Column Festivalsport in De Morgen van zaterdag 15 oktober 2022

Festivalsport

Dirk Van Tichelt vorige zondag op Twitter gelezen? “Ik zal mijn laptop maar aansluiten op de tv om de WK-finale van Matthias Casse te kunnen zien op tv. Misschien moet Matthias de volgende keer een koerstenue aandoen of een bal meenemen op de tatami. #Ongelijkheid #Respectloos #JudoWereldsport #Wereldprestatie.”

En dan iets later: “Spijtig. Maar WAT EEN FINALE! Dit is sport. Vijftien minuten spektakel. Zelfs al ken je geen kloten van judo, je zal dit nog spannend vinden. Proficiat Matthias Casse om veel mensen te laten genieten!”

Deze week verscheen op Sporza een aanverwant bericht. ‘Schaatsbond zit op droog zaad: alleen geld om Bart Swings naar WB- manches te sturen’, dat was de kop die aan duidelijkheid niets te wensen overliet.

De schaatsbond heeft geen geld, vindt voorlopig geen sponsors en kan daarom alleen Swings ondersteunen net een reisbudget naar de wereldbekermanches, te beginnen in het Noorse Stavanger half november. Daarna moeten ze naar Calgary zien te geraken en vervolgens ook naar Tomaszów Mazowiecki, dat ligt dan weer in Polen.

Derde opvallende vaststelling: toen Remco Evenepoel zijn Vuelta won, ging Sporza op bezoek bij Thibaut Courtois. De Sportman van het Jaar kwam ter sprake en vooral wie van de drie het moest worden: Evenepoel, Van Aert of hijzelf, Champions League gewonnen. Ik viel van mijn stoel van zoveel kortzichtigheid. Ook na de Vuelta had ik Bart Swings op één. Nog steeds en ongecontesteerd.

Na die wereldtitel van Evenpoel, en vooral de manier waarop, sloop de twijfel binnen. Misschien toch maar Evenepoel? Neen, Swings blijft op één. Olympisch goud, heel het veld (Amerikanen, Koreanen, Chinezen, Japanners en Europeanen) gecontroleerd en afgemaakt, overstijgt alles. Swings won op zijn Evenepoels, aldus de wielerverslaggever, maar evengoed heeft Evenepoel het op zijn Swings gedaan.

Over de verkiezing van Sportman van het Jaar kan je discussiëren. Je kan er ook alle kanten mee uit en alle begrip: Evenepoel op één zetten is niet het synoniem voor journalistieke onkunde en is best verdedigbaar.

Alleen waren we olympisch kampioen Swings alweer vergeten toen Courtois een paar keer goed in de weg ging liggen en helemaal nadien toen Wout van Aert de groene trui won in de Tour. En toen Evenepoel kwam, zag en overwon, werd Swings een fait divers.

Waarom hebben de Belgische media, om Van Tichelt te parafraseren, alleen maar aandacht voor een sport met een voetbal of op twee wielen? Waarom was de finale van Casse niet te zien op een Belgische zender? Te duur, te ver? Nederland zond die zondag wel judo uit, met een analist (ex-judoka Henk Grol) in de studio en ook niemand in Tasjkent.

Waarom Nederland wel en België niet? Wellicht omdat ze het bij Studio sport aan hun stand als sportredactie verplicht vinden om daar aandacht aan te besteden. En waarom wij niet? Het antwoord is simpel: omdat wij een land zijn van festivalsport en aan polonaisejournalistiek doen.

Onze sportmedia versterken dat nog eens door het volk te geven wat het volk wil: fastfoodsport. Als tien jongens – en hoera, de laatste tijd ook meisjes – in lycra achter elkaar op een fiets rijden komt het op tv. Idem als twee keer elf jongens (en meisjes) achter een bal aanlopen. Is het niet op de VRT (Sporza), dan wel op Play Sports, Eleven, en als die geen zin hebben of de rechten niet hebben kunnen/willen betalen, komt VTM op de proppen.

Het vervelende met fastfood is dat het zo verslavend is. Wie alleen nog fastfood krijgt voorgeschoteld, zal op den duur alleen nog fastfood eten. Natuurlijk dat een mooie voetbalwedstrijd beklijft en dat je voor een WK zoals dat van Evenepoel op het puntje van je stoel gaat zitten, maar er is zoveel meer dan voetbal en wielrennen in de topsport. Dat alles leidt tot een perverse dynamiek: geen aandacht voor (vul de sport maar in…,), geen interesse, geen geld, enzovoort en zo verder.

Hoe het komt dat de sportredacties geen evenwicht bewaren, al was het maar om de rangorde in de sportprestaties te bewaken? De verklaring is simpel: in Vlaanderen word je als sportjournalist al snel in een vakje geduwd. Je doet alleen voetbal, alleen wielrennen, of alleen de rest.

Is er dan geen leiding die op dat journalistieke evenwicht toeziet? Er is leiding. Op sommigen redacties zijn meer cheffen dan journalisten. Die worden allemaal afgerekend op clicks en hits en views en meer van die onzin, en houden alleen al daarom dat onevenwicht in stand. Bovendien is het de laatste twintig jaar de gewoonte om cheffen aan te stellen die niet gehinderd zijn door al te veel kennis van meer dan één sport waar ze supporter van zijn en nog minder door ervaring in het veld.

Column Records voor de eeuwigheid in De Morgen van maandag 10 oktober 2022

Tijden voor de eeuwigheid

De algemene verwachting was dat Filippo Ganna dit weekend zou beheersen met een fenomenaal werelduurrecord, ja toch? Her en der werd geopperd dat de grens van de zestig kilometer in beeld zou komen. Dat is het niet geworden.

Ganna bleef steken op 56,792 kilometer. Hij klopte daarmee de vorige recordhouder, ene Dan Bigham, die tot voor kort alleen insiders kenden. Bigham overzag de trainingen en voorbereiding van Ganna, reed ook meer dan behoorlijk per fiets (zo was hij prof in een continentaal team) en zijn vrouw was de recordhouder bij de vrouwen. Hij vond bij de tests dat hij zelf eerst maar eens een uurtje moest rondrijden.

Dat leverde hem een afstand van 55,548 kilometer op. Daarmee deed hij bijna een halve kilometer beter dan Victor Campenaerts en degradeerde in één moeite onze landgenoot en de status van het werelduurrecord. De 55,048 kilometer van Campenaerts bleek ineens een verdienstelijke poging, niet meer dan dat.

Bighams moment de gloire heeft nog geen twee maanden geduurd en toen kwam Ganna op zijn ge-3D-printe fiets. Hij reed een dikke kilometer verder, maar de zestig kwam nooit in beeld. Dat was ook waanzin geweest, als je bedenkt dat ze dertig jaar deden over een verbetering van drie kilometer. Zijn record is overigens wel historisch, want nog nooit legde een man op een fiets meer kilometers en meters af gedurende een uur.

Chris Boardman had tot nog toe 56,375 kilometer staan. Dat werd gekwalificeerd als ‘best human effort’ nadat zijn fiets, waarop hij helemaal plat kon liggen, met terugwerkende kracht werd gediskwalificeerd. Dat soort onzin kan alleen in het wielrennen en daarvan zijn we nu definitief verlost.

Ganna heeft wel laten zien waar dat uurrecord naartoe gaat. In zijn middenstuk reed hij rondjes van 15,5 seconden, 62 seconden over een kilometer dus. Hij startte traag en had op het laatst nog wat verval. Vroeger op die topsnelheid komen en die langer volhouden, dat wordt nu de uitdaging. Ganna in topvorm kan dat, en die topvorm was ver weg.

Dé prestatie en hét moment van het weekend kwam dus niet uit Grenchen. Kona op Hawaï, daar was het te doen. U kunt het terugkijken op Sporza.

Op zes kilometer van de finish haalde de Noor Gustav Iden de Fransman met Engelse naam Sam Laidlow in. Laidlow had in het fietsonderdeel een tijd neergezet van 4u04:36. Laat dat even bezinken. De man had net 3,8 kilometer gezwommen in goed 48 minuten, sprong op zijn fiets en reed de 180 kilometer met een gemiddelde van net geen 45 per uur. Hij deed daarmee vier en een halve minuut beter dan Cameron Wurf in 2018. Die Wurf is nu aan zijn laatste dagen bezig bij Ineos Grenadiers. Hij deed ook mee in Kona en werd elfde op twintig minuten.

Neen, Laidlow zou niet winnen. Wel Iden. Hij moest zes minuten goedmaken na het fietsonderdeel, maar liep dan weer de marathon in 2u36:15, dat is meer dan zestien per uur. Nadat hij 3,8 kilometer had gezwommen en 180 kilometer had gefietst.

Terug naar dat beeld, die vijftien seconden te zien op Sporza, wanneer de ene de andere inhaalde. Iden liep Laidlow links voorbij en tikte met zijn rechterhand op de schouder van Laidlow. Die schrok niet, hij wist al lang dat het moment eraan kwam. Bij de beruchte Energy Lab-sectie, waar ze een heen en terug als mindfuck voor de kiezen krijgen, was het al duidelijk. Het zou een kwestie van minuten worden voor Iden hem zou inhalen.

Op de lange, saaie en altijd hete Queen Ka’ahumanu Highway gebeurde het dan; rond kilometer 36 liep Iden Laidlow voorbij en deed een herygersje. Voor wie amper of nog niet geboren was: Paul Herygers was een veldrijder die in 1994 wereldkampioen zou worden in de duinen van Koksijde. Op een duin liep hij de leider Richard Groenendaal voorbij en gaf hem een vriendschappelijk maar niet minder vernederend schouderklopje.

Groenendaal werd pisnijdig en probeerde te versnellen, maar Herygers kreeg uiteindelijk de bovenhand en werd wereldkampioen. Het ging er zaterdag helemaal anders aan toe in Kona. Laidlow keek Iden aan en stak zijn hand uit. Waardering, onderwerping, bewondering, opluchting, het zat er allemaal in en geen nijd te bespeuren.

Aan kilometer 36 gaat het richting Kona licht bergaf en precies op dat stuk versnelde Iden. Laidlow probeerde te volgen. Tevergeefs. Iden, ooit de jongste wereldkampioen op de halve triatlon, zette zaterdag een nieuwe standaard. De te kloppen tijd is voortaan 7u40:24. Hij deed maar liefst elf minuten beter dan Jan Frodeno in 2019. Gustav Iden en Eliud Kipchoge (2u01:09 in Berlijn laatst) zijn de nieuwste voorlopige tijden voor de eeuwigheid.

Column Kinderen van de Heizel in De Morgen van zaterdag 8 oktober 2022

Kinderen van de Heizel

Gisterenavond was de derde en laatste aflevering te zien over het Heizeldrama. In de eerste aflevering kwamen de Italianen aan bod. Zij zijn de slachtoffers, de goeden in dit drama. De getuigenissen slabakten een beetje, wat wellicht aan de Italianen lag. “Odio Liverpool”, was ergens te zien. Ik haat Liverpool, dat wel natuurlijk, en dat zal niet weggaan.

In de tweede aflevering hoorden we de Engelsen uitleggen waarom wat was gebeurd. Zij zijn de daders, de slechten in deze onverkwikkelijke saga.

In de derde aflevering kwamen de anderen aan bod, de bonden, de politie, de waarnemers. Die heb ik niet gezien, of inmiddels wel, maar niet op tijd om in dit stukje te verwerken. Ik heb wel het bijbehorende boek van Geert Clerbout gelezen, Heizel 1985: het drama door de ogen van wie erbij was, de uitgeschreven getuigenissen met her en der een beetje duiding. Onmacht overheerste.

Frank Raes is de interviewer met dienst, al is interview misschien niet het juiste woord. Dat heeft te maken met het concept dat erin bestaat getuigen hun verhaal te laten doen zonder al te veel wederwoord. Het programma is gemaakt door de ploeg die ook de serie Kinderen van… (collaboratie, verzet, Holocaust, migratie, kolonialisme) heeft gemaakt.

Bij Kinderen van de Heizel is men gaan hinken op twee gedachten. Omdat het Frank Raes was en hij destijds als sidekick van radioman Jan Wauters op de Heizel was, bleef de interviewer niet buiten beeld. Frank zat op café met een oude fan, Frank kwam thuis bij de slachtoffers, Frank wandelde een stukje mee naar een monument.

Dat mag, maar bij dit item hoorde een interview en een interview hoort een beetje hard te zijn. Al helemaal bij de getuigenissen van de Engelsen. Nu kreeg je de indruk dat de programmamakers al tevreden waren dat ze bij een paar kroongetuigen waren geraakt en uit dankbaarheid niet te veel lastige vragen wilden stellen. Voor alle duidelijkheid: dit is detailkritiek. Want de Engelsen waren wel degelijk goed op dreef en lieten soms het achterste van hun tong zien.

We zijn overigens van dat Heizeldrama nog niet verlost. Zo draait Jan Verheyen voor VTM een docureeks Heizel 1985 – Blok Z. En gaat Hans Herbots een film maken, Heysel 1985. Het wordt een reconstructie van het drama in Brussel, verteld vanuit de catacomben onder het stadion, met als centrale vraag: hoe is men toch nog aan voetballen toegekomen?

Het scenario is van de hand van Lode Desmet, die in 2005 voor de BBC een docu maakte met als bevallige titel Requiem for a Cup Final. Die heb ik gisteren nog eens bekeken en meteen borrelde de vraag op: als er al sinds 2005 een rond wiel bestaat, waarom in 2022 nog eens een vierkant wiel uitvinden?

Zoals altijd met voetbaldrama’s heeft men ook bij het Heizeldrama geprobeerd een verklaring te vinden voor wat is gebeurd. De Italianen zijn het er begrijpelijkerwijs nogal over eens dat de Engelse hooligans de schuld dragen. De televisiebeelden geven hen gelijk. Een omheining werd gesloopt, een politiecordon doorbroken, weerloze fans werden aangevallen, vaak families, met het gekende gevolg.

De Engelsen rationaliseren. Ja, we hebben ons misdragen, maar moeten ze ons daarom tot op vandaag uitschelden voor moordenaars? Het was tenslotte erg warm die dag en we hadden te veel gedronken. Een jaar eerder waren er rellen in Rome en is een Liverpool-fan gestorven na een steekpartij. Het stadion was een bouwval, het was vragen om problemen. En o ja, de Italianen aan de andere kant van het stadion staken een vlag in brand.

Of nog: Margaret Thatcher draagt de schuld voor het Heizeldrama. Zij hield niet van Liverpool, haar politiek had voor sociale ellende gezorgd en daarom is dat allemaal gebeurd. En niet te vergeten: de ordediensten en de organisatie waren niet opgewassen tegen hun taak. Er was geen eenheid van commando.

De realiteit bij het Heizeldrama, bij Hillsborough vier jaar later (96 doden onder Liverpool-fans, zelf veroorzaakt) en bij de Champions League-finale dit jaar in Parijs (net geen doden) is dat de ordediensten nooit opgewassen zijn tegen losgeslagen, dronken, hersenloze randdebielen van wie de helft zonder ticket een stadion probeert binnen te komen.

Na Hillsborough werd de ene na de andere politieman vrijgesproken van schuld. Volkomen terecht. Na de Heizel werd de kapitein die een dag eerder te horen kreeg dat hij een collega moest vervangen wel veroordeeld. Toen de rellen uitbraken stond hij bij een hotdogkraam dat door onschuldige Engelsen was overvallen. In het boek stelt hij zich de vraag die hij honderden keren heeft gesteld: “Ben ik schuldig aan de dood van die mensen?” Neen.

Column over de Yellow Tigers in De Morgen van maandag 3 oktober 2022

Yellow Tigers

Het wonder — dat was het toch een beetje voor wie de omstandigheden kent — voltrok zich op een late vrijdagavond. Lastig voor de weekendkranten want die sluiten vroeger dan normaal. Het was wel op de televisie te zien, maar daarvoor moest je naar het kanaal van Ketnet gaan zoeken. Ach, volleybal is natuurlijk geen voetbal, en dus is een wereldkampioenschap vrouwenvolleybal ook geen Europees kampioenschap vrouwenvoetbal.

Op VTM begon ook nog eens een nieuw seizoen van The Voice van Vlaanderen. Neen, een slechter moment dan die vrijdagavond konden de Yellow Tigers niet uitkiezen om te stunten tegen Nederland. En zo is die 3-1-overwinning, die een droge 3-0 had moeten zijn, slechts door een handvol kijkers gevolgd en moesten de lezers het op zaterdag in de overvolle kranten ergens op een achterafpagina gaan zoeken. Zonde.

Ik heb van het eerste tot en met het laatste punt met open mond zitten kijken. In eerste instantie om te checken of dat van een paar dagen eerder geen gezichtsbedrog was. België verloor toen nipt van Italië, maar had ook met 3-0 kunnen winnen. Met andere woorden, was die bijna-stunt een toevalstreffer of zat er echt Belgische muziek in dat WK?

Het was een symfonie, wellicht de beste wedstrijd die een Belgische nationale vrouwenploeg in welke sport ook op ‘vijandig’ terrein heeft gespeeld. En de 42 punten (in vier sets) van hoofdaanvalster Britt Herbots, in een overvol oranje Gelredome, is de beste prestatie ooit door een Belgische volleybalspeelster.

De Red Flames staan op waakvlam, de Belgian Cats waren door pech op het voorbije WK kittens, maar de volleybalvrouwen deden hun dierentotem alle eer aan. Ze waren tijgers aangevoerd door een dodelijke 23-jarige Bengaalse tijgerin uit Limburg.

Gisteren hebben ze zich verzekerd van de tweede plaats in hun poule door Kameroen te kloppen. België wordt nu samen met Italië, Nederland en Puerto Rico uit de eigen poule A ingedeeld in een nieuwe groep E (in Rotterdam) samen met de vier beste landen van poule D.

Het behoudt de punten uit de poule en speelt alleen tegen die vier landen uit D, waaronder Brazilië, China en Japan. Andere koek dus. Alleen de eerste vier landen gaan door naar de kwartfinale en zo naar de halve finale.

België zal daardoor op dit WK wellicht hoger eindigen dan de ranking, twaalf in de wereld. Niet iedereen in het Belgische volleybal is daar even blij mee. Onder dit ogenschijnlijk mooie verhaal schuilt een schisma, een haast niet meer te dichten kloof. Een deel van de Belgische volleybalwereld zat vrijdag ongetwijfeld te hopen/bidden dat Nederland op 2-2 zou komen en alsnog het laken naar zich zou toetrekken.

Dat schisma is het gevolg van de controverse rond bondscoach Gert Vande Broek, die verregaande psychologische manipulatie en machtsmisbruik wordt verweten. Iets wat al langer sluimerde, werd een halszaak door een programma waarin een aantal ex- internationals getuigden over hun ex-coach. Daarop stelde het bondsparket een onderzoek in en sprak met meer dan vijftig getuigen, het overgrote deel ten laste van Vande Broek.

Die weet inmiddels wie hem wat verwijt, en zou daar behoorlijk van zijn melk van zijn, maar capituleren was nooit het plan. Vande Broek heeft zijn coachingstijl aangepast, er is meer omkadering gekomen en zie, daar is de vakman weer. Je moet het hem aangeven — vriend, vijand of neutraal — hoe hij zichzelf overeind en zijn ploeg bij elkaar heeft gehouden, dat is opmerkelijk.

Misschien ligt een deel van de verklaring van de prestaties in de buitenwereld die plots de grote vijand werd. Hoofdaanvalster Britt Herbots krijgt een karrenvracht ballen bij gebrek aan opposite — Kaja Grobelna wil ook niet meer met Vande Broek — en sleurt het team door alle moeilijke momenten. Herbots stond van het eerste moment pal achter haar coach.

Toen op het einde van de derde set spelverdeelster Jutta Van de Vyver geen bovenhandse bal meer durfde te spelen — te veel zweet, te veel spanning — leek het drama compleet. Jutta is de jongere, kleinere en (op papier) iets minder getalenteerde zus van Ilka Van
de Vyver. Ilka was tot vorig jaar de eerste spelverdeelster van de Tigers, maar weigert nog onder Van de Broek te spelen omdat die de zussen tegen elkaar zou hebben opgezet.

Waarop haar jonge zus haar kans greep en die vrijgekomen plaats innam. Keek Ilka vrijdag? En toen haar zus die cruciale toetsfout beging, was er leedvermaak of voelde ze de angst van haar zusje? Willen we het weten? Laten we vooral hopen dat ze in het vrouwenvolleybal snel allemaal weer door één deur kunnen.

Column Remcoeioeioei… in De Morgen van zaterdag 1 oktober 2022

Remcoeioeioei

Al snel nadat hij nog maar pas was komen kijken, had een deel van het verzamelde persheir het al gehad met Remco Evenepoel. Sommigen vonden hem een vervelend baasje, randje of zelfs over het randje van respectloos, lichtjes dikkenek. Andere collega’s in het veld vonden dan weer dat de thuisbasis – meestal bewustzijnsvernauwde ‘nieuwsmanagers’ – te veel meeging in de Remco-mania.

Zo herinner ik mij nog levendig de perstent op het WK tijdrijden van 2019 in Harrogate en de jonge collega die een zucht van opluchting slaakte toen hij merkte dat Rohan Dennis sneller zou zijn dan een toen negentienjarige Belgische ex-voetballer op twee wielen.

“Stel je voor dat hij wint, dan moet ik binnen de vijf minuten een lyrisch stuk maken voor online, zijn ouders opzoeken voor een interview, zijn grootouders bellen en als het even kan ook een fotootje van de hond op de kop tikken en ik weet niet eens of ze een hond hebben. Ik ben aan het ergste ontsnapt.” Die zucht, die opluchting na eerst die wanhoop op zijn jonge gezicht, op slag had hij mijn sympathie.

2019 komt nooit meer terug. De dijkbreuk is compleet. Alles en iedereen in de entourage van Eddy Evenepoel is voorpaginanieuws. Dus, jawel, ook deze rubriek ontsnapt er niet aan en moet het meer in het bijzonder over twee existentiële vraagstukken hebben.

Vraagstuk 1: moet Hij in 2023 naar de Giro of toch maar meteen naar de Tour?

Daar is hij allang uit, al vóór de Vuelta. Evenepoel acht zich klaar voor de Tour. Hem daarvan weerhouden staat bijgevolg gelijk aan zelfmoord. Evenepoel gaat en staat en rijdt waar hij wil. Zo was hij als voetballer, zo is hij als wielrenner. Zijn ploeg en vooral de grote baas, althans op de momenten dat hij geen last heeft van hypo’s, hebben dat inmiddels goed begrepen. Waar Patrick Lefevere eerst stellig was ‘in 2023 Giro, in 2024 Tour’ klonk het even later al anders. “We zullen nog wel zien en dat samen met Remco bespreken.” Na de Vuelta en vooral na het WK luidt het ineens: “Dat is een keuze van Remco.”

Antwoord op vraagstuk 1: het wordt volgend jaar de Tour.

Vraagstuk 2: met welke ploeg moet Hij naar de Tour?Deze week, plots op velonews.com: Ineos toont interesse in Remco Evenepoel. Een dag later stonden de kranten er vol van. Dat nieuws klopt. Meer zelfs, wat de media vooralsnog niet schrijven omdat ze begrijpelijkerwijs hun toegang tot de ploeg en het godenkind niet willen verbranden: Remco Evenepoel toonde zelf interesse in Ineos en nog steeds. Wat hij ook zou hebben beweerd aan de telefoon tegen Lefevere: als het van hem afhing (en als hij geen langdurend contract had), dan zat hij al bij Ineos.

Tom Boonen schetst in zijn column in Het Laatste Nieuws hoe hij met deze move zowat tachtig man (de hele wielerploeg van Lefevere) tegen zich in het harnas jaagt, maar daar trekt Evenepoel zich niks van aan. En zijn vader ook niet, want hij is het die al weken – zelfs toen het nog niet eens zeker was dat zijn zoon de Vuelta zou winnen – de markt verkent.

Het is van Remcooooh in sneltempo naar Remcoeioeioei gegaan bij QuickStep-Alpha Vinyl. Je hoeft maar een paar telefoontjes te doen om spitante details te krijgen over hoe ze in de clan-Evenepoel tegenover de ploeg staan, maar ook hoe de CEO hen steeds meer op de zenuwen werkt.

Evenepoel en zijn pa zijn niet van gisteren. Zij weten hoe het er bij Jumbo aan toegaat, door wie Jonas Vingegaard wordt omringd. Zij weten wie UAE binnenhaalt volgend jaar om Tadej Pogacar te helpen (Adam Yates, Domen Novak en Tim Wellens), en dat naast wie we er al zit. Zij weten hoe nauwgezet die teams hun klassementsrenners, voortaan Evenepoels directe concurrenten, begeleiden en omkaderen met goedbetaalde helpers.

Niks zegt dat ze bij QuickStep-Alpha Vinyl (volgend jaar Soudal-QuickStep) op termijn niet kunnen, maar ze hebben nog veel stappen te zetten. Lefevere weet dat en dringt aan op geduld. Voor 2024 zijn de vooruitzichten voor een grote rondeploeg beter, zei hij recentelijk nog. Kan zijn, maar het eerstvolgend seizoen is wel 2023 en laat dat nu het jaar zijn waarin Remco definitief Eddy wil worden.

QuickStep in de versie ’23 heeft jonge talenten die aardig bergop kunnen, maar alvast één van die gasten heeft eigen ambities en koerst daarom op eigen vraag zelden in een ploeg met Evenepoel. Dat Lefevere bovendien voorlopig geen enkele klimmer/helper van hoog niveau maar wel voor gruwelijk veel geld sprinter Tim Merlier haalde, dat vonden de Evenepoels onbegrijpelijk.

Antwoord op vraagstuk 2: Evenepoel blijft bij Lefevere, voorlopig, omdat hij niet anders kan. We gaan wel een erg boeiend najaar, winter en 2023 tegemoet.

Column over Remco Evenepoel in De Morgen van maandag 26 september 2022

Eindelijk een nieuwe Merckx

De nuanceringen en ‘ja maars’ mogen definitief opgeborgen worden. In één fabuleus jaar heeft Remco Evenepoel definitief alle criticasters de mond gesnoerd. De nieuwe wereldkampioen is de beste renner van het moment.

Een Belgische jongen reed in 2022 op een fiets naar een wolk en wil daar maar niet van af komen. Na demonstraties in Luik- Bastenaken-Luik en de Ronde van Spanje is Remco Evenepoel nu ook wereldkampioen. Op 22 jaar.

Ongezien? Neen.

Er is er nog één die dat ooit heeft geflikt. Dus Sire, landgenoten, laten we niet langer rond de pot draaien. Deze natie heeft bescheidenheid in het DNA, maar we moeten het fenomeen benoemen zoals het hoort: we hebben onze nieuwe Merckx.

Eindelijk.

Met nog twee ronden te gaan reed Remco Evenepoel weg uit een grote kopgroep. Gewoon, op het vlakke, zelfs licht bergaf. Dat heet op kousenvoeten, maar dat was het niet. Hij reed gewoon te hard voor de anderen, vijf kilometer per uur zowat, en dat is geen toevallige historische verwijzing. Rik De Saedeleer zou hebben geroepen: “Ze kunnen niet volgen, Remco.” Karl kirde. José slikte. “Waar zitten we naar te kijken?”

De tijdrijder Evenepoel nam heel even de Kazak Loetsenko mee op zijn bagagedrager, maar vond het bij een stukje bergop welletjes. Het ging niet hard genoeg. Dan maar alleen. Op Twitter verscheen meteen: ‘Eddy is ribbedebie’. Het was een kenner.

Met zo’n onweerstaanbare solo had hij in 2019 voor het eerst de code gekraakt van het profwielrennen. Dat gebeurde in Baskenland. Aanvankelijk gelost, kwam hij miraculeus terug en reed daarna iedereen uit het wiel richting San Sebastián. Negentien was hij toen, de jongste winnaar ooit van een World Tour-wedstrijd. “Ach,” luidde het, “dat was tegen uitgewoonde Tour-renners.”

Dit jaar herhaalde hij die solo, in Luik-Bastenaken-Luik, de zwaarste eendagswedstrijd op planeet Koers. Op La Redoute reed hij weg van een afgetraind peloton specialisten. “Ja maar,” werd opgeworpen, “Pogacar was er niet bij. Díé sjarel had hij vast níét gelost.” Ondertussen won hij naast wat prullaria waar de meeste renners een arm zouden willen voor afstaan, ook de Ronde van de Algarve en die van Noorwegen, en recidiveerde in San Sebastián.

Dat was weer na een solo, nu van veertig kilometer, maar wie keek daar nog van op? Het was tenslotte weer tegen vermoeide Tour- renners en nu na een erg lastige en warme Tour, nietwaar? Zijn definitieve kroning tot nieuwe wielerkoning, -keizer, -admiraal en wat nog allemaal voltrok zich in een Spaanse wielerkathedraal. Van start tot finish controleerde en domineerde hij de Vuelta.

Het Belgische wielrennen, 42 jaar lang smekend en smachtend om een grote rondewinnaar, had zijn heiland gevonden. Weer werd genuanceerd, en toegegeven, ook in deze kolommen: “Dit was de zwakste Vuelta-bezetting in jaren en andere favorieten hadden veel pech.” En was het wel een goed plan van dat snotjong om er nog eens een WK bij onze tegenvoeters tegen aan te gooien? 22 uur vliegen in twee beurten, zou hij dat wel doen?

Het is juist aan zijn jeugdig enthousiasme, zijn jagende hormonen, zijn overdosis adrenaline, zijn nijd en gramschap maar bovenal zijn immense talent te danken dat hij na die zegetocht richting Madrid nog de moed vond om naar Australië door te reizen. Overnight was de jongen Remco een man geworden, een man met een plan. Dat bestond erin om wereldkampioen te worden, en zo in één moeite, in één fabuleus jaar definitief alle monden te snoeren. Hij en niemand anders is de numero uno.

Grote Belgische Rivaliteit

Dat gezeik na Leuven vorig jaar, waar hij (wellicht) al de benen had om wereldkampioen te worden, maar de ploeghiërarchie onwrikbaar vast lag ten faveure van Wout van Aert, dat zat nog diep. Hij toonde zich daar in Brabant niet van zijn meest sociale en empathische kant door dan maar het hele peloton – inclusief zijn kopman – in de vernieling te rijden en zelf doodleuk na een goede 200 kilometer af te stappen. Zoek het maar uit, dacht hij toen.

Eddy Evenepoel, dat is een vinding van de Nederlandse collega Thijs Zonneveld. Er zat bewondering en spot in die naamsverbastering. Die eens zo grote wielernatie België/Belgique, amechtig op zoek naar haar nieuwe wielergod, elke professionele fietsenrijder die een beetje bergop en tegen de klok kon met een onwaarschijnlijke druk opzadelend, dat was ook randje lachwekkend.

Het zoeken is voorbij. In elke klassieker, elke kleine en grote ronde, elke tijdrit, elk kampioenschap, bergop, bergaf, rechtdoor of plat, zullen de komende jaren een of meerdere Belgische renners tot de favorieten behoren en ze zullen vaak winnen. De niet onaardige fall-out van dat alles: we hebben een Grote Belgische Rivaliteit.

De tijden van Rik Van Looy, Eddy Merckx en Roger De Vlaeminck en hun supporting cast zijn terug. Wie daaraan twijfelt, moet de interactie binnen de Belgische ploeg in de minuten na de wedstrijd maar eens terugkijken. Hoe Remco Evenepoel de felicitaties krijgt van alles en iedereen, hoe Yves Lampaert in zijn moerstaal het uitschreeuwt: “Mo vintoh, waziejegie e koereur zeh!”

En dan, het moment aller momenten, en zeg niet dat het in dit feestgewoel van geen belang is, of pretbederverij. Iedereen die een beetje op niveau heeft gesport, herkende dit, de commentatoren hanteerden het wapen van de onjournalistieke black-out. Hoe de nieuwe meester zelf bij zijn meesterhelper – of wat daarvoor moest doorgaan in deze wedstrijd – kwam aankloppen, waarna Wout toch een glimlach produceerde en felicitaties over de lippen kreeg.

Niet hij, met zijn winst in de Omloop en de E3 en zijn mooie groene Tour, maar Remco Evenpoel met Luik, de Vuelta en de regenboogtrui is de beste Belgische renner van het moment.

Column Het Mysterie Mathieu in De Morgen van zaterdag 24 september 2022

Het mysterie Mathieu

In de kansen op een wereldtitel van Remco Evenepoel geloven de kenners niet meer. Te veel gegeven, niet explosief genoeg meer na die focus op tijdrijden en lange klimmen. Zesenzestig koersdagen en 10.581 kilometer, dat hakt er er ongenadig in, niet alleen bij een 22-jarige. Ook al stapt hij af na dertig kilometer, Remco Evenepoel heeft dit seizoen zijn steen al meer dan verlegd.

Winnen kan natuurlijk ook zomaar, want die kleine benadert van alle Belgen het dichtst Eddy Merckx. Neen, niet het palmares, die blasfemie is nergens voor nodig. Wel wat het intrinsieke talent betreft om op alle terreinen – klimmen, tijdrijden, grote en kleine rondes, lastige eendagskoersen – goed uit de voeten te kunnen en te winnen. Hij heeft zelfs een beetje het karakter van Merckx, die zijn drive ook haalde uit selectief gramschap.

Wout van Aert zou het speerpunt moeten worden van de Belgische ploeg, maar hoe goed hij is op zijn 48ste dag op de koersfiets na zijn dubbele shift in de Tour? Een hoogtestage, bij hem vaak de voorspeller van een sterke periode, zat er om sociaal-psychologisch- mentale redenen niet meer in. Begrijpelijk, er is ook een leven naast de fiets.

Tadej Pogacar dan maar? Voor hem geldt wat voor Van Aert geldt. Die derde piek kan nooit zo kwalitatief zijn als voorheen. Dan maar de inderhaast in elkaar gevezen Julian Alaphilippe? Of thuisrijder Michael Matthews? Of een complete outsider?

En dan is er nog Mathieu van der Poel, door zijn vader een twijfelgeval genoemd, maar door veel anderen als favoriet gebrandmerkt want veel kilometers getraind en een rustige aanloop gekend. Hoewel. Nooit eerder heeft Van der Poel meer dagen op de koersfiets gezeten dan die 47 in 2022. Hij behaalde daarmee zeven overwinningen. Ter vergelijking: in 2021 reed hij maar 34 dagen koers op de weg en werd acht keer eerste.

Iedereen herinnert zich natuurlijk Van der Poel uit de Tour de France: eerst anoniem meerijden, dan gelost worden en ten slotte afstappen. “Ik weet niet wat er aan de hand is. Wellicht slecht de hoogtestage verteerd”, was zijn commentaar. Het is achteraf nooit gecommuniceerd of ze inmiddels wel al weten wat er toen scheelde, maar de kans dat het die hoogtestage was, lijkt eerder klein.

Ach, misschien was er wel hoogte in het spel, maar niet al te veel stage. Toen zijn ploeg in de voorbereiding op de Tour een fotootje postte van Mathieu op een downhillparcours in Livigno, op een mountainbike, werden her en der in koersland wat wenkbrauwen gefronst.

Dat alles zorgt ervoor dat Mathieu van der Poel een beetje een mysterie blijft. Hijzelf heeft niet het hart op de tong en zijn team zegt ook nooit meer dan nodig. Dus hebben we er het raden naar hoe hij zich voelt negen maanden ver in het koersjaar 2022. Misschien blijft die rug wel een veel groter probleem dan ze willen toegeven. Misschien zat het tussen de oren, een decompressie na jaren van fiets af en andere fiets op.

Wat overheerst bij Van der Poel? Dat kan de vreugde zijn om dat Vlaamse voorjaar met zijn tweede overwinning in de Ronde van Vlaanderen. Al zal de geboren winnaar zich toch vooral de afgang in de Tour herinneren. Die roze trui de eerste dagen en die ene etappe in Hongarije in de Giro wegen daar niet tegen op. De recente spielereien in België al helemaal niet.

Mathieu van der Poel arriveerde laat in Australië. De combinatie van lang vliegen en veel uurverschil doet rare dingen met een lichaam. Afwachten hoe hij daarop reageert. Zijn concurrenten landden in Sydney met een grote ronde in de benen. Of na een ommetje via Canada, waar twee WorldTour-wedstrijden op een min of meer vergelijkbaar parcours werden gereden en de toppers met elkaar in de clinch gingen.

Van der Poel reed in die periode de Druivenkoers in Overijse (35ste), Stadsprijs Geraardsbergen, Izegem Koers en de Grand Prix de Wallonie. Op de Muur klopte hij zijn broer, en in Izegem Yves Lampaert en drie van zijn eigen ploegmaats onder wie weer zijn broer. Alleen in Namen kwam hij een WK-ganger tegen die op de longlist van de favorieten staat. Op de citadel van Namen, die hij als geen ander kent van de cross, sprintte hij Biniam Girmay uit de wielen.

2022 is een cruciaal seizoen voor Mathieu van der Poel en die 267 kilometer morgen aan de andere kant van de wereld kunnen bepalend zijn voor het verdere verloop van zijn carrière op de weg. Van der Poel is te goed voor een Van Petegem-palmares, het Vlaamse voorjaar en dan niks meer. Welk scenario het morgen ook wordt – winst, nipt verlies of weggereden worden – ze zullen het niet graag horen bij Alpecin-Deceuninck, maar hij en zij zijn aan bezinning toe.

Column Heja Norge in De Morgen van maandag 19 september 2022

Heia Norge

Ik was al tevreden geweest met een tiende plek, en stilletjes hoopte ik op een vijfde. Maar dit had ik nooit durven dromen.” Even tevoren had Tobias Foss zichzelf wakkergeschud. Randje automutilatie was het, die harde kletsen in het gelaat in zijn geval.

Hij zat al zo lang in die hotseat, dat ging niet gebeuren dat hij daar zou blijven, want de toppers kwamen er nog aan. En toch. Eén na één beten ze hun tanden stuk op zijn sterke tweede helft. Een Noorse stoomtrein was langs de kusten van South- Wales gedenderd en had iedereen verpletterd.

Foss ging verder: “Deze trui mogen dragen (alleen bij tijdritten, HV) zal iets heel speciaals zijn en ik zal hem alle eer aandoen.”
En toen sloop de krak in zijn stem en gingen zijn ogen op rood. Hij besefte het: champion of the world, klinkt beter dan het Noorse verdensmester, en dat voor een jongen die er om bekend staat dat hij bescheiden is, supergetalenteerd dat wel. Zoals hij zelf zei: “Ik heb niet altijd evenveel zelfvertrouwen.”

Het meest sprekende beeld was Evenepoel die zijn helm afdeed, zijn communicatie uit zijn oor pietste, vervolgens zijn gezicht afveegde en een slok tot zich nam, alleen wetend dat hij niet de beste is. Net dat moment liet een Belg in de mixed zon de naam Foss vallen als winnaar. Evenepoel kon het niet geloven. Schudde het hoofd: “Hu, Foss?”

Ja Foss. We zouden het moeten afleren om kampioenschappen in verre landen na lange reizen en met vele uren verschil te willen voorspellen. Dat geen Afrikaan of Zuid-Amerikaan zou winnen, oké, maar verder hadden de analisten, kenners en journalisten zich niet mogen wagen. Toch kwam uit een synthese van alle stellige prognoses een podiumstrijd tussen Filippo Ganna en Remco Evenepoel.

Goeie outsiders waren Pogacar, en de Zwitsers met Küng op kop en Bissegger als gevaarlijke klant. Het podium werd Foss uit Noorwegen, Küng uit Zwitserland en Evenepoel uit Schepdaal.

Stefan Küng lijkt de verliezer van de dag. Wie 1,5 seconde per kilometer toegeeft in de laatste tien kilometer heeft ofwel het parcours niet goed verkend, of te veel gegeven in het eerste deel of is gewoon fysiek niet optimaal. Niet vergeten: de biologische klok van een West-Europeaan stond bij het begin van de tijdrit op zeven uur. In de ochtend. Hoe een lichaam daar mee kan omgaan, is erg individueel.

Filippo Ganna is ook een rare kwiet. Kan best zijn dat hij op 8 oktober in Grenchen een werelduurrecord neerzet voor de eeuwigheid, kan best zijn dat hij daar de laatste weken iets te veel mee bezig was, kan ook zijn dat dit helemaal zijn parcours niet was, of dat hij een latere piek plant, maar zoveel toegeven is geen goed signaal.

Over Evenepoel kunnen we kort zijn. Dat brons is onverhoopt, behaald op pure klasse. Hij mist nog tijdritgoud op een WK, maar hij is op dit WK veruit de beste van alle groterondepretendenten. Evenepoels concurrent van ooit in de Tour, Tadej Pogacar, eindigt op bijna veertig seconden. En Pogacar heeft zich wel kunnen voorbereiden op dit WK, terwijl Evenepoel uit een slopende Vuelta komt met een onvermijdelijke decompressie achteraf.

Foss komt uit Noorwegen. Heb er deze zomer weer eens meer dan een maand rondgetoerd en neem het dus van mij aan, zo’n Tobias Foss met dat opgesneden blond-bruine haar, die blauwe ogen, dat gesis in dat Scandinavisch Engels, zo krijg je er honderd in een dozijn in Noorwegen.

Ook dat strakke lijf is Noors, al is dat in het hoge noorden waar ze genetisch gemuteerd of geselecteerd zijn om vet op te slaan, wel even anders. Tobias Foss heeft wat dat betreft geluk. Hij is geboren in de onderste (rijkere) helft van zijn land. Hij komt uit Vingrom. Dat ligt aan het Mjøsameer dat eigenlijk de afgedamde rivier Lågen is. Zegt het u niks? Vingrom is deel van de stad Lillehammer, waar in 1994 de winterspelen zijn doorgegaan.

Noorwegen is het dertiende land dat goud wint op negenentwintig edities van het WK tijdrijden. Heia Norge, hup Noorwegen, eindelijk. In geen enkel ander land wordt buitensporten zo gepromoot als in Noorwegen. Nergens is het beter sporten dan in dat deel van Noorwegen, Lillehammer en omstreken, waar ook nog eens de minste neerslag valt.

Noorwegen behaalde op de laatste twee Olympische Spelen samen 45 medailles voor 5,5 miljoen inwoners. Noorwegen is daarmee het best presterende sportland van de planeet. Het heeft een sportsysteem dat de jeugd zo lang mogelijk laat sporten zonder score, zónder competitie tenzij tegen zichzelf. Na zichzelf, heeft Tobias Foss zich nu ook dat andere Noorse specialisme eigen gemaakt, winnen van de klok.

Column Greatest Of All Time in De Morgen van zaterdag 17 september 2022

Greatest of all time

Tot twee keer toe, in dezelfde maand, in dezelfde sport, hebben we afscheid genomen van de beste aller tijden, van een GOAT. Dat acroniem staat voor greatest of all time. Of Serena Williams de beste speelster aller tijden was en volgens de Amerikanen ook overall (mannen- en vrouwentennis gecombineerd) én de beste atlete over alle sporten heen, daar kan serieus over worden gediscussieerd.

Williams was niet de meest technische speelster, ook niet de meest positieve, en soms fysiek zelfs een aanfluiting voor haar sport. Maar niemand kan ontkennen dat ze als rolmodel boven alles en iedereen uitstak, ook al was dat achterstandsbuurtimago van ‘the girl out of Compton’ zorgvuldig geboetseerd. Haar impact op haar sport was immens en bovendien speelde niemand langer tennis dan zij en won niemand meer wedstrijden en grote toernooien dan zij.

Roger Federer is minder een betwiste GOAT dan Serena Williams, ook al hebben twee spelers – tijdgenoten dan nog – meer grand slams gewonnen. Een vergelijking van getallen zegt veel maar niet alles. Sport, en zeker de absolute topsport, is vaak zoveel meer dan statistiek. Federer is minder succesvol geweest dan Rafael Nadal en Novak Djokovic op de courts. Ernaast heeft hij meer dan het dubbele verdiend. Ook dat gegeven kan onmogelijk het enige criterium zijn, want dan moet Floyd Mayweather de beste topsporter aller tijden zijn.

Het onmeetbare is waar we naar zoeken bij de GOAT: de impact die een atleet heeft gehad op zijn of haar sport. Als je een poll zou houden onder oudere, nog levende tennissers (m/v) en onder generatiegenoten van Federer én onder zijn vrouwelijke collega’s, dan komt Federer er altijd uit als grote voorbeeld. Hij is/was inzake impact en succes gecombineerd de Michael Jordan van het tennis.

Jordan was ook alleen inzake verdiensten de meest succesvolle basketbalspeler aller tijden. Tien basketbalspelers hebben meer titels gewonnen dan hij, waaronder acht – de deze zomer overleden Bill Russell met elf ringen op kop – van de Boston Celtics-dynastie in de jaren zestig. Twijfelt iemand aan Jordan als grootste speler/sporter aller tijden? Misschien fans van een concurrent, of jonkies voor wie de geschiedenis begint met TikTok en Instagram, maar ze dwalen.

Zal iemand Steph Curry, als hij er nog twee wint, op gelijke hoogte zetten van ‘His Royal Airness’? Of nog erger, hem uitroepen tot GOAT van het basketbal? Neen. Een GOAT impliceert een totaalpakket. De beste in cijfers zijn volstaat niet om de grootste te zijn. De grootste excelleert. Of zoals NBA-baas David Stern ooit sprak toen hij Jordan weer eens een prijs overhandigde: “You are the standard by which excellence is measured.”

Wie is de Vitruvius van zijn sport, dat is de inzet van deze discussie. Op de keper beschouwd lijkt die vraag absurd. Omdat, zo wil de boutade, generaties niet te vergelijken zijn. Natuurlijk zijn die te vergelijken. In elke sport die niet leed onder systematisch bedrog (doping in wielrennen en atletiek, technologie in zwemmen) verbeteren de prestaties lineair en worden atleten steeds sterker.

Het lijdt geen twijfel dat de Jordan van 1998 het een kwarteeuw later bijzonder zwaar zou hebben in het veel fysiekere basketbal, ook al zijn de huidige verdedigingsregels in zijn voordeel. Maar als Jordan 25 jaar later was geboren en dus anders was getraind, dan stond hij met datzelfde lijf en diezelfde mentale hardheid ongetwijfeld weer helemaal boven aan zijn voedselketen. Hetzelfde geldt voor Federer.

Het concept GOAT komt juist van iemand die ook niet de meest perfecte stats in zijn sport kan voorleggen. Precies dertig jaar geleden bracht Lonnie Ali, vrouw van Muhammad Ali, de intellectuele eigendomsrechten op haar man onder in de nv GOAT. Ali was de zelfverklaarde grootste bokser aller tijden, maar ook een beetje de Federer van zijn sport: niet de beste qua stats want aan het eind enkele pijnlijke afgangen gekend, maar wel door zijn collega’s beschouwd als de grootste ooit.

Volgende week speelt Federer zijn laatste wedstrijd. In de O2 Arena langs de Theems. In Londen dus, waar hij zijn recordaantal van acht Wimbledon-titels haalde. Het is te hopen dat de tegenstand hem wat laat genieten want voorlopig staat bij zijn laatst gespeelde set een 0-6-verlies, ook op Wimbledon. De Jordan van het tennis verdient een afscheid als de echte Jordan: terwijl zijn team de wedstrijd in Philadelphia kansloos verloor, was zijn laatste act een perfecte vrijworp. De hele hal, die hem jarenlang had gehaat, veerde als één man recht en gaf hem een staande ovatie.

Column Remcoooh (deel 4) in De Morgen van maandag 12 sepember 2022

Remcooooh (deel 4)

De Vuelta is de kleinste van de grote rondes. De Vuelta van 2022 was bovendien niet al te sterk bezet. Onderweg vielen nog eens een paar goede renners weg. Hijzelf bleef gespaard van groot ongeluk en van corona. Helemaal juist, maar dat maakt de rekening van Remco Evenepoel niet. Ook niet van zijn voorbeeldige ploegmaats.

Op je tweeëntwintigste een grote ronde over de streep halen, weze het een kleine grote ronde, is een hele knappe prestatie, en die is meer waard dan een bak bier in het gemeentehuis van Schepdaal. Die bak bier komt uit een interview met Johan De Muynck, 74 inmiddels, maar scherper van tong dan toen hij professioneel met de fiets reed.

De Muynck heeft recht van spreken: hij was de laatste Belgische groterondewinnaar. In 1978 won hij de Giro, in Italië, vóór de Italianen Baronchelli, Moser, Panizza en Saronni. Van die vier zouden Beppe Saronni (1979 en 1983) en Francesco Moser (1984) een Giro winnen. De Muynck zelf had al in 1976 kunnen winnen, maar verloor door een val die Giro met negentien seconden.

De Muynck gebruikte dat beeld van die bak bier op het gemeentehuis om aan te geven dat een viering op zijn plaats is, maar dat men Evenepoel na zijn winst in de Ronde van Spanje ook niet als een nieuwe wielerkoning op een piëdestal moet zetten. Dezelfde teneur las je een dag later in de Mediahuis-kranten die de laatste Belgische winnaars van de drie grote rondes samenbrachten.

Lucien Van Impe won de Tour in 1976, Freddy Maertens won een jaar later in Spanje en Johan De Muynck nog een jaar later in Italië. De sprinter Maertens won 13 van de 21 etappes en hield Miguel María Lasa en Klaus-Peter Thaler achter zich, niet bepaald wereldrenners. Van Impe klopte dan weer de latere Tour-winnaar Joop Zoetemelk en de eeuwige tweede Raymond Poulidor.

Van Impe had de beste quote: “Evenepoel is een groot renner. Afwachten of hij een hele grote wordt.” Dat weten we niet. Wat we wel weten: Evenepoel heeft dit jaar opnieuw een stap gezet in zijn ontwikkeling. Luik-Bastenaken-Luik winnen, tegen een piekend deelnemersveld, is overigens een minstens even opvallende mijlpaal als deze Vuelta tegen een half uitgewoonde tegenstand.

Dat hij de Vuelta over de streep trok, oké, maar ook de manier waarop maakte indruk. Te vroeg in het rood om comfortabel te zijn, maar nooit stress. Aangevallen en tijd gepakt. Tijdrit gewonnen met overmacht. Aangevallen geworden, beetje tijd ingeleverd, maar nooit gepanikeerd. Zich al die tijd zich keurig gedragen, geen kuren verkocht, beschikbaar voor de media.

Toen de concurrentie hem uit zijn lood probeerde te slaan won hij gewoon zelf nog een mooie rit. De laatste lastige etappe heerste hij en keek zijn laatste concurrent bij diens laatste poginkje om weg te rijden recht in de ogen. Enric Mas werd op slag menos.

Of Evenepoel een hele grote wordt, weet niemand. Ook als dit het is, en er komt niks meer, is het al erg mooi. De schavuit uit Schepdaal – jeetje, ze zijn gelukkig met die Urbanus-strips net op tijd opgehouden – is een fenomeen. Op die leeftijd, met zo weinig koersjaren zo’n palmares bij elkaar rijden, het is ongezien.

Egan Bernal was 22 jaar en 196 dagen oud toen hij de Tour won in 2019. Tadej Pogacar was net geen 22 toen hij in 2020 Primoz Roglic in de laatste klimtijdrit naar La Planche des Belles Filles uit het geel reed. Negen renners waren in hun 22ste levensjaar toen ze de Giro wonnen. Acht waren geen 23 toen ze de Tour wonnen, van wie 4 tussen de twee wereldoorlogen.

Geen enkele had het lijstje overwinningen van Evenepoel op die leeftijd, op Pogacar na misschien. Wel nog deze randbemerking meegegeven. Het is met de Vuelta winnen een beetje zoals met de beurs: in het verleden behaalde resultaten zijn geen garantie voor de toekomst. Slechts vier Vuelta-winnaars van de laatste dertig jaar wonnen ook een andere grote ronde. Pogacar en Bernal begonnen hun groterondepalmares met de echte Tour.

Dat het uniek is, een Belg die in 44 jaar voor het eerst weer een grote ronde wint? Het is uniek omdat het ridicuul is. Dit wielerwalhalla waande zich een grote wielernatie met vooral winst in eendagswedstrijden, de meeste dicht bij de deur en op kasseien, maar een beetje normaal sportland had zich moeten hullen in schaamte.

Een beetje normaal sportland zou ook deze overwinning van Evenepoel naar waarde schatten. Dat betekent níét minimaliseren, maar evengoed níét overdrijven. Wij zijn geen normaal sportland en daarom moeten we nu met zijn allen mee in de rooie polonaise. Dat Eddy Evenepoel voorlopig niet in België landt en meteen doorreist naar dat gedevalueerde WK, noemt het gerust een godsgeschenk.