Verhaal over de hardste werkende sporters (vrouwen, jawel!) in Vlaanderen in De Morgen van zat 16 april 2016

De droomfabriek van de gymnastiek

Nooit is er in de Belgische sport harder gewerkt dan door de turnsters die zich in Gent dertig uur per week bekwamen om de wereldtop te bestormen. Te beginnen op het olympisch kwalificatietoernooi dit weekend in Rio.

“Zie ze bezig: dit kan je alleen met volle goesting. Ik dacht vroeger helemaal anders over die sport. Mijn zwemmers heb ik wel eens horen klagen over te veel en te zwaar, maar dit is heel andere koek.”

Lode Grossen van de Gymfed kijkt bewonderend toe, terwijl rondom ons kleine en minder kleine meisjes door het zwerk zwieren, al of niet met behulp van vervaarlijke toestellen. Grossen is van opleiding jurist en trainer A in het zwemmen, de sport waarvoor hij veel functies bekleedde en in Londen op de Olympische Spelen nog als trainer aanwezig was, tot de Vlaamse Gymfed hem in 2013 binnenhaalde als algemeen manager.

Dit weekend is het Belgisch turnen met twee ploegen op het olympisch kwalificatietoernooi (OKT) in Rio de Janeiro, in dezelfde hal waar in augustus om de medailles wordt geturnd. Bij de mannen zijn de kansen miniem, bij de vrouwen reëel.

“Ik zou heel erg ontgoocheld zijn als we het niet zouden halen”, zegt Yves Kieffer, head coach van de vrouwen. De Parijzenaar kwam bijna acht jaar geleden uit Frankrijk naar Gent, met op zijn cv olympisch goud. Naar Vlaamse/Belgische normen ligt zijn lat erg hoog. “Waarom zouden wij geen medaille kunnen winnen? Zeg mij waarom?”

Hij zegt het met zachte stem, maar met enige aandrang en kijkt je aan met priemende ogen. In 2004 in Athene stond hij met zijn atlete Émilie Le Pennec tegen alle geosportieve logica in op het hoogste schavotje. Grossen, zelf een trainer, kan zijn bewondering voor Kieffer niet verbergen: “Een topper, die we moeten zien te houden. Veel zal afhangen van wat we dit jaar presteren.”

2016 is een cruciaal jaar in de ontwikkeling van de Belgische gymnastiek, een sport die tot op vandaag alleen toevallige individuen naar de Spelen uitzond. Dit weekend (morgennacht om precies te zijn) zou België – zeg maar Vlaanderen als het over de vrouwenploeg gaat – voor het eerst in de geschiedenis van de moderne topsport een team kunnen afvaardigen naar de meest universele en één van de hardste sporten op het olympische programma.

In de aanloop kreeg het team wel een opdoffer van formaat te verwerken: Lisa Verschueren – een certitude – haakte in december 2015 af met hartproblemen. Ze zal er in Rio bij zijn als mascotte, op kosten van de Gymfed.

Een traan en een lach

De gymhal in Gent ligt aan de Watersportbaan, goed verborgen achter de atletiekhal. Je komt er alleen als je een lange gang van de oude Bloso-sporthal doorloopt en de weg kent. Twee deuren verder wordt beleefd gevraagd om je schoenen uit te doen: we zijn in de moskee van de gymnastiek. De witte waas van krijt in de zaal – zowat een half voetbalveld groot – verraadt drukke activiteit.

Links doen de mannen flink en rechts de vrouwen. Het zijn twee gescheiden werelden, ook al omdat de twee hoofdtrainers – een Fransman en een Nederlander – ‘verschillende visies’ hebben. De vrouwen van Kieffer en co. zijn de referentie. Op hen is de hoop gevestigd om geschiedenis te schrijven nadat ze zich op het WK in Glasgow net niet rechtstreeks wisten te plaatsen voor de Spelen, maar daardoor wel al zeker waren van het kwalificatietoernooi.

Het is iets over acht uur (ochtend, jawel) als we onze opwachting maken, gesecondeerd door sporttechnisch medewerker Valerie Van Cauwenberghe, die ook internationaal jurylid is. De toppers van de nationale seniorenploeg zijn nog aan de opwarming, maar aan alle toestellen wordt al hard gewerkt.

Eén heel jong meisje – een leeftijd is haast niet te schatten in deze sport – probeert steeds dezelfde beweging aan de brug, maar mist keer op keer. Af en toe dondert ze plat op haar buik in de diepe matten. Dit moet één en al passie zijn, zoals Grossen zei. Terwijl hun collega-voetballertjes uit hun Topsportschool aan de Voskenslaan in Gent nu al zaakwaarnemers hebben, betalen de gymnastjes – of liever hun ouders – per jaar 1.000 euro voor hun sportopleiding en financieren ze daarnaast zelf hun internaat.

Na elke misser klimt het meisje op het inklappende platform en gaat er weer voor, maar na de zevende poging weet ze het even niet meer en komen er tranen. Een trainster spreekt haar moed in en enkele minuten later doet ze een nieuwe poging. Deze lukt wonderwel en bij haar laatste beweging ontstaat iets wat lijkt op een glimlach. “Heel goed, dat was het”, zegt de trainster. “C’est bon”, knikt een man die iets verderop staat. Haar oogjes blinken.

Het was halsbrekend wat het juniortje daar deed, maar straks om 10 uur kan ze met een gerust gemoed naar de les. Er is weer een stap gezet in haar ontwikkeling, die begon toen ze zich als 4-jarige bij een turnclub inschreef en talent toonde, waarna het systeem haar oppikte en doorontwikkelde.

Het systeem heeft geen geheimen en is in alle landen min of meer hetzelfde, al zijn er die het niet te nauw nemen met de ethiek en de gezondheid van de atleten. Ook in België hebben eerdere trainers als de Nederlander Gerrit Beltman er de kantjes af gelopen.

Kieffer: “Bij mijn voorgangers zaten alle trainers neer, werd steeds dezelfde routine geoefend tot er tranen kwamen. De atleten stuurden allemaal signalen uit om te tonen hoe zwaar het wel was. Zo kun je nooit de top halen. “Wij mikken op arbeidsvreugde, want we hadden hier een technische achterstand goed te maken en daar zijn we met hard werken in geslaagd. Het bijzondere aan het Vlaamse model is de schaarste. Daardoor werk je met talenten die je in een ander land met een groot aanbod net niet goed genoeg zou vinden, maar met wie je door hard werken net hetzelfde bereikt.”

Frans als voertaal

Gymnastiek is een zogeheten vroege specialisatiesport. Al in de lagere school worden trainingsuren gemaakt waarvoor profvoetballers naar de vakbond zouden hollen. In de acht Vlaamse lagere scholen die turntalenten opvangen in samenspraak met de naburige opleidingsclub en de federatie, begint het topsporttraject vanaf het vierde leerjaar. De trainingsbelasting wordt beperkt tot 16 uur per week. Tegen het begin van het middelbaar is daar de helft bijgekomen. De Vlaamse wereldtop traint 30 uur of meer per week, en één weekend op twee.

Die ochtend in de gymhal zijn na de juniores inmiddels ook de internationals onder aanvoering van ouderdomsdeken Julie Croket (21) en Gaelle Mys (24) begonnen. Dit is een D-day op de weg naar Rio: op het programma staat een generale repetitie van hun oefeningen. Vanmiddag zullen ze moeten tonen wat ze in hun mars hebben, want een dag later is er een selectiecommissie voor een tussentijds toernooi in Moeskroen tegen Duitsland en Roemenië.

Het gaat er ontspannen aan toe. Elk deeltje wordt geoefend en doorgesproken met de trainers. De voertaal is Frans, doorspekt met de Nederlandse terminologie die het trainersechtpaar Yves Kieffer en Marjorie Heuls zich in zeven jaar in Gent eigen heeft gemaakt. “Onze kinderen spreken de taal perfect, want die gaan hier ook naar school. Wij niet, maar ouders die uitleg willen in het Nederlands, krijgen die, al is het wel makkelijk dat veel mensen hier goed Frans spreken.” Naast Kieffer en Heuls zijn nog twee andere Fransen – ook een echtpaar – in dienst van de Gymfed, die liefst vijftien trainers op de payroll heeft.

Na de middag, als voor echt wordt geturnd in een interne selectiewedstrijd, neemt Valerie Van Cauwenberghe de honneurs waar en jureert ze de oefeningen. Tegelijk wordt alles opgenomen op een iPad en krijgen de gymnasten directe feedback.

De hele aimabele Kieffer van de ochtend en van de lunch, verandert zijn toon en geeft een draai aan zijn volumeknop. Met een gymnaste die duidelijk last heeft van faalangst en een paar sprongen verknoeit, heeft hij geen medelijden: “In topsport moet je iets willen. Als je wilt dat we je niet selecteren, doe zo verder, maar kom het ons zeggen, dan besparen we elkaar de moeite.”

Die komt aan, maar de volgende sprong lukt wel. Morgen hebben de meisjes van de topsportschool ook nog eens examen, op school deze keer.

Geen topsportcultuur

Het tussentijdse minitoernooi was overigens een meevaller, maar daar verscheen niks van in de pers. Op 3 april klopte de Belgische selectie in Moeskroen (met internationale jurering) Roemenië en Duitsland, ook twee van de tegenstanders dit weekend. Jawel, ook turnland Roemenië moet zich nog plaatsen en haalde zelfs grootheid C#t#lina Ponor (28 inmiddels en dubbel goud in Athene 2004) van onder het stof. Zelfs gastland Brazilië moet zich nog kwalificeren voor de eigen Spelen. Daarnaast zijn dit weekend bij de vrouwen ook Zwitserland, Australië, Zuid-Korea en Frankrijk van de partij. Acht landen, vier tickets, do or die.

Op 8 april is de nationale selectie naar Santos bij São Paulo gevlogen. De keuze is gevallen op de ouderen Julie Croket en Gaelle Mys, naast Rune Hermans, Laura Waem, Senna Deriks en Axelle Klinckaert. Het 16-jarige supertalent Nina Derwael blesseerde zich aan de hand en haar afwezigheid is zo mogelijk een nog grotere aderlating dan Lisa Verschueren.

Voor deze Braziliaanse campagne is niks aan het toeval overgelaten. In de gymhal in Santos stond niet de brug van het merk waarop dit weekend wordt geturnd. Geen probleem, of toch wel, maar geen andere keus: een brug van het merk waarop dit weekend wordt geturnd, werd naar Santos verscheept.

Vier jaar geleden scheelde het één puntje of het team zat al in Londen op de Spelen. Deze keer moet het lukken. “Als we ons niveau halen, is er geen probleem om bij de eerste vier te eindigen.”

Yves Kieffer weigert de blessure van Derwael aan te grijpen om zich in te dekken. Kieffer dekt zich nooit in. “Ik ben niet gekomen om in beperkingen te geloven”, zei hij op zijn eerste persconferentie. Het kwam erop neer dat hij maar al te goed wist dat de Belgen evenveel armen en benen hadden als de Franse atleten waar hij vandaan kwam en dat er geen excuses waren om niet te presteren.

Er waren wel enkele verschillen en daar had hij het in het begin moeilijk mee. “Dit is een klein land, maar waarom denken jullie zo klein? Waarom hebben jullie geen enkele feeling voor de Olympische Spelen? Waar is jullie topsportcultuur? In Frankrijk staat het
land op z’n kop voor het EK voetbal, voor de Tour, maar ook over de Spelen wordt al volop gepraat. Ik moet onze gymnastes zelf
elke week – door middel van een opgelegde taak zoals een videoboodschap – eraan herinneren dat de Spelen eraan komen. Dat zouden de media moeten doen. Maar ja, jullie hebben geen sportkrant als L’Equipe en de grote kranten schijven alleen over voetbal en wielrennen.”

Nood aan topsportcentrum

“Er is wel een voordeel door die kleinschaligheid”, zegt Kieffer. “Als ik naar Brussel ga bij Bloso, zit ik na één telefoon samen met Lode Grossen bij het hoofd topsport Paul Rowe en die vraagt of ik lekkere koffie wil. Ja, zeg ik, en die gaat hij halen. Echt waar. Als ik in Frankrijk op mijn ministerie van Sport iemand wil spreken – want als trainer ben ik een ambtenaar – dan moet ik eerst een aanvraag indienen en krijg ik weken later de tiende secretaris in rang te zien die ook nog eens denkt dat hij de minister is.

“België heeft het niet slecht voor mekaar. Jullie hebben wel nood aan een olympisch topsportcentrum, Of liever: Vlaanderen heeft daar nood aan, want daar ben ik nu ook al achter: dit zijn twee verschillende landen. Zal ik je eens wat zeggen: de Vlamingen en de Fransen lijken beter op elkaar dan de Franstalige Belgen en de Fransen. Vlamingen zijn wat introverter dan wij Fransen, maar er zit wel ambitie in jullie. De meisjes van onze nationale vrouwenploeg zijn ongelooflijk gefocust en echte competitiebeesten die altijd willen winnen. Bij de Franstalige Belgen zie ik geen enkele ambitie. Ik hoor er alleen excuses en zie alleen gecomplexeerd gedrag.

“We wilden daar één keer in de week langs om hen te helpen. ‘Bedankt, we bellen wel als het nodig is’, was het antwoord. Wat dacht je: ze hebben nooit gebeld en het loopt daar voor geen meter.”

 

KADERTJE

JURYSPORT

Gymnastiek is een jurysport en dus onderhevig aan beïnvloeding. “Twintig jaar geleden was de jurering een schande en kwam de puntentelling in de buurt van fraude”, weet coach Yves Kieffer. “Dat is er helemaal uit, maar nu is het belangrijk om als Belgisch team op het netvlies van de juryleden te staan. Door ons te tonen op de toernooien, zijn we daarin geslaagd. Een paar weken geleden hebben we zelfs enkele internationale juryleden uitgenodigd in onze trainingshal.”

Valerie Van Cauwenberghe zal niet jureren in Rio op de Spelen, maar voor het olympische kwalificatietoernooi zit ze in de pool waaruit de jury- leden worden getrokken. In het kunstschaatsen is het jurylid van het eigen land een soort public relations van de atleet, maar “dat kan niet meer in de artistieke gymnastiek”, zegt Van Cauwenberghe. “Onze jurering wordt via video-analyse beoordeeld. Hoe heb je je eigen gymnasten beoordeeld? Hoe de buurlanden of je concurrenten? Wijk je daar te ver af van het gemiddelde, dan krijg je een rode kaart.” Die heeft ze nog nooit gehad, maar als ze in Rio op het test event mag jureren, zou ze durven denken als een profvoetballer. “Als het onze ploeg helpt dat ik iets beter jureer, wil ik er wel de kantjes aflopen.”

Column over blote konten en andere onzin in De Morgen van zat 16 april 2016

Blote kont

 

Er was deze week een rel in het Nederlands voetbal en die haalde de brede Nederlandse media. Eén journalist/columnist had iets geschreven over vervelende Marokkaanse voetballers en een tweede journalist/columnist/agitator haalde er de hele Marokkaanse voetbalgemeenschap bij die sommige clubs “naar de kloten maakte”. (Ik citeer, voor alle duidelijkheid.)

Het gevolg was een geanimeerde discussie bij de VARA bij Pauw tussen de tweede journalist, die heel vervelend kan zijn, en een voor de gelegenheid opgetrommelde derde man, een Marokkaanse Nederlander die ook heel vervelend was omdat hij met hele lange tenen naar de studio was gekomen. Die laatste, Farid Azarkan, sprak in naam van het Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders en eiste al snel excuses. De journalist dacht er nog niet aan en lachte hem vierkant uit als “de meneer hier die ik niet ken en die zo graag ook eens met zijn verhaaltje op de tv komt”.

In ken de eerste journalist/ columnist, Hugo Borst, als betrouwbaar en genuanceerd. Hij was een paar jaar een collega in Nederland. Ik ken de tweede, Johan Derksen, nog beter en wel als behoorlijk ongenuanceerd maar wel met kennis van zaken. Hij was de baas van Voetbal International toen ik bij Sport International werkte en we werkten samen in het door hem zo vaak als verloederd aangehaalde Gouda.

Het interessante aan de hele discussie was hoe de discussie niet is gevoerd omdat nogal snel de begrippen stigmatisering, racisme, Wilders en excuses in de rondte vlogen. Jammer, want we hadden al een hele kluif kunnen hebben aan Borst die schreef dat sommige trainers liever geen Marokkanen in de ploeg halen omdat die heel vervelend en eigenwijs kunnen doen.

Derksen trok maandagavond in Voetbal Inside (te vinden op het internet) de zaak breder. Hij lachte eerst met de baard van een Marokkaanse voetballer en zei dat hij vast wel in het nationale elftal van IS zou kunnen spelen. Hij wist ook van veel clubs die problemen hadden met een te grote instroom van Marokkanen en van clubs die daar quota op hadden gezet. En dus kunnen de gezonde Nederlandse jongens niet langer in hun blote kont gaan douchen omdat de Marokkaanse jongeren dat niet meer willen. We waren afgedwaald.

Er ontspon zich een hevig heen-en-weergesprek waarin Derksen de langetenenman nóg langere tenen bezorgde. Jammer, want ik had graag de discussie gevoerd willen zien over Marokkaanse voetballers die niet gewild zijn. Is dat wel zo? Ik ken een club waar de trainer geen vervelende zwarte Afrikaanse voetballers wil – of toch maar een paar – en waar de laatste seizoenen toch verschillende Marokkanen tot eenieders volle tevredenheid in dienst waren.

Derksen ging door: de ramadan en topsport. Hij zei dat trainers liever geen Marokkanen (moslims in het algemeen dus) in de ploeg hebben als die aan hun vasten vasthouden. Je kunt hem en de trainers die dat vinden geen ongelijk geven. Niet eten en drinken tussen zonsopgang en zonsondergang is de rechte weg naar blessures en niet te verenigen met topsport.

De ramadan loopt dit jaar van 6 juni tot en met 5 juli, ongeveer de periode van het EK voetbal. Ramadannende moslims worden dus beter niet geselecteerd. De Fransen hebben Karim Benzema van de week alvast thuis gelaten, maar dat was voor een zaak van afpersing en drugs en niet omdat hij niet wilde eten in juni.

Pas echt interessant had het kunnen worden met de discussie over de blote kont en of die nog wel is toegestaan, nu er zoveel Marokkanen in de kleedkamer zitten. De Marokkaanse man met de lange tenen keek vies toen hij zei dat de blote kont in de kleedkamer iets van de jaren 60 was en dus een verouderd gebruik. Onzin natuurlijk, hij verwart met de monokini. Blote konten horen bij kleedkamers zoals zweet hoort bij sport: het moet zwabberen en het moet druppelen. Het spijt mij voor alle lange moslimtenen.

Ik ben van zelf van dat wolkje gedonderd, die dag in 2005 toen ik in de fitness aan het Rogierplein op mijn openbare zedenschennis werd aangesproken door mijn fitnessende broeders van de islamgezindte en of ik in het vervolg niet langer naakt met een handdoek losjes in de hand naar de douche wilde lopen.

Column over Tom Boonen en de gemiste kans op demorgen.be van maandag 11 april 2016

Parijs-Roubaix was een knoert van een gemiste kans voor Tom Boonen

Arme Tom Boonen. Uit de wielen gereden door de nieuwe generatie in de Ronde van Vlaanderen en in Parijs-Roubaix een half wiel achter iemand die 2,5 jaar ouder is en tot gisteren in zestien jaar als prof acht (8) koersen had gewonnen, met de Saksen Tour als belangrijkste.

Was het verschil in Oudenaarde met Sagan en co nog duidelijk, dan scheelde het gisteren geen haar in een koers op zijn maat, naar zijn goesting hard gemaakt door een aanvallend Etixx-Quick Step.

Laten we eerlijk zijn, vooraf was het voor buitenstaanders niet duidelijk waarop Tom Boonen zijn hoop had gevestigd om voor de vijfde keer als eerste Roubaix te halen en zo Roger De Vlaeminck te onttronen. Zijn voorafgaande prestaties? Hoop doet leven. Zijn SRM-waarden? Niet bekend of hij die heeft en of hij daar naar kijkt. Zijn gevoel? Is bij oudere atleten vaak een ontregeld kompas. De signalen uit zijn omgeving? Die houdt hem al lang weg van de spiegel.

Overigens niet meer dan terecht dat De Vlaeminck daar nog bovenin staat als Mister Paris-Roubaix. Met elf overinningen in de vijf Monumenten (Milaan-San-Remo, Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix. Luik-Bastenaken-Luik en Ronde van Lombardije) is hij de tweede beste klassieke renner aller tijden en de enige, samen met Eddy Merckx (19) en Rik Van Looy (8), die ze allemaal minstens één keer heeft gewonnen. De Vlaeminck reed ook nog eens van maart tot oktober, waarna hij het veld indook en daar ook won. Het dédain voor De Vlaeminck is alleen te verklaren door een gebrek aan historisch besef.

In de tijd van Roger was Roger echt wel beter.

Tommeke-Tommeke-wat-doe-je-nu heeft pech gehad de laatste jaren, maar gisteren had hij door het koersverloop dan weer geluk en leek het een dag uit het wonderjaar 2012 te zullen worden. Jammer, maar helaas: hij miste zijn afspraak met de historie. Mathew Hayman die hem gisteren afhield, heeft nog meer pech gehad. ‘Voorjaar voorbij voor wegkapitein van Orica-GreenEDGE’, zo stond het op het internet, toen hij eind februari in de Omloop Het Nieuwsblad zijn elleboog brak.

Niet dus. Hayman liet noodgedwongen zijn geliefde Vlaamse classics schieten en keerde terug in Compiègne. Na gisteren is het duidelijk waarom deze big engine vier jaar bij Sky mocht rijden.

De man uit West-Sydney – dus een harde – reed de hele dag in de aanval en bleek aan het eind ook nog eens de meest lucide in de spannendste vijf kilometer van de laatste wielerdecennia. Hayman wordt volgende week 38. Boonen is precies 2,5 jaar jonger. Het zal inmiddels wel van Wevelgem tot Balen zijn doorgedrongen zeker dat dit een knoert van een gemiste kans is voor Tom Boonen? Hayman moet hij in alle omstandigheden aankunnen. 

En zo blijft Tom Boonen zitten met dat vreemde palmares. Tot gisteren presteerde hij niks meer van belang na zijn superjaar 2012 waarin hij de twee kasseiklassiekers en Gent-Wevelgem won. Heeft iemand in dat team zich al de vraag gesteld hoe dat komt? Heeft de renner zelf zich ooit die vraag gesteld?

Tom Boonen zit nu voor het veertiende seizoen veilig en goedbetaald onder de vleugels van Patrick Lefevere. Met alle respect, maar misschien ligt daar de oorzaak voor het uitdoofscenario van Vlaanderens grootste klassieke renner van de laatste tien jaar.

Dat Tom Boonen in oktober 2013 na een seizoen met grote en kleine euvels toch voor twee jaar bijtekende, was al bij al nog te begrijpen, maar het is een raadsel waarom hij vorig jaar in de zomer besloot ook in 2016 voor Lefevere te rijden. Het is een nog groter raadsel waarom Lefevere daar in meeging. Met het geld van Boonen had Lefevere misschien Michal Kwiatkowski kunnen houden, wie weet. Of Sep Vanmarcke of Greg Van Avermaet kunnen halen, of allebei.

Zonder het geld van Lefevere had Boonen zichzelf opnieuw moeten uitvinden. Sporters moeten geregeld uit hun comfortzone worden gehaald, geconfronteerd met nieuwe trainingsmethoden en andere bazen. Oudere sporters moeten ook nieuwe dingen proberen. Niks nefaster voor een sportlijf dan jaar in, jaar uit, dezelfde prikkels. Was Tom Boonen drie jaar geleden van omgeving veranderd, hij had gisteren gewonnen. Misschien. Wie zal het zeggen, maar het was het proberen waard geweest.

Column Roulette over geld en Rode Duivels in De Morgen van zat 9 april 2016

Roulette

Als de Rode Duivels Europees kampioen worden op 10 juli in het Stade de France – willen we daar wel zijn? – krijgen ze elk 704.000 euro bijgeschreven op hun rekening. Dat is volgens de media allemaal de schuld van de opgestapte CEO Steven Martens. Dat de raad van bestuur die premies heeft goedgekeurd en dat de raad van bestuur daar nog zit, zal wel een detail zijn. Als volgend jaar een journalist op de bondszetel zijn behoefte doet en geen toiletpapier vindt om zijn kont af te vegen: Steven Martens zijn schuld.

De premies zijn teruggerekend op een simpele formule: hoeveel procent van de EK-inkomsten zijn voor de spelers? Het antwoord, na onderhandelingen die even aansleepten: 60 procent. Schande, sprak een KBVB-bestuurder. Hij vertegenwoordigt de tweedeklassers en alle clubs die daaronder bengelen en zoals bekend dolgraag veel (soms zwart) geld betalen aan spelers die geen cent waard zijn in plaats van aan jeugdtrainers.

Er was ook een manager van een voetbalploeg die zei dat hij met 60 procent salariskost failliet zou gaan. Vreemd. In eerste klasse vind je maar heel weinig teams die géén 60 procent van hun omzet aan salarissen besteden. Ten tweede vergelijk je geen appels
met peren. Het businessmodel van een team dat een heel jaar tussen twintig en vijfentwintig wedstrijden speelt in eigen stadion en evenveel buitenhuis, en daar heel veel operationele kosten voor moet maken, is totaal verschillend van dat van een nationaal team dat een dikke maand alleen in logies en verplaatsingen moet voorzien.

Men spreekt ook schande van de deal omdat na het WK in Brazilië is gebleken dat de Rode Duivels met hun kwartfinale op de World Cup in 2014 meer zouden hebben verdiend dan de Duitsers met hun wereldtitel. Klopt dat wel? En zijn daar niet misschien een aantal (waaronder slechte) redenen voor te bedenken? Zo spelen bijvoorbeeld heel wat Belgen in Engeland, waar de salarissen de pan uit swingen. Duitsland, waar de meeste Duitsers spelen, staat bekend om een heel stringente salarispolitiek en dat straalt af op de bond.

Andere mogelijkheid: misschien wordt er van onze internationals meer gevraagd inzake marketing en commerciële toestanden dan in Duitsland. Wie weet zit in die afspraken een compensatie omdat met de sponsors een prestatiepremie is afgesproken. Transparantie zou veel oplossen.

Misschien is er een wezenlijk verschil tussen het Duitsland-gevoel en het België-gevoel. Duitsers zijn stolz om voor Die Mannschaft te kunnen spelen. Belgen beschouwen een selectie toch eerder als een hefboom bij salarisonderhandelingen en de Rode Duivels zijn meer een tijdelijke joint venture van eenmansvennootschapjes dan een nationale selectie.

De hele heisa heeft iets vreemds. Neem nu het bedrag van 704.000 euro. Daar zit al 208.700 euro in voor de kwalificatie en die is eigenlijk een beloning voor eerder geleverde prestaties. In de eerste ronde krijgen ze 13.000 euro per gelijkspel en 26.000 voor een overwinning. Gaan ze een ronde verder: 39.000 euro extra. Kwartfinales: 65.200. Voor de halve finale wordt 104.000 euro voorzien en voor winst in de finale 208.700.

Onnozel veel geld? Natuurlijk wel. Maar voetbal hangt aan elkaar van onnozel veel geld, op elk niveau, behalve in de journalistiek. Vandaar misschien de heisa.

Er is ook altijd een direct verband tussen een premie en de kans op slagen. Duitsers die naar een eindtoernooi gaan, weten haast van te voren dat ze bij de laatste vier zullen eindigen en winnen één keer op de vijf. Als wij naar een eindtoernooi gaan, spelen we roulette en als het balletje in het casino toch eens goed valt op dat ene nummer, dan verdien je veel geld.

Het allervreemdste aan de mediaheisa over die 704.000 euro is dat hier wordt uitgegaan van een scenario waarbij de Rode Duivels eerst hun drie poulewedstrijden en dan nog eens vier wedstrijden tot en met de finale winnen. Het kan evengoed tegenzitten en dan gaan ze na drie gelijke spelen naar huis met 39.000 euro extra voor haast vier weken werk, en welke topvoetballer komt daar nu nog voor uit zijn huis? Verliezen ze alles, hebben ze niks verdiend. Neen, onze internationals zijn niet te benijden.

Verhaal over de Britten en de koers in De Morgen Magazine van zat 2 april 2016

De Britse revolutie

Niks minder dan een cultuurshock was het, toen ze kwamen met hun Jaguars en hun bussen als ruimteschepen. Ze introduceerden nieuwe trainingsmethoden, hanteerden een andere sporttaal en droegen fancy koerstenues. Koers werd cycling and so very British. Toen ze wonnen, was iedereen mee.

Frankrijk, Italië, België, Spanje en op respectabele afstand Nederland en Duitsland: dat is ongeveer de pikorde van de home nations van de regionale passie wielrennen. Die West-Europese landen hebben sinds de eeuwwisseling het uitzicht van De Koers bepaald, zowel binnen als buiten het peloton.

Coureurs waren bij ons jongens van de boerenbuiten. In Frankrijk noemde men hen liefkozend les forçats de la route, dwangarbeiders van de weg. Ze waren groot en sterk geworden op smalle wegen waar het altijd nat en modderig lag en waar het zonlicht nooit scheen en altijd waaide of bergop ging, of allebei. Alleen, professioneel wielrennen is niet ontstaan in Europa, maar wel in de Angelsaksische wereld, meer bepaald in de Verenigde Staten. In New York nog wel, waar in 1879 een velodroom werd gebouwd, Madison Square Garden. Met de fiets op de piste rijden was in die tijd de best betaalde Amerikaanse sport.

De betere renners konden tot 150.000 dollar (134.000 euro) per jaar verdienen. De eerste internationale wielerster sprak (Amerikaans) Engels en was ook nog eens zwart: Major Taylor, de eerste sprintwereldkampioen (1899) ooit, maakte er een gewoonte van om het hele veld te dubbelen. Hij reisde vaak naar het oude continent en was ook in Frankrijk een gevierd atleet.

De eerste echte wedstrijd met fietsen – toen nog met een klein voorwiel – was dan wél weer een Europees voorrecht. Op 31 mei 1868 werd in het Parc de Saint-Cloud in Parijs een race over 1.200 meter gehouden, maar het was een Engelsman, James Moore, die won. Later dat jaar zou hij ook de eerste lange wedstrijd, tussen Parijs en Rouen, op zijn naam schrijven. 123 kilometer in goed 10 uur.

Zelfs de eerste dopingdode was een Engelsman, maar dat was een vergissing. Hoewel Arthur Linton in de geschiedenisboeken staat als overleden ten gevolge van ‘middelen’ na Bordeaux-Parijs in 1886, stierf hij pas in 1891, maar van buiktyfus. De tweede dopingdode, dus eigenlijk de eerste, was een Brit en zijn naam is Tom Simpson. Hij stierf in 1967 op de Mont Ventoux.

Kromgebogen over het stuur

Om een lang verhaal kort te maken: de Angelsaksen waren altijd al heel erg into biking, compleet met de uitwassen van die sport, maar hun vervoermiddel werd tot de Tweede Wereldoorlog door de Britse verkeersbepalingen aan banden gelegd. Zo mocht the bicycle op de meeste wegen bijvoorbeeld niet sneller dan een paardenkoets. Le cyclisme, il ciclismo of de koers werd zo vooral een sport voor harde West-Europese mannen die kromgebogen over hun stuur tegen de wind of de helling zich een weg baanden naar voren.

Het prototype van die hardheid was de kampioen aller kampioenen, Eddy Merckx. Naast de fiets best een mooie jongen, op de fiets een kruising tussen een beul en een kannibaal, wat ook zijn bijnaam werd. Zij die wel in stijl reden, waren uitzonderingen en kregen eretitels als Le Pédaleur de Charme (Hugo Koblet), Il Campionissimo (Fausto Coppi), Le Gitan (Roger De Vlaeminck), Glamourboy (Fons De Wolf), L’Enfant Prodige of Il Bimbo d’Oro, Frank Vandenbroucke.

Deze Vandenbroucke uit een dorpscafé in het boertige Ploegsteert was erg begaan met zijn look. Toen hij ooit nieuwe koersschoenen kreeg, gebruikte hij zijn handen als voeten en draaide rondjes met de schoenen. Hij wilde zelf zien hoe mooi ze wel niet waren in beweging.

De Vandenbrouckes van deze wereld waren uitzonderingen. De look and feel van het wielrennen veranderde niet of nauwelijks tussen 1960 en begin deze eeuw. De shirts werden zelfs spuuglelijker met het decennium, hoekige fietsen bleven hoekig en de bonkige mannetjes bonkig. Er werd veel geruzied en gekonkelfoesd en gedopeerd uiteraard, dat was de koers.

En toen kwamen de Amerikanen: eerst Greg LeMond en later Lance Armstrong. Beiden reden nog altijd in lelijke outfits, maar het professionalisme nam toe. LeMond reed de befaamde afsluitende tijdrit van 1989 waarin hij Laurent Fignon het geel afhandig maakte, met een spaghettistuur. Dat was de eerste wezenlijke verandering aan de opbouw van een racefiets in honderd jaar. Dat stuur had hij gehaald uit het nog jonge triatlon, en hoewel het stuur ook geen toonbeeld van design was, bleek het hoogst efficiënt. Het zou alvast van het tijdrijden een totaal andere discipline maken.

Ook het jargon veranderde. De taal van de langere wedstrijden als de Tour de France werd half-Engels. Een tijdrit of contre la montre werd een TT, een sprinttreintje een lead out, de bergprijs werd king of the mountain en eten deden ze voortaan in de feed zone. Er werd ook anders getraind. Of beter: er werd getraind zoals andere uithoudingssporten dat al decennia lang deden. Gericht op pieken, met rustperiodes, onderbouwd door sportfysiologie en sportvoeding, twee specialismen die ook deels hun oorsprong vonden in de Angelsaksische wereld.

De cx als waarde voor de aerodynamica deed samen met de windtunnel zijn intrede. Onze wielrenners trainden tot dan vooral kilometers die ze onderbraken met intensievere kilometers, de zogeheten ‘blokjes’. De meeste van onze dwangarbeiders zaten nog altijd op hun fiets als sandwichmen, beplakt met allerlei kleine en grote sponsors in de meest incompatibele kleuren, een gevolg van het klassieke businessmodel van de West-Europese koers.

En toen kwam Sky

Op 26 februari 2009 zou het cyclisme een andere weg inslaan. De Britse commerciële zender en wereldspeler BSkyB kondigde aan voortaan ook een wegploeg te sponsoren, in navolging van het wielerbaanprogramma waar ze al klauwen vol geld in investeerden. Hun insteek was totaal anders dan de klassieke home nations. Zij zouden een wetenschappelijke vertaalslag maken van de wielerbaan naar de weg. Het oude wielrennen keek verbaasd en lachte minzaam. Wait and see.

Toen Sky in de Omloop Het Nieuwsblad van 2010 landde op het Gentse Sint-Pieterslein – ze kwamen gewoon aangereden zoals de anderen, maar het had iets weg van een landing van elitetroepen – deden ze dat niet met Skoda’s of Peugeots maar met Jaguars als team cars, een gigantische truck en een bus die dubbel zo groot leek als die van QuickStep, onze Vlaamse referentie.

Uit de truck kwamen gloednieuwe gelikte Pinarello-fietsen, Italiaans design en ook nog eens performant. Uit de bus kwamen ruimtemannetjes gewandeld, ingepakt in een outfit bestaande uit drie kleuren: donkerblauw, hemelsblauw en wit. Daarop één
grote sponsor: Sky, in kleine, mooi gestileerde letters. Toch wel het mooiste wielershirt van het peloton, vonden ook de oude koerskrokodillen meteen. Wielrennen werd meteen ook een beetje voetbal, want op de zijkant van het shirt stond de naam van de renner. Zes uur later reed Juan Antonio Flecha namens Sky victorieus alleen over de streep in Gent. Dat was ook het enige wapenfeit van het eerste jaar van Sky, en daar werd dan smalend om gelachen.

Het beste moest nog komen, want deze Britse revolutie was méér dan marketing en een nieuwe look and feel. Er zat wetenschap achter en ook die was relatief nieuw voor de planeet Koers. Om correct te zijn: in de Angelsaksische wereld zijn het de Australiërs die de weg hebben getoond. In de nasleep van de desastreuze Olympische Spelen van Montreal 1976 (geen enkele keer goud) richtten ze een jaar later het Australian Institute of Sports op. Meteen was wielrennen een speerpuntsport: men maakte vooral baanwielrenners. Sterke kerels met een grote motor en veel vermogen, of kleine sterke mannetjes met fantastische coördinatie werden geselecteerd. De Aussies beheersten een tijdlang het baanwielrennen, maar stuurden ook geregeld goeie wegwielrenners onze kant op.

Toen de Britten na Atlanta 1996 in een olympische depressie verzeilden omdat alleen de oude roeier Steve Redgrave met goud naar huis was gekomen, haalden ze heel wat uit Groot-Brittannië vertrokken brains terug naar het moederland en plukten na Sydney 2000 ook Australische trainers weg.

Er was wel degelijk nog een andere weg naar Rome dan via Vlaanderen, Frankrijk of zelfs Italië. De wielerbaan van Manchester zou een voornaam tussenstation worden. Wielrennen is in essentie een hele simpele sport waarbij alles draait om geleverd vermogen, uitgedrukt in de eenheid watt. De formule van vermogen zegt het: arbeid gedeeld door tijd. Wat je in de motor stopt – op voorwaarde dat de motor groot en goed genoeg is – komt er vroeg of laat uit. Dat was de Britse wetenschappelijke logica, niet gehinderd door de traditie.

Bradley Wiggins was zo’n man van het vermogen, aanvankelijk voor vier minuten. Hij kroop uit zijn Britse proefbuis voor de Spelen van Peking 2008 en pakte daar voor de tweede keer achtervolgingsgoud. Een jaar later streed hij mee voor het podium in de Tour de France, in 2012 won hij de Tour, en zijn luitenant bij Sky – Chris Froome, een blanke Keniaan godbetert – werd tweede. Die zou later twee keer de Tour winnen en is ook dit jaar weer de grote favoriet.

Cultuur, fietscultuur

Bradley Wiggins werd de hipster onder de renners. Zijn opvolger Froome is net iets te onaards mager en saai om hem als stijlicoon naar de kroon te steken. Wiggins is een baardmens, een non-conformist tot in de kist, met schitterende teksten alsij er zin in heeft. Geen beauty, die Bradley, maar meer het prototype van de eiland-Brit, getekend door een gebrek aan andere dan Britse genen, het bovenmatig drankgebruik van zijn voorvaderen – waar hij zelf ook af en toe in vervalt – en het gemis aan zon.

Tegelijk met de opkomst van Wiggins en Sky vielen de Britse steden ten prooi aan een nieuwe fietscultuur. Klassieke stalen race bikes waren weer in. Fixies – met één vast verzet – werden ineens de norm in het straatbeeld en wie vandaag door Londen wandelt, ziet niet alleen meer de koeriers op doortrapfietsen. Ook de yuppen jagen door de straten van The City met hun laptoptas op de rug en één na één moeten ook de steden van het Europese vasteland voor de bijl, al is bij ons een fixie zonder rem (zoals die in Manhattan nog altijd wordt gebruikt) absoluut verboden.

Paul Smith

De fixierijders hebben zonder uitzondering speciale aangepaste kledij. Koeriers houden het nog bij eenvoudige streetwear, maar voor hoger op de maatschappelijke ladder is een heel gamma beschikbaar, te beginnen bovenaan met de 531-collectie van Paul Smith. Deze Paul Smith heeft zelfs een fiets in de aanbieding: een fixie natuurlijk. Een stalen frame, twee tandwielen en een ketting, twee wielen, een stuur en voorrem, dat alles in mat zwart en licht in gewicht, is de uwe voor 6.500 euro.

Paul Smith is 70 en heeft ooit ambitie gehad om profrenner te worden, maar die hield hij al die tijd netjes voor zichzelf. In een interview met The Telegraph outte hij zichzelf als een koersaficionado die in Nottingham op zoek ging naar tijdschriften met daarin plaatjes van mooi uitziende renners. “Ik herinner mij Fausto Coppi, maar ook Rik Van Looy, twee mooie renners die als gebeiteld op hun fiets zaten en strak in een mooi shirt.”

In 2007 werkte Smith een eerste keer voor het high-end merk Rapha (zie kader) en ontwierp een Grand Départ-shirt ter gelegenheid van de Tour-start in Londen. In 2014 lanceerde hij zijn 531-lijn middels een controversieel filmpje waarin de ex-prof (en op doping betrapte) David Millar zijn producten aanprees.

Wie wil fietsen op zijn Brits, heeft een aardige portemonnee nodig. In tegenstelling tot de klassieke wielerlanden waar de racefiets ook van het volk was/is, scoort het sportief fietsen en de bijbehorende stijl in de Angelsaksische landen vooral bij de betere middenklassers. Wie interesse heeft: een waterproof fietsjasje kost 380 euro en een bijpassende backpack 500 euro. Maar dan fiets je wel in Paul Smith, het favoriete merk van Vlaanderens favoriete wielercommentator, Michel Wuyts.

Rapha, mode voor mamils

In de jaren 50 weigerde de Tour de France andere teamsponsors dan fietsenmerken. Daar vond het team van ploegleider Geminiani iets op. Zij hadden als sponsor St.Raphaël, een Frans aperitief, afgekort tot Rapha. Op de shirts verscheen Rapha en daaronder Geminiani. “Hoezo verboden?”, repliceerde Raphaël ‘Rapha pour les amis’ Geminiani, “Rapha is mijn voornaam.” Aan die anekdote ontleent het exclusieve en iconische Britse fietskledingmerk zijn naam. Het ontstond in 2004 in de geest van ene Simon Mottram toen die naar de bestaande fietskledij keek en geschokt was door de slechte pasvorm, de foute materialen en de lelijkheid.

Rapha kwam van in het begin met strakke kleuren, veelal pastel, gecombineerd met één andere kleur en het strakke mooie Rapha-logo. Een koersbroek was altijd zwart, met één kleurelement. Rapha beloofde comfort en kwam die belofte ook na. Het bracht ook stijl. De outfit van Sky is met afstand de mooiste van het hele peloton en ook onder de recreanten haal je er de Rapha-adepten van ver uit. In Engeland is het recreantenwielrennen opge- deeld in Rapha-haters en -lovers. Het merk gaat over de tong en dat is meer dan je kunt zeggen van andere merken. Rapha is in Londen het favoriete merk geworden van de mamil, een acroniem voor middle aged men in lycra. De omzet steeg elk jaar, maar 80 miljoen euro is natuurlijk niks vergeleken met grote sportmerken.

Exclusief

Belgische retailers kregen vorig jaar te horen dat ze vanaf 2016 geen Rapha meer konden verkopen. Rapha gaat terug naar de roots: onlineverkoop of vanuit de Rapha-conceptstore. Die heet Rapha Cycle Club en daarvan zijn er wereldwijd maar negen plus één outlet. De dichtste Cycle Club vind je in Amsterdam.

Dit jaar krijgt Rapha extra veel kritiek omdat het een nieuwe, superdure versie van de klassieke koersbroek en koersshirt op de markt heeft gebracht: de Shadow houdt regen tegen en zou toch extreem zweetademend zijn, en kost in een setje maar liefst 650 euro. Daarvoor koop je bij Decatlon – ook van uitstekende kwaliteit – tien high-end fietsbroeken en shirts.

Verhaal over Koers in Vlaanderen in De Morgen Magazine van zat 2 april

Over koers en Vlaamse klei

Beloven, omkopen, bedriegen, profiteren, kans, onkans, respect, afschuw, verdriet, vreugde, pijn, genot, rijk, arm, en ten slotte de dood: wielrennen is het verhevigde leven, en het peloton is de kleine afspiegeling van de maatschappij. Daarom past koers ons als een handschoen.

Toen de formidabele wielrenner en Tour-winnaar Stephen Roche zijn jonge collega en landgenoot Paul Kimmage – later auteur van het sterke getuigenis The Rough Ride – op bezoek kreeg en die hem om goede raad vroeg, antwoordde Roche: “Neem ze te grazen, voor ze jou te grazen nemen.” Dat is precies hoe een oude wijze wielerdokter voor mij jaren geleden de microkosmos van het peloton ontleedde: “In de koers lap je een ander erbij zodra je kunt. Zonder scrupules, want dan staat het al 1-0 voor jou. Je weet immers dat hij je terug zal pakken en dan staat het nog maar 1-1.”

De grote Rik Van Looy vertelde ooit in een interview hoe bijzonder complex wielrennen wel niet was: een zogeheten spel van ploegen, maar waarin naarmate de kilometers vorderen, steeds meer de individuele belangen primeren. “In de koers mag je je twee handen kussen als ze binnen je ploeg niet tegen jou rijden. Vóór jou rijden, is nog een heel andere affaire. Dat bestaat niet echt, tenzij je ze extra betaalt.”

Ten slotte laten we de éminence grise van de VRT-commentatoren aan het woord. Het credo van José Decauwer luidt nog altijd: “Eet eerst het bord van een ander leeg, voor je aan dat van jou begint.”

Katholiek

Wielrennen is de meest katholieke en dus meest hypocriete sport die de mens ooit heeft uitgevonden. Dat is een boutade waar evenveel waarheid als verzinsel in zit. Zoals de theoloog professor Dries Vanysacker terecht opmerkt: “Door Gino Bartali (een Italiaan die de bijnaam ‘De Monnik’ kreeg omwille van zijn intense belijdenis van het geloof; HV) is men de perceptie gaan creëren dat wielrennen een katholieke sport is. En dat is nu nog altijd een adagium. Men vergeet wel dat er in protestantse landen evenzeer aan wielrennen werd en wordt gedaan.”

Dat klopt, en ook weer niet. In de protestantse landen werd aan wielrennen gedaan, maar de sport werd er nooit deel van het maatschappelijk bestel en zat er nooit in de onderbuik. Het is echt geen toeval dat de naties van het eerste wieleruur zonder uitzondering katholieke regio’s zijn: Italië, Frankrijk en België. Het ultrakatholieke Spanje kwam iets later en Nederland – ook eerder het katholieke zuiden – nog later. Roche en Kimmage hierboven kwamen uit het katholieke Ierland.

Vandaag verschillen de Noord-Europese calvinistische maatschappijen in mores allicht niet al te veel meer van de West-Europese katholieke, maar wielrennen werd al honderd jaar geleden onze nationale passie, en toen was dat onderscheid wel duidelijk. Alleen in Frankrijk, Italië en België werden de vaak katholiek geïnspireerde media ook organisatoren van wielerwedstrijden. De Tour de France werd zelfs uitgevonden om een nieuwe sportkrant te promoten en meteen bij de eerste editie stond het lijden van de deelnemers centraal. Later zou Sportwereld de Ronde van Vlaanderen uitvinden.

Wielrennen past de Vlaamse volksaard als een handschoen. Wij zijn geen volk van rechtuit en rechtdoor. Wij zijn harde werkers, vriendelijk maar gereserveerd en gesloten, al helemaal tegen buitenstaanders. Wij zijn ook een volk dat in de loop van de geschiedenis door scha en schande, na vele oorlogen op ons grondgebied en decennialange bezettingen, heeft geleerd dat je met een slecht compromis meer bereikt dan met te veel strengheid in de leer. We zijn eerlijk, maar we rekken dat begrip tot in de oneindigheid en tot aan de grens van de oneerlijkheid want we zijn overlevers en plantrekkers. Wielrennen ís een sport van overleven en plantrekken. Wielrennen is ons leven, maar verhevigd, dixit collega Jan Wauters zaliger.

Betaald zweet

Wielrennen is bovendien een aparte sport. Van alle uithoudingssporten is het de zwaarste. Wielrennen is synoniem voor het individuele lijden, en wordt ook soms als een sportieve kruisweg afgebeeld, alleen kom je soms met veertien staties niet toe. Koersen is diep gaan, afzien, de grenzen aftasten en overschrijden. Het is ook de gevaarlijkste sport, wat het snelle compromis, de toegeving op de ethiek en de zondeval (doping) verklaart. Even makkelijk wordt de zondaar vergiffenis geschonken. Aflaten zijn op het eind van elke koersdag wel te verdienen.

Het is ook de snelste uithoudingssport in peloton waarbij je het makkelijkst kunt profiteren van het zweet van een ander. Dat zweet kan worden gestolen, maar er kan ook voor worden betaald. Terwijl de meeste sporten zijn ontstaan in Engeland en de geest van het Engelse sportsmanship omarmden – deelnemen is belangrijker dan winnen en als je wint, doe het dan in stijl – werd wielrennen op de weg al snel een volksvermaak dat Machiavelli – een katholieke Italiaan – zelf had kunnen uitvinden: in de koers heiligt het doel altijd de middelen.

Schaamteloos profiteren werd onderdeel van de tactiek. Hoe de Australiër Simon Gerrans in Milaan-Sanremo van 2012 Fabian Cancellara klopte door kilometers in zijn wiel te hangen en hem net voor de meet voorbij te sprinten, voor dat profitariaat word je in een andere sport op je gezicht getimmerd. Niet op de planeet Koers, daar kreeg Simon van Fabian een welgemeende handdruk: goed gedaan jongen. Eerst het bord van een ander leegeten en dan…

Waar je in voetbal, toch ook geen toonbeeld van hoogstaande zeden, nooit zou moeten aan beginnen, is in koers de normaalste zaak van de wereld: combines en afspraken, open en bloot. Je ziet ploegleiders met elkaar spreken, je ziet renners met elkaar spreken en je vermoedt dat het over geld gaat, want soms gaan ook duim- en wijsvinger live in de uitzending over elkaar, becommentarieerd zonder gêne. Maar als twee voetbalteams straks op het EK voetbal in dezelfde poule belang hebben bij een scoreloos gelijkspel en het daar ook op aanleggen, wordt moord en brand geschreeuwd.

Koers is dan ook ingewikkelder als competitieformat dan voetbal, omdat het niet gaat om twee tegenstanders, maar om soms twintig ploegen van negen renners die elk hun groeps- en individuele belangen hebben. Die zijn soms tegenstrijdig en soms gelijklopend, maar een ploeg mag nog zo sterk zijn, als de negentien andere ploegen samenspannen, win je nooit.

Het gevangenendilemma

Daarom is het goed om vrienden te maken in het peloton of toch te doen alsof. Daarom rijden ploegen en renners die elkaar eigenlijk niet kunnen luchten soms uren naast elkaar op kop omdat het beider zaak dient. Het peloton is een microkosmos, te vergelijken met die van de parochiale dorpspolitiek: je medestander van vandaag kan morgen je tegenstander zijn. Een dunne lijn scheidt pragmatisme en hypocrisie.

Want dit is koers, de sport van het prisoner’s dilemma game, altijd weer. Het gevangenendilemma – een wiskundig model dat een begrip is in de psychologie – toont hoe complex de relatie is tussen het eigen belang en het gemeenschappelijk belang, tussen dienst en wederdienst en tussen oneerlijk en eerlijk spel. Samenwerken levert vaak op het eerste gezicht meer voordeel op dan voor het eigenbelang gaan, en toch neigt men naar het laatste.

Wielrennen heeft daarom de reputatie gemeen en achterbaks te zijn, maar evengoed zijn opoffering en samenwerking van tel. Wielrennen is een dubbelspel, schreef ooit een psycholoog, waarbij de ongeschreven regels van eerlijk spelen wezenlijk zijn voor het gedrag van de renner. Wielrennen, in mensentaal, is een beetje De Mol, met enkele verschillen. Ook je ploegmaats kunnen potentiële mollen zijn en in het zicht van de meet wordt koers een simpel spel: dan zijn het allemaal mollen.

Column over hooligans in Brussel in De Morgen van zat 2 april 2016

COLLATERAL DAMAGE

Daar zijn ze: de play-offs. Eindelijk. Gelukkig. Stel je voor: nog een weekend zonder voetbal, nog een weekend zonder aanleiding om de onnozelaar uit te hangen. Stel je voor: nóg een mars op Brussel.

Nogal wat media en politieke partijen – alle media eigenlijk, en alle partijen behalve die van de minister van Sport – hadden zich druk gemaakt om het plotse bezoek van voetbalfans aan Brussel, maar die hadden dat allemaal slecht begrepen. Toch? Hooligans? Extreemrechtse stoottroepen? Maar neen, beste medeburgers: het waren ‘casuals’. En wie ze dan wel precies waren, dat hebben ze donderdag nog eens uitgelegd aan de pers. Waarmee ze meteen hun slag hebben thuisgehaald: twee keer aandacht.

Enkele van die aandachtzoekers die al eens in de bak hadden gezeten – kan gebeuren, meneer – mochten paginagroot komen uitleggen dat ze in wezen onschuldige jongens waren, per ongeluk allemaal in het zwart gekleed, de meesten kaalgeschoren en de rechterarm gestrekt in de lucht, zoals dat toevallig tachtig jaar geleden in Duitsland de mode was.

Doodgewone, sympathieke, empathische voetbalfans die zich uit alle windstreken hadden verzameld in Vilvoorde. Bij ontstentenis van een directe aanleiding om op elkaars muil te slaan, bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd – maar wel alleen als de collega-casuals daar om vragen (het stond er echt) – hadden ze afgesproken om solidair te zijn met de slachtoffers van de aanslagen. Gewoon, zoals elke ander burger op het Beursplein te Brussel/Bruxelles.

Dat IS werd verketterd? Natuurlijk, dat doen we toch (bijna) allemaal in dit land. Dat er ondertussen wat antileuzen tegen ‘bruinen’ werden geroepen? Ach, een enkeling misschien. Die rechterarm in de lucht, gestrekt? Dat doen we altijd en heeft niets met nazisme te maken. En dat deze keer een aantal extreemlinksen op hun muil kregen? Shit happens en dat hadden ze bovendien zelf uitgelokt. Dat er wat bloemen werden vertrappeld en kaarsjes omver geschopt? Collateral damage, als je onaardig bent tegen ons.

Geen enkele criticaster had tot nog toe een zinnig argument tegen de play-offs kunnen verzinnen. Tegenover meer spanning, meer topwedstrijden, beter voetbal, meer tv-rechten en meer stadionbezoek werden alleen maar flauwiteiten ingebracht als “dat is geen voetbal” of “dat is oneerlijk” of “zo hebben we dat nooit gedaan”. De hevige afkickverschijnselen bij de casuals in zo’n voetballoos weekend is het eerste valabel argument om de play-offs te herzien, misschien zelfs af te schaffen. Toch een werkpuntje voor de clubs: hoe houden we de minder opgevoeden onder onze klanten bezig als er niet wordt gevoetbald?

Sommige onzaligen willen dat uitschot zelfs een stem geven in het beheer van hun club en hun sport. Als de beschamende invasie van voetbalhunnen in Brussel iets heeft aangetoond, dan wel dat het juist een prioriteit zou moeten zijn van onze voetbalclubs om dat schorem buiten de stadions te houden.

Maar goed, sinds vrijdag wordt er gevoetbald en dat tien speeldagen lang om uit te maken wie eerste, tweede, derde, enzovoort wordt. Drie topclubs komen in aanmerking om kampioen te worden en drie andere topclubs niet meer, maar die laatsten kunnen wel behoorlijk vervelend uit de hoek komen. Iedereen kan van iedereen winnen in deze play-offs.

Club heeft de beste kans en dat heeft minder te maken met de twee en vier punten voorsprong op Gent en Anderlecht, dan wel met de manier waarop Club zijn wedstrijden wint: strak, sterk, niet te veel franje, dodelijk efficiënt. Cruciaal: de fysieke paraatheid van Lior Refaelov.

AA Gent was vorig jaar de verrassende kampioen met verrassend spel, maar verrast niet meer. Hoog, agressief storen en Gent verliest de pedalen. Cruciaal: heeft Laurent Depoitre nog zin om kilometers te maken voorin zoals in het kampioenenjaar of spaart hij zich zoals de laatste maanden om fris te zijn voor de goal, zijn uitstalraam?

Anderlecht ten slotte: dit is een spelersgroep waar geen peil op te trekken valt. Is Besnik Hasi wel goed omringd, vroeg een opportunistische Glen De Boeck zich deze week af. Deze rubriek wil hierbij de psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi aanbevelen. Die schreef ooit de bestseller Flow, psychologie van de optimale ervaring. Precies wat paars-wit kan gebruiken. Alleen een plotse flow kan Anderlecht en Hasi redden.

Verhaal Football Leaks in De Morgen van zat 2 april 2016

FC Robin Hood

 

Hij komt uit Portugal en niemand weet hoe hij eraan raakt, maar op gezette tijden publiceert hij, compleet mét kopie, geheime financiële voetbaldeals zoals transfers en contracten. Dat anders zo gesloten voetbalwereldje is not amused. ‘Football Leaks is een criminele organisatie van hackers en moet worden uitgeroeid.’

Onlangs publiceerden twee Vlaamse kranten een verhaal over de salarissen bij de grote voetbalclubs. Lovenswaardig werk, maar helaas klopte de conclusie niet helemaal. Het gemiddelde salaris voor kernspelers ligt bij de topclubs soms 50.000, soms 100.000 en bij één club zelfs 250.000 euro hoger dan berekend. Dat lag niet aan de journalisten, want die hadden zich terecht gebaseerd op de enige beschikbare cijfers, de jaarrekeningen die bij de Nationale Bank zijn neergelegd.

In de praktijk hanteren de clubs andere bedragen en hebben ze ook vaak ondoorzichtige structuren waarbinnen technieken van fiscale optimalisatie legio zijn. Dat is hoe Europa wheelt en dealt in sportzaken. Het is hier nog even wachten op de Amerikaanse openheid waarbij een week voor het begin van het seizoen in USA Today de salarissen tot op de dollar worden afgedrukt en de spelers-cao’s vrijelijk op het internet raadpleegbaar zijn.

Maar sinds kort is er hoop: Football Leaks doet de vrijhandelszone Profvoetbal beven op haar grondvesten door om de haverklap gevoelige financiële info te publiceren. “We weten dat er iets ernstigs aan de hand is,” zei een anonieme clubleider aan The New York Times, “maar wat we vooral weten, is dat niemand de volgende in de rij wil zijn om zijn deals in extenso op het net te vinden.”

‘John’ eet Servisch

Doe de test en surf naar footballleaks2015.wordpress.com. Zoek een document, contract, overeenkomst, maakt niet uit, iets wat je interesseert, en probeer het te downloaden. Het eerste wat gebeurt, is de hel die losbreekt als je dat probeert. Deze week gingen er muziekjes af en wees een Franse stem ineens op malware die op onze laptop was geïnstalleerd. Vorige week was er een andere waarschuwing en sloeg de virussoftware ook alarm om uiteindelijk bij een pornosite uit te komen. Nog een andere keer was het een goksite. De eerste keer downloaden lukt vaak niet, bij een tweede poging lukt het wel. Inmiddels was de laptop wel degelijk met malware geïnfecteerd, maar Norton kon de zaak eenvoudig klaren.

De malware zou volgens Football Leaks geïnstalleerd zijn in opdracht van een grote spelersmakelaar. Een grote makelaar? Neen, dé grootste makelaar: zijn naam is Jorge Mendes en hij is mede-eigenaar van Doyen Sports, dat de betere spelers en clubs bedient en eigendomsbelangen heeft op spelers in voetbalploegen via het zogeheten Third Party Ownership (TPO). Dat is volgens de sportwetten strikt verboden, maar wordt nog steeds gedoogd via allerhande rare constructies.

Football Leaks bestaat nog maar sinds september 2015 en de initiatiefnemer is ene ‘John’. Hij zou in Portugal zijn geboren en vijf talen spreken – momenteel leert hij nog twee andere talen waaronder Russisch – en hij is onlangs door Der Spiegel en The New York Times geïnterviewd. Op een geheime locatie of per mail. Niet dat hij zo erg vreest voor zijn leven als de Amerikaanse klokkenluider Edward Snowden en de mannen achter WikiLeaks, maar erg gerust is hij er toch niet op. “Sommige eigenaars van schimmige investeringsmaatschappijen zijn maffialeiders uit het Oostblok.”

Het meest recente interview was met Der Spiegel en vond ergens in Oost-Europa plaats, maar die expliciete vermelding en de verwijzing naar de Servische gerechten die de geïnterviewde en ‘John’ aten, zou best een dwaalspoor kunnen zijn. Spannend is het in elk geval wel, dat Football Leaks, en het staat vast dat het voetbalwereldje maar al te graag zou weten wie achter de simpele maar o zo effectieve WordPress-site zit.

Op 9 maart postte Football Leaks een nogal cryptische rechtzetting: “De man in de pers heeft niets met ons te maken. Wij dreigen niemand af.” Ergens was verschenen dat Football Leaks in ruil voor geld bepaalde documenten niet zou publiceren: chantage dus, en strafbaar. De Portugese instanties hebben alvast niet gewacht en stelden een onderzoek in, na een klacht van Doyen Sports, de Portugese eigenaar Mendes en verschillende Portugese clubs. Dat John thuis is in het Portugese voetbal, is inmiddels duidelijk, dus die link is geen dwaalspoor en is zelfs de oorzaak van een beetje ruzie en veel verwijten heen en weer.

Clubs uit Lissabon wijzen naar een bron binnen Benfica. “Het is geen toeval”, zei de voorzitter van Sporting Lissabon, “dat de documenten met betrekking tot Benfica geen enkele nieuwswaarde hebben en de onthullingen alleen andere clubs betreffen.”

Matchfixing

Eerder dan onthullen hoeveel deze en gene speler verdient of heeft gekost bij aankoop, is het ‘John’ te doen om het aan de kaak stellen van schimmige deals. Zijn echte agenda is het TPO, geeft hij toe, en dan meer in het bijzonder de specialist in dat werk, Jorge Mendes. Dat doet vermoeden dat John zelf een oud-medewerker is van Mendes of een jurist die inzage kreeg in de documenten, of hulp krijgt van een mol binnen die organisaties.

Third Party Ownership is een techniek waarbij makelaars spelers stallen, maar blijvend rechten uitoefenen op die spelers en daarbij de facto bepalen waar die hun kunsten zullen vertonen. “Die investeringsmaatschappijen spelen in een donkere wereld en maken het voetbal kapot. Ze zijn de directe weg naar conflicterende belangen, witwasserij en zelfs matchfixing. We beschuldigen niemand, maar de aandeelhoudersstructuur van Doyen Sports is ideaal om geld wit te wassen.” Aldus ‘John’ in een ander interview met de Duitse site 11Freunde.

Het dichtst bij ons land dat Football Leaks kwam, behalve dan het onthullen van de transfer van Benfica naar Zenit van Axel Witsel, was in december met de gepubliceerde deal tussen FC Twente en Doyen Sports. De noodlijdende ex-club van Michel Preud’homme kreeg van Doyen 5 miljoen euro in ruil voor deelrechten op enkele spelers.

Bepaald gênant in de overeenkomst, die integraal te downloaden is samen met allerlei ander mailverkeer, is de extra bepaling dat in geval van niet-verkoop van die spelers, de club een vergoeding verschuldigd is aan Doyen Sports. Met andere woorden: het makelaarsbureau bepaalt het doen en laten en gaan en staan van een speler. Inmiddels is die praktijk door de FIFA – toch íéts wat Sepp Blatter goed heeft gedaan – aan banden gelegd.

Opmerkelijke transfers

Ook Football Leaks werd aanvankelijk aan banden gelegd. Slimme jongens hadden uitgevlooid dat de documenten op een Russische server stonden en hadden de eigenaar van de server onder druk gezet om het zaakje af te sluiten. Inmiddels staan de 500 gigabyte aan documenten (eigen mededeling van Football Leaks) op verschillende Russische servers en zal zelfs het neutraliseren van ‘John’ niet het einde betekenen van de publicatiedrift. Der Spiegel was er tijdens hun lunch getuige van hoe van heinde en verre uit het voetbalwereldje documenten naar hem werden gemaild.

De Twente-affaire rimpelde al bij al niet te ver, en zeker niet tot in België. Ook het Belgische voetbal is een wereldje dat liever de financiële potjes gedekt houdt. Wel wereldnieuws was de transferdeal tussen Tottenham en Real Madrid over Gareth Bale. Die bedroeg 100,8 miljoen euro, maar contractueel werd overeengekomen dat slechts over 91,6 miljoen euro zou worden gesproken. Duidelijk om Cristiano Ronaldo niet over de rooie te krijgen, want hij en zijn ego stonden erop de duurste te zijn met zijn 94 miljoen euro. Niet dus.

Ook interessant was de deal tussen Manchester United en AS Monaco voor de aankoop van Anthony Martial. Die kostte 50 miljoen, maar als hij 25 doelpunten scoort of 25 interlands haalt of genomineerd wordt voor de Gouden Bal, wordt per verwezenlijking telkens 10 miljoen achterna gestort.

Ex-Standard-speler Eliaquim Mangala was een beetje Bale, maar het blijft raden naar het waarom. Hij kostte in het echt 55 miljoen toen hij in 2014 van FC Porto naar Manchester City ging, en geen 42, zoals gemeld. Hij speelde dit seizoen al welgeteld één wedstrijd. Bij zijn verkoop bleek dat hij voor 45 procent eigendom was van Doyen Sports en nog een ander marketingbureau.

Mesut Özil kreeg ook een aparte bepaling in zijn transferovereenkomst toen hij van Real naar Arsenal ging. Real heeft het recht van eerste weigering als hij ooit weer in Spanje wil komen voetballen.

Van Cristiano Ronaldo is nog geen arbeidsovereenkomst te vinden op Football Leaks, jammer. We moeten het doen met sponsoringdeals. Van een Saudische mobiele netwerkoperator kreeg CR7 1,1 miljoen euro per jaar om zijn gezicht en naam uit te lenen, inclusief foto- en videoshoot. Een andere onlangs geposte deal was er eentje uit 2013 tussen Cristiano Ronaldo en Jacob and Co, een high-end Zwitsers horlogemaker. Om vijf gratis horloges te dragen, kreeg Ronaldo zo’n 400.000 euro per jaar. Het was niet duidelijk of de vijf horloges uit de goedkopere Jacobs and Co-collecties van 5.000 euro kwamen, dan wel of het om de duurdere Crystal Tourbillon van 650.000 euro ging.

Criminele organisatie

Inmiddels heeft Football Leaks in zijn zeven maanden in cyberspace de voetbalwereld een ferme kramp in de kuiten bezorgd. Er zijn veel meer tegenstanders dan medestanders van de site, wat doet vrezen dat het straks over is met het feest. De zaakwaarnemers, de clubbestuurders, de makelaars al of niet met offshorebedrijven, de handelaars in portretrechten en in mensen: geen van allen heeft belang bij de openheid die ‘John’ predikt. De Portugese politie spreekt inmiddels zelfs van een internationale criminele organisatie, maar tast in het duister.

“Hoezo, crimineel?” zegt ‘John’. “Ze beschuldigden er ons van op 6 oktober te hebben ingebroken in hun computer. Wij breken niet in, wij hacken niks. Het bewijs: we hebben ook documenten in de Twente-zaak van na 6 oktober gepubliceerd. Onze enige bedoeling is aan de kaak stellen hoe schimmige figuren via schimmige constructies zich verrijken op de rug van onze passie, voetbal.”

De vakbonden daarentegen vinden het een interessante evolutie. Theo van Seggelen van de FIFPro kon vorige maand in het Nederlandse magazine Voetbal International zijn goedkeuring niet verbergen. “Ik ben een groot voorstander van transparantie. Over de manier waarop dit uitkomt, heb ik geen slapeloze nachten.”

‘John’ heeft die wel, zo meldde hij in zijn laatste interview. “Ik slaap slecht en nooit langer dan twee nachten op dezelfde plek. Ik weet dat ze privédetectives hebben ingehuurd en naar mij op jacht zijn.”

De initiatiefnemer van Football Leaks mag dan een onmiskenbare zin voor drama hebben en misschien zelfs een beetje aandacht zoeken, wat hij publiceert op zijn WordPress-site, is echt en explosief.

Column 1974 in De Morgen van zaterdag 26 maart 2016

1974

 

Godallemachtig – neen, niet God en vooral niet Allah, maar gewóón allemachtig – wat was dit een kloteweek.

Dinsdag had ik een vlucht om 8.35 uur met easyJet naar Genève. Vanaf Brussels Airport, zoals dat nu in de hele wereld bekend is, met als eindbestemming Lausanne om even wat olympische banden aan te halen. Met alleen handbagage, boardingpass thuis geprint, lopen ervaren reizigers dan een halfuurtje eerder – zo rond een uur of acht – door de vertrekhal en zijn dan nog ruim op tijd. Ik niet. Ik wil te vroeg zijn, overal en altijd, en het betert er niet op.

Dus zat ik ruim van tevoren in de buurt van de gate met twee croissants, een sapje en een cappuccino. Dus was ik ook als eerste in het vliegtuig. Twee uur later stonden we nog steeds in Zaventem en kon ik de bus op. Naar nergens, zoals de vluchtelingen in Terug naar eigen land, maar minder format en meer luxe.

Ik werd gedumpt op 100 meter van mijn auto en ik prijs nog steeds mijn ingeving om al die vangrails als horden te nemen, het rolkoffertje achter mij aan door de slagbomen te wandelen, tegen het advies van de ordediensten in. Ik wil in één moeite de politieagent bedanken die mij met kogelvrij vest en getrokken wapen naar mijn auto begeleidde. Hij nam een foto van mijn perskaart en autokenteken en stuurde mij weg, waarna ik om halfelf uit P2 kon vluchten. Als een zombie reed ik tussen de ziekenwagens naar de ring, alle ellende achter mij latend.

Dacht ik, maar niet dus. We zijn drie dagen verder en ik heb geen klap uitgevoerd. Ik lees elke letter die verschijnt, ik vervloek elke politieblunder, erger mij aan het lamme gezwets in de media en ik heb mij misschien wat meer dan goed is opgewonden over Dwars door Arm Vlaanderen. Hoewel, je koerst níét in een land een dag na een slachtpartij.

Eén sportdirecteur sms’te mij: “Wat denk jij ervan dat we koersen?” “Achterlijk”, antwoordde ik.
“Ja,” zei hij, “wielrennen moet eens volwassen worden.”

Misschien, misschien ook niet, maar zo’n beslissing mag je nooit overlaten aan een incestueus milieutje als dat van De Koers. Want wat dacht u dat er speelde om Dwars door Arm Vlaanderen toch te laten doorgaan? Ethiek? Ode aan Brussel. Respect voor de doden? Neen, the show must go on. Stel je voor, al dat vip-eten besteld en dan geen koers, dát was pas een drama geweest. Maalbeek of Zaventem, och ja, dades verre van oes bedde.

En dan twee dagen later, van een totaal andere orde maar niettemin een flinke naklap: Johan Cruijff dood. De eerste reactie: nu al? En hij stond nog wel 2-0 voor, had hij zelf gemeld. Precies dertig jaar geleden heb ik als jonge reporter voetballes gekregen van Johan Cruijff, net coach geworden bij Ajax.

We stonden aan de vooravond van de dubbele België-Nederland die ons naar Mexico zou brengen. “België verdedigt omdat het onder de voeten is gelopen in de geschiedenis. Nederland valt aan omdat het de wereld heeft veroverd met de Vereenigde Oost-Indische Compagnie.” Hij meende het, ik zoog het op als een spons en schreef het neer in trance.

Als tiener was Johan Cruijff mijn Merckx van het voetbal. Ze hingen aan mijn muur naast de toen al dode Che, met dien verstande dat Johan meer Che was dan Eddy. Nooit heeft mijn supportershart meer pijn geleden dan in 1974. Merckx won dat jaar geen enkele klassieker, maar zette dat recht door de Rondes van Italië, Zwitserland en Frankrijk te winnen en ook nog eens wereldkampioen te worden. Al bij al niet slecht, maar de supporter in mij voelde het: er waren barsten in zijn pantser van onoverwinnelijke.

De voetbalzomer bracht een wonderbaarlijk Nederland dat onder leiding van Cruijff de wereld leerde voetballen, maar onbegrijpelijk de finale verloor van West-Duitsland. Ik zag die finale op 7 juli in Pontresina in Zwitserland tussen allemaal Duitsers. Het heeft dertig jaar geduurd om dat trauma te verwerken. In de zomer van 1974 ontdekte ik dat supporteren hetzelfde is als verliefd worden, wat ik toen ook was: het mag, het moet, zelfs met overgave, maar altijd met een slag om de arm.

Column over Johan Cruijff in De Morgen van vrijdag 25 maart 2016

Eerste steenlegger

van de Hollandse sportbranie

De jonge Johan Cruijff heeft zich ooit afgezet tegen de provo’s en de krakersbeweging in zijn thuisstad Amsterdam, maar zelfs zij waren wild van hem. Johan Cruijff, nummer 14, wás Mei ’68: de verbeelding was aan de macht zoals hij op noppen, zijn lange sluikharen wapperden in de wind, de verdedigers als standbeelden achterliet.

Hendrik Johannes Cruijff uit Betondorp was een Godenzoon, een kind van Ajax, opgegroeid in Amsterdam, de meest libertijnse stad van het westelijk halfrond. Geen toeval dat uitgerekend hij de architect werd van het grote Ajax, het fenomenale Oranje, later ook het grote Barcelona van de jaren zeventig. Hij was de eerste steenlegger van de Hollandse sportbranie en zelfs het Catalaanse zelfbewustzijn kan aan hem worden toegeschreven. Zonder hem had de wereld nooit gehoord over totaalvoetbal, was die nooit verliefd geworden op aanvallen en was er nooit nagedacht over 4-3-3 als hogere driehoeksmeting.

Misschien was er een betere voetballer vóór hem (Pélé) en ook na hem (Messi), maar geen heeft het voetbal zo wezenlijk veranderd. Ajax en Nederland onder regie van Cruijff en coach Rinus Michels toonden de wereld hoe er kon gevoetbald worden zonder libero, met opkomende vleugelbacks en centrale verdedigers, met positiewissels voorin en hijzelf zwervend tussen de lijnen.

De begenadigde voetballer stichtte mee de grootste kleine voetbal- en sportnatie Oranje en verleende Catalonië bestaansrecht. JC Superstar werd in 1973 verscheept naar Catalonië maar mocht van het Madrid van Franco het land niet binnen als hij geen meerwaarde betekende voor de regio. FC Barcelona liet hem dan maar inschrijven als landbouwwerktuig. Het werktuig ploegde niet, het danste over de vruchtbare akker van Camp Nou. Cruijff werd El Salvador, de verlosser die meteen in zijn eerste seizoen Barcelona kampioen maakte en Franco’s Real verpletterde. Op die golven van voetbaleuforie richtte Jordi Pujol in november van 1974 zijn nationalistische Catalaanse partij op.

Zowel bij Ajax (geen titels) als Barcelona (in acht jaar vier titels en twee Europacups) was hij een gewaardeerd trainer die zijn voetbalfilosofie trouw bleef: voetbal op de helft van de tegenstander, uitgaan van balbezit, altijd 4-3-3. “Omdat je bij 4-4-2 oneven getallen krijgt en dan kun je niet voetballen.”

Een minpunt dan maar? Jawel, meer dan één. Later werd hij af en toe een onbegrepen orakel met onzinnige quotes als hierboven en nooit heeft een betere voetballer, minder prijzen gewonnen, vooral dan door de eigen koppigheid. Het weze hem alsnog vergeven.

Gisterenavond heb ik – tegemoetkomend aan de behoefte om de ellende van Brussel en Zaventem achter mij te laten – naar de avondvullende programma’s gekeken in de hoop mijn twee favoriete goals te zien: die ene op het WK van 1974 tegen Brazilië, waar hij in de gietende regen de bal vliegend uit de lucht haalt en scoort. En uiteraard hét kippenvelmoment. 6 december 1981, Haarlem-Ajax. De 34-jarige Cruijff is terug op het Amsterdamse nest na omzwervingen over de hele wereld. Krijgt in de 21ste minuut de bal net voor het strafschopgebied van Sören Lerby, loopt een paar man voorbij, ziet in een ooghoek dat de keeper twee meter voor zijn goal staat en lobt dan vanop twintig meter.

RIP JC.

Cruijff RIP