Column Belgian Cats in De Morgen van zaterdag 12 september 2026

Belgian Cats

De Belgische katten zitten weer in hun mand en daar moeten we nog iets over kwijt. Weer een hype die we kunnen afstrepen. Er resten ons nu alleen nog de avonturen van Remcoooh en co. in Canada om ons onwijs druk over te maken.

Van (on)vervulde hypes gesproken: de beste teamprestaties van deze zomer kwamen van de Red Panthers, de nationale hockeyvrouwen, en van de Yellow Tigers, de nationale volleybalvrouwen. Die laatsten verloren weliswaar hun achtste finale op het EK van Duitsland, maar lieten eerder vlagen van grote klasse zien en klopten bijvoorbeeld Nederland. De toekomst oogt mooi voor die twee ploegen, minder voor de Belgian Cats.

Hun nederlaag donderdag in en tegen Duitsland was redelijk voorspelbaar. Voor-spel-baar, jawel. Dat las u nergens en dat komt vooral omdat de media niet langer over de grootste achtergrondkennis beschikken inzake basketbal en al helemaal niet goed weten hoe dat spelletje wordt gespeeld. Of in hun commentaar niet te kritisch willen klinken, dat kan ook.

Uit die proximity bias, vooringenomenheid door nabijheid, volgt een enthousiasmerend verhaal met allerlei citaten van speelsters, ex-speelsters en coach. Was het een beetje belachelijk om coach Mike ‘we go for gold’ Thibault te citeren? Ja en neen. Een Amerikaan gaat altijd voor goud.

Maar hadden we dat anders kunnen analyseren? Wellicht wel. Natuurlijk was het een ferme tegenvaller dat Duitsland in de eerste wedstrijd van het toernooi een oplawaai had gekregen van Spanje en daardoor in de barrages terechtkwam en via die extra wedstrijd de tegenstander van België werd.

Zo was Duitsland nog sterker geworden sinds de Spelen van Parijs en toen wonnen ze al met 83-69. In Lille, in een zaal gevuld met Belgen. Donderdag was het in Berlijn, in een zaal gevuld met Duitsers.

Iedereen die het spel basketbal een beetje kent, ziet meteen dat het Emma Meesseman en de rest is. Dat komt door de klasse van Meesseman, maar evengoed door het gebrek aan klasse en daadkracht van de rest. Als één speelster twee of drie verdedigers op haar nek krijgt, dan moet de rest gaan lopen en komen er boulevards richting de ring.

Die intelligentie zit niet in het team. Ook fysieke présence, die de laatste jaren steeds meer het verschil maakt, is niet van de Cats. Herbekijk de wedstrijd en analyseer het verschil in atletisch vermogen. Niet voor niets heeft Duitsland vier WNBA- waardige speelsters en België maar tweeënhalf, zijnde Julie Allemand, een halve Kyara Linskens en Meesseman. Die intelligentie moet onder meer van Julie Vanloo komen. De wedstrijd donderdag tegen Duitsland maakte pijnlijk duidelijk waarom ze haar in de WNBA naar huis hebben gestuurd: nooit stabiel. In basketbaltaal: a loose cannon.

In Lille in 2024 scoorde Meesseman 25 punten, in Berlijn donderdag 29 punten. In Lille was de Duitse ploeg op één naam na dezelfde. Sinds Lille heeft die Duitse bank zich ontwikkeld, de Belgische niet. Dat mag de basketbalbond zich aanrekenen.

De media verkijken zich al een tijdje op die Belgian Cats. Op de Spelen van 2024 kreeg je nog boze blikken toen je ook maar durfde te suggereren dat de wedstrijd tegen Japan (gewonnen met 27 punten, precies wat nodig was) een wonderbaarlijke Houdini-act was. Wonderbaarlijk en onwaarschijnlijk gold voor die hele Spelen. Hoe bestaat het anders dat je met twee overwinningen in zes wedstrijden toch nog om brons speelt?

Idem met die Europese titel van vorig jaar. Al het geluk dat van bovenaf is voorbehouden aan de Belgische nationale ploegen is in die ene wedstrijd helemaal opgebruikt door de Cats. De eerste Europese titel in 2023 was nog hun verdienste, die in 2025 was een geschenk van de Spanjaarden, die een schier onoverbrugbare voorsprong tegen België zelf weggaven.

De conclusie is even simpel als hard: België heeft in het vrouwenbasketbal een tijdje boven zijn gewicht gebokst. Dat was soms genieten en ook verschieten, maar dat is nu voorbij. De vijf starters zijn gemiddeld ouder dan 31. Herbronnen, vernieuwen en opnieuw opbouwen is de boodschap. De volgende afspraak is februari 2028, voor het olympische kwalificatietoernooi.

Laatste suggestie: misschien eens denken aan een jongere en dynamischer hoofdcoach die in België kan werken aan de opvolging. De speelsters van de Belgian Cats hebben hun WK gemist. Dat geldt nog meer voor Thibault. Toen het erop aankwam in deze alles-of-niets-wedstrijd, net als in de finale vorig jaar tegen Spanje, gaf die op geen enkel moment de indruk de coach te zijn die men in hem ziet.

Column Atletiekdemonen in De Morgen van maandag 7 september 2026

Atletiekdemonen

Na twee dagen Diamond League-finale blijft één gruwelijk finishbeeld steeds weer opduiken, jammer genoeg ook ’s nachts: de Belgische slotloopster die in de 4×100 meter voor influencers als een ziek nijlpaard over de meet hobbelt.

Meetingdirecteur (op papier) Kim Gevaert had vooraf aangekondigd dat ze dit een goed initiatief vond om de jeugd bij het evenement te betrekken. Dat verschoninkje was haar opgedragen door Golazo, zoals ongeveer alles op de Memorial Van Damme door de goelag van Bob Verbeeck wordt gestuurd.

Die hadden de cijfers na de Memorial 2025 ontleed en gezien dat het best gelezen artikel op de Sporza-site over de turborace ging. Die was een initiatief van Average Rob, eenmalig, zo werd breed gehoopt, maar dat was buiten Goelagzo en Supporza gerekend.

Ook in 2026 moest er zoiets komen en wat dan wel? De bierbrouwer-met-pornosnor wist raad: een WK 4×100 gemengd voor influencers. En zo geschiedde. Commentator David Naert (een sportjournalist, wellicht vandaar) kon nauwelijks zijn afgrijzen verbergen tijdens het rondje. Hij bleef ook sprakeloos bij de vraag voor welk event ze volgend jaar moesten gaan.

Een suggestie: speerwerpen waarbij elke influencer zijn/haar speer moet ophalen terwijl een andere gooit? Polsstokspringen zonder valmat? Conclusie: hou op met die onzin, hou het bij de sport. Atletiek heeft het lastig om als sport publieksrelevant te blijven, dat klopt, maar snelwandelen door vadsige egotrippers in een heiligdom voor halfgoden is niet de oplossing.

Hoe lastig dat atletiek het heeft om buiten de Olympische Spelen aantrekkelijk te blijven voor het grote publiek, daar hebben wij een verkeerd beeld van. Zowel vrijdag als zaterdag genoot een goed gevuld Koning Boudewijnstadion van lopende, springende en gooiende atleten, meestal behorend tot de besten van de wereld in hun specialisme.

De Memorial is inzake belangstelling een buitenbeentje. Het is na Londen de best bezochte meeting buiten de wereldkampioenschappen en de Olympische Spelen. Vijftig jaar traditie, vijftig jaar kwaliteit, het ene jaar en de ene datum al wat beter dan het andere, dat moet je verdienen, helemaal in een tanende sport zonder de grote sterren van weleer.

Atletiek wordt binnen de olympische familie van de wereldsportbonden niet langer beschouwd als de eerste sport. Inzake aantallen verkoopt het nog wel de meeste tickets, maar gymnastiek en zwemmen zullen in Los Angeles de grootste ticketopbrengsten laten noteren. Die tendens is al eventjes aan de gang. Atletiek werd na Rio 2016 als Tier 1-sport ingehaald door gymnastiek en zwemmen. Die drie bonden krijgen nu elk 40 miljoen dollar uit de olympische pot.

Atletiek vecht tegen vele demonen tegelijk. Het is een B-sport geworden onder de sporten en economisch misschien wel een C- of D-sport. De naamsponsor van de Diamond League is het Chinese Wanda, en de autosponsor is Zeekr, ook een Chinees merk. Verder is er nog Omega, de timekeeper, en daarmee houdt het op.

Andere uitdagingen zijn de verwachtingen van het publiek. In Brussel is dat grotendeels een festivalpubliek dat kickt op speciale acts en aparte prestaties. Er ging bijna geen jaar voorbij of de Memorial kondigde een wereldrecordpoging aan. Als die er al halfweg niet meer inzat, wat kon gebeuren want het zijn geen robots, verduidelijkte de speaker dat, kwestie van het publiek op de hoogte te houden.

En nog eens in drie talen, opdat de atleten beneden het ook zouden meekrijgen. Die pretbederver was Ivan Sonck, een journalist in hart en nieren en een echte kenner. Daarom moest hij weg van Golazo. Na hem kwamen publieksopjutters die van een dooie mus een zeearend maakten.

Misschien hebt u het gemerkt, maar het wereldrecord wordt al een tijdje niet meer geafficheerd tijdens de wedstrijd. Men heeft het nu over WL (world lead, of beste jaarprestatie) en MR (meetingrecord). Zo gaat het ook nog een beetje over world en record, maar in een andere context.

Gevaert kondigde dan ook niet zonder trots aan dat er maar liefst veertien meetingrecords waren verbroken over die twee dagen. Dat klinkt erg goed, maar die vier beste jaarprestaties zijn toch net iets waardevoller.

En dan is er nog die olifant in de kamer. Welke sport organiseert een week na haar Diamond League-finale nog eens een soort mini-WK met de acht tot zestien beste atleten per nummer? In The Ultimate, van vrijdag tot en met zondag in Boedapest, krijgt de winnaar 150.000 dollar, twee keer zoveel als op het WK en vijf keer zoveel als in de Diamond League. Nu weet u meteen waarom ‘Mondo’ Duplantis niet sprong in Brussel en wel straks in Boedapest.

Column Transfertranen in De Morgen van maandag 5 september 2026

Transfertranen

Eerder deze week verscheen een filmpje over ene Pablo García, een jeugdproduct van Real Betis, een club uit Sevilla. Pablo wordt door zijn moeder opgehaald bij de club en ze rijden weg. Zowel Pablo als zijn moeder zijn in tranen, want Pablo kan niet bij Real Betis blijven. Zijn club heeft hem moeten verkopen.

De speler is mij onbekend. Tussen haakjes: je mag er toch niet aan denken dat het je vak is om van elke voetballer met een marktwaarde van meer dan 5 miljoen euro de naam en de antecedenten te kennen, inclusief met welke voet hij ooit heeft gescoord tegen een derdeklasser in de eerste ronde van de beker.

Dus die onbekende soldaat García is op de laatste dag van de Spaanse transferperiode (1 september) inderhaast verkocht door Real Betis aan Racing Santander: van het zonnige zuiden, waar het in de winter vaak gewoon 20 graden is, 800 kilometer naar het noorden, naar Cantabrië, waar de wind altijd speelt en de regen altijd dreigt. Van een club die voor het eerst in twintig jaar in de Champions League speelt naar een club die pas is gepromoveerd.

Real Betis had geld nodig om aan de Spaanse Financial Fair Play-regels te voldoen. Die zijn strenger dan de Europese, al was het maar omdat de Spanjaarden proactief te werk gaan en op basis van budgettering meteen beperkingen kunnen opleggen, terwijl de UEFA achteraf controleert en eventueel straft.

In de commentaren onder de huilvideo is Javier Tebas de kop van Jut. Tebas is voorzitter van de Spaanse profliga en voorstander van een strenge knip op de portemonnee. Er worden verder vergelijkingen gemaakt die nergens toe leiden, zoals met de Premier League en hoeveel geld daar wordt gespendeerd aan spelers, en uiteraard ook met dat andere Real uit Madrid en met FC Barcelona.

Er is een simpele oplossing om die schrijnende/schreiende taferelen te vermijden. Elke speler tekent een contract en doet dat uit. Na het contract is de speler vrij. Er worden geen transfersommen betaald en elke club heeft recht op een vast aantal spelers in de profkern. Daarnaast komt er een salarisplafond dat voor alle clubs hetzelfde is. Het heeft het voordeel van de duidelijkheid.

Dat lijkt op het Amerikaanse systeem, inderdaad. Niet dat spelers dan niet meer worden gedwongen om te verhuizen – García bijvoorbeeld – want ook in de VS gebeuren vreemde toestanden. Herinner u de ruil in 2025 waarbij Luka Doncic van Dallas Mavericks naar Los Angeles Lakers ging en Anthony Davis de omgekeerde weg aflegde.

De NBA heeft dat voordeel van de duidelijkheid. Je wordt als speler gekozen door een team en door de competitie aan dat team toegewezen. Wie je ook overneemt (altijd in ruil voor een andere speler), die club moet je salaris blijven betalen.

Altijd oppassen met vergelijkingen met de NBA en de Amerikaanse gebruiken. In een verhaal over Belgische transfers werd voetbalmakelaar Stijn Francis aan het woord gelaten. Hij duidde – eerder vergoelijkte, want hij profiteert natuurlijk mee – de enorme sommen die dit jaar weer heen en weer gingen. En lulde daarbij nog geen klein beetje uit zijn nek.

Niet alleen dat, de grootste onzin die hij verkondigde werd dan nog eens in een citaat uitvergroot. Hij zei: “Premier League-clubs organiseren zich steeds meer zoals NBA-teams. Ze kopen talent strategisch in, in plaats van ad hoc op te treden.” Huh? Een dag later was het weer van dattum en mocht hij die vergelijking met de NBA komen herhalen bij de VRT.

Om bij het begin te beginnen: de NBA koopt geen spelers. De NBA haalt haar talent uit de draft, een doodeerlijk systeem waarbij de slechtst presterende teams van het vorige seizoen eerst mogen kiezen uit het beschikbare talent dat op school speelt.

Daarna worden die spelers (met een maximum van vijftien per kern) volgens hun dienstjaren in salarisschalen ondergebracht en krijgt elke club een salarisplafond. Wordt dat overschreden, dan betalen ze een boete (luxury tax) die kan oplopen tot 3 dollar per dollar die ze te veel betaalden. Golden State Warriors stortte in 2024 176 miljoen dollar in de NBA-pot, dat was de luxury tax op een salarisplafond van 136 miljoen dollar die het met bijna 60 miljoen had overschreden. Wordt er gefoefeld met verdoken salaris, dan volgen straffen. Zoek naar ‘Clippers salary cap violation’ en dan weet je het.

NBA-ploegen kunnen spelers wisselen en daarbij kan cash worden ingezet. Per seizoen per club mag maximaal 8,5 miljoen dollar worden gebruikt als smeermiddel om ruilen mogelijk te maken. En zo kunnen we nog een tijdje doorgaan. De conclusie: het Europese transfersysteem is en blijft een moderne slavenhandel. Vijftig jaar geleden is die in de VS afgeschaft en vervangen door een financieel eerlijk en menswaardig economisch model.

Column Top Dogs in De Morgen van maandag 31 augustus 2026

Top Dogs

Was dat jinxen, dat Vraagje aan AI deze week? “Welke atleet (m/v) heeft de grootste dominantie aan de dag gelegd in de sport?”

Er kwamen een aantal namen voorbij: Eddy Merckx, Usain Bolt, Michael Phelps, Simone Biles, Novak Djokovic, Serena Williams, Tiger Woods, Michael Jordan, Aleksandr Karelin, Esther Vergeer, Wayne Gretzky, Don Bradman, Mikaela Shiffrin en Eliud Kipchoge.

Ik kende ze allemaal (een opluchting) maar wat met u?

Aleksandr Karelin? Dat was een worstelaar en nu is hij senator in de Russische Federatieraad, op vraag van Vladimir Poetin van wie hij een grote fan is. Mag die…? Ja: dertien jaar internationaal ongeslagen, nooit verloren op een WK, drie opeenvolgende olympische titels, negen wereldtitels en zes jaar lang geen punt tegengekregen.

Don Bradman? Wellicht nooit van gehoord. Ik ook niet, tot ik drie jaar op rij een maand in Australië verbleef en daar is Bradman een soort heilige. Was, want hij overleed in 2001 op 92-jarige leeftijd. Bradman was een cricketer met een gemiddelde van 99,94 in test cricket. De nummer twee aller tijden zit rond 61.

Een betere vraag was geweest: wie was na 1980 het meest dominant in een professionele sport? Bradman speelde tot 1948. Margaret Court speelde dan weer tennis tot 1977. Schrappen dus. Esther Vergeer ken ik ook. Ook tennis, maar in een rolstoel. Jammer voor de fans van inclusie, maar in de sport kijken we toch vooral naar de buitenbeentjes, helemaal aan de rechterkant van de klokcurve. Djokovic zit daar ook, maar verloor toch geregeld van ofwel Nadal, ofwel Federer.

Ik miste nog een naam, een squashspeler die ooit president van Pakistan was, maar kon niet op zijn naam komen. Bij een extra vraagje over een dominantie-index dook die ineens wel op. Jahangir Khan natuurlijk, 555 opeenvolgende wedstrijden gewonnen. Overigens is Jahangir nooit president van zijn land geweest, wel de cricketer Imran, ook een Khan. Fout draadje in de memorie.

Teamsporters zijn lastige klanten om te rangschikken, maar er kan natuurlijk geen discussie bestaan over de meest tot de verbeelding sprekende sportman aller tijden als het gaat om palmares, prestaties en charisma: Michael Jordan is de top dog onder de top dogs.

Michael Phelps, heel knap, daar niet van. 23 olympische gouden medailles is een record dat nooit meer zal worden verbeterd, maar het koningsnummer van de 100 meter vrije slag liet hij wel aan zich voorbijgaan.

Simone Biles was wel een allrounder. Zij verzette bakens in haar sport, zowel inzake de afstand tot de concurrentie als de moeilijkheidsgraad. Ze vond ook haar sport opnieuw uit, maar gaf in Tokio niet thuis vanwege mentale problemen. Alleen al daarom zal een deel van het hedendaagse publiek haar op één zetten. Niet hier, voor sentiment bestaan andere rubrieken.

Usain Bolt, dat was wel wat. Acht keer olympisch goud en elf keer wereldkampioen, maar vooral die ongeëvenaarde foto’s van zijn aankomstlijn. Hij alleen en soms tot een meter of vijf achter hem een tros andere zwarte jongens, die ook hun stinkende best hadden gedaan om zo rap mogelijk te lopen.

En dan hebben we Eddy Merckx, door onze Belgische bril bekeken een goede zaak dat die er bij staat. In zijn topjaren won hij bijna één op drie wedstrijden waar hij aan de start stond en dat in een sport waarin ook de allerbesten meer verliezen dan ze winnen.

Doorgaans meer verliezen moet dat zijn en nadat ik dat allemaal had gelezen vroeg ik ChatGPT: en wat met Tadej Pogacar?

Het antwoord kwam snel. “Heel juist, die hoort ook in de top tien.” AI verklaarde: “Pogacar is nog niet klaar maar ik wil mijn ranking volgens de dominantie-index aanpassen…” Plots stond Tadej Pogacar op vijf, en verwees hij Eddy Merckx naar zes.

De vergelijking van sporten houdt weinig steek, maar binnen een sport kan het wel, zolang de periodes min of meer gelijklopen. De vraag “wie is de beste wielrenner aller tijden, Merckx of Pogacar?” is daarom niet te beantwoorden. Kijk je evenwel naar pure dominantie, dan is de Sloveen Merckx al lang ontgroeid.

Toen Merckx koerste waren er anderen die hem het vuur aan de schenen legden, die hun kans gingen en die hem af en toe ook klopten. Vandaag rijdt Pogacar een wedstrijdje buiten categorie en rijden al die anderen hun eigen wedstrijd. Hij wint waar en hoe hij dat wil. Tenzij een onverwachte val over een onverwachte steen zoals eergisteren.

Wie tweede wordt na Pogacar of wint zonder hem, bijvoorbeeld in deze Vuelta of op het aanstaande WK, zal altijd denken: we waren de beste van de rest en dat is ook een beetje winnen. Zowel fysiek als mentaal, nooit heeft een sporter zijn concurrenten meer gedomineerd. Laten we hopen dat we hem snel terugzien.

Column De flop Diarra in De Morgen van zaterdag 29 augustus 2026

De flop Diarra

Een bedrag van 140 miljoen euro dat kan oplopen tot 168 miljoen. Dat zal Liverpool naar Parijs overmaken voor de komst van Bradley Barcola. En dat voor een speler die noch bij zijn club, noch bij de nationale ploeg op een vaste basisplek kon rekenen.

2026 zal alle records breken. En 2026 komt na 2025, dat ook al een recordjaar was met 12,4 miljard euro aan transfers. En 2025 kwam na 2024, het jaar waarin het Europese Hof van Justitie oordeelde in de zaak-Lassana Diarra en bepaalde dat de FIFA-regels over contractbreuk en transfers strijdig waren met het Europese recht.

Wie toen victorie kraaide dat de betaalde transfer op zijn laatste benen liep, buigt nu deemoedig het hoofd, ondergetekende op kop. De zaak-Diarra blijkt twee jaar later een storm in een glas water. Conclusie: de macht en de economische logica van het moderne voetbal waren te sterk.

Even leek het erop dat Diarra het transfersysteem zelf illegaal had verklaard. Niet dus. De uitspraak ging over het beëindigen van een contract zonder geldige reden en de bestraffingen die daaruit volgden, waardoor het vrije verkeer van werknemers en de concurrentie tussen clubs in het gedrang kwam. De aanname dat het arrest een hoeksteen onderuit zou halen waardoor het hele systeem in elkaar zou storten, blijkt achteraf fout.

Een transfervergoeding is geen boete maar een prijs voor het beëindigen van een bestaande arbeidsrelatie. Een club heeft een speler onder contract en bezit daarmee een economisch recht: het recht om hem gedurende een bepaalde periode te laten voetballen. Wil een andere club hem vóór het einde van dat contract, dan wordt onderhandeld over een vergoeding. Dat principe is gebleven.

Het was heel slim van de FIFA om na het arrest niet de hakken in het zand te zetten zoals de UEFA destijds met de zaak-Bosman. De FIFA heeft de clubs en de spelersvakbond bij de zaak betrokken en de regelgeving aangepast. Vanaf 1 januari 2027 wordt die van kracht. De planeet voetbal – dat zijn de bonden, de clubs en de spelers – heeft het arrest geabsorbeerd.

Sommige partijen hebben zelfs geabdiceerd: in een memorandum van overeenstemming heeft de Fifpro toegezegd niet meer tegen de FIFA te zullen procederen of andere procedures te ondersteunen. Of hoe de spelersvakbond in ruil voor erkenning aan de onderhandelingstafel een groot stuk van zijn slagkracht heeft ingeleverd.

De echte reden dat de zaak-Diarra niet het voorspelde effect heeft gehad, is het ecosysteem voetbal. Clubs willen betalen en ontvangen, spelers willen verhuizen, makelaars willen cashen: iedereen in het voetbal is gebaat bij de betaalde transfer, een eufemisme voor mensenhandel. Het transfersysteem bestaat in de eerste plaats omdat rijke clubs bereid zijn honderden miljoenen uit te geven aan spelers. De paradox van de zaak-Diarra is dat de macht van de speler is vergroot zonder de transfermarkt te vernietigen.

De topspeler is tegelijk sportief kapitaal, marketinginstrument, televisie-aantrekker, merkambassadeur en potentiële bron van toekomstige transferinkomsten. Wie 100 miljoen euro betaalt voor een speler, koopt niet alleen zijn benen. Hij koopt ook doelpunten, Champions League-kansen, shirtverkoop, internationale uitstraling en soms de mogelijkheid om hem later voor nog meer geld te verkopen.

De transfermarkt is daardoor geen normale arbeidsmarkt. De prijs wordt bepaald door schaarste. Er zijn maar weinig spelers die het niveau hebben om een absolute topclub beter te maken. En nog minder spelers zijn op het moment beschikbaar dat zo’n club ze nodig heeft.

Daar komt de enorme financiële groei van het voetbal bovenop. De Europese topclubs opereren in een economie waarin televisiecontracten, commerciële inkomsten, stadioninkomsten en investeringskapitaal samenkomen. Een transfersom van 100 miljoen euro lijkt astronomisch, maar voor een club met honderden miljoenen jaarlijkse inkomsten is het een investering die over meerdere boekjaren kan worden afgeschreven. Dat verklaart ook waarom het ene transferrecord het andere opvolgt.

Tegenwind is nog steeds te verwachten, bijvoorbeeld van de tijdelijke vereniging Justice for Players. Waar alle partijen van de nieuwe regeling graag de spons over het verleden halen, wil Justice for Players een schadevergoeding voor spelers die tussen 2001 en 2024 onrechtmatig zijn tegengehouden. Evenmin komt de nieuwe regeling tegemoet aan de eisen van de EU, die stellen dat een werknemer van werkgever kan veranderen als hij de restwaarde van zijn contract afkoopt. In het voetbal liggen die afkoopsommen nog steeds veel hoger.

Ooit wordt de betaalde transfer een relict uit het verleden, maar morgen nog niet.

Column De Vertaler in De Morgen van maandag 24 augustus 2026

De Vertaler

Real Madrid heeft deze zomer 240 miljoen euro uitgegeven, maar hun grootste transfer zit op de bank en zal daar nooit afkomen, tenzij om zich druk te maken. De terugkeer van José Mourinho dertien jaar nadat hij Bernabéu door de achterpoort had moeten verlaten, was het grootste nieuws van de voorbije mercato in Spanje.

In die dertien jaar werd José Mourinho grijzer en ouder, wijzer dat valt nog te bezien. Het Estadio Santiago Bernabéu daarentegen oogt jonger en frisser, heet nu officieel Bernabéu na een grondige verbouwing. De inmiddels 63-jarige Mourinho komt terug in een vernieuwd huis, maar de club blijft dezelfde en de eisen ook: kampioen spelen.

Real en Mourinho jagen de schaduw na van wat ze ooit waren: een club en een trainer aan de top van de voetbalvoedselketen. Real Madrid won zeven Spaanse titels de laatste twintig jaar tegenover elf voor Barcelona, dat drie van de laatste vier jaargangen van La Liga naar zich toetrok.

Zaterdagavond begon de Spaanse competitie en Real moest meteen naar het gehate Barcelona, weze het dan naar het kleine broertje Español. Het werd daar voor de sterrenplejade van de Merengues geen gezondheidswandeling en de 1-2 in de 90ste minuut was gevleid. Zoals een – toch wel – wijze Mourinho achteraf cryptisch stelde: “Ik denk dat wij verdienden te winnen, maar Español verdiende niet te verliezen.”

Is Mourinho de toptrainer die men er ooit van maakte, die overal prijzen won, maar ook overal binnen de drie jaar aan de deur werd gezet? Spelers beter maken is nooit zijn ding geweest. Bijzondere vindingen op het veld – denk aan tactiek – evenmin. Zijn bekendste tactiek was de bus parkeren.

Spelers op de zenuwen werken dan weer wel. Vraag maar aan doelman Iker Casillas, die niet mee wilde in zijn oorlogje tegen FC Barcelona, en daarom als verrader werd gelabeld. Spelers vertrouwen geven kon hij ook, en dat moet je Eden Hazard vragen. Die speelde zich de ziel uit het lijf omdat Mourinho hem een dag vrijaf had beloofd.

Van zijn eerste grote ploeg waarmee hij een prijs haalde – FC Porto – maakte hij een geheel. Die Champions League winnen met dat kleine clubje ten koste van al die Europese grootheden, is nog steeds zijn grootste prestatie ooit. Er stond een team: één voor allen en allen voor één. Later herhaalde hij dat kunstje nog wel een paar keer, maar nooit voor lang. Real Madrid is Porto niet, en ook niet Inter Milaan, maar als hij erin slaagt om de NV’tjes op noppen in een tijdelijk samenwerkingsverband te duwen, zal hij beter doen dan Carlo Ancelotti, Xabi Alonso en Alvaro Arbeloa de laatste twee jaar.

Zijn palmares laat vermoeden dat hij al een tijdje over de top is. Hij heeft acht landstitels, maar de laatste dateert alweer van 2015 met Chelsea. Hij werd Manager van het Jaar in Engeland, kreeg vier seizoenen extra op zijn contract en in december gooide toen nog eigenaar Roman Abramovitsj hem buiten.

Nadien volgde een odyssee langs Manchester (zesde, maar wel Europa League gewonnen), Tottenham Hotspur, AS Roma (Conference League gewonnen), Fenerbahce en Benfica. Opvallende rode draad in zijn loopbaan: als een club hem een flinke contractverlenging gaf, ging het in het daaropvolgende seizoen geheid mis, waarna die club hem enkele maanden later aan de deur zette.

Op Netflix is een driedelige serie te zien over leven en vroege werken van José Mourinho. In welke mate de samenstellers totale vrijheid kregen, is niet heel duidelijk. Ook niet in welke mate elke rare reactie van Mourinho op pikante vragen niet gescript is. Over het geheel genomen biedt Mourinho een interessante inkijk in de psyche van een trainer die nu aan zijn achttiende club toe is, inclusief dubbele passages bij Chelsea en Real.

Het wordt vrij duidelijk dat er een Mourinho is voor het trainingsveld, een Mourinho voor het speelveld en een Mourinho daarbuiten. “Ik ben niet aardig”, geeft hij toe. Niemand die het tegendeel zou beweren. “Ik ben trots, alles voor het resultaat.” Ook dat is geweten.

Door alle Mourinho’s heen loopt één constante: frustratie en eerzucht. De club van zijn hart was ooit FC Barcelona, waar hij vijf seizoenen assistent was. Toen Barça in 2008 na zijn eerste ontslag bij Chelsea niet voor hem maar wel voor Pep Guardiola koos, werd de liefde viscerale haat.

Dat ze hem bij Barcelona sindsdien aanduiden met ‘de vertaler’, daar wordt hij helemaal doodziek van. Toen ik Louis van Gaal in 1998 in Barcelona interviewde, was het de jonge Mourinho die de training leidde en het boerenkoolspaans van Louis verstaanbaar maakte. Een vertaler, maar veel meer dan dat.

Column Zonnedoden in De Morgen van zaterdag 22 augustus 2026

Zonnedoden

Problemen moet je aankaarten als ze zich voordoen, zei een eerste minister. Goed bestuur is ook problemen aankaarten nadat ze zich hebben voorgedaan, alleen al om er met een beetje afstand te kunnen naar kijken.

Neem nu de klimaatverandering/verstoring/opwarming – te schrappen volgens uw religie. Ik tik deze column op vrijdagochtend, in de hoop dat de buien nog wat uitblijven en ik vandaag nog eens op de fiets kan. Een week geleden zat ik om halfacht op de fiets en kwam om tien uur badend in het zweet thuis.

Met de koelte en de regen weer in ons leven is het tijd om te reflecteren op de steeds hetere en drogere zomers en, aangezien deze column over sport gaat, op wat dat met een sporterslichaam doet. Afgeleide vraagstelling: is het wel nog verstandig om in de zomer grote sportcompetities te laten doorgaan? En zo ja, kiezen we dan niet beter een beetje koelere plek?

Wat de hitte met een lichaam doet, is bekend, maar ook weer niet helemaal. Bijvoorbeeld is het niet zo eenduidig hoe warmte inwerkt op onze hersenen bij zware inspanningen. Een lichaam heeft een aantal barrières om zichzelf tegen uitputting te beschermen. Zo word je vanuit het centrale zenuwstelsel sneller moe gemeld dan je eigenlijk bent.

Topsporters kunnen die vermoeidheid een stukje negeren, denk aan Mathieu van der Poel in de laatste rechte lijn op de Champs-Élysées. Toch zal Van der Poel of een ander zichzelf niet in de vernieling rijden. Met medicatie (doping) misschien wel, maar hitte heeft dezelfde werking: het brein, dat stop zou moeten zeggen, wordt als het ware bedrogen en bedriegt uiteindelijk het lichaam.

Een zonneslag is nog te managen en geeft hoofdpijn en duizeligheid. Een hitteslag is een extreme oververhitting van het lichaam, dat op den duur niet meer zweet (afkoelingsmechanisme), met bewusteloosheid en soms de dood tot gevolg.

Dit jaar zagen we verschillende sporters die er de brui aan gaven door de hitte. In het tennis waren er Jekaterina Aleksandrova en Jakub Mensik, die in Memphis en Parijs flauwvielen op het court. Jannik Sinner gaf in Parijs ook een gewonnen wedstrijd in de tweede ronde zomaar uit handen op een bloedheet centercourt. Nu is de roodharige bleekhuid Sinner, opgegroeid in de Dolomieten, geen fan van hete temperaturen, zo bleek eerder dit jaar al in Australië.

Tennis is een wandeling vergeleken met wielrennen, maar wel een sport waarin de zon de hele wedstrijd ongenadig schijnt zonder ook maar enige afkoeling. Wielrenners rijden af en toe in de schaduw en creëren een eigen luchtstroom door de snelheid. Toch vond Tom Pidcock de voorbije Tour de France een oorlogsgebied door de hitte. Het was een wonder waar al die teams elke dag weer hun enorme hoeveelheden ijs vandaan haalden en hoe ze dat logistiek regelden om die bij de renners te krijgen.

En dan is er nog Ilgiz Tantasjev in het voetbal. Dat is de ref die op de voorbije World Cup tijdens Frankrijk-Paraguay de gruwelijke overtredingen van de Zuid-Amerikanen onbestraft liet met kaarten. Achteraf bleek uit zijn wearable dat zijn lichaamstemperatuur 39,3 graden bedroeg en zijn hittestress-index op 6,7 piekte, waarbij 3 als hoog en 7 als gevaarlijk geldt.

World Cups en Olympische Spelen krijgen al langer het verwijt dat ze landen opzoeken op tijdstippen in het seizoen waarop het te heet is om te kunnen presteren. Komt daar nu nog eens bij: de discussie over de maatschappelijke kosten van een event in de hitte en de ecologische voetafdruk van door airco gekoelde stadions.

Wie zich ergerde aan of zich vrolijk maakte over die drankpauzes in het voetbal halverwege elke helft denkt beter eens na. Het is voor een sportlichaam welgekomen om elk half uur de tekorten aan te vullen, zelfs bij vrieskou. Dat de commercie daar ook brood in ziet, welaan dan, waarom niet?

Het is geen toeval dat we pas de laatste jaren horen over de weldaden van hittetraining, maar of dat zal volstaan om de steeds extremere temperaturen te trotseren, is maar zeer de vraag.

Uitwijken naar een ander moment of seizoen is nog niet vaak vertoond. De World Cup in 2022 in Qatar was daarop een uitzondering. Benieuwd wat ze met de editie van 2034 in Saudi-Arabië zullen doen.

Wat de Tour de France betreft, hebben organisator ASO, de Franse regering en de hele Franse bevolking al laten weten dat juli de maand van de Tour blijft. Zonnedoden zijn er niet gevallen, nog niet, maar volgens specialisten lijkt dat een kwestie van tijd. Al heeft wielrennen geen hitte nodig om op tijd en stond een slachtoffer te eisen. Eén ongeduldige autobestuurder volstaat.

Update: het is bijna middag en daar zijn de donkergrijze wolken.

ColumnBelgisch verhaal in De Morgen van maandag 17 augustus 2026

Belgisch verhaal

Tenzij de aflossingsploegen gisterenavond alsnog via een of meerdere ministuntjes het medailletotaal wisten aan te dikken, of wie weet Ben Bol-Broeders eindelijk een keer echt hoog sprong, eindigt de XXL-ploeg van Belgian Athletics op de Europese atletiekkampioenschappen in Birmingham net binnen de beste twintig landen.

Vier medailles (drie keer brons en een keer zilver) zou je beschamend kunnen noemen vergeleken bij het EK van 2024, toen zes medailles werden behaald waarvan drie keer goud. Maar het is dan wel weer beter dan het EK van 2022, toen maar twee medailles werden gewonnen. België heeft af en toe een uitschieter, doet het goed in de aflossingen en heeft/had af en toe een wereldtopper, maar er is meer nodig om van een prestatiecultuur te spreken.

Als hét verhaal van dit EK het zilver van Saliyya Guisse is, heb je als sportland problemen. Dat begint met het nummer. Hink-stap-springen is een van de zwakst bezette kampnummers. Niet alleen omdat het een aanslag is op enkels, knieën en heupen met gegarandeerde blessures voor gevolg. Er moet al iets vreselijks gebeurd zijn in je jeugd om je aan de ‘driesprong’ te wagen, maar meestal is het gewoon omdat het echte verspringen niet zo best lukte.

Dat Belgische verhaal, dat nog wel wat stof zal doen opwaaien, is natuurlijk de eerst niet- en dan wel-selectie van Guisse. Het was een foute inschatting van de nationale selectiecommissie om boven op de Europese nog extrastrenge nationale normen op te leggen.

Een selectie van een internationale sportbond niet honoreren komt neer op een vorm van beroepsverbod en een sportieve degradatie van het evenement. Die stelling wordt op deze plek al gehuldigd sinds de tennissers Olivier Rochus en Steve Darcis in 2008 het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité voor de rechter sleepten omdat dat strengere normen hanteerde dan de internationale tennisbond ITF.

Belgian Athletics wilde meer kwaliteit in de selectie en minder toerisme. Dat is lovenswaardig, maar er zijn altijd atleten die internationaal ineens boven zichzelf uitstijgen. Of Guisse ooit nog eens een halve meter verder zal springen dan haar persoonlijk record (weliswaar met rugwind), valt te betwijfelen, maar ze heeft het geflikt en won zilver.

Was ze niet alsnog naar Birmingham gestuurd omdat de atletiekbond sprinter Simon Verherstraeten (die ook brons behaalde) delibereerde, waarna protest kwam van de andere atleten die ook aan de internationale norm hadden voldaan, dan had België maar drie bronzen medailles gehad.

Atleten selecteren is één. Het is niet aan de technici om te beslissen wie naar een kampioenschap mag (Europees, wereld- of olympisch). Atleten ondersteunen is een ander verhaal. Het behoort de technici wel toe om meer in de ene atleet en dat ene project te geloven dan in het andere en overeenkomstig te ondersteunen.

Hard gesteld: in jou geloven we niet, maar je mag gaan en – kijk eens – je krijgt zelfs een bed en eten en de minimale ondersteuning. Dat zo’n lelijk eendje in de selectie dan af en toe boven zichzelf uitstijgt, al was het maar uit rancune, is mooi meegenomen. Zo gaat dat ook in ploegsporten met spelers die uit de selectie vallen.

Het probleem ligt elders. Een EK in deze vorm wordt gedevalueerd door het ellenlange programma met series, halve finales en finales. Een EK in vier dagen moet ook kunnen. Voor de meeste nummers volstaan zestien atleten, voor de marathon mogen dat er iets meer zijn.

Een EK in Birmingham is helemaal een misdaad. Het is de tweede stad van het Verenigd Koninkrijk, maar niemand blijft uit vrije wil in Birmingham wonen. Niemand gaat er ook uit vrije wil een weekje kijken naar atletiek in een winderig en deels onoverdekt stadion. Vandaar vaak lege tribunes en gisterenochtend zo goed als lege straten voor de marathon.

Overigens is het goed om dat soort internationale evenementen aan hun sportieve waarde te toetsen om je topsportbeleid bij te sturen. Een EK atletiek stelt mondiaal niet zo heel veel voor. Op de laatste Olympische Spelen werden zowel bij de mannen als de vrouwen telkens maar vijf van de 23 disciplines gewonnen door Europeanen, onder wie atleten van Afrikaanse origine.

Als de wereld de maatstaf is, doet zwemmen het een stuk beter en in die sport was tot gisteren ook een EK aan de gang. Om correct te zijn, mannenzwemmen: twaalf van de zeventien nummers in Parijs in 2024 werden door Europeanen gewonnen. Bij de vrouwen waren dat er slechts twee. Maar die Roos Vanotterdijk ‘van ons’, met haar Europese titel op de 100 meter vlinder, is wel van mondiaal niveau.

Column Graaierij en Potverteerderij in De Morgen van vrijdag 14 augustus 2026

Graaierij en potverteerderij

De basketbalclub Los Angeles Lakers is verkocht. Alweer. Veertien maanden nadat de Buss-familie (heerlijk getypeerd in de sitcom Running Point op Netflix) de hele Lakers-handel verkocht voor 10 miljard dollar aan ene Mark Walter, heeft die laatste zijn droomclub doorverkocht voor 12,5 miljard.

Dat las, hoorde of zag u niet in uw favoriete media, en dat was een onderschatting van de nieuwswaarde. Niet dát de iconische Lakers zijn verkocht, maar aan wíé, dat was het nieuws. De koper namens zijn investeringsmaatschappij Thrive Capital heet Joshua Kushner, de broer van Jared, die dan weer de schoonzoon is van Donald Trump.

En als de naam Joshua Kushner een belletje doet rinkelen, jawel, dat is die investeerder die door zakenbank JPMorgan Chase was gevonden om de gedeeltelijke privatisering van de FIFA World Cup gestalte te geven. Nu dat plan van FIFA-keizer Gianni Infantino de eerstkomende tijd niet doorgaat – ooit wel in andere vorm, let maar op – heeft Kushner zijn vizier anders afgesteld.

Opvallend aan die hele verkoop, die als de duurste ooit geldt in de mondiale sport, is dat de verkoper wellicht moest verkopen. Mark Walter is geen onbekende. Naast de honkbalclub Los Angeles Dodgers zit nog 12,8 procent van Chelsea FC in de Premier League in zijn portefeuille. Walter is nu voorwerp van een federaal fraudeonderzoek naar misstanden met verzekeringen en leningen.

Twee van de grootste nieuwsitems in de sport, noem het maar sportschandalen, zijn aan elkaar gelinkt. Dat is de mooie wereld waarin wij spelen, leven en waarover we berichten. Op het niveau van de fans is sport een spel. Op het niveau van de eigenaars is sport een vermogenscategorie. Maak een lijstje van de eigenaars van de grote sportfranchises (correcter dan ‘clubs’) en je komt altijd weer dezelfde namen tegen.

Tot die wereld wilde Infantino behoren met zijn FIFA World Cup en zijn FIFA Fast Forward Enterprise. Nu we hier weer zijn, hoe zou het met de Italiaanse Zwitser zijn? Zou die al één goeie nacht hebben gehad de voorbije twee weken?

Wie denkt dat hij op zijn laatste benen loopt, dwaalt. De steun vanuit Zuid-Amerika en Afrika is onvoorwaardelijk. Uit die hoek krijgt hij nu applaus om een plan af te voeren waarmee hij een deel van de FIFA-inkomsten zou hebben geprivatiseerd. Dat het plan uit zijn koker kwam en alleen uit die van hem, waarna fel protest volgde en hij het plan weer introk, wordt nu geprezen als sterk leiderschap.

Cognitieve dissonantie, of noem het een gebrek aan waarden: het is des voetbals. De steunbetuigers spraken alvast hun onvoorwaardelijke steun uit. Het is ronduit hallucinant dat de grote baas van het wereldvoetbal het plan een jaar geleden al had bekokstoofd en al die tijd in zijn lade had liggen, zonder de raad van bestuur of het topmanagement in te lichten.

De FIFA is inmiddels een bedrijf dat vierjaarlijks een omzet van 15 miljard dollar draait en flink winst maakt in de jaren van de World Cup. Er bestaan grotere bedrijven in de wereld, ook in de sport (het American football bijvoorbeeld, en de UEFA), maar de conclusie blijft dezelfde: een CEO die een revolutionair plan in een achterkamer onderhandelt zonder zijn bestuurders en zijn management heeft een probleem.

Een dag voor de World Cup-finale werd in een besloten bijeenkomst in het Waldorf Astoria het plan gepresenteerd aan zijn vijf topdirecteurs, zonder dat de grote Infantino zichzelf de moeite getroostte om aanwezig te zijn. Drie zouden hebben getekend, twee niet. Een van die twee stapte naar de pers. Iedereen vermoedt nu dat het de Fransman Kevin Lamour was, de operationele eindverantwoordelijke, maar dat is niet zeker.

Als bestuurders, het management en de helft van de leden zich vervolgens van het plan distantiëren, staat die CEO nog maar één ding te doen: opstappen. Dat zal Infantino niet doen, want hij is geen man van eer, alvast niet in de letterlijke betekenis – misschien wel in de Siciliaanse betekenis.

Het schandaal is niet de privatisering van de FIFA. Sponsoren en uitzendgemachtigden bepalen al decennia de agenda in alle grote sportevenementen. Het schandaal is dat één man autoritair beslissingen wil doordrukken die in de eerste plaats goed zijn voor de eigen portemonnee.

De keizerlijke allures van Infantino en andere voorzitters van grote bonden blijven ongestraft zolang zij over een meerderheid van de mondiale stemmen beschikken. Eenmaal ze op hun troon zitten, hebben die voorzitters nog minder verantwoording af te leggen dan Trump. Wereldsportbonden, paradijzen voor graaierij en potverteerderij, worden niet overkoepelend gereguleerd of gecontroleerd en daarom zijn de meeste wereldsportbonden bananenrepublieken.

Column Sportzomer Bis in De Morgen van maandag 10 augustus 2026

Sportzomer Bis

De sportzomer is nog niet voorbij. Zo stond het na de Tour de France in een krant. Gevolgd door een oplijsting: de Tour de France Femmes, het EK zwemmen, EK atletiek, EK gymnastiek, EK volleybal voor vrouwen en later mannen, WK basketbal vrouwen, WK’s hockey, in eigen land nog wel.

Dat een medium zich überhaupt geroepen voelt om nog eens te benadrukken dat topsport veel meer is dan voetbal en koers zegt veel over het tweeslagstelsel dat ons sportareaal beheerst, zeg maar verlamt.

Of het is mannenvoetbal in dit land, of het is mannenkoers. In andere landen heb je dat minder, in de eerste plaats omdat er geen concurrent is voor koning voetbal zoals wielrennen bij ons. Alle andere sporten zijn dan solidair in hun ondergeschiktheid en worden in de media min of meer gelijkwaardig behandeld, al zijn er per land wel grote verschillen.

Nu pas wordt de sportzomer/najaar 2026 echt plezant. Niet meer dat opgeklopte gedoe van Rode Duivels en onbelangrijke sprintoverwinningen en het podium van Remcoooh, maar rechttoe rechtaan andere sport. Aangezien alle rariteitenkabinetten bij Sporza zullen zijn opgesoupeerd, of het te duur is om hen te sturen, gewoon zonder franje oerdegelijke verslaggeving.

Tot gisteren beheerste de Tour de France Femmes het televisielandschap, dat mogen we hopen althans. Tot vrijdag was dat niet het geval: om en nabij de 280.000 kijkers voor de grootste vrouwenwedstrijd in Vlaanderens tweede grootste sport is niet te best. 180.000 voor het avondprogramma van Maarten en Marijn is helemaal een belediging.

Linde Merckpoel met haar lege Belgen-bocht en haar onderzoek naar de vulvalippen van de wielrensters is dat nog meer, inhoudelijk dan. Graag volgende grote sportzomer samen met Bert en Bavo vastbinden aan de VRT-toren, aub.

De rit van vrijdag met aankomst op de Mont Ventoux was een hele spannende. Patrick Lefevere vond het koersverloop van de TDFF in zijn zaterdagcolumn in Het Nieuwsblad minder beklijvend dan vorig jaar. Wellicht was die ingeleverd vóór die primeur, een Ventoux-beklimming vanaf Bédoin in de vrouwentour.

Je zag in die rit alle speciale kenmerken van vrouwensport terug. Alle lof moet gaan naar de Poolse Kasia Niewiadoma, die het aandurfde om te kijken waar het schip zou stranden toen ze vertrok uit de kopgroep met drie.

In 2024 won ze al eens de Tour, toen zonder één rit te winnen. Dat blijft in koersland een beetje een zwaktebod. Ze wint ook haast nooit en dat lijkt nu ook weer te gaan gebeuren. Vrijdag knalde ze de gele trui en de grootste favoriete uit de wielen op de kale berg. Een lichtgewichtje van net geen 50 kilogram trotseerde de Mistral in haar eentje en pakte de gele trui.

Eergisteren was ze dat geel alweer kwijt aan Demi Vollering. Of zij dan weer gisteren stand heeft gehouden in de viervoudige beklimming van de Col d’Eze, dan wel Niewiadoma er weer over is gegaan, dat was bij het inleveren van dit stukje niet bekend.

Die epische rit van vrijdag is in de weekendkranten uitgebreid geanalyseerd. Volgens wetenschappers zouden vrouwen nog tien procent sneller moeten kunnen op de Ventoux, maar live kreeg je de indruk dat Marlen Reusser en Demi Vollering Niewiadoma moesten laten rijden. Toen Vollering plots de laatste anderhalve kilometer nog bijna een halve minuut sneller reed, kon je al vermoeden dat één en ander niet was gelopen zoals het hoort.

Dat was ook het commentaar achteraf. Marlen Reusser zei dat ze elkaar te veel in de gaten hadden gehouden. Vollerings sportdirecteur Lieselot Decroix zag het anders: “We hebben een aantal foutjes gemaakt.” Eentje maar eigenlijk: toen de Poolse aanging had Vollering moeten meerijden.

Decroix vatte het samen en legde meteen de vinger op wat vrouwensport zo onderscheidt van mannensport: “Demi reed het gat niet meteen dicht, omdat ze schrik had op een counter te lopen.” Dat moet u begrijpen als: Demi wilde zich niet smijten. Gisteren smeet ze zich wel en hoe. Voor iemand denkt dat het zo simpel is – mannen smijten zich en vrouwen niet – aan eventueel spektakel verandert dat niks. De vrijdagrit was spektakel van de bovenste plank. Bovendien verloren Isaac Del Toro en Richard Carapaz vorig jaar de Giro d’Italia omdat geen van beiden achter de ontsnapte Simon Yates wilde gaan.

Vrouwensport heeft haar eigen dynamiek, haar eigen logica en haar eigen spanning – vaak met veel wisselende krachtsverhoudingen – en het wordt tijd om dat mediatiek te waarderen. Eén en twee stonden gisteren met nog één zware rit voor de boeg op een zakdoek van acht seconden. In de mannentour is dat geleden van de jaren tachtig.