Column Dopingverleden in De Morgen van maandag 20 juli 2026

Dopingverleden

Wie er allemaal in de nacht van zaterdag op zondag van het bed was gelicht om een plasje te doen en geprikt te worden, dat was nog een mysterie toen de rit gisterochtend van start ging. Waren alvast gekend, de nummers één en twee van het algemene klassement: Tadej Pogacar en Jonas Vingegaard.

Pogacar moest er om 5 uur uit, Vingegaard om 2 uur. “Kan niet, mag niet”, beweerde Remco Evenepoel vol ongeloof toen hij ernaar werd gevraagd. Het mag wel volgens de Franse wet en het was meteen duidelijk dat Evenepoel niet was gecontroleerd. Paul Seixas, Juan Ayuso en Florian Lipowitz tot nader order ook niet.

Vingegaard zei dat hij makkelijk weer de slaap kon vatten, Pogacar van zijn kant had niet meer geslapen. De Sloveense gele trui had het over een nachtje van vier uur. Hij kon er nog om lachen.

Zowel Vingegaard als Pogacar protesteerde niet. Ze benadrukten dat de controleurs een beetje verveeld zaten met het hele gebeuren, maar toch aardig waren. Zover is het dus gekomen, dat renners dit normaal moeten vinden en vooral niet de indruk willen wekken dat ze er niet mee gediend zijn om in een loodzware Tour midden in de nacht te worden gestoord.

En dat voor een dopingcontrole waarvan het nut erg twijfelachtig is. Zelfs al zou er een product bestaan dat uit het systeem verdwijnt tussen 1 en 5 uur en een dopingeffect heeft – waaraan mag worden getwijfeld – dan blijft de vraag waarom alleen de nummers één en twee midden in de nacht worden gecontroleerd en niet de nummers drie, vier, vijf, enzovoort.

Waarom ook niet Paul Seixas, de Franse chouchou, dat is de vraag waarop de controlerende instantie AFLD (het Franse agentschap voor de strijd tegen de doping) toch eens moet antwoorden.

It’s part of the job, zegden Pogacar en Vingegaard in koor en dat siert hen. Een paar uur later viel de Deen in een al bij al onschuldige bocht en moest opgeven. Of het ene (de controle) met het andere (de val) te maken heeft, wie zal het zeggen? Maar de opeenvolging van gebeurtenissen is alvast vervelend. Het is niet eerlijk als de job voor de ene concurrent zwaarder wordt dan voor de andere door externe omstandigheden.

Dopingcontroles zijn nodig. Wielrennen sleept een dopingverleden met zich mee, maar daarbij horen enkele nuances. Wielrennen is niet de eerste dopingsport. In absolute getallen is dat atletiek, dat al sinds de jaren dertig met de uitvinding van amfetamines en later bij elk ander dopingmiddel (anabole en corticosteroïden, groeihormoon, bloedtransfusies, epo en afgeleiden) er eerst bij was. Proportioneel (aantal atleten, aantal betrapten) is gewichtheffen de dopingsport nummer één buiten categorie.

Wielrennen was de eerste sport die ernstig werk maakte van dopingbestrijding, later mee de opsporing van epo initieerde en aan de wieg stond van het biologische paspoort. Wielrennen heeft vooral de reputatie van eerste dopingsport omdat het er een gewoonte van maakte om de vuile, minder vuile tot zelfs propere was buiten te hangen. Of denkt u dat de lactaatgels die afgelopen week in het nieuws kwamen in een andere sport ook als ‘mysterieus’ en ‘gamechanger’ zouden zijn gelabeld? Alleen in de koers.

Op X zit de voormalige Tour-arts Jean-Pierre de Mondenard, de auteur van de Dictionnaire du dopage, een standaardwerk. Hij stoorde zich deze Tour aan de onzin die verscheen over Pogacar, genre “hij zweet niet”, “hij ademt niet”, en gaf de roepers lik op stuk met een duidelijk verhaal. Jawel, de prestaties van de toprenners worden medisch en wetenschappelijk geoptimaliseerd, maar vooralsnog wijst niks op doping, zegt de ex-Tour-arts.

Integendeel, alle signalen wijzen erop dat doping een verhaal is van het verleden. De Tour van 2012 was de laatste waarin een renner positief werd bevonden, dat was Fränk Schleck op een vochtafdrijvend middel. 2012 was ook het jaar waarin Lance Armstrong al zijn Tour-overwinningen moest inleveren.

Inmiddels zijn we veertien jaar verder en behalve een cocaïneplasje van Luca Paolini in 2015 is er in de Tour niets meer gedetecteerd. Het is juist dat niet alles op te sporen is, maar ook hier: nuance. Zelfs als het product tussen de controlemazen glipt, blijft het effect in het biologische paspoort zichtbaar.

Het doorslaande argument in het pleidooi voor een relatief proper wielrennen is de vaststelling dat het in het geruchtcircuit stil is. Als er al een supermiddel zou bestaan waardoor niet alleen Pogacar en co. maar alle ploegen plots harder rijden, hadden we dat al lang geweten. De tijd dat niemand of niet iedereen erover zou hebben bericht, zoals met epo, ligt ver achter ons.