Column Kilowattuurslurpers in De Morgen van zaterdag 10 september 2022

Kilowattuurslurpers

Ooit was L’Équipe een supergoede sportkrant, de beste van de wereld. Toen ze met een dalend lezerspubliek te maken kregen, hebben ze het geweer van schouder veranderd, zeg maar de tering naar de nering gezet. Dat ging erg simpel: geen tering meer, alleen nog hoera-nieuws, de Sporza-formule als het ware.

Het gevolg is dat L’Équipe nog steeds de meest complete sportkrant van de wereld is, maar bij tijd en wijle meesurft op een (tricolore) hype en onveranderlijk zwaar chauvinistisch wordt als een Frans staatsburger in de buurt komt van medailles. In geval van podia zijn het kot en de gazet te klein.

Zo is L’Équipe met de tijd het fanzine geworden van PSG, Paris Saint-Germain, de voetbalclub van MNM, Messi-Neymar-Mbappé. Elke bericht groot of klein over PSG wordt met het nodige tromgeroffel geschreven en voorzien van ronkende titels. Groot was dus de verbazing toen woensdag ineens twee volle pagina’s werden gewijd aan wat inmiddels in de Franse media een eigen leven is gaan leiden als char à voile gate of het zeilwagenschandaal.

We praten u even bij. Vorig weekend vloog PSG met de privéjet van de club naar Nantes, een kleine vierhonderd kilometer van Parijs. Een directeur van de TGV-Intercités had middels een tweet gesuggereerd dat het ook per trein zou kunnen, veel minder verspilling van energie, veel minder vervuilend en amper twee uur kwijt. Een privéwagon en zo, dat was allemaal mogelijk. Twee ook.

Op de persconferentie voorafgaand aan de wedstrijd tegen Juventus deze week kreeg PSG-trainer Christophe Galtier daarover een vraag. Hij dacht even na en sprak toen de inmiddels legendarische woorden: “We hebben bekeken met onze transportmaatschappij of we voortaan kunnen reizen per zeilwagen.”

Kylian Mbappé, die naast hem zat, bescheurde het. De sociale media niet. De politiek ook niet. De repliek van Galtier was even gevat als dom en wereldvreemd, vintage voetbal. Media die zich doorgaans beperken tot een kort verslag en de uitslag ontfermden zich nu over de zaak: als elke burger in dit land moet besparen op energie, waarom het voetbal niet?

Dat is een terechte vraag. Het is niet duidelijk of de burger, laat staan de voetbalfan die niet verder kijkt dan de uitslag van zijn favoriete club, wel beseft welke uitzonderingspositie deze sport zich toe-eigent. Neem nu de voorbije droge periode. Oké, er was geen sproeiverbod voor tuinen, maar boeren moesten zich wel aan allerlei regels onderwerpen. Voetbalclubs niet. Er zijn voorbeelden van clubs die in de ook al zo droge jaren 2019 en 2020, toen er wel een sproeiverbod gold, vrolijk leidingwater sproeiden op hun velden. Onder het motto: de velden moeten worden gesproeid, dat verhindert blessures en de bal gaat sneller rond. Is water duur? Wij hebben geld genoeg.

Deze zomer, toen er een oppompverbod was uitgevaardigd voor niet-bevaarbare waterlopen, is minstens één club betrapt bij het oppompen van water uit een beek naast haar oefencentrum. Sproeien is een obsessie, bij voorkeur voor elke wedstrijd/training, maar een beetje club heeft daarvoor een circulaire regenwaterinstallatie. Als die te klein en dus snel leeg is, gaat de stadskraan open.

Nu is het beginnen te regenen en is die zorg weer van de baan, maar straks wordt het ook weer donkerder en wordt de obsessie om het groene gras nog acuter. Werkt de drainage wel, groeit het gras nog? Gras hoort niet te groeien in de winter, althans niet waar wij wonen, maar wel in een voetbalstadion. Dus staan er hele batterijen lichten op het gras, in de donkerste weken branden die zelfs 24 uur aan een stuk. Dat zijn voor alle duidelijkheid geen ledlichten maar kilowattuurslurpende geel-oranje monsters die de grassprieten moeten wijsmaken dat de zon schijnt.

Omdat lampen alleen vaak geen soelaas bieden wordt ook nog eens de veldverwarming aangezet. Die was origineel bedoeld om eventuele sneeuw en ijs te laten smelten, maar in nogal wat (rijke) clubs staat die in de wintermaanden volle bak te draaien, dag en nacht. Weerom: de grassprieten moeten denken dat het lente is.

Kunstgras zou alvast veel van voorgaande systeemfouten oplossen, maar daar wil het archaïsche voetbal niet aan. Als het op echt gras moet, dan is er maar één oplossing om deze energieverslindende waanzin te stoppen: van voetbal een zomersport maken. Als ze straks kunnen voetballen in Qatar bij vijftig graden moet dat bij ons ook bij die occasionele dertig lukken. Dat is alvast een pak gezelliger. Ook minder energieverslindend, want als het erg koud is gaan in de modernste stadions boven de duurste plaatsen en op de terrassen van de skyboxen de branders aan, kwestie van de vips niet te laten bibberen.

Column Terreur bij de Spelen in De Morgen van maandag 5 september 2022

Terreur bij de Spelen

Vandaag exact vijftig jaar geleden verloor de olympische topsport zijn onschuld. Althans in de maatschappelijke betekenis: als een vreugdevol feest van volkeren en atleten. Afgelopen zomer hielden een aantal bonden in het Olympiapark van München hun Europese kampioenschappen. Dat was geen toeval, maar veel ruchtbaarheid is toen aan die verjaardag internationaal niet gegeven.

München 1972 is dan ook de geschiedenis ingegaan als de Olympische Spelen van de brutale aanslag van Zwarte September op de Israëlische delegatie. Zestien doden vielen er in die 23 dramatische uren: elf gijzelaars en vijf gijzelnemers.

De stad München is begrijpelijkerwijs nog steeds trots op die zestien dagen van sportieve glorie tussen de openingscermonie op 26 augustus en de sluiting op 11 september. Je kan er nog steeds de Olympia-toren bezoeken, een naald van 291 meter hoog, die de hoogste van de beide Duitslanden moest worden.

Dat was buiten de DDR gerekend. Toen Oost-Duitsers, behorend tot de Russische invloedssfeer, lucht kregen van de West-Duitse plannen, planden ze voor hun in aanbouw zijnde tv-toren in Oost-Berlijn een extra hoge pin waardoor die bij 368 meter uitkwam. De DDR-equipe die naar München afreisde werd daarop gewezen door de begeleiders – lees het Stasi-personeel: wij hebben de grootste.

De toren in München bezoeken kost 16,5 euro. Wie gewoon door het oude Olympia-dorp wil wandelen is 17,5 euro kwijt. Hoogtepunt – dieptepunt zo u wil – daarbij is het bezoek aan Connolystrasse 31, waar deze ochtend rond vijf uur vijftig jaar geleden acht Palestijnse terroristen van de Zwarte September de Israëlische appartementen binnenvielen en elf Joodse atleten gijzelden.

Als u meer wil weten over wat daar is gebeurd, kunnen we u niet verwijzen naar VRT Max of Streamz of welke al of niet betalende terugkijkdienst van de Belgische stations. NPO is waar u moet zijn als u zich een geweten wil laten schoppen door de verbluffend uitstekende vierdelige docu Terror at the Games: Munich ’72.

Countdown, Endgame, Terror en Wrath, zo heten de vier afleveringen. Als de terugkijk-tv niet meer lukt, surf dan naar VPRO, dat betrokken was bij het maken van de docu. Maar leg eerst een VPN, anders vangt u vanuit België bot.

Het regende de laatste maanden docu’s over dat dramatische etmaal in en rond München met die dodelijke afloop op de militaire vliegbasis van Fürstenfeldbrück, maar deze serie is wel heel bijzonder en gedetailleerd. Om het even in te korten: meteen na de gijzeling schoten de Palestijnen twee atleten dood die zich verzetten. De andere negen atleten stierven in een desastreus verlopen ‘endgame’ waarbij een terrorist onder meer een handgranaat in de helikopter met de atleten liet ontploffen. De rest moet u zelf ontdekken. Wat daarna gebeurde is minstens even spannend als de gijzeling zelf.

Het unieke van deze docuserie zit hem in de research. Alle mogelijke overlevenden en naasten van overledenen komen aan bod en vertellen hun verhaal. Ook de politici die toen aan de macht waren of later aan de macht zouden komen, zijn gaan zitten met de makers. Zo is de latere Israëlische premier Ehud Barak te zien die monkelend vertelt hoe hij als baas van een speciale missie en zelf verkleed als vrouw, het commando leidde dat in 1973 in Beiroet drie PLO-leiders ging vermoorden. Ten zien in deel vier, Wrath. Wraak dus.

Dat is nog het meest opvallende aan de hele docu: de nauwgezetheid waarmee de ooggetuigen vertellen over wat ze hebben gezien of hebben gedaan. Afgezien van enkele familieleden en vrienden van overleden atleten en trainers valt bijna geen emotie te bekennen bij de geïnterviewden.

De meest opvallende getuigenissen komen van de twee Palestijnse gijzelnemers die nog in leven zijn. Mohammed Safady – Tarzan als bijnaam – beweert dat hij de gijzelaars in de heli heeft doodgeschoten en spijt is hem totaal vreemd. De andere is een toevalstreffer, want tot voor kort nam men aan dat alleen Safady nog in leven was.

Nummer twee – bijnaam Samer – wilde niet met zijn echte naam en gezicht in beeld, bang voor de eeuwigdurende wraak van de Mossad en aanverwanten. Safady verkeert niet meer in een al te beste staat en die kon het geen barst schelen: naam, toenaam, gezicht, alles mocht van hem. Meer zelfs, hij onderhandelde een fee voor exclusiviteit van zijn getuigenis tot 26 augustus. Benieuwd of die opgestoken vinger richting Tel Aviv nog een staartje krijgt.

Lucio Mollica en Bence Máté heten de makers van dit Oscar-materiaal.

Column over RVT Jupiler Pro League in De Morgen van zaterdag 3 september 2022

Rusthuis Jupiler Pro League

Gisteren in de krant, na de thuisnederlaag van Anderlecht tegen Gent: zelfs als de ploeg het laat afweten, blijft Zeno Debast, 18 nog maar, overeind. “Ik probeer gewoon elke match mijn best te doen. We hebben zes goede opties achterin. Elk van hen is in staat om er te spelen.”

Waarna de krant hem voor de voeten gooit dat er straks met Jan Vertonghen een brok kwaliteit en ervaring bij komt. Voetballers, hypocrieter vind je ze niet in de sport. Debast gaat in safe modus. “Een geweldige aanwinst voor Anderlecht, ik ben blij. Ik kijk er nu al naar uit om dagelijks met hem te werken. Jan kan deze groep, en vooral de jongeren, enorm veel bijbrengen met zijn ervaring.”

Tot zover de bullshit.

Zo ging het echt. “Wablief, Vertonghen. Diene ouwe pee? Zijn ze nu helemaal zot geworden daarboven? Het loopt nu zo goed in onze verdediging en ik maak zelfs een kans om mee te gaan naar de World Cup als ik veel kan spelen.

“Doen wij het dan zo slecht? Kijk hier, vijf tegendoelpunten in zes wedstrijden. Het minste van de hele 1A, samen met Antwerp, en die staan daarmee aan de leiding. Nu gaan ze ons een beetje door elkaar klutsen, terwijl ons probleem het middenveld en de aanval is. Die houden geen bal vast of geraken niet tot in de backlijn.”

Voor alle duidelijkheid en speciaal voor de generatie millennials en jonger en uiteraard desgevallend ook voor bestuur en management die met elkaar gemeen hebben dat ze soms moeite hebben om ironie van realiteit te onderscheiden: de Debast-quotes zijn verzonnen. Bovenstaande is alvast een weinig risicovolle gok. En de logica zelf als er ook maar een beetje topsporthart in Debast zit.

Ik ben opgegroeid in de jaren zeventig toen elke Belgische eersteklasser er een erezaak van maakte om uit te pakken met een versleten grootheid, bij voorkeur een buitenlander. De opvallendste naam heb ik altijd Josef Masopust gevonden. Zes jaar nadat hij de finale speelde van de World Cup 1962 in Chili en de openingstreffer scoorde tegen Brazilië, en in datzelfde jaar de Gouden Bal als Europees voetballer van het jaar kreeg, belandde die zowaar bij Crossing Molenbeek, later Schaarbeek.

Dat was augustus 1968. Kolonel Masopust van legerploeg Dukla Praag was toen al 37 en tot op de draad versleten. Al bij al een goede move van Josef, want hij zat net veilig en wel in Brussel toen de Russen een einde maakten aan de Praagse Lente. Voor de TikTokkers: even opzoeken wat dat precies was. Een tip: een soort mini-Oekraïne.

Om een lang verhaal wat in te korten: die grootheden bakten er doorgaans niks van. Onze eersteklassers veranderden gaandeweg het geweer van schouder en de Belgische eerste klasse werd vanaf eind vorige eeuw een opleidingscompetitie. De Belgische jeugdwerking leverde mooie voetballers af en de slinger ging helemaal de andere kant op. Een aantal van onze betere jeugd vertrok zelfs naar het buitenland zonder ooit een wedstrijd te hebben gespeeld in de eerste klasse.

De bekendste zijn Thomas Vermaelen, Toby Alderweireld, Jan Vertonghen en Radja Nainggolan, die recht vanuit de jeugd van Beerschot door het buitenland werden weggehaald. De eerste drie aanvankelijk naar Ajax, om van daaruit aan hun omzwervingen te beginnen, de woelrat van Sint-Anneke naar Piacenza, waarna die ook aan zijn Italiaanse omzwerving begon.

Anno 2022 heeft het rust- en verzorgingstehuis Jupiler Pro League een nieuwe vleugel geopend: alle internationals van de gouden generatie die menen nog aanspraak te kunnen maken op een plekje in de selectie voor de aanstaande World Cup zijn welkom.
Ze krijgen goed te eten, worden goed verzorgd, krijgen een dik pensioen en worden – het allerbelangrijkste – geregeld opgesteld in wedstrijden die er toe doen en dat onder alziend oog van de bondscoach.

Vincent Kompany was de eerste, in 2019 al. Hij was nog maar 33 toen hij – ook op de draad versleten – terugkeerde naar Anderlecht. Het bleek geen succes. Simon Mignolet (31) wel. Bij Club Brugge. Vermaelen keerde ook terug, ook versleten, maar dat was niet erg want hij werd assistent-bondscoach. Vorig jaar was het dan de beurt aan Radja Nainggolan. Die is maar half versleten, heeft dit jaar het geluk dat hij geen Europese midweek moet spelen en heeft geen ambitie meer als international.

Dat ligt anders voor Toby Alderweireld en Jan Vertonghen, die ook een veilig en goedbetaald onderdak in België zochten en vonden in de hoop op speeltijd en een Qatar-selectie. Met die oude mannen kan het vriezen en kan het dooien straks op die bloedhete World Cup, maar als ik van de bondscoach was, ik timmerde alvast naarstig aan een jonge flukse verdediging.

Column Remcooooh (derde keer) in De Morgen van maandag 29 augustus 2022

Remcoooh (derde keer)

Ik ben blij dat ik het heb gezegd, vandaag precies twee weken geleden in De tribune op Radio 1. De andere gast, José De Cauwer, bekender en (nog) meer begaan met zijn reputatie op planeet Koers, hield nog een slag om de arm, maar ik floepte het er aan het eind toch maar gewoon uit: ooit wint Remco Evenepoel een grote ronde. Is het nu niet, dan over tien jaar als hij 32 is.

In de rechtstreekse op de VRT is die slag om de arm van De Cauwer niet langer te merken, maar van een groterondewinst en een favorietenrol voor Evenepoel wil hij niet weten. Het begon afgelopen donderdag naar de Pico del Jano met: waar zitten we hier naar te kijken? Zaterdag, weer bergop en nog steiler dan donderdag, op de Colláu Funcuaya, luidde het al: we kijken naar iets moois, en het zou weleens iets héél moois kunnen worden.

Gisteren volgde dan een belachelijke etappe waar de Spanjaarden (en ook soms Italianen) een patent op hebben: aankomst op Les Praeres de Nava, een lange muur met percentages tot 24 procent. Evenepoel won niet, maar heerste.

De ‘derde keer’ boven deze column slaat niet op het aantal grote rondes dat Evenepoel heeft gereden want dat zijn er maar twee en daarvan heeft hij er vooralsnog geen enkele uitgereden, maar om het met José te zeggen: het zou weleens kunnen dat we naar iets heel moois zitten te kijken. Remcoooh is de derde keer dat een column op deze plek met die titel begint.

Dik een jaar geleden, mei 2021, kreeg ik telefoon vanuit de ploeg. “Wat heb je nu geschreven? Ook de pedalen kwijt? Remco favoriet voor de Giro? Komaan, die jongen heeft nog nooit een serieuze bergrit gereden. Als hij het einde van die Giro haalt, zal ik best tevreden zijn.”

De wijze, inmiddels grijze man kreeg gelijk: Evenepoel was kansloos, reed de Giro niet eens uit. De ploeg had zich vergaloppeerd, de familie had zich vergaloppeerd, Remco zelf had zich vergaloppeerd en de media uiteraard ook. In die volgorde. Er volgde een kater en de conclusie: te oud voor de poppen, te jong voor de liefde.

Misschien zou hij wel nooit een grote ronde winnen, maar was dat dan zo erg? Inmiddels prijken tal van kleine rondes op zijn palmares en drie klassiekers (twee keer San Sebastián en het monument aller monumenten, Luik-Bastenaken-Luik). In het wielrennen geldt evenwel een wet: wie in Luik kan winnen, kan in een grote ronde uitblinken. De hoop bleef.

Inmiddels had zijn ploeg een andere scenario voor hem uitgestippeld: niet de Giro, niet de Tour, maar de Vuelta. In Spanje, aan het eind van het seizoen als alle ronderenners een beetje op hun tandvlees zitten, zou hij het nog eens proberen en zou hij een ploeg rond zich krijgen die hem tot de laatste klim kan dragen.

Een nieuwe domper op de vreugde volgde in de Ronde van Zwitserland: Remco kon niet volgen. Maar zie, aan het eind gloorde toch nog licht: hij won de tijdrit, weliswaar met amper drie seconden op eindwinnaar Geraint Thomas die aan het eind van die tijdrit op safe speelde.

De analisten hadden hun oordeel klaar. “Evenepoel gaat een fantastische carrière uitbouwen, hij wordt hopelijk nog een keer wereldkampioen en olympisch kampioen tijdrijden. Maar de Tour de France en de Ronde van Italië gaat hij nooit winnen.”Evenepoel zal altijd tweede, vierde, vijfde worden. Het zal altijd iets zijn. Evenepoel is jong, of hij heeft een slechte dag. Hij zal een keer op een kwartier, twintig minuten worden gereden. Er zal altijd iemand beter zijn dan hij.”

Was getekend Eddy Planckaert.

Eén voor één is Evenpoel in deze Ronde van Spanje – oké, tegen een aantal collega’s die niet in topvorm verkeren, maar dat is zijn schuld niet – twijfels aan het wegnemen. Kan hij recupereren? Ja. Er is geen reden om aan te nemen dat dit na deze week spectaculair anders zou gaan. Hij zit nog zo fris als een hoentje.

Kan hij steile hellingen aan? Ja. Is hij explosief genoeg om demarrages te beantwoorden? Ja. Kunnen hij en zijn ploeg het gewicht dragen? Voorlopig wel. Kan hij nog zo goed tijdrijden als voorheen? Dat zal dinsdag blijken, maar wie kan hem kloppen?

Zal hij nog een slechte dag hebben? Iedereen heeft weleens een slechte dag in een grote ronde, het komt er alleen op aan het niet te laten zien en de anderen, die ook dag na dag minder worden, geen hoop te geven. Tot nog toe was de wielrenner Remco Evenepoel een open boek: ging het hem af, hij straalde. Was het zwaar, vreesde hij de tegenstand, werd hij een hoopje ellende. Daar is ook aan gewerkt.

Een voorspelling: op 11 september 2022 heeft dit land, 44 jaar na Johan De Muynck in de Giro van 1978, eindelijk weer een groterondewinnaar.

Column over Nationale Loterij in De Morgen van zaterdag 27 augustus 2022

De baronie Nationale Loterij

Lotto-Soudal weigert om Victor Campenaerts, Florian Vermeersch, Tim Wellens en Arnaud De Lie af te staan aan de nationale selectie voor het WK op de weg in Wollongong. Dat ligt in Australië en om daar te geraken, beetje aan te passen, te koersen en weer weg te geraken ben je al snel twee weken kwijt. In die twee weken moeten vooral Campenaerts en De Lie voor hun ploeg punten sprokkelen in Gooik, Isbergues, Torhout en omstreken.

Die punten heeft Lotto-Soudal nodig om de volgende drie jaar bij de WorldTour te kunnen blijven. Naar het schijnt scheelt het een serieuze slok op de sponsorborrel als de ploeg niet verzekerd zou zijn van deelname aan de Tour de France en dat risico is erg reëel als ze geen WorldTour meer zijn. Dat plotse besef staat haaks op eerdere grootsprakerige verklaringen dat de WorldTour geen must is, dat er ook wielerleven is zonder de Tour, en dat ze zich niet zouden laten verleiden door een amechtige jacht op puntjes.

Enkele maanden later klinkt het Lotto-verhaal helemaal anders. Nieuwbakken sponsor Dstny stond al meteen op de shirts in de voorbije Tour en sinds hun komst is het alle hens aan dek om de WorldTour te halen. Niet dat er op het WK geen punten te behalen zijn, maar wielrennen is nu eenmaal een sport van kopmannen en knechten en de Lotto-Soudal-renners zouden bij de grote jongens tweehonderd kilometer moeten werken voor Wout van Aert en Remco Evenepoel om dan af te stappen. Daarmee win je geen punten.

Campenaerts, in het verleden nooit te beroerd om zijn ploegleiding een veeg uit de pan te geven als zijn eigen doelen in het gedrang kwamen, ziet er geen graten in. “Ik sta 100 procent achter deze keuze”, liet hij in Het Nieuwsblad optekenen. Het klopt dat Campenaerts, Vermeersch en Wellens als waterdragers in de nationale selectie makkelijk te vervangen zijn.

Het verhaal van De Lie is totaal anders. Vanuit zijn hoek kwam weinig meer reactie dan “te begrijpen” terwijl juist zijn selectie haaks staat op alle sportieve logica. De Lie is amper twintig en nu al de veelwinnaar van de ploeg. Het parcours in Australië is hem op het lijf geschreven: lastig, maar hij kan dat aan, en in een uitgedunde groep is zijn kans op winst bijzonder groot. De Lie is bij de U23 topfavoriet om wereldkampioen te worden.

Een wereldtitel had een mooie aanvulling kunnen zijn op die negen profoverwinningen, zijn status van sterkste stijger in de profranking en zou het verdere verloop van zijn carrière en zijn verloning ten goede komen. Een mooie, rustige opbouw naar zo’n WK zou hem ook veel hebben geleerd over zichzelf en zijn capaciteiten. In plaats daarvan moet hij zo vaak als mogelijk in de meest onooglijke wedstrijdjes opdraven in de hoop in de punten te rijden.

De Belgische wielerbond zweeg zedig en “toonde begrip”. Veel, zo niet alles, heeft te maken met de systeemfouten in het Belgische wielrennen.

De Nationale Loterij subsidieert enerzijds Belgian Cycling en is anderzijds eigenaar van de ploeg Lotto-Soudal. Technisch gezien is er een verschil: het geld voor de wielerbond komt grotendeels uit de pot van de herverdeling van het gokgeld (wellicht, want transparantie daarrond is niet het sterke punt). Het geld voor de wielerploeg komt vanuit het marketingbudget waarmee de Nationale Loterij de bevolking wil aanzetten om nog meer te gokken. Conclusie: met haar marketingbudget ondergraaft de Nationale Loterij haar eigen goede doel, de Belgische sport beter maken.

Verbazingwekkend hoe weinig animo daarover is in de publieke opinie en bij uitbreiding onder politici. Verbazingwekkend dat niemand die baronie van de Nationale Loterij durft aan te pakken en de juiste vragen stelt.

Bijvoorbeeld of dat marketinggeld aan niks beters kan worden besteed dan aan het sponsoren van een wielerploeg die voor het grootste deel van zijn bestaan Belgen liet opdraven om de rode loper uit te rollen voor duur betaalde buitenlandse kopmannen die dan ook nog hun overwinningen gingen halen in het buitenland?

Bijvoorbeeld of de overheid, want dat is de Nationale Loterij, moet tussenkomen in een markt (het professionele wielrennen) zonder dat er sprake is van marktfalen. Met andere woorden, of het de opdracht is van de overheid om een team te sponsoren in een sport die geen gebrek heeft aan privésponsors terwijl andere sporten, waaronder het schromelijk verwaarloosde vrouwenwielrennen, die steun veel beter kunnen gebruiken.

Voor wat de Nationale Loterij of Lotto doet in het wielrennen geldt maar één kwalificatie: marktontwrichting.

Column over Nairo Quintana/Tramadol in De Morgen van zaterdag 20 augustus 2022

Hoe schoner, hoe vuiler

Met Nairo Quintana is nog eens een tweevoudige groterondewinnaar (Giro 2014, Vuelta 2016) en een tweevoudige runner-up van de Tour (2013, 2015) betrapt op een verboden middel. Weliswaar zes jaar na zijn laatste grote triomf, maar toch. Zo’n profiel dat tegen de lamp loopt, dat was toch al geleden van 2012 toen Alberto Contador retroactief overwinningen moest afstaan.

Quintana mag nog een schim zijn van zijn betere zelf, dit is een opdoffer voor de sport, niet min, niet meer. Een steen in de schoen ook van zijn ploeg Arkéa-Samsic, lid van de Mouvement pour un Cyclisme Crédible, de zelfverklaarde heiligen van peloton. Voor de Colombiaan is het misschien het einde van zijn carrière.

Quintana komt ervan af met een boete en schrapping uit de uitslag. Dat lijkt een lichte straf, maar de logica daarachter is dan weer dat zwaardere straffen juridisch aanvechtbaar zijn voor het Hof van Arbitrage voor Sport.

Tramadol is technisch gezien (nog) geen doping omdat het wereldantidopingagentschap WADA te lam, te lui, te laks (of een combinatie van dat alles) is/was om de duidelijke aanwijzingen van onheus gebruik om te zetten in een verbod, met daaraan gekoppeld een straf. De wereldwielerbond UCI vond die aanwijzingen wel duidelijk genoeg en heeft vanaf 2019 actief gezocht naar het middel dat bij ons vooral onder de merknaam Contramal wordt verkocht.

Het is een morfineachtige pijnstiller die tot de opioïden wordt gerekend. Zwaar spul met zombieachtige neveneffecten, dus niet geschikt om mee te fietsen. Toch vond men bij een steekproef meer dan tien jaar geleden dat meer dan vier op de honderd renners zich aan de tramadol hadden gewaagd. Die kwam er omdat klokkenluider Taylor Phinney had getuigd over buitensporig gebruik en dat had gekoppeld aan de vele valpartijen.

Dat was een misvatting. Tramadolgebruik is serieus verminderd, maar de valpartijen zijn gebleven. De reden voor gebruik is erg eenvoudig en gaat terug op de origine van doping: sporters lijden pijn bij zware inspanningen en alles wat die pijn vermindert (of minder doet lijken) is goed. Omwille van dat effect verdient tramadol een plaats op de dopinglijst. Het is onmiskenbaar een prestatiebevorderend middel.

Waarmee we bij de grijze zone van de dopingbestrijding zijn aanbeland. Alle pijnstillers of ontstekingsremmers hebben een prestatiebevorderend effect. Je wilt de atleten de kost niet geven die tot het gaatje gaan met de hulp van paracetamol (wielrennen) of ibuprofen, diclofenac, naproxen en aanverwanten (alle balsporten). Iedereen bij wie de pijn jaar na jaar vervelender gaat opspelen, komt vroeg of laat in de verleiding. Ook die middelen – pijnbestrijdend, dus prestatiebevorderend én ongezond – helpen en zadelen de sport op met een vervelende dilemma.

Door Quintana is de verleiding natuurlijk groot, dat is te begrijpen: weeral dat wielrennen, weeral die ‘doping’…Leren ze het daar nooit?

Nuance is op zijn plaats. Uit de preliminaire testing die heeft geleid tot de tramadolban (in wielrennen) is gebleken dat het middel ook in andere sporten wordt gebruikt. Alleen de UCI heeft besloten tot actie over te gaan en dat is niet de eerste keer. Als bewijs een historisch rijtje, citerend uit eigen eerder werk.

– In 1955 was de UCI de eerste bond die een soigneur schorste omdat hij zijn renners dopeerde.

– In de jaren zestig was de UCI de eerste bond om in de reglementen een artikel over doping op te nemen, om een medische commissie op te richten binnen de federatie (1964), om de aanbevelingen van de eerste internationale dopingconferentie over te nemen (1965), om een heel hoofdstuk van de reglementen aan doping te wijden, om als eerste urinestalen te analyseren (1966) en om een dopinglijst te publiceren en straffen uit te spreken. Veertien renners kregen in 1967 tussen 2.000 Franse francs boete en drie maanden schorsing.

– In 1996 was de UCI de eerste bond om bij zijn atleten bloed af te nemen.

– In 2001 was de UCI de eerste om de Franse epotest te gebruiken, tegen de wil van WADA.

– In 2007 was de UCI de eerste bond om het bloedpaspoort te gebruiken, tegen de wil van WADA.

– In 2009 was de UCI de eerste bond die stalen retroactief liet testen en een renner schorste.

– In 2019 testte de UCI als eerste op tramadol en vaardigde een eigen strafreglement uit, tegen de wil van WADA.

Hoe schoner het wielrennen probeert te worden, hoe vuiler het lijkt. Geen sport heeft meer gedaan om het dopingspook te bedwingen. Het goede nieuws in weerwil van het slechte nieuws zoals Quintana: wielrennen is op goede weg.

Column Veni, vidi, Popovici in De Morgen van dinsdag 16 augustus 2022

Veni, Vidi, Popovici

Zaterdag is dé sportprestatie van het jaar 2022 geleverd. In Rome, perfecte plaats. Door David Popovici, perfecte naam, perfecte atleet. Bijna alles klopte aan zijn honderd meter vrije slag: de eerste vijftig, de tweede vijftig (!), de start, het onderwaterwerk, het was de perfecte race. Resultaat: 46.86 en wereldrecord.

Wat klopte niet? Je moest zoeken om iets te zien van die honderdmetervrijslagfinale. Door niet te kiezen voor de European Championships in München, maar naar Rome uit te wijken, kreeg de Europese zwembond LEN maar minimale coverage en zo voltrok een historische sportprestatie zich in de quasi anonimiteit. Op Een was dat na middernacht.

Een tip voor wie in 2024 in Parijs sportgeschiedenis live wil meemaken: je kan naar het gymnastiek willen voor Nina, of naar het hockey voor de Belgian Lions/Panthers, zevenkamp voor de triple van Nafi desnoods, maar ding toch vooral mee naar tickets voor de finale van de 100 meter vrije slag. En ook voor de 200 meter. Dat worden koningsnummers op les Jeux Olympiques de Paris 2024.

David Popovici. 46.86 in 22.74 en 24.12. Laat dat even bezinken en bedenk dat een honderd meter zwemmen geen sprint is zoals de 100 meter op de atletiekbaan. Die duurt maar tien seconden en beroept zich op één energiesysteem: creatinefosfaat en ATP. Een honderd meter in het zwemmen maakt gebruik van het glycolysesysteem waarmee het lichaam onderweg ATP (adenosinetrifosfaat) aanmaakt zonder de hulp van zuurstof.

Beetje ingewikkeld misschien na die hete dagen, maar niet zonder belang. Het gevolg is dat het lichaam in razendsnel tempo een soort afvalstoffen als bijproduct aanmaakt, waardoor de inspanning steeds moeilijker vol te houden is. De honderd meter vrije slag is daarom te vergelijken met een 400 meter in de atletiek: het gaat om techniek, tactiek, balans, indeling en uiteraard de daarbij passende atletische capaciteiten.

De nieuwe wereldrecordhouder David Popovici is zeventien jaar. 17! Zijn wereldrecord is tegelijk een wereldrecord bij de juniores. Dat hebben alleen Michael Phelps en Ian Thorpe hem voorgedaan. Met alle respect voor die wereldzwemmers, zij deden het op de minder sterk bezette afstanden, niet in het koningsnummer.

Haal de beelden van het wereldrecord van Popovici erbij, desnoods op YouTube – TikTok was helemaal erg geweest – en bekijk de hele race: van het opkomen van de finalisten tot het gejuich achteraf. Iets wat u opvalt? Let op zijn lichaam. David Popovici is 1m90 en weegt 79 kg. Dat is Wout van Aert aan het eind van het crossseizoen.

Haal nu nog eens andere beelden op, bijvoorbeeld Cesar Cielo of Alain Bernard, wereldrecordhouders uit 2009. Beiden zijn minstens vijftien kilo zwaarder. En zoek dan naar Pieter van den Hoogenband uit 2000, 1m90 en 80 kilogram droog aan de haak. De zwemstijl van Popovici en VDH is haast identiek: die hoge elleboog, die lange slag, die amplitude, dat golvende van een orca. Popovici is één seconde sneller dan VDH. Hij is een betere starter en hij is leniger, waardoor hij sneller keert en beter is onder water.

Is Popovici dan VDH 2.0? Wat zie je als je Popovici ziet zwemmen? Dat appte ik zaterdag naar Van den Hoogenband. Hij zat op een zeilboot in Turkije met zijn gezin, maar binnen de minuut antwoordde hij. “Absoluut. Ik zie de pure zwemmer, genieten geblazen.”

Mijn data-obsessie kennende, voegde hij er een link aan toe naar een artikel over de honderd meter als evenwichtsoefening tussen hard afgaan en iets minder hard maar toch nog hard genoeg terugkeren. En onderweg ook nog eens alles goed doen. 24.12 op de tweede vijftig is ronduit fenomenaal, buitenaards, al helemaal als je de eerste vijftig onder de 23 draait.

Dat de Europese zwembond het Foro Italico in Rome had uitgekozen om in de volstrekte anonimiteit een EK te organiseren, was ongelukkig, maar er zat wel een aardige symboliek aan vast. Het wereldrecord van Cielo op de 100 meter vrije slag (46.91, 2009) werd ook in het Foro Italico gezwommen.

Alleen zwom Popovici zijn supertijd in een strakke zwembroek, net als Van den Hoogenband destijds. Cielo en Bernard, die eruit zagen als bodybuilders, deden het in Speedo-pakken die hun drijfvermogen aanzienlijk vergrootten. Ian Thorpe trok zelfs tot 2004 twee polyurethaanpakken boven elkaar aan, wat zijn prestaties in perspectief zet.

Tot zaterdag dateerden op één na alle wereldrecords op de vrije slag bij de mannen uit 2009 of vroeger. 2009 was het laatste jaar waarin de drijfpakken waren toegelaten. Popovici heeft als eerste de ban doorbroken. Nu nog de 200 meter vrije slag, waar de 1:42.00 van Paul Biedermann geldt als het scherpste wereldrecord ooit.

Column over Serena Williams in de Morgen van zaterdag 13 augustus 2022

De vleesgeworden uitzondering

Ze is aan haar afscheidstournee begonnen. Die zal kort en krachtig zijn, en daar moet zij zich gelukkig om prijzen. En wij ook. In Toronto ging ze er al in de tweede ronde uit tegen Belinda Bencic, twaalfde op de ranking: 6-2 en 6-4. Er was een staande ovatie en er vloeiden tranen. Nu volgen nog het toernooi in Cincinnati en dan de US Open, met ongetwijfeld meer tranen, en dan is het afgelopen. Dat liet ze eerder deze week weten middels een interview. In een modeblad.

Atypisch en toch wereldtop. Serena Williams deed in haar hele carrière ongeveer alles anders dan wat tot dan als het normale pad naar succes gold. Zij was de vleesgeworden uitzondering die de regel bevestigde. Een voorbeeld was ze niet. Williams is beter niet te volgen, en ook al niet te imiteren, zeker niet in deze übercorrecte tijden.

Opgegroeid in een achterstandswijk. Getraind en gecoacht in de meest cruciale fase van haar ontwikkeling door haar vader, die zelf nog moest leren wat voor sport tennis was en vooral niet was. In het circuit gestapt met een air van hier tot ginds. Samen met pa en ma, haar iets oudere en minder getalenteerde zus en een trouwe clan van familieleden en naasten.

Niks aantrekken van techniek, gratie, ook niet van de heersende zeden en gewoontes inzake kledij, maar gewoon in een tutu of een catsuit opdraven. Meppen en brullen en tieren en briesen tot de ballen juist vielen. Toernooien en hun publiek wegzetten als white trash, umpires uitschelden, uitgesloten worden (zoals tegen Kim Clijsters), tegenstanders kleineren, niks zeggen op persconferenties, maar evengoed lofzangen en diepere beschouwingen afsteken. Een comeback maken zonder noemenswaardige ranking en er meteen uitgaan op Wimbledon. Een afgang en dan plots was er dat interview in Vogue. “Ik drijf weg van het tennis.”

Vrouwentennis, zeg maar de hele vrouwensport, heeft nooit een atlete, een kampioene gekend als Serena Williams en dat zal ook nooit meer gebeuren. Het meest opvallende aan Williams was haar fysieke verschijning. Te dik volgens de algemeen aanvaarde fitheidsnormen van de topsport, ogenschijnlijk te veel kont en borsten om haar niet in de weg te zitten bij haar slagen en verplaatsingen.

Trainingsijver? Als het moest, maar ook niet overdreven veel. Dieet? Ook niet. En toch: ze was snel en krachtig en gedurende lange tijd in haar loopbaan had ze zelfs een goede fysieke conditie. Zoals zij die 25 jaar heeft kunnen volmaken, zonder erg veel blessures, was ze een freak of nature. Je kunt alleen maar gissen wat ze met een afgetraind lichaam nog meer had kunnen bereiken. Dan had ze ongetwijfeld die 24ste en 25ste grandslamtitel gewonnen. “Ik had er dertig kunnen winnen”, zei ze zelf.

Drieëntwintig en geen 24, het doet weinig af van haar aura. Dertig had daar even weinig aan toegevoegd. En toch is het jammer voor het tennis, voor de sport, voor de zwarte atlete in het algemeen en Williams in het bijzonder dat ze niet aan die 25 of meer is geraakt. Nu blijft de Australische Margaret Court de statistische nummer één aller tijden.

Behalve van die overwinningen op de vier grote toernooien is de Australische vooral bekend als wereldvreemde pastor van de conservatief-evangelische gemeenschap in Perth. In volle apartheid beweerde Court dat Zuid-Afrika het rassenprobleem beter aanpakte dan de VS. In 2017 legde ze nog uit dat het overaanbod lesbiennes in het tennis een soort besmetting was door lesbische koppels die andere jonge meisjes hadden meegesleurd in hun ‘perversiteit’. Transgenders zouden dan weer best een duiveluitdrijving krijgen.

Een jaar nadat Court die laatste onzin op de wereld los had gelaten, stond Williams in de finale van de US Open tegen een toen nog relatief onbekende Japans-Amerikaanse. Die zou zij, twee keer forser, met huid en haar opeten en Court evenaren, om later te verbeteren.

Niet dus. Het begon met een coaching violation. Vervolgens sloeg ze haar racket kapot na het verlies van een game op een dubbele fout. Tweede waarschuwing en automatisch een punt voor de tegenstander. Waarna ze de umpire ook nog eens een dief noemde en een derde waarschuwing kreeg, wat haar meteen een heel game kostte. Het werd 6-2 en 6-4 voor Naomi Osaka.

Williams zei dat haar bestraffing a gender thing was. De volgelingen van Williams vonden het a race thing. Niet slim. Williams, die tijdens en na haar zwangerschap geen bal over een net sloeg, had dat jaar toch 18 miljoen dollar verdiend en was de beste betaalde atlete gebleven. Betaald worden om niks te doen en te zijn wie je bent, dan pas overstijg je je sport, en heb je eigenlijk niet te klagen.

Column over Brittney Griner in De Morgen van maandag 8 augustus 2022

Dubbele nachtmerrie

De krant The New York Times publiceerde vorige week een foto van IK-1 of Strafkolonie Nr. 1 in Novoye Grishino, een stadje ten noorden van Moskou. Het is een vroeger weeshuis, omgebouwd tot gevangenis voor vrouwen. Daar wacht de basketbalster en basketbal-ster Brittney Griner op haar terugkeer naar de Verenigde Staten. De tweevoudig olympisch kampioene is 2,06 meter en slaapt er op een te korte matras.

Haar terugkeer is voor ten vroegste over een paar weken, en ten laatste over negen en een half jaar. Dat is de straf die Griner heeft gekregen omdat ze twee ampullen met cannabisolie in haar bagage had zitten toen ze op 17 februari vanuit de VS op Sjeremetjevo landde en niet naar Jekaterinenburg vloog maar achter de tralies.

17 februari was precies een week vóór Poetin besloot om Oekraïne een bezoekje te brengen in het kader van zijn speciale militaire operatie. De troepenopbouw en het spierballengerol waren dan al een tijd aan de gang.

Dat Griner en al die andere buitenlanders die in Rusland sportten toch zo lang mogelijk zijn gebleven of tegen een heikele geopolitieke achtergrond toch zijn teruggekeerd, heeft te maken met contractuele verplichtingen. Maar evenzeer met kortzichtigheid. In Rusland was veel geld te verdienen, het meeste geld van de hele wereld in haar sport.

De keuze voor Rusland was al langer discutabel. Het was al veel eerder dan 24 februari 2022 een nare dictatuur, en dat hebben
die sportsterren heel even vergeten om te kunnen cashen. Andere Amerikanen als Jamierra Faulkner, Epiphanny Prince en Becky Hammon gingen nog een stap verder en lieten zich tot Russische naturaliseren, per speciaal presidentieel decreet, en speelden zelfs met de Russische nationale ploeg.

Voor wie het belangrijk vindt: de eerste twee zijn zwart, Hammon is blank en zij kreeg destijds de meeste kritiek. Zij is nu coach van het WNBA-team in Las Vegas en sprak haar gruwel al uit over wat Griner is overkomen. Dat is ongetwijfeld een nachtmerrie, maar als je
in hetzelfde tasje als je vaper cannabis (weze het in olie) binnen probeert te smokkelen in een land dat bekendstaat als erg streng voor drugs, dan geldt hiervoor geen andere kwalificatie dan dom, dommer, domst.

De uitleg nadat ze schuldig had gepleit, dat ze de cannabisolie nodig had om haar blessures te verzachten, moest als verzachtende omstandigheid gelden, maar klinkt als onzin. Griner wilde op tijd en stond een beetje high worden in haar appartement in Jekaterinenburg. Niet meer, maar ook niet minder. Dat is verboden in het land van haar werkgever en dat had ze moeten weten. Of het negen en een half jaar gevangenis wettigt, doet niet ter zake. Tien jaar had ook gekund want dat was het maximumtarief voor haar vergrijp, en die Russische strafmaat heeft voor alle duidelijkheid niks te maken met de gruwel in Oekraïne.

De nachtmerrie is dubbel: voor Griner en voor de Amerikaanse regering. Een zwarte, openlijk lesbische Amerikaanse atlete – de eerste lesbienne met een Nike-contract – gevangen in een land dat een grondige hekel heeft aan alles wat ook maar ruikt naar, aldus de Russen, westerse verdorvenheid zoals homorechten en drugs, wat moet je daarmee als je Joe Biden bent?

Mevrouw Griner, Cherelle, heeft al geklaagd dat Biden niet genoeg doet. Je zal maar president van de VS zijn en dan het dossier- Griner op je bordje krijgen. Enerzijds wil je niet in een conflict betrokken worden, maar je levert toch wapens en logistieke steun tegen een vijand. Waarna je aan diezelfde vijand beleefd moet vragen om één van je staatsburgers eventjes te pardonneren, hoewel die een vergrijp heeft gepleegd en daarvoor is bestraft volgens de geldende regels van dat land.

Niet makkelijk, het dossier-Griner, niet voor Griner en sympathisanten, maar nog minder voor de Amerikaanse regering. Dat de VS er nu aan denken om een atlete die voor het bezit van cannabisolie is veroordeeld te ruilen voor de grootste illegale wapenhandelaar van de wereld is helemaal absurd.

Olympische kampioenen in de bak, dat is een uitzondering. Met uitzondering van Mamo Wolde, winnaar van de marathon in 1968 en politiek gevangene in Ethiopië, lijkt het inmiddels wel een Amerikaans specialisme. Marion Jones (2000) loog over doping en zat een jaar vast. Tim Montgomery (2000) kreeg vijf jaar voor het dealen van heroïne, net als sprinter Bob Hayes (1964, een jaar). Cassius Clay, later Muhammad Ali, moest ook vijf jaar brommen, maar zat geen dag. Griner heeft de twijfelachtige eer de eerste olympisch kampioene te zijn die gevangen zit in een ander en openlijk vijandig land.

Column over CDK in De Morgen van 6 augustus 2022

Alles om het te maken

Grappige gimmick was het, en tegelijk ook veelzeggend: het filmpje van Charles De Ketelaere die op een rode knop duwde telkens als zijn naam door Italianen fout werd uitgesproken. Het duurde ook even voor er iets te horen was dat leek op zijn naam. Dat is veelzeggend omdat de uitspraak van zijn naam nu eenmaal niet voetbalplanetair bekend is.

Of daar verandering in komt, is de vraag. Maar als één Belgisch talent de potentie heeft om uit te groeien tot een wereldvoetballer, dan De Ketelaere. Het is niet bekend of de harde kern van AC Milan zich daarvan bewust is. Evenmin of ze genoegen nemen met deze mercato.

Tot dusver gaf de Italiaanse kampioen 39 en nog wat miljoen euro uit aan transfers, waarvan 32 miljoen voor een Belg die de modale Milanees vast nog niet was opgevallen. Het management heeft wel nog een maandje natuurlijk, maar als de nieuwe Amerikaanse eigenaars met Milan omgaan zoals de Glazers ooit omgingen met Man United – zuinig, zuiniger, zuinigst en de winst afromen – zal het rood-zwarte kot snel te klein zijn.

De Ketelaere heeft deze week op training, zijn eerste training, gescoord. In een oefenpartijtje acht tegen acht. En hij zou vandaag substantiële speeltijd krijgen in l’ultima partita amichevole tegen Vicenza. Dat stond in een krant. Het directe bewijs dat de prestaties van De Ketelaere voortaan onder een vergrootglas worden bekeken en het indirecte bewijs dat in ons land veel te veel over sport wordt geschreven.

Zo kwamen we ook van alles te weten over de familie – die was donderdag alweer thuis – en kregen we in de sportkranten een promo- interview met de makelaars die maar één doel voor ogen hadden: niet het geld was belangrijk maar het welzijn van de speler die ze al van hun zestiende begeleiden en hebben behoed voor het kwade.

We leerden ook dat Jozefien in Milaan was gebleven. Jozefien is het lief van Charles. Kinderen zijn er (nog) niet, en of Charles en Jozefien een huisdier hebben is een goed bewaard geheim. Desgevallend zal dat te gepasten tijde ook in de media verschijnen.

Jozefien is 20 en De Ketelaere 21. Dat is jong voor mensenkinderen die in de 21ste eeuw zijn geboren. Jozefien en Charles, van hotel mama naar een echt hotel, een suite mogen we hopen. Daar zitten ze nu, in afwachting van een mooie flat allicht, hopelijk met dakterras, een ontspanninngsruimte voor de community mét zwembad, maar bovenal met een goede, stille warmtepomp. In Milaan kan het in de zomer bloedheet zijn, in de winter berekoud en in de tussenseizoenen kan het alle kanten op, vaak met mist. Het is ook te hopen dat Jozefien goed met de auto kan rijden. Milaan in de spits lijkt een beetje op Caïro.

De Ketelaere heeft alles om het te maken in Milaan, maar hij is als een IKEA-meubel: er moet zelf nog wel wat aan gebeuren. Een goede raad: als er eens een vijsje lijkt te ontbreken of een poot verkeerd is ingedraaid, vooral geen paniek. Het al of niet slagen van De Ketelaere is zoals het samenzetten van zo’n Zweedse kast, het is vooral een mentale kwestie.

De Ketelaere dicht men flair toe als hij voetbalt. Dat is geen flair, dat is zijn manier van bewegen. Dat gebeurt achteloos, moeiteloos, zonder veel verspilling van energie. Zijn oog-voetcoördinatie is exemplarisch. Vreemd genoeg had hij dat ook met oog-hand want De Ketelaere was ooit een begenadigd tennisspeler, een topper in wording. Daar is dus een gen(combinatie) aan het werk die we nog niet kennen.

De Ketelaere in beweging op een voetbalveld is altijd in balans. Speelt hij in de spits, dan is hij Marco van Basten: korte draai, vista, snelle trap, gepast weglopen. Speelt hij lager, dan is hij een fluïde aanvallende middenvelder die ziet wat de spits vóór hem van plan is en die de juiste pass verstuurt. Als hij dat een paar keer met Zlatan Ibrahimovic zou kunnen flikken – hem bedienen op het juiste moment met de juiste snelheid – dan is zijn broodje gebakken. Het is vooral te hopen dat ze hem bij Milan zo diep mogelijk voorin posteren.

Als De Ketelaere in het kampioenenteam van AC Milan doorbreekt en een plaats verwerft onder de zon van de Serie A doet hij beter dan alle andere Belgen, inclusief de zogeheten gouden generatie. Romelu Lukaku is dat niet gelukt, hij had veel omwegen nodig. Vincent Kompany evenmin, hij moest via Hamburg. Noem ze maar op: Eden Hazard via Lille en Kevin De Bruyne, waar heeft die overal niet gezeten voor hij aan de top van de voedselketen terechtkwam? De Ketelaere van de Gistelsesteenweg in Sint-Andries kan de eerste Belgische voetballer worden die vanuit de Belgische competitie onmiddellijk een factor wordt in een topteam.