Column Afrika Klucht in De Morgen van zaterdag 21 maart 2026

Afrika Klucht

We citeren uit eigen werk van eind december 2025. “Het is weer de tijd van het jaar: de Afrika Cup. Altijd vreemd hoe belangrijk dat toernooi wordt gemaakt. Zowel sportief als economisch heeft het geen waarde.”

Daarop kwam reactie: een toernooi van een continent dat veel betekent voor het voetbal wegzetten als onzinnig en, nog erger, ermee lachen was een uiting van blank neokolonialisme.

Dan hadden we de serieuze argumenten nog niet benoemd: dat het toernooi als een tang op een varken staat in de internationale voetbalkalender; dat de wedstrijden vaak schoppartijen zijn; dat sommige uitgeweken Marokkaanse supporters matchen aanwenden om rel te schoppen; dat rond veel wedstrijden en scheidsrechters een geurtje van corruptie hangt; dat Afrika al lang niet meer de leverancier is van de grootste talenten.

Extra argument: de betere voetballers van Afrikaanse origine zijn gewoon in Europa geboren. Daarenboven zijn ze in Europa opgeleid, hebben daar niet zelden de nationale jeugdselecties meegemaakt, waarna ze eieren voor hun geld kiezen en plots voor het land van hun ouders/grootouders willen spelen in een opstoot van nationalisme. Of voor geld, dat kan ook.

De Afrika Cup was al een en al hypocrisie en hysterie, en daar is de voorbije week nog een dimensie aan toegevoegd. Even een korte samenvatting.

De Afrika Cup werd gespeeld in Marokko, dat zich blauw had betaald aan veel te grote stadions die vaak maar voor een derde bezet waren. Hoe ook, Marokko moest dat toernooi winnen, een andere uitkomst zou heel slecht op de maag vallen.

Dat hadden we kunnen weten, hadden we in 2024 goed opgelet toen de finale van de vrouwenversie werd gespeeld in Rabat. Die ging tussen thuisland Marokko en Nigeria. Marokko leidde met 2-0, maar ging alsnog de boot in met 2-3 in een onwaarschijnlijk vijandige sfeer.

Die uitslag kostte vorig jaar alsnog de kop van Noumandiez Désiré Doué. Het hoofd van het scheidsrechtersdepartment van de Afrikaanse voetbalconfederatie had de onvergeeflijke fout begaan om neutrale scheidsrechters aan te duiden. Het was een voorafname op het mannentoernooi, waar alles in het werk moest worden gesteld om de beker voor het eerst in veertig jaar terug naar Rabat te halen.

In die finale werd bij een gelijke stand een doelpunt van Senegal afgekeurd voor een voorafgaand licht contact, waarna Marokko voor een nog veel lichter contact wel een strafschop kreeg. De coach van Senegal vond het welletjes en riep zijn team naar de kleedkamer.

Lang verhaal kort: na een kwartier of zo kwam Senegal toch weer op het veld en werd de strafschop genomen. Brahim Díaz (geboren in Málaga, opgeleid bij Manchester City, Real Madrid, AC Milan en weer Real Madrid) miste zijn panenka, waarna in de verlengingen Senegal wel scoorde en alsnog zegevierde, twee heerlijke momenten van al of niet goddelijke gerechtigheid.

Ondertussen stelden de Marokkaanse ballenjongens alles in het werk om de Senegalese doelman van de wijs te brengen en na de wedstrijd gingen Marokkaanse journalisten op de vuist met eenieder die de overwinning van Senegal oké vond.

De Afrika Cup 2025 werd zo één grote klucht. Tot vandaag zitten nog Senegalese supporters vast in een Marokkaanse cel omdat ze de overwinning te uitbundig hadden gevierd. De enthousiaste Marokkanen, halvefinalisten op het WK in Qatar, werden ontmaskerd als slechte verliezers.

Een min of meer normale koepelbond zou Marokko hebben uitgesloten voor het volgende toernooi, maar de Afrikaanse CAF is geen normale bond. Zij besloten twee maanden na datum dat Senegal de cup moet teruggeven want zij hadden het veld verlaten en er is een regel waarbij de ref de wedstrijd dan mag affluiten. Alleen heeft de ref die wedstrijd níét afgefloten en is er ook een heilige regel die zegt dat de beslissing van de ref boven alles gaat.

Senegal trekt naar het Arbitragetribunaal voor de Sport (TAS) in Lausanne voor wat normaal een binnenkoppertje moet worden. Geen jurist die dat niet terugdraait. Maar de CAF en de FIFA van Gianno Infantino zijn twee handen op één buik en in L’Équipe verscheen een artikel dat verwees naar de wel erg sterke banden tussen Infantino en de Marokkaanse voetbalbond, die nog altijd heimelijk hoopt op de finale van het WK 2030 in het nieuwe stadion in Casablanca en niet in Madrid.

Benieuwd welke trucs de maffiabaas van het wereldvoetbal nu uit zijn mouw schudt. De namen van de drie TAS-rechters die deze zaak zullen behandelen zou al een eerste aanwijzing kunnen zijn voor de lange arm van de connectie Infantino-Marokko.

Column De Messias in De Morgen van maandag 16 maart 2026

De messias

Op 28 februari van dit jaar overwon de Franse wielrenner Paul Seixas de Côte de Saint-Romain-de-Lerps (6,9 kilometer aan gemiddeld 7,2 procent) in 16 minuten en 28 seconden. Hij deed daarmee 35 seconden beter dan in oktober, toen ze die helling ook over moesten voor het Europese kampioenschap.

Dat werd gewonnen door Tadej Pogacar, die toen de helling 35 seconden sneller opreed dan de eerste achtervolger, Seixas. Als u goed hebt opgelet bij dit vraagstukje uit de lagere school, dan weet u wat er nu komt: Seixas reed op 28 februari even snel bergop in de Faun-Ardèche Classic als Pogacar een paar maanden eerder. Seixas werd daar overigens niet tweede maar derde. Ene Remco Evenepoel zat er nog tussen.

Volgens de grote Franse ziener en relict uit vervlogen tijden Marc Madiot was het duidelijk: “Ik denk dat Seixas de uitverkorene is. Hij is voor Frankrijk de langverwachte die de Tour kan winnen. Hij is in dit opzicht de messias; hij werd verwacht.”

Als Seixas effectief de (nieuwe) messias is, dan is zijn plaats ergens in het Midden-Oosten, maar misschien is dat geen zo goed idee. Net als de originele Messias zou deze messias op wielen goed mogelijk aan een kruis kunnen belanden, aan dat van de onvervulde potentie deze keer.

Volgens een aantal media zou Seixas op weg zijn naar het Midden-Oosten. Niet naar Galilea of Judea, maar naar Abu Dhabi; niet per ezel, maar in de businessclass van Emirates. Patrick Lefevere had dat ook gelezen en maakte zich daar in zijn wekelijkse column druk over. Hij sleepte er wel wat oud zeer bij om zijn punt te maken. De sportief manager van UAE vond hij een beetje geil aan het worden. Die was vergeten vanwaar hij kwam. Alsof dat in deze kwestie ertoe deed dat Lefevere hoogstpersoonlijk Joxean Fernández ‘Matxin’ weer boven water had gehaald. De man heeft de Arabieren naar de top van de wielervoedselketen gestuwd. Hallelujah of alhamdulillah, zo u wilt.

Lefevere had natuurlijk wel een punt als hij meent dat een verhuis van Seixas naar UAE Team Emirates-XRG zowat het slechtste is wat het wielrennen en Seixas zelf zou kunnen overkomen.

Seixas zou, zo wordt gezegd, met gemak burgerlijk ingenieur of arts kunnen worden. Die moet dus over een gezonde dosis analytisch vermogen beschikken. De enige plus voor Seixas zou zijn bankrekening kunnen zijn: 5 miljoen euro of meer per jaar is zakgeld voor die olie- en gassjeiks. Als het zijn bedoeling is om met één klapper binnen te zijn, allez-y.

Als het de bedoeling is om gestaag beter te worden en op termijn een gooi te doen naar die ene gele trui op de Champs-Élysées, waar Frankrijk al 41 jaar van droomt, dan is dat geen goed idee. Evenmin als het de bedoeling is om in eigen land de bijna-goddelijke status te bereiken.

Het boompje Seixas uit de Franse klei trekken en transplanteren naar de woestijn van UAE zal nefast zijn. Er is misschien meer licht, maar het boompje zal nooit kunnen wortelen zoals het hoort.

Het boompje moet ook nog bewijzen dat het een boom kan worden, want behalve die Faun-Ardèche Classic, ereplaatsen en mini-exploten zoals het proberen volgen van Pogacar in de Strade Bianche staat er nog niet te veel op zijn palmares. Zoals analist Jan Bakelants aanstipte: Evenpoel was 19 toen hij al de Clásica San Sebastián won.

De loononderhandelingen tussen de clan-Seixas en Decathlon-CMA CGM zouden voorlopig zijn opgeschort, maar dat betekent niks. Wat niet is of niet meer is, kan zo worden hervat. De zakken van Decathlon zijn misschien niet zo onmetelijk diep als die van de sjeiks, maar toch diep genoeg om de schaapjes van Seixas nu al op het droge te krijgen.

Waar het Seixas om te doen zal zijn, is een beetje het verhaal van Evenepoel de voorbije jaren bij Soudal-QuickStep. Krijg ik een een ploeg die mij kan bijstaan in de wedstrijden waarin ik hoop te winnen?

Waar het Seixas vooral zou moeten om te doen zijn, is zijn ontwikkelingstraject en wie hem daarin moet sturen. Met andere woorden: welke ondersteuning krijg ik en hoe gaan we dat verstandig aanpakken? Dat begint bij trainingswetenschap, dan voeding, over recuperatie, het programma tot en met de communicatie in het wielergekke Frankrijk.

Als Seixas zo slim is als men beweert, gaat hij niet weg bij Decathlon. Als ze bij UAE een hart hebben voor hun sport, laten ze Seixas voorlopig waar hij is. Het manneke is 19, heeft nog niks bewezen behalve dat hij veel talent heeft, en ze zitten daar al met een monster als Pogacar.

De Sloveen is 27, vertoont geen spoortje van sleet en is nog niet verzadigd. Laat het boompje Seixas voorlopig groeien in Lyon. Pas over een paar jaar weten we of het een boom wordt en als Pogacar er klaar mee is, pakweg op zijn 32ste, is Seixas nog maar 24.

Column Saltstraumen in De Morgen van zaterdag 14 maart 2026

Saltstraumen

Bodø was tot op heden vooral bekend van de ferry naar Moskenes, het haventje op de Lofoten, dé toeristische trekpleister van Noorwegen boven de poolcirkel. Ook heb je in de buurt van het stadje een uitzonderlijk natuurfenomeen dat je niet mag missen als je daar ooit passeert.

Drieëndertig kilometer onder Bodø, naar Noorse begrippen om de hoek, kun je elke zes uur ’s werelds sterkste getijdenstroom zien. Bij Saltstraumen stroomt 400 miljoen kubieke meter water door een smalle zeestraat naar de oceaan of naar het binnenland, afhankelijk van eb of vloed. Gevolg: spectaculaire draaikolken (maalstromen) tot 10 meter in diameter en 5 meter diep.

In Bodø zelf viel er tot voor kort verder niks te beleven, maar dit jaar heeft zich een derde attractie aangediend: FK Bodø/Glimt en zijn cultstadion Aspmyra, waar met een beetje wringen 8.500 mensen in kunnen. Pas volgend jaar nemen ze de hypermoderne Arctic Arena met 10.000 zitjes in gebruik, stadionhoppers moeten zich dus haasten om het origineel te zien.

Woensdag was er de keuze tussen PSG-Chelsea op Play met Filip Joos ter plekke of Real Madrid-Man City op VTM met Aster Nzeyimana ter plekke. Ik koos ergens op het zoveelste Play Sports-kanaal voor FK Bodø/Glimt tegen Sporting Lissabon met een commentator die ik niet kon thuisbrengen maar die gewoon thuis zat.

Ik wilde het weleens zien, dat Noorse fenomeen, tegen die uitgekookte Portugezen die Club Brugge thuis met 3-0 hadden afgedroogd, hoewel Club het betere van het spel had. Die zouden natuurlijk niet in de val lopen zoals Manchester City, Atlético Madrid en Inter Milaan. Boeiend was het niet, maar aan de rust wist je: Sporting is in de val gelopen. Het stond 2-0 en het werd nog 3-0.

De vreemde eend in de bijt is op weg naar de kwartfinales van de meest prestigieuze voetbalcompetitie van de wereld. Dat deden ze met vooral jongens van eigen bodem, uit eigen opleiding, niks fancy aankopen, en met een trainer die tien jaar in dienst zal zijn van de club als hij 2026 volmaakt.

Het kan dus toch nog op de wijze van weleer, op de manier waarvoor voetbal en andere sporten zijn uitgevonden, gewoon, als verzetje voor de lokale gemeenschap die zich geconnecteerd voelt met helden van thuis. Jawel, er lopen ook buitenlanders, onder wie een Nigeriaan die nooit speelt. Verder vier Denen en een curiosum: Nikita Haikin, de Engels-Russische doelman geboren in Israël.

Er zit ook een Gents luikje aan FK Bodø/Glimt en dan denkt iedereen natuurlijk aan Jens-Petter Hauge, die ooit werd gehuurd van Frankfurt maar werd verketterd door de Gentse tribunes omdat hij nauwelijks liep en weinig ballen raakte. Die Hauge dartelt nu over het kunstgras van Aspmyra dat het geen naam heeft. Doelpunten, assists, de man kan het toch.

Er is nog een ander onderbelicht gebleven Gents luikje. Dit jaar is het dertig jaar geleden dat het tussen Bodø en zijn toenmalige succestrainer tot een breuk kwam. Trond Sollied vertrok voor twee jaar naar Rosenborg BK, waarna hij een seizoen bij Gent werkte en vervolgens bij Club Brugge.

De totale waarde van de spelerskern van de Noren bedraagt volgens Transfermarkt 57,1 miljoen euro. Dat is wat hun vorige tegenstanders Inter Milaan, Atlético Madrid en Manchester City gemakkelijk spenderen aan één speler.

Nog het opvallendst is hun traject. Ze waren zo goed als kansloos zolang de eigen competitie interfereerde met de Champions League, maar niet meer te kloppen eens de zon niet meer opkwam daar in het Hoge Noorden en de Eliteserien in een winterslaap ging.

Je zou verwachten dat zo’n team na een drukke herfst met veel wedstrijden de wonden moet likken en aan rust toe is. Wel integendeel, het was het sein om de voetbalversie van de Saltstraumen op de Europese voetbaltop los te laten. Op en neer gaande golven, 100 minuten lang.

De meeste Noorse sport en vrijetijdsbesteding draait om uithouding, of het nu gewoon wandelen dan wel langlaufen is. Het Noorse volk is sterk en Noorse atleten zijn fysieke beesten. Woensdag liepen de spelers van FK Bodø/Glimt 10 kilometer meer dan de Portugezen: 129,5 kilometer per wedstrijd. Tegen Inter liepen ze thuis 131 kilometer, tegen Man City 129 kilometer en thuis tegen Juventus haalden ze 130 kilometer. Dat is 20 kilometer meer dan het gemiddelde in Europa.

Het geheim van Bodø is geen geheim, het is een reminder. We waren vergeten dat het ook zo kan: een stabiele club, een goeie trainer en een kern met veel lokale jongens die er hun hoofd voor leggen. Moge het de duiventillen van de Jupiler Pro League inspireren.

Column Dominantie in De Morgen van maandag 9 maart 2026

Dominantie

Tadej, wat moet je ermee? Niks. Niet aanbidden. Niet bewonderen. Gewoon genieten.

Tadej, wat moet je er niet mee? Nooit voorspellen wat hij gaat doen.

Het is de ziekte van elke sportverslaggever en commentator om te willen voorspellen. Een valkuil waarin iedereen in dit vak en tegen beter weten vroeg of laat in verstrikt raakt. “Zo zal de wedstrijd verlopen, daarom en daarom.” “Dit mogen we verwachten en dit mogen we niet verwachten.”

In dit vak helpt een selectief geheugen om je overeind te houden, dus klampen we ons vast aan de voorspellingen die wel zijn uitgekomen en blijven we dezelfde fout maken. Als je heel eerlijk bent en over een goed archief beschikt, geef toe: voor elke juiste voorzet zat je er twee keer naast.

Karl Vannieuwkerke en José De Cauwer, het commentaarduo van Sporza, waren vrijdag de cruciale stroken van de Strade Bianche gaan verkennen. Als je wat tijd over hebt: het is daar wel mooi, maar – reistip – de streek is op haar mooist in mei, als alles in bloei staat, het koren lichtgeel kleurt en het gras op zijn groenst is.

Onderweg in de nu nog bruine Toscaanse heuvels waren ze tot diepere inzichten gekomen en die werden ons meegedeeld in Sporza Daily. Nogmaals, het overkomt iedereen, maar op die gevorderde leeftijden met al die kilometers achter de kiezen, hoor je misschien beter te weten. Helemaal als je iets over Tadej Pogacar meent te moeten voorspellen.

Dat hij zou winnen, dat was geen voorspelling meer maar een vaststaand feit. Wel: hoe zou hij winnen? De meest boude voorspelling luidde: “Ik verwacht niet dat Pogacar Seixas er al op 80 kilometer van de finish afrijdt. Hij zal hem niet lossen zoals hij met 90 procent van het peloton wel doet.”

Welnu, Paultje Seixas werd inderdaad niet gelost op tachtig kilometer van de Piazza del Campo in Siena. Hij werd geloosd samen met die andere 99,9 procent van het peloton op dik 78 kilometer van de eindstreep. Ongenadig uit het wiel gereden, door een renner die – welja, nog maar eens – het dichtste Eddy Merckx benadert. En de enige die hem ooit zou kunnen onttronen als beste renner ooit, al hoort ook die discussie thuis in de categorie onzin, samen met de voorspellingen. Tijdperken zijn nu eenmaal niet te vergelijken.

Van onzin gesproken: Sporza is ook sterk in polls, een containerbegrip voor via een vraag open deuren intrappen. Vooraf hadden ze: wie wint de Strade Bianche? Zeventig procent had Pogacar. Op nummer twee stond niet Seixas, maar Wout van Aert met 12 procent van de stemmen. Die 4.245 stemmers hadden de laatste maanden, zeg maar de laatste jaren, onder een steen geleefd.

Deze Wout van Aert – let op het aanwijzend voornaamwoord – wint voorlopig niet al te veel grote koersen meer. Dat was de conclusie na de vorige vier jaar en dan had hij deze winter nog eens dubbele pech. Die andere Wout van Aert, die van 2020 en 2021, dat is een ander verhaal. Of we die nog terugzien, en hoe hij aan die goddelijke vorm van weleer moet geraken, dat is niet te voorspellen. Karl en José hadden wel een goede suggestie: overwinteren in Spanje. Laten we daar aan toevoegen: als het maar ver van de kleuterklasvirussen is.

Een andere poll, ook helemaal niet representatief, wierp wel een bijzonder licht op de topsportcultuur of het gebrek daaraan bij de meerderheid van de Sporza-surfers.

Vind jij de dominantie van Tadej Pogacar nog leuk? Twee mogelijkheden: “ja, ik geniet van zijn dominantie” of “neen, het is te saai geworden voor mij”. Meer dan twee op de drie pollers, 68 procent, kan blijkbaar niet genieten van de onwaarschijnlijke solo’s die de Sloveen steeds weer uit zijn benen schudt.

Een echt interessante poll had een vervolgvraagje bevat voor wie de dominantie van Pogacar niet meer leuk vindt: en wat als Remco of Wout zo zouden domineren, zou het dan ook nog saai zijn? “Neen, dan niet mevrouw en mijnheer Sporza, want dat zijn jongens van bij ons.” Zo kijkt de gemiddelde Vlaming naar topsport.

Jammer. Niets mooier in de topsport dan algehele dominantie. Het overheersen van een tegenstander, het streven naar onderwerping van hij/zij die vooraf zo vermetel waren om ook maar te hopen dat ze aan je superioriteit konden tornen, daar draait het om. Topsport als consecratie van de alfa’s: Michael Jordan, Tiger Woods, Roger Federer, Usain Bolt of Michael Phelps. En nu ook Tadej Pogacar, die een heel peloton declasseert tot meelopers.

Hij heeft weliswaar niet de haat en nijd van pakweg een Jordan. Met zijn geblondeerd haar, eeuwige glimlach en aardige quotes komt hij meer in de buurt van de gentleman Roger Federer. Misschien gaat de mensheid er toch op vooruit.

Column To Iran or not Iran in De Morgen van zaterdag 7 maart 2026

To Iran or not Iran

Sinds de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran komt steeds terug dat het internationaal recht niet meer bestaat en dat de Verenigde Naties dood en begraven zijn, maar het nog niet weten.

Dat kan kloppen, bekeken door een sportbril. Het waren die Verenigde Naties die zich op 26 november van vorig jaar volmondig achter de gedachte van olympische vrede schaarden.

Die traditie van ‘Ekecheiria’ (Olympic Truce in het jargon) dateert van de negende eeuw voor onze jaartelling en was een deal tussen drie koningen – Iphitos van Elis, Cleisthenes van Pisa en Lycurgus van Sparta – om de veilige doorgang van de deelnemers en toeschouwers naar de Olympische Spelen te garanderen.

In de jaren 90 van de vorige eeuw werd die olympische vrede van onder het stof gehaald door het Internationaal Olympisch Comité en de op een Nobelprijs voor de Vrede geilende voorzitter Juan Antonio Samaranch. De moderne vertaling luidde dat er geen oorlogen mochten worden uitgevochten vanaf zeven dagen voor de Olympische Spelen tot zeven dagen na het einde van de Paralympische Spelen.

Als hij al afwist van het bestaan, heeft aanstaand olympisch gastheer Donald Trump vierkant zijn voeten geveegd aan die vrede. De reactie van het Internationaal Olympisch Comité was er een van op eieren lopen. Al steken ze de hele wereld in brand, de Olympische Spelen van 2028 zullen hem en de VS alvast niet worden afgenomen.

Rusland pakte het destijds wat handiger aan. Het organiseerde zelf Winterspelen in 2014 en twee dagen nadat de paralympiërs waren teruggereisd, nam Poetin de Krim in. Idem in 2022, na de editie van Peking, maar toen had Poetin minder geduld. Vier dagen na het einde van de originele Winterspelen en nog voor de paralympiërs waren gearriveerd, trok hij Oekraïne binnen. En daar zit hij nu nog.

Inmiddels is Rusland wel grotendeels uitgesloten van de wereldwijde sport, met uitzondering van de pas gestarte Paralympische Winterspelen, maar daar zal verandering in komen.

Het heeft er alle schijn van dat de Russen over dik twee jaar ook naar Los Angeles zullen mogen afreizen, met de hele equipe, in de rood-wit-blauwe kleuren, met de echte Russische vlag en het – toegegeven – erg mooie volkslied ‘Gimn Rossijskoj Federatsii’.

Rusland zal niet op de aanstaande World Cup voetbal zijn. Wie nog niet, dat is nu voorwerp van speculatie. Er zijn alleen maar vragen. Zoals: moeten we die World Cup niet boycotten? Natuurlijk zouden we dat moeten doen. Als we ons moreel kompas zouden volgen tenminste, maar dan hadden we misschien ook niet naar Rusland gemoeten in 2018, of eerder naar de Olympische Spelen van 2008 en 2022 in Peking. En hadden we de apartheidsstaat Israël -moeten uitsluiten zoals Zuid-Afrika destijds.

Dat hebben we niet gedaan en dat gaan we niet doen en daar zijn ook enkele goede redenen voor. In de eerste plaats het apolitieke speelveld. Daar valt wat voor te zeggen, het sportstadion als laatste safespace voor een eerlijk treffen volgens vooraf opgestelde regels en met een winnaar die de verliezer respecteert en omgekeerd de verliezer die de winnaar eert.

Wereldwijd is dat ondanks de recente woelige jaren redelijk overeind gebleven. Oké, Oekraïners wilden weleens achteraf geen hand geven aan Russen die als neutraal atleet door de mazen waren geglipt, maar ze sportten wel tegen elkaar.

Alleen die Iraniërs bleven maar vervelend doen. Zo verloor de Iraanse judoka Saeid Mollaei in 2019 op het WK opzettelijk zijn halve finale en daarna zijn bronzen kamp om in de finale of op het podium niet met de Israëliër Sagi Muki te worden geconfronteerd. Bij ons werd dat niet geloofd omdat hij die halve finale verloor van Matthias Casse.

Wat nu met Iran, op de aanstaande World Cup tegenstander van de Rode Duivels? De ontvanger van de eerste vredesprijs van de FIFA, Donald Trump, kan het niet schelen. Alle historische verwijzingen ten spijt, een wereldmacht en WK-organisator die een deelnemer van zijn groot voetbalfeest aanvalt, heeft de wereldsport nooit eerder meegemaakt.

Het is niet duidelijk waar Garcia, De Bruyne en Lukaku op moeten hopen: to Iran or not Iran? Een wedstrijd tegen Iraniërs op volle sterkte was nooit een wandelingetje in het park geworden. Iraniërs zijn redelijk onverzettelijk en op een voetbalveld vertaalt zich dat in lopen en blijven lopen.

Dus toch maar supporteren voor Trump, zodat Iran wegblijft of murw en gehalveerd verschijnt? Als er nu één volkje is dat daar geen morele bezwaren bij heeft, dan wel voetballers.

Column Daglichtregel in De Morgen van maandag 2 maart 2026

Daglichtregel

Op het scherm van de laptop staat een foto. Dertig mensen poseren voor een kasteel in Hensol, dat is ergens in Wales. Ze dragen allemaal een pak, iedereen in donkerblauw, ook de drie vrouwen.

Het beeld van de verpletterend blanke mannenclub dateert van zaterdag, van de 140ste jaarvergadering van de IFAB. Die afkorting staat voor International Football Association Board die gaat over de spelregels (The Laws of the Game) van het populairste spel dat de mens ooit heeft uitgevonden.

Die IFAB staat in theorie los van de wereldvoetbalbond FIFA, maar die duidt wel de helft van de leden aan. Het is een postkoloniaal verschijnsel, redelijk uniek voor de sport. Zo hebben bijvoorbeeld de founding fathers van IFAB (England, Schotland, Noord-Ierland en Wales) elk een permanent zitje.

De IFAB ziet zichzelf als de hoeder van het voetbal, de bewaker die de duistere krachten – commercieel, politiek, of gewoon van slechte wil – moet tegenhouden.

Die slechte wil stond centraal in wat zaterdag is beslist. Het moet allemaal wat sneller gaan voortaan en wel te beginnen op de wereldbeker deze zomer. Vijf seconden krijgen de spelers nog om een bal in te gooien en doelmannen om een bal uit te trappen. Dat laatste bestond al, maar op het aanstaande WK wordt de tijdrekkende doelman bestraft met een corner tegen.

Vervangen spelers moeten ook binnen de tien seconden van het veld zodra het bord is getoond. Een speler die op het veld wordt verzorgd, moet eerst het veld verlaten en daarna een hele minuut wachten voor hij/zij terug in het veld mag.

De VAR kwam ook aan bod. Die mag nu ingrijpen als een tweede gele kaart, resulterend in een rode, een vergissing blijkt te zijn. Ook een corner die er geen is kan worden herroepen. Op voorwaarde dat de herroeping snel genoeg kan gebeuren, dus dat wordt nog een dingetje.

Heel vreemd: de ref kan eventueel een bodycam dragen, maar het is niet de bedoeling dat de beelden voor meer dan intern gebruik dienen. Waarvoor dan wel, dat is de vraag.

Verder wordt nog nagedacht over hoe omgaan met doelmannen die gaan zitten voor een geveinsde blessure, waardoor het spel automatisch stilligt. Ook het fenomeen – denk aan de finale van de Afrika Cup – waarbij spelers het veld verlaten omdat ze het niet eens zijn met een scheidsrechterlijke beslissing wordt bestudeerd wat daartegen te doen. Ook nog te bekijken: spelers die hun mond afdekken in confrontatie met een tegenstander (de zaak-Vinicius recent).

Op de foto van de IFAB afgelopen zaterdag staat achterin een rijzige, grijzende en grijnzende man, ogenschijnlijk tevreden met de uitkomst. Zijn belang als FIFA’s chief of global football development kan niet worden overschat. Arsène Wenger is zijn naam, bekend van Monaco en Arsenal, en met 21 jaar en 8 maanden de langst zittende manager ooit in de Premier League.

Wenger heeft zich tot doel gesteld om iets te doen aan de buitenspelregel en heeft het nu voor elkaar gekregen dat voor het eerst een competitie zal experimenteren met de daglichtregel. Zo stond het in het laatste zinnetje van het communiqué dat zaterdag werd verspreid, in vier woorden: offside trials would continue.

Waar slaat dit op? Kort door de bocht staat een speler nu buitenspel als hij met een deel van zijn lichaam waarmee hij kan scoren voorbij de op één na laatste speler van de tegenpartij staat. De daglichtregel draait dat om: pas als alle lichaamsdelen waarmee kan worden gescoord helemaal voorbij de op één na laatste speler zijn is het buitenspel.

De daglichtregel slaat dan weer op de manier waarop een fase zal worden bekeken. Pas als er daglicht te zien is tussen aanvaller en verdediger zal er sprake zijn van offside. Het is duidelijk dat de discussies er niet minder op zullen worden maar ook niet noodzakelijk meer, de fase wordt gewoon anders beoordeeld. De winst zit hem in het voordeeltje van zowat een halve meter die de aanvaller krijgt, of iets meer als hij het slim speelt en zijn achterste voet laat hangen.

Het is lang zoeken geweest naar een representatieve maar niet al te belangrijke competitie die vanaf deze lente met deze regel wil spelen en die proefkonijnen hebben ze nu gevonden in de CPL, de Canadian Premier League.

Of het veel zal uithalen om gesloten wedstrijden open te breken is nog maar de vraag. Dat kan alleen met een buitenspellijn die 15 meter dieper in het aanvalsvak ligt, een beetje naar analogie met ijshockey. Vooraleer die postkoloniale IFAB evenwel iets uit een andere sport implementeert zal er nog veel water door de Ierse en de Noordzee moeten stromen.

Column Allrounders in De Morgen van zaterdag 28 februari 2026

Allrounders

Paddestraat, Haaghoek, Leberg, Eikenberg, Lange Munte, nog eens Haaghoek en Leberg, Eikenberg, Holleweg, Wolvenberg, Kerkgate, Jagerij, Molenberg, weer Haaghoek en Leberg, Berendries, Tenbosse, Parikeberg, Kapelmuur, Bosberg.

Dat zijn de scherprechters in de seizoensopener, beter bekend als de Omloop. Opgeteld twaalf hellingen en acht kasseistroken, enkele daarvan met dubbele functie, zoals de Muur. Die ligt op 15,7 kilometer van de eindmeet, die zelf dan weer na 207,6 kilometer wordt bereikt. Tussen Muur en eindstreep in Ninove ligt op 11,8 kilometer nog de Bosberg, ook kasseien en bergop.

Met andere woorden, dit is de finale van de Ronde van Vlaanderen toen die nog in Ninove arriveerde, weze het 60 kilometer korter en minder ‘bergen’. Behoorlijk zwaar voor een eerste wedstrijd in de Vlaamse Ardennen, zegt de toerist in ondergetekende, maar die is niet de norm.

Het huidige peloton wel, en dat zegt dat er veel kans is dat ze deze namiddag gaan sprinten. De oud-wielrenner en nog steeds fietsverslaafde gravelaar Greg Van Avermaet vindt dat de opening van het Belgische weekend best wat zwaarder mag. En ze zouden beter over smallere wegen koersen.

Wielrenners hebben er soms het handje van om alle kanten op te schieten en zichzelf tegen te spreken. In de eerste plaats over de veiligheid (meer smalle wegen, hoe verzin je het?), maar ook over de wielerparcoursen. Nu is het nog te licht, over een paar weken zal het allemaal wel weer te zwaar zijn.

Van Avermaet vindt dat de Belgische opener meer (lees: zwaarder) verdient. Waarom dan? Omdat het de Belgische opener is? De kans dat het ijsregent deze week, of zelfs sneeuwt, is spijts de klimaatverandering nog steeds even groot als het lenteprikje dat we deze week hebben meegemaakt. 207 kilometer, 12 hellingen en 8 kasseistroken, dat moet volstaan als gulden middenweg.

De enige ongemakkelijke waarheid is dat het Belgische openingsweekend als een tang op een varken slaat in die hele koerskalender. Tot vorige week zaten ze in het zuiden, om dan voor een lang weekend naar het noorden te verhuizen en na Le Samyn dinsdag trekken ze weer naar het zuiden. Logica in dat alles? Onbestaand, typisch voor de planeet Koers.

Deze discussie over de zwaarte van de Omloop past in een bredere kwestie die al langer het peloton en de volgers verdeelt: hoe moet een ideale wielerwedstrijd eruitzien? Ideaal als in: hoe krijgen we alle of zoveel mogelijk toppers samen aan de start, allemaal met een redelijke kans op succes?

Met een Jonas Vingegaard zal dat niet meer lukken. Die is zo mis ‘gekweekt’ dat hij alleen uit zijn Deense hoeve komt om één, hooguit twee keer per jaar, weken na elkaar bergop te fietsen. Willen we geen nieuwe Vingegaard, Chris Froome en, als we verder teruggaan, ook geen nieuwe Lance Armstrong meer, dan moet worden begonnen met het belang van de Tour de France terug te dringen. Alvast bonne chance daarmee.

De ideale wielerwedstrijd is er een waarin allrounders, klimmers, grote en kleine ronderijders en sprinters die een helling over raken zich geroepen voelen om aan de start te staan, allen met hun eigen specifieke strategie om in een kansrijke positie aan de eindstreep te komen.

Allrounders die alles aankunnen, van klassiekers over kille Vlaamse hellingen tot grote rondes over hete en zuurstofarme bergen, die lopen niet dik. Mathieu van der Poel wordt soms een allrounder genoemd. Onterecht. Geef hem een wegfiets, een crossfiets of een mountainbike, overal en altijd doet hij mee, maar verwacht hem niet in een bergetappe of in de hitte.

Dit hele WorldTour-peloton van 525 wielerprofs telt maar één allrounder en die heet Tadej Pogacar. Die kan echt alles. Vier keer de Tour winnen, Vlaanderen winnen en tweede worden in Roubaix, wat betekent dat je daar ook ooit kunt winnen, dat is geleden van Bernard Hinault en verder terug Eddy Merckx. Pogacar is in het postmoderne sporttijdperk van de hyperspecialisatie een buitenbeen.

In geen enkele andere sport verwacht men alle verschillende types samen aan de start. Van geen enkele atleet verwachten we dat ze van de 800 meter tot en met de 10.000 meter domineren, laat staan van de 100 tot de marathon. Zwemmers idem.

Natuurlijk is elke wielerwedstrijd in beginsel een uithoudingswedstrijd en lijken alle wielrenners fysiologisch meer op elkaar dan Usain Bolt op Eliud Kipchoge lijkt. De verschillen zitten hem meer in het gewicht. Wielrenners van 85 en 60 kilogram samen over dezelfde parcoursen jagen is onzin. Judoka’s van 70 kilogram vechten ook al lang niet meer tegen kolossen van 110. Gewichtscategorieën in de koers, waar wacht die UCI toch op?

Column Medailletje in De Morgen van maandag 23 februari 2026

Medailletje

Of we op de Winterspelen mochten dromen van die drie gewenste medailles of zelfs meer, dat vroeg de bakkerskrant De Zondag enkele weken geleden. Mijn antwoord: nul medailles kan evengoed omdat alle Belgen die het tot nu zo goed hadden gedaan wel zouden ondervinden hoe echte sportmodellen ervoor kiezen om te pieken op Olympische Spelen.

En zie, na zestien dagen hele mooie Olympische Spelen vertrekt de grootste Belgische winterdelegatie ooit met één bronzen plak, een half medailletje. Half jawel, dat past bij de mixed relay. Vrouwen en mannen achter elkaar laten sporten voegt niets toe aan topsport, een onderlinge strijd van de allerbesten binnen hun eigen categorie.

Die ene medaille viel uit de lucht omdat België de verdienste had overeind te blijven, vaak de essentie van shorttrack. Dat lukte hen in alle andere belangrijke wedstrijden iets minder, vooral dan Hanne Desmet. Wij kennen haar als ‘cannon ball Hanne’; haar internationale reputatie is af en toe die van bowling ball. Haar excuus na die laatste val op de 1.500 meter leek van een hoog ‘gezakt zadel’-gehalte, maar ze krijgt het voordeel van de twijfel.

Dat gezeur over die jaloerse Nederlanders die bang waren geworden voor onze Belgische shorttrackers en hen daarom hadden weggestuurd uit Thialf, het mag hiermee ophouden. Als je denkt dat je als landje zomaar kunt meesurfen met een performant sportmodel (zeven medailles in shorttrack, vijf keer goud), dan ben je niet goed wijs.

Het ziet er slecht uit voor de toekomst van shorttrack in België. Hanne Desmet is al 29. Misschien dat ze er op haar 33ste nog bij wil zijn in de Franse Alpen, maar dat is niet de vraag. Wel: waar blijft de opvolging? Waar is de continuïteit in het Belgische shorttrackmodel, of wat daarop moet lijken?

Als je een wereldkampioene als Desmet in huis hebt, dan verwacht je een effect op het hele landschap in die sport. Iemand een verrekijker? De term toevalmodel is hier al eens gevallen, en die is zeker van toepassing op alles op snelle schaatsen, lange of korte baan.

Investeren in een sport zonder infrastructuur is als een huis verwarmen met ramen en deuren open. Een echt model creëert de randvoorwaarden om jonge talenten te zoeken, op te leiden en te trainen.

Waar blijft die ijshal? Waar blijft de opvolging voor Bart Swings? Niemand mag beweren dat Swings op deze Spelen heeft gefaald. Van de Belgische naïviteit in de massastartfinale en de verontwaardiging achteraf begreep ik geen snars, maar dat zal aan mij liggen.

Swings liep in Milaan op zijn laatste benen en die volstonden niet, maar hij is en blijft een kampioen om te koesteren. De man was tot zaterdag regerend olympisch kampioen en is 35 geworden. Hoewel, Bergsma, winnaar van de massastart, is 40 en schaatste op de 10 kilometer 25 seconden sneller dan Swings.

De meest in het oog springende Belgische prestaties waren de vierde plaats van Sandrine Tas op de 3.000 meter schaatsen en de vijfde plek van Armand Marchant in de slalom. Vervolgens houdt het op, wat de supporters er ook van denken, die langs de lijn of in de (pers)tribune, en vooral die in de commentaarcabines met hun kirretjes, oooohs en aaaahs.

Het wordt tijd voor dit land om keuzes te maken en te gaan voor twee, drie wintersporten waarvoor je wel een model kunt uitbouwen. Met alle respect voor Kim Meylemans, skeleton is daar niet bij. Cru gezegd: als ze zo’n dure Duitse slee wil, dan had ze Duitse moeten worden zoals haar destijds een paar keer is gevraagd.

Dat tricolore boswandelen met geweer op de schouder, dat mag dan wel een Waalse aangelegenheid zijn, ook daarin best niet investeren. Meer dan de helft van onze biatleten zijn buitenlanders die om opportunistische redenen Belg zijn geworden: ze eindigden individueel op plaats 46, 50, 38, 52, 85, 74, 83, 33, 37, 26 en 19 voor de halve Noorse Lotte Lie, de beste.

Kunstschaatsen, daar kunnen we wel iets mee, maar ook hier beter de verwachtingen temperen. Ze eindigden 13de en 14de en dat is zonder de drie obligate maar voorlopig geschorste Russische springveertjes gerekend.

Op deze Spelen waren 21 medailles meer te verdienen dan vier jaar geleden. De 34 medailles van de (Wit-)Russen in Peking 2022 werden bij gebrek aan Russen vervangen door één luttele medaille van een neutrale atleet. Er lagen zo 54 nieuwe en vrijgekomen medailles voor het grijpen.

Nederland, met tien keer goud en een derde plek, tikt af op de beste klassering ooit op een Olympische Spelen. Nederland deed het met 39 atleten, wij stuurden er 30. België, het wintersportland dat het nooit is geweest, is terug bij af.

Column Geweldcultuur in De Morgen van zaterdag 21 februari 2026

Geweldcultuur

Geen discussie mogelijk: ijshockey is de moeilijkste sport op de planeet. Moeilijkste als in een combinatie van alle factoren die een sport zwaar, lastig, moeilijk en complex maken.

Het is eerst en vooral een ploegsport, de verheffende trap van sport omdat er behalve de individuele tactiek (wat doe ik, al of niet in functie van de tegenstand) ook ploegtactiek (wat doen we samen) komt bij kijken.

Vervolgens is het een fysiek bijzonder zware sport. Met 5 kilometer schaatsen gemiddeld per wedstrijd lijken de afstanden mee te vallen, maar de helft van de kilometers wordt aan hoge intensiteit afgelegd.

De specificiteit van de buitenspelregel, die (kort door de bocht) bepaalt dat eerst de puck de blauwe buitenspellijn moet overschrijden vooraleer de spelers dat mogen, maakt het ploegspel en de inspanning extra complex.

Daarna is er het technische aspect. Het controleren van de puck, een klein hard ding dat alle kant opschiet op het ijs, het is geen sinecure. Eenmaal je dat alles onder de knie hebt (de techniek, de fysiek, de tactiek, de regels) moet het allemaal nog eens worden uitgevoerd met hoge snelheid op het onvergeeflijkste oppervlak, glad ijs.

Of we zondag een ouderwetse Canada-VS als laatste wedstrijd van de Spelen krijgen, is bekend als dit in de krant staat. Of we daarop moeten hopen en of de organisatie daarop hoopt, is dan weer een ander verhaal. Naar het schijnt zou Donald Trump een Amerikaanse finale willen bijwonen.

(IJs)hockey is een trumpiaanse sport die het recht van de brutaalste hoog in het vaandel draagt. Spelers rammen op elkaars ribbenkasten en andere lichaamsdelen dat het een lust is en dan is olympisch ijshockey nog een lightversie van het veel ruwere ‘hockey’ dat die spelers gewend zijn in hun Noord-Amerikaanse National Hockey League.

Ongeveer 130 NHL-spelers zijn er voor het eerst sinds 2014 weer bij, nadat de koepel NHL twee edities verstek liet gaan omdat het Internationaal Olympisch Comité na 2014 niet langer de verzekering voor de spelers wilde betalen.

Die NHL’ers moeten zich aanpassen aan een aantal olympische (lees: Europese) regels. Zo is de speeloppervlakte groter (4 meter breder) dan in de NHL. Daar wordt vaak in basketbalstadions gespeeld, terwijl ijshockey in Europa meestal de hallen moet delen met kunstschaatsen en shorttrack.

Die geweldcultuur biologeert. Waar en hoe is het zo fout kunnen gaan met een sport dat zelfs in de lagere reeksen ooit uitwassen als Danbury Trashers het licht zagen? Wie Netflix heeft, kan in de docu Untold: Crimes & Penalties het hallucinante verhaal zien van het inmiddels opgeheven ijshockeyteam Danbury Trashers van de United Hockey League, een kleinere profcompetitie die ook al niet meer bestaat.

De eigenaar was James Galante, een afvalmagnaat en lid van de Genovese maffiafamilie. Hij gaf het team aan zijn 17-jarige zoon A.J. en maakte hem algemeen manager. Ze kochten een ploeg samen met de meest foute en gewelddadige spelers in de lagere reeksen en terroriseerden jarenlang de hele competitie.

Toen de docu uitkwam in 2021 haastte de NHL zich om zich te distantiëren van de vele geweldscènes. Bij hen was het allemaal beter gereguleerd, maar het begrip ‘reguleren’ is al even pervers. De waarheid is dat de NHL sinds 1920 het geweld onder de vorm van vechtpartijen heeft geïnstitutionaliseerd (lees: aanvaard als verkoopargument) en daardoor de hele sport heeft besmet.

Eerder deze week gingen zelfs de vrouwen van Zweden en de VS voor een bagatel met elkaar op de vuist; het was slaan om te raken. De internationale refs op deze Spelen worden geacht vechters meteen te scheiden. Bij een echt gevecht – een verdwaalde slag wordt door de vingers gezien – horen ze de vechters uit te sluiten voor de wedstrijd.

Amerikaanse refs laten vechten toe en grijpen pas in als een van de spelers naar de grond gaat. Als de refs het te bar vinden, moeten de spelers voor vijf minuten naar de strafbank, om daarna met bloeddoorlopen ogen hun sloopwerk weer op te pakken.

De gevolgen van die praktijken zijn niet te overzien. Uit de recentste studie, een onderzoek van 77 mannelijke hersendonoren die amateur- en professionele ijshockeyers waren, bleek dat de hersenen van 27 van de 28 professionele spelers tekenen vertoonden van chronische traumatische encefalopathie, dezelfde neurodegeneratieve aandoening die zo vaak Americanfootballspelers treft.

IJshockeycarrières zijn van de langste in de professionele Amerikaanse sport. De conclusie van de studie luidde: wie twintig jaar of langer hockeyt, heeft bijna 100 procent kans om dement te eindigen.

Column Kroonjuwelen in De Morgen van maandag 16 februari 2026

Kroonjuwelen

Jawel, de play-offs verdwijnen na dit seizoen. De kip met de gouden eieren, die voor veel spanning zorgde en tot de laatste reguliere speeldag wedstrijden op het scherp van de snede opleverde, wordt eind mei geslacht.

Hoe dom dat is zal al heel snel blijken als het nieuwe tv-contract moet worden onderhandeld en iets minder snel, maar niet minder ingrijpend, als in de toekomst de half-afgewerkte producten (voetballers dus) voor veel minder geld worden doorverkocht naar het buitenland.

In het eerste play-offseizoen 2009-’10 was van een positief effect op het sportieve nog niet veel te merken, maar gaandeweg viel het op dat in tegenstelling tot de gangbare competitieformule van iedereen tegen iedereen uit en thuis (de round robin) in de Belgische competitie haast geen wedstrijden meer waren waar het nergens om ging.

Die evolutie zette zich door en de voorbije tien jaar stond de Jupiler Pro League voor hoogst competitief voetbal, met veel fysieke arbeid, veel duels, veel tactiek, een ideale springplank naar de grotere competities. Dat vertaalde zich in transferopbrengsten en tegelijk in Europese successen of ministunts vanwege ook AA Gent en Union maar meestal toch Club Brugge.

Het effect daarvan zal te zien zijn in het seizoen 2027-28 als zowel de Belgische kampioen als de vicekampioen een directe toegang krijgt tot de 36 clubs die in de potten van de Champions League mogen graaien. Een voorspelling: na dat eenmalige succesje gaat het met dat Belgische profvoetbal ongenadig richting de sportieve en financiële dieperik.

Een tijdje geleden verscheen een nogal euforisch ingekleed verhaal over de enorme transferopbrengsten van het Belgische voetbal. We zijn met 274 miljoen euro zelfs de nummer twee van de wereld voor het aan de gang zijnde seizoen 2025-’26. Opmerkelijk dat alleen Frankrijk het met 407 miljoen beter doet dan België en dat een traditioneel opleidingsland als Nederland bijna 100 miljoen minder uit de nettotransferopbrengsten (verkoop min aankoop) haalt.

Omdat momentopnames moeten worden gekaderd in een groter geheel, hierbij wat duiding. Tussen 2015 en 2024 was de Pro League niet de tweede maar toch nog altijd de zesde meest winstgevende competitie inzake transferopbrengsten met in totaal 1,12 miljard euro netto.

Een ander bericht, vorige week, had het over de jaarrekeningen van de Belgische profclubs: 18 van de 28 clubs leden samen een verlies van 70 miljoen euro. Zo stond het er, maar dat klopt niet. Negentien clubs leden een verlies van iets meer dan 80 miljoen. Patro Eisden boekte geen winst maar een verlies van 5 miljoen en verborg die achter een kwijtschelding van schuld.

Als je door de cijfers heen kijkt naar de essentie van de voetbalbusiness, dan zie je dat de operationele verliezen vóór transfers onveranderd donkerrood kleuren. Met andere woorden: het hele Belgische voetbal hangt aan een navelstreng van transferinkomsten, eigenaarskapitaal en overheidssubsidies.

Nu is er de laatste drie mercato’s iets heel bijzonders aan de hand. Waar vroeger geïmporteerde voetballers nog een tijdje in de club bleven om daar wederzijds sportief profijt uit te halen, worden die nu verkocht van het moment dat ze drie ballen goed raken.

Rosen Bozhinov, Kaye Furo, Chemsdine Talbi, Christopher Bonsu Baah, Jan-Carlo Simic, Nilson Angulo, Ezechiel Banzuzi en Hyeon-gyu Oh zijn recent uit België vertrokken voor sommen tussen de 6 en 20 miljoen euro. De meeste van die spelers hadden niet eens een vaste basisplaats bij hun club. Furo had zelfs nog geen minuut met de hoofdmacht van Club gespeeld toen hij voor 10 miljoen al werd verkocht aan Brentford.

Als ook al de beloftevolle jongere spelers van de hand worden gedaan nog voor ze doorbreken is er sprake van een structureel probleem, helemaal als de meesten buitenlanders zijn. België heeft de naam een opleidingsland te zijn. Dat is het niet. In de rangschikking van speelgelegenheid voor spelers die voor het land kunnen uitkomen, staat de Jupiler Pro League pas op de 29ste plaats.

De enige realiteit blijft nog altijd deze: de Belgische eerste klasse importeert en exporteert vooral jonge buitenlanders. Het maakte daarbij verlies ( 730 miljoen euro over de laatste vijf seizoenen) en dat ondanks de 200 miljoen jaarlijkse lastenverlagingen op belastingen en sociale lasten.

Nu ongeveer alle kroonjuwelen, ook die van plastic, van de hand zijn gedaan en er behalve bij Club Brugge straks niks meer te verkopen valt, moeten de clubeigenaars – die vorig seizoen nog eens 200 miljoen euro aan kapitaalsverhogingen deden – zich dringend grote zorgen maken.