De juiste sport voor elk kind in De Morgen van 17 nov 2015

Oriënteer kinderen naar de juiste sport en ze zullen blijven sporten en beter sporten. Adviseer kinderen in hun bewegingsontwikkeling en je krijgt een gezondere bevolking, minder drop-outs en op termijn meer toppers. Er is geen goede reden om het ‘Vlaams Sportkompas’ niet op grote schaal toe te passen.

De directeurs van een groep basisscholen die voor het eerst met het Vlaams Sportkompas werden geconfronteerd, waren geen voorstander, maar ze hadden ook maar met een half oor geluisterd. “Dus, professor, u wilt de kinderen nog een labeltje meer opplakken? Zo van: jij bent een goed voetballertje in spe?”

Matthieu Lenoir, professor aan de vakgroep bewegingswetenschappen van de UGent is weleens moedeloos geworden van de ongefundeerde kritiek. Dat ze de DDR wilden kopiëren en zo. “Dat willen we helemaal niet”, legt hij uit. “We geven geen punten zoals kind X scoort 97 op 100 voor voetbal. Maar we willen wel kinderen al in de lagere school een advies geven: als je gaat sporten, dan denken wij dat dit de beste sporten zijn voor jou. Sporten, in het meervoud, want wij zijn in de meeste gevallen ook tegen een te vroege specialisatie. En we houden in het hele proces van talentidentificatie ook nog eens terdege rekening met wat ze graag doen.”

Vandaag wordt aan de UGent over het Sportkompas een achtste doctoraat in de vakgroep sport- en bewegingswetenschappen verdedigd door Johan Pion, een licentiaat LO van 58, gepokt en gemazeld in de gymnastiek, die ooit het Bloso verliet om onderzoeker te worden.

Oriëntatie, geen selectie

Onder de leiding van professor Lenoir heeft Pion zowat zijn levenswerk gemaakt van het Vlaams Sportkompas. Zijn doctoraat heet The Flemish Sports Compass, From sports orientation to elite performance prediction. In een wetenschappelijk artikel over de talentdetectie met het oog op de olympische aspiraties van Hamburg 2024 en wat de Duitse sport moet doen om er opnieuw bovenop te komen, wordt alvast herhaaldelijk verwezen naar het Vlaams Sportkompas.

Hoe werkt dat kompas? Johan Pion: “Ideaal worden zoveel mogelijk kinderen van het vierde leerjaar getest op hun bewegingsvaardigheden via een batterij van zestien tests. Testen mag het probleem niet zijn in ons overzichtelijke landje (regio), want er zitten 40.000 kinderen over heel Vlaanderen in een vierde leerjaar en die hebben allemaal een leraar lichamelijke opvoeding. Die resultaten worden in databases ondergebracht en vergeleken met de gewenste eigenschappen voor de verschillende sporten. Maar tegelijk wordt aan die kinderen door middel van een interactieve app ook gevraagd wat ze graag doen. Gooi je graag met een bal? Loop je graag hard? Of loop je liever lang? Of speel je liever met anderen samen? Wat je graag doet, kun je ook goed en wat je goed kunt, doe je ook liever en zul je langer volhouden.”

Dé verdienste in dat Sportkompas ligt in het advies op jonge leeftijd. “Het is een beweegadvies, voor iedereen. Volledig vrijblijvend, net zoals het advies inzake studierichtingen ook vrijblijvend is. Als wij van een kind denken dat balsporten beter aanleunt bij wat het kan en wil, maar dat kind gaat zwemmen omdat het zwembad om de hoek is, dan is dat ook goed. Als het maar sport. Alleen is de kans groot dat het kind snel afhaakt, omdat het niet plezant is om altijd de laatste te zijn.

“Wij selecteren niet, want dat staat gelijk met de-selecteren. Je haalt er vijftig uit van de honderd en naar de andere vijftig kijk je niet meer om. Wij willen oriënteren. Er zal dus niet iemand in Brussel of Gent zitten die afgaande op de testresultaten kinderen verplicht om die sport wel en die sport niet te doen, maar ouders en kinderen hebben soms hulp nodig bij die keuze en die kunnen wij bieden met het Sportkompas.”

(Top)sportcultuur

België, en meer specifiek ook het verstedelijkte Vlaanderen, is een sport- en bewegingswoestijn. Dat mag misschien niet zo opvallen als u op zondag in uw bos uw loopje afwerkt en merkt hoe met de jaren steeds meer wordt gesport, maar dat zijn lategeneratiesporters. Als de nood hoog is, wordt sport het ultieme redmiddel om de degradatie van het lijf een halt toe te roepen. Soms is het dan al te laat, soms wordt het ook nog eens heel fanatiek.

Vlaanderen is ook nog eens een topsportwoestijn, met veel middelen voor een kleine populatie talent en te weinig rendement. Bijgevolg: wij hebben geen sportcultuur en dus ook geen topsportcultuur.

Het Sportkompas zou een eerste aanzet kunnen zijn om aan een bewegings- en sportcultuur te werken, want het is een goedkoop
mes dat aan twee kanten snijdt. Enerzijds krijg je kinderen die in de sport die bij hen past minder snel zullen afhaken en langer zullen sporten, wat de gezondheid van de bevolking alleen maar ten goede komt. Anderzijds zul je ook kinderen beter oriënteren, waardoor vroeg of laat talent in de juiste omgeving terechtkomt. Iedereen kent jonge voetballertjes die op geen bal kunnen trappen, maar door de ouders naar het voetbal worden gesleurd, terwijl ze misschien de fenomenale uithouding hebben van een halvefondloper. Omgekeerd liggen kinderen in het water van de zwemclub zonder ook maar het minste watergevoel door een verkeerd zwaartepunt, terwijl ze misschien heel wat beter geschikt zouden zijn voor andere sporten.

We hebben in Vlaanderen een traditie van meten en daar moeten we met het Sportkompas op verder bouwen, meent Johan Pion. “Wij willen de leerlingen testen via een ‘I DO-module’ – dat doe jij goed – en bovendien bevragen via een ‘I LIKE-module’ – wat wil je zelf graag? Daarnaast hebben we de ‘I NEED-module’, waarbij we in kaart hebben gebracht naar welke specifieke eigenschappen elke sport op zoek is.

Waarmee we bij het tweesnijdende mes zijn aanbeland. Trainers van de natte vinger zullen het niet graag horen, maar talentoriëntatie, -detectie en -predictie werkt wel degelijk, ook in de topsport. Vanaf een bepaalde leeftijd valt goed te voorspellen wie uitermate geschikt is voor welke sport, en op nog latere leeftijd wie het grote topsportgeld waard is.

Pion: “Wij hebben voor een ‘vroegespecialisatiesport’ berekend dat je met een minimale inspanning en betere testing tot 30 procent kunt besparen in je talentontwikkeling. Met minder kosten zul je meer rendement halen.”

Toen de onderzoekers de leden van de goed presterende nationale vrouwenvolleybalploeg opnieuw onder de loep namen en vergeleken met de tests die ze destijds in de topsportschool hadden afgelegd, bleek dat de beste bewegers met de beste motoriek in de jeugd het allemaal hadden geschopt tot seniorinternational. De anderen hadden net niet het allerhoogste niveau behaald.

Pion: “Als we de leerlingen van de topsportschool testen en anoniem de resultaten analyseren, kunnen we met 95 procent correctheid bepalen uit welke sport die komen. Af en toe werd een triatleet soms verward met een atleet of een wielrenner, omdat die ongeveer dezelfde eigenschappen hebben.”

Vijf minuten politieke moed

Voor de sportwereld zelf kan het niet snel genoeg gaan met dat Sportkompas. Koen Hoeyberghs, high performance manager van
de Vlaamse Volleybalbond, heeft een specifiek programma lopen naar talentdetectie: volleybal zoekt lange, goede bewegers. “Wij zoeken die zelf, en de volleybaltechniek leren we hen wel aan, maar via het Sportkompas zouden we die kinderen kunnen detecteren en oriënteren.”

Een afgeleide van het Sportkompas zou ook een heroriëntatie tussen topsporten kunnen zijn. Het Verenigd Koninkrijk en Japan zijn daar voorlopers in. Atleten die net tekortkomen voor één bepaalde sport, maar wel de intrinsieke kwaliteiten hebben om het in een andere sport misschien verder te schoppen, wordt een ‘talent transfer’ aangeboden. Recent nog hebben enkele gymnasten de overstap naar polsstokspringen gemaakt.

Rest de vraag: is er een goede reden om dit niet te doen?

Matthieu Lenoir is overtuigd van de weldaden van een accurate oriëntering en de talentdetectie via het Sportkompas. “De algemene doelstelling is om zo de motorische competentie van de kinderen te verbeteren, wat de kans op een fysiek actieve levensstijl later gevoelig verhoogt. Bovendien kan de keuze voor de juiste sport op termijn de medaillekansen gevoelig doen toenemen.”

Johan Pion: “Aan dit Sportkompas is veel geld uitgegeven, want het onderzoek werd deels betaald door de Vlaamse overheid. Het zou zonde zijn als die acht doctoraten op een stapeltje in een kast zouden verdwijnen. We willen het Sportkompas valoriseren met het Victoris-consortium, dat de brug vormt tussen onderzoek en de sportsector. Daarvoor zijn we nieuwe samenwerkingen aan het opzetten en zoeken we naar de broodnodige financiering. We denken aan een combinatie van sponsoring, projectgelden en privé- investeringen. Maar ook de overheid heeft een verantwoordelijkheid te nemen, misschien via een beetje geld en vijf minuten politieke moed van de ministers van Sport en van Onderwijs.”

Interview.

Sportleraar Ben Claeys (54) gebruikt Sportkompas in school De Boomgaard ‘Ook minder voor de hand liggende sporten komen in het vizier’

SARA VANDEKERCKHOVE

In de Gentse Freinetschool De Boomgaard hebben alle kinderen van het derde tot het zesde leerjaar een Sportkompas gekregen. Sportleraar Ben Claeys (54) is van plan om dat te blijven doen. ‘Het geeft een uniek zicht op hun sportmogelijkheden.’

Wat is uw evaluatie van het Sportkompas?
Ben Claeys: “Het is echt een goede manier om te zien welke sport bij de kinderen past. Het peilt niet alleen naar hun talenten, maar ook naar wat ze graag doen. Een combinatie daarvan verhoogt toch de kans dat ze zullen blijven sporten. Bovendien krijg je ook een goed zicht op de problemen die er soms zijn. Kinderen met een te hoog BMI of een totaal gebrek aan uithoudingsvermogen: die haal je er door die testen direct uit. Hierdoor kun je ouders veel sneller waarschuwen aan de hand van wetenschappelijke informatie.”

 

Was u zelf verrast over de resultaten?
“Soms wel. Dan vond ik bijvoorbeeld dat een kind geen balgevoel had of motorisch niet zo sterk was, maar bleek uit de testen dat dit helemaal niet het geval was. Dan hadden ze wél een goede motoriek, maar een beperkt spelinzicht. Sowieso vind ik het Sportkompas boeiend. Het geeft een uniek zicht op hun sportmogelijkheden.

“Dankzij het kompas komen ook minder voor de hand liggende sporten bovendrijven. Dan krijgt iemand met een goed evenwicht en een goede conditie bijvoorbeeld de tip om te gaan ijsschaatsen. Een goede zaak, want nu zie je toch hoe heel veel kinderen gewoon de sport doen die hun ouders hebben gedaan. Op zich is daar niks mis mee, maar het is geen garantie dat de jongere daarmee de sport doet die hem of haar het beste ligt. Nu, de sporten die aan bod komen, moeten misschien wel iets beter afgestemd worden op de realiteit. Paardrijden bijvoorbeeld, dat is in Gent geen populaire sport, want er zijn nauwelijks maneges. Frisbee daarentegen is dat wel, maar dat staat niet in de lijst.”

 

Hoe reageerden kinderen erop?

“Ze waren altijd heel erg nieuwsgierig naar de resultaten van hun proeven. Voor de jongens en meisjes is het fijn om te doen. Het kan gewoon in de turnzaal en de testen zijn eenvoudig: een loopproef, stretchproef, evenwichttest… Ze vinden het zeker niet saai.”

Heeft het Sportkompas er al voor gezorgd dat kinderen zijn veranderd van sport?
“Dat is nog te vroeg om te zeggen. Het was pas in juni dat we alle kinderen van het derde tot het zesde leerjaar hebben getest. De bedoeling is om in de loop van dit schooljaar het hele project te evalueren en om na te gaan in welke mate ze de tips hebben opgevolgd. Ik ben hoe dan ook van plan om het Sportkompas te blijven gebruiken. Onlangs heb ik het gedaan in het derde leerjaar. De bedoeling is dat alle kinderen die hier school lopen, op het einde van de rit allemaal een Sport- kompas hebben.”

Column BLACK, BLANC, SANG op demorgen.be van 16 nov 2015

Europees Kampioenschap in Frankrijk? Tour de France in Frankrijk? Even geen zin in

Je mag er niet aan denken dat er een België-Frankrijk wordt gespeeld en de broeders van Sint-Jans-Molenbeek en Saint-Denis besluiten er samen een lap op te geven

Dus de bedoeling was om één met een bomgordel in het stadion te krijgen waarna die zou zich opblazen. Chaos zou uitbreken en de massa zou naar buiten stormen. Waarna die andere twee op hun knopje zouden duwen, daarmee de voetbaltoeschouwers naar de dood en zichzelf naar hun 72 maagden sturend.

Morgen is de deadline voor de accreditatie voor de Champions Leaguewedstrijd Lyon-Gent. Ik was nog aan het twijfelen, met de auto ben je er in een uurtje of zes, maar ik denk dat ik het feest aan mij laat voorbij gaan. Ik ben niet moe, ik ben niet uitgeblust, ik ben misschien een beetje bang, maar ik ben vooral niet gek.

En dan mogen Jambon en Hollande en Van Reybrouck honderd keer zeggen dat we daarmee de terroristen een dienst bewijzen, ik heb geen zin om tussen nadars richting metaaldetectoren te schuifelen, als een bende zittende eenden wachtend op hun jagers.

Onlangs heb ik met de hoofdredactie overlegd over de lange sportzomer die er aan komt, te beginnen met het EK dat we gaan winnen, de Tour die we niet gaan winnen en de Olympische Spelen waarvan we al blij zullen zijn dat we er geraken. Waarna iedereen die de weg terug heeft gevonden, bij de koning langs mag. De hoofdredactie zei: “Vraag maar je accreditaties aan en ga jij maar lekker naar die drie events en kijk wat je daar kan doen. Onze krant mag daar niet ontbreken.”

Dat juich ik toe, waarvoor dank, maar bij dat EK voetbal heb ik nu toch wat reserves. Dat zijn toch net even iets andere wedstrijden dan die in de Ghelamco of Jan Breydel waar ik op honderd meter kan parkeren maar zelfs daar zorg draag om snel van mijn parkeerplaats naar de ingang te stappen, goed uitkijkend naar alles wat rondom mij gebeurt. Je mag er niet aan denken dat er een België-Frankrijk wordt gespeeld en de broeders van Sint-Jans-Molenbeek en Saint-Denis besluiten er samen een lap op te geven.

Stel je voor dat we met zijn allen in korte broek op 2 juli, tussen twee voetbalwedstrijden door aan de Mont-Saint-Michel zijn, voor de Tour de France die daar vertrekt. Een paar honderdduizend mannen, vrouwen en veel kinderen langs de weg. Geen slechter beveiligd evenement dan die Tour de France. Europees Kampioenschap in Frankrijk? Tour de France in Frankrijk? Even geen zin in. Nu toch niet. Straks misschien weer wel.

Die flikken en militairen in Brazilië zijn echt niet om mee te lachen, maar het is verdorie ver gekomen als het al een geruststelling is dat een evenement in een totalitaire staat doorgaat

De Olympische Spelen zullen andere koek zijn. Ik heb het volste vertrouwen in die vijftien zwaar bewapende militaire politiekorpsen van Rio de Janeiro en ik ben absoluut van plan om voor het eerst geen tegenspraak te bieden als ik voor de tig-ste keer door een metaaldetector moet, gefouilleerd word of mijn computertas moet leegmaken. Die flikken en militairen in Brazilië zijn echt niet om mee te lachen, maar het is verdorie ver gekomen als het al een geruststelling is dat een evenement in een totalitaire staat doorgaat (en semi-totalitair zoals Brazilië is ook een opluchting).

Ach Frankrijk. Ik ben op 6 oktober 2001 naar het Stade France gereden voor de wedstrijd Frankrijk-Algerije. Ik parkeerde mijn auto in een sympathieke buurt naast het Stade de France, Saint-Denis heet dat daar. Veel Maghrebijnen zag ik, veel eethuisjes, veel theehuizen, het was een milde nazomeravond, het was gezellig. De wedstrijd zelf heeft maar 75 minuten geduurd. Bij 4-1 liepen de Algerijnse jongeren het veld op om een einde te maken aan de vernedering van de kruisvaarders en de kolonialen, zo stond het in de krant een dag later. Bij het begin van de wedstrijd hadden 40.000 van de 60.000 in het stadion Chirac en de Marseillaise op een ongenadig fluitconcert getrakteerd.

Drie jaar eerder waren Les Bleus onder aanvoering van een Algerijn wereldkampioen geworden. Als er één toonbeeld van integratie was, dachten we, dan toch de Franse nationale elf die zichzelf Black, Blanc, Beurre hadden gedoopt, naar de multiculturele origines en de huidskleuren van de spelers. Het was een wake up call in 2001, en we maakten er een drama van, maar toen ging over een stilgelegde wedstrijd. Geen haar heeft het gescheeld of Black, Blanc, Beurre was vrijdag Black, Blanc, Sang.

Verhaal over de Olympische stage op Lanzarote in De Morgen van 14 nov 2015

‘DE LAT MOET HOGER’

Als ooit de redder (m/v) voor de Belgische, c.q. Vlaamse topsport neerdaalt, stuur die naar de preolympische stage op Lanzarote. Veel kans dat die onmiddellijk zijn biezen pakt, maar wij bleven om u te berichten over de olympische twijfels, frustraties en plannen.

Jammer voor de harde werkers en die ene topsportkenner van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité, maar de ene na de andere trainer/bobo/atleet kwam op dag twee ongevraagd melden dat deze olympische stage nergens op sloeg. “Ik denk dat we dit voor het laatst hebben gehad.”

En toch, geen twee dagen later kirde judoka en medaillekandidate nummer één Charline Van Snick toen ze spontaan de weldaden van diezelfde stage opnoemde: “Ik zie hier hoe andere atleten gefocust naar het grote moment toeleven. Dat inspireert mij. En het is hier mooi weer.” Over Van Snick geen kwaad woord. Hadden we er maar meer met haar mentaliteit.

Er zijn veel waarheden in de topsport, maar het zou minstens aan het denken moeten zetten dat België het enige land is dat op acht maanden voor de Spelen een dure troepenschouw houdt op een locatie die voor de helft van de sporten geen ideale trainingsomgeving is, met voor de helft atleten die nooit Rio zullen zien.

Bij het BOIC is men ervan overtuigd dat het de groepsgeest bevordert. Dat zal niemand tegenspreken die afgelopen woensdagavond zag hoe alle sporters zich de naad uit het lijf speelden bij voetvolley, tafeltennis en badminton. En dat top-dj Netsky hier sinds donderdag ook rondloopt, en het ronduit sublieme Rio-spotje van het BOIC van zijn beats heeft voorzien, is pr-matig een voltreffer. Maar de vraag bij dit alles blijft: is dit topsport?

Het BOIC heeft veel aan belang ingeboet, maar wil niet worden herleid tot een olympisch reisbureau en dus voorzien ze in behoeftes die ze desnoods zelf creëren. Vandaar dat hameren op de teamgeest, vandaar ook de beschikbaarheid van sportfysioloog Peter Hespel en sportpsycholoog Jef Brouwers. “Toen het BOIC mij voorstelde om met hen samen te zitten om te kijken of ze nog iets voor mij konden betekenen, kreeg ik het bijna.” Zwemcoach Ronald Gaastra werd er pissig van. “Als ik op acht maanden van de Spelen mijn fysiologie en psychologie nog niet op orde zou hebben, dan was ik een verdomd slechte coach.”

Zes medailles, maar ruzie

De eerste olympische stage op het Canarische eiland Lanzarote dateert van november 1991, toen het BOIC onder aanvoering van secretaris-generaal Adrien Vanden Eede een zestigtal atleten, twintig journalisten en nog eens evenveel sponsors, allen gratis, naar het sportdorp Club La Santa had uitgenodigd. Vier jaar later werd de tweede editie een nooit meer geëvenaard hoogtepunt.

Adrien Vanden Eede, na de internationale vlucht vooruit van Jacques Rogge zelf voorzitter van het BOIC geworden, was in 1995 jammer genoeg thuis gebleven, want opgenomen voor een ontwenningskuur. Het kon de pret niet bederven: het Belgian Olympic Team was op weg naar de beste Olympische Spelen na de Tweede Wereldoorlog, met zes medailles waarvan twee gouden voor Ulla Werbrouck en Fred Deburghgraeve.

Net op tijd terug uit ballingschap om de prijzen omhoog te houden, sprak Vanden Eede in Atlanta de memorabele, door wodka geïnspireerde woorden “ce sont mes médailles”. Toen werd het oorlog en na Atlanta 1996 is het steeds bergaf gegaan met België op de Spelen. In Sydney werd de schijn nog opgehouden met vijf medailles, maar geen enkele gouden, en daarna was het huilen met de pet op: drie, twee en drie medailles in Athene, Peking en Londen.

BOIC’s directeur topsport Eddy De Smedt (61), straks weer de gedreven Belgische delegatieleider voor Rio, wordt niet graag aan die onzalige periode herinnerd. “We dachten dat we vertrokken waren na onze beste Spelen ooit, maar er kwam ruzie van en het momentum was weg. Ik ben er net niet ziek van geworden.”

De waardering voor sportaficionado Eddy De Smedt is unaniem. “Eddy De Smedt hebben wij overal bij betrokken”, zegt Pol Rowe, algemeen directeur bij het Bloso, straks Sport Vlaanderen. “Hij zit in onze Task Force en in de Stuurgroep Topsport. Eddy spreekt mee over het nieuwe topsportactieplan tot Tokio 2020. Wij stemmen constant op elkaar af. Jammer genoeg is dat niet altijd mogelijk met de Franstalige gemeenschap. In de vergaderingen met de gemeenschappen en het BOIC (ABCD in het jargon, HV) kunnen we moeilijk tot afspraken komen over doelstellingen, en bijna niet over wat we als topsport kwalificeren.”

Waarmee we bij hét pijnpunt van de Belgische sport zijn aanbeland: de structuren in dit ingewikkelde land. Vroeger kon je een hooggeplaatste van het Bloso nog weleens betrappen op een mijmering dat topsport een unitair verhaal had moeten blijven, maar dat staat in N-VA-tijden gelijk met zelfmoord.

Pol Rowe stelt gewoon vast: “Sport is deels gepolitiseerd. Vijf partijen werken op elkaar in: twee politieke structuren, twee administraties en het BOIC. Er gaat veel energie verloren aan het iedereen op dezelfde lijn te krijgen.”

Eddy De Smedt: “Chronische reünitis, daar lijden wij aan. Als alles te herdoen zou zijn, is één topsportstructuur de logica. Maar het BOIC heeft zich aangepast. Vroeger vergaderden we bij ons, nu ga ik naar het Bloso.”

Waar Rowe en De Smedt wel moeite mee hebben, zijn de gemiste kansen. Ze illustreren een mentaliteitsprobleem. Toen tafeltennissers uit Franstalig België en Vlaanderen elkaar hadden leren kennen op een stage in Mulhouse, vonden ze het fantastisch om over de taalgrens te kunnen sparren. De Smedt: “We stelden voor om dat twee keer per week ook in België te doen. De Vlamingen zaten in Leuven en de Franstaligen in Namen, een lange straat van elkaar verwijderd, maar het bleek toch te moeilijk.”

Rowe wordt nog ongemakkelijk als hij denkt aan de drie generaties basketbalspeelsters met potentiële olympiërs die verloren gingen. Rowe: “Op elke positie hadden we een speelster die bij de beste drie van Europa behoorde. We vergaderden ooit met 21 man over dat project. Ik zei: eigenlijk willen we in de toekomst met één verantwoordelijke praten. Iedereen wilde die ene zijn en er kwam niks van.”

Focus op de atleten

Verdeeldheid is geen ziekte van de regio’s, ook Vlaanderen deelt in de malaise. Pol Rowe geeft het voorbeeld van de tienkampers: “We hebben drie toppers: Hans Van Alphen, Niels Pittomvils en Thomas Van der Plaetsen. In plaats van alle kennis samen te leggen, heeft elke tienkamper een aparte trainingsstructuur en die proberen wij te financieren. Synergie? Haast onbestaande, dus allesbehalve efficiënt.”

Maar nu, de toekomst. Rowe en De Smedt voeren vaak het woord in de werkgroep strategie die straks aan de minister het Topsportactieplan IV moet voorstellen, die dat op zijn beurt moet gaan verdedigen in het parlement. In voorgaande zin ligt al een deel van het probleem besloten, want in een land als Nederland moet de minister zich nooit verantwoorden voor de keuzes van de topsport.

Topsportactieplan III met tien focussporten was geen onverdeeld succes. Voor beide sportdenkers is het duidelijk. Er moet een accentverschuiving komen. Terwijl vandaag structuren en sporttakken zich zonder veel ongelukken vier jaar lang verzekerd weten van hun topsportgeld (zie het voorbeeld van het wielrennen), moet de focus straks liggen op projecten die het programma, de atleet en zijn omkadering centraal stellen.

Pol Rowe: “Zo’n ad-hocbeleid kan niet zonder maximale operationele bevoegdheid. We zullen het ook nooit buiten de sportbond om organiseren, maar we willen wel in die bonden met zo weinig mogelijk en vooral met de juiste mensen goede afspraken maken.”

Eddy De Smedt: “Een eerste voorwaarde is dezelfde taal spreken. Wat is topsport? Wij hebben de lat ooit bij de top acht van Europa gelegd, maar al snel is de achtste plaats in Europa de norm geworden en dat is niet altijd topsport. Die lat moet hoger.”

Pol Rowe: “Als men ons zegt: alleen nog olympische disciplines en mondiale resultaten, ga ik daarin mee.”

Eddy De Smedt: “Dat is de enige manier om hier uit te geraken.”

30 miljoen euro voor een wielermedaille

Een van de vier aanwezige wegwielrenners op Lanzarote, de modelprof Jolien D’Hoore, gaat naar de Spelen. Zij rijdt omnium en als alles wat meezit, heeft ze een realistische kans op een medaille. Naast een jonge belofte (Lotte Kopecky) als trainingsmaat, zijn ook Kenny Deketele en Moreno De Pauw hier van de partij.

Die aardige jongens hebben de Zesdaagse van Londen gewonnen. Ze liggen onder contract bij de Topsport Vlaanderen-ploeg om op de piste te scoren, in de eerste plaats als leden van de achtervolgingsploeg. Jammer maar helaas, die ploeg is sinds Londen – op één keer na – altijd maar trager gaan rijden, met een kansloze 4’07 als absoluut dieptepunt bij de laatste World Cup in Cali.

Toen Deketele en De Pauw zich deze week aan hun collega-atleten moesten voorstellen, waren ze zo eerlijk toe te geven dat ze geen schijn van kans meer maakten op de Olympische Spelen. Wat ze er niet bij vertelden, is dat ze de komende maanden verplicht worden de omniums in de World Cup af te schuimen. Zij moeten punten scoren namens België en zo de quotumplaats voor collega-renner Jasper De Buyst veiligstellen.

Jasper De Buyst is een vleesgeworden systeemfout, een uitwas van de foute Vlaamse wielercultuur. Hij doorliep de topsportschool in Gent en was tot en met 2014 ook een Topsport Vlaanderen-renner, specifiek ondersteund met het oog op een medaillekans in het omnium. Tot De Buyst in de gaten kreeg dat hij misschien iets meer kon verdienen bij die andere overheidsploeg – Lotto-Soudal. Gevolg: nadat eerst klauwen vol overheidsgeld in De Buyst is geïnvesteerd om van hem een omniumtopper met medaillekansen te maken, is overheidsgeld uit datzelfde potje (de Nationale Loterij) aangewend om van hem een wegrenner te maken.

Jasper De Buyst, die in twee jaar Topsport Vlaanderen twaalf koersen won, maakte dit jaar niks klaar op de weg. Hij reed wel de Vuelta en eindigde daarin 126ste. Trots dat hij was – een grote ronde uitgereden en dus eindelijk een coureur – maar hij maakte ook niks meer klaar op de wielerbaan. Op de cruciale achtervolging van de laatste kans (voor kwalificatie voor Rio) op het EK in Grenchen vorige maand, ging De Buyst te snel weg en kon op het eind ook niet meer volgen.

Weg laatste kans voor een van de duurste ploegen uit het Vlaamse topsportbeleid. Het wielrennen kreeg de laatste olympiades (acht jaar) steeds ongeveer het dubbel aan subsidies van atletiek, na wielrennen de best betoelaagde sport. Sinds de laatste wielermedaille van Athene in 2004 (de wegmedaille van Axel Merckx, de laatste baanmedaille dateert al van Sydney 2000) is 30 miljoen euro Vlaams topsportgeld in het wielrennen geïnvesteerd.

Aan Jasper De Buyst en Jolien D’Hoore de zware opdracht om daar één of twee medailles uit te puren. Laatste stand van zaken: De Buyst die te vermoeid was om de World Cup in Cali te rijden en ook afzegde voor de olympische stage op Lanzarote, is deze week herboren en voorgesteld als de topfavoriet in de Gentse Zesdaagse.

Afgunst

Nog een voorbeeld van een systeemfout in de Vlaamse sport, is het zwemmen. In Antwerpen is naast de Wezenberg een zesbaanstrainingsbad gebouwd van 8 miljoen euro: 4,5 miljoen betaald door de stad Antwerpen en 3,5 miljoen door de Vlaamse overheid. De Vlaamse Zwemfederatie (VZF) moest 200.000 euro investeren aan technologie, maar dat laat op zich wachten, want ondertussen waren de plaatselijke club Brabo en de VZF in een felle discussie gewikkeld over de trainingsuren.

Er zou nu een akkoord zijn, maar in de coulissen blijven ze elkaar bestoken. Een en ander heeft ook te maken met het al of niet nakende ontslag van Ronald Gaastra als bondscoach. Gaastra, een van de twee coaches in deze delegatie die ooit olympisch goud won (met Fred Deburghgraeve), wordt parttime betaald door Brabo, dus de stad Antwerpen, en parttime door de VZF, met overheidsgeld.

Bij de VZF wil de voorzitter af van Gaastra, nota bene de coach van de aflossingsploeg én van Pieter Timmers, die een mooie finale kan zwemmen op de 100 meter vrije slag, een van de meest gemediatiseerde nummers van de Olympische Spelen. Op 27 november wordt het nieuwe trainingsbad officieel geopend. Zes banen, vijftig meter lang en gevuld met water en afgunst.

Prijzenpot in Rio

Atleten die in Rio een gouden medaille behalen, krijgen een premie van 50.000 euro (bruto). Dat maakte het BOIC op de olympische stage in Lanzarote bekend. Zilver is goed voor 30.000 euro, brons levert 20.000 euro op. Daarna daalt de premie tot 10.000 euro (vierde) en 5.000 euro (vijfde tot achtste). Voor de ploegsporten bedragen de premies per atleet 12.500 euro (goud), 7.500 euro (zilver), 5.000 euro (brons), 2.500 euro (vierde) en 1.250 euro (vijfde tot achtste). (Belga)

Column Spaarkasjes in De Morgen van 14 nov 2015

Spaarkasjes

Gisterenochtend zat de Vlaamse regering samen en hadden de excellenties het onder meer over sport. Nu denkt u: o jee, dit wordt saai, maar bijt even door. We proberen het zo spannend mogelijk op te schrijven. En voor de trouwe Nederlandse volgers van deze rubriek: als u wilt weten waarom we in België weinig klaar krijgen in de sport, leest u ook maar verder.

Vaststelling 1. Vlaanderen subsi- dieert momenteel 65 verschillende sportbonden, waaronder vijf wandel-federaties, twee wielerbonden en een hele rist verzuilde omnisportbonden, al of niet afhankelijk van de mutualiteiten. Om de administratie van al die bonden in stand te houden en te betoelagen deelt Vlaanderen jaarlijks 26 miljoen euro uit en dan is er nog geen meter gesport, maar dat is bijzaak in de sportwoestijn Vlaanderen.

Vaststelling 2. Het federatiedecreet van 2001 heeft enkele uitwassen gekweekt, zoals kleinere bonden die omgerekend per lid maar liefst 50 euro subsidie krijgen van de overheid. Dat decreet subsidieert per lid en per personeelslid en sommige bonden vonden er niet beter op dan maar te blijven aanwerven, want de overheid betaalde toch minimaal de helft van de salaris- kosten. Tegelijk werden leden uitgevonden, omwille van de daaraan verbonden subsidie.

Vaststelling 3. De echte sportbonden, die de hele piramide van recreatie tot top aanbieden, staat het water soms aan de lippen, terwijl nogal wat recreatieve bonden op een smak geld zitten. De namen en de details zijn gekend, maar laten we het voorlopig hierop houden: één recreatieve bond – een vzw nog wel – zit op 3 miljoen eigen middelen en beleggingen en gaat maar door met geld uit de zakken van zijn leden te kloppen, zonder daar veel tegenover te stellen.

Om al het voorgaande en om die spaarkasjes aan te pakken, wil men nu een nieuw federatiedecreet laten goedkeuren. Dat wil – kort door de bocht – één sport, één sportbond. Het landschap rationaliseren met andere woorden, door minder bonden te subsidiëren en tegelijk de overblijvende bonden beter te ondersteunen.

Hoe wil men dat? Door de recreatieve bonden te verplichten om samen te gaan, met bij voorkeur een grote unisportfederatie. Als dat water te diep is, kunnen ze ook met een grote bestaande recreatieve multisportfederatie fuseren, maar liever niet want recreatieve sport hoort in de grote sportpiramide thuis.

Voor beide soorten fusies ligt geld klaar om ze over de streep te trekken en er is een overgangsperiode van vier jaar. Willen ze niet fuseren? Geen probleem, dan is het bewijs geleverd dat ze die subsidie niet nodig hebben en dan is het ook afgelopen met werkingstoelagen voor leden en personeel. In het geval van die ene rijke recreabond bestaat het gesubsidieerd personeel ook nog eens hoofdzakelijk uit familieleden van de stichter.

Tegelijk voorziet het nieuwe decreet in een enveloppe-subsidiëring van de bonden en niet langer in de betoelaging van een eindeloze pool aan personeel, wat wel eens durfde voor te komen. De grote unisportfederaties die er een zak leden bij krijgen, worden verplicht om een laagdrempelig sportbeleid te voeren. Dat wordt een van de speerpunten, samen met een verplichting tot good governance, zoals bestuurders met bewezen competenties.

Om u maar te zeggen: er is over dit decreet nagedacht en het zit goed in elkaar. De oppositie is evenwel tegen, maar dat is normaal want daarom is het oppositie. De CD&V is ook tegen en dat is niet normaal. Het is zelfs dom, maar de CD&V is al zelden slim geweest als het om sport gaat, te beginnen in de jaren 70 toen ze sport bij cultuur onderbracht.

De drempel om een erkende en gesubsidieerde recreatieve multisportfederatie te kunnen worden, ligt in het ontwerp van decreet bij 30.000 leden en vijf aangeboden sporten met elk minimaal duizend leden. De CD&V wil daar 10.000 leden van maken, op verzoek van de bevriende recreabonden die het niet om de sport gaat, maar om het veiligstellen van hun beleggingen en spaartegoeden. Die ene hele rijke recreabond is er helemaal niet gerust op en is al begonnen met het uitdelen van gigan- tische bonussen aan de eigenaarsfamilie.

Verhaal over de medailles van 2015 in De Morgen van 7 nov 2015

Franstaligen en migranten houden België op podia

Met tien medailles op EK’s en WK’s in 2015 scoort België na uiterst zwakke jaren minder slecht dan verwacht. Opmerkelijk: slechts vier van die tien medailles komen van Vlaamse sporters; vijf zijn behaald door migranten(kinderen).

Tussen 20 en 26 november kan Evi Van Acker nog scoren op het WK in Oman, en voor een elfde medaille zorgen, maar de tussentijdse balans voor 2015 oogt minder slecht dan andere jaren. Het was even wachten op de eerste Belgische medaille op Europese of wereldkampioenschappen in olympische disciplines, maar eind mei scoorden twee genaturaliseerde Marokkaanse jongens prima op het WK taekwondo in Chelyabinsk en beten zo de spits af.

Van 2003 is het geleden dat Belgische sporters in een pre-olympisch jaar tien mondiale en/of Europese medailles wonnen in sporten of disciplines op de olympische agenda. Dat is nog steeds minder dan middelmaat want in 1999 pakte België nog veertien plakken en vier jaar eerder zelfs negentien. Atlanta 1996 werden niet toevallig de meest succesvolle naoorlogse Spelen met zes medailles waarvan twee keer goud. Nadien ging het bergaf met als dieptepunt Londen 2012, toen drie medailles werden gewonnen maar geen goud.

De resultaten behaald in een pre-olympisch jaar correleren met de prestaties op de Spelen. Uit de grafiek hierbij blijkt dat elke drie medailles in een pre-olympisch jaar goed zijn voor één olympisch podium. België mag dus hopen op drie tot vier medailles en dat is ook wat het Nederlandse sportdatabedrijf Infostrada voorspelt. Zij pronostikeren België op vier medailles, maar geen goud: wel twee keer zilver en twee keer brons. Hoe goed hun voorspelling is, zullen we volgend jaar zien. Nederland zou volgens Infostrada in Rio 34 medailles moeten winnen, maar liefst een stijging van veertien stuks.

Nieuwe Belgen

België moet zich met drie of vier olympische medailles overigens niet op de borst slaan, want met ons bnp en meer dan elf miljoen inwoners zouden we altijd tien medailles moeten kunnen winnen. Toch lijkt beterschap op komst, want nooit eerder zijn meer dan de helft (vijf van de tien) Belgische medailles behaald op een wereldkampioenschap.

Daarbij meteen deze kanttekeningen. Onze oogst van 2013 tot en met 2015 – de drie jaren tussen twee Olympische Spelen – bedraagt in totaal 22 medailles als we de onterecht afgenomen medaille van Van Snick in 2013 (doping, maar vrijspraak) erbij rekenen. Dat is historisch laag want zelfs in de erg zwakke aanloopjaren naar Londen haalden we 24 plakken. We zijn ver verwijderd van de 41 en 39 medailles onderweg naar Atlanta 1996 en Sydney 2000.

Andere bemerking: twee judomedailles werden door dezelfde atleet behaald (Toma Nikiforov) en de taekwondoka’s hebben op de Spelen minder gewichtscategorieën dan op het WK. Vooral voor wereldkampioen Jaouad Achab, die vijf kilo zwaarder moet vechten, is dat een behoorlijke domper.

Opvallend dit jaar is de sterke aanwezigheid van eerste-generatiemigranten (Achab, Ketbi in taekwondo en Nikiforov in judo) of een kind van migranten (discuswerper Milanov). Het is een tendens: ook vorig jaar toen Nafi Thiam en Jaouad Achab de helft van de medailles wonnen, waren eerste- of tweede-generatiemigranten aan het feest. In de vorige olympiades moest je die nieuwe Belgen nog met een vergrootglas zoeken. De in Burkina Faso geadopteerde Elodie Ouedraogo (zilver in Peking op de 4×100 meter) is voorlopig nog steeds de enige Belgische olympische gemedailleerde met roots in een ander land, maar daar zou in Rio verandering in kunnen komen.

Vlaanderen onder

Het marktaandeel van België in de podiumplaatsen bij olympische disciplines op de Spelen, EK’s en WK’s is ten opzichte van de internationale concurrentie gedaald. Terwijl we in 2004 nog goed waren voor 0,8 procent van de prijzen, bodemden we vorig jaar tot 0,5 procent. In 2015 stegen we weer naar 0,6 procent, maar dat was vooral te danken aan de Franstalige atleten, die zes van de tien Belgische medailles wonnen.

Bepaald verontrustend voor de Vlaamse topsportpolitiek is het afnemend belang van de Vlaamse sporters op de internationale podia. Terwijl Vlaanderen drie keer meer investeert in topsport dan de Franstalige gemeenschap, konden maar vier door Vlaanderen gesteunde sporters dit jaar een medaille winnen. Twee haalden een EK-podium (Dirk Van Tichelt in judo en Elke Vanhoof in BMX) terwijl Jaouad Achab het enige WK-goud van 2015 won in taekwondo en discuswerper Philip Milanov tweede werd op het WK atletiek.

Ondanks een verdrievoudiging van de topsportbudgetten deze eeuw, halveerde het Vlaams marktaandeel in de internationale medailles de laatste acht jaar. In de olympiade 2000-2004 tekende Vlaanderen nog voor driekwart van de Belgische medailles, maar vanaf 2012 halen de Franstaligen structureel meer podiumplaatsen dan de Vlamingen. Ook in de top acht is de Vlaamse achteruitgang merkbaar, maar minder uitgesproken. Terwijl Vlaanderen 15 procent inleverde, heeft Franstalig België zijn top achtplaatsen in acht jaar tijd verdubbeld. Conclusie: in absolute getallen levert Vlaanderen voor de Belgische oogst nog wel de helft meer top achtplaatsen dan Franstalig België, maar om goud, zilver en brons stak het zuiden van het land ons dit jaar de loef af.

‘Dit is een momentopname’

Paul Rowe, directeur BLOSO en straks Sport Vlaanderen, is het niet eens met de analyse dat Vlaanderen achteruit boert.

“De Vlaamse topsportindex als prestatiebarometer van het Vlaams topsportbeleid is de laatste vier jaren met 25 procent gestegen, van 300 naar 400 punten. De Franstaligen, die overigens steeds onder dezelfde Belgische vlag en in dezelfde delegatie deelnemen, hebben in deze olympiade voorlopig haast evenveel medailles behaald als de Vlamingen, maar dit is een momentopname. In eerdere olympiades wonnen wij soms acht keer meer medailles op WK’s en EK’s, Franstaligen halen structureel niet meer podiumplaatsen dan Vlamingen sinds 2012. Vlamingen haalden meer medailles in de elf opeenvolgende jaren van 2001 tot 2011, en in 2013 en 2014, Franstaligen inderdaad meer in 2012 en 2015.”

Dat migranten(kinderen) goed presteren, vindt Rowe een signaal dat Vlaanderen een pluralistisch en inclusiegericht sportbeleid voert. “Ons topsportbeleid is bovendien egalitair en meritocratisch: talent, engagement en ambitie zijn de parameters aan de start voor alle Vlamingen en niet afkomst, huidskleur en socio-economische status.”

Medailles 2015

Column De Zaak Bob Leekens (bis) in De Morgen van 7 nov 2015

De zaak-Bob Leekens

Zo, daarmee is een einde gekomen aan deze onverkwikkelijke zaak die – aldus gezaghebbende voetbaljournalisten – absolúút moest worden opgehelderd. Waarmee en waaraan? Aan de affaire-Leekens-Peeters, met de bekentenis van de geheime sms-verzender. Een onverkwikkelijke zaak, jawel, omdat nogal wat reputaties zijn geschaad.

Ten eerste van die flauwe plezante uit Aalst, de 27-jarige J. B., die toevallig twee jaar geleden aan het nummer van Bob Peeters was geraakt en bij wijze van grap toen een sms stuurde als Georges Leekens. En dat nog een paar keer herhaalde en tot zijn ongetwijfeld erg grote vreugde vaststelde dat Bob Peeters telkens gretig antwoordde, ongetwijfeld blij met de interesse van zijn oudere collega.

Ten tweede die van Georges Leekens, die om zo’n sms te sturen naar zijn voorganger, anderhalve week doorging voor een harteloze met het EQ van een graszode. Terwijl hij dat juist niet is, maar wie gelooft dat nog. Ik vond die sms ook raar, maar ook niet geheel onwaarschijnlijk want als hij echt was geweest, was hij misschien zelfs goed bedoeld. Georges Leekens zou nu zijn klacht hebben ingetrokken. Excuses volstaan, maar dat vind ik dan weer dom. J.B. uit A. heeft zich op verschillende momenten de afgelopen twee jaar G.L. uit H. gewaand of zich alvast sms-gewijs voorgedaan áls. Dit is al bij al een vorm van identiteitsdiefstal.

Ten derde van Bob Peeters, die zich misschien de moeite had kunnen nemen om te checken of het nummer waarvan de sms was verstuurd wel dat van Leekens was. Alleen moet je in Bob Peeters zijn schoenen staan om te beseffen dat je op dat moment overal spoken ziet en absoluut geen zin hebt om uitgerekend nu even te checken of het nummer waarvan al twee jaar sms’jes zijn gestuurd, wel het echte gsm-nummer van Leekens is.

Die sms laten lezen om zijn verongelijktheid extra in de verf te zetten, was dan weer wel een beetje onhandig van Peeters. Speelt sms- verkeer zich niet min of meer in de privésfeer af zoals briefgeheim? Les: een sms moet je niet zo maar aan iedereen laten lezen. Ook hier weer, je zult maar in de schoenen van Peeters staan.

Ten vierde, van de journalist(en) die de sms hebben gezien. Die hadden zich iets afstandelijker moeten opstellen. Inzake journalistieke reflex overstijgt dit natuurlijk het van buiten leren van de ruit met de punt vooruit of achteruit van de Belgische eersteklassers, maar niettemin. Hadden die journalisten dan moeten checken of dat wel het nummer van Georges Leekens was? Dat is een lastige, maar in hun bloeddorst om deze onmens te ridiculiseren, zijn ze bepaald onzorgvuldig geweest.

Ook hier geldt: elke journalist heeft die fout wel eens gemaakt en wie vrij van zonden is, werpe de eerste steen. In de literatuur heet dat confirmation bias, of de neiging om informatie zo te interpreteren dat die het eigen geloof of hypothese goed uitkomt. Een stapje verder is framing, een interpretatie van een verzameling anekdotes en stereotypen die moeten dienen om gebeurtenissen te begrijpen of om er een antwoord op te bieden. Je filters worden dan verstoord door vooringenomenheid.

De brandstof van de sportpers en al helemaal de voetbalpers is precies vooringenomenheid. Een trainer is helemaal slecht of helemaal goed. Een speler kan er niks van, of is bovenaards. Een ploeg kan fantastisch voetballen of niet voetballen. Make a hero, break a hero. Zwart of wit. Voorvallen als deze sms-gate zullen niet van aard zijn om de deuren bij de clubs, de spelers en de trainers nog wat wijder open te zetten. Integendeel, en bij het volgend praatje dat ik zal houden voor sporters of hun entourage is de zaak-Bob Leekens alvast een paar slides waard. Mijn gage heb ik bij deze aangepast, want met de gaffels van de laatste jaren ben ik in een uurtje niet meer klaar.

Ten slotte, niet om niemand op ideeën te brengen, maar op Google Play kun je Spoof my Textmessage downloaden, een app waarmee je tekstberichten kunt sturen met een zelfgekozen nummer. Ik weet niet of het voor iOS of Android bestaat en het kost een cent, maar sowieso is dit nog maar eens het bewijs: de apocalyps is nabij.

Interview Delfine Persoon in De Morgen van 7 nov 2015

INTERVIEW DELFINE PERSOON

“Ik ben te goed voor het buitenland”

Eerst was ze judoka, daarna ging ze tennissen. Maar de vechtster in Delfine Persoon (30) liet zich niet temmen en ze ging in alle stilte boksen. Persoon is een vrouw van extremen: van anorexia tot sterkste vrouw van België, en beste vrouwelijke bokser ter wereld. En toch: “Sportvrouw van het jaar? Geen interesse meer.”

Ook in 2015 zal ze geen sportvrouw van het jaar worden, want judoka Charline Van Snick is Europees kampioene. Dat is niet erg, want Delfine Persoon zien ze op dat Sportgala nooit meer. Een jaar geleden, live op Eén, kon ze haar teleurstelling maar moeilijk verbergen toen meerkampster Nafi Thiam boven haar werd verkozen.

Wel of niet naar het Sportgala, het was ook een verscheurende keuze door die vip-invitatie voor de WBC Convention (World Boxing Council) in Las Vegas, de special edition nog wel. Daar zou ze samen met grootheden als Muhammad Ali, Joe Frazier en de Klitschko’s worden geëerd als beste vrouwelijke bokser pound for pound van het moment.

“Ze ging niet, op mijn vraag. Ik was zeker dat ze zou winnen op het Sportgala. U niet? Dan heb ik mij vergist, maar ze deed het voor ons en dat waardeer ik.” Paul Degroote, opkoper en exporteur van trucks en trailers, is al jaar en dag de hoofdsponsor van Delfine Persoon. Hij heeft het geld opgehoest waarmee Delfines trainer/manager Filiep Tampere begin 2014 hoogstpersoonlijk naar Mexico vloog, ook op kosten van Degroote, om daar een bieding van 61.101 dollar in een envelop af te geven op de hoofdzetel van de WBC. Zo eventueel gesjoemel counterend, kregen ze op die manier de Argentijnse regerend wereldkampioene Erica Farias naar Zwevezele, want de Argentijnen hadden minder geboden. En zo werd Delfine Persoon wereldkampioene in de WBC.

Die avond van 20 april 2014 had ze alle mogelijke titels in handen en was ze de beste vrouwelijke bokser van de wereld. Na twee eerdere succesvolle verdedigingen vecht ze op 11 november opnieuw, nu tegen de Frans-Marokkaanse Maiva Hamadouche.

Wat voor iemand is dat?
Delfine Persoon: “Een straatvechtster. Altijd vooruit boksen: jong, gedreven en zot.”

Filiep Tampere: “Haalbaar, maar het komt er op aan niet voor haar te blijven staan, want ze wint vaak met knock-out. Daarom trainen we nu op slaan en onmiddellijk wegdraaien. Dat is goed gelukt tegen de Australische Diana Prazak, die gelijkaardig bokst. Delfine is met haar 1m70 de langste in haar gewichtscategorie en heeft de grootste reikwijdte. Bovendien heeft ze een fantastische conditie.”

Bent u ooit niet in conditie?
Persoon: “In de zomer gebeurt het dat ik één, twee weken niets doe.”

Tampere: “Maar dan zitten we op de koersfiets. (lacht) Ze rijdt echt goed.”

Persoon: “Na een dag of vijf rust moet ik sporten. Ik rijd graag met de fiets, maar het liefst zou ik eens willen crossen. Dat in het rood gaan en je motor opblazen, dat ligt mij wel.”

Tampere: “Haar basisconditie is altijd hoog en nu, pal voor een kamp, komt het er op aan specifiek te werken, in functie van de tegenstander. We kennen Hamadouche van YouTube, maar kort na de bekendmaking van die kamp zijn wel al haar filmpjes verwijderd.”

‘Een slag op je hoofd krijgen is misschien niet goed, maar honderd keer een bal koppen in het voetbal is nog minder gezond’

U bent ooit begonnen in een olympische sport. Geen spijt dat u nooit op de Olympische Spelen zult kunnen boksen?
Persoon: “Jazeker, maar toen ik prof werd, was er nog geen sprake van vrouwenboksen. Op de Spelen in Londen is voor het eerst gebokst in drie gewichtsklassen. Die lagen ook nog eens ideaal voor mij, want ik draai rond de zestig kilogram. Alleen had ik meer dan vijftien profkampen en daarom kon ik niet terug.”

“Ik ben in 2009 prof geworden. Ik was de beste in België en ik had gewonnen van de kampioene van Nederland en van Frankrijk, en toen dachten we: wat nu? Prof worden was de enige optie, want daar is nog een beetje geld beschikbaar via sponsoring. Nog een voordeel: je bent dan niet meer afhankelijk van je boksfederatie. Ik boks als Belgische, maar eigenlijk boks ik als prof puur voor mezelf of voor mijn manager, die in mijn geval ook mijn trainer is. Trainer, manager, promotor: Filiep is alles in één. (lacht) Een interessante combinatie, want dan moet je maar één keer betalen.”

U zit hier rustig, maar op training bent u erg fel en in de ring gaat het beest los. Hebt u een schakelaar die u aan en uit kunt zetten?
Persoon: “Een beest? Ik train gewoon graag hard.”

Tampere: “Veel te hard. Tien circuitjes zeg ik. Dat worden er altijd minimaal twee meer. Zeg ik dat ze een dag niks moet doen, behalve wat lopen, doet ze toch nog kracht. Je hebt het zelf gezien. Is dat erg? (blaast) Ze is toch altijd randje geblesseerd.”

Persoon: “Er is een verschil tussen techniek trainen, het echte sparren en dan de uiteindelijke kamp. De harde slag sla je in principe nooit op training, tenzij op een zak. In sparren probeer je de tegenstander te raken, maar liefst niet op volle kracht. En als die aangeslagen is, ga je nooit door. Maar in een kamp is het slaan om af te maken.”

“Die vechtmachine in mij komt pas boven bij de opwarming en de adrenaline komt van het moment dat je in die ring stapt. Die andere heeft het hetzelfde: het is zij of ik. Als ik win, blijf ik wel vriendelijk, maar als ik verlies, moet je mij in het eerste kwartier toch met rust laten. Dat had die Argentijnse Erica Farias ook toen ik haar had geklopt. Die hebben we achteraf niet meer gezien.”

U hebt een bachelor lichamelijke opvoeding maar werkt bij de spoorwegpolitie. Wat als je daar geweld moet gebruiken?
Persoon: “Dat komt haast nooit voor. Bovendien mag ik niet slaan, deontologisch is dat verboden. We hebben genoeg technieken om mensen te neutraliseren, maar de meeste relletjes die wij in Brugge moeten oplossen, zijn vechtpartijen tussen scholieren. De ene heeft de andere zijn lief afgepakt en dan willen ze op elkaar slaan. Niks bijzonders.”

“Lesgeven had ik ook wel willen doen, maar als je geen connecties hebt in het onderwijs kun je het vergeten. Op een dag belden ze toch voor een interim van zeven maanden in de buurt van Beernem. Dat was wel een eind rijden, maar ik ging er toch op af. Geen makkelijke school, hadden ze erbij gezegd. Ik vond het vooral een rare school met al dat hekwerk en die tralies. Bleek dat ik een interim had in de gesloten instelling voor meisjes, De Zande. (lacht) Dat kon ik wel aan en ik ben daar graag geweest.”

Hebt u als trainer vrouwenboksen moeten leren?
Tampere: “Het verschil tussen mannen en vrouwen is niet zo groot. Als Delfine spart tegen een mannelijke middenmoter van haar gewicht, kan ze ook winnen. Ik had al wat ervaring met Oshin Derieuw uit Roeselare, een meisje dat nu met een Franse licentie bokst. Ze is iets jonger, maar Delfine kwam na haar bij mij. In het begin was Oshin beter, maar naarmate Delfine verbeterde, werd dat sparren tussen die twee altijd maar heviger. Ik heb ze op het laatst vaak uit elkaar moeten halen.”

Persoon: “Dat lag niet aan mij hoor. Zij kon het gewoon niet verdragen dat ik beter zou worden. Waarom zie je bij de vrouwen minder knock-outs dan bij de mannen? Omdat wij handschoenen van 10 ounce (gewicht en dikte van de handschoen, HV) hebben, terwijl mannen van ons gewicht maar met 8 ounce moeten boksen. Die slagen komen harder aan. Mijn eerste profkamp heb ik nog met 8 ounce gebokst. Dat was in mijn voordeel, want ze gingen sneller knock-out.”

Wil u iets zeggen over die ene kamp die u hebt verloren?
Tampere: “Ik heb toen een fout gemaakt. Delfine was doodziek geworden de dag voor de kamp; koorts en braken. We zijn naar het ziekenhuis gegaan en ze was compleet uitgedroogd. Ik wilde de kamp afgelasten, maar ze had die nacht in het ziekenhuis baxters gekregen en zei dat ze zich topfit voelde. Ze wilde absoluut boksen. (schudt het hoofd) Dat zal mij nooit meer overkomen.”

Persoon: “Ik herinner mij nog de opwarming, die ik niet voluit kon doen want ik moest weer naar het toilet, weer diarree. Ik kreeg twee Dafalgans. Het was tegen Zelda Tekin uit Charleroi en ik vocht toen vooral tegen mezelf. Ze sloeg mij een gebroken neus – zie je, hij staat nog een beetje scheef – en de scheidsrechter legde de kamp stil: technisch knock-out.”

Tampere: “Die kamp telt eigenlijk niet, maar hij staat er wel. Delfine heeft het nadien in de ring alleen maar moeilijk gehad als haar karakter de bovenhand haalde op tactiek en techniek. Ze kan soms te agressief zijn. Het gebeurt dat ze zich zo laat meeslepen in het gevecht dat ze vergeet te boksen.”

Persoon: “Als ik een slag krijg, wil ik er zo snel mogelijk drie teruggeven en dan vlieg ik er op. Mijn eerste twee ronden zijn altijd de moeilijkste.”

‘Lesgeven had ik ook wel willen doen, maar als je geen connecties hebt in het onderwijs kun je het vergeten’

U was eerst topjudoka in wording.
Persoon: “Ik ben begonnen met judo in Moorslede. Toen de optie topsportschool zich aandiende, dachten mijn ouders dat ze van dat gedoe van af waren van mij overal naar toe te moeten brengen. In de week, ja: ik zat op internaat. De weekends werden nog drukker, met op zaterdag nationale training in Zele en elke zondag toernooi. Maar ik was niet gelukkig op internaat in Antwerpen, en na een jaar ben ik daar vertrokken.”

“Ik was niet slecht: ik werd vierde op de Europese Jeugd Olympische Spelen in Murcia. De halve finale was tegen een Spaanse. Ik kreeg een ippon (vol punt, einde wedstrijd, hv), maar ze wuifden die weg en gaven de ippon aan haar. De hele tribune joelde over zoveel onrecht. Ik was zo nijdig dat ik weigerde te groeten toen ik van de mat ging: ik stak in de plaats mijn twee middenvingers op, waardoor ze mij schorsten voor de kamp om brons.”

“Ik volg het judo nog en volgend jaar bij de Spelen zal ik zeker kijken. Ik heb het voor Charline Van Snick, minder voor Ilse Heylen. Die is oud en versleten en ze zouden haar moeten thuishouden en vervangen door jong talent. Judo was ook wel een goede sport voor mij, maar mijn rug hield het niet. Dat trekken en sleuren was er te veel aan. Boksers hebben ook rugspieren nodig, maar wat je ermee doet is beter te controleren en veel beter te trainen. Nog niet zo lang geleden ben ik nog nationaal politiekampioen geworden in judo en vorig jaar was ik zelfs geselecteerd voor het EK Politie. Dat hebben we toen maar niet geriskeerd.”

Tampere: “Alsjeblieft. Eén schouderblessure en je kunt het vergeten als bokser. Wat die rug betreft, ik denk wel dat die er voor iets tussen zit dat ze niet helemaal goed indraait als ze slaat. Dat zou nog beter kunnen.”

12 januari 2013: Delfine Persoon verdedigt met succes haar WIBF-wereldtitel tegen de Italiaanse Anita Torti. ©dm

Ging u ook diep in het judo?
Persoon: “Ze hebben mij ooit eens twee klassen hoger laten vechten. Ik woog 57,5 kilo en ik kwam tegen vrouwen uit in de -73. Ik kreeg een wurging en ik klopte niet af. Toen ik bijkwam, ging ik weer op de beginpositie staan en vloog ik op de tegenstander af. Die keek nogal. De kamp was natuurlijk gedaan, maar dat had ik dan weer gemist, want dat was tijdens die wurging gebeurd. (lacht)”

“Weet je dat ik ook nog heb getennist? Wij waren thuis gek op tennis. Terwijl mijn zus en ik studeerden voor de examens, werkten mijn ouders op het land. Als ze ver genoeg weg waren, zetten wij de tv aan op Roland Garros of Wimbledon. Ik was fan van Kim Clijsters, maar dat is na het Sportgala toch wat minder geworden (Kim Clijsters verklaarde toen dat ze ook op Nafi Thiam had gestemd, HV).”

“Mijn moeder had een neef die tennisleraar was geworden en er goed zijn brood mee verdiende. Wij zijn boeren van thuis, dus wat je doet, moet geld opbrengen. Dat gold ook voor sporten, als het even kon. ‘Met tennis kun je geld verdienen’, zei mijn moeder, en dus ging ik na het judo tennissen. Al bij al maakte ik snel progressie in het tennis, behalve toen ik in die eerste wedstrijden tegen van die oudere dames moest die elke bal hoog naar de achterlijn terugsloegen. Ik haatte dat en ik wilde die graag zo snel mogelijk doodslaan, maar dat mislukte geregeld.”

U staat erg scherp. Moet daar nu nog wat af?
Persoon: “Anderhalve kilo, schat ik nu. Dat is geen probleem. Bij de weging maak je ’s ochtends dat gewicht en daarna kom je snel weer drie kilo bij. Ik let wel heel erg op mijn eten en naarmate de kamp dichterbij komt, zijn de kasten steeds minder gevuld. Als er niks in huis is, kun je ook niks opeten. Je gaat dan vaak vroeger slapen, om de honger niet te voelen.”

“In het judo ben ik tot op het randje van de anorexia gegaan. We zaten in de club met twee meisjes in de -53 en aangezien ik meer kon afzien dan die andere, lieten ze mij zakken van categorie. Ik woog 48 kilo en ik was al 1m68. Mijn moeder heeft toen stop gezegd. Judo of niet, zei ze, nu ga je beginnen eten. Gelukkig.”

Sportvrouw van het jaar wordt u ook dit jaar wellicht niet.
Persoon: “Het interesseert mij niet meer. Vorig jaar was mijn jaar. Ik werd wereldkampioene in alle bonden en ik klopte Diana Prazak, de overall nummer één in de wereld. Wat moet een mens nog doen?”

Uitblinken in een sport met een andere finaliteit dan iemand pijn doen.
Persoon: “Dat valt bij vrouwen erg mee, hoor. In het judo zijn er veel meer blessures. In het wielrennen nog meer en met veel ergere gevolgen. Een slag op je hoofd krijgen is misschien niet goed, maar honderd keer een bal koppen in het voetbal is nog minder gezond. En begin niet over Million Dollar Baby, want dat is film. Net op het moment dat ze een slag krijgt waarbij ze neergaat, staat dat stoeltje nog in de ring en uitgerekend daar valt ze met haar nek op en raakt ze verlamd. Even waarschijnlijk is een tennisfilm waarbij je over je racket struikelt en met je hoofd op de netrand valt, waardoor je onthoofd wordt.”

Hoeveel risico bent u bereid te nemen?
Persoon: “Als ik voel dat ik op mijn retour ben, ga ik niet blijven boksen, alleen om wat geld te kunnen verdienen. Dat is het dilemma in onze sport: ik verdien nu haast niks en niemand vraagt mij in het buitenland omdat ik te goed ben. Pas als ik minder word, zullen ze mij uitnodigen.”

“In Amerika is er meer geld voor het boksen, dat klopt, maar niet voor Belgen. Er zijn er genoeg die met hangende pootjes terugkomen. We zullen er wel ooit naar toe moeten: volgend jaar heb ik een verplichte titelverdediging, en de eerste in de rij is een Amerikaanse.”

Mixed martial arts (MMA), het kooigevecht van vroeger, is nog hotter over de oceaan.
Tampere: “Oei, nu zeg je wat. Dat is haar droom.”

Persoon: (glimlacht) “Niet voor het een of het ander, maar ik denk dat ik Ronda Rousey (nummer één in de wereld van de MMA, filmpjes op YouTube maar niet voor gevoelige zielen, HV) aankan. Op de grond is ze goed en ze gooit haar tegenstander waarna ze er op slaat, of een klemwurging begint. Maar ze kan niet boksen.”

Tampere: “Ik denk dat je tegen haar je verstand moet kunnen gebruiken en recht blijven. Als je naar de grond gaat, moet je er zo snel mogelijk uitkomen. Delfine is snel. En in de MMA vechten ze met van die kleine handschoentjes, ook een voordeel. Delfine slaat haar zo knock-out.”

Persoon: “Ik zou wel opnieuw wat judo moeten trainen. Het is een optie, maar dan na het boksen, want de blessures in de MMA zijn te erg.”

Column over de cross en Wout Van Aert op demorgen.be van 2 nov 2015

Als u de cross topsport vindt, ook goed 

Wout Van Aert heeft gewonnen, gisteren op de Koppenberg. Een kerel hoor, die Wout Van Aert. Rap dat die kan fietsen. Een beetje veel te rap voor zijn collega’s die in dezelfde wei rondrijden. Wij hebben uit zeer betrouwbare bron dat de jongeman gisteren aan zijn mecaniciens had gevraagd om zijn achterrem dicht te zetten, kwestie van niet te hard te gaan. Bij een fietswissel iets voor halfweg kreeg hij dan een fiets met goed afgestelde remmen, rolde iedereen op en ging alleen voorin rijden. De voorlaatste ronde reed hij zestien seconden rapper dan de rest, waardoor hij in de allerlaatste rondje Koppenberg kon genieten van de ondergaande zon over de Scheldevallei.

Vorig jaar won hij ook op de Koppenberg, maar toen kon hij niet genieten: het was geen mooi weer en hij had Sven Nys in zijn nek. Volgens de veldritorakels Paul Herygers en Michel Wuyts was die overwinning vorig jaar een grote verrassing, maar nu niet. Kijk, dat hadden we ook kunnen verzinnen, maar alle respect: een uur vollullen over iets waarvan je weet hoe het afloopt, het is niet iedereen gegeven. Eind november zou Wout Van Aert een beetje weerwerk moeten krijgen. Als je de context niet kent, heeft de hunker van de oudere tv-commentatoren naar de piepjonge Mathieu van der Poel een licht pedofiele inslag, maar die is dan ook weer te begrijpen.

Wout Van Aert heeft dit seizoen tien keer aangezet en al acht keer gewonnen. In Valkenburg op 18 oktober won Van Aert voor het eerst niet en dat was geleden van vorig seizoen waarin hij de laatste drie crossen van 2014-15 domineerde. Lars van der Haar was één in Valkenburg. Goed voor de business van het veldrijden dat een Nederlander wint in een Nederlandse World Cup. U mag dat toeval vinden. Net zoals eergisteren Wout Van Aert weer van Lars van der Haar verloor, in de Niels Albertcross in Boom. Dat is eentje die je kan weggeven want hij telt nergens mee. Nadien sprak Wout verontrustende woorden en de hiernavolgende quote is schaamteloos gepikt van de Sporza-site.

“Ik ben blij dat ik koers heb kunnen maken. Ik hoopte na de wedstrijd nog wat reserves over te houden voor de Koppenbergcross in Oudenaarde, maar deze Niels Albertcross kostte heel wat krachten. Het is nu afwachten hoe goed ik recupereer van deze wedstrijd.”

21 jaar, zo hard kunnen rijden en zo oprecht kunnen liegen, het is niet elke kampioen gegeven.  Ik wil uw pret niet bederven – of maar een klein beetje – en als u de cross topsport vindt, ook goed. Blijf dan vooral elke zondag kijken: naar de VRT, naar Vier, naar Play Sports of waar ze desgevallend die ongein op de buis brengen.

Dat was slaan. Nu komt zalven. Zonder overdrijven en zonder spot: Wout Van Aert is een fe-no-me-na-le renner, een gi-gan-tisch talent en veel te goed voor de marge van het wielrennen. Je kan alleen maar dromen wat ze met die jongen zijn motor in het Verenigd Koninkrijk of Australië zouden hebben aangevangen. Alvast geen meter zou hij in de modder hebben gereden en hij zou volgend jaar wellicht deel uitmaken van de achtervolgingsploeg die goud zal winnen in Rio. Vervolgens zouden ze hem na zijn 25ste een mooi plekje geven in een wegploeg en zou hij de ene na de andere grote wedstrijd winnen, wie weet zelfs een ronde.

De Wout Van Aert van tien jaar op rij, Sven Nys, stapte gisteren af op enkele ronden van het einde. Jammer. Hij rijdt rond met de mooiste fiets uit zijn twintigjarige carrière, maar af en toe gaat iets mis. Op je 39ste hapert het binnenwerk al genoeg waardoor je ketting- en derailleurproblemen wel kan missen. Zelfs afstappen deed Sven Nys in stijl. Hij blijft voor eeuwig de seigneur van het veld en het is een opluchting dat zijn afscheidstournee geen aaneenschakeling is van amechtige beleefdheidsbezoekjes maar dat hij voorin blijft meedraaien. Ergens diep van binnen leeft zelfs het vermoeden dat hij in de planning van zijn laatste seizoen één superpiek heeft gepland. Die ene overwinning wens ik hem nog toe. Waarom geen kampioenentrui in januari?

Column over Eurostadion in De Morgen van 31 okt 2015

Eurostadion

Mei 2020 is de streefdatum voor de opening van het Eurostadion, dat tegen die tijd anders zou moeten heten. Allianz is een stichtend voorbeeld van doordachte ‘naming rights’. Iedereen kent de Allianz Arena in München, een stadion met 75.000 plaatsen voor
Bayern, 1860 München en af en toe de nationale ploeg, met led-verlichting die helemaal verandert van kleur en stadionconfiguraties naargelang het thuisspelende team. (Een prachtige formule van samengebruik die wel kan in München en niet in het waterdorp Brugge, waar twee stadions moeten komen, maar daar gaat dit stukje nu niet over.)

Naast de grote Allianz Arena in Duitsland is er ook nog een Allianz Riviera voor 35.000 man, een schitterend bouwwerk in de heuvels achter Nice, waar de plaatselijke ploeg in voetbalt. Arena en Riviera zijn nieuwbouwstadions die heel erg op elkaar gelijken. Voorts zijn er nog het Allianz Stadium in Sydney waar 45.000 man in kunnen, Allianz Parque in Sao Paulo voor 43.000 toeschouwers, en het helemaal niet bekende Allianz Park in Londen voor 10.000 rugbyfans, maar dat waren bestaande stadions.

Maar hé, is Allianz vorig jaar niet ineens sponsor geworden van RSC Anderlecht, de voornaamste huurder van het stadion? Misschien wordt het wel de Allianz Euro Temple in Brussel. Met de nadruk op misschien. Meer risky business dan dit Eurostadion is niet denkbaar, maar dat heb je nu eenmaal als je als grootstad met zoveel andere noden en prioriteiten te allen prijze een veel te groot stadion wil bouwen, op een grond die niet van jou is en waarvoor andere overheden hun fiat moeten geven.

Uitgerekend in Brussel, de stad waar niets lukt en alles in het honderd loopt, het metropooltje van ocharme 1 miljoen mensen dat niet eens één bestuurlijk geheel is, moet straks dat stadion verrijzen. En niet zomaar een stadion, maar een tempel voor 60.000 man,
dat alles in recordtempo gebouwd met een bouwheer die in Gent heeft bewezen niet van de makkelijkste te zijn en – om het extra gecompliceerd te maken – ook nog eens op vijandelijk grondgebied. Bonne chance, veel geluk. Het is niet te hopen, maar de kans dat we ons in 2020 onsterfelijk belachelijk maken voor heel Europa met een stadion dat er niet zal staan, is veel groter dan dat we er tegen die tijd in voetballen.

Het is ook een raadsel waarom men vasthoudt aan 60.000 toeschouwers voor dat nieuwe stadion. Gaan we echt bouwen op maat van een finale van een Europees kampioenschap of is het bedoeling dat we nog voor het pensioen van schepen Alain Courtois een Champions League-finale naar Brussel halen? Voor Anderlecht alleen is dat stadion alvast veel te groot. Behalve concerten en misschien de Rode Duivels kan alleen de Memorial Van Damme in een goed jaar misschien 60.000 tickets verkopen, maar uitgerekend dat evenement is niet meer welkom.

Dat een atletiekbaan en een voetbalstadion niet samen zouden gaan, is compleet van de pot gerukt en is een van die achterhaalde premissen waar de voetbalwereld een patent op heeft. Een hele infrastructuur afstemmen op dertig dagen gebruik, is economisch en maatschappelijk niet te verantwoorden, maar de arrogantie van de meest gesubsidieerde sport van het land (ik bespaar u de voordelen van het voetbal op vlak van bedrijfsvoorheffing en sociale lasten) is grenzeloos. De domheid van Brussel ook.

Er zijn stadions zat waar de twee functies wel samen gaan. Het Stade de France om er maar één te noemen, is misschien niet het beste voorbeeld, maar ook het Olympic Stadium in Londen, waar volgend jaar West Ham United zal spelen, behoudt zijn atletiekbaan. Meer zelfs, er wordt gewerkt met uitschuifbare tribunes en UK Athletics is in de voetballoze maanden verzekerd van gebruik.

Om alle voorgaande redenen sluit ik mij graag aan bij Jacques Borlée om voor die bulldozers te gaan liggen als het Koning Boudewijnstadion zonder alternatief wordt gesloopt. Het zou een godgeklaagde schande zijn als straks het grootste atletiekstadion van het land verdwijnt ten voordele van een koopcentrum dat een kilometer verderop een megalomaan voetbalstadion moet financieren. De weerstand daartegen kan niet massaal genoeg zijn.

Eurostadion

Verhaal over Royal Mouscron-Péruwelz in de Morgen van 31 okt 2015

HET MIRAKEL van Moeskroen

Niemand in de Jupiler Pro League die weet hoe dat team daar in die uithoek officieel heet, nog minder die weten wie daar nu de plak zwaait, en al helemaal niemand die Royal Mouscron-Péruwelz enig succes gunt. ‘Dat weten we, maar we doen voort op onze manier.’ Beef maar al, Anderlecht, morgen.

“De match vandoage, komd’ ook kieken?” In Le Coin du Stade, het café op de hoek van de Rue de Roubaix en de Rue du Stade, is het anderhalf uur voor de wedstrijd niet druk en de voertaal is er ten behoeve van de vreemde bezoeker gemengd West-Vlaams met veel haar op en Frans, ook met haar op. “Un journaliste flamand… C’est bien, ça. E pintje?”

Joseph is al eeuwen supporter en heeft alle mogelijke clubellende doorstaan. Terwijl de supporters binnen komen druppelen – vaak jonge mensen, helemaal in het rood uitgedost en sommigen bij voorbaat al behoorlijk in de wind – lacht hij om Club Brugge, vijftig kilometer in vogelvlucht naar het noorden. “Ze zijn daar triest dat ze al elf jaar niets meer hebben gewonnen. Wat waren ze boos toen ze hier kwamen verliezen met 2-1. Maar waarom? Ze zijn nog nooit dood geweest. Wij wel, al meer dan een keer, en elke wedstrijd is voor ons een feest.”

Zoals afgelopen dinsdag, thuis tegen Westerlo. Nou ja, feest: 1.500 toeschouwers in een stadion voor ruim 10.000 mensen, twee tribunes bleven zo goed als leeg en in die ene achter het doel hadden zich 35 Westerlo-fans verzameld. Die juichten in het begin van de wedstrijd bij de 0-1 en aan het eind, bij de ultieme 2-2. Van verslagenheid bij het thuispubliek was geen sprake, het glas bleef halfvol bij de 0-1 en ook na het eindsignaal.

De harde kern heet Les Hurlus, net als de club genoemd naar protestantse raiders uit de zestiende eeuw die de streken rond Lille en Moeskroen onveilig maakten. Professioneel aangevuurd door een menner met de rug naar het veld, zorgden ze in het kille Le Canonnier toch voor enig animo. De spelers werden na de wedstrijd gegroet. “Ze doen ook hun best, nietwaar, en het is te hopen dat le comité dat ook doet.”

‘Le comité’, het bestuur, daar heeft men in Moeskroen en wijde omstreken niet al te veel vertrouwen meer in. In de eigenaars nog minder. Royal Excelsior Mouscron heette het team dat in 1996-97 voor het eerst in de clubgeschiedenis zou promoveren naar eerste klasse. Dat viel niet toevallig samen met de komst van Georges Leekens, maar nog meer met die van de Doelstellingen I-subsidies van de EU voor Henegouwen. In totaal zou de achtergestelde regio in tien jaar tijd tussen de 2,5 en 3 miljard euro opstrijken, en met de kruimels die van tafel vielen werd en passant ook de plaatselijke voetbaltrots uitgebouwd.

De club zou veertien jaar in eerste klasse blijven, tot het faillissement in 2010. In de eerste vier seizoenen, de hoogdagen van het Europees geld, eindigde de club een keer derde en twee keer vierde. Vanaf 2001 werd de Europese subsidie afgebouwd en na 2002 eindigde de club op een seizoen na altijd in de rechterkolom.

Wie is de baas?

Na het faillissement verdween de naam Royal Excelsior Mouscron en ook het stamnummer 224. Wat ervan overbleef ging op in RRC Péruwelz, maar wel in vierde klasse. Daar begon de fusieclub aan een steile opgang en de promotie naar eerste klasse op het einde van het seizoen 2013-2014 als Royal Mouscron-Péruwelz, een filiaal van de rijke buren van Lille OSC, was bijna een vergiftigd geschenk.

RMP werd dat seizoen het lelijkste eendje van het Belgische topvoetbal: niemand wilde het vreemdelingenlegioen op noppen uit Moeskroen erbij, ook al omdat er zes Belgen op het wedstrijdblad stonden omdat ze Belg waren en niet omdat ze verondersteld waren te voetballen, op Pieter-Jan Monteyne na.

Nadat moederclub Lille vertrok, kon voorzitter Edward Van Daele op zoek naar nieuwe investeerders. Die vond hij eerst in een sultan uit Oman, ene Qaboes bin Said Al Bu Said, waarna dat weer een doodlopend straatje bleek. Daarna kwam Gol International, het bedrijf van de Israëlische makelaar Pini Zahavi en zijn Duits-Albanese collega Fali Ramadani, op de proppen. Toen die 90 procent van de aandelen verwierven, vermoedde men daarin een zet van Chelsea dat een filiaal op het vasteland wilde en een uitstalraam voor buitenlandse import. “Eén jonge Chelsea-speler loopt nu rond bij ons”, zegt algemeen manager Roland Louf. “Cristian Manea uit Roemenië. We zijn geen filiaal.”

Zahavi en Ramadani vertonen zich zelden in Moeskroen, maar werken elk met hun tussenpersonen, respectievelijk de Braziliaan Humberto Paiva en de Kroaat Yuri Selak die beiden de titel van sportief directeur dragen. “Het is niet duidelijk wie hier nu de sterke man is”, zegt een bron binnen de club. “Maar doet dat ertoe?”

Trainer Cedomir Janevski haalt de schouders op. Duidelijkheid zou hem wel goed uitkomen, is de indruk, maar hij klaagt niet. Janevski is dankbaar, en zoals Hugo Camps hem deze week omschreef is hij every inch a gentleman. Als trainer wellicht soms de juiste man, maar haast nooit op het juiste moment en op de juiste plaats. Zo zat hij vorig jaar een heel seizoen met zijn vingers te draaien.

“Ik had destijds mijn contract ingeleverd als bondscoach van Macedonië om dichter bij mijn gezin trainer te worden in Bergen, maar het voorbije jaar zat ik thuis. Na veel afwijzingen twijfelde ik of ik niet weer naar het buitenland zou gaan. Toen hoorde ik dat Johan Walem Moeskroen niet zou trainen, maar wel KV Kortrijk, waar ik ook in beeld was. Ik heb mijn kandidatuur gestuurd en een paar dagen later hadden we een deal.”

Gefrustreerd

Het bericht is nog steeds terug te vinden op de website van Het Nieuwsblad: ‘Moeskroen ontslaat Janevski’. Datum: 1 september 2015. Zes speeldagen ver had RMP 2 op 18 en ging het alarm op rood. “Ik kreeg een telefoon van René Verheyen: ‘Wat lees ik nu Cedo, je wordt ontslagen?’ Ik wist nergens van. Ik kwam op de club en ik heb rondgevraagd wie dat had bevestigd. Niemand. Vreemd.”

Hij bleef rustig verder werken, en na de interlandbreak volgde op 11 september de verlossing: 2-1 thuis tegen Club Brugge, al kwam de gelijkmaker er na buitenspel. Een week later ging Lokeren thuis voor de bijl en nog een week later werd de leider uit Oostende op 2-2 gehouden. In de laatste zeven wedstrijden verloor het alleen van AA Gent thuis (met onkans) en haalde het 12 op 21.

Janevski: “Onze kern is nog niet top. Spelers genoeg, hoor: ik heb er 35. Er zijn er nog vijftien komen aanwaaien net voor de transferdeadline, de meesten zonder matchritme. We proberen die met aparte trainingen klaar te stomen. Het is geen toeval dat we nogal wat doelpunten tegen krijgen in de laatste kwart van de wedstrijd.”

Het cv van Cedo Janevski oogt tragisch, maar niemand moet medelijden met hem hebben. Een beetje meer respect voor zijn kunnen – met name bij de clubleiders – zou hij wel op prijs stellen. “Ja, het heeft mij ooit gefrustreerd dat ik niet meer kansen kreeg. Toen ik overnam van Emilio Ferrera en met Club Brugge de beker won (in 2007), waardoor we ons Europees kwalificeerden, had ik aan de voorwaarden voldaan en hadden ze mijn contract volgens afspraak moeten verlengen, maar ze kozen voor Jacky Mathijssen. Ik ging dan naar Gent als assistent van Trond Solied en toen die naar Heerenveen vertrok, vroeg het bestuur van Gent hem uitdrukkelijk om mij niet mee te nemen, want ze wilden met mij doorgaan als T1. We praatten en toen stopte het: ik zou te duur zijn geweest. Even later namen ze Michel Preud’homme.

“Vorig seizoen had ik contact met Cercle Brugge, voor de play-offs, maar ze namen Dennis van Wijk. Dit seizoen was ik in beeld bij Kortrijk, maar toen namen ze Johan Walem. Telkens worden afgewezen, het gevoel dat niemand je wil, is behoorlijk vervelend, maar ik zal daarom als mens niet veranderen. Ik denk dat ik mezelf niet goed verkoop. Ik zie collega’s die amper drie weken zonder club zitten, alweer ergens anders opduiken, of als analist meteen mogen aanschuiven.”

Sinds 2000 is de geboren Joegoslaaf uit Macedonië trainer in het profvoetbal. Met Club Brugge, Rode Ster Belgrado, Enosis Neon Paralimni en Ethnikos Achnas, beiden uit Cyprus, bondscoach van Macedonië, Bergen en nu Mouscron-Péruwelz is zijn cv goed gevuld. Die laatste is de eerste Belgische club waar hij de volledige voorbereiding kan overzien.

Vijftien nationaliteiten

“Ik ben een crisistrainer. (denkt na) Maar ik heb pech gehad. Bij Club had het helemaal anders kunnen uitdraaien en dan was ik gelanceerd als trainer. Hadden we tegen Anderlecht thuis de 2-0 kunnen vasthouden, dan eindigden we wellicht nog derde en mocht ik wellicht blijven. Ik had ook wat egoïstischer moeten zijn en meteen een contract van anderhalf jaar moeten vragen. Ik ben een paar keer belogen en heb nu minder vertrouwen in mijn medemens: bij mij is een woord een woord en ik ben nooit hypocriet. In het voetbal is dat vaak andersom.”

Met wat hij nu presteert met Royal Mouscron-Péruwelz valt hij op. Orde scheppen in de chaos, incasseren maar toch rustig blijven, structuur brengen in het spel en één voor één jonge jongens inpassen zoals hij dat vijf jaar bij Club als beloftentrainer deed. Ten slotte met verzorgd spel grote clubs de duvel aandoen: Oostende gelijk, Club Brugge en Genk geklopt, die laatste zelfs met 0-4.

Bescheidenheid siert deze man, maar zijn fierheid is hem gegund: “Het is een mirakel wat we met deze jonge groep hebben verwezenlijkt: veertien punten uit dertien wedstrijden, na twee punten uit de eerste zes. Ik had geen ploeg toen ik op 15 juli met de training begon. De eerste vier speeldagen had ik vijftien spelers. Zahavi en Ramadani kwamen nadien. In augustus vroeg het bestuur me naar de gewenste spelersprofielen. Vervolgens kwam het met een eerste lijst met beschikbare spelers. Daar stonden mooie namen op: Nuno Reis, Leon Bailey die in Genk zit, en zelfs een Braziliaan van de nationale ploeg.

“Uiteindelijk is geen enkele speler van die eerste lijst gekomen. Toen kwam een tweede lijst. Testen? Geen sprake van: dat waren de spelers met wie ik het zou moeten doen. Een aparte manier van werken, maar er waren wel ineens nieuwe spelers. De laatste dag zijn Oussalah en Hubert nog overgekomen van Gent, en een nieuwe keeper en spits.

“We hebben nu vijftien nationaliteiten in onze ploeg. Om de kliekjes tegen te gaan en ze met elkaar te doen communiceren heb ik de spelers na een paar dagen verplicht om door elkaar te gaan zitten bij het eten. Geleidelijk herstellen we ook weer het contact met de gemeenschap. Toen Lille hier de plak zwaaide, kwam de ploeg alleen over de grens om te spelen. Nu gaan we ook al eens naar de cafés rond het stadion voor een supportersavond.

“Tegelijk zijn we ook bezig met het opkalefateren van onze ruimtes. Met vrijwilligers hebben we het bureau van de staf ingericht. De spelers hebben nu een eigen spelershome, matrassen om te rusten, en eigen lockers. We trainen met Polars en er is een videoanalist.”

Vorig seizoen kende Mouscron-Péruwelz, dat volgend jaar overigens Royal Excel Mouscron zal heten en op zoek is naar een nieuw logo, ook een sterke eerste ronde. Na Nieuwjaar begonnen de spelers aan hun eigen toekomst te denken en werd nog 2 op 33 gehaald. Algemeen directeur Roland Louf was net begonnen toen Lille OSC aan het eind van het seizoen vertrok: “Er was niets meer. De hele staf, bijna de hele administratie en het commercieel departement waren vertrokken. We hadden nog vier spelers onder contract. Maar we hebben rustig voortgewerkt.”

Janevski: “Is dit de moeilijkste job ooit? Het is alleszins niet makkelijk. De stemmingmakerij stoort me een beetje: ‘het lelijke eendje’, ‘degradatiekandidaat nummer één’, ‘Janevski met zijn klein contract’, al die onzin die ik moest lezen. Deze week stond in de krant dat Sergio Conceição kandidaat was om mij op te volgen. Beter niet lezen? (lacht) Ik heb de krant om op de hoogte te blijven van wat er omgaat in onze sport, en ik kan die ene pagina die over ons gaat toch niet uit de krant scheuren?”