van Ethiopië. Benieuwd hoe die straks voor de dag komen.

Van de 205 nationale olympische comités (NOC’s) hadden er tot vorige week 110 nog nooit goud gewonnen en 72 nog nooit een medaille. Die 110 zijn er 108 geworden: Flora Duffy won dinsdag de vrouwentriatlon voor Bermuda (63.000 inwoners). En de Filipijnen pakten maandag voor de allereerste keer goud dankzij gewichthefster Hidilyn Diaz.

Kosovo was ook al twee keer aan het feest met hun judoka’s (zie kader). Dit zijn goede voorbeelden van een evolutie die zich de laatste jaren aftekent: naast grote landen die heel veel medailles winnen, en waartegen het lastig opboksen is, mikken heel wat kleine sportlanden op een paar sporten waarin de kans op succes het grootst is. Zo won Richard Carapaz goud voor Ecuador in de wegrit wielrennen, ten koste van onder meer België.

Heel arme landen zetten de laatste jaren ook in op een aantal atleten met de hulp van het geld afkomstig uit de beurs Olympische Solidariteit, een soort sinterklaasfonds van het Internationaal Olympisch Comité. Het doel is een medaille, het liefste goud. Dat maakt de ‘oorlog om het goud’ voor een land als België stilaan een dure onderneming. Veerle De Bosscher: “Het volstaat niet om een beetje meer geld te investeren. Met ‘een beetje meer’ behoud je je niveau. Voor méér succes is véél meer geld nodig.”

Vraagtekens

Australië was het eerste land dat vraagtekens bij de ‘investeringen in medailles’ plaatste. Nog vóór de eigen Spelen van Sydney 2000 zei een studie dat elke medaille 11 miljoen euro had gekost. Na Sydney kwamen ze met een nieuw cijfer: in elke gouden medaille was 25 miljoen euro gestopt. Kort daarna verscheen een rapport dat te veel geld ging naar volksvreemde sporten en te weinig naar sporten waar de Aussies ook goed in zijn – de niet-olympische disciplines cricket, Aussie rules football en rugby. De olympische geldkraan ging gedeeltelijk dicht en het resultaat was merkbaar: tussen 2000 en 2016 viel het land terug van 58 naar 29 medailles. Dat vonden de Australiërs dan weer te bar en sindsdien werden de investeringen weer opgekrikt.

Interessant om te volgen is hoe de Britten het in Tokio zullen doen. In de vorige olympische cyclus tussen Londen 2012 en Rio 2016 werd door UK Sports een recordbedrag van 320 miljoen euro in topsport geïnvesteerd. Mede daardoor is het Verenigd Koninkrijk tot op vandaag het enige organiserende land dat beter presteerde op de Spelen die volgden op de Spelen in eigen land. De sports funding is in de aanloop naar Tokio weer teruggebracht naar 257 miljoen euro.

UK Sports hing nog voor Tokio aan de alarmbel. “Als we in Brisbane 2032 bovenaan in de medailletabel willen uitkomen, moet tussen 2021 en 2032 3,5 miljard euro worden geïnvesteerd in de olympische en paralympische topsport.” Dat komt neer op een verdubbeling van de middelen.

België investeert ruim gerekend jaarlijks 35 miljoen euro in topsport vanuit de gemeenschappen. Daarnaast is er nog een klein budget dat het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité investeert, maar ook dat komt gedeeltelijk van de gemeenschappen. 35 miljoen is volgens professor De Bosscher onvoldoende. Zij maakt de vergelijking met de 75 miljoen die Nederland investeert.

Over de balk gegooid?

Nu is Nederland een bijzonder goed voorbeeld van de stelling dat meer geld niet altijd meer prijzen oplevert. Na de historische recordspelen van Sydney 2000 (25 medailles, waarvan 12 goud) begon Nederland pas echt te investeren, onder meer met een structureel leefloon voor topsporters. Sindsdien hebben ze nooit meer dat succes van Sydney benaderd. Soms is het potentieel beperkt en kun je zoveel investeren als je wilt, het levert niks op.

Canada is nog zo’n voorbeeld. Na de slechte Spelen van Athene in 2004 werd het topsportprogramma Own the Podium in het leven geroepen. Van 12 medailles in Athene ging het naar 22 in Rio, maar dat was nog steeds maar evenveel als de 22 van Atlanta 1996, zowat te vergelijken met de 6 plakken van België op beide Spelen.

In alle topsportprogramma’s is kostenefficiëntie een modewoord geworden. Een Britse medaille kost de helft van een Nederlandse medaille, die dan weer de helft kost van een Belgische. Kostenefficiëntie wordt vertaald als: je investeert maar in sporten die podia kunnen bezetten.

Zo hebben de Japanners vooral ingezet op sporten waarin een laag zwaartepunt van het lichaam (Japanners zijn relatief klein, red.) een voordeel is, en nauwelijks in sporten waarin lengte en grote hefbomen een factor zijn.

Een andere beproefde tactiek is je basis aan podiumtalent zo breed mogelijk te maken: drie goede zwemmers omkaderen kost anderhalve keer één zwemmer. Dat wist de DDR al, die vooral op vrouwen en op individuele nummers inzette. Eén Kristin Otto zwom in Seoel 1988 zes keer goud bij elkaar. Waarom dan zwaar inzetten op vijftien teamsporters (voetbal, volleybal…) die misschien maar één medaille konden winnen?

Veerle De Bosscher besluit haar betoog in de Universiteit van Vlaanderen voor meer topsportinvesteringen met de algemeen aanvaarde premisse dat topsportsucces de bevolking tot sporten zou aanzetten. Dat is al een aantal keer weerlegd. Anekdotisch, zoals in het geval van het Nederlandse volleybal dat tussen het zilver van Barcelona 1992 en het goud van Atlanta 1996 twintig procent van de leden verloor.

Of door een heel grote studie in het VK waaruit bleek dat de sportparticipatie na de succesvolle Spelen van Londen was gedaald. Of een Australische studie: “Er is geen trickle down-effect van topsportsucces op het vlak van sportparticipatie.”

Een tijdelijk feelgoodeffect, vele malen sterker dan bij literair of cultureel succes van landgenoten, dat is het gevolg van sportief succes. Misschien mag dat ook een cent kosten.

Alles op de vrouwen

Kosovo is een mooi voorbeeld van waar een klein land groot kan in zijn als het zich maar specialiseert. In Rio 2016 was Kosovo er voor het eerst bij nadat ze in 2014 de olympische status hadden verkregen van het IOC, ondanks protest vanuit Servië. Majlinda Kelmendi, judoka in de klaase tot 52 kilogram, won op de tweede dag van het Kosovaars olympisch avontuur meteen de eerste medaille en het eerste goud. Daarbij bleef het, maar het feest in Pristina was compleet.

Op deze Spelen zit Kosovo nu al aan twee keer goud. Zaterdag was het meteen prijs, weer in judo en nu in de -48, met Distria Krasniqi. Maandag klopt Nora Gjakova de Franse favoriete Léonie Cysique in de -57. Twee keer goud, voorlopig, voor elf atleten, zes vrouwen en vijf mannen, de helft judoka’s. Dat is pas kostenefficiënt.

Alle Kosovaarse medaillewinnaars zijn vrouwen. Een stelling luidt: een land dat alleen scoort met vrouwen is geen goed sportland. Een andere stelling zegt dan weer: een land dat niet scoort met vrouwen en alleen met mannen, is ook geen goed sportland. Kosovo is nog geen goed sportland, maar kan het nog worden. De kans bestaat dat het met die niet eens twee miljoen Kosovaren op 8 augustus hoger staat dan België. 

Ons land heeft sinds de zomerspelen van Seoel 1988 dertig medailles gewonnen, waarvan zestien voor vrouwen. Wat goud betreft, haalden de vrouwen vijf van de acht gouden medailles. Dat is een redelijk evenwicht.

Hoewel er ook op deze Spelen nog altijd minder vrouwenmedailles te winnen zijn, is het makkelijker om bij de vrouwen te scoren dan bij de mannen. Dat is simpelweg te verklaren: voor de meeste vrouwen – in Afrika, Azië, Zuid-Amerika, maar ook in sommige Europese landen – hebben geen toegang tot sport wat het beschikbaar potentieel beperkt. Het IOC wil tegen de Spelen van Parijs evenveel vrouwen als mannen op de Spelen. In Tokio zal 48,8 procent van de deelnemers vrouw zijn, in Rio was dat nog 45 procent. De eerste Spelen met vrouwen waren die van Parijs 1900, 22 waren er ingeschreven in golf en croquet.

België stuurde naar Tokio 55 vrouwen op een totaal van 121 atleten. Twee van de grootste sportlanden hebben het begrepen en sturen al een paar Spelen meer vrouwen dan mannen. Groot-Brittanië heeft 53 procent vrouwen. De VS sturen zelfs al voor de derde Spelen op rij meer vrouwen dan mannen (54%) maar dat is dan een bijproduct van een maatschappelijke evolutie.

De VS het meest kostenefficiënte topsportmodel. Vanuit het Amerikaans olympisch comité komt jaarlijks amper 50 miljoen dollar bij de olympisch sporten terecht. Die profiteren dan weer van het Amerikaans schoolsysteem dat van de sport en de sportopleiding een doel en voor sommige grote sporten als american football en basketbal zelfs een economisch model heeft gemaakt. 

Cruciaal in die evolutie was de befaamde aanpassing aan de onderwijswetten uit 1972. Meer in het bijzonder Wet 9, Title IX is een begrip in de VS. Die bestond al maar werd herschreven om gendergelijkheid te bevorderen. Samengevat: voor elke dollar voor een mannelijke student moest een dollar in een vrouwelijke (topsport)student worden geïnvesteerd. Dat heeft enerzijds geleid tot een stijging in de uitstroom van vrouwelijke dokter, advocaten en andere universitairen.

Anderzijds was het gevolg dat voor elke dollar die in de mannensport ging, er ook een dollar in de vrouwensport moest worden geïnvesteerd. Geen groot sportland dat meer medailles wint met zijn vrouwen dan de VS. In Rio kwamen zes op de tien gouden medailles van vrouwen. In negentien van de zesentwintig Olympische Spelen waarin de VS mannen en vrouwen inzetten, presteerden de vrouwen beter dan de mannen.