Column 14 uit Tokio ‘Olympisch Blues’ in De Morgen van dinsdag 3 augustus 2021

Olympische blues

Ik zat er op te wachten maar het kwam maar niet. Elke Spelen heb ik ze al gehad: de olympische blues. Het heeft niks te maken met heimwee, misschien wel met oververzadiging. Sinds vandaag is het er, het gevoel dat het nergens meer om gaat op deze Olympische Spelen.

Terwijl ik dit tik, zit ik bij België tegen China basketbal. Het is rusten, de Belgian Cats staan een puntje in het krijt. Zopas heb ik de bevestiging gekregen dat er plaats is voor mij op de perstribune van het hockey voor de halve finale tegen India, die al achter de rug is wanneer u dit leest. Al die procedures, dat is om stilaan moedeloos van te worden. Op elke tribune in elke hal of elke venue kan je steevast nog een heel Japans leger en wat middelbare scholen een zitje geven met covidafstand ertussen, maar toch vragen ze altijd weer of ik mij heb aangemeld en waar mijn toestemmingsmail dan wel is.

Er komen nog zoveel plezante dingen om naar uit te kijken en toch, vanaf nu bloeden de Olympische Spelen stilaan dood. Vandaag zag ik de eerste vertrekkers in het hotel. “Arriving?”, vroeg ik. “Going”, zei de man. Een Amerikaan van het blad en de site The Swimming World. Tja, die heeft hier niks meer te zoeken. Zwemmen is klaar. Alles wat nu nog in het bad gebeurt, is niet langer rechtdoor van muur naar muur, maar is achter een bal aanzwemmen en terwijl trappen uitdelend of zo schoon mogelijk figuren maken.

Ik las ergens een tweet van een collega die zich verbaasde over al die zwemmedailles en een andere tweet van iemand die de wegrit vergeleek met een zwemtoernooi. Ja, er wordt behoorlijk meer gezwommen op Olympische Spelen dan er wordt gefietst. Dat heeft zo zijn reden. Ten eerste is zwemmen een wereldsport en wielrennen een bijzonder kleine sport, het economisch belang ervan is te vergelijken met dat van badminton. Ten tweede is wielrennen lang een olympische sport voor amateurs geweest en de eerste keer dat de profs er waren, trokken ze ook hun neus op voor het wielrennen.

Dat is overigens nog steeds zo. Er is echt geen enkele sporter die zo uitgewoond arriveert op de Spelen als de renner die de Tour heeft gereden en denkt, nu gaan we nog even een medailletje meegraaien. Ik begeef mij nu op glad ijs, want als je in koersland België het belang van die gewonnen Tour-ritten durft te relativeren tegenover het belang van een olympische medaille, word je stante pede gecanceld.

Van cancellen gesproken, ik had een gesprek met een collega die ik in de konbini (de supermarkt, red.) om de hoek tegen het lijf liep. Ik kende hem niet en hij mij niet, maar in het Tokio van juli-augustus 2021 herken je je collega’s aan hun uiterlijk: elke niet-Japanner is hier betrokken bij de Olympische Spelen en veel kans dat het een journalist is of iemand van de audiovisuele media. Soms zijn dat ook journalisten, soms zijn dat supporters die het goed kunnen uitleggen en goed kunnen schreeuwen dat er iets gebeurt.

De collega was een Litouwer en ik begon over basketbal en Arvydas Sabonis en de shirts van Barcelona 1992, maar hij had niks met basketbal en was hier voor de moderne pentatlon. Ik zei: zo, u bent die journalist die daar over schrijft? En hij begon een hele uitleg, nog voor ik mijn zin had kunnen afmaken, over hoe mooi die sport wel is, hoe sterk de pentatleten en hoe spectaculair enzovoort. Ik antwoordde standaard: niet alles wat mooi is en spectaculair hoort op de Spelen en dat geldt in de eerste plaats voor de moderne pentatlon.

Toen begon hij weer over traditionele sporten en tegen zijn ultieme argument had ik geen verweer: of ik dat circus met die onnozele kleine fietsjes dan de olympische status waard vond. Ik betaalde, liep met hem naar buiten, klopte hem op de rug (wat verboden is, want we mogen geen andere mensen aanraken) en zei: als je het over dat freestyle BMX hebt, daar heb je helemaal gelijk in, wat een onzin.

Na introspectie denk ik dat dit gesprek de uiteindelijke trigger is geweest van mijn olympische blues. Ik heb afgelopen nacht gedroomd van skateboarden, een sport of wat daarvoor moet doorgaan, waar dertienjarigen gouden medailles in winnen. In mijn slaap trok ik de conclusie dat kinderen die te jong zijn voor de Youth Olympic Games – waar de minimumleeftijd veertien is -, op de Olympische Spelen voor volwassenen medailles mogen winnen. Sporten waar kinderen winnen van volwassenen zijn geen sporten, maar spelletjes. Over drie jaar krijgen we breakdance op de Spelen, maar dat mogen we zo niet noemen op straffe van cancelling. Sporten hebben nu ook hun deadname, waar gaat dat heen?

En de Cats hebben verloren. Neen, die blues gaat voorlopig niet weg.

Column 13 uit Tokio ‘Gemengd Sporten’ in De Morgen van maandag 2 augustus 2021

Gemengd sporten

Zaterdag. Vijfde. Waarin dan? De 4x400m. Oh ja? De gemengde estafette, voor alle duidelijkheid. Oké,… zit dat ook al op de Spelen? Ja, dat zit ook al op de Spelen en om heel eerlijk te zijn: ik ben niet blij dat België geen medaille heeft – dat zat er nooit in – maar ik kan daar ook niet om treuren.

Wat allemaal op de Spelen hoort en wat niet, daar zal ik later deze week misschien nog eens mijn licht over laten schijnen, maar gemengd sporten alvast niet. Waar het een uiting van is, ik ben er nog niet uit. Van wokeness? Van paternalisme/maternalisme? Van onkunde? Van buikkrampen?

Ook hier weer verschilt topsport van het dagelijkse leven waarin het juist goed is – dat wordt toch gezegd – dat vrouwen en mannen dingen samen doen. Vooral dan dingen die de vrouw vroeger alleen deed, zoals het huishouden, koken, pampers verversen. Of dingen die de man vroeger alleen deed, zoals op café gaan, sporten, voetbal/porno kijken.

Topsport hoort daar niet bij, met de nadruk op niet. En wel hierom: de (top)sportende vrouw is in alle sporten minstens tien procent minder performant dan de man en soms zelfs een kwart minder, als het om pure kracht gaat. Die samen laten (top)sporten, dat geeft ongelukken, dat verschil is niet om aan te zien en het is bijzonder verwarrend.

Wel moet even worden aangestipt dat in enkele olympische sporten vrouwen en mannen al langer samen sporten, bijvoorbeeld de paardensport. In dressuur winnen vrouwen het vaker van mannen dan omgekeerd. Als man ben ik daar blij om. In jumping doen de vrouwen het ook samen met de mannen, maar in al die Spelen hebben ze nog maar één keer een B-medaille gewonnen. Bij eventing gebeurt het wel meer dat vrouwen op het podium staan. En er is natuurlijk de moeder van alle gemengde sporten, het gemengd dweilen, ook wel bekend als curling.

Nog iets over die verwarring. In de series van die onzalige gemengde 4x400m bestond een Britse commentator het om een loper ‘a tremendous leg’ (bedoeld wordt beurt en niet been) te laten lopen omdat hij ongeveer iedereen net niet dubbelde. Tja, hij liep toen wel in de beurt met haast alleen vrouwen en dus zag het er naar uit alsof hij een wereldrecord aan het verbeteren was. Wedstrijdsport voor de vrouw is een verhaal dat ongeveer 120 jaar oud is. Op de eerste Spelen van 1896 waren nog geen vrouwen aanwezig. Op de tweede van Parijs wel, in ‘elegante’ sporten. Later kwamen daar op vraag van de vrouwen – toegestaan door oudere witte mannen – andere sporten bij zoals gymnastiek en ook een beetje lopen. Maar niet te ver want een transpirerende vrouw was mensonterend, zei De Coubertin.

Er zijn bijna evenveel vrouwen op deze Spelen als mannen en in Parijs zal dat echt gelijk zijn. Het bijproduct van die positieve discriminatie is dat je met vrouwen minstens zes en in sommige sporten tien keer betere kansen hebt om medailles te winnen. Wie dat toejuicht, denk nog maar even na, want dat komt toch vooral de rijkere landen met veel atleten ten goede. Hetzelfde geldt voor de verdubbeling van de gemengde sporten – van negen naar achttien – sinds Rio.

Wat heet gemengd? Gemengd dubbeltennis stond al op het programma in Parijs in 1900 en bleef erop tot in 1928. Toen verdween het om pas in 2012 weer op te duiken. Gemengd tafeltennissen, dat nog maar bij deze editie olympisch is geworden, is net als gemengd tennis echt gemengd. Overigens is het gemengd pingpongen gewonnen door Japan. China geklopt. Human Rights Watch zag dit weekend twee nieuwe bewoners bij een heropvoedingskamp arriveren.

In tennis en tafeltennis kan een man een bal naar een vrouw slaan en omgekeerd. Dat is gemengd. De meeste gemengde sporten zijn echter mannen die achter of naast vrouwen lopen, of zwemmen of omgekeerd. Nog erger zijn de gemengde competities waar niets in wordt gemengd maar gewoon de punten worden opgeteld.

Neem nu het mixed judo, dat zaterdag zijn beslag kreeg. Het is niet dat mannen ineens vrouwen door de tatami konden boren. Drie vrouwen en drie mannen van elk land namen het tegen elkaar op. Individueel wonnen de Japanners negen van de vijftien gouden plakken, maar deze moesten ze aan Frankrijk laten.

In het schieten zijn ze helemaal gek geworden. In 1992 won de Chinese Zhang Shan het van alle mannen in de skeet (schieten naar dingen die in de lucht worden geschoten, ooit waren dat duiven). Vier jaar later was skeet alleen nog voor mannen. Tot in 2000. Toen mochten vrouwen weer skeeten. En op deze Spelen – ik verzin niets – is het gemengd schieten weer ingevoerd.

Verhaal over de internationale medaillewedloop in De Morgen van zaterdag 31 juli 2021

De oorlog om het goud

Nina, Nafi, de hockeyers, de Belgian Cats… De jacht op olympisch goud duurt nog een week. Steeds meer landen gaan voor het allerhoogste. Maar hoe bereik je dat? Wat is het beste model, hoeveel kost het? En: hoe doet België het eigenlijk in de medaillewedloop?

De Verenigde Staten startten traag in Tokio, maar strijden inmiddels volop mee om de koppositie in de medailledans. Historisch staan ze onbedreigd bovenaan. Sportland nummer één heeft op de moderne Olympische Spelen al bijna drieduizend medailles gewonnen, bijna het dubbele van de nummer twee, Duitsland (Oost en West bij elkaar opgeteld). Nummer drie is Rusland, in de huidige en in de vroegere communistische versie samen.

De Amerikaanse telwijze om goud, zilver en brons bij elkaar op te tellen, en op basis van de som het klassement op te maken, heeft inmiddels algemeen ingang gevonden, maar op de officiële olympische medailletabel is het aantal gouden medailles doorslaggevend: een land dat één keer goud haalt en verder niks, eindigt in de ‘medaillespiegel’ boven het land dat misschien vijftig keer zilver won, maar geen goud.

Deze manier van tellen stamt uit het antieke Griekenland, waar alleen de winnaar werd gehuldigd. Hij (er mochten geen zij’s meedoen) kreeg een olijftak rond het voorhoofd. Die kwam van een heilig verklaarde boom, maar dat was alles. De olijftak was nominaal alvast minder waard dan de huidige medailles. Als je een gouden medaille van Tokio zou smelten, hou je 550 gram zilver en 6 gram goud over. Dat is ruim 700 euro aan edelmetaal.

Uiteraard is de echte waarde van de medaille verbonden met de sport en de eigenaar. De duurste medaille die ooit op een veiling werd verkocht, was een van de vier gouden plakken die Jesse Owens in 1936 won. Voor 1,25 miljoen euro vertrok het ding naar een teameigenaar in de Amerikaanse ijshockeycompetitie.

De meest recente gouden medailles die te koop werden aangeboden, waren gewonnen door de Cubaan Ivan Pedroso in Sydney 2000 (verspringen) en zijn landgenoot, (schutter) Leuris Pupo in Londen 2012. De medailles brachten elk een schamele 60.000 euro op. Hoe wanhopig kun je als gouden olympiër zijn?

Underperformers

Een goed sportland meet je niet af aan het resultaat op een WK voetbal, want dan zouden Nigeria en Brazilië goede sportlanden zijn en dat is niet het geval. Wielrennen is evenmin een maatstaf, voor alle duidelijkheid, want dan zou België ook een goed sportland zijn, en dat…

België heeft de laatste vijftig jaar maximaal zes medailles per editie van de Zomerspelen gescoord, maar is eigenlijk tien olympische plakken waard, als je de twee belangrijkste parameters voor olympisch succes in rekening neemt: de bevolking en het bruto binnenlands product (bbp).

Maar niet alle landen met een grote bevolking en een redelijk functionerende economie zijn succesvol. India, het tweede grootste land qua bevolking (1,4 miljard), heeft het vijfde bbp van de wereld.

Het gigantische land doet al vanaf 1900 mee aan de Zomerspelen en heeft in al die tijd amper 29 medailles opgehaald. Eentje daarvan werd op deze Spelen gewonnen: Chanu Mirabai pakte bij het gewichtheffen in de categorie van onze Nina Sterckx zilver.

India heeft geen sportcultuur en geen topsportsysteem, tenzij dan in cricket en hockey. De acht gouden medailles (op een totaal van negen) die ze in het hockey hebben behaald (cricket is geen olympische sport), dateren van tussen 1928 en 1980, dus met het tophockey zit het de laatste tijd ook niet lekker. India is een underperformer, net als België, maar nog iets meer uitgesproken.

Cuba, waar de atleten uit armoede hun gouden medailles verkopen, was ooit een zeer goed sportland, het beste kleine sportland ooit. Dat hadden ze te danken aan een topsportsysteem. Cuba is nu een meeloper. Van de 31 podiumplaatsen (14 keer goud) in Barcelona 1992 waren er in Rio 2016 nog 11 medailles, waarvan 5 gouden, overgebleven. Nog steeds oké voor een land met evenveel inwoners als België, maar Tokio dreigt voor Cuba een sof te worden: in Rio waren tweemaal zoveel Cubaanse sporters ingeschreven als nu. Reden: het Cubaanse sportsysteem is niet meer te financieren.

Leren van Nederland?

Als er underperformers zijn, dan ook overperformers en daarvan kunnen we leren. Niet van Cuba, en ook niet van onze buur Duitsland, want die presteert minder dan het zou kunnen. Die andere buur Nederland zou wel een voorbeeld kunnen zijn.

In de ‘Universiteit van Vlaanderen’ (waarbij Vlaamse topwetenschappers op internet, tv of radio college geven, red.) legt professor Veerle De Bosscher (VUB) in het filmpje Hoe kan België meer olympisch medailles winnen? (het duurt zestien minuten en is te zien op YouTube) haarfijn uit wat er in theorie nodig is om sportsucces te halen. Ze baseert zich daarvoor op het SPLISS-model dat negen pijlers van topsportwerking in vijftien verschillende landen (onder meer Nederland, België opgesplitst in gemeenschappen, Japan, Australië en Brazilië) in kaart bracht. Die pijlers zijn onder meer de betoelaging, het aantal sporters in een land, de kwaliteit van de coaches, de trainingsfaciliteiten, wetenschappelijke omkadering… Daaruit blijkt dat er niet één ideaal sportmodel bestaat, want geen enkel land scoort goed op alle pijlers.

Er zijn met andere woorden verschillende wegen die naar Rome leiden, maar misschien niet de weg die België heeft ingeslagen. Ons land scoort op alle pijlers net op of net onder het gemiddelde, met een negatieve uitschieter voor de financiering van topsport. Binnen België scoort Vlaanderen beter – of minder slecht – dan Franstalig België. Nederland scoort doorgaans op alle pijlers beter dan België, behalve voor talentdetectie. Daar wint België, dankzij de goede werking van de topsportscholen.

Nederland heeft als kleinste grote sportland wel het geluk – of de verdienste, zo u wilt – dat het in verschillende olympische disciplines meer dan één wereldtopper heeft. Dat kunnen het kleinere België en het nog veel kleinere Vlaanderen niet zeggen.

De Nederlandse ‘chef de mission’ in Tokio, Pieter van den Hoogenband (ex-zwemmer en drievoudig goudenmedaillewinnaar): “Toppers in interne concurrentie maken elkaar beter. Ik ben samen met Marcel Wouda in dezelfde baan gaan zwemmen omdat we allebei de beste van de wereld wilden worden. Dat was tijdens de trainingen een groot voordeel. Als de ene hard ging, wilde de andere niet onderdoen. Vergelijk dat met die Belgische wereldtopper uit mijn tijd, Fredje Deburghgraeve (olympisch kampioen in 1996, red.). Tja, die trainde dag in dag uit in zijn eentje en dan wordt het lastig. Hij heeft maar twee Spelen gehaald, ik vier.”

Een heel extreem voorbeeld van interne concurrentie zijn de zwem- en atletiektrials in de VS. In die genadeloze voorcompetities sneuvelen soms op papier betere sporters ten voordele van mindere goden. Maar in de praktijk leidt dit systeem altijd tot medailles.

De macht van het getal is ongenadig. De vijf meest succesvolle landen op de Olympische Spelen zijn grote landen. Vanaf 1996 winnen zij bijna vier op de tien medailles. Rekenen we alleen maar goud, dan zijn ze goed voor meer dan vier op de tien olympische titels.
Een normale olympische prestatie van een land vereist minstens één gouden op drie medailles. Op de laatste Spelen van Rio wonnen de vijf eerste landen op de medailletabel – zeg maar de sterkste sportlanden van de wereld – samen meer dan 36 procent van de medailles. Als je alleen het goud telt, kwamen ze zelfs aan 42 procent.

Opmerkelijk aan die verhouding medailles/gouden medailles is dat de grootste landen op één uitzondering na altijd meer goud scoren dan die ‘één op de drie’. Ook dat is de macht van het getal: meer goeie atleten maken de allerbeste atleten. Voor landen met minder inwoners en dus minder potentieel talent, wordt het zo lastiger om de podia te halen.

In Rio leek het grote getal een beetje aan macht te hebben ingeboet en voltrok zich iets wat leek op een democratisering van het olympisch succes. Maar liefst 87 verschillende nationale olympische comités wonnen medailles. Nog opmerkelijker was dat tien landen in 2016 voor het eerst in hun bestaan goud wonnen. Drie van hen hadden zelfs nooit eerder een medaille gewonnen. Mooiste voorbeeld: Fiji, dat won in het ‘rugby sevens’. Hoe belangrijk olympisch succes voor kleine landen wel is, bleek daar, midden in de Stille Oceaan: het rugbygoud was goed voor vier extra nationale feestdagen.

Experts twijfelen of de tendens van meer kleine landen die medailles winnen zich in Tokio zal doorzetten. Uit alle analyses blijkt dat juist kleine en vooral armere landen onder de coronapandemie hebben geleden. Internationale toernooien werden afgelast, kampioenschappen – waarvoor aan behoeftige landen soms beurzen werden uitgereikt – werden geschrapt en vanuit de internationale bonden die hun geld krijgen uit de olympische pot ging de geldkraan ook gedeeltelijk dicht.

Eerder al slaakten Afrikaanse atleten een noodkreet. Wereldtoppers die door een van de grote schoenmerken werden gesponsord, kregen nog wel het afgesproken salaris, maar de lucratieve extraatjes zoals startgeld bij marathons, wegwedstrijden en baanmeetings vielen helemaal weg en met virtuele marathons viel geen cent te verdienen. In de media verschenen eerder dit jaar getuigenissen van lopers die hun boerenbestaan weer hadden moeten oppikken om de levensstandaard van henzelf en hun familie op niveau te houden.

Gevolg: de subtop liet het schieten en de top zag zich verstoken van internationale contacten en wedstrijden en was verplicht om rondjes te draaien op het plateau in Iten, Eldoret in Kenia of ergens op een hoogvlakte van Ethiopië. Benieuwd hoe die straks voor de dag komen.

Van de 205 nationale olympische comités (NOC’s) hadden er tot vorige week 110 nog nooit goud gewonnen en 72 nog nooit een medaille. Die 110 zijn er 108 geworden: Flora Duffy won dinsdag de vrouwentriatlon voor Bermuda (63.000 inwoners). En de Filipijnen pakten maandag voor de allereerste keer goud dankzij gewichthefster Hidilyn Diaz.

Kosovo was ook al twee keer aan het feest met hun judoka’s (zie kader). Dit zijn goede voorbeelden van een evolutie die zich de laatste jaren aftekent: naast grote landen die heel veel medailles winnen, en waartegen het lastig opboksen is, mikken heel wat kleine sportlanden op een paar sporten waarin de kans op succes het grootst is. Zo won Richard Carapaz goud voor Ecuador in de wegrit wielrennen, ten koste van onder meer België.

Heel arme landen zetten de laatste jaren ook in op een aantal atleten met de hulp van het geld afkomstig uit de beurs Olympische Solidariteit, een soort sinterklaasfonds van het Internationaal Olympisch Comité. Het doel is een medaille, het liefste goud. Dat maakt de ‘oorlog om het goud’ voor een land als België stilaan een dure onderneming. Veerle De Bosscher: “Het volstaat niet om een beetje meer geld te investeren. Met ‘een beetje meer’ behoud je je niveau. Voor méér succes is véél meer geld nodig.”

Vraagtekens

Australië was het eerste land dat vraagtekens bij de ‘investeringen in medailles’ plaatste. Nog vóór de eigen Spelen van Sydney 2000 zei een studie dat elke medaille 11 miljoen euro had gekost. Na Sydney kwamen ze met een nieuw cijfer: in elke gouden medaille was 25 miljoen euro gestopt. Kort daarna verscheen een rapport dat te veel geld ging naar volksvreemde sporten en te weinig naar sporten waar de Aussies ook goed in zijn – de niet-olympische disciplines cricket, Aussie rules football en rugby. De olympische geldkraan ging gedeeltelijk dicht en het resultaat was merkbaar: tussen 2000 en 2016 viel het land terug van 58 naar 29 medailles. Dat vonden de Australiërs dan weer te bar en sindsdien werden de investeringen weer opgekrikt.

Interessant om te volgen is hoe de Britten het in Tokio zullen doen. In de vorige olympische cyclus tussen Londen 2012 en Rio 2016 werd door UK Sports een recordbedrag van 320 miljoen euro in topsport geïnvesteerd. Mede daardoor is het Verenigd Koninkrijk tot op vandaag het enige organiserende land dat beter presteerde op de Spelen die volgden op de Spelen in eigen land. De sports funding is in de aanloop naar Tokio weer teruggebracht naar 257 miljoen euro.

UK Sports hing nog voor Tokio aan de alarmbel. “Als we in Brisbane 2032 bovenaan in de medailletabel willen uitkomen, moet tussen 2021 en 2032 3,5 miljard euro worden geïnvesteerd in de olympische en paralympische topsport.” Dat komt neer op een verdubbeling van de middelen.

België investeert ruim gerekend jaarlijks 35 miljoen euro in topsport vanuit de gemeenschappen. Daarnaast is er nog een klein budget dat het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité investeert, maar ook dat komt gedeeltelijk van de gemeenschappen. 35 miljoen is volgens professor De Bosscher onvoldoende. Zij maakt de vergelijking met de 75 miljoen die Nederland investeert.

Over de balk gegooid?

Nu is Nederland een bijzonder goed voorbeeld van de stelling dat meer geld niet altijd meer prijzen oplevert. Na de historische recordspelen van Sydney 2000 (25 medailles, waarvan 12 goud) begon Nederland pas echt te investeren, onder meer met een structureel leefloon voor topsporters. Sindsdien hebben ze nooit meer dat succes van Sydney benaderd. Soms is het potentieel beperkt en kun je zoveel investeren als je wilt, het levert niks op.

Canada is nog zo’n voorbeeld. Na de slechte Spelen van Athene in 2004 werd het topsportprogramma Own the Podium in het leven geroepen. Van 12 medailles in Athene ging het naar 22 in Rio, maar dat was nog steeds maar evenveel als de 22 van Atlanta 1996, zowat te vergelijken met de 6 plakken van België op beide Spelen.

In alle topsportprogramma’s is kostenefficiëntie een modewoord geworden. Een Britse medaille kost de helft van een Nederlandse medaille, die dan weer de helft kost van een Belgische. Kostenefficiëntie wordt vertaald als: je investeert maar in sporten die podia kunnen bezetten.

Zo hebben de Japanners vooral ingezet op sporten waarin een laag zwaartepunt van het lichaam (Japanners zijn relatief klein, red.) een voordeel is, en nauwelijks in sporten waarin lengte en grote hefbomen een factor zijn.

Een andere beproefde tactiek is je basis aan podiumtalent zo breed mogelijk te maken: drie goede zwemmers omkaderen kost anderhalve keer één zwemmer. Dat wist de DDR al, die vooral op vrouwen en op individuele nummers inzette. Eén Kristin Otto zwom in Seoel 1988 zes keer goud bij elkaar. Waarom dan zwaar inzetten op vijftien teamsporters (voetbal, volleybal…) die misschien maar één medaille konden winnen?

Veerle De Bosscher besluit haar betoog in de Universiteit van Vlaanderen voor meer topsportinvesteringen met de algemeen aanvaarde premisse dat topsportsucces de bevolking tot sporten zou aanzetten. Dat is al een aantal keer weerlegd. Anekdotisch, zoals in het geval van het Nederlandse volleybal dat tussen het zilver van Barcelona 1992 en het goud van Atlanta 1996 twintig procent van de leden verloor.

Of door een heel grote studie in het VK waaruit bleek dat de sportparticipatie na de succesvolle Spelen van Londen was gedaald. Of een Australische studie: “Er is geen trickle down-effect van topsportsucces op het vlak van sportparticipatie.”

Een tijdelijk feelgoodeffect, vele malen sterker dan bij literair of cultureel succes van landgenoten, dat is het gevolg van sportief succes. Misschien mag dat ook een cent kosten.

Alles op de vrouwen

Kosovo is een mooi voorbeeld van waar een klein land groot kan in zijn als het zich maar specialiseert. In Rio 2016 was Kosovo er voor het eerst bij nadat ze in 2014 de olympische status hadden verkregen van het IOC, ondanks protest vanuit Servië. Majlinda Kelmendi, judoka in de klaase tot 52 kilogram, won op de tweede dag van het Kosovaars olympisch avontuur meteen de eerste medaille en het eerste goud. Daarbij bleef het, maar het feest in Pristina was compleet.

Op deze Spelen zit Kosovo nu al aan twee keer goud. Zaterdag was het meteen prijs, weer in judo en nu in de -48, met Distria Krasniqi. Maandag klopt Nora Gjakova de Franse favoriete Léonie Cysique in de -57. Twee keer goud, voorlopig, voor elf atleten, zes vrouwen en vijf mannen, de helft judoka’s. Dat is pas kostenefficiënt.

Alle Kosovaarse medaillewinnaars zijn vrouwen. Een stelling luidt: een land dat alleen scoort met vrouwen is geen goed sportland. Een andere stelling zegt dan weer: een land dat niet scoort met vrouwen en alleen met mannen, is ook geen goed sportland. Kosovo is nog geen goed sportland, maar kan het nog worden. De kans bestaat dat het met die niet eens twee miljoen Kosovaren op 8 augustus hoger staat dan België. 

Ons land heeft sinds de zomerspelen van Seoel 1988 dertig medailles gewonnen, waarvan zestien voor vrouwen. Wat goud betreft, haalden de vrouwen vijf van de acht gouden medailles. Dat is een redelijk evenwicht.

Hoewel er ook op deze Spelen nog altijd minder vrouwenmedailles te winnen zijn, is het makkelijker om bij de vrouwen te scoren dan bij de mannen. Dat is simpelweg te verklaren: voor de meeste vrouwen – in Afrika, Azië, Zuid-Amerika, maar ook in sommige Europese landen – hebben geen toegang tot sport wat het beschikbaar potentieel beperkt. Het IOC wil tegen de Spelen van Parijs evenveel vrouwen als mannen op de Spelen. In Tokio zal 48,8 procent van de deelnemers vrouw zijn, in Rio was dat nog 45 procent. De eerste Spelen met vrouwen waren die van Parijs 1900, 22 waren er ingeschreven in golf en croquet.

België stuurde naar Tokio 55 vrouwen op een totaal van 121 atleten. Twee van de grootste sportlanden hebben het begrepen en sturen al een paar Spelen meer vrouwen dan mannen. Groot-Brittanië heeft 53 procent vrouwen. De VS sturen zelfs al voor de derde Spelen op rij meer vrouwen dan mannen (54%) maar dat is dan een bijproduct van een maatschappelijke evolutie.

De VS het meest kostenefficiënte topsportmodel. Vanuit het Amerikaans olympisch comité komt jaarlijks amper 50 miljoen dollar bij de olympisch sporten terecht. Die profiteren dan weer van het Amerikaans schoolsysteem dat van de sport en de sportopleiding een doel en voor sommige grote sporten als american football en basketbal zelfs een economisch model heeft gemaakt. 

Cruciaal in die evolutie was de befaamde aanpassing aan de onderwijswetten uit 1972. Meer in het bijzonder Wet 9, Title IX is een begrip in de VS. Die bestond al maar werd herschreven om gendergelijkheid te bevorderen. Samengevat: voor elke dollar voor een mannelijke student moest een dollar in een vrouwelijke (topsport)student worden geïnvesteerd. Dat heeft enerzijds geleid tot een stijging in de uitstroom van vrouwelijke dokter, advocaten en andere universitairen.

Anderzijds was het gevolg dat voor elke dollar die in de mannensport ging, er ook een dollar in de vrouwensport moest worden geïnvesteerd. Geen groot sportland dat meer medailles wint met zijn vrouwen dan de VS. In Rio kwamen zes op de tien gouden medailles van vrouwen. In negentien van de zesentwintig Olympische Spelen waarin de VS mannen en vrouwen inzetten, presteerden de vrouwen beter dan de mannen.

Column 12 uit Tokio, ‘Een voorspelling’ in De Morgen van zaterdag 31 juli 2021

Een voorspelling

Ik had beloofd om geen diepgaande conclusies te trekken na deze Spelen van de 32ste olympiade en dat zal ik nu dus ook niet doen. Om twee redenen. De eerste: omdat dit heel aparte Spelen zijn. En de tweede: omdat de Spelen nog negen dagen duren. Niettemin is één zilver en één brons niet direct de intermediaire buit na zeven dagen competitie waarmee je het vooropgezette doel van tien medailles gaat halen. Er is niks mis mee om nu al voorzichtig te poneren dat we tevreden zullen mogen zijn als we er zes halen.

Even vooraf. Ik weet dat een deel van de fans thuis zit te genieten van deze Olympische Spelen en van al onze Belgische prestaties. Ik wil dat later deze week nog even analyseren, maar het lijkt mij niet dat daar echte wanprestaties bij waren. Iedereen heeft tot nog toe zijn stinkende best gedaan, maar ja, het liep niet altijd zoals gewenst en dat kan gebeuren.

Een iets fanatieker deel van de fans is al blij als onze jongens en meisjes de wedstrijd volmaken zonder ongelukken, of de overkant halen, of het einde van de wedstrijd zonder kleerscheuren. En dan heb je nog dat deel dat superblij is als onze jongens en meisjes ook de weg naar huis terug vinden. Wat ook de uitslag was, die staan met een fanfare klaar op Zaventem. Voor deze laatste twee categorieën is dit stukje niet bestemd.

We hebben tot op heden twee medailles. De mooiste viel al op de eerste dag en daarmee stonden we een tijdje bovenaan te blinken. Dat deed denken aan die eerste dag op de Spelen van Atlanta in 1996 toen Fred Deburghgraeve ’s ochtends een wereldrecord zwom en in de namiddag het goud won. Er vielen ook nog twee judomedailles dat eerste weekend. Enfin, we stonden toen heel even erg hoog in de medaillestand.

Wout van Aert bezorgde België meteen een eerste medaille. Dat had goud kunnen zijn, mits bijvoorbeeld Remco Evenepoel eerst was opgesoupeerd en Tiesj Benoot als laatste was behouden gebleven om Van Aert bij te staan, maar wie zal het zeggen dat dit wel had gewerkt? Juist, niemand, maar toch…

Het brons van judoka Matthias Casse had zilver of goud kunnen zijn, als hij niet tegen een Japanner had gemoeten. Die videocall was een duidelijk voorbeeld van thuisvoordeel. Casse is misschien niet echt bestolen, maar het had ook anders kunnen uitdraaien. Zijn enige troost is dat hij heeft verloren van de latere olympisch kampioen.

Overigens halen die Japanners hier behoorlijk uit en liggen ze op koers om hun dertig gouden medailles binnen te halen. Die 120 van de VS, die komen er niet, maar dat geldt voor zowat alle voorspellingen van Gracenote. Dat is een heel tof bedrijf dat gespecialiseerd is in het aanleveren van fantastische info op maat van organisatoren, maar uitslagen voorspellen – al helemaal van olympische sport – daar begin je beter niet aan.

En wij dan, welke ijzers hebben wij nog in het vuur? We staan nu in de medailletabel – laat het toch maar even inzinken – achter Mongolië. Maar laten we positief zijn en ons geestelijk welzijn niet te veel op de proef stellen. We hebben nog drie certitudes, één redelijke kans en enkele waterkansjes op medailles. Over de jumpingploeg ga ik niks zeggen. Ik hoor al sinds 1980 dat ze medailles gaan winnen en ik weet sinds 1992, toen wijlen Eric Wauters mij dat uitlegde, dat de Spelen de grootste pop-uppaardenmarkt van het jaar zijn, meer dan een sportevent.

De eerste redelijke kans op een medaille is Emma Plasschaert in haar laser radiaal. Ze hangt daar op die vijfde plek met nog de medaillerace met dubbele punten te gaan en ze heeft al gezegd dat ze er zal invliegen. Het zal een toprace zijn of het zal niets zijn. Zo willen we het horen. Goud zal niet meer lukken, het wordt brons of in het allerbeste geval zilver.

Dat gebeurt allemaal zondagochtend bij u en in de namiddag is het de beurt aan Nina Derwael. Als ze perfect turnt aan de brug, wint ze goud. Is het een ietsje minder, dan wordt het zilver. Is het meer dan een ietsje minder, brons. Valt ze van de brug, is het niks.

Ook een certitude zijn uiteraard de Red Lions. Die speelden gisteren hun laatste groepswedstrijd tegen Groot-Brittannië en moeten zondag in de kwartfinale tegen Spanje. Dat kan altijd misgaan, maar met deze gasten gaat het toch altijd net iets vaker goed.

Nafi Thiam idem. Tenzij ze alleen maar nulsprongen laat optekenen of haar aanvangshoogte niet klaart in het hoogspringen, of struikelt over de horden of zich pijn doet. Laten we vooral hopen dat dit allemaal niet gebeurt. In dat geval pakt ze een medaille. Gezien haar talent en de tegenstand is de kans groot dat het goud wordt.

Als het Belgian Olympic Team nu eens op drie keer goud zou kunnen uitkomen, dat zou pas mooi zijn. Dat zou beter zijn dan Atlanta en Rio, waar we twee keer goud wonnen op zes, en vooral: we doen dan beter dan Mongolië en San Marino.

Column 11 uit Tokio ‘Zilver met een gouden randje (nou ja)’ in De Morgen van vrijdag 30 juli 2021

Zilver met een gouden randje

“Zesde en negende in de tijdrit. Mag ik dit bestempelen als een afknapper van formaat?’ Ik had de tweet, een paar minuten nadat Wout van Aert woensdag over de streep was gebold, nog wel in een vraag verpakt, om alle opties open te laten, maar ik heb begrepen dat dit niet naar de zin was van velen op Twitter. Dat is dan jammer.

Ik heb misschien een slecht karakter en ben een azijnpisser en ik ken er hoogstwaarschijnlijk helemaal niets van, maar ik ben niet gek. Ik lees dus geen reacties. Ik ga dus ook niet weg van Twitter: te veel info, te veel interessante mensen. De anderen neem ik erbij.

Zou ik die tweet opnieuw sturen? Natuurlijk. Ik heb inmiddels via andere kanalen heel wat reacties gekregen, onder meer van collega’s die helemaal in het wielrennen zitten en ik heb een krant gelezen die van wielrennen zijn bezit maakt. De chef koers daar had het over ‘Ontgoochelingen moet je benoemen’ (titel), ‘de olympische tijdrit liep op een sisser af’ (streamer), ‘de wedstrijd die België twee medailles zou opleveren is op een desillusie uitgedraaid’ (inleiding) en dan moest nog de hele uitleg komen dat het – samengevat – toch een afknapper was geweest, die hele tijdrit.

Ik heb ook nog eens de voorbeschouwingen teruggehaald en nagelezen. Het gebeurt dat journalisten woorden van atleten verdraaien of extra in de verf zetten, maar ik heb toch echt wel een paar keer gelezen uit de mond van de renners dat ze voor een medaille gingen. Dat is dus niet gelukt, geen medaille, wel één olympisch diploma. Daarvoor doe je het niet. Overigens, wij krijgen dat diploma ook, maar we moeten het downloaden.

Wout van Aert heeft ook gereageerd op die tweet, met een heerlijk droge ‘Sorry Hans’. Dat wist de redactie te melden. Zo kennen we hem. Kan wel tegen een stootje, de Wout, kan ook een kritische vraag hebben en is niet te beroerd om tegengas te geven en een discussie aan te gaan. Weet het trollenleger dat ik deze man erg hoog heb zitten? Neen. Hoeven ze dat te weten. Neen.

Ook vader Remco Evenepoel mengde zich in de discussie. Dat hij trots was op zijn zoon dat hij negende was geworden. Ik zou ook trots zijn op mijn zoon als die negende zou worden, maar ook als die veertigste zou worden. Meer zelfs, ik ben ook trots op mijn zoon en die is niet op de Spelen maar in Heist. In het geval van die pa zou ik na vorig jaar vooral opgelucht zijn dat Remco heelhuids over die streep is geraakt en dat zeg ik zonder cynisme. Het beeld van de doodsangsten die de familie minutenlang heeft uitgestaan, zal mij altijd bijblijven.

Mijn tweet had te maken met de magere buit – één zilvertje – die de Belgen uiteindelijk overhouden na dat wegwielrennen en daarin had Remco Evenepoel wel een cruciale rol. Draai de film van de wegwedstrijd van vorige zaterdag even terug en herinner u hoe ze met twee in een kopgroep zaten. Waarom gaat Evenepoel daar aanvallen op vijftig kilometer? Waarom rijdt hij daarna op kop als een dolleman met zijn nemesis Vincenzo Nibali in zijn wiel? Was dat de opdracht? Dan was het een domme opdracht. Was dat niet de opdracht? Dan was het nog dommer.

Was Evenepoel bij Van Aert gebleven, en had hij zich gespaard om eventuele aanvallen te counteren, dan haalt hij misschien drie aanvallers terug. Nu moest Evenepoel na zijn chasse patate afhaken bij de eerstvolgende versnelling en was hij verder van geen nut meer.

Die drie die Evenpoel had teruggehaald, heeft Wout van Aert nu zelf moeten terughalen en nog een paar anderen ook. Gevolg: toen McNulty en Carapaz voorop kwamen, was het tijdelijk een beetje op bij Van Aert. Zelden heeft een renner meer in een wedstrijd geïnvesteerd en minder gekregen, dan Wout van Aert afgelopen zaterdag. En nog werd hij tweede.

Het kan best dat de tijdrit van woensdag daarom een race te veel was. Maar het zou ook zomaar kunnen dat die race van zaterdag Van Aert net iets te veel energie heeft gekost waardoor hij woensdag niet de wattages haalde die hij had moeten halen.

Samengevat: dit hebben ze met hun tweeën niet te best aangepakt. Dat zilver van Van Aert is er één met een gouden randje, maar je zal merken dat het gouden randje snel weg is en achteraf ook nergens in de boeken wordt vermeld. Om het met Nike te zeggen: je wint geen zilver, je verliest goud. Daarom zijn we journalist en geen supporter, om dat in alle rust en sereniteit te kunnen concluderen.

Column 10 in Tokio over Biles in De Morgen van donderdag 29 juli 2021

Topsport en comfort, dat gaat niet samen

Ik mag graag naar Dirk Van Esser luisteren als hij bij Sporza uitlegt hoe een oefening in elkaar steekt. Tkatsjov, Joertsjenko, of hoe die halsbrekende toeren ook heten, ik geraak er nooit wijs uit en daarvoor verlaat ik mij op Van Esser. Als hij zegt dat het goed is of dat er een paar tienden af moeten omdat een kleine teen een beetje uit de haak stond bij de landing, Van Esser is het baken.

Hier in het verre Tokio heb ik meegekregen dat Van Esser door de VRT op het matje zal worden geroepen omdat hij twijfels uitte bij de opgave van ‘La Biles’. Die had het moeilijk nadat ze op een sprong had gefaald en besloot er meteen de brui aan te geven. Bij ons in de krant reageerde de voorzitster van Jong CD&V Oost-Vlaanderen, Lies Geirnaert, met een brief aan Dirk Van Esser.

Waarom krijgt Dirk een brief en ik niet? Ik heb eerder dit jaar al de mentale breakdown van Naomi Osaka becommentarieerd. Ik wil ook een brief krijgen van een provinciale jongerenvoorzitster die niks kent van topsport maar toch een mening heeft over hoe commentaar moet worden gegeven.

Van Esser zou hebben aangegeven dat hij de reden – mentaal niet klaar – niet voldoende vond om zomaar je team in de steek te laten. Na veertig jaar professioneel te hebben gekeken naar topsport stel ik mij die vraag ook. Het spijt mij zeer voor alle (zelf)hulpgroepen en politici die van het mentale welzijn hun USP hebben gemaakt.

Hoe dat met Van Essers empathie zit weet ik niet, maar het zou mij niet verbazen dat hij net als ik moeite heeft met die plotse golf aan mentale breakdowns in de topsport én tegelijk toch begrip heeft voor gewone mensen die met een depressie of angststoornis kampen.

Topsport is geen veilig milieu, laat dat vooropstaan. Topsport en comfort, fysiek en mentaal, dat gaat niet samen. Topsport is nu eenmaal roofbouw op lijf en leden én niet het minst op alles wat tussen de oren zit. Simone Biles hééft afgezien, onder andere met die gruwel van een dokter die aan haar zat, iets wat ze uiteindelijk zelf bekend maakte. Ze is daar door een hel gegaan. De uitspraak “quitters never win and winners never quit” is ook niet op haar van toepassing. Biles’ sportieve verdienste kan niet worden overschat. Wel jammer dat we die dubbele gehoekte Joertsjenko, waarmee ze in mei en juni nog uitpakte in haar grondoefening, wellicht niet zullen zien. Damn.

Misschien is er een hele goede externe reden waarom Biles er hier in Tokio met haar hoofd niet bij is en ooit zullen we die dan kennen. Wie de mentale exit van Biles ineens als een soort pleidooi voor meer aandacht voor de geestelijke gezondheid in het algemeen wil aanwenden, vergist zich. Net zoals wie zich de vraag stelt of in de topsport dezelfde normen inzake het mentale welbevinden moeten gelden als in de gewone maatschappij. Het antwoord is neen.

Zijn de regels voor de topsporter dan verschillend van die van de gewone sterveling? Natuurlijk wel. In de eerste plaats omdat op alle vlakken totaal andere normen gelden. De eerste bedoeling van topsport is níét het welbevinden van de atleet, maar het oprekken van alles wat ook maar oprekbaar is aan lijf, fysiologie en geest. Mede daardoor is faalangst onlosmakelijk verbonden met presteren en juist dat maakt topsport mooi en fascinerend.

De discriminerende factor tussen de superkampioenen en de rest is juist die hele belangrijke mentale component. Mentaal afhaken is geen schande, dat kan gebeuren. In de topsport hadden we daar tot voor kort een werkwoord voor: choken. Sporters gaven dat zelf uit vrije wil aan: “I choked.”

Dit is geen pleidooi om mentale issues onder de mat te vegen, wel om als topsporter je demonen tegemoet te treden en er niet voor op de loop te gaan. Als iedereen die het in een spannende competitie mentaal lastig krijgt ineens besluit het spel niet meer mee te spelen, dan heb je geen competitie meer. Als iedereen die door een moeilijke fase gaat er de brui aan geeft, dan devalueert dat de prestatie van de tegenstander.

Roger Federer ging laatst op Wimbledon erger onderuit dan Simone Biles. Hij ging niet naar binnen, terwijl hij er wel uitzag alsof hij klaar was voor harakiri. Neen, hij bleef staan en kreeg een 0-6 door zijn strot geramd.

Column 9 uit Tokio ‘Leedvermaak’ in De Morgen van woensdag 28 juli 2021

Leedvermaak

De nachtjournalisten van NOS Langs de Lijn bellen mij af en toe. De vraag gisteren was of wij leedvermaak hebben met wat de Nederlanders hier overkomt. Als u niet mee bent: de Nederlanders hebben de prognoses van Gracenote – ergens in de veertig medailles – gelezen. Dat kan gebeuren. Ik heb die ook gelezen.

Erger is dat de Nederlanders zich daardoor blijkbaar gek hebben laten maken. Tot overmaat van ramp zijn ze die veertig plus ook beginnen geloven. We zijn nu in de vierde dag, dus nog driekwart Spelen te gaan en Nederland staat op drie keer zilver. Die moeten dus nog even aanpoten.

Leedvermaak? Ik? Hoezo? Ik heb mijn beste professionele jaren in Nederland doorgebracht en er een heerlijke tijd gehad. Nederland is het beste kleine of kleinste grote sportland van de wereld en daar verandert Tokio 2020 of 2021 niets aan. Ook niet dat ze in het hockey met elf niet konden winnen van de Belgen en dan maar met twaalf op het veld gingen staan. Ook niet dat ze dachten gewonnen te hebben in de vrouwenrace in het wielrennen, zelfs de armen in de lucht staken, maar slechts tweede waren. En plankgate, daar kan ik mij ook onmogelijk vrolijk in maken.

Evenmin om de talrijke Covid-positieven in de Nederlandse delegatie. Terwijl ik dit tik, meldt Reuters dat twee Nederlandse tennissers (m/v?) positief zouden hebben getest. Er wordt dan snel naar die ene KLM-vlucht gekeken, terwijl de oorzaak natuurlijk gewoon ligt in het gigantische aantal besmettingen in Nederland in de week van vertrek van de olympiërs. Als je donkerrood kleurt en je hebt geen boodschap aan beperkingen, dan kan dit gebeuren.

Opmerkelijk is het wel, wat Nederland nu (voorlopig) overkomt, zeker als je naar de Olympische Spelen afreist met hooggespannen verwachtingen, zoals er van uitgaan dat je alle drie de medailles bij het vrouwenwielrennen eventjes zal winnen, om dan één keer zilver te scoren. Gracenote had ook Epke Zonderland op zilver gezet terwijl ik van de Nederlandse fotograaf in mijn hotel had gehoord dat hij bij de training keer op keer van die rekstok was ‘gepleurd’.

Het werd niets, maar Epke blijft wel een kanjer, een topper die meer dan een steen in zijn sport heeft verlegd. Dat geldt ook voor Mathieu van der Poel, hoewel die nog even zal moeten wachten op zijn olympische triomf. Ik begreep dat er op de sociale media wel wat leedvermaak was over wat hem is overkomen. Wie zijn nek uitsteekt, wie boven het maaiveld uitkomt, riskeert dat de goegemeente zijn kop er af wil. Dat is diep treurig, maar het is niet anders. Niet te veel tijd aan besteden.

De vraag is natuurlijk: wat is hem overkomen? Het plankje was weg. Ineens. En dat wist hij niet. Dat is de uitleg van Mathieu van der Poel. Vader Adrie zei in Het Nieuwsblad dat hij Mathieu nooit op een leugen had betrapt. De andere Nederlandse mountainbiker Milan Vader, die keurig op kop reed in de eerste ronde, die had een heel ander verhaal. We hebben het er nog over gehad bij de lunch, zei Vader, dat het plankje weg zou zijn.

Bondscoach Gerben de Knegt zei ook eerst dat hij wel honderd keer had herhaald dat het plankje er niet zou liggen. Daarna is er iets gebeurd, of hebben ze wat overleg gepleegd, want ineens luidde het bij De Knegt dat hij misschien ook een fout had gemaakt.

Ik beweer niet dat ik weet wat Mathieu van der Poel is overkomen, ik verblijf op honderd kilometer van waar ze moesten rijden. Ik heb ook geen contact gehad, of erg summier, met de entourage, maar laat mij eens wild gokken.

Ten eerste die sprong: Sven Nys had iets over niet rijden met een dropper (waarmee het zadel omhoog en omlaag kan), dat dit een risico inhield. Kan zijn. Maar lag het wel aan dat plankje? Die sprong moet maar eens worden ontleed door de kenners. Van der Poel zou toch beter in de aanloop naar Parijs meer mountainbikewedstrijden rijden. Ook daar zal hij een parcours op zijn maat vinden met niet al te steile en lange klimmen. Of er plankjes zullen liggen – en of die worden weggenomen – dat moeten ze dan vooraf eens vragen.

Tweede mogelijkheid. Het is wel degelijk aan Mathieu gezegd, dat het plankje er niet zou liggen (bij de vrouwen bleef het overigens wel liggen), maar het is niet bij hem doorgedrongen. Bij Van der Poel is het toch (al te) vaak het ene oor in, het andere oor uit. Dat is de nonchalance van het supertalent, dat denkt dat hij alles beter weet en doet alsof hij luistert. Nonchalance is een fenomeen dat vanzelf overgaat van zodra het ego er genoeg van heeft om domweg te verliezen.

Column 8 uit Tokio ‘Straatsporten’ in De Morgen van maandag 26 juli 2021

Straatsporten

In 1994 was ik op de Goodwill Games in Sint-Petersburg. Dat onding bestaat gelukkig niet meer. Het was ontsproten aan het brein van Ted Turner toen die nog met Jane Fonda was – onduidelijk of dat er iets mee te maken heeft. Het was een mix tussen een festival, een promostunt en een poging om de vredesduif uit te hangen. West en Oost moesten verbroederen.

Ik daarheen op kosten van de baas, ook al omdat het een ideale plek was om voorverhalen voor de aankomende Olympische Spelen op te halen. Carl Lewis was daar bijvoorbeeld en die kon je dan een dag volgen als je een beetje volhardend was. Ja, jongere collegaatjes, toen kon dat allemaal nog wel.

Ook interessant was een nieuwigheid die twee jaar later op de Olympische Spelen haar debuut zou maken: beachvolleybal. Ook daar moesten we heen natuurlijk. Daar zat ik dan, op een bijeengeharkt strand aan de rand van de Neva. Naast mij zaten David Miller van The Times of London en John Rodda van The Guardian, allebei onder een grote hoed.

“My dear young colleague,” vroeg Miller plots, “what do you really think of this, euh, what we are watching here?” Ik had hem gezegd dat ik een ex- volleyballer was, dus hij wilde mijn mening. Ik aarzelde een beetje, en Rodda nam het over: “What we are seeing here, dear fellow, is fun to watch, but not everything that is fun to watch should be on the Olympics.” En toen zei hij iets over twee vrijende vrouwen in het zand, ook leuk om naar te kijken, maar geen sport. Omdat ik dat nooit uit zijn distinguished mouth had verwacht, is mij dat altijd bij gebleven.

Die anekdote schoot mij dit weekend ineens weer te binnen toen ik op zaterdagavond bij het 3×3 – spreek uit three-ex-three – zat en een dag later bij het skateboarden. Dat basketbal van drie tegen drie is plezant om naar te kijken. Geen dode momenten, geen vleesbomen onder de ring zoals je die weleens in het echte basketbal hebt, een en al intensiteit, jammer dat er geen publiek zat. De wedstrijd die de Belgen wonnen met 20-21 van medaillefavoriet Letland (daarna verloren ze domweg van de Japanners) was super exciting, aldus de openbare omroeper.

Hij had gelijk. Maar, om het met Rodda te zeggen: niet alles wat spannend is of intens of plezant om naar te kijken, of alles tegelijk, hoort op de Spelen thuis. Ter verschoning moet ik er wel bij vertellen dat deze vorm van basketbal zijn plaats heeft als trainingsvorm. Net zoals je van beachvolleybal beter leert bewegen en verdedigen, en je conditie erop vooruitgaat, geldt dat ook voor 3×3 basketbal. En onze Belgen, dat moet je hen toegeven, zijn atleten, hoewel er – godbetert – een notaris tussen zit.

Een vraag die elke nieuwe sport zich moet stellen, is of ze kan putten uit het best mogelijk arsenaal aan talent. In dit geval – weer een parallel met beachvolleybal – is het antwoord neen. Laat Kyrie Irving een beetje oefenen samen met een paar homies uit die kooi aan West 4th Street in Manhattan of laat Giannis Antetokounmpo of LeBron James naar de ring gaan na een screen en je hebt een totaal andere sport.

De skills die vereist zijn voor 3×3 zijn dezelfde als die voor vijf tegen vijf, de tactiek is simpeler: screen na screen, pick and roll na pick and pop, and that’s it. Maar verdedigen en lopen kunnen ze.

Eindoordeel: net als met beachvolleybal blijf ik in dubio. Na gisteren hebben de Belgen twee van de eerste vier wedstrijden gewonnen. Ik ga later nog weleens kijken als ze voor een plek in de halve finales battelen.

En dan dat skateboarden, tja. Wat moet je met een sport die geen sport wil worden genoemd maar een lifestyle? Met sporters die skaters heten en met AirPods Pro hun ding doen? Of met Manny Santiago uit Puerto Rico? De man heeft blauw haar, een ontbrekende voortand, baggy pants, tatoeages van boven tot onder, en ziet er eerder uit alsof je bij hem wapens, crack en coke kunt kopen dan als een sporter. Dat die Japan is binnen geraakt, is een olympisch wonder. Hij knalde tot mijn grote opluchting bij zijn twee runs en zijn vijf tricks telkens tegen het beton en eindigde voorlaatste.

Onze Axel Cruysberghs had na zijn twee runs nog uitzicht op een plaats bij de laatste acht, maar dan moest hij zijn tricks uitzonderlijk goed landen. Neen dus. Uitslag: dertiende, niet slecht voor wie 23ste staat op de wereldranking.

Eindoordeel: skateboarden is spectaculair om te zien, het is ook bijzonder moeilijk om na te doen (niet proberen), maar dit geldt ook voor de meeste tricks die ze in een circus doen en circus is vooralsnog niet olympisch. Wel leuk: de Amerikanen gingen dat winnen en ze kregen een bronsje. Minder leuk: het was een Japanner die won.

Verhaal over Nina Derwael in Tokio in De Morgen van zaterdag 24 juli 2021

Ga even zitten voor de oefening van de eeuw

Europees kampioen, wereldkampioen… olympisch kampioen? Ze is amper 21 jaar en staat volgende week voor de zwaarste opdracht in haar jonge leven. Een geprikkelde Nina Derwael en haar getergde coaches zullen alleen met goud tevreden zijn.

Twee Belgische olympiërs hebben tot nog toe de gouden trilogie volbracht. Zwemmer Fred Deburghgraeve was de eerste, toen hij in Perth in januari 1998 wereldkampioen werd op de 100 meter schoolslag, na eerst Europees (1995 Wenen) en olympisch goud (Atlanta 1996) te hebben gewonnen.

Hij werd nageaapt, zij het dan in omgekeerde volgorde, door Nafi Thiam toen die na haar verrassende olympische titel in Rio in 2016 een jaar later ook wereldkampioene werd en nog een jaar later de Europese titel pakte. En daarmee stopt het lijstje van Belgen die in olympische sporten bovenaan op de drie grote podia hebben gestaan.

Nina Derwael kan de derde in dat selecte clubje worden en met olympisch goud in Tokio misschien over de hoofden van de twee anderen springen. Ze is dubbel Europees (2017, 2018) en dubbel wereldkampioene (2018, 2019), al hoort daar een asteriskje bij: gymnastiek is een van die sporten die elk jaar grote kampioenschappen organiseren. Deburghgraeve heeft dan weer een streepje voor omdat hij eerst een Europees en later een wereldrecord vestigde. Nafi Thiam kan op haar beurt als eerste vrouw ooit een olympische titel in de zevenkamp verlengen.

Bij het bezoek vorig weekend van de Belgische media aan het trainingsoord in Mito, 120 kilometer ten noordoosten van Tokio, kwam die historische afspraak in de babbels met Nina Derwael alvast niet aan bod. Het werd een potje smalltalk, over Japans dat ze hadden geleerd, samen met de straatbasketballers op de bus, en dat het helemaal geen gevangenis was. Ze was blij te vernemen dat in de lege zaal toch toeschouwers te horen zullen zijn.

Nina Derwael is een gymnaste en die staan doorgaans bekend om een wereldbeeld dat begint bij de mat en ophoudt bij de balk. Niet Derwael. Al bij een eerste gesprek met deze krant in mei 2015, buiten op een bankje in de zon op het terras van de Topsportschool, vertelde ze honderduit over haar passie voor sport. Derwael: “Zelf weet ik het niet meer, maar mijn mama heeft het vaak genoeg gezegd dat ik als kleuter naar de artistieke gymnastiek op de Olympische Spelen op tv keek en zei: dat wil ik ook, ik wil ook naar de Olympische Spelen. Het zal wel kloppen dat ik dat al heel vroeg wilde.”

Omdat ze zich de laatste tijd niet vaak uitgebreid liet interviewen, peilden journalisten in recente verhalen vaak bij anderen naar de roots van Derwael. Zo kwamen ze ook bij haar kleuterjuffrouw terecht. Die herinnert zich Nina nog als een bazinnetje in de klas: “Altijd weer zorgen voor anderen, altijd weer de regelaar van de klas. Ruzies werden door haar beslecht.”

Zo ook op de Topsportschool, waar ze al snel de leading lady in het internaat aan de Gentse Blaarmeersen werd. De ‘kleintjes’ – amper een paar jaar jonger – kregen een bemoedigende opmerking en een collega-turner die bij het voetballen zijn voet had verstuikt, kreeg een vermaning.

“Ze kijken een beetje naar mij op”, zei ze verontschuldigend. Tegen het einde van het gesprek vroeg ik of ze wist dat ze internationaal en ook hier in België speculeerden dat zij wel eens de eerste Belgische gymnaste zou kunnen worden die een medaille zou winnen op een groot toernooi? “Nina Derwael kan the next best thing worden aan de uneven bars”, had een Amerikaanse gymsite die haar als junior aan het werk had gezien in 2014 al voorspeld.

Voor het eerst stopte haar geratel, want babbelen kan ze als geen ander. “Euh… Wordt dat gezegd? Euh ja, dat zou mooi zijn.” Ze was zestien, het was 2015 en niemand die Nina Derwael toen kende, tenzij gyminsiders die haar hadden getipt. En die ene Amerikaanse site.

Gouden Emilie

Exact een maand eerder had ik haar op een training een hele dag in actie gezien. Ze waren begonnen om 8 uur, na een opwarming die een doorsneesporter op de spoedopname doet belanden. Om 11 uur waren ze gestopt. In de namiddag was er een interne wedstrijd om uit te maken wie mee mocht naar het olympisch kwalificatietoernooi en daarom was het maar een lichte training, had hoofdcoach Yves Kieffer gezegd. De reputatie was deze Fransman vooruitgesneld: hij kon een slavendrijver zijn, maar hij zou onze nieuwe trots – het gymmodel – voor Rio klaarstomen.

Jazeker, af en toe gaf hij een schreeuw, die ene met faalangst op het paard sprak hij zelfs hard toe – later zou die gymnaste in belastende getuigenissen opduiken. Maar dit is nu eenmaal de hardste onder de sporten, artistieke gymnastiek: vanaf zestien jaar dertig uur training per week en maar één weekend op twee naar huis.

Yves Kieffer wist het toen al. “Nina Derwael a le potentiel d’Emilie.” Emilie was Emilie Le Pennec, namens Frankrijk gouden medaille op dezelfde brug met ongelijke leggers op de Spelen in Athene in 2004. Haar coach lachte het ongeloof weg. “Stop met de Vlaming uit te hangen. Waarom zouden meisjes van hier geen medailles kunnen winnen?”

Op de Olympische Spelen in Rio was het nog te vroeg. Derwael had haar olympisch kwalificatietoernooi in extremis zelfs gemist door een handblessure en niemand wint een medaille op het eerste mondiale gymtoernooi als senior, maar haar negentiende plaats in de allroundfinale werd onthaald als veelbelovend. Een toestelfinale haalde ze niet, in het licht van wat ze daarna presteerde op de brug is dat nu ondenkbaar.

Rio was een leerschool en er was die ene foto na haar laatste oefening die alles zegde: ze had net de beste Belgische prestatie ooit neergezet op de Spelen, maar trok een sip gezicht. Dit had beter gekund, wist ze, en ook de coaches waren niet blij en vonden dat er meer had ingezeten.

Wat goed is, komt snel en dat is wat Derwael op het WK van 2017 toonde. Van negentiende allround ging ze naar de achtste plaats en van de twaalfde op de brug naar de derde. België stond op zijn kop. De sportwoestijn aan de Noordzee had een mondiale medaille in gymnastiek behaald, de zwaarste van alle vrouwensporten. Dat was ongezien. De laatste Belgische medaille op mondiaal niveau viel bij de Spelen van Antwerpen in 1920, toen een team van 24 mannen zilver en brons won.

Nina Derwael was op het punt beland dat ze de lat moest leggen waar de prijzen lagen. Aan de Blaarmeersen stelden ze zich voortaan maar één vraag, de gymnaste zelf ook: wat is nodig om goud te halen? De vraag werd met brio beantwoord.

In 2017 werd ze Europees kampioene en derde van de wereld. Het traject was uitgezet: speciaal voor het WK in 2018 hadden zij en haar trainers de moeilijkheidsgraad zwaar opgekrikt. Na vrijdag 2 november 2018 en het WK-goud van Derwael schenen volle schijnwerpers op de gymfabriek aan de Gentse Watersportbaan. Vier jaar na die Amerikaanse voorspelling werd de jonge vrouw uit Sint-Truiden de beste van de wereld op het meest tot de verbeelding sprekende turntoestel.

Tussen 2017 en 2019 domineerde ze haar sport zoals nooit eerder een Belgische sportvrouw een meer mondiale sport heeft gedomineerd. Nina Derwael deed het op de mythische brug met ongelijke leggers. Op het wereldkampioenschap in Doha in 2018 verpletterde de Limburgse haar tegenstanders. Na Justine Henin, Tia Hellebaut en Nafi Thiam had dit land een nieuwe sportkoningin die de wereld ons benijdde. In 2019 deed ze dat kunstje over op het WK in Stuttgart en Derwael werd daarmee Belgiës grootste kans op goud voor de Spelen van Tokio in 2020.

Donkergroen

Nina Derwael is wat Amerikanen een next level-atleet noemen: geef haar een nieuwe uitdaging en ze traint tot ze het volgende niveau haalt. Plafonneren staat niet in haar woordenboek, hooguit zal ze even blijven op het level dat ze haar eigen heeft gemaakt om vervolgens weer hoger te mikken. Dat heeft ze tussen 2016 en 2019 elk kampioenschap gedaan: jaar na jaar, toernooi na toernooi turnde ze beter, moeilijker, mooier. In Tokio moet ze dat nog eens overdoen, want de concurrentie is een jaar ouder en sterker geworden.

Opvallend toch dat Nina Derwael bij de talentidentificatie één onvoldoende had gekregen: ze was te lang voor gymnastiek. Donkergroen (supergoed), groen (goed) of rood (niet goed), dat zijn de kleurtjes voor de talentidentificatieprofielen. De elfjarige Nina Derwael scoorde op alles donkergroen, maar kreeg rood voor haar lengte. In China was ze naar de circusschool gestuurd, maar in het kleine Vlaanderen verkozen zowel de Gymfed als de UGent ‘het oog van de meester’ boven de richttabellen: ze kreeg donkergroen, advies om haar in het topsportmodel mee op te nemen.

Het pleit voor haar trainers dat ze van haar lengte, haar ‘nadeel’, een voordeel hebben gemaakt. Zoals ze met haar hele 1m68 als een libel door het zwerk zwiert, is ze de gratie zelve. Simone Biles en de rest van de wereld konden alleen maar in bewondering toekijken. Omgekeerd kijkt Derwael ook in bewondering naar Biles, die op deze Spelen de show zal stelen.

Derwael werd het uithangbord van de Gymfed, de turnbond zeg maar. Die was lange tijd een voorbeeldbond die veel topsportgeld kreeg van Sport Vlaanderen, maar ook zelf met succes achter geld aanging. Met dat geld haalden ze in 2008 een in eigen land halvelings uitgerangeerd Frans trainersechtpaar naar België: Marjorie Heuls en Yves Kieffer zijn de onmiskenbare architecten, de adoptieouders van dit succes. Af en toe gaven die een gil: on en a marre, we zijn het beu, we worden tegengewerkt. Zoals goede trainers betaamt, waren ze nooit content en af en toe was hun ongenoegen terecht.

Ze waren gelukkig in Gent, hun kinderen gingen er al meer dan tien jaar naar school en spraken even goed Nederlands als Frans. Kortom, niets liet uitschijnen dat in 2020 de hemel op hun hoofd zou vallen. Waar in een olympisch jaar alle energie moet gaan naar trainen in functie van de Spelen, die eerst wel en dan niet zouden doorgaan, kwamen daar plots eindeloze vergaderingen en sessies crisiscommunicatie bij. Een tsunami was komen binnenrollen: getuigenissen over al of niet vermeende verbale agressie tegen gymnastes die ooit onder Kieffer, Heuls en hun acolieten hadden getraind en door hen keihard waren afgeserveerd.

De uitkomst is bekend: er kwam een rapport dat de verbale agressie bevestigde, maar ook kaderde. Na lang aandringen hebben Kieffer en Heuls zich – ferm tegen hun goesting – geëxcuseerd tegenover al wie ze ongewild onheus zouden hebben bejegend. Daarmee is de kous natuurlijk niet af. Het koppel voelt zich onheus bejegend, het team is door elkaar geschud, elke dag in 2020 en tot een stuk in 2021.

Een brief vanuit de olympische selectie – opgesteld door Maellyse Brassart, de enige Franstalige in de groep – nam even de druk van de ketel. Ook Derwael nam het vierkant op voor haar coaches, waarna zij en haar moeder door de klagers werden weggezet als egoïsten die alleen maar aan de eigen glorie dachten. De wonden in de Belgische gymwereld zijn diep.

Groter risico op fouten

Als voor jonge atleten geldt dat het uitstel van Tokyo 2020 naar Tokyo 2020NE een goede zaak is, dan is Derwael een twijfelgeval. Haar voorbereiding is verstoord, zoveel is duidelijk. Bovendien is de jonge concurrentie sterker geworden. De Amerikaanse Sunisa Lee mag met een kanjer van een routine worden verwacht, hetzelfde voor enkele jonge Russinnen en voor de Chinese Fan Yilin.

Waar Derwael op eerdere WK’s won als ze niet van de brug viel, zal het er nu, met concurrentes die met even moeilijke of moeilijker oefeningen voor de dag komen, op aankomen de perfecte uitvoering neer te zetten. Inmiddels is haar oefening voor deze Spelen nog steeds onzeker en is het niet duidelijk of die onzekerheid gespeeld dan wel echt is.

Derwael werd in 2019 wereldkampioene met een oefening met moeilijkheidsgraad (D-score) 6,5, maar trainde ondertussen op 6,7. Heel even was er zelfs sprake van 6,9. Doordat een gescheurd voetkussentje haar dit jaar van het EK weghield, weet niemand welke richting het uitgaat. Een laatste test was geen meevaller, maar zelf zei ze op het juiste traject te zitten.

De ervaring van Kieffer en Heuls kan een cruciale rol spelen. De tegenstand weet niet waar Derwael mee bezig is en probeert steeds moeilijker elementen toe te voegen om haar te overvleugelen. Dat houdt een risico op fouten in. De brug is een oefening in het uitdagen van fysica, meer in het bijzonder de middelpuntvliedende krachten, en al te vaak eindigt veel risico in veel fouten. Bij die D- score wordt ook een uitvoeringsscore geteld en die kan de perfecte 10 opleveren, in de praktijk minder dan 10 door aftrek van foutjes. Samen is dat de E-score.

Volgens een insider zou Derwael haar bekende oefening nog hebben geperfectioneerd en het veelbesproken ene nieuwe element dat ze eerst had toegevoegd niet turnen omdat het te weinig opbrengt in de puntentelling. Wel zou ze hebben gewerkt aan een moeilijkere afsprong die meer punten oplevert en haar dichter bij de tien brengt. Niks van haar oefening of training van het laatste jaar is online te vinden. Een bewuste keuze?

Derwael: “Jawel, de anderen moeten niet weten waar ik mee bezig ben. Laat hen maar filmpjes posten. Ik leer daar veel uit. Zoals wat? Dat het best een pittig toernooi zal worden in Tokio.”

Teamfinale

Niet zeker of ze dat zelf ten volle beseft, maar alleen een complete olympische triomf kan de druk van de gymketel halen. Goud voor Nina Derwael zou het gelijk van haar trainers bewijzen: dat bij elk gymsucces ook nevenschade optreedt. Het zou ook haar eigen gelijk bewijzen: dat je een jonge vrouw kunt zijn, samenwonend met een lief, en niet noodzakelijk een kindvrouwtje om een prijs te winnen. Ten slotte zou het misschien ook een opsteker kunnen zijn voor al wie Covid-19 heeft gehad. Derwael kreeg er in december ook mee te maken, een geschenk van haar voetballer-vriend.

Haar eerste optreden is dit weekend, samen met de drie andere vrouwen van het gymteam, de meest getalenteerde selectie ooit. Zij gaan voor een plaats in de teamfinale met acht landen, wat voor een klein land als België een regelrechte sensatie zou betekenen. Nina Derwael, Maellyse Brassart, Jutta Verkest en Lisa Vaelen beginnen zondag om 13.20 uur Belgische tijd aan hun kwalificatieronde in subdivisie 5. Uit die kwalificatie zullen we al wijzer worden wat de kansen van Derwael betreft. Dezelfde kwalificatie telt ook om de finales van de allroundcompetitie en de individuele toestellen te halen.

Column 7 uit Tokio: De Vlaggendrager in De Morgen van zaterdag 24 juli 2021

De vlaggendrager

Ik was gisteren niet bij de openingsceremonie. Ik had een ticket aangeboden gekregen via via, met olympisch vipvervoer, en ik had ook een ticket kunnen krijgen via onze onvolprezen persattaché Frank Van Roost. Toch maar liever niet. Ik weet wat het kost aan energie om daar uren van tevoren te arriveren en nog eens uren te moeten zitten kijken naar een show waar je de helft van mist omdat die geconcipieerd is voor het televisiepubliek.

Helemaal nu geen publiek in het stadion zit. Het is mij daarom ook een raadsel waarom ze gisteren om 14 uur al begonnen te waarschuwen dat wie naar de opening wilde zeker niet te laat mocht vertrekken. Toen ik om 15 uur de taxi terug naar het hotel nam, meesurfend op de gratis voucher van mijn aardige Franse collega van Sud-Ouest, zag ik al Belgische collega’s die onderweg waren.

Ik ken hun programma niet, maar voor mij staat vandaag om 10 uur alweer een zwarte Toyota-limousine met chauffeur met witte handschoentjes mij op te wachten om mij naar het hockey te brengen voor meteen de clash van de Red Lions tegen de Nederlanders. Ik probeer er de eerste dag op de Olympische Spelen altijd meteen in te vliegen, kwestie van in het ritme te geraken.

In Peking was mijn eerste wedstrijd beachvolleybal voor vrouwen, waarin de niet al te fit ogende Belgische vrouwen werden afgedroogd en ik zat te smelten (van de zon) op de perstribune. Dat hadden we dan ook weer gehad. We hebben deze editie geen beachvolleybalspeelsters, nog een geluk, want als ik daar vandaag zou over schrijven zoals in 2008 word ik stante pede naar huis gesommeerd en geschandpaald.

Die openingsceremonie. Het gedoe begon gisteren om 20 uur (13 uur bij u) en ging aan één stuk door tot halftwaalf. Stel je voor dat je daarna nog naar het hotel moet. Dat mag niet met de gewone taxi, ah neen, want we zijn hier nog geen veertien dagen. Ook niet met de metro, om dezelfde reden.

Dat moet met de persbus, maar er zijn maar zoveel bussen en dus riskeer je daar uren te moeten staan wachten tot een bus je naar de centrale verzamelplaats brengt, waarna je nog met een andere bus naar je hotel moet. Als we nu één ding zeker weten na tien dagen Tokio, dan wel dat de Japanners die hier het bussysteem coördineren nooit bij Japan Rail hebben gewerkt. De treinen rijden in dit land misschien op de seconde, maar voor ons busvervoer mogen we blij zijn dat het zich aandient binnen het aangekondigde uur.

Op Atlanta na heb ik alle openingsceremonies meegemaakt. In Barcelona in 1992 liep ik zelfs mee in de parade, in zo’n gekleurd jasje van het Belgian Olympic Team. De uren daarvoor hadden we doorgebracht in de hal boven op Montjuich. De volgende dag kon ik – jonge getrainde dertiger – niet meer op mijn benen staan van eerst dat zitten, dan dat stappen en vervolgens nog een hele tijd rechtstaan op dat veld.

Daarom verbaast het mij dat een van de Belgische vlaggendragers gisterenavond Félix Denayer was. Dat is de kapitein van de Belgische hockeyploeg die geen tien uur na zijn vlaggendragerschap in actie moest komen tegen Nederland. Dat is ongezien, ongewoon en, eerlijk gezegd, redelijk ongehoord. Al helemaal als je de argumentatie hoort. “Met Nafi en Félix hebben we een man en een vrouw die de vlag zullen binnendragen, Nafi uit de Franstalige en Félix uit de Nederlandstalige gemeenschap, die zo allebei vertegenwoordigd zijn. Het symboliseert de diversiteit in ons land.”

Nafi Thiam, oké, tot daaraan toe. Die heeft nog tien dagen voor ze moet optreden. Maar Denayer, de kapitein van de ploeg die voor goud gaat, hallo? In een reactie luidde het dat het “maar om een poulewedstrijd gaat” en “dat je kunt wisselen in een teamsport”. Helemaal mee eens, maar op een toernooi in superhete en zware omstandigheden is energiebesparing cruciaal.

Maar een poulewedstrijd? Als je die wint en je kunt eerste worden, kies je wel meteen voor de meest directe weg naar een medaille. Gisteren heb ik voor alle zekerheid nog eens de vraag opgeworpen bij een gesteld lichaam van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité. Die gaf toe dat het ongewoon was, maar de voordelen wogen op tegen de nadelen. De nadelen kende ik, dus vroeg ik naar de voordelen. Antwoord: “De eer, de trots.”

Het is niet te hopen dat ze vandaag rond zes uur in de Belgische ochtend op hun donder hebben gekregen, maar als het toch is gebeurd en Denayer bakte er toevallig niks van, dan is die trots van heel korte duur gebleken. En als het niet is gebeurd en ze hebben gewonnen, dan nog was het belachelijk en topsportonwaardig.

(ZE HEBEBN DIE WEDSTRIJD GEWONNEN. IK WIST NIET DAT ZE ZOVEEL CONDITIE OP OVERSCHOT HADDEN, WONDERBAARLIJK)