Portret Tom Boonen (het laatste) in De Morgen van zat 8 april 2017

De renner die religie werd

Hij ging vreemd, snoof cocaïne, zat dronken achter het stuur, ontdook belastingen, won de laatste vijf jaar geen koers van belang meer en toch werd hij de Vlaamse chouchou op twee wielen. Een bericht uit Tomboonistan.

Geef toe, het is me een rijtje. Dat hij geen belangrijke koers meer won, tot daar aan toe, maar al het andere daar bovenop: vreemdgaan, drugs gebruiken, dronken rijden, een reuzeboete van de fiscus: BV’s vallen voor minder uit de gratie.

Niet Tom Boonen, die op 15 oktober 1980 ter wereld is gekomen in een onzichtbare oliejekker. Sinds de dag dat hij als 14-jarige in een afgekeurd autowrak dwars door de moestuin van een politieagent naar huis reed – voor de ogen van de brave man – glijdt alles af van Tommeke.

Hij is de postmoderne kruising van de Witte van Zichem en Tijl Uilenspiegel: kattenkwaad en erger wordt hem vergeven. Absoluties horen bij het katholieke Vlaanderen, maar dat uitgerekend die zondaar tussen al zijn misstappen door ook nog eens succesvol als marketingtool kon worden uitgespeeld? Ongezien. Tom Boonen stond al die tijd en staat ook vandaag nog prominent op de reclame- uitingen van zijn teamsponsors. Neem nu Quick-Step, de laminaatfabrikant: ‘Always ahead of the pack, from the classics to design’, luidt de tekst bij een foto van een halve Boonen-de-renner en een halve Boonen-in-maatpak.

Goed gevonden en dat geldt ook voor het initiatief van het Quick-Step-personeel om voor de voorbije Ronde van Vlaanderen een reuzetifo te maken uit laminaat met daarop zijn portret. “Behalve een icoon voor de ploeg is Tom Boonen ook uitgegroeid tot een symbool van ons bedrijf”, zei Bernard Thiers, de CEO van moederbedrijf Unilin in deze krant. “Een sterke persoonlijkheid en een rasechte winnaar, maar met de nodige krasjes die hem zo menselijk maken.”

Krasjes? Zeg maar deuken en af en toe liep er zelfs een wiel af.

De passe-partout Tom Boonen ís niet te vatten, behalve dan door wie ooit met Tom Boonen in aanraking is gekomen. Neem nu ondergetekende, begin 2009 boodschapper met minder goed nieuws, maar daarover verder meer. Of vervelende vragensteller bij de Vuelta in 2014 na een bloedhete etappe in Granada. Het is niet dat een renner je daarna nog graag ziet komen.

En toch, begin dit jaar, ging het zo bij het ontbijtbuffet in Hotel Sol y Mar in Calpe. Hij begon het gesprek met een warme “Hé, oewiest?” Waarop de standaardrepliek: “Goed, en met u? Laatste maanden? Veel gedoe zeker? Al plannen voor daarna?” Waarop een brede lach volgde: “Jaja, ik ga voor de tweede keer in mijn leven van mijn hobby mijn beroep maken. Ik ga iets met auto’s doen. Is dat geen goed plan of waa?” En weg was hij, koolhydraten laden voor een doorgedreven training, want ook dat is Boonen: tot op het laatst neemt hij zijn vak serieus.

Enkele weken geleden, daags voor Gent-Wevelgem in het D-Hotel in Marke, zelfde scenario maar in de lobby. Zijn witte fiets met gouden letters was daar klaargezet. Oogcontact werd vermeden, maar wat als de atleet zelf contact zoekt? Tom Boonen steekt zijn hand op, lacht zijn tanden bloot en vraagt “Alles oké?” Je knikt, zwaait terug en je wilt vooral niet dat hij te veel stappen zet, maar hij steekt de gang over en komt zelf goeiedag zeggen. De handdruk, het oogcontact, de knipoog, de hallo: alles is welgemeend aan Tom ‘what you see is what you get’ Boonen.

‘Geld is ook maar geld’

“Zou er iémand zijn die Tom Boonen haat? Ik denk het niet.” Dat zegt een oude getrouwe in het kader van de ploeg van Patrick Lefevere en voegt eraan toe: “Ik denk niet dat er nog een andere renner in het peloton rondrijdt die geen vijanden heeft.”

Er is een mooie sequentie in het vijfdelige Alles voor de koers dat Woestijnvis maakte voor Eén en dat in 2016 de ploeg van Boonen volgde. Als het nieuws bekend wordt dat hij nog vier extra maanden bij de ploeg zal blijven, zingt Niki Terpstra: ‘En we zingen van hoempa hoempa Tommeke Boonen.’ Boonen laat het zich welgevallen en zet zelfs een belachelijk tricolore hoedje op. Het zoveelste bewijs van zijn onaantastbare status in de ploeg: Boonen is de maat der dingen, alvast tot morgen, en wellicht ook daarna.

Is er dan nooit iemand boos op Boonen? Lore Van de Weyer, zijn partner en moeder van hun tweeling, zal ooit wel boos zijn geweest als hij het weer eens had uitgehangen. Maar professioneel? Het schijnt dat in een heel ver verleden Johan Bruyneel en Lance Armstrong heel even pissed zijn geweest, toen hij hun US Postal in 2003 verruilde voor Quick-Step/Davitamon.

Veertien jaar en goed vier maanden later zwaait hij daar af, nog een bewijs voor zijn trouw en zijn authenticiteit. Getuige daarvan wat hij aan zijn ploegleider en toeverlaat Wilfried Peeters had gestuurd, toen hij had gekozen om te blijven. Tom Boonen sms’te: ‘Is de enige juiste manier om af te sluiten. Bij de mensen aan wie ik alles te danken heb. Geld is ook maar geld.’

Heeft iemand zijn huis gezien in Mol in het tv-portret dat Koen Wauters van hem maakt voor VTM? Dat huis, oké, maar die tuin – zeg maar park – hallo zeg. ‘Geld is ook maar geld’ lijkt dan een gratuite opmerking, maar weeral niet bij Boonen. Die meent dat.

Toen de fiscus hem op de vingers tikte omdat hij zogezegd in Monaco resideerde, daar geen belastingen betaalde en eigenlijk in België woonde, en ook nog eens pakte op een Ierland-Luxemburgroute die diende om belastingen op portretrechten te ontwijken, resulteerde dat in een dading van om en nabij de 3 miljoen euro. “Het is niet dat Tom dat graag zal hebben betaald, maar wij hebben hem in de ploeg er nooit ook maar één keer over horen zeuren.”

 

De som zou velen in een acute depressie hebben gestort, maar Boonen verloor nooit zijn glimlach. “Ik verlies niet graag, maar ik kijk altijd vooruit. Morgen kun je weer winnen.”

Dat zei hij ook na de vorig jaar zo jammerlijk verloren sprint tegen Mathew Hayman in Roubaix. Dat was geen pose.

‘Tom mocht blijven’

Rudyard Kipling zal hij wel nooit hebben gelezen, laat staan het gedicht ‘If’. De belangrijkste zin hangt op Wimbledon en vrij vertaald luidt die: ‘Zolang je triomf en rampspoed op dezelfde manier tegemoet treedt’ (is er niks aan de hand). Het zou het levensmotto van Tom Boonen kunnen zijn. Wat die in 2007, 2008 en 2009 heeft meegemaakt, kraakt elke topatleet. Hij hing heel even uit zijn hengsels en won wel Parijs-Roubaix editie 2008 tussen alle coke- en xtc-histories, de Sofie-verhalen (hij had toen iets met een 16-jarig meisje), crashes met snelle auto’s en dronken rijden.

Is Boonen de weg kwijt, dan is hij op z’n best, zo lijkt het wel. Ondergetekende was eind 2008 nog maar eens een positieve plas op cocaïne en xtc op het spoor gekomen. Out of competition, dus niet strafbaar, maar hoogst vervelend voor de pr van de atleet die enkele maanden eerder al eens op hetzelfde was betrapt. Het was wachten tot ook die tweede positieve plas uitlekte, met spektakel tot gevolg.

De Morgen stelde voor om spektakel te vermijden en de onthulling te kaderen in een diepte-interview. Boonen stemde toe. Het gesprek vond plaats in hotel Diamante Beach in het Spaanse Calpe in januari 2009. Geconfronteerd met die tweede positieve plas luidde zijn antwoord: “Ik heb dat pas enkele weken geleden gehoord. Dus jij wist eerder dan ik wat er in mijne pies zat. Vind jij dat normaal?” Gevolgd door een lach.

Het werd een hard interview, no words left unspoken, een hoogtepunt voor de journalist en ook Tom Boonen was tevreden met het resultaat, net als de ploeg. De advocaten niet en alle verwijzingen naar coke gingen eruit. Vijf maanden later liep hij een tweede (aldus de berichten), maar eigenlijk derde keer tegen de coke-lamp en kon deze krant alsnog met een primeur uitpakken. Boonen gaf geen krimp, of misschien een beetje. Rond hem en de ploeg beefde de aarde.

Dokter Yvan Vanmol maakte alles vanaf de eerste rij mee. “Patrick Lefevere leek Tom te hebben opgegeven, begrijpelijk. Ik gaf geen cent meer voor hem. Maar dan heeft Frans De Cock, toen de baas van Unilin en Quick-Step, voor hem gepleit. Iedereen slaakte een zucht, Tom mocht blijven.”

Er was in die vergadering méér aan de hand dan een bedrijfsleider die door een marketingbril naar het probleem keek. Tom Boonen had met zijn authenticiteit veel harten voor altijd voor zich gewonnen en niet het minst die van de sponsors. Voorbedachten rade van een gladde jongen? Eerlijk: neen, Boonen is altijd Boonen, Tom is altijd Tom. Het werd geen vertrek langs de achterpoort, geen ‘salut en de kost’, hooguit een ‘Tommeke wat doe je nu?’, naar analogie met de oneliner die Michel Wuyts ontglipte toen Boonen in 2005 wereldkampioen werd in Madrid.

En de wielerliefhebbende goegemeente? ‘Zijn bruine bolleketten van ogen, zijn witte tanden, zijn ontwapenende glimlach: je moet stekeblind zijn om niet te zien dat Tom Boonen ne snelle gast is.’ Dat schrijft de schrijfster Ann De Craemer daartoe genood door het onvolprezen tijdschrift Bahamontes in hun recente Boonen-nummer. Ze heeft het goed te pakken, onze schrijfster, in dat stuk getiteld ‘De dromen maken de man (sexy)’, waarin ze aan het eind zelfs vraagt of ze bij zijn laatste douche in Roubaix over het muurtje mag komen gluren. En dat allemaal door een oude foto uit 2005 die u gezien moet hebben om te geloven dat hij bestaat. Vandaar dat we hem hierbij afdrukken.

Tom Boonen is dan nog geen wereldkampioen en is door de fotograaf gevraagd om in een bad met bonen te gaan zitten. Hij dacht aan gewone witte bonen en niet aan tientallen blikken bonen in tomatensaus die in een bad zouden worden gegoten, herinnert de fotograaf zich. “Hij schrok, maar zag er de gein wel van in en ging gewoon zitten.”

En inderdaad, kijk naar dat gezicht: de lichte beharing, de volle rode lippen en de ogen die niet weten of ze guitigheid dan wel melancholie moeten uitstralen. Een knappe gast, ongetwijfeld. Een knappe gast die niet naast zijn schoenen zou gaan lopen. Een knappe gast die veel deuken zou oplopen, maar in alle omstandigheden overeind klauterde. Het was in 2005 – dat gezegende jaar van winst in E3 Harelbeke, Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Ronde van België, wereldkampioenschap en van bonen in tomatensaus in een bad in Oostende – dat Tom Boonen Vlaanderens chouchou werd.

Tom en de Tour: haat-liefde

Die status was zijn voorganger Johan Museeuw nooit te beurt gevallen. Te West-Vlaams, te lomp met de pers, te humeurig, te oneerlijk bij zijn eigen dopingaffaire (Boonen werd technisch gezien nooit op doping betrapt en sloeg ook meteen mea culpa), te veel dingen fout gedaan, maar Museeuw was wel een iets betere, completere wielrenner met meer overwinningen in grote wedstrijden in andere landen dan België. Greg Van Avermaet maakt ook die fout als hij Boonen tot de beste Belgische renner van de voorbije twintig jaar promoveert. Hij is niet de beste, wel de sympathiekste en meest charismatische.

Tom Boonen vervelde al te vaak tot een Peter Van Petegem XL: het vet was snel van de soep na het Vlaamse voorjaar. Bovendien is er nog iets aan Boonen: hij viel opvallend veel, weze het in de Tour, in het Midden-Oosten of in Vlaanderen, hij viel meer dan de andere toppers en dat terwijl hij bekendstond als een van de zuiverste, handigste renners van het peloton. Echt een mysterie.

De Tour, toch dé wedstrijd aller wielerwedstrijden, reed hij maar twee keer uit op zes starts. Hij won zes etappes en hield één keer de groene trui. Het was haat-liefde met de Ronde van Frankrijk: “Een grote ronde, dat is drie weken mottig zijn. Je staat op en je voelt je mottig. Je gaat eten, je voelt je nog mottiger. Je gaat koersen, je bent nog mottiger. Je probeert daar wat bij te steken, nog mottiger. Tegen dat je aan de finish bent, ben je een beetje op je positieven. Dan moet je terug beginnen eten, weer mottig. Dan volgt het avondeten, moet je nog eens eten. Weer mottig en dan ga je mottig slapen. Als je geluk hebt, krijg je geen diarree. Dat is de Tour.”

 

Tot spijt van wie het benijdt, maar een wereldster word je in het wielrennen als je in de grote rondes uitblinkt. Tom Boonen startte in veertien grote rondes en gaf twaalf keer op. Geen wonder dat ondanks zijn 123 individuele UCI-overwinningen de Boonen-obsessie beperkt blijft tot de regio Vlaanderen. Buiten de landsgrenzen kijkt men doorgaans vreemd op van de Boonen-mania. Het is vanop afstand ook moeilijk te begrijpen dat een renner die al vijf jaar geen koers van belang meer heeft gewonnen, zo wordt verheerlijkt.

Johan Museeuw mocht van Het Laatste Nieuws een brief schrijven. Daaruit bleek hoe die is veranderd nu de meridiaan niet langer door zijn bilnaad loopt, maar overdrijven in het andere uiterste is ook nergens voor nodig. Hij cijferde zichzelf volledig weg en bij de vergelijking met andere Belgische grootheden zette hij Boonen op gelijke hoogte met Roger De Vlaeminck en Rik Van Looy. De Vlaeminck is nooit wereldkampioen geworden, dat klopt, maar hij heeft elf monumenten gewonnen, waaronder ook Luik-Bastenaken- Luik, de Ronde van Lombardije en Milaan-San Remo. Zelfs met een vijfde kassei morgen in zijn laatste wedstrijd, komt Boonen niet eens in de buurt van De Vlaeminck. Rik Van Looy en Tom Boonen in één zin is helemaal blasfemie: Van Looy is de enige renner die alle grote klassiekers minstens één keer won en werd twee keer wereldkampioen.

Het laatste woord over Tom Boonen en de mania die zijn naam draagt, is voor de Nederlandse collega Thijs Zonneveld, van wie het erg goed gevonden Tomboonistan in de inleiding is gepikt. Dat was de titel van een column waaruit volgende passage die dit laatste Boonen-portret perfect samenvat. ‘Laten we wel wezen. Tom Boonen is in Vlaanderen niet God. En ook niet Allah, de paus, de premier, Gert (van Samson) of Romelu Lukaku. Hij is veel groter dan al die figuren samen. En ieder voorjaar wordt hij nog groter. Tom Boonen is geen wielrenner meer. Hij is een religie.’

Amen. Boonen.

Column Recreantensport in De Morgen van zat 8 april 2017

Recreantensport

Geloof maar niet dat Patrick Lefevere geen oplossing heeft voor volgend jaar. Maar hij en zijn mecenas Zdenek Bakala, die jaarlijks voor een niet nader gespecificeerd bedrag bijspringt, hebben natuurlijk een punt als ze stellen dat het vreemd is dat de sponsors niet in de rij staan voor de ploeg die – zo beweren ze zelf – het vaakst wielerwedstrijden wint.

Neen, Lefevere blijft er te rustig bij. Of hij heeft al een contract op zak maar maakt dat nog niet bekend. Of hij heeft een verlenging
van QuickStep op zak. In beide gevallen is het onzin om dat nu al bekend te maken en wacht hij beter de periode af waarin zijn team minder aan de bak komt, zoals in de zomer. Of Bakala heeft nog diepere zakken dan we konden vermoeden en die heeft een Tinkovje toegezegd.

Maar Bakala en Lefevere moeten natuurlijk niet klagen als geen grote sponsors worden gevonden om hun team op niveau te houden, want zo vreemd is dat niet. Ze winnen vaak, maar het internationaal wielrennen is een sport van drie grote ronden en vijf monumenten. Daarvan heeft QuickStep er geen enkele gewonnen. En de rest, dat is spielerei. Het heeft de afgelopen twee jaar de meeste wedstrijden gewonnen en werd voor een tribune van twee kamelen en een paardenkop wereldkampioen ploegentijdrijden. Fantastisch, maar dat telt niet.

Nemen we de WorldTour 2016 er even bij? Van de 27 wedstrijden op de kalender is er welgeteld één gewonnen door een renner van Lefevere: de Eneco Tour door Niki Terpstra. Etappes genoeg – hoewel, in de Tour de France ook maar eentje – maar etappes tellen vooral in wielergekke landen, zoals bij ons. (Dit jaar doen ze al beter in de WorldTour met Yves Lampaert in Dwars door Vlaanderen – nieuw in de WorldTour – en Philippe Gilbert in de Ronde van Vlaanderen.)

QuickStep is in 2016 zevende geworden in het ploegenklassement en de eerste renner van QuickStep was tiende in de WorldTour. Vervolgens kunnen we beginnen zeuren dat de ronderenners worden bevoordeeld, maar een niet-ronderenner, Peter Sagan, is wel op één geëindigd. De man van QuickStep op tien heet Daniel Martin, niet bepaald gezegend met een babbel of een charisma om laminaat of matrassen mee te verkopen.

Geen economische basis

Het predikaat ‘meest succesvolle ploeg’ slaat dus vooral op de Lage Landen waar de meeste wedstrijden zijn gewonnen, maar niet op wegwielrennen als internationale topsport. Dit soort misvattingen is illustratief voor het wielrennen zoals dat hier te lande als een regionale passie wordt bedreven en gehypet.

Hypen is gevaarlijk en mag worden bestreden. Toen ik directeur van Wielerbond Vlaanderen was, heb ik ooit in een tweet wegwielrennen een kleine, fijne sport genoemd en het kot was te klein. Laatst poneerde een verdwaalde marketeer van een onderzoeksbureau in deze krant dat wielrennen bij de vijf grootste sporten ter wereld was. Be-la-che-lijk.

Wielrennen staat rond plaats vijftien in een doordachte ranking van sporten opgemaakt door de website Sportek, waar meer mensen met verstand van sporteconomie zitten dan in het hele wielrennen samen.

Mijn tweet van destijds was bedoeld om onze/deze sport met haar beide voetjes op de grond te krijgen en van daaruit een realistisch groeiscenario op gang te krijgen. Elke econoom met kennis van sport zal beamen dat wielrennen in deze vorm met zijn buitensporige salarissen en wankele inkomsten geen enkele economische basis en nog minder een toekomst heeft.

Wegwielrennen wordt niet alleen beoefend in een ruimte waar het niet thuishoort – de openbare weg – maar het is er in al die jaren niet in geslaagd een standvastig verdienmodel op poten te zetten. Gevolg: de helft van de achttien WorldTour-teams overleeft bij de gratie van mecenaat, overheden en/of fietsmerken.

Met die laatste inbreng valt nog te leven, al zitten we met al die fietsenmerken nu terug in de economische realiteit van tussen de twee wereldoorlogen. Het toont tegelijk aan hoe het wielrennen is geëvolueerd van een profsport met een kleine achterban van recreanten naar een recreantensport met een erg smalle bovenbouw van profs.

Daar moet iets mee te doen zijn en Bakala had nog enkele ideetjes, die hij ging neerleggen bij UCI-voorzitter Brian Cookson. Hij ging niet in detail, maar dat doet er ook niet toe. Cookson is de vleesgeworden versnipperaar als het op vernieuwing aankomt. Neen, deze kleine, fijne sport is in de sporteconomie van de 21ste eeuw in sneltempo op weg naar de marginaliteit. Zeg niet dat u niet was gewaarschuwd en schiet ook niet op de boodschapper.

Verhaal over/met Tom Steels in De Morgen van zat 1 april 2017

‘Ik rijd nog af en toe,

om de aftakeling te checken’

Wereldberoemd werd hij als de bidongooiende driftkikker-renner die uit de Tour werd gebannen. Maar Tom Steels (45), de ploegleider, bezorgde vader en mens van goede wil, is de optimistische rustigheid zelve. Ook voor de Ronde.

Een deels nieuwe Ronde van Vlaanderen met een nieuwe startplaats en een lus over de Muur moet in detail worden verkend en zo stapt ondergetekende op de eerste echte mooie lentedag van 2017 in Oudenaarde in de auto van Tom Steels (45). Journalisten gaan op de achterbank, want het is werkendag en naast hem zit Isaac, een voormalig amateurrenner uit Zottegem die over een indiaanse parcourskennis van de Vlaamse Ardennen beschikt. Op het dashboard is een iPad vastgekleefd met ducttape. Op cruciale punten, en dat zijn er nogal wat, duwt Isaac op het rode opnamebolletje. Ondertussen worden alle kritieke passages, zelfs een stuk slecht beton, nauwgezet genoteerd en kijkt Isaac uit naar afsnijpunten voor de handlangers van de ploeg die de dag van de wedstrijd overal moeten klaarstaan met wielen.

Het eerste stuk van de Ronde die dit jaar in Antwerpen start, hadden ze al achter de rug. Tom Steels had bij het instappen zijn analyse klaar: “Vroeger vanuit Brugge waren de wegen breder. We moeten nu door verschillende dorpen waar het versmalt en het zal erop aankomen voorin te koersen om op dat parcours het minste energie te verspillen. Ik maak straks een powerpoint met filmpjes van alle cruciale punten. En de renners krijgen op hun Garmin ook nog extra info. Plus daarbij geven we tijdens de wedstrijd info via de oortjes.”

Op de lussen vanaf Oudenaarde komen we nog weinig verrassingen tegen. Vuilniskarren, tractoren en wielertoeristen krijgen de voorrang van chauffeur Steels. Iedereen wuift, vooral de wielertoeristen, tenzij dan die ene dikke die bijna boven was geraakt op de Koppenberg, maar jammer genoeg al naar de linkerkant van de weg was gedokkerd en met onze auto in zijn zog finaal opteerde voor de weide. De vernedering volgde: voet aan de grond.

“Thuis zullen ze vragen: en de Koppenberg, boven geraakt? Benieuwd wat hij zal zeggen. Misschien steekt hij het op die ambetanteriken van QuickStep.” Koppenberg en co. is bekend terrein maar in Parike plaatst Tom Steels toch een asteriskje bij Klaaie, zo’n typisch Vlaamse betonweg die moeilijk bolt en zich tegen de verwachte tegenwind hellend een weg baant door de velden. “Hmm. Dit is nieuw, een moeilijk stukje. Kijk, alleen al om dit hier nu te hebben gezien, is deze trip nodig. Het is altijd leuk als er achteraf iets wordt geprobeerd op een stuk dat je hebt verkend.”

Tom Steels is meer dan een verkenner. Tom Steels traint renners (onder anderen Julien Vermote, Yves Lampaert, Iljo Keisse, Matteo Trentin, maar ook Philippe Gilbert traint nu op zijn schema’s), is de architect achter de wereldtitel tijdrijden per ploeg behaald in Qatar en zat vorig jaar in alle grote rondes en haast alle klassiekers als ploegleider in de volgauto. Hij bespreekt de ploegtactiek vooraf en geeft de directieven door via de radiocommunicatie, de veelbesproken oortjes.

Om te weten hoe Tom Steels dat aanpakt, zou u Alles voor de koers moeten hebben gezien, de vijfdelige serie achter de schermen van de ploeg die toen nog Etixx-QuickStep heette. In de eerste aflevering kwam ook Parijs-Roubaix aan bod, waar Tom Boonen uiteindelijk in de sprint de duimen zal leggen voor Mathew Hayman.

Als ergens onderweg naar Roubaix op een kasseistrook de kopgroep breekt, krijgen we een beeld uit de volgwagen. Wilfried ‘Fitte’ Peeters zit aan het stuur maar is zo opgenaaid dat hij door de voorruit wil springen. “Een halve minuut Tom, dat kan niet in Roubaix, dat mag niet gebeuren. Dat moet dicht.” Gevolgd door enkele mokerslagen op het stuur. “’t Is naar de kloten, jong.”

Naast hem zit Tom Steels. Die lijkt na te denken, luistert naar Peeters en blijft stoïcijns rustig. Hij zegt: “Ja Fitte.” Denkt nog eens na. Peeters houdt het niet meer. Dan duwt Steels toch de knop van de intercom in. Op een toon, niet forser dan die waarmee een groep bejaarden naar de bus in Lourdes wordt gemaand, zegt hij: “Oké guys, you have to close the gap now.” Met de lichte nadruk op HAVE.

Even later rijden hun mannen het gat dicht. Tom Steels: “Dit is de rolverdeling in de Vlaamse klassiekers. Fitte rijdt, ik spreek, maar de tactiek bepalen we samen. Ik vond ook dat het gat dicht moest, maar ik zal dat rustig maar dwingend melden. Paniek is nergens voor nodig. Misschien redeneer ik nu als renner: ik haatte het als ze in mijn oor schreeuwden. Bergop mochten ze zelfs niks zeggen. Hoe vaak ik die oortjes niet heb uitgetrokken…” (lacht)

De passie van het winnen

Even later in diezelfde Roubaix 2016 biedt Steels zijn collega aan om zelf Tom Boonen naar zijn laatste Roubaix-finish – de voorlaatste bij nader inzien – te begeleiden, wat Peeters eerst weigert. “Neen, jij.” Waarop de emotie het wint van de ratio en Peeters zijn homeboy Boonen toch toespreekt. Op de wielerbaan waarschuwt hij Boonen nog om zich niet te laten insluiten door Sep Vanmarcke, precies wat gebeurt. Steels en Peeters zijn een asgrauw hoopje ellende na de nipte nederlaag van Vlaanderens meest geliefde renner.

“Die passie van het willen winnen gaat nooit voorbij. Na verlies ben je ongelukkig, maar niet kwaad. Ik word alleen nijdig als ik zie dat we hebben verloren omdat we als ploeg niet hebben gefunctioneerd, maar dat gebeurt uiterst zelden bij ons. Als iedereen heeft gereden volgens afspraak en het lukt niet, dan moet je dat aanvaarden.”

De winnaar in Steels zit goed bij QuickStep, want geen enkele ploeg won zo vaak koersen de afgelopen twee seizoenen als de formatie van Lefevere. QuickStep heeft ook de reputatie van een aanvallende ploeg te zijn, en tijdens de verkenning had Steels zich laten ontvallen: “Wij rijden altijd, de anderen bijna nooit, behalve dan Lotto en Van Avermaet en Sagan natuurlijk.” Maar zie, met Steels in de auto zat een renner van QuickStep afgelopen zondag te linkeballen en liet die het gat vallen, Niki Terpstra met name.

 

Steels slaakt een zucht. “Laten we het hierop houden: het was in Gent-Wevelgem ons dagje niet. De scenario’s die we voor ogen hadden, kwamen niet uit. Een wedstrijd om snel te vergeten.” Dat is de officiële communicatie, maar de GoPro-camera’s in de auto van Steels en Peeters registreerden ongeloof en woede. “Rijen godverdomme Niki, je laat geen gat vallen.”

De schone fiets

Tom Steels was zelf een begenadigd wielrenner. Een sprinter met één specialiteit: kampioen van België worden. Niemand heeft vaker de tricolore trui gedragen. Hij won vier titels, een record dat hij alleen heeft. “Als ik nu nog zou koersen, met wat ik nu weet over training, dan zou ik het anders aanpakken. Ik zou meer kans hebben gemaakt op een schone klassieker met mijn sprint en ik zou nog meer op snelheid hebben getraind en nog meer op de wielerbaan. Ik zou vooral minder trainen. De meeste wielrenners zitten te veel uren op hun fiets. Met vier goede trainingen per week kom je al een heel eind.”

Het einde van zijn carrière was geen feest. In 2002 vertrok hij bij Patrick Lefevere, reed even voor Landbouwkrediet, dan voor Lotto en stopte op 36 jaar met koersen bij opnieuw Landbouwkrediet. Hij was er klaar mee.

“Ik heb te veel tegenslag gekend op het laatst, vaak ziek geworden, de conditie niet meer op orde gekregen. Neen, ik kon geen fiets meer zien en ik heb nooit ook maar één moment aan herbeginnen gedacht. Ik heb wel een fiets, maar om nu te zeggen dat ik opnieuw ben beginnen rijden, neen. Ik reed tot voor kort alleen af en toe. (lacht) Om de aftakeling te checken, even zien waar mijn bodem ligt.”

Die bereikte hij vorig jaar en toen volgde de déclic. De Tom Steels die u eventueel in Alles voor de koers hebt gezien, heeft een lichte metamorfose ondergaan. Er is vet weg en er zijn spieren bij: per saldo is meer dan tien kilo verdwenen door meer sport, minder eten en minder alcohol. “Om wat te ontspannen na een stressdag, je kent dat in de wielerhotels…, is een flesje bij het eten gauw besteld. Dat elke avond, het was ondoenbaar geworden. Ik werd gewoon te dik en te snel moe. Dus ben ik maar beginnen lopen. Dat werkte perfect en ik voel mij nu een stuk beter. Laatst nog zestien kubiek hout gestapeld. Dat had ik vorig jaar nooit gekund.”

De liefde voor de fiets komt ook stilaan terug. “Ik heb nu zelf ook een Specialized Tarmac. Ik heb de indruk dat ze beter bollen dan vroeger. Ze zijn lichter, dat schakelt zo vlot, het zijn ook echt schone machines. Dat is natuurlijk niet de enige reden dat de renners zo hard rijden. Al die gerichte training, die core stability, het zijn gewoon betere atleten dan wij. Wij trokken ook soms flink door, maar nu gaat het nog veel rapper.”

Hij spreekt vol bewondering over de millennials op twee wielen die hij aanstuurt en dat is weinig aankomende vijftigers gegeven. Steels, voormalig socialistisch gemeenteraadslid van Sint-Niklaas en ooit protegé van dé Willockx, is van het empathische type. Als zijn renners na een bar slechte dag vol ijsregen het hotel halen, ziet hij mee af met de jongens, hoewel hij dat ook heeft meegemaakt. “Als ik ze dan ’s avonds weer zie lachen aan tafel, ben ik ook blij. Ik vind dit een prachtige generatie jonge mensen. Veel zelfstandiger dan wij, veel zelfbewuster ook. Ze weten wat ze willen, maar ze zijn niet harder dan wij, integendeel. Ik zeg soms: jullie mogen zo braaf niet zijn. Wij lieten ons nooit wegdringen. Ik heb ooit eens vijf kilometer lang oorlog gemaakt met Stuart O’Grady op weg naar de finish.”

De start van een avontuur

Steels komt van de wielerbaan, zo haalde hij in 1992 ook de olympische ploeg, en mannen van de wielerbaan zijn mannen van de wetenschap. Al snel kocht hij een vermogensmeter en samen met een informaticus ontwikkelde hij eigen software om op basis van vermogensmetingen tijdens de wedstrijd de conditie van wielrenners in kaart te brengen.

“Ik was begonnen met het begeleiden van wielrenners en toen is dokter Yvan Vanmol komen praten in opdracht van Patrick Lefevere. Plots was ik ploegleider, maar de software gebruik ik nog steeds. Zelf zoeken naar dingen die beter kunnen, dat heb ik van mijn vader. Tot ergernis van mijn vrouw. Als ik een toestel heb gekocht, zal ik kijken of ik dat kan opengooien om te zien of er iets aan kan worden verbeterd.”

Binnen afzienbare tijd zal Tom Steels ook op zijn eigen fiets een vermogensmetertje monteren, gewoon uit interesse. “Vooral dan om te zien wat ik niet meer kan. En ik wil ook nog wel verder studeren. Ik ben een autodidact. Ik heb geen diploma als trainer en dat voel ik toch als een gemis aan.”

De kans is levensgroot dat hij toch weer wat vaker op de fiets zal moeten, al was het maar als trainingsmaat van zijn eigen zoon. “Tijdens zo’n ritje vorig jaar met onze Rune had ik het iets lastiger dan verwacht. Het was tijd om iets aan mijn conditie te doen.” Rune is nu 13 en heeft onlangs zijn opleiding bij de Vlaamse Wielerschool afgewerkt. Hij mag dus starten bij de aspiranten. “Leen en ik hebben er alles aan gedaan om hem niet te veel aan te moedigen – een oude fiets, een oud paar wielen, niks nieuw – maar het hielp niet: onze Rune is gek van wielrennen.”

Fierheid kruipt waar ze niet gaan kan en zo tweette vader Tom op 20 februari een foto van een jongen, zijn zoon die op een koersfiets wegrijdt in de mist, met daarbij de woorden: ‘de start van een avontuur’. Waarop moeder Leen Goeman vader en zoon een reality check bezorgde door te tweeten: “Leer hem dan maar al eerst zelf de wasmachine in te steken na de training, papa!!”

Zorgen voor de kinderen

Het ouderpaar Steels-Goeman heeft zijn deel van de beproeving al gehad, zo ziet de buitenwereld dat althans. Zelf hebben ze een lichtjes andere visie. De oudste dochter Lobke (17) is zwaar mentaal en fysiek gehandicapt. Voor haar en nog acht andere kinderen bouwt een vzw (vzw Bijs) een aangepaste wooneenheid waar de kinderen de klok rond verzorging zullen krijgen. Het huis opent zijn deuren in januari 2018. Leen Goeman trekt mee de kar als voorzitter van de vzw en Tom Steels springt bij waar hij kan. Of dat een mens met een zware dagtaak en vele weken in het buitenland niet sloopt, luidt de logische vraag. Het antwoord is kort, zonder kortaf te zijn: “Het kost toch geen moeite om met je zoon of dochter bezig te zijn, daar krijg je energie van.”

De tweede telg – aspirant-wielrenner Rune, nu 13 – leek ook een zorgenkind te worden. Autisme was de diagnose en hij moest naar het bijzonder onderwijs, maar toen gebeurde iets wonderbaarlijks. “Ik heb het al vaak verteld: hij ging op scoutskamp en kwam als een ander kind terug. ‘Ik denk dat ik het zelf moet doen’, zei hij in de auto, en dat is precies wat hij geeft gedaan. Zijn resultaten schoten de hoogte in en op die school voor autisme was hij snel klaar. Hij wilde daar weg en heeft de resterende maanden nog een aantal van zijn medeleerlingen geholpen met hun rekenen. Nu zit hij in het tso en doet het daar prima. Elke dag gaat hij met de fiets naar school en dat werkt perfect.

“Ooit hebben we een voetbalploegje opgericht samen met ouders van kinderen met autisme, omdat die gasten het lastig hebben in hun sociaal functioneren. Maar nu heeft hij wielrennen ontdekt, een sport die hem past natuurlijk. Eenzaam in de training en een eenvoudige sport, ook sociaal minder gecompliceerd dan een ploegsport als voetbal. Rune heeft wel nog nooit een wedstrijd gereden en misschien dat na dat eerste koersje zijn goesting wel helemaal over is, maar ik denk het niet. Zo vastberaden heb ik hem nog nooit gezien. Dat ben ik ook: ik zal de vader zijn, niet de ploegleider, en ik zal hem nooit pushen, eerder zelfs afremmen.”

Column We Ride Flanders in De Morgen van zaterdag 1 april 2017

We Ride Flanders

‘Rijdt u ook een stukje mee met Ruben Van Gucht?” Dat vroeg een fan (die zijn er, jawel), want hij zou dan ook een stukje meerijden. Ik antwoordde: “Neen. Niks tegen Ruben, aardige gast, ken ik persoonlijk. Doet ook maar zijn werk en wie op de tv zit, ontkomt niet aan egotripperij. En ik haat kasseien.” Danig geschrokken van de gedachte, vroeg ik de naasten in mijn gezin om mij te colloqueren als ik ooit maar zou overwegen om twaalf uur op een fiets te zitten in een poging neussnuitend en ballenschartend zo veel mogelijk in beeld te komen in het zog van één of meerdere BV’s.

Ik beken: ik heb #voorderonde niet uitgekeken. Rond een uur of twaalf waren mijn tenen zo hoog opgekruld dat ik de tv niet meer kon zien. Een mooie gelegenheid om mijn ‘wilsverklaring euthanasie’ aan te passen. Als ik ooit de behoefte zou hebben om twaalf uur lang naar wielertoeristen te kijken en bij het luchtbeeld van de kerk van Hamme (met een keurig blokje tekst Hamme) de vraag van de commentator “Is dit de kerk van Hamme?” te beantwoorden, of ze dat dan konden herkwalificeren als een onomkeerbare coma. Laten we wel wezen: dit was Canvas niet, dit was Alzheimer-tv.

Als het de bedoeling was om de Ronde van Vlaanderen te hypen, dan misschien toch deze bemerking: hypen we die al niet een beetje te veel? Is er dan geen bovengrens aan parochialiteit? Of was het de bedoeling om de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen te promoten?

Dat is alvast gelukt. Maar wist u dat de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen sinds dit jaar veranderd is van naam en nu We Ride Flanders heet? Dat komt hierdoor: de editie 2017 is de laatste die in handen is van Golazo, het evenementenbureau van Bob Verbeeck. In 2008 heeft het toenmalige Corelio de rechten voor tien jaar verkocht aan Golazo. Die beweren op hun site dat We Ride Flanders van naam is veranderd door de internationalisering, maar dat is onzin. Volgend jaar wil Golazo ook nog organiseren, want een Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen maakt meer winst dan de Ronde van Vlaanderen zelf. Om die laatste reden wil ook Flanders Classics – eigendom van De Vijver Cycling, zeg maar Wouter Vandenhaute en Erik Watté en voor de helft ook Mediahuis – maar al te graag zélf de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen organiseren.

Flanders Classics is al op de markt van de recreant actief en had vorige week bijvoorbeeld Gent-Wevelgem voor wielertoeristen, echt een aanrader. Alleen zijn de ritten van Flanders Classics goed voor maximaal 3.000 deelnemers en is de RVV voor wielertoeristen met zijn 16.000 deelnemers, van wie de helft buitenlanders, van een andere logistieke en organisatorische orde. Golazo, dat in verschillende landen grote events als marathons en wielergranfondo’s organiseert, kan als geen ander de massa veel geld laten betalen en met een goed gevoel naar huis laten gaan.

Elk weldenkend mens komt dan tot de slotsom: Flanders Classics en Golazo moeten de handen in elkaar slaan, misschien zelfs een joint venture aangaan, waarom niet? Golazo organiseert enkele minder belangrijke wielerwedstrijden voor profs, maar Flanders Classics heeft de mooiste eendagswedstrijden in Vlaanderen. Alleen valt met die wedstrijden alleen nauwelijks geld te verdienen. De expertise van Golazo, de meester-organisator, zou een toegevoegde waarde kunnen zijn.

Eén probleem: beide organisaties worden geleid door twee dezelfde types, alfamannetjes van wie de lichaamslengte omgekeerd evenredig is met het ego en die voorlopig met elkaar niet door één deur kunnen. Despootjes die geen tegenspraak dulden. Moneymakers, maar de ene al meer dan de andere (wie, dat mag u raden). Toch hebben Wouter Vandenhaute en Bob Verbeeck ook veel dingen gemeen. Om de toenadering tussen de heren wat te vergemakkelijken, lijsten we ze even op: bijvoorbeeld, zijn het af en toe hele aardige en gezellige gasten. Of nog: ze hebben een groot hart voor sport. Zeker ook: ze kunnen keihard zijn en zitten niet verlegen om een bloedbadje onder hun personeel. Ten slotte: het zijn competitiebeesten.

Daarom heeft Bob Verbeeck zijn RVV voor wielertoeristen omgedoopt in We Ride Flanders, organiseert hij straks in Brugge een Elfstedenronde en heeft hij de Driedaagse binnengehaald. Daarom heeft Wouter Vandenhaute met de start- en aankomstplaatsen Antwerpen en Oudenaarde afgesproken dat er, tenzij zijn eigen versie voor recreanten, vanaf 2018 veertien dagen voor en na de Ronde van Vlaanderen geen ander event mag worden georganiseerd, dus geen We Ride Flanders.

Er zijn twee scenario’s mogelijk. Of Verbeeck en Vandenhaute sluiten een monsterverbond. Of Verbeeck en Vandenhaute gaan de strijd aan. De allermooiste strijd zou er een zijn op de fiets, maar in dat geval gok ik op de grotere motor van ex-olympiër Bob Verbeeck.