Verhaal over IJsland in EK-bijlage van De Morgen van 4 juni 2016

Nooit heeft een kleiner land meer sporttalent voortgebracht. Hoe het onherbergzame IJsland met zijn 329.000 inwoners van de schaarste een deugd maakte en de sensatie van de kwalificatie werd. Wie stopt die Vikingen met hun Zweedse hoofdman?

“I had sex with an elf in Iceland.’ Dat is het eerste T-shirt dat een toerist ziet in de winkelstraat van hoofdstad Reykjavik. Het tweede is dat van de nationale elf, de trots van de rots, het land van vuur en ijs. De Italiaanse kledingmaker Errea presenteerde het EK-shirt op 1 maart van dit jaar met een toepasselijke, maar enigszins voorspelbare spot: een vuurbal werd tegen een ijswand getrapt, waarop het ijs brak en het blauwe shirt met lange rood-witte strepen werd onthuld. Voor de geïnteresseerden: het bestaat ook in wit en in fluo.

Toen begin mei de vijf maanden durende competitie op gang werd getrapt, leefde het EK voetbal nog niet in de straten van de IJslandse steden en dorpen. Ondanks de vroege dooi, met dank aan El Niño, was het voor uitbundigheid nog te koud. Knattspyrnu – voetbal dus, maar fotbolti mag ook – heeft het vulkaanland wellicht wereldwijd op de kaart gezet, bij afstammelingen van de Noormannen hoort enige onderkoeldheid.

Ergens leeft de stille hoop op een kopie van de successen van de nationale handbalploeg, die in 2008 op de Olympische Spelen in Peking zilver won, want toen gingen de coole en koele IJslanders wel uit hun dak: 85 procent keek naar de finale en 40.000 mensen – een halve hoofdstad – verwelkomden de handballers. Dat olympische zilver was tegelijk een emotionele ontsnapping uit zware tijden. De bankencrisis speelde al volop en twee maanden later zouden de IJslandse banken failliet gaan: de lokale beurs zakte met 90 procent. Nog eens twee jaar later hield IJsland Europa opnieuw in zijn greep, toen de vulkaan Eyjafjallajökull uitbarstte en zes dagen lang het vliegverkeer in Noord- en West-Europa stopte. Neen, vanuit IJsland kwam deze eeuw nog niet veel goeds onze richting uit. Tot nu.

“Ik ben blij dat ons resultaat in groep A beter is onthaald dan onze vulkaan.” Omar Smarason, marketingdirecteur en mediaverantwoordelijke van de IJslandse voetbalbond KSI, excuseert zich voor zijn sarcastische repliek. Hij is het moe – “ik ben liever eerlijk” – om telkens buitenlanders te woord te staan. “Wij zijn geen one year wonder. We hadden al goede jeugdelftallen en we hebben die nu weer, en we hadden er met strakarnir okkar (‘onze jongens’) al bij moeten zijn op het WK in Brazilië.”

Dat is niet gelogen. IJsland werd tweede in een groep met Zwitserland, waartegen het in een memorabele wedstrijd in Bern 4-4 gelijkspeelde na een 4-1-achterstand. Ze kwalificeerden zich voor de play-offs en moesten daarin tegen voetbalgrootmacht Kroatië in het veld. Het werd 0-0 in Reykjavik, maar 2-0 in Zagreb.

Smarason: “Een deelnemer met welgeteld 329.000 inwoners op het grootste sportevenement van de planeet, dát was pas een stunt geweest. We hadden al eens met 1-1 gelijkgespeeld tegen wereldkampioen Frankrijk in 1998 en in 2004 klopten we de latere wereldkampioen Italië, telkens in wedstrijden met inzet. Deze kwalificatie nu, met Euro 2016, zat er aan te komen.”

IJsland begon thuis tegen Turkije meteen met 3-0-winst. Vervolgens ging Letland in Riga met 0-3 voor de bijl en op 13 oktober 2014 wonnen ze met 2-0 van Nederland, dat een paar maanden eerder nog de halve finale van het WK had gespeeld. In Tsjechië ging het mis, maar dat werd rechtgezet in de return in IJsland. Kazachstan uit: winst. Nederland uit: winst.

Twee speeldagen voor het einde was het onooglijke IJsland al zeker van zijn primeur: deelname aan de Europese eindronde. Dat ze geen eerste van de groep werden, was te wijten aan twee gelijke spelen thuis tegen Kazachstan en Letland en het verlies in de laatste wedstrijd in Turkije.

‘Duglegur’, hard werken

Hoewel het drie keer de oppervlakte van België heeft, is IJsland geen groot land en staat het ook niet direct te boek als een groot sportland. In de stand van olympische medailles per inwoner halen ze evenwel de top, samen met andere kleine sporteilanden als de Bahama’s (met een vergelijkbaar inwonersaantal). De sport of competitie waarin IJsland tot vandaag nog het meest uitblonk, was niet voetbal of handbal, maar The Strongest Man, waarin alleen de Verenigde Staten meer medailles wonnen. Jon Pall Sigmarsson en Magnus Ver Magnusson zijn internationaal de populairste IJslandse sporters, en worden zelfs voor commercials gevraagd tot in de VS, waar ze al lang op zoek zijn naar het geheim van die sterke mannen van die gigantische vulkanische rots in de Noordelijke Atlantische Oceaan.

“IJsland is een land van harde mannen, voor geen kleintje vervaard. Wij IJslanders zeggen dat we in het mooiste land ter wereld wonen, en dat kan kloppen. We zeggen ook dat het de beste plek is om te wonen. Ja, in de zomer, maar dan slaap je niet van het licht, en in de winter zie je soms dagen géén licht. De koude, de regen of de sneeuw en het ijs: een weekje kan ik het er nog wel uithouden.”

Dat zegt ex-voetballer Arnar Vidarsson die we opzoeken in Lokeren, waar hij trainer is van de beloften en waar met Sverrir Ingason vandaag ook een international speelt die straks op het EK is. Vidarsson geeft toe dat hij trots is op zijn land en zijn voetballers. Hij knikt als we het woord ‘duglegur’ in een slechte uitspraak van onze nota’s aflezen. “Dat typeert ons. Het betekent: je best doen, altijd en overal. Hoe dat komt? Door het isolement op dat eiland. Wij zijn afstammelingen van de Vikings en dat merk je aan alles. Ons land heeft ons gehard. IJsland is nu modern en relatief rijk, maar ooit was het arm. Mijn grootouders zijn opgegroeid in plaggenhutten die in de modder stonden, zonder water of stroom. De jeugd van nu heeft het makkelijker. IJsland is een luxeland geworden, mede doordat de VS ons als eerste testmarkt zien voor hun Europese producten.”

Jonge republiek

IJsland is nog maar een goede zeventig jaar helemaal onafhankelijk van Denemarken, terwijl het eerder bijna zeshonderd jaar deel was van Noorwegen. Om correct te zijn, IJsland was al sinds 1918 een soevereine staat, maar dan in een duo-koninkrijk naast Denemarken, onder dezelfde koning. Tijdens de bezetting van Denemarken door nazi-Duitsland riep IJsland in 1944 de republiek uit. Het hielp dat het tijdens die oorlog zelf een strategische uitvalsbasis was voor de geallieerde troepen.

Twee jaar na de echte onafhankelijkheid zou het IJslandse elftal een eerste keer aantreden, tegen Denemarken, en de IJslanders sloofden zich uit om het de Denen naar de zin te maken. Ze vergastten hen zelfs een dag voor de wedstrijd op een slopende dagtrip op paarden langs de vulkanen en geisers. Desondanks werd het 0-3. Een jaar later werd de voetbalbond – de Knattspyrnusamband Islands of KSI – opgericht en in dat jaar maakte Albert Gudmunds-son tegen Noorwegen het eerste internationale doelpunt. Op 2 juli 1948 volgde de eerste interlandoverwinning, toen Finland met 2-0 werd geklopt.

Inmiddels was ook een clubcompetitie ontstaan en Valur uit Reykjavik zorgde als eerste club voor ophef door in 1968 het grote Benfica van Eusébio op 0-0 te houden. De eerste Europese winst volgde in 1985: Valur klopte Nantes met 2-1. Toen speelde de grote Arnor Gudjohnsen al voor Anderlecht en een jaar eerder had heel IJsland gehoopt dat hij van de bank zou mogen komen in de finale van de UEFA Cup, maar helaas. Paul Van Himst bracht hem niet in en Anderlecht verloor.

Talent zat

Arnors grootste prestatie zou er in bestaan dat hij heel jong vader werd van Eidur, en die werd een nog betere voetballer, want hij haalde het eerste elftal van Chelsea en Barcelona. Op 24 april 1996 speelden vader en zoon samen in een interland tegen Estland, een ijkpunt in de sportieve geschiedenis van het land. Om precies te zijn kwam Eidur zijn vader Arnor vervangen.

Eidur – 37 inmiddels – maakte dit seizoen vol in Noorwegen bij Molde FK met als enige bedoeling om twintig jaar na zijn debuut weer bij de EK-selectie te zijn. Weze het als bankzitter, want tegenwoordig heeft IJsland heel veel jong talent, nadat het in 2011 al de Europese eindronde haalde bij de U21. Alfred Finnbogason (bij Lokeren in 2011-2012 en nu van Real Sociedad, maar uitgeleend aan FC Augsburg), Gylfi Sigurdsson (Swansea), Johann Gudmundsson (Charlton) en captain Aron Gunnarsson (Cardiff City) zijn wellicht niet de meest gewilde Panini-plaatjes, maar dat kan veranderen als ze op 14 juni om 21 uur in Saint-Etienne in de allerlaatste wedstrijd van de eerste speelronde van de poules Portugal een hak zetten, zoals ze eerder met Nederland en Turkije deden.

Het bijzondere microklimaat voor sport in IJsland is een samenspel van verschillende elementen waarvan andere landen veel kunnen leren. De grondstof was er: IJslanders zijn buitenmensen in een hard landschap met een hard klimaat en hebben altijd fysiek talent gehad. Bewegen zit in de Viking-genen van de IJslanders en hun opmerkelijke wilskracht en discipline is daar onlosmakelijk mee verbonden. De socioloog Vidar Halldorsson bestudeerde de IJslandse volksaard en kwam tot de opmerkelijke vaststelling dat IJslanders meer gedreven worden door intrinsieke motivatie dan andere volkeren. Komt daarbij dat ze opmerkelijke teamspelers zijn.

IJsland heeft een echte sportcultuur. Neem nu Vestmannaeyjar, een gemeente op de gelijknamige ‘Westmaneilanden’, 11 kilometer voor de kust. De sportinfrastructuur laat zich als volgt samenvatten: één indoor voetbalhal, vier outdoor voetbalvelden, vijf hallen voor handbal of basketbal, een zwembad en een golfterrein. In Vestmannaeyjar wonen 4.200 mensen.

Sport staat centraal in de ontspanning van de bevolking en dat begint bij de sportvereniging. In Hafnarfjordur, een voorstadje van hoofdstad Reykjavik, heet het team FH of Fimleikafelag Hafnarfjordur, wat zoveel wil zeggen als gymnastiekclub. Onderweg van de luchthaven op het schiereiland Keflavik naar Reykjavik rij je langs het sportcomplex dat de gemeente heeft gefinancierd.

Indoor kids

FH biedt vier sporten aan: voetbal, atletiek, handbal en schermen. Eerste verschil met het Europese vasteland: het is niet ongewoon dat een kind aan verschillende sporten doet. 90 procent van de tienjarige IJslandse kinderen beoefent minstens twee sporten. De kostprijs is te overzien. Ouders betalen 320 euro lidgeld per jaar voor een kind van 3 tot 10, tot 530 euro per jaar voor een 14- tot 19- jarige. De gemeente geeft voor elk kind een sportvoucher van 190 euro per jaar.

Arnar Vidarsson zat bij FH: “Ik speelde voetbal, handbal en basketbal en ik trainde negen keer per week, twee keer op weekenddagen en elke avond van de week. In het basketbal heb ik leren verdedigen en in het handbal leren bewegen en hard worden, want handbal is echt een harde sport. Later ben ik ook gaan golfen. In de zomer voetbalde ik buiten, soms op gras maar ook vaak op gravel. In de winter was het zaalvoetbal in kleine zalen, want ik ben van voor de grote voetbalhallen.”

In 2000 werd de eerste indoorhal gebouwd op IJsland: een volledig voetbalveld, met kunstgras, beschut tegen de gure weerelementen. In de jaren daarna – niet toevallig gelijklopend met de financiële bubbel die in IJsland werd opgebouwd – werden nog eens zes van die hallen over het hele land gebouwd en twaalf hallen met een half veld. Plots kon het hele jaar door gevoetbald, of minimaal getraind worden in ideale omstandigheden. Outdoor werden 23 voetbalvelden en 136 miniveldjes in kunstgras aangelegd. Die laatste liggen in woonwijken bij scholen en zijn verlicht.

Arnar Bill Gunnarsson van de KSI: “Al die infrastructuur is meestal eigendom van de gemeente, die ze aan de club leent en zelf de uren opvult. Dat zorgde voor een generatie technisch betere voetballers. Jawel, opgegroeid op kunstgras. Wij noemen ze soms de ‘indoor kids’ en zij maken vandaag de dienst uit in het nationale elftal.”

Bondscoach-tandarts

Naast het atletisch potentieel, de mentale ingesteldheid en de infrastructuur, kwam vanaf 2002 ook nog eens een kwalitatieve opleiding. Even leek het wel of heel IJsland voetbaltrainer wilde worden. Gymleerkrachten, kinesitherapeuten, geïnteresseerden, ex- voetballers, allemaal volgden ze trainerscursus. Volgens de meest recente telling heeft IJsland minimaal 630 trainers met een UEFA B-licentie, en daarnaast nog eens 200 A-trainers. Die worden allemaal door de gemeente of de club een salaris betaald waarvan

men kan leven. Sommige coaches doen er nog wat bij, zoals assistent-bondscoach Heimir Hallgrimsson, die tandarts is op de Westmaneilanden. Na het EK wordt hij hoofdcoach van de mannen en zal hij zijn praktijk opgeven, iets wat hij eerder tijdens de vijf jaar als coach van de vrouwenploeg steeds weigerde.

Helemaal opmerkelijk is de talentdetectie, want die bestaat niet. Eerst staat de algemene atletische en technische ontwikkeling van het spelende kind voorop, pas vanaf 13 jaar gaat de IJslandse bond de kinderen van dichtbij bekijken. Arnar Vidarsson: “Het unieke aan het IJslandse model is de brede selectie. Dienen zich in een club honderd kinderen aan per jaargang, dan zullen die allemaal trainen en spelen. Niet zoals bij de ploegen hier, met twee keer de zestien beste spelers, en de rest die mag opkrassen omdat ze niet goed genoeg zijn. En alle IJslandse voetballertjes krijgen te maken met goed opgeleide trainers.”

Spelers worden ingedeeld in ploegen volgens hun kunnen: de beteren spelen en trainen met de beteren, de minder getalenteerden met de minder getalenteerden. Ook die met twee linkervoeten spelen met elkaar. Supergetalenteerde 16-jarigen worden aangemoedigd om in de lokale competitie met de A-elftallen mee te spelen. De besten vertrekken ten slotte naar Europa.

Gunnarsson: “We hebben een schaarstemodel, dus moeten we voorzichtig omspringen met onze voetballertjes. Het gebeurt vaak dat we een spelertje eerst niet opmerken en later zien opduiken in selecties, terwijl die in andere landen al was verdwenen uit het voetbal. Wij laten de spelers ook vooral rijpen in hun clubs. Slechts vijf weekends per jaar zullen we ze samenbrengen en wij dringen ook niet een bepaalde tactiek op. We hebben vertrouwen in de clubcoaches, want die hebben wij opgeleid.”

Talent, zowel fysiek als mentaal. Infrastructuur. Opleiders. Geen talentdetectie, want talent biedt zichzelf aan. Dat is heel wat, maar kan niet alle succes verklaren van een land met ocharme 75 profs die in 14 verschillende landen hun boterham verdienen.

Schapenkloten

Arnar Vidarsson plakt één naam op het succes van de nationale elf: de 67-jarige Lars Lagerbäck. “Lagerbäck is een Zweed die profclubs trainde en de nationale ploegen van Zweden en Nigeria. Toen IJsland hem vroeg, had hij maar één voorwaarde: ze moesten het op zijn manier doen. Hij professionaliseerde de bond en de nationale ploeg. In mijn tijd was een nationale selectie vakantie.
Wij logeerden in mooie hotels en aten drie keer per dag buffet met lokale IJslandse delicatessen zoals de tong, ogen en kloten van schapen. Lekker, vooral met zoete aardappel, maar geen eten voor sporters.”

Op 1 januari 2012 trad Lagerbäck aan. In april 2012 stond IJsland nog 128ste op de FIFA-ranking. Na de kwalificatie in september van vorig jaar stonden ze op 23. Het systeem-Lagerbäck was niet alleen funest voor de omzet van de hotelbuffetten, maar ook voor de tegenstander. Lagerbäck speelt een consequente 4-4-2 met zoneverdediging. Vidarsson: “Nederland heeft wel drie keer het systeem omgezet, maar er was geen doorkomen aan. Dat was het werk van Lagerbäck.”

Wat kunnen we op het EK van IJsland verwachten? De assistent-bondscoach-tandarts Heimir Hallgrimsson was laatst in Schotland op een trainerscolloquium waar ze aan zijn lippen hingen en hij had een mooie uitsmijter: “Succes is voor ons een reis, geen einddoel”.

Hij verwacht dat ze verder kunnen raken dan de groepsfase. In poule F met Oostenrijk, Hongarije en Portugal zijn ze alvast niet kansloos. Oostenrijk en Hongarije zijn haalbaar en Portugal zal hen onderschatten. En de IJslander zelf? Arnar Vidarsson is serieus: “Wij zijn overlevers. En IJslanders vinden zichzelf fantastisch. Dus toch maar oppassen voor ons.”

Verhaal EK en de Rode Duivels in EK bijlage De Morgen van 4 juni 2016

Ducttape voor de failed state

Wé gaan er in de eerste ronde uit. Of wé halen de halve finales. Minstens. Dat wil de Europese voetbalgeschiedenis, maar met deze Rode Duivels en deze bondscoach kan het alle kanten uit. De geplaagde natie die nooit iets wint, hunkert alvast.

Zie hoe de commerciële partners elkaar verdringen op de site van de KBVB: Adidas, BMW, Carrefour, Coca-Cola, GLS, ING, Jupiler, Luminus, Proximus, PWC, Nationale Loterij (Scooore!) en bouwonderneming Verelst. Maar waar zijn Pattex, Rectavit of wielermerk Soudal? Sportkleding, supermarkten, bieren, tot daar aan toe, maar als één product zich met onze nationale elf moet kunnen vereenzelvigen, dan is het lijm. Of bindmiddel: een merk van maizena als sponsor, dat zou pas a match made in heaven zijn.

Toen we ons kwalificeerden voor dit Euro 2016, nog wel via een ongecontesteerde eerste plaats in groep B, en vervolgens ook voor een maand of zes het nummer één van de wereld werden, was België nog gewoon België. Oké, niet de natie van de efficiëntie of van l’union fait la force en sportief een woestijn, maar met imago of sportresultaten koop je toch geen brood.

Vandaag is (zou) België een failed state (zijn). Onze luchthaven en metro gebombardeerd, onze spoormannen, luchtverkeersleiders en cipiers in staking of ziek of allebei, betogingen en gemor van plebs tot elite. En dan die ene, allesvernietigende conclusie: dit
land functioneert niet meer, niks nog om trots op te zijn. Niks, behalve… de Rode Duivels. Zij zijn de ducttape waarmee Wallonië en Vlaanderen over Brussel heen aan elkaar zijn geplakt, het bindmiddel waarmee de nationale mayonaise nog pakt, het enige tricolore instituut waarvoor zelfs N-VA’ers (in het geheim) supporteren.

Beste Duivels, deze natie die nog nooit iets won en hopeloos verdeeld is, hunkert naar een succesje. Het mag ook Succes zijn, mét hoofdletter, al was het maar om uit het zelfbeklag te kunnen ontsnappen en tijdelijk wat verbondenheid te voelen. Na die zeven glorieuze wedstrijden worden we snel weer onze ruziemakende, bange, verdeelde zelf. Beloofd.

Na het EK is de Tour aan de beurt en daar winnen we niks behalve kruimels. Nog iets later gaan we naar de Olympische Spelen met 130 atleten en zullen we ook maar drie of vier medailles meebrengen. Neen, we zijn geen goed sportland, ook niet als we op 10 juli in Saint-Denis in de finale van Euro 2016 staan en zelfs niet als we daar winnen.

Het is elk schrikkeljaar een drukke sportzomer, voor de eurocentrist tenminste. Deze sportzomer ligt het Belgische hoogtepunt in het begin en dat is nieuw. In geen tijd zijn we van een sukkelland een voetbalnatie geworden; van plaats 66 in 2009 op de FIFA-ranking zijn we in november 2015 nummer één geworden van alle landen op de planeet voetbal. Weliswaar zonder van één topland te winnen in een wedstrijd die er toedoet. Inmiddels is Argentinië ons weer voorbij, maar we zijn nog steeds het nummer één van de 24 Europese landen die naar Frankrijk afreizen om te strijden voor de vijftiende Europese Trophée Henri Delaunay.

Blamage wegwissen

Van alle sportieve schrikkeljaren was 2000 het allerdrukst. Toen organiseerden wij zelf samen met Nederland het EK voetbal en dat was een geluk, want zo mochten we ook nog eens meespelen. Jammer, maar we gingen er al na de eerste ronde uit en dat was nog geen enkel organiserend land overkomen. Met vijf deelnames op vijftien toernooien – dit 2016 meegerekend – is het EK voetbal en België niet bepaald een geslaagd huwelijk, al hebben we in 1972 in eigen land de halve finale gehaald en speelden we in 1980 in Italië zelfs de finale.

We verloren toen in Rome met 2-1 van West-Duitsland, iets wat wel meer en betere voetballanden ook is overkomen. Na 1984 hebben we ons zeven edities op rij nooit meer via sportieve prestaties kunnen kwalificeren. Hoewel met minder Europese deelnemers, ging de World Cup ons vreemd genoeg beter af: van de laatste negen edities misten we er maar twee.

Wat verwacht het geplaagde land van deze Rode Duivels? Simpel: beter doen dan in Brazilië in de zomer van 2014, dus beter dan de kwartfinale. Na die World Cup bleef deze natie op een voetbalhongertje zitten. In de groepsfase ging het er erg zuinigjes aan toe: 2-1 tegen Algerije en twee keer 1-0 tegen Rusland en Zuid-Korea. Maar vooral niet met het voetbal dat op basis van het beschikbare talent kon worden verwacht. Met negen punten pakten de Rode Duivels makkelijk groepswinst en moesten in de achtste finale tegen de VS.

Zevenentwintig keer schoot België in die wedstrijd op doel: Tim Howard pakte haast alles, tot hij zich in de verlengingen twee keer gewonnen moest geven, maar ook de Amerikanen scoorden en kregen in die loterij zelfs reuzenkansen op 2-2 en strafschoppen. Vervolgens keken we met Argentinië de eerste echte grote tegenstander in de ogen en verloren met 1-0.

Tricolore pletwals

Conclusie na vijf duels: zes doelpunten gescoord, drie tegen, geen antwoord op een laag verdedigend blok, te weinig kansen gecreëerd door gebrekkig samenspel voorin, en vooral niet lucide genoeg om de wedstrijd open te breken en naar de hand te zetten. Samengevat: geen herkenbaar concept.

Jammer maar helaas, de voorbije twee jaar laat weinig vermoeden dat de ploeg stappen heeft gezet. Onze kwalificatiegroep met Wales, Bosnië en Herzegovina, Cyprus, Israël en Andorra was de zwakste. In tien wedstrijden werd zeven keer gewonnen, twee keer gelijkgespeeld en één keer verloren.

Tegen de vleesgeworden verbetenheid Wales – drie voetballers aangevuld met slagers op noppen – hebben de Rode Duivels nooit een oplossing gevonden en pakten ze één op zes. De bakkers, kelners en postbodes van Andorra buiten beschouwing gelaten, waren alleen de wedstrijden thuis tegen Cyprus, Israël en Bosnië en Herzegovina degelijk – zonder meer, want van een tricolore platwals was nu ook weer geen sprake. Aan het eind van de campagne overheerste een gevoel van opluchting: de klus was eenvoudig geklaard, maar de voorspelde en intrinsieke brille was ver te zoeken. Het individuele talent volstond, toen nog wel.

Het voetbal van deze Rode Duivels is in niks meer te vergelijken met het uiterst laffe spel onder Raymond Goethals in de jaren 70 en het altijd afwachtende onder Guy Thys in de jaren 80 en 90, maar kan iemand zeggen voor welk voetbal onze nationale elf vandaag staat? Realistisch aanvallend, zegt bondscoach Marc Wilmots. Realistisch georganiseerd in de verdediging, voluntaristisch-intuïtief in de aanval. De Duivels hebben sinds 2014 in alle wedstrijden, behalve die verloren kwartfinale op het WK tegen Argentinië, hun tegenstander gedomineerd met balbezit. Zelfs tegen Argentinië was het in procenten 49-51, dus ongeveer gelijk.

Willen is nog niet gelijk aan kunnen. Balbezit impliceert het spel maken en laat dat nu net het moeilijkste zijn van het hele voetbal. Wat doe je in balbezit om tot scoren te komen? Hoe schuif je als blok? Hoe draag je er tegelijk zorg voor dat je achterin niet te veel ruimte en vooral geen kansen weggeeft? Zo viel het doelpunt van Argentinië en zo werden de Rode Duivels uitgeschakeld op de World Cup: Gonzalo Higuaín die met een gelukje de bal kreeg en van de kleine ruimte die Kompany had gelaten, gebruikmaakte om in één tijd te schieten. Zo vielen ook alle tegendoelpunten in de kwalificatie voor Euro 2016: steriel aanvallen, niet scoren en achterin heel even een onoplettendheid.

Het valt op dat zelfs Nederland, uitvinder-exporteur van het veroveringsvoetbal, de laatste drie toernooien vanuit een versterkte verdediging speelde. Het was niet om aan te zien, niet in Zuid-Afrika in 2010 (ondanks de finale), niet op Euro 2012 (laatste in de groep) en niet in Brazilië (halve finale). Zou België een ‘Oranje light’ kunnen worden: aanvalleuh, de echte voetballiefhebber charmeren, maar geen prijs halen? Overigens won Nederland zijn enige prijs – Europees kampioen in 1988 – niet met extreem aanvallend voetbal, maar met een sterk verdedigend blok, een bikkelend middenveld en voorin twee geniale spitsen.

Interlandvoetbal is minder inventief dan clubvoetbal, maar niet noodzakelijk makkelijker. Je speelt aan het eind van een slopend seizoen een spel dat matcht met het beschikbare materiaal en we hebben materiaal, punt uit. Op deze selectie valt weinig aan te merken. België heeft talent voor drie middenvelden van internationale allure. Voorin neemt Wilmots drie spitsen mee – een kaatser (Benteke), een hordenloper (Lukaku) en een sprinter-combinatieman-dribbelaar (Batshuayi). Dat wijst op minimaal de ambitie om te scoren.

Achterin heeft Wilmots twee vleugelbacks uit de Belgische competitie geselecteerd. Als reserve, zo was het plan, maar met al die blessures in de verdediging zullen Thomas Meunier en Jordan Lukaku misschien meer spelen dan gedacht, en dat is geen slecht plan. Het zijn de enige twee uit de selectie die makkelijk de achterlijn kunnen halen en vervolgens in één moeite terugkeren om te verdedigen. Aan ambitie ontbreekt het niet, maar het zal nog altijd de intentie en vooral de intensiteit zijn waarmee ze tussen de lijnen komen, die bepalen welke kant het opgaat.

België is een van de hofleveranciers van de Premier League, maar of dat nu goed nieuws is? Engeland staat niet bekend om slim voetbal, wel om een slopende competitie. Een meevaller zijn de blessures/dipjes van Kevin De Bruyne, Eden Hazard, Divock Origi en Christian Benteke geweest. Geblesseerde en gefrustreerde atleten, of een combinatie van dat alles, hebben vaak meer honger dan gelauwerde, leeggespeelde vedetten.

Eden De Bruyne

We hebben twee spelmakers bij de Rode Duivels: één die vanuit stilstand creëert (Eden Hazard) en één die alles op snelheid uitvoert (Kevin De Bruyne). Het is duidelijk dat de sleutels van de Duivels nu in handen zijn van De Bruyne, maar Hazard is omwille van het evenwicht tussen de coryfeeën tot captain gepromoveerd. Dat kan Hazard alleen maar ten goede komen. Hij wordt zo geresponsabiliseerd en kan flaneren tussen de linies om dicht bij het doel zijn weergaloze acties uit te voeren. Als hij daar zin in heeft.

De afwezigheid van Kompany zal zich laten voelen in de ambitie van de spits van de tegenstander, die het fijner zal vinden om tegen Jason Denayer van Galatasaray of een ander te staan, dan te moeten buffelen tegen de captain van Manchester City. De typeverdediging zal een variant zijn op Alderweireld, Denayer, Vermaelen en Vertonghen, met de twee centrale verdedigers van Tottenham op de vleugels, al kan dat allemaal snel veranderen.

Aan beide uiteinden van de ploeg staat de startende naam vast: Thibaut Courtois in doel en Romelu Lukaku in de spits, waarbij die laatste het meest onder druk staat, vooral als hij niet tot scoren komt. Het controlerende middenveld met Marouane Fellaini, Radja Nainggolan en Axel Witsel valt niet alleen op door hun kapsels, maar ook in daadkracht, al zal Witsel altijd wel zijn dosis kritiek krijgen uit de hoek van Vlaamse analisten. Ter vergoelijking: alles wat hier staat, is geschreven na de met 2-1 gewonnen oefenpartij in Zwitserland.

Bloedheet

We moeten tegen Italië, Ierland en Zweden, in die volgorde. Drie keer in steden waar het in juni vaker bloedheet dan wel lentefris is en wij spelen niet op reserve. Italië is een uitgekookt, maar geen uitgebalanceerd team. De Ieren zijn vechters en die tref je best zo laat mogelijk, als ze al een keertje hebben verloren en homesick zijn. Zweden ten slotte, dat zijn tien atleten en één kunstenaar die zichzelf tot legende heeft gedoopt en nog een ploeg zoekt.

Er is niet één recept om tot de achtste finale door te dringen. Dat kan overigens al als je derde wordt in de groep, dus dat mag niet misgaan. Tegen elk land een andere tactiek om tot scoren te komen, ligt dat binnen de capaciteiten van deze technische staf?
Daar wordt buiten en binnen het team aan getwijfeld. “Verdediging en middenveld trainen gericht, in de aanval doen we maar wat”, sijpelt door uit de groep, en dat was niet anders in Brazilië. Dat is behoorlijk vervelend nu nogal wat spelers tegen hun voet worden geposteerd en de neiging zullen hebben om ruimtes dicht te lopen. Zoiets vereist het inslijpen van looplijnen, maar omdat het daaraan ontbreekt (en de pers dat niet meer zou zien), zijn haast alle trainingen gesloten, met uitzondering van de bezigheidstherapie.

Euro 2016 wordt zwaarder voor de media dan voor de spelers, let maar op.

 

Wie is de gemiddelde Rode Duivel?

Eind 2015 was hij net geen 26 jaar oud, als we Vincent Kompany uit de berekeningen weglaten. We zijn niet bij de meest ervaren teams. Van de eerste vijftig landen op de FIFA-ranking waren maar negen landen jonger, van de Europese landen alleen Engeland. De Rode Duivel is 1m84 lang en weegt 76 kilo. Hij is 13de in lengte, maar slechts 25ste in gewicht. Hij weegt gemiddeld minimaal twee kilo minder dan om het even welke EK-speler van dezelfde lengte, wat kan worden verklaard door de leeftijd, hopelijk niet door een atletisch deficit. Puur cijfermatig wordt het WK van 2018 hét toernooi van deze selectie.

 

Column Meester Tafelspringer in De Morgen van 4 juni 2016

Meester Tafelspringer

Donderdag was weer zo’n dag dat het wereldnieuws met schokgolven op ons af kwam. Op het erf van Marc Coucke, Pairi Daiza in de volksmond, werd een pandajong geboren en daarvoor onderbrak Radio 1 de uitzending. In Gent en Brussel beefde de aarde toen de vzw Bruges Stropkes, bij de hand genomen door meester Walter Van Steenbrugge, klacht indiende bij de Europese Raad voor Mededinging wegens ‘ontoelaatbare overheidssteun aan bouwondernemer Ghelamco’. Zondag wijdt Panorama daar zowaar kostbare zendtijd aan.

Ghelamco is het bedrijf van Paul Gheysens dat de helft van Warschau heeft volgebouwd en de Ghelamco Arena in Gent heeft opgetrokken. Gheysens wil ook het Eurostadion bouwen in de rand van Brussel, waar de haring van Club- voorzitter Bart Verhaeghe maar niet wil braden. Verhaeghe wil daar vijf kilometer verder zijn Uplace, maar stuit op allerlei tegenkanting en dat zit hem hoog – niet geheel onterecht.

De klacht is als bij toeval ontsproten aan het brein van de Bruges Stropkes, een zelfhulpgroep voor West-Vlaamse migranten en Gentse baby’s die blauw en zwart zijn uitgeslagen omdat ze te lang in het geboortekanaal hebben vastgezeten. Ondanks de titel zijn die woedend. Hun toorn richt zich nu tegen het nog te bouwen stadion op Parking C aan de Heizel, dat er over een jaartje of drie zou moeten staan. In één moeite pakken ze ook de Ghelamco Arena aan, die AA Gent een commerciële boost heeft gegeven en naar de eerste titel in 115 jaar leidde.

De indieners van de klacht verdoen hun tijd en hun geld, want ze kennen blijkbaar de gewijzigde houding van de Europese Unie ter zake niet. Er was een periode dat de EU op erg gespannen voet leefde met het voetbal en dat heeft onder meer geleid tot het Bosman- arrest. De EU kreeg eind vorige eeuw een heel dossier over illegale overheidssteun aan het Belgisch voetbal, onder meer van de Franse spelersvakbond, en heeft dat naast zich neergelegd. Het ging over verlaagde sociale zekerheid, haast geen belastingen en een groepsverzekering die al bij 35 jaar kon worden opgenomen.

Samengevat: een onwaarschijnlijke bevoordeling van één beroepsgroep binnen eenzelfde economische regio en een fenomenaal voordeel voor één lidstaat tegenover andere lidstaten. Dat voordeel is ook vandaag nog aan de orde. Als die actie van Van Steenbrugge & de Stropkes ooit iets zal opleveren, dan misschien het openen van die doos van Pandora waarmee het Belgisch voetbal nog verder van huis zou zijn.

Maar wat denkt u? Als de EU in tijden van oorlog geen zin had om België voor flagrante staatssteun aan zijn nationaal voetbal te veroordelen, terwijl ze in 2001 wel meer dan 285 miljoen euro socialezekerheidsvoordelen van de Maribel-regeling van de staalsector terugvorderde, maakt een klacht over één stad die een beetje meer helpt dan een andere een kans? Neen, in de verste verte niet. Bovendien heeft de EU vanaf december 2009 via het Verdrag van Lissabon een soort niet- aanvalspact onderschreven met de sport. Zelfs de Financial Fair Play-regeling die de facto neerkomt op het afsluiten van de markt voor de grote spelers en die bijgevolg een inbreuk is op het vrij verkeer, wil de Europese Unie niet onderzoeken. De klacht van 2013 werd vorig jaar heen en weer gepingpongd tussen het Belgisch gerecht en het Europees Hof, waarna ze verticaal werd geklasseerd.

Ghelamco, KAA Gent en de stad Gent denken hard na over een tegenklacht. Kan het nog gekker zeg? Klacht bij wie dan? Bij de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal misschien, want in 1975 heeft Club Brugge van de lokale overheid een geheel nieuw stadion cadeau gekregen. Of bij de Europese Unie voor de verbouwing voor Euro 2000 van het Jan Breydelstadion, op kosten van de overheid.

Neen, over die klacht heeft de sympathieke meester Walter niet goed nagedacht en dat overkomt hem wel eens meer in zaken die het vredegerecht overstijgen, zoals in Operatie Kelk. Voor het volledige judiciële trackrecord van Meester Tafelspringer verwijzen we u graag naar de column van Kaaiman in De Tijd: Brussel en RSC Anderlecht enerzijds en Gent en KAA Gent anderzijds kunnen op beide oren slapen.

Column over renner in coma op demorgen.be van 30 mei

Wielrennen is stilaan rally: brood en spelen in een omgeving die daar niet is voor geschikt

Wielrenner in coma. Deze kop kan onderhand onder een sneltoets, alleen de naam moet je dan nog invullen. Eigenlijk kan het hele stukje dat hierna volgt onder een sneltoets. …Er zijn te veel/te weinig motards. Er wordt te gevaarlijk/snel gereden door de motards/de wielrenners. Er zijn te veel/te weinig renners. Er zijn te veel gekke/onrespectvolle wielrenners. (Schrappen wat niet past.) En ook: de wegen zijn te smal, de weginfrastructuur kan geen wielrennen meer aan, wielerlandVlaanderen verslindt zijn kinderen.

De bottom line blijft dezelfde: waar alle sporten de afgelopen twintig jaar veiliger zijn geworden – denk aan Formule 1, motorrijden, eventing – is alleen in wielrennen jaar na jaar het ongevalsrisico  toegenomen. Het gevoel zegt dat het risico in het compacte België méér is toegenomen dan in andere landen, hoewel we vrijdag ook een vreselijke val zagen van Steven Kruijswijk die gegarandeerd nooit meer had gefietst zonder die metershoge sneeuwmuur op de Col d’Agnel.

Citius, altius, fortius is de olympische leuze voor sport. Sneller, hoger, verder. Vervang dat maar voor het wielrennen door citius, acutius, lethalius of sneller, gevaarlijk, dodelijker. De UCI weet dat, de KBWB weet dat, organisator Golazo weet dat zeker. Hoofdsponsor Baloise – een verzekeraar, maar AG is de wielerverzekeraar met dienst – vindt het ongetwijfeld vreselijk dat haar naam tot in de eeuwigheid verbonden blijft met nog maar eens een dramatisch ongeval op Belgisch grondgebied, waarvan we nu niet weten wat de uitkomst zal zijn. Een jonge wielrenner zweeft tussen leven en dood, gelukkig ergens in een goeie kliniek in Aachen. Het zal je kind maar wezen dat je vanaf zijn veertiende als aspirantje hebt gestimuleerd om zijn stinkende best te doen op dat grote fietsje. En dat je daarna hebt begeleid in zijn droom om prof te worden.

Enrico Gasparotto van Wanty-Groep Gobert wilde niet verder. “Wij zijn vaders, wij zijn broers, wij hebben kinderen en wij zijn kinderen, wij hebben familie, wij zijn ook maar mensen. Wij weten wat het is om een ploegmaat te verliezen.” Gasparotto is gisteren toch gestart. Zijn ploegleider Hilaire Van der Schueren – één van het old school wielrennen en van ‘the show must go on’ – vond het best dat het peloton de aanmaning van de rennersvakbond – een veel te machteloze organisatie waarvan het niet bekend was dat ze tanden had – naast zich neerlegden.

Dat is natuurlijk je reinste onzin en typisch aan het wielrennen waar korte termijndenken en de portemonnee altijd prevaleren op het grotere belang en op het gezond verstand. Het peloton heeft een unieke kans gemist om een statement te maken, zoals destijds in de Ronde van Oman toen het hen te heet onder de banden werd en ze niet meer verder wilden. Ook toen heeft het old school wielrennen in de persoon van Eddy Merckx zich daar vreselijk druk over gemaakt.

Natuurlijk hebben die motards van zaterdag fouten gemaakt, natuurlijk zou het goed zijn om meer motards te hebben zodat die geen peloton moeten inhalen, maar wielrennen met pelotons van meer dan honderd man zou moeten worden verboden op smalle Belgische wegen, heeft men dat nu nog niet begrepen? Wielrennen is stilaan rally, brood en spelen in een omgeving die daar niet is voor geschikt, en waarvan je weet dat er om de zoveel edities een dode of zwaargewonde valt.

Zonder veel gêne werd gisteren op de radio het argument verdedigd dat de Ronde van België een organisatie is ‘waar veel mensen aan hebben gewerkt’. Dat is pas van de pot gerukt. Het begrip economische belang viel gelukkig niet, maar het werd wel verpersoonlijkt door Sven Nys die in zijn Tremelo zelf is gaan pleiten bij de ploegen om te starten. “Sven Nys, de co-commentator van de VRT,” zei de radio. Ik heb het vermoeden dat Sven Nys daar eerder de belangen van zijn zakenrelatie Golazo verdedigde.

Om 13u02, net na de ronde van de ploegen, tweette Sven Nys: “Dadelijk uitzending #baloisebelgiumtour om twee uur! @sporza_koers”. Dat haast triomfantelijk uitroepteken, zoals in: Oef, de koers is gered, de show gaat verder en ik mag commentaar geven. Vreemd, zo ken ik Nys niet.

Van onze Oerman ter plekke over de film Elle van Paul Verhoeven in De Morgen van 28 mei 2016

Will das Weib vuistslagen? Ik dacht het niet

 

Die moderne redacties toch: ze bestaan alleen nog uit vrouwen, hipsters, homo’s en heteromannen die over hun kinderen schrijven – de oerman is er een bedreigde diersoort. Dus haalden ze mij in volle voorbereiding op de hete sportzomer uit mijn grot, om aan de zijde van Heleen, een dertig jaar jongere en, net als ik, in de vrouwelijke erectie gespecialiseerde podcaster/journaliste, een film te bekijken.

We moesten samen naar Elle van Paul Verhoeven, regisseur van Basis Instinct. In de verte had ik iets opgevangen dat de film vrouwonvriendelijk zou zijn. Zoals ook Basic Instinct, zei collega Heleen. Vrouwonvriendelijk wekt bij mij nog hooguit medelijden op, sinds ik ook dat brandmerk kreeg van een menopauzerende blogster zonder lezers. En toen belde de baas, de bazin om precies te zijn, met het dwingend verzoek om op kosten van de zaak naar de bioscoop te gaan en mijn mannelijk licht te laten schijnen op het vertoonde.

Eerst even twee dingen. Bij ontstentenis van een man-vent op de redactie, ben ik tot macho gepromoveerd maar dat is een vergissing én tijdelijk. Oké, ik kom uit de topsport en dat is een sector waarin de vrouw niks beter kan dan de man en dus weet wat haar plaats is. Geldt dat voor andere sectoren? Neen, de gemiddelde vrouw zal meestal beter scoren dan de gemiddelde man, maar onder de outliers – de buitenbeentjes, in negatieve en positieve zin – zul je overal en altijd méér mannen dan vrouwen vinden. Ban mij, blog mij, block mij, ontsla mij, whatever, maar ik geloof in de enerzijds discriminerende en anderzijds destructieve kracht van testosteron. Tweede opmerking: vanaf nu gaat het over de film, dus ‘spoiler alert’.

De film begint met een verkrachting en de vrouw zou dat leuk vinden en zou op den duur naar de verkrachter verlangen en zou er een spelletje mee spelen. Zo werd de film samengevat, maar dat is kort door de bocht. De vrouw in de film vindt het helemaal niet leuk dat ze vuistslagen krijgt en brutaal verkracht wordt. Ze ziet eruit als een bokser en bloedt tussen haar benen. Ze is wel gefascineerd en gaat vreemd genoeg niet naar de politie en daar heeft ze zo haar redenen voor.

Ik heb niks met geweld. Niet in een voetbalstadion, niet op straat, niet in een betoging en al helemaal niet bij seks. Mijn filosofie is: mannen zijn er om de vrouw te plezieren en hoe bedrevener ze daar in zijn, des te meer plezier beleven ze er zelf aan. (Voor boekingen: info@demorgen.be.)

Zoals alle personages in de film, is Michelle verknipt (dat legt ze zelf uit); ze wordt vreselijk geloofwaardig neergezet door een schitterende Isabelle Huppert. Al heel snel ontdek je een tweede laag, als ze op restaurant vertelt over haar verkrachting. Iedereen is verbouwereerd, de ober komt en zij zegt: bon, we gaan bestellen, zeker? Waarop haar ex-man vraagt: violée, en vrai? Voor echt?

Begrijpelijk dat Verhoeven deze film in het libertijnse Frankrijk heeft moeten draaien, want die tweede laag zouden de Amerikanen nooit hebben ontdekt. Laat staan de derde en vierde.

De film is niet pornografisch, ook geen thriller want behalve in de openingsscène heb je nadien het gevoel dat het wel goed komt met die sterke vrouw, en evenmin is het een drama. Het is een veellagige zwarte komedie, maar ik stel mij wel de vraag of de film geschikt is voor wie freudiaans op zoek is naar een antwoord op de vraag ‘Was will das Weib?’ In elk geval niet wat de eerste laag van Elle suggereert, lappen en vuistslagen, de totale onderwerping en daarna rammen tot bloedens toe. De mannelijke adolescent die vorig jaar Fifty Shades of Grey heeft gezien en nu Elle, krijgt wel een gevaarlijk, verkeerd beeld over de seksualiteit van de vrouw.

Column over Diversiteit in de sport in De Morgen van 28 mei 2016

DIVERSITEIT

In de kou, de regen of in de blakende zon, tegen de wind in, rammen ze zich jaar in jaar uit, dag in dag uit, een weg op het kanaal Zeebrugge-Brugge, op de Watersportbaan of op Hazewinkel en altijd in de volstrekte anonimiteit. Obreno, is dat geen zwemcoach? Ja, maar die heet Stefaan en Hannes is een roeier en het is niet bekend of ze familie zijn. En dan Tim Brys en Niels Van Zandweghe, wie zou die kennen? Sinds dinsdag zijn het drie household names, staan ze op alle sites en in de kranten, komen op de radio, worden vermeld in Het journaal, het VTMnieuws.

Volgende week zullen ze vast in een avondshow moeten komen uitleggen hoe het zo ver is kunnen komen dat ze zich volgens de criteria van de internationale roeibond FISA met twee boten hebben geplaatst voor de Olympische Spelen, en dat er van diezelfde FISA toch maar één boot mag gaan. Tenzij het dit weekend alsnog goed komt met die missie van de Koninklijke Belgische Roeibond richting Lausanne om ze allebei in Rio te krijgen. Maar ik heb er een hard hoofd in.

De wereldroeibond staat niet bekend als een soepele, moderne bond. De steun van de Nieuw-Zeelandse olympisch kampioen Mahe Drysdale, die voor de twee Belgische boten pleitte, is welkom. En dat de noorderburen via nlroei.nl een petitie hebben opgezet voor de Belgische boten, doet goed aan het hart.

Maar, de regels waren gekend. België kon bij het WK van 2015 geen enkele boot olympisch kwalificeren en kreeg dus één quotumplaats voor het hele land. Dat volstond, want van die tweede lichte dubbeltwee Brys-Van Zandweghe was nog geen sprake. Tot ze zo’n progressie maakten dat ze ineens ook voor die quotumplaats in aanmerking kwamen. En jawel hoor, het ondenkbare gebeurde: Obreno en de lichte dubbeltwee wonnen allebei hun kwalificatierace op de Rotsee in Luzern.

Als maar één boot mag gaan, zou dat skiffeur Hannes Obreno moeten zijn. Jawel, het is een beetje zijn schuld: hij had zich moeten plaatsen op het WK vorig jaar, maar viel daar door de mand. Ondertussen heeft hij zich herpakt en wordt hij mentaal begeleid. Met succes, want hij klopte inmiddels de wereldkampioen en viel een paar keer net naast het podium. Obreno behoort al twee jaar lang tot de besten van de wereld in de (eenmansboot) skiff, samen met de achtriem hét koningsnummer van het roeien.

Deze hele problematiek kadert binnen het universalisme van de Olympische Spelen. Tegenwoordig heet dat diversiteit en daar mogen we niet tegen zijn. Of misschien een beetje. Diversiteit, universaliteit, allemaal mooi, maar de Spelen zijn topsport en topsport is elitair: de besten tegen de besten.

In het zwemmen mag een land per nummer maar twee atleten afvaardigen, maar er staan door die diversiteit soms zwemmers en zwemsters uit andere landen op het startblok die halfweg de 100 meter even rust moeten nemen. Idem in het atletiek. In de eerste serie van de 100 meter sprint lopen meisjes met nikabs, wapperende hoofddoeken en lange broeken die tussen de vijftien en twintig seconden nodig hebben om over de streep te komen.

De meeste van die uitnodigingen in het kader van het universalisme – de zogeheten tripartite invitations – gaan naar zwemmen en lopen, en gelukkig niet naar gevaarlijke sporten als boksen of BMX. In technische sporten zoals roeien worden maar enkele van die uitnodigingen uitgedeeld – voor Rio twee in de skiff om precies te zijn. Die deelnamebewijzen gaan naar roeiers, of wat daarvoor moet doorgaan, zoals Luigi Teilemb uit Vanuatu (een eiland in de Stille Oceaan) en naar Al Hoessein Gambour uit Libië.

Belachelijk? Op het eerste gezicht wel, maar Teilemb schijnt een belofte te zijn die in Nieuw-Zeeland roeit, al is alvast Mahe Drysdale niet zo van zijn talent overtuigd. De Libiër Al Hoessein werd in oktober vorig jaar jammerlijk vierde op het olympisch kwalificatietoernooi voor de Afrikaanse zone in Tunesië. Het is te hopen dat hij is blijven trainen.

De bekommernis van het Internationaal Olympisch Comité en de wereldroeibond om elke sport zo universeel mogelijk te maken via de Olympische Spelen is achterhaald en leidt tot compleet absurde situaties. Zo zou het vrijgekomen startbewijs van België worden ingenomen door nóg een Deense boot en die hebben er al vijf in Rio.

Column over Kruijswijk en de Belgen op demorgen.be van maandag 23 mei 2016

Ooit moet Tim Wellens kunnen wat Steven Kruijswijk nu doet

In afwachting van de déclic bij MPH die nog steeds niet weet of hij bij FCB blijft – ja, aandachtszoekerij ís een vervelende aandoening en vooral voor de entourage – een keertje iets compleet anders: koers. Steven Kruijswijk is op weg om de Giro te winnen. “Leeft het een beetje in Nederland?” Dat vroegen ze gisteren op de radio aan een Nederlandse collega. “Ja toch, nu jullie niet meedoen aan het EK voetbal, hé?”

“Jaaa,” antwoordde die collega, “het leeft. En we zijn niet alleen in wielrennen goed, maar tegenwoordig in heel veel andere dingen. Nu het een keertje minder is met het voetbal, doen we het toch aardig in de rest van de sport.” En hij noemde Max Verstappen en Dafne Schippers.

Steven Kruijswijk, wie had dat nu gedacht? De collega, want had de niet onbelangrijke voetnoot dat Kruijswijk normaal in de eerste week wordt weg gereden en vervolgens steeds beter wordt. Dat is niet gelogen want nog vóór dit weekend, wees Thijs Zonneveld – dat is die collega – al op de potentiële winnaar in de klimmer uit Nuenen.

Om correct te zijn, niemand wordt natuurlijk echt beter in een grote ronde, maar de ene gaat minder snel achteruit dan de andere. Kruijswijk is niet weg gereden in de eerste week en gaat nu het minst snel achteruit, en zijn sterkste week is meestal de derde. Dat is een talent, dat zijn de genen en dat is ook de training.

Wat zijn de kansen van Kruijswijk? Er zijn nog zes dagen koers. Achter hem staan vier berggeiten: één uit Colombia (Esteban Chaves), één uit Italië (Vincenzo Nibali), één uit Spanje (Alejandro Valverde) en één uit Polen (Rafal Majka). Vandaag is geen rit, dus dat is kat in ’t bakkie, zouden de Nederlanders zeggen.

Woensdag en de laatste dag van Cueno naar Turijn is vlak, die tellen we niet mee. Blijven over: nog drie ritten. Morgen gaat het naar Andalo en dat is middengebergte. Moet hij kunnen overleven. Donderdag en vrijdag zijn de kwade dagen. Donderdag de Col d’Agnel omhoog en omlaag en dan naar Risoul. Risoul is een loper en de Col d’Agnel ligt op meer dan vijftig kilometer, dus dat is ook haalbare kaart.

Vandaar gaan ze terug naar Italië naar Sant’Anna di Vinadio, waar ze bergop finishen op een oude weg met graven omzoomd. Wat ze allemaal niet uitvinden in die Giro. Die weg is niet het probleem, wel de Col de la Bonette (op zestig kilometer van de streep) en de Colle della Lombarda op elf kilometer. Opdracht voor Steven Kruijswijk en zijn team: overleef de Colle della Lombarda, zeven procent stijging over 20 kilometer, een Ventoux dus.

Die Nederlanders toch. Vorig jaar winnen ze haast met Tom Dumoulin de Vuelta, nu zijn ze op weg om met Kruijswijk minimaal podium te rijden in een grote ronde. Van 1990 is dat geleden, met Erik Breukink in de Tour en van 1980 is het geleden dat ze wonnen, met Zoetemelk en ook in de Tour. Hoe zit dat met ons? Wij hebben Jurgen Van den Broeck op drie staan in de Tour in 2010 maar eigenlijk was hij daar vierde (zoals in 2012) en werd pas later derde toen winnaar Alberto Contador (zero, zero, zero,…) wegviel. Een winnaar is bij ons geleden van 1976, met Lucien Van Impe in de Tour.

De eerste week verschenen her en der artikels over hoe goed de Belgische ploegen het wel niet deden. Even hadden ze alle truien in hun bezit en wonnen haast alle etappes. Dat klopt, maar Kittel, Greipel en Brambilla zijn wel buitenlanders. Alleen Tim Wellens, het klimproject van Lotto-Soudal, kon wat Belgisch weerwerk bieden en een mooie rit winnen. Wellens was gisteren in de klimtijdrit zeventiende en staat in het algemeen klassement op twee uur, wat geen juiste weergave is van zijn talent.

Wellens denkt dat hij niet gemaakt is voor een grote ronde. Misschien moet hij Kruijswijk even aanschieten. Die is vier jaar ouder. Het heeft bij hem ook geduurd voor hij tot wasdom is gekomen en de trainers bij LottoNL-Jumbo zijn geduldig met zijn talent aan de slag gegaan. Met de juiste training moet Wellens dit ook ooit kunnen. Ondertussen duimen maar voor Steven Kruijswijk.

Opinie over elektrische fietsen edm. in De Morgen van 21 mei 2016

Survival of the fitste fietser

Het aantal fietsers dat op elkaar botst, is gestegen. Niet te verwonderen, omdat wie niet (meer) kan of mag fietsen plots ook weer op de fiets kruipt en de slechtste fietsers zich vervolgens zo breed mogelijk maken. Vooral het aantal ongevallen met oudere fietsers is gestegen, meldden verschillende media deze week. Dat lijkt logisch: er zijn meer fietsers en dus minder beschikbare ruimte per fiets. En er zijn andere fietsers. Wie geen zin meer had in fietsen door een gebrekkige uithouding, te weinig kracht of te weinig evenwichtszin, heeft de elektrische fiets ontdekt.

Jawel, ik heb al met een elektrische fiets gereden. Met een instapmodel en deze week nog met de bolide onder de elektrische fietsen. Met het instapmodel op werkbezoek liep het verkeerd af, want ik had halfweg al geen batterijlading meer. Ik kon mijn racefietsbenen bovenhalen om bij tegenwind thuis te geraken. De Tesla van de elektrische fietsen testte ik afgelopen week. Die heet Stromer ST2S en kan 45 per uur rijden. Kost 9.000 euro. Vond ik de lichte versie een openbaring, de bolide was een sensatie. Beide keren dacht ik: stop dit in handen van mensen die niet gewend zijn te fietsen en je hebt brokken. Die hebben we nu.

Maar er is meer aan de hand dan elektrische fietsers die met de batterij in de modus FULL bij het optrekken van hun pedaal schieten, niet meer weten wat het is om 20 per uur of harder te rijden en te stoppen, of die onzeker over het eigen evenwicht het midden van de weg opzoeken. Het onbegrip van de verschillende groepen fietsers voor elkaar neemt hand over hand toe.

Wij racefietsers moeten niet moeilijk doen: er is een significant deel van ons dat fietst zoals de BMW’s of Range Rovers op onze autowegen rijden: opzij (x3), maak plaats (x3), ik heb ongelooflijke haast. Misschien is het ene het gevolg van het andere, misschien is het wel een selffulfilling prophecy, maar er is ook zoiets als het fiets- of jaagpadensyndroom. De paden met fietsers die in twee richtingen rijden, lijken steeds meer op onze drievakswegen die ooit ontelbare levens hebben geëist omdat inhalende auto’s op het middelste vak niet wilden wijken voor elkaar.

Dat gedrag zie je nu terug bij de fietsers en het zijn de slechtste, traagste en zwakst beschermde fietsers die mordicus hun plaats opeisen. Daar is niks mis mee, tenzij ze naast elkaar blijven rijden, met ook nog eens een halve meter tussen. Zoals in: hier rijden we met onze elektrische fiets, gekregen bij ons krantenabonnement, en nu zal iedereen wijken (want eigenlijk kunnen we niet goed fietsen).

Een beetje kennis van het fenomeen fietsen – je op eigen kracht verder bewegen en daarbij lucht- en rolweerstand overwinnen – zou welkom zijn, maar elektrische fietsers weten niet meer wat weerstand is. Stel, je rijdt tegenwind met twee en er komen tegenliggers aan, ook met twee. Er is plaats voor drie. Dan is het logisch dat de twee in de tegenwind hun positie op de weg mogen behouden, de ene in het wiel van de andere en misschien schuin links of rechts achter, een miniwaaiertje zeg maar. Wie met de wind rijdt, zou dan zo hoffelijk moeten zijn om wat plaats te maken, zoals in de bergen de stijgers voorrang krijgen op de dalers. Juist dat gebeurt niet. Keuvelende gepensioneerden blijven te allen tijde vrolijk naast elkaar rijden.

Om maar te zwijgen van de elektrische fietsenpaartjes die je wil inhalen. Een bel? Zelfs een misthoorn komt niet boven hun gekwetter uit. Neen, die plotse opstoot van recreafietsers op hun pseudo-brommertjes, dat loopt niet goed af. Ik voorspel nog meer ruzies, nog meer botsingen, en uiteindelijk meer (elektrische) fietsen die in de berm of – erger – in het kanaal zullen belanden. Ik zal het houden bij verbale aanmaningen, beloofd.

Column Annuska in De Morgen van 21 mei 2016

ANNUSKA

 

Morgen groot feest in Jan Breydel? Het is te hopen, want tot dusver is het wat tegengevallen met die kampioenenviering(en). Ik ben bevoorrecht getuige, want ‘woonahhtig’ in het Brugse en mijn buren die in voetbal zijn geïnteresseerd, supporteren voor Club.

Ik heb ze niet horen thuiskomen na de zegetocht. Geen getoeter, geen gebral – had ik ook niet verwacht, want ik woon in een keurige gemeente – geen cava in de tuinen waar ik met plezier was aangeschoven, en ook geen ratelend vuurwerk. Dat heb je hier alleen met huwelijken. De eerste keer dat ik – aangewaaide stedeling uit beschaafde gebieden – dat hoorde, dacht ik aan kalasjnikovs. Ik wilde de politie bellen, maar autochtonen hebben mij voor die blunder behoed, waarvoor dank.

Maar bon, de dag na de memorabele overwinning tegen Anderlecht en dus de dag van de grote viering op de Grote Markt, moest ik in Brugge zijn. Onderweg van huis naar het centrum passeerde ik de woning van een net verhuisde Club-speler. Ik verwachtte minimaal een ode van de buren of een discreet vlagje. Niets. In mijn gemeente had ik alleen bij een buur wat vlaggen zien hangen, maar ook niet meer dan verstopt achter het raam van de fermette.

Het hele traject van huis naar Brugge is ongeveer 15 kilometer en door omstandigheden verschilde de heen- van de terugweg. Ik reed niet langs de ring of de E40, dus dat kon het ook niet zijn: geen enkele vlag gezien. Wel één geparkeerde auto met twee vlaggetjes van Club en iemand met een blauw-zwarte skimuts op de parking van de AD Delhaize. Op pinkstermaandag, misschien was het wel een Brugse zot. Voorts geen enkele uiting van dolle volksvreugde. Twee dagen later op een fietstocht langs de boerderijen van Maldegem en Sint-Laureins, was meer blauw-zwart te zien.

Vorig jaar was ik het weekend na de kampioenenwedstrijd in Gent. Brugse Poort, Tolhuislaan, Sleepstraat (allemaal migrantenwijken), centrum, buurt UZ, het hing vol met blauw en wit en toen moest het grote feest nog volgen op zondag. 200.000 mensen volgens de organisatoren, 100.000 volgens de politie, woonden de festiviteiten bij. 200 of 100, maakt niet uit, volgens de meest conservatieve schatting zijn dat er nog altijd drie keer meer dan afgelopen maandag – ook op een feestdag – in Brugge.

Zou het dan toch? Dat Club Brugge niet echt van Brugge is, maar eerder van de omliggende gebieden? Dat die titel misschien elf jaar geleden is, maar toch ook al nummer veertien? En dat AA Gent meer een stadsploeg is, maar ook een hype die veel successupporters aantrekt of heeft aangetrokken? Het zal wel een beetje van dat alles zijn.

Voorlopig was hét hoogtepunt van de Brugse feestvreugde het optreden van ene Annuska uit Wingene. Op de Eiermarkt, een centrale plek in wel meer memorabele recente FCB-momenten, zoals het in elkaar slaan van de Napoli-supporters, stalde ze na de wedstrijd haar fijne vleeswaren uit. Naburige consumenten mochten die vrijelijk en gratis aanraken, al deed ze dat zelf veel beter. Als u wilt weten wat ik bedoel, zoek eens op haar naam naar filmpjes op hln.be en nieuwsblad.be.

Ik kende tot nog toe een bouwondernemer en een apotheker in Wingene, maar niet Annuska. Enfin, toch niet die Annuska, wel een andere uit een naburige gemeente, maar die doet in kinderopvang. Die zal het echt niet zijn, of ze heeft geen kindjes meer.
De landelijke gebieden ten zuiden van Brugge, waar tien keer meer varkens dan mensen wonen, zijn helemaal van slag door het fenomeen Annuska. Ze zou een verleden hebben in de erotische sector, ze zou ooit een ex-partner in elkaar hebben geslagen en in plaats van in therapie te gaan, nam ze in 2006 deel aan Undercover Lover op VT4. Maar nu zou ze op het goede pad zijn, behalve dat ze na haar felgesmaakt optreden een nachtje in de cel belandde.

Flauw is dat van de Brugse politie. Ik stel voor dat Bart Verhaeghe, Vincent Mannaert en successupporter Renaat Landuyt dat goedmaken en haar een wellnessruimte in het nog te bouwen Club-stadion aanbieden. En voorlopig minimaal een functie op de pers- en pr-dienst.

 

Annuska

Over Russen, Kenia en WADA in De Morgen van 14 mei 2016

Gooi de Russen eruit

(en de Kenianen,

en het WADA)

 

Enkele maanden geleden had ik een e-mailadres op de kop kunnen tikken van Grigory Rodchenkov, de voormalige directeur van de Russische antidoping, maar daar antwoordde hij niet meer op. Jammer, want ik wist van één verdachte dode in zijn buurt – het blijken er nu al twee te zijn – en ik had het eerste rapport van het wereldantidopingagentschap WADA uit 2015 gelezen over de Russische dopingpraktijken tijdens de Olympische winterspelen in Sotsji.

Eén cryptische paragraaf had mijn aandacht getrokken. Ik citeer letterlijk:

“Dir. Rodchenkov bevestigt dat het lab in Moskou geplaagd werd door externe bemoeienissen bij de analyses. Dir. Rodchenkov verklaarde dat hij in een systeem moest werken dat hem verplichtte bepaalde dingen te doen. Dir. Rodchenkov wilde er niet op ingaan wat dat precies was.”

Je zou hebben verwacht dat het WADA daar tot op het bot zou zijn gegaan, maar neen. Case closed, zowaar. En Grigory, zoals de charmante man doorgaans wordt aangeduid, zat volgens mijn bron inmiddels al in de VS. Een maatregel uit voorzichtigheid omdat hij niet nogmaals dood wilde worden verklaard, zoals hem al eens verkeerdelijk was overkomen. Want, zo had hij gegrapt, een nieuw in memoriam was ongetwijfeld juist geweest.

Geheime dienst FSB

Grigory heeft een Amerikaanse documaker en The New York Times op bezoek gekregen en nu gaat hij voluit. Zoals dopingprofessor Peter Van Eenoo duidt (zie interview), zal hij ongetwijfeld wat extra piment bij zijn saus hebben gedaan, maar de feiten blijven hoogst onrustwekkend. Tot de essentie herleid gaat het hierom:

De rol van de FSB is in deze materie gekend. De rol van sommige overheden in nationale dopingzaken ook, maar dat zou geen beletsel moeten zijn voor een degelijke controle. Peter Van Eenoo, die daar aanwezig was, zag ook rare mannen die een kantoortje hadden en eigenlijk de hele dag niks deden, behalve een paar keer per dag confereren met Rodchenkov. Dat was ongetwijfeld de FSB.

Die cocktail, dat kan ook kloppen, want Rodchenkov is in 2011 in de problemen gekomen voor vermeende dopinghandel, samen met zijn zus. Hij werd op mysterieuze wijze gerehabiliteerd en is toen wellicht voor de kar van de FSB gespannen. Of die cocktail niet opspoorbaar zou zijn, daar kan serieus aan worden getwijfeld, want dan was het ook niet nodig geweest om de urinestalen te manipuleren.

Verzegelde stalen die open en dicht kunnen worden gedaan, is niks minder dan het armageddon van de dopingbestrijding. Zonder de zekerheid dat het staal van Pietje Rap ook van Pietje Rap is, staat alles op de helling. Elke positieve kan dan negatief worden of elke positieve kan komen klagen dat hij eigenlijk negatief was, want dat met zijn staal is geknoeid.

Kortom: veel wijst erop dat dit verhaal klopt en dat wordt ook onrechtstreeks bewezen door de opmerkelijke resultaten van de Russische atleten in Sotsji. Hun meest recente resultaat op het wereldtoneel was een derde plaats, na de VS en China op de Zomerspelen van Londen waar 82 medailles werden gewonnen. Dat was zwak, en ook op de Winterspelen werd doorgaans slecht gepresteerd. Behalve dan in het eigen Sotsji, waar de Sportvereniging Vadertje Rusland de eerste plaats wegkaapte met 33 medailles waarvan 13 keer goud. Vier jaar eerder in Vancouver haalden ze 15 medailles en 3 keer goud. Een thuisland heeft altijd thuisvoordeel, maar van 3 naar 13 gouden plakken is een hoogst verdachte stijging.

Urinestalen verwisselen

Na het roeien, gewichtheffen en atletiek is dit het zoveelste schandaal in de Russische topsport. Het zal de geplaagde Spelen van Rio niet vooruithelpen en geopolitiek zou het een extra breuklijn betekenen tussen de wereld van Poetin en de rest van de planeet, maar wordt het inmiddels geen tijd voor een lock-out van de Russen?

Natuurlijk zullen er nog Russen zijn die zuiver op de graat medailles willen en kunnen winnen, maar daar gaat het allang niet meer om. Rusland is al sinds het aantreden van Poetin als president geobsedeerd om de verloren status (132 medailles in Seoel als USSR) te herwinnen, maar slaagt daar niet in met puur sportieve middelen. Telkens weer, al sinds Salt Lake City 2002, worden in de aanloop naar of op de Spelen hele horden Russen betrapt op doping.

Volgens de WADA-statistieken is een op de drie overtredingen van het bloedpaspoort sinds 2010 – zolang bestaat het nog maar – voor rekening van Russen. In 2012 heeft ene mijnheer Popov, voormalig werptrainer van de Russische nationale ploeg, aan het WADA gemeld dat 67 atleten in ruil voor 30.000 roebel (zo’n 400 euro, volgens de huidige wisselkoers) hun urine hebben laten verwisselen door Rodchenkov. Discuswerpster Daria Pisjalnikova had ook betaald, maar was toch positief bij een hertest in Lausanne en was zo pissed dat ze daarop een kwaaie brief schreef naar het WADA.

Onkunde van het WADA

Wat is met die info gebeurd? Waarom is dat nooit onderzocht? Waarom heeft het WADA de aanbeveling van het Internationaal Olympisch Comité om de dopingstalen niet in Sotsji te laten onderzoeken nooit willen volgen?

Wat heeft dat WADA eigenlijk gedaan al die jaren, behalve dan klagen over te weinig geld en met de brulboei Dick Pound op kop wielrennen viseren? Wielrennen – en daarvoor is deze rubriek te klein, maar ik wil dat nog wel eens uitleggen – was een voorbeeldsport als het om dopingbestrijding ging.

Waarom kijken ze in die koepelbonden allemaal de andere kant op? Gisteren nog een persbericht van sportminister Muyters (N-VA) gekregen, vanuit Montreal zowaar, want hij zetelt in de WADA Foundation Board. In dat bericht stond een paragraafje over de klacht van voormalig UCI-baas Hein Verbruggen tegen het WADA en vooral Dick Pound. Die wordt door het WADA afgedaan als een persoonlijk vete tussen de twee heren, en dat kan kloppen, maar het is wel Pound die is begonnen. Inmiddels stelt Verbruggen wel de juiste vragen. WADA antwoordt met advocaten.

Waarom is het WADA nooit achter Rusland aangegaan? Misschien omdat ze 700.000 dollar (620.000 euro) hebben gekregen van de Russische overheid. Misschien uit onkunde. Misschien onwil en onkunde, maar vooral veel van dat laatste, want van Kenia hebben ze nooit geld gekregen en die laten ze ook al zeventien jaar met rust. Van de week werd weer eens bewezen dat de Kenianen gewoon geen zin hebben om die dopingcontroles voor eens en voor altijd goed te organiseren.

Die Spelen in Rio zijn nu al geen daverend succes en alle nieuws dat uit die richting komt, bevestigt dat. Misschien is dit het moment om grote schoonmaak te houden. Laten we beginnen met Rusland en Kenia de wacht aan te zeggen. En na de Spelen móét dat WADA op de schop.