Rio Sportzomer 2: Sperma van Senna in De Morgen van 2 aug 2016

SPERMA VAN SENNA

Ik ben er nog niet uit of het een goede zet was om op Copacabana te verblijven en niet in Barra da Tijuca. Ik merk wel jaloersheid in de ogen van de collega’s als ik hen over Copacabana vertel. Daar zijn zeker veel restaurantjes, vroeg een Nederlandse collega die net als ik een flat had gehuurd, maar dan in Barra. Wel duizend, kleine en grote, dure en goedkope, overdreef ik een beetje. En het leeft daar elke dag en op zondag is de helft afgesloten en is iedereen aan het sporten. Zo ook op het strand, maar soms verlies ik te veel tijd als ik bij de meest bedreven voetvolleyers blijf kijken.

Ik zag zo de vertwijfeling tot zelfs wanhoop opborrelen. Wij zitten sociaal geïsoleerd, zei hij bedremmeld. Geen restaurant, zelfs geen winkeltje, er gebeurt daar niks. Dan is Copacabana inderdaad een betere keuze. Zo ben ik eergisteren gaan luisteren naar wat Thomas Bach te zeggen had in het perscentrum in Barra, heb ik daarna in het kilorestaurant van het mediadorp gegeten en heb dan de bus terug genomen. Ik was in recordtijd op mijn flat; dat betekent in net minder dan een uur. Dat is het nadeel. Ik moet langer op de bus, minimaal een uur voor 35 kilometer, want zo ver is het naar het perscentrum.

Nog een nadeel: de bus. Het lijkt mij dat de meeste ouders van buschauffeurs langs de spermabank zijn gepasseerd waar Ayrton Senna zijn leven lang heeft gedoneerd. Een Braziliaanse buschauffeur rijdt niet, hij stormt vooruit, schiet zich naar de bocht, remt, giert door de bocht, stormt weer vooruit naar een rood licht en slaat dan de remmen dicht. Ik heb er eens iets van gezegd, maar dat viel niet goed. De bussen zijn overigens erg oké, met luxezetels en er is zelfs wifi. Jammer maar helaas, wie meer dan vijf keer op zijn iPad kijkt en dan nog geen schedelbreuk heeft, wordt gegarandeerd wagenziek voor de rest van de dag.

Bij mijn terugkeer heb ik mij snel omgekleed en ben nog even aan het strand gaan zitten. Dat kunnen mijn collega’s in Barra natuurlijk niet. Vijf real voor een zeteltje, daarvoor moet je het niet laten, en vier van die roepies voor een watertje. Vijftien voor een caipirinha XL. U deelt alles door vier en dan heeft u ongeveer de euro’s. Goedkoper dan Knokke, Copacabana, dat zeker. Iets na vier uur verdwijnt wel de zon achter de flatgebouwen, want het is hier tenslotte hartje winter. Dan zakt de temperatuur tot onder de 25 graden en trekken de Brasileiros hun gemoltonneerde jassen aan. Om halfzes is het hier donker.

In het media village verblijven, wilde ik sowieso niet. Dat zijn deprimerende kamertjes ook meestal in the middle of nowhere. Bovendien, niks erger dan hele dagen tussen collega’s zitten. Op grote evenementen klitten die samen alsof ze bij elkaar bevestiging zoeken. Na al die jaren in dit vak zoek ik die bevestiging wel ergens anders, of bij mijzelf.

Ambetante Spelen

De journalisten-collega’s zijn nog de kwaadste niet. Erger zijn de fotografen. Dat kunnen ook hele goeie gasten zijn, maar na een paar dagen sjouwen en sleuren met hun 400 en andere lange millimeters zijn ze door hun beschavingslaagje heen en dan moet ik ze niet meer. Tijdens de Spelen in Sydney in 2000 heb ik eens een column geschreven over fotografen en daar neem ik geen woord van terug, maar het gevolg is wel dat ik van een van hen nu al zestien jaar geen goeiedag krijg.

Nog erger dan de fotografen zijn de technici van de tv-zenders, ook wel bekend als de kabelslepers. Die zijn geselecteerd op primitiviteit, maken heel lange dagen, drinken veel want veel inspiratie komt bij hun job niet kijken, en maken veel lawaai als ze ’s nachts komen slapen. Het was zo’n kabelsleper, heb ik begrepen, die vorige week onder de boompjes op Copacabana van een transgender-hoer de sacoche met steen op zijn kop kreeg. Wel besteed.

De Spelen zijn nog niet begonnen en het begint mij nu al duidelijk te worden dat dit ambetante Spelen gaan worden. Zoals in Atlanta twintig jaar geleden, maar toen werkte ik voor een maandblad en moest ik tegen het einde van de Spelen vier verhalen klaar hebben. Voor een dagkrant werken, met vijf uur tijdsverschil in het nadeel, is lastig. Wat de dag zelf gebeurt, krijgen wij niet meer bij u in de krant, want de meeste competities gaan door in de namiddag en de avond. De namiddag zal nog net lukken, maar de avond, eens na 18 uur onze tijd, is te laat. Dat wordt dus vroeg opstaan, vroeg tikken, vroeg sturen en dan naar de competities gaan kijken die omwille van de Amerikaanse tv laat gepland staan.

Neem nu de eerste week, de zwemweek. Wij kunnen u nog berichten over de series, maar de halve finales die bij u van 3 uur tot 5 uur ’s ochtends worden gezwommen, dat lukt niet meer. Ik voorspel veel ergernis bij dodelijk vermoeide collega’s. Bij nader inzien was Copacabana wellicht een slimme zet.