Op 6 oktober 2001 was ik in het Stade de France voor de wedstrijd Frankrijk-Algerije. Een primeur, want de voormalige kolonisator en kolonie waren haast veertig jaar netjes uit elkaars voetbalvaarwater gebleven. Met nog een kwartier te gaan stond het 4-1 voor Les Bleus, en dat was voor enkele Algerijnse fans het signaal om het veld te bestormen.
Die waren met 40.000 op een totaal van 60.000 toeschouwers ruim in de meerderheid. Ik schat dat er tussen honderd en tweehonderd met Algerijnse vlaggen getooide relschoppers tussen de lijnen liepen. De spelers verdwenen en de wedstrijd was voorbij.
Eerder die dag had ik mijn auto geparkeerd achter het Stade de France, in een achterafstraat waar niet betaald moest worden. Dat was bij daglicht. Na de wedstrijd liep ik tussen hele horden Noord-Afrikanen weg van het stadion en vond ik de precieze straat niet meer. De wijk was inmiddels een Algerijnse soek.
Ik – 1m93 en er niet bepaald Noord-Afrikaans uitziend – liep nogal fel in het oog. Ik kon een Fransman zijn om in elkaar te slaan, en dus nam ik mijn gsm en belde naar huis om in duidelijk hoorbaar Nederlands – geen Frans – een gesprek te voeren. Ik denk dat ik mij de schrik die avond zelf heb aangepraat, want toen ik de auto eenmaal had gevonden kon ik rustig wegrijden. Of was het toch dat Belgische kenteken dat mij beschermde, wie zal het zeggen?
Om die wedstrijd nu in een lijstje te zien staan van meest heftige voetbalclashes waarin nationalisme en hooliganisme elkaar vonden, dat is toch wat overdreven. Neen, dan is Servië tegen Albanië van deze week van een andere orde. Die match is vergelijkbaar met Honduras-El Salvador van juni 1969, toen rellen in het stadion de aanleiding waren voor een algehele oorlog tussen beide landen, zo mooi ‘La Guerra del Fútbol’ gedoopt.
Een oorlog zal er wel niet van komen, maar van politiek belang is het ongetwijfeld. Dat die Albanezen die vlag van dat groot-Albanië wilden laten wapperen, is belachelijk, maar om daar nu zo nijdig van te worden? Stel dat de Luxemburgers straks een vlag van Groot- Luxemburg uitvinden met Groot-Arlon geannexeerd, wat zouden wij zeggen? “Meenemen, die handel, inclusief de everzwijnen”, en we zouden eens goed lachen.
Maar wij zijn de Balkan niet. Al sinds 1389 – en begin vorige eeuw ook nog eens, met dank aan fout getrokken landsgrenzen – zit het er daar bij het minste bovenarms op. Als de UEFA Armenië en Azerbeidzjan voor Euro 2012 uit elkaar kon houden, en recenter Spanje en Gibraltar, en Rusland en Georgië, had dat ook gekund met Albanië en Servië, die tot in 1999 een oorlog hebben uitgevochten waarbij 10.000 doden zijn gevallen.
Er mochten van de UEFA alleen geen Albanese fans meereizen. Begrijpelijk. Maar waarom mocht Ivan Bogdanov, de meest notoire hooligan van Rode Ster Belgrado, wél in het stadion, later op de omheining gaan zitten en nog later het veld op lopen?
De man heeft in 2010 in Genua eigenhandig een kwalificatiewedstrijd tussen Italië en Servië in het honderd laten lopen. De wedstrijd is toen nooit gespeeld en Servië kreeg voor de groene tafel 3-0 verlies. Bogdanov zat voor dat en andere vergrijpen gerelateerd aan hooliganisme en bendevorming 2,5 jaar in Italiaanse en Servische gevangenissen, maar kreeg geen stadionverbod.
Servië heeft de voetbalrellen van deze week gewild, dat is zonneklaar. De internationale sportinstanties hebben Servische (Joegoslavische) teams twintig jaar geleden al eens gebannen van het internationale sporttoneel. Het is tijd voor een bisnummer.
Zo, u dacht dat we een goed sportjaar achter de rug hadden, met de Rode Duivels en deBelgische volleybalvrouwen? De teller van de Belgische medailles voor 2014 staat anders dramatisch laag. Vier medailles – met nog één onbetekenend EK baanwielrennen te gaan – is de laagste score in een kwart eeuw.
Wat rekenen de sportbonden zich graag rijk. Voor 2014 dachten ze dat er twaalf (Vlaamse) medailles in zaten. Het werden er vier, voor alle Belgische atleten samen, waarvan één behaald door de Waalse zevenkampster Nafi Thiam. Ook het algemeen niveau werd slecht ingeschat: men hoopte op 43 top acht-plaatsen voor Vlaamse atleten. Het werden er de helft.
Voor de Franstalige sport in ons land wordt die oefening niet gemaakt, maar dat is bijzaak. Vier Belgische medailles – waarvan drie bronzen en slechts één mondiale medaille – is ondermaats. Dat is de voorlopige stand voor dit jaar, want deze week is het Europees kampioenschap baanwielrennen begonnen. Doorgaans al een non-event en dit jaar nog meer omdat de Franse bond, die recent twee schitterende wielerbanen bouwde in de buurt van Parijs en Rijsel, toch besloot om met dit EK uit te wijken naar het Caraïbische Guadeloupe. Daar wordt gereden op een open baan, en nog wel pal in het regenseizoen.
Niet alle landen stuurden hun toppers naar Guadeloupe. Ook België moet het zonder omniumspecialist Jasper De Buyst (wil klaar zijn voor de World Cups) en Gijs Van Hoecke (gevallen) doen. Een medaille is haast zeker te verwachten van Jolien D’Hoore (omnium) en misschien van Nicky Degrendele op de sprint en/of keirin.
Hoe ook, zelfs met zes medailles blijft de Vlaamse en dus ook de Belgische topsport ruim onder de verwachtingen. Uit de grafiek hiernaast kunt u afleiden dat de neergang in de Belgische resultaten structureel is. In vergelijkbare jaren – grote kampioenschappen komen cyclisch terug – werden respectievelijk twaalf, negen, zeven, negen en tien medailles behaald.
Als de Belgische topsport na dit weekend niet hoger uitkomt dan zes medailles scoort het historisch laag. Zes was ook het aantal medailles dat werd behaald in 1990, met dat verschil dat er sinds de Spelen van Barcelona net geen twintig procent meer Olympische disciplines op het programma staan en er dus meer medaillekansen zijn.
De neerwaartse trend heeft zich ingezet na de redelijk succesvolle Olympische Spelen van Atlanta in 1996, die zes medailles opleverden. De aanloop naar die Spelen liet al het beste vermoeden. In de drie jaren tussen Barcelona 1992 en Atlanta 1996 werden veertig medailles gewonnen op EK’s en WK’s. Dat niveau hebben we tussen Atlanta en Sydney even kunnen aanhouden met 39 medailles, maar in de aanloop naar Athene 2004 (31 podia), Peking 2008 (26 podia) en Londen (24 podia) ging het gestaag bergaf. De prognose voor Rio 2016 is ronduit slecht. We staan nu op twaalf medailles, als we de onterecht afgenomen medaille van Charline Van Snick op het WK judo vorig jaar er bij rekenen.
Er valt tussen alle ellende maar één lichtpuntje op. In de breedte gaat onze topsport er wel op vooruit. We grossieren in top achtplaatsen – waarvan de meeste weliswaar ook op Europees niveau – maar we schieten tekort als het erop aankomt om kampioenen te maken.
Het signaal dat minister van volksgezondheid De Block uitstuurt, is er één van: het is oké om een maatje meer te hebben. Maar tien maatjes te veel en daar manifest niks willen aan doen of althans die indruk wekken, moeten we dat ook oké vinden?
Stel dat we een minister van verkeer zouden hebben, die toegeeft dat hij nooit is betrapt terwijl hij wel eens te veel drinkt en dan achter het stuur kruipt? Stel dat we een minister van milieu zouden hebben, die toegeeft dat hij zijn afval in de berm gooit en met een benzinezuipende 3000cc rond rijdt?
In het verlengde ligt de hypothese van een zwaar obese minister op volksgezondheid. In België is dit geen hypothese meer, maar een realiteit met de komst van Maggie De Block (OpenVLD) op dat departement. Welnu, ik ben geen fanatieke gezondheidsfreak en toch behoud ik mij het recht voor mijn bezorgdheid daarover uit te drukken. De hysterische reacties na de terechte vraag van VRT-collega Tom Van de Weghe en de tegensprekelijke bewering dat Maggie De Block ‘een krachtig complexloos signaal is’, geven aan dat deze discussie de emoties voorlopig niet overstijgt.
Dat er ooit corpulente mannen op het departement volksgezondheid zaten, doet niets ter zake. Met vrouwonvriendelijkheid heeft dit ook niets van doen. Ik heb in tempore non suspecto hetzelfde beweerd en geschreven over het gewicht van Jean-Luc Dehaene (Lambiek als voetbalsupporter) en Bart De Wever (frituur Het Draakske). En toen ik in Nederland werkte, vond ik Erica Terpstra als staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport ook geen voorbeeld.
Neen, corpulentie zie ik niet als een baas over eigen buik-uiting of het toppunt van liberalisme. En jawel, ik vind het eenieders burgerplicht om een gevecht te leveren tegen de grootste beschavingsziekte die ons heeft getroffen: obesitas. Het volstaat al als je het inzicht hebt dat je daar iets moet aan te doen. Sommige mensen hebben nu eenmaal meer aanleg tot vetzucht dan anderen en ik hoor daar ook bij.
Het is evenwel niet oké als we te maken hebben met een bijna morbide obese persoon (BMI 40 en hoger) die al een paar keer heeft aangegeven dat ze te veel eet maar zich niettemin erg goed voelt in haar vel. Het medisch dossier van mevrouw De Block is niet in mijn bezit, maar iedereen met kennissen in de politiek, weet dat ze bekend staat als een flinke eter, en dat is een understatement. Ze heeft dat zelf ook nooit tegengesproken en was er sprake geweest van schildklier- of stofwisselingsproblemen, dan hadden we dat echt al lang geweten.
Een ander veelgehoord argument om De Block op volksgezondheid goed te praten, is de boutade dat je inhoud en verpakking niet mag verwarren. In haar vorige bevoegdheid leverde ze volgens sommigen prima werk maar op Asiel en Migratie was body mass index geen item. Op Volksgezondheid wel en nu kunnen/mogen we verpakking en inhoud niet meer los van elkaar zien. Het eerste wat een minister moet hebben, is kennis van zaken. Het tweede: geloofwaardigheid. Volksgezondheid is geen technocratische bevoegdheid en verdient een minister met een voorbeeldfunctie.
Het signaal dat minister van volksgezondheid De Block uitstuurt, is er één van: het is oké om een maatje meer te hebben. Uiteraard is het oké om een maatje meer of minder te hebben en zelfs twee ook – de wereld moet niet perfect – maar tien maatjes te veel en daar manifest niks willen aan doen of althans die indruk wekken, moeten we dat ook oké vinden?
Gevaar
Ik geloof niet dat deze minister de hele bevolking zal sensibiliseren om kilo’s in te inleveren. Nochtans is dat de grootst denkbare besparing ooit op ’s lands medische factuur.
Nog een argument dat wordt gebruikt ten faveure van Maggie De Block: obesitas is een ziekte. Alles is tegenwoordig een ziekte, ons al of niet aangepraat door de farmaindustrie. Obesitas is bij ons vaak een welvaartsfenomeen (te veel eten) en net als in Afrika contradictorisch genoeg tegelijk ook een armoedefenomeen (te slecht eten). Dat ontslaat ons als maatschappij en individu niet van de plicht om die ziekte te behandelen met alle moderne middelen (medisch en communicatief) die daartoe voorhanden zijn.
Praat met de dokters die de obesitasgevallen over de vloer krijgen: de mensen die alleen al aankomen van het kijken naar eten, zijn een minuscule minderheid en zelfs die moeten de tering naar de nering zetten. Dat betekent nóg minder eten, nóg meer discipline, hoe de psyche ook tegenpruttelt. In 99 procent van de gevallen is de behandeling van obesitas een verhaal van meer output en minder input, geteld in kCal.
Ik geloof best dat Maggie De Block als dokter kennis van zaken van volksgezondheid heeft, hoewel je precies de dokters niet moet overschatten in hun vermogen om in de gezondheidszorg het bredere plaatje te zien. Ik geloof ook dat deze minister ons voor ebola zal behoeden, net zoals destijds voor de vloedgolf Bulgaarse migranten of de daklozen voor de winterkou. Op Sociale Zaken zal ze ongetwijfeld streng maar rechtvaardig zijn. En voor nog heel wat andere dingen is ze zeker ook in de wieg gelegd.
Maar ik geloof niet dat ze de hele bevolking zal sensibiliseren om kilo’s in te inleveren. Nochtans is dat de grootst denkbare besparing ooit op ’s lands medische factuur. Ik geloof dus evenmin dat ze dé welvaartsziekte en sociale achterstandsziekte – obesitas – zal aanpakken, terwijl dat een speerpunt zou moeten zijn omdat haar twee beleidsdomeinen volksgezondheid èn sociale zaken elkaar daar vinden. Waarom geloof ik dat niet? Omdat ze dan de roker is, die zegt er minder moet worden gerookt, de dronkaard die zegt dat er minder moet worden gedronken, de Hummer-eigenaar die de CO-uitstoot wil verminderen.
Wie gelooft die mensen als ze ons zeggen dat we anders moeten doen dan zij? Wie gelooft een minister met een BMI die richting 40 gaat en die zegt dat we gezonder moeten eten? Tenzij ze niét vindt dat we gezonder moeten eten en obesitas géén speerpunt wordt voor haar en dan is ze compleet ongeschikt voor die job. Ik stel gewoon de vraag: is deze vrouw ondanks haar expertise en onberispelijke track record in de politiek geen gevaar voor de volksgezondheid?
In de Amerikaanse sporthallen en stadions hangt het vol met spreuken en de meest legendarische zijn allemaal opgetekend uit de mond van Vince Lombardi, de NFL-legende die in 1970 overleed. Zijn nummer één blijft nog steeds: winners never quit and quitters never win.
Triatlon was in 1970 nog geen sport en Marino Vanhoenacker nog niet geboren maar wat geeft het: winnaars geven niet op en opgevers zullen nooit winnen. Vanhoenacker is een winnaar en daarom heeft hij zaterdag niet opgegeven in de Ironman van Hawaï. Even liep hij voor een podium na weer een sterk fietsnummer, maar zoals zo vaak op Hawaï kraakte hij, nu met een vastlopend bekken. Dit was geen barstje maar een meltdown. De laatste tweet voor slapengaan die ik van zijn trainer Luc Van Lierde zag, had het nog over een top tien plaats. Uiteindelijk zou hij finishen op plaats 353 en in 4u31 zijn marathon uitlopen/wandelen, bijna twee uur trager dan zijn snelste marathon ooit op de volledige afstand.
Ik kan mij daar iets bij voorstellen. Mijn marathon aan het eind van een Ironman heb ik ooit in 5u gelopen of wat daarvoor moest doorgaan, en ik weet hoe ik mij toen heb gevoeld. Hoe na km 30 elke stijging in de weg van maar 0,1 procent goed was om te stappen. Hoe elke brug een Mount Everest leek en hoe elke kilometer steeds langer duurde en de volgende bevoorrading zich ergens op een ander continent leek te bevinden, zo ver was alles, zo onbereikbaar de eindmeet.
Een mooie Belgische traditie
De reden van Marino Vanhoenacker’s ontgoocheling en zijn beslissing om de Hawaï-droom op te bergen, is even edel als lief
Toppers van het niveau van Vanhoenacker feliciteren je nadien en zeggen dan ‘wij zouden dat nooit kunnen.’ Ze bedoelen: zo lang en zo traag. Toch wel. Zij lopen normaal hun marathons fluitend onder de drie uur nadat ze eerst 3,8 kilometer hebben gezwommen en daarna 180 kilometer gefietst. Maar als het op is, is het ook bij hen echt op, en doen ze er ineens de helft langer over.
Waarom ze niet opgeven? Eén woord: respect voor hun sport. Marino Vanhoenacker heeft een mooie Belgische traditie in eer gehouden: winners never quit, niet op The Big Island, niet op Hawaï, niet in het mekka van alle mekka’s, niet in de zwaarste ééndagswedstrijd die de sportende mens ooit heeft uitgevonden.
Luc Van Lierde en Rutger Beke gingen hem al voor op de kruisweg tussen Palani Road en Alii Drive. Van Lierde werd ooit eens 202de en toen hem na afloop werd gevraagd waarom hij toch had door gelopen, vertelde hij over zijn zoon die hij het niet wilde aandoen dat hij op school weer zou moeten horen dat zijn pa had opgegeven. Luc kwam nog vaak terug en werd nog eens zestiende en achtste.
Rutger Beke deed nog straffer. In 2007 eindigde hij 767ste in 11u13 en nog wat, dat is echt finishen tussen de recreanten. Zijn marathontijd was 5u32. Toen een vrouwelijke age grouper hem inhaalde, en zei dat ze samen zouden lopen, bekende Rutger ootmoedig: ‘Sorry, doe maar, u loopt te vlug voor mij.’ Ook hij kwam terug in Kona en werd nog eens derde.
Ik wil het nog wel eens zien of Marino Vanhoenacker niet meer terug gaat, maar de gedachte dat hij op zijn 39ste nooit Hawaï zal winnen, ziet hij nu als de ultieme ontgoocheling. Dat is nergens voor nodig. Voor hemzelf en voor alle anderen: hij heeft negen Ironmans gewonnen in zijn carrière. Zes keer in Klagenfurt, één keer in Florida, Zuid-Afrika en Maleisië. (U verbetert mij wel, hoop ik, als ik te snel heb geteld.) Luc Van Lierde heeft er vijf gewonnen, Frederik Van Lierde drie en Rutger Beke twee, maar vraag mij niet om onze mannen van ijzer te rangschikken.
Beter nog: slechts twee triatleten in de wereld hebben ooit meer Ironmans gewonnen dan Vanhoenacker. De Canadees Peter Reid en Lothar Leder wonnen er tien. Marino Vanhoenacker staat op negen en blijft actief. Op 3 juli 2011 heeft hij ook de snelste Ironman ooit afgelegd met 7u45.58. (Voor de volledigheid: Andreas Raelert klokte tien dagen later op een ironman distance – zelfde afstand maar geen officiële Ironman – nog sneller: 7u41.33. Ik was die dag één van Raelerts drieduizend tegenstanders, maar er is geen enkel oorzakelijk verband.)
De reden van Marino Vanhoenacker’s ontgoocheling en zijn beslissing om de Hawaï-droom op te bergen, is even edel als lief: hij wil ‘zijn meisjes’ (vrouw Elke en dochter Jirte) niet meer aandoen, dat fanatieke gejaag en al wat daar bij komt kijken. Waarop Jirte op zijn facebookpagina een mooie foto poste: waiting for you daddy.
“Waarom moest Thomas Van der Plaetsen ineens als een weerloze speelbal van het doping- en mediacircus worden opgevoerd?”
Vandeweghe
Ik zat deze week te wachten op een persconferentie waar Thomas Van der Plaetsen en zijn team uitgebreid het nationaal dopingagentschap (NADO) Vlaanderen een pluim op de hoed kwamen steken. Het voorlezen van de bedanking had ik graag overgelaten aan meester Johnny Maeschalck, die datzelfde NADO Vlaanderen een week eerder zo eloquent gehekeld had.
Door de controle buiten competitie is bij Thomas Van der Plaetsen in een heel vroeg stadium teelbalkanker ontdekt. Was NADO Vlaanderen nu niet zo vlijtig geweest, en was Thomas toevallig de komende zes maanden niet gecontroleerd, dan was de ellende misschien niet te overzien.
Er kwam geen bedanking. Het bleef bij de verwijten van een week eerder toen in één moeite ook de boodschapper, de pers dus, van onzorgvuldigheid werd beschuldigd. Hoezo dan? Geen enkel medium heeft Thomas Van der Plaetsen beschuldigd van dopinggebruik. Enkele media (niet deze krant) hebben doping in de titel gezet, maar altijd in de voorwaardelijke wijs. Onherstelbare imagoschade voor Thomas Van der Plaetsen? Er is geen imagoschade, wel integendeel, marketingtechnisch is een stap gezet.
Rekeningen vereffenen
Als achttien uur lang twijfel heeft bestaan over de ware toedracht van de positieve plas, dan hebben Van der Plaetsen en zijn raadgevers daar misschien zelf een heel klein beetje schuld aan, met de nadruk op een heel klein beetje. Ten eerste door niet te reageren op een beleefde telefoon en een beleefde sms. Ten tweede door pas nadat er een bericht op de site van deze krant stond, terug te bellen en halvelings te laten uitschijnen dat het om kanker zou gaan.
Zo werkt het niet in de topsport: als we geacht worden iemand uitgebreid te quoten hoe blij hij is als hij over 2m17 springt, dan horen we ook graag een reactie bij een positieve test. Het was een kwestie van uren, of meer dan één journalist zou over de positieve plas beginnen schrijven zonder misschien de link HCG-teelbalkanker te leggen. Het simpele verzoek “wellicht gaat het om…, mogen we dat zelf meedelen aub?” had volstaan.
Advocaat en management lieten woensdagavond al uitschijnen dat het om teelbalkanker ging, maar in plaats van snel te communiceren – basisregel in crisiscommunicatie – reisde een heel gezelschap een dag later naar een sponsor aan de andere kant van het land om ons te vertellen hoe de vork in de steel zat en tegelijk enkele rekeningen te vereffenen.
Verongelijkte toontje
Het mag in de toekomst inzake HCG iets anders aangepakt worden. In plaats van een brief te sturen, kunnen de dokters die in alle vroegte het land rond rijden om bloed- en urinecollectes te houden, ook bij de atleet aanbellen om in geval van HCG te melden dat er misschien meer aan de hand is.
Maar het verongelijkte toontje tijdens de persconferentie vorige week bij sponsor Vivaldis Interim roept vragen op. Uiteraard kunnen de procedures klantvriendelijker, maar waarom moest Van der Plaetsen – ondanks zijn geluk bij een ongeluk – als een weerloze speelbal van het doping- en mediacircus worden opgevoerd?
Waarom mét advocaat, compleet overbodig gezien het ziektebeeld? Om de dopingbestrijding in een kwaad daglicht te stellen? Ik hoop van niet. Zoals ik evenmin hoop dat het iets te maken heeft met het behoud van zijn BLOSO-contract waarvoor hij de criteria dit jaar niet heeft gehaald. Van mij mag hij dat behouden, al was het maar omdat we niet weten hoe lang die ziekte woedt, maar ik ga daar niet over. Ik kan hem alleen alle beterschap toewensen. Bij deze.
Sven Nys en Paul Van Den Bosch over de transcendentie van een groot atleet uit een kleine sport
Dit is het elfde seizoen dat ze onafscheidelijk zijn, de modelatleet en de trainer. Sven Nys en Paul Van Den Bosch zijn twee gelijkgestemde zielen, twee handen op één buik die elkaar groot hebben gemaakt, te groot voor het kleine, fijne veldrijden. “Als alles te herdoen is en ik ben vijftien jaar jonger, ik blijf veldrijder.”
Precies omdat ik met Isabelle aan tafel kan zitten en dat rustig kan bespreken, kan ik mijn zinnen verzetten op mijn fiets en trainen zoals voorheen. Als ik in ruzie zou leven, zou ik minder presteren.
Veldrijder Sven Nys
Als trainer ben je wel ongerust. Je ziet dingen veranderen en je weet dat er iets aan de hand is, maar als die beslissing er is, denk je toch meteen: dit wordt niet simpel.
Trainer Paul Van den Bosch
De sportman zag deze zomer zijn huwelijk op de klippen lopen. Misschien toch maar niet meteen over beginnen, is het voornemen van de mens in de verslaggever die op bezoek gaat bij Sven Nys. Tot coach Paul Van Den Bosch zijn ronde doet door de keuken. Hij wrijft over de kraaknette kasten, kookplaat en wasbak en kijkt bedenkelijk.
Paul Van Den Bosch: “Oei Sven, hier is geen vrouw meer in huis zeker?”
Sven Nys: (gespeelde woede) “Dat heeft hier verdorie nog nooit zo proper gelegen.”
Nu jullie er zelf over beginnen: hoe verwerk je een scheiding uitgerekend in een periode dat je moet presteren?
Sven Nys: “Zoals mijn sportcarrière: rationeel en overwogen. Dat heeft één reden: Thibaut, onze zoon is twaalf jaar, komt in zijn puberteit en moet liefde voelen van ons beiden. Ik zou het mijzelf nooit vergeven als wij nu ruzie zouden beginnen maken. We zijn tot de vaststelling gekomen dat het niet meer gaat en dat er redenen genoeg zijn om weer gelukkig proberen te worden alleen, en daar moeten wij nu het beste van maken. Precies omdat ik met Isabelle aan tafel kan zitten en dat rustig kan bespreken, kan ik mijn zinnen verzetten op mijn fiets en trainen zoals voorheen. Als ik in ruzie zou leven, zou ik minder presteren. Ik ben niet in therapie of zo. Het is natuurlijk een groot huis waar ik de helft van de week, als Thibaut er niet is, alleen in zit, maar ik kan van een beetje tijd voor mijzelf ook wel genieten. En ik heb meer werk, nu ik het alleen moet doen. Papierwerk bijvoorbeeld.”
Paul Van Den Bosch: “En als hij het niet meer ziet zitten moet hij maar bellen, dan kom ik met hem onder een dekentje naar tv kijken. Voor alle duidelijkheid: dit is een grapje. Als trainer ben je wel ongerust. Je ziet dingen veranderen en je weet wel dat er iets aan de hand is, maar als die beslissing er is, denk je toch meteen: dit wordt niet simpel. Precies omwille van wat hij zei: Sven kan niet in een negatieve sfeer presteren.”
Sven Nys: “Ik ben vooral blij dat we uit de boekskes kunnen blijven.”
Nochtans zijn jullie beiden redelijk actief op de social media.
Sven Nys: “Maar niks privé, behalve foto’s van Thibaut die koerst.” Paul Van Den Bosch: “Wij gebruiken de sociale media bewust, ja. Wij weten heel goed wat we wanneer er op moeten zetten en we weten ook wanneer we moeten zwijgen. Ik word daar ook op aangesproken. Vorig jaar nog door Richard Groenendaal: ‘Nou, je moet ermee stoppen met al die wattages te posten. Die jongens raken daarvan gefrustreerd want er is er maar één dit dat kan. Ik dacht: bedankt, want dat is wel de bedoeling.”
Sven Nys: “We liegen niet, dat is het leuke. Sommige reacties stellen mij gerust. (lacht) Ze snappen niet waar het om gaat. Ik tweet een wattage dat ik heb geduwd op training en dan reageert Lars van der Haar dat vermogen één ding is, maar dat het gewicht ook een rol speelt. In een cross? Gewicht? In een col van tien kilometer, ja, maar die hebben wij niet in de cross. Het absoluut vermogen is van belang als er een kloof moet worden geslagen.”
“Ik feliciteerde Jens Voigt met het werelduurrecord en hij antwoordt: ‘Thanks, you are a legend’. Dat doet goed”
Sven Nys
Jij traint met de SRM-vermogensmeter, toch uitzonderlijk voor een veldrijder.
Sven Nys: “Ja, elke training is met SRM. De wedstrijd is minder zinvol omdat je te veel dode momenten hebt waarbij niks wordt gemeten, maar voor enkele piekwaarden door zware stroken zou het een beeld kunnen geven van wat je op dat moment hebt gepresteerd. We hebben het sporadisch al eens gedaan.”
Paul Van Den Bosch: “Alles wordt geanalyseerd. Ik herinner mij op 9 mei van dit jaar op Mallorca. Hij had toen zes keer tien minuten bergop en de laatste tien minuten voluit draaide hij gemiddeld 468 watt, zijn beste tien minutenwaarde ooit. Sven kan een uur lang heel veel vermogen ontwikkelen.”
Sven Nys: “Ik ben niet zo explosief meer, maar dat zijn de anderen ook niet als er een uur lang veel arbeid moet worden geleverd. Als ik dan nog kan ontploffen, moeten ze lossen. Mijn probleem worden tactische crossen waarin het vaak stil valt, zoals vorig jaar op de Koppenberg. Ik kom dan in de laatste ronde met jonge mannen die nog niet moe zijn en explosiever zijn dan ik. Als die dan gaan, ben ik een gewone.”
Dus ben je dit jaar verplicht de koersen hard te maken.
Sven Nys: “Omdat Niels Albert er nu niet meer is, zal ik vaker op kop moeten rijden. Ik zag het meteen in Las Vegas. Zo’n Van der Haar heeft maar één plan: ik ben de snelste van allemaal, ik ga naar de meet met die gasten. Dus wat doet die: remmen als ik rem, versnellen als ik versnel. Zoals Van der Haar redeneren er veel. Er is geen Stybar, Albert of Boom meer om een paar ronden hard op kop te rijden. Een Kevin Pauwels zou dat misschien durven, maar alleen als hij super is. Niemand neemt de koers in handen en daarom ga ik Niels missen. Maar ik ben er nogal gerust in.”
Jullie stralen inderdaad rust uit, mooi om zien.
Paul Van Den Bosch: “In het begin zag ik ze allemaal als vijanden. Wellens eerst, later Albert. Ik stond er soms bijna agressief bij. Dat is geëvolueerd want gaandeweg werd het plezant. Het winnen kwam toch, maar het winnen hoefde niet meer elke week.”
Oei, tijd om te stoppen.
Sven Nys: “(lacht)Ik koers nog te graag. Die wetenschappelijke aanpak houdt mij ook gaande. Het boeit mij enorm. Misschien dat de anderen het ook doen, maar ik weet niet of ze het snappen.”
Paul Van Den Bosch: “Ik heb Sven altijd willen behoeden voor het einde, vanaf toen hij 33 was. Dus zei ik hem: Sven, er komt een moment dat het bergaf gaat. Dat komt. Het is te zeggen: het had er al moeten zijn, maar blijkbaar niet bij hem. Als hij niet won, lag dat niet aan hem, maar aan de tegenstand die op dat moment echt te sterk was. Niels Albert won een seizoen wel eens tien opeenvolgende wedstrijden. Kevin Pauwels heeft een sterke periode gehad.”
Sven Nys: “De Sven Nys van het voorbije seizoen was sterker dan die van drie jaar geleden. Lars Boom, Zdenek Stybar…Inzake atletisch vermogen waren dat de zwaarste tegenstanders tegen wie ik ooit heb moeten koersen. Op het WK dit jaar was ik op mijn sterkst. Wellicht hebben Stybar en ik daar de beste wedstrijd ooit gereden.”
Paul Van Den Bosch: “Sven heeft maar één zwakke periode gehad, even rond het WK in het seizoen 2009-2010.”
Sven Nys: “Dat had ook te maken met de druk die ik mijzelf oplegde om punten te verzamelen met het oog op kwalificatie voor de Olympische Spelen. Er waren wereldbekers bij en kampioenschappen in een ander continent en dat doe je dan in de zomer. Later op het jaar heeft zich dat gewroken. Nu hebben we daar een evenwicht in gevonden. Ik heb dit jaar top vijftien gereden en op het EK was ik vijfde. Dan tel je mee, zeker met mijn slechte startpositie.”
Paul Van Den Bosch: “Het mountainbiken is geen gevaar, eerder een troef. Sven moet in een cross een gemiddelde hartslag halen van tegenwoordig 179, vroeger was dat 181. Lager, betekent dat hij niet top was. Nu zien we hem dat gemiddelde ook halen in de mountainbike die 1u40 duurt tegenover een uur in de cross. Hij heeft nu overschot.”
Sven Nys: “In het begin duurden de mountainbikewedstrijden langer dan twee uur en dan ging ik de laatste ronden kapot. Nu is dat nog 1u40 en ik rijd die als een cross. Met als gevolg dat ik er mij in een cross steeds weer over verbaas dat we al klaar zijn. Ik denk vaak: oei, laatste ronde, en ik kan nog een uur doorgaan.”
“Jammer dat Niels Albert is moeten afhaken. Maar hij zal ook snel vergeten zijn. Dat is de harde wet van de sport”
Paul Van den Bosch
Is de carrière van Sven in te delen in een periode voor en na Van Den Bosch?
Paul Van Den Bosch: “Ik kan alleen praten over de periode dat hij met mij traint, dus vanaf het seizoen 2003-2004. Ik vond dat hij te eenzijdig trainde. Krachttraining op rollen had hij bijvoorbeeld nooit gedaan, en hij trainde veel te weinig specifiek in het veld. Toen we samen begonnen werken, was alles bergop en wat meer vermogen vroeg ‘niks voor mij’. Hij is geëvolueerd van iemand die het moest hebben van snelle crossen die aanleunden bij wegwedstrijden naar iemand van hoe zwaarder, hoe liever. Ik ben misschien de enige die zegt dat er niks mis was met zijn mentale ingesteldheid. Hij won jaar na jaar het Belgisch kampioenschap, toch een soort wereldkampioenschap. Op het WK zelf was de tegenstand dikwijls een stuk sterker, stelde ik soms tot mijn verbazing vast.”
Het carrièreverloop van veel van je tegenstanders loopt parallel met de medicinale gebruiken en de strijd daartegen.
Sven Nys: “Ik zag ook wel dat sommigen niet het niveau halen die ze op bepaalde momenten in hun carrière wel hebben behaald terwijl ze op hun sterkst hadden moeten zijn. Ik stel mij daar vragen bij, maar ik koppel daar geen conclusies aan. Ik laat mij daar niet meer door beïnvloeden terwijl ik vroeger wel eens lastige momenten heb gehad na zo’n kampioenschap waar ik was weg gereden, terwijl ik één week later weer makkelijk kon winnen. De laatste jaren is het veranderd. Het wielrennen is schoner geworden, en daarmee samenhangend ongetwijfeld ook het veldrijden, maar ik snap nog steeds niet dat corticosteroïden toegestaan zijn tot een bepaalde grens.”
Paul Van Den Bosch: “Ik wijs niemand met de vinger, maar iedereen weet dat corticoïden schadelijk en carrièreverkortend zijn. Heb ik aanwijzingen? Neen. Als ik zie dat sommigen een aantal weken niks presteren en dan ineens een piek halen en weer weg zakken, dan heb ik wel één vraag: wat kan een coach of renner op training doen van maandag tot zaterdag om op zondag vijftig procent beter te zijn?” Sven Nys: “Daar zal je nooit een antwoord op krijgen.”
Nu komt de moeilijkste vraag voor vandaag: ook de carrière van Sven Vanthourenhout, vriend, collega en trainingsmaat van Sven, vertoont die parallellen.
Sven Nys: “Ik snap die vraag.”
Paul Van Den Bosch: “Maar wij hopen dat hij er dit seizoen terug zal staan. Sven reed vorig seizoen zijn crossen soms aan een lage gemiddelde hartslag van 158. Normaal moet dat bij hem ook om en bij de 180 zijn. Ofwel ben je met zo’n lage hartslag overtraind, of je hebt krachtverlies. We hebben voor dat jarenlang sukkelen een oorzaak gevonden in zijn rug. Daarvoor is hij vorig seizoen apart onder handen genomen. Nu kan hij weer een deftige cross rijden. In Las Vegas reed hij ook een heel goede wedstrijd.”
Sven Nys: “Sven was een halve wegrenner bij Quickstep waar hij de spurt moest aantrekken voor Tom Boonen. Sven stond twee keer op het podium van het BK, ging mee naar de Ronde van Zwitserland. Hij is beginnen vermageren tot op een punt dat hij bijna een anorexiapatiënt was. Op Mallorca hebben we ooit vijf uur getraind en at ik mijzelf daarna te pletter. Hij at haast niks en woog nog maar 63 kilo. Nu weegt hij er 71. Het heeft lang geduurd voor hij weer durfde te eten. Daarnaast heeft hij een zware operatie gehad in zijn buik. Vervolgens een polsbreuk. Het één na het ander. En tegelijk hinkend op die andere gedachte: ik moet goed zijn op het BK op de weg want ik heb daar twee keer podium gehaald. Sven kon altijd goed met mij mee op training, maar als ik de gas open draaide, wat een crosser nodig heeft, blokkeerde het bij hem.”
Paul Van Den Bosch: “Dat Sven Vanthourenhout nog steeds bij ons is, heeft juist te maken met al die redenen. Anders was het over.”
Sven Nys: “Sven is misschien professioneler dan ik. We horen elkaar elke dag en ik train graag met hem.”
Heb je hem of anderen ooit ondervraagd over het verleden?
Sven Nys: “Neen. Als er ooit iets is gebeurd, wil ik het niet weten. Dat is iets wat iedereen voor zichzelf moet uitmaken. Ik heb dat ook gedaan en ik profiteer daar nu aan het einde van mijn carrière nog van: ik lever prestaties die ik nooit had verwacht.”
Paul Van Den Bosch: “Naar het verleden kijken, heeft geen nut, evenmin als je druk maken over factoren waar je geen vat op hebt. Ze zullen je kloppen omdat ze beter zijn, of omdat ze misschien iets hebben gedaan dat niet mag. Ik heb altijd aan Sven de raad gegeven om af te rekenen met de concurrent zoals hij die dag is, zonder daarover verdere vragen te stellen of veronderstellingen te maken.”
Sven Nys: “Dat is wel een mentale stap die ik heb gezet. Paul zei altijd: kijk eens wat je allemaal hebt gewonnen, ongeacht het feit dat je tegenstrever super was of misschien ‘iets’ zou hebben gedaan. Hetzelfde in Las Vegas: we reizen naar de andere kant van de wereld en ze willen mij diskwalificeren omdat ik drank heb aangenomen toen het niet meer mocht. Ik dacht: dan is het maar zo. Maar ik ben toch gaan praten met die jury. Ik zei: ik respecteer uw beslissing en ik zal er niks bij inschieten, maar denk eens aan die organisatoren en de fans hier of zij dat plezant vinden dat een niet-sportieve regel beslist over winst en verlies. En ze hebben mij een boete van duizend Zwitserse frank gegeven, waar dan ook weer kritiek op kwam natuurlijk.”
Stel dat je vijftien jaar jonger bent en het wielrennen is zelfreinigend zoals vandaag, zou je dan wel een wegcarrière overwegen?
Sven Nys: “In 2002 reed ik tot de laatste beslissende fase mee in Parijs-Roubaix, maar neen, ik zou vandaag nog niet naar de weg uitwijken. Ik schep voldoening in hoe de cross is geëvolueerd mede door mij: het professionalisme, de financiën, de media-aandacht, de crossfiets, het VIP-gebeuren en sponsoring. Ik heb daaraan mee geholpen. Vervolgens ben ik in een andere discipline naar de Olympische Spelen gegaan. Neen, ik zou ook niet eerder zijn gaan mountainbiken. Was alles te herdoen, ik deed precies hetzelfde.”
Om het beleefd te stellen: het veldrijden loopt niet over van het talent, jij buiten beschouwing gelaten.
Paul Van Den Bosch: “Zijn talent is te vergelijken – in tests dan – met de betere wegrenners, dan bedoel ik ruim bij de top twintig procent. Op de test in Energy Lab waarbij we elke vijf minuten het vermogen opvoeren, heeft Sven dit jaar de 460 watt vijf minuten lang uitgereden. Ooit is hij één keer half weg de 500 geraakt. Er zijn heel wat wegrenners die deze vermogens niet halen.”
Sven Nys: “Waarom had ik naar de weg moeten gegaan? Ik had daar niet kunnen verdienen wat ik nu verdien. Ik vraag mij ook soms af waarom Lars Boom en Zdenek Stybar zijn gegaan. Voor de internationale erkenning van het wegwielrennen? Sorry, maar ik moet ook niet klagen over internationale erkenning, precies door mijn prestaties in de kleine veldrijden…”
Paul Van Den Bosch: “…en door te presteren in de mountainbike…”
Sven Nys: “…dan kan ik daar geen slecht gevoel bij hebben. Jens Voigt breekt het werelduurrecord. Ik feliciteer hem met een tweet en wat is zijn antwoord? Thanks, you are a legend. Dat doet goed hoor. Hermida, Absalon, Schurter , de groten van het mountainbike weten heel goed wat ik in de cross heb gepresteerd.”
Paul Van Den Bosch: “Renners als Sieberg, Bakelants en Greipel schatten ook hoog in wat jij hebt gepresteerd in het veld. Matteo Trentin, geen sukkelaar op de weg, zegt in een interview dat het zijn droom was om veldrijder te worden, maar hij werd van het kastje naar de muur gereden in België en dus koos hij maar voor de weg. Sven is inderdaad een uitzondering. Hij heeft als atleet de kleinheid van zijn sport overstegen.”
Jij hebt het eeuwige leven niet. Is bloedarmoede niet de grootste bedreiging voor het veldrijden?
Sven Nys: “Het komt elke week op tv. Elke week heb ik een andere tegenstander. Elke week verandert het weer. Zal het zo blijven? Het risico bestaat dat het achteruit gaat en daarom zal ik wellicht in die sport blijven. Ik zou aan de generatie na mij willen vragen om niet te veel aan korte termijn denken te doen. Zo van: ik ben hier en nu goed, waarom zou ik eens naar Amerika gaan rijden als het ook hier goed verdienen is. De atleet moet zelf in zijn sport investeren en dat doe je niet door rond de eigen kerktoren te blijven. Als ik stop, zou de sport kunnen kelderen. Misschien kunnen Wout Van Aert en Mathieu van der Poel dit jaar al volop meedoen. Van Mathieu ben ik het haast zeker. Als die gasten doorbreken gaan ze de generatie tussen hen en mij – Tom Meeusen, Kevin Pauwels, Klaas Vantornout, Dieter en Sven Vanthourenhout – van de kaart vegen. Het is te hopen dat Mathieu nog een paar jaar crosst want ik zie hem ook snel naar de weg gaan.”
Niemand spreekt nog over Niels Albert.
Paul Van Den Bosch: “Ik vind het heel jammer dat hij is moeten afhaken. Maar hij zal ook snel vergeten zijn. Dat is de harde wet van de sport. Deed hij zijn sport nog wel graag? Ik heb de indruk dat hij er het laatste jaar dikwijls erg ongelukkig bij liep.”
Sven Nys: “Ik had ook de indruk dat hij niet altijd gelukkig was met de manier waarop hij zijn sport beleefde. Hopelijk haalt hij nu positieve energie uit het coachen van de renners van zijn ploeg, zoals Wout Van Aert. Dat is pas een zware job. (lacht)”
Paul Van Den Bosch: “Daar moet je niet mee lachen. Maar dat Niels vroeger zou stoppen dan Sven, is ons wel eens voorspeld. Wel erg jammer dat het om gezondheidsredenen is moeten gebeuren. We kenden hem in de wedstrijd ook door en door, hé Sven? Op de duur was het bijna een spel. Niels trok en trok en als half koers naderde en Sven was er nog bij, wisten we dat hij het niet zou halen.”
Ligt er al een functie voor jou klaar?
Sven Nys: “Ik heb hier mijn project op de Balenberg, waar we aan een centrum bouwen dat alle off road disciplines combineert, onder andere met een technisch moeilijke drop met rotsen voor de mountainbikers. Op grote kampioenschappen zien we soms parcours waar we nauwelijks af durven omdat we die techniciteit niet kunnen trainen bij ons. Verder hoop ik op een functie in de opleiding. Geef mij maar iets dicht bij huis. Bondscoach? Ik heb vooral de indruk dat dit logistieke functies zijn. Ik ken bondcoaches die hele dagen auto’s moeten wisselen. Co-commentator op televisie doe ik ook graag, maar dan ben ik weer de perfectionist: ik ga daar niet onvoorbereid zitten Als ik het doe, wil ik mijn huiswerk maken en wil ik alles weten over het peloton. En dan de mensen iets vertellen wat ze nog niet weten, daar zou ik het voor doen.”
De vergelijking in deze column vorige week tussen de sommen die van overheidswege naar cultuur en naar sport gaan, en met name de grote verschillen in het voordeel van cultuur, hebben er aardig ingehakt. De sportsector sprong op mijn kar en wie van de cultuursector nog op mijn kar zat, sprong er vierklauwens af.
Er werd geschamperd over de enorme sommen geld die in het voetbal omgaan en het dossier rond het nationaal stadion. Niet terecht, want die column ging niet over profvoetbal maar over de andere armlastige sporten, en ook amateur- en jeugdvoetbal, die vanuit Vlaanderen hun middelen krijgen. En tegelijk wel terecht, want zoals cultuur is ook het professioneel voetbal onmiskenbaar overgesubsidieerd.
De profvoetbalsector krijgt geen subsidies van Vlaanderen, maar geniet zoals de cultuursector van een verlaagde sociale zekerheid. Daarnaast heeft het profvoetbal (in tegenstelling tot de cultuursector) ook een zeer gunstig belastingtarief en een bijzonder voordelige groepsverzekering.
Daardoor kan de profvoetballer ongeveer 75 procent van zijn meestal gigantisch brutosalaris netto recupereren, een deel daarvan op zijn 35ste. Dat is een hele prestatie, vooral omdat nergens in de wereld de loonwig – het deel tussen bruto en netto dat naar de staat gaat – groter is dan in België. Behalve dus voor dat voetbalsalaris. Die onrechtstreekse subsidie komt overigens niet van de Vlaamse overheid, want RSZ en belastingen zijn nationale materie.
Deze sectorale bevoordeling, uniek voor de Europese Unie, mag gerust als tegenargument worden gebruikt tegen dat gejank van de profclubs die overheidssteun willen voor de bouw van hun stadion. Stadionbouw is niét de taak van de nationale overheid, ook niet van de regionale overheid. Eventueel kan een gemeente of stad wel heil zien in de bouw van een nieuw stadion en daarin investeren als element van stadsontwikkeling, zoals in Gent.
Onze profvoetbalclubs hadden natuurlijk een deel van hun belasting- en RSZ-voordelen kunnen wegzetten in een zogeheten ‘bestemd fonds’ voor de bouw van hun infrastructuur. Dat deden ze niet, want ze kochten liever nóg een buitenlander. Het probleem is dat enkel vzw’s bestemde fondsen kunnen aanleggen en dat de vzw-structuur stilaan verdwijnt onder invloed van externe investeerders.
Het profvoetbal met al zijn directe en indirecte voordelen moet niet komen schooien om overheidssteun voor stadionbouw. De overheid moet wel in de ontsluiting van dat stadion voorzien, maar binnen het redelijke. Onredelijk waren bijvoorbeeld de eerste plannen van Club Brugge om in een groene zone een stadion te laten bouwen en daar een ontsluiting te eisen – inclusief een spoorstation – die veel duurder zou uitvallen dan het stadion zelf. De tweede versie is al wat logischer, maar ik wil nog zien of de bevoegde bovenlokale instanties de bouw zullen goedkeuren van twee eersteklassestadions op honderd meter van elkaar, en dat in een uit de kluiten gewassen dorp als Brugge.
Wat het nationaal stadion in Brussel betreft: dat moet er komen. De hoofdstad van Europa verdient een stadion dat als een landmark zal oprijzen. Zal het geld kosten? Jawel, veel geld. Zal de lokale overheid mee moeten investeren? Jazeker, zoals dat ook is gebeurd in die ene cultuurtempel waarvan de restauratie 60 miljoen heeft gekost. Zal het break-even draaien? Nooit van zijn leven. Moet dat? Ook niet. Is het erg dat Anderlecht daar zijn intrek neemt? Neen, zolang er een marktconforme prijs wordt bepaald. Een verdeelsleutel voor de commerciële meeropbrengsten van Anderlecht in het nieuw nationaal stadion, vergeleken met Anderlecht in het Astridpark, is niet meer dan logisch.
’Dopingbestrijding werkt te goed: de koers is niet om aan te zien’
Zondag mist hij met de Ronde van Lombardije de laatste grote afspraak, omdat hij zelf tijdelijk in de lappenmand ligt – hoe hij dat voelde aankomen, leest u aan het eind van dit verhaal. Maar is iemand in het peloton beter geplaatst om helder, het hart op de tong en zonder franjes, het wielerjaar 2014 te overschouwen dan Jan Bakelants, een van de vier Belgen met een overwinning in de WorldTour?
Hans Vandeweghe Simon Gerrans wint de Tour Down Under en zal nog veel meer winnen in 2014.
Jan Bakelants: “Op weg hiernaartoe dacht ik: wie zijn de mannen van het jaar? Simon Gerrans is daar één van. Hij heeft uithouding, is heel snel, heeft een goede ploeg, én hij verstopt zich. Zijn ploegmaats halen voor hem de kastanjes uit het vuur en hij werkt af met zijn krachtig eindschot. Jammer genoeg is dat in het moderne wielrennen de renner die ver komt.
”Ik reed in Montréal met Gerrans in mijn wiel naar de kopgroep toe. Daarna heeft hij geen meter aan de kop gereden, want hij wachtte op zijn ploegmaats en hij is sneller dan de rest. Vooraan rijden weinig renners door, want dat is tegen de ploegconsignes, achteraan rollen Gerrans’ ploegmaats de rode loper uit. Andere ploegen helpen hen daarbij want in het moderne wielrennen levert ook een vierde plaats veel WorldTourpunten op. Gevolg: de aanvallers komen altijd terug en de sprinters kapen de punten weg.” Carlos Betancur wint Parijs-Nice: daar komen de Colombianen (opnieuw).
”Betancur en ik rijden volgend jaar samen bij AG2R. Ik had begrepen dat hij eerst moest vertrekken, maar hij zou nu toch blijven. Betancur is een fenomeen. Naar het schijnt doet hij er niks voor. Hij reed de Vuelta met tien kilo overgewicht. Als je hem bij de start ziet staan, denk je: er komt een wielertoerist meerijden. In Parijs-Nice woog hij nog 5 kilo te veel, maar toch was hij al onnoemelijk goed.
”Colombianen hebben in een dopingvrij wielrennen misschien een natuurlijk voordeel. Ze vertoeven maandenlang op grote hoogte en dus is het logisch dat ze uitblinken. Hun dominantie kan zelfs een indicator zijn voor de zuiverheid. In epotijden waren er weinig Colombianen die potten braken, omdat half Europa met een kunstmatig hoog hematocriet reed.” Alberto Contador wint Tirreno Adriatico en de Ronde van het Baskenland, en de Vuelta met een gebroken been.
”Hij is ook een van de figuren van 2014, ongetwijfeld. Ik reed een paar plaatsen achter hem toen hij tegen 80 per uur over de kop ging in de Tour. Dat was een klap hoor. Dat hij zo terugkwam, was heel knap. Goed, het zal wel geen open beenbreuk zijn geweest, meer een barst. Ik ken dat een beetje. In een bepaalde Giro had ik veel pijn na een val, maar men vond niks. Later stelde men bij een scan een barstje vast. Ik zou dus kunnen zeggen dat ik ooit de Giro heb uitgereden met een gebroken bekken.
”Waar ik ook weinig geloof aan hecht, is dat verhaal van John Degenkolb dat hij in het ziekenhuis een week aan de antibiotica lag met een ontsteking. En dan negende worden op het WK? Ik denk hij na zijn goede Vuelta naar het ziekenhuis is gegaan voor een selfie, vooral om de druk wat weg te halen.” Alexander Kristoff wint Milaan-Sanremo en later ook de Vattenfall Cyclassics.
”Nog een figuur van het jaar. In het begin van het seizoen was het nog: ‘Alexander wie?’ Nu is hij een belangrijke factor in het peloton. Kristoff won in de Tour ook een paar ritten, meestal niet de makkelijkste. Op het WK hielden we rekening met hem.
”Maar Milaan-Sanremo zal me bijblijven vanwege het slechte en koude weer. Dat sloopt je ongelooflijk, net als het WK. Je rijdt daar ergens diep in Spanje over wegen die nat liggen en krijgt al dat vuil in je gezicht. Wat daar allemaal op die wegen drijft, ook in Italië – dode dieren, afval, smeerlapperij – daar mag je niet te veel over nadenken. Na de wedstrijd in Ponferrada kreeg ik die zwarte smurrie niet van mijn huid gewassen. Uiteraard krijg je dat binnen in je lichaam.” De Vlaamse klassiekers: iedereen wint, behalve de Belgen.
”Dat Vlaamse renners minder winnen, is een trend die zich nog zal doorzetten. Zijn wij minder goed? Dat weet ik niet. Renners als John Degenkolb, Geraint Thomas en Bradley Wiggins waren vroeger exoten in onze koersen, maar nu komen ze hier ook punten pakken. Wat net iets makkelijker gaat en waarvoor ze zich niet moeten uithongeren. Maar ik denk dat Sep Van Marcke volgend jaar zal meespelen voor de overwinningen, en Greg Van Avermaet ook, al heeft die dit jaar enkele unieke kansen laten liggen. Een andere goede Vlaamse renner die eraan komt, is Tim Wellens. Een sterke coureur en een aanvaller.
”Peter Sagan won Harelbeke, en dat was ongeveer het enige dit jaar. Er wordt snel gezegd dat een renner over de top is. Neem Joaquim Rodriguez. Hij viel hard in de Amstel God Race en daarna opnieuw in de Giro. De Tour reed hij als voorbereiding, met weinig stress maar niet op niveau. Ik denk dat hij een pechjaar heeft gehad. Zo blijkt – gelukkig maar – dat zo’n toprenner ook maar een mens is.” In de Gold Race wint Philippe Gilbert, en in Luik-Bastenaken-Luik wordt niet gekoerst.
”Dat Philippe Gilbert op de Cauberg wint, ligt geheel aan Gilbert. Hij is de enige die dat kan. De nivellering is enorm, en in Luik-Bastenaken-Luik is geen meter gekoerst. De sterkste renners krijg je er niet meer af. De dopingbestrijding is gewoon te goed: de koers is niet meer om aan te zien (lacht).
”Daar komt ook nog eens de tactiek van de grote ploegen bij, die heel strikt bepalen wie waar en wanneer mee mag springen. Meestal is dat iemand blij maken met een dode mus, want je mag wel mee springen, maar je mag niet overnemen, waardoor de ontsnapping doodbloedt.” In de Dauphiné is Jan Bakelants een van de vier Belgen die winnen in de WorldTour.
”Normaal gezien moest ik naar Zwitserland, maar op het laatste moment selecteerde de ploeg me voor de Dauphiné, om voor Kwiatkowski te rijden. Maar die stapte af, en Gianni Meersman ook, en toen mocht ik mijn kans gaan. De benen waren al een tijdje goed en ik won die rit. Was ik in Zwitserland geweest, dan had ik in de laatste rit – waarin Tony Martin voor zichzelf op kop moest rijden en de ronde daar verloor – voor hem moeten rijden en had hij misschien wel gewonnen. Jammer voor Tony, maar voor mij was het goed: ik won een rit.” Vincenzo Nibali overklast iedereen die niet viel in de Tour de France.
”Ik denk niet dat ik op de lijst stond voor de Tour, maar ik was zo sterk in de Dauphiné dat ze niet meer om mij heen konden. Hoewel ik met een bronchitis startte en in de derde rit zwaar viel, was ik vanaf de tweede week veel in beeld. De afwerking was minder. Mijn hoofdtaak was overigens bij Kwiatkowski te blijven in de bergen. Zijn Tour viel tegen, ik denk dat hij zich voortaan beter op ritwinst dan op het klassement concentreert.
”Vincenzo Nibali was heel sterk en wellicht zelfs sterker dan Froome en Contador. Uit alle berekeningen blijkt dat hij op de lange klimmen het verschil had kunnen maken. In hoeverre prestaties op basis van klimtijden verdacht zijn, dat blijft de vraag. Ik weet wel dat de fietsen altijd maar beter bollen. Ik heb dit jaar weer een paar wedstrijden met keramische lagers gereden. Het zijn maar vier watt, zeggen ze, maar als je vijf keer vier watt kunt winnen, scheelt dat toch.” De prestatie van het jaar was de tweedaagse van Tony Martin in de Vogezen.
”Die heb ik met gezonde jaloezie beleefd (lacht). Tony was al heel goed in de Ronde van Zwitserland. Ik dacht dat hij dat niveau niet zou kunnen volhouden, maar hij werd steeds beter. Voor de bewuste negende rit naar Mulhouse – waar Tony honderd kilometer op kop zou gaan rijden – waren de consignes dat een van ons beiden bij Kwiatkowski moest blijven.
”Ik had die ritten speciaal verkend. Tony viel al meteen aan. Ik dacht: dat lukt nooit. Het lukte ook niet, en kort daarna was ik met twintig man weg. Astana reed het gat dicht. Boven op het plateau van de Schlucht vertrok Tony samen met Alessandro De Marchi, die in mijn groepje zat. In een afdaling, de slechtst mogelijke plek om weg te rijden. Ik zat klaar om zelf te springen als we ze zouden inlopen. Maar Tony bleef vooroprijden, ook toen een groepje van dertig achter hem aan ging.
”Elke normaal denkende mens laat zich inlopen, maar ik kon mijn oren en ogen niet geloven. Er werd snel gereden in het peloton, maar we zaten al op tien minuten. In het groepje achter Martin reed Europcar vol op kop, maar ze kwamen geen seconde dichter, integendeel. Het was een ongelooflijk nummer. Daarna reed hij ook De Marchi uit het wiel, zonder te demarreren. Ik kwam De Marchi tegen op stage in Livigno en het zat hem nog altijd hoog. De afspraak was dat hij tweede zou worden, maar Tony vertrouwde het niet – De Marchi was tenslotte een Italiaan. Ik kan hem geen ongelijk geven.
”Een dag later was er een rit die ik ook had verkend. Ik moest die dag weer bij Kwiatkowski blijven, maar in de regen, terwijl ik achteraan mijn vestje aantrok, reed die samen met Tony Martin weg. Slim was dat niet, maar anderzijds zou ik dat ook wel eens willen: Martin die mij op sleeptouw neemt. Wat een fenomeen.” Verdienstelijke Belgen op het WK in Ponferrada.
”Er is ook op dit WK niet gereden. Ronde na ronde zat ik op de prik van de Spanjaarden te wachten en op het moment dat ik zou moeten lossen. Het kwam maar niet. Kwiatkowski is weggegaan in de afdaling en heeft de laatste drie minuten aan 503 watt gereden. Dat is de inspanning die hem wereldkampioen heeft gemaakt.
”Ik ken Michal Kwiatkowski goed, want ik was vaak met hem op pad. Zijn knapste wedstrijd reed hij in de Ronde van het Baskenland, waar hij in vijf ritten derde werd. Dat is moeilijker dan er twee winnen. Hij is een heel aardige gast en een waardige wereldkampioen. Ik heb hem ooit de nieuwe Merckx genoemd.
”Het verschil tussen de Polen die vooropreden en de Belgen die er tussen hingen, was die ene kopman. Die hadden wij natuurlijk niet: Boonen, Gilbert en Van Avermaet waren kopmannen en Sep Van Marcke dacht ook een kans te hebben. In de meeting was gezegd dat die vier er in de laatste ronde bij moesten zijn. Ik en Tim Wellens moesten mee springen bij een ontsnapping.
”Als de kans zich voordoet, demarreer ik – zeker in een koers waarin niet wordt gekoerst. Maar ik was zo slecht dat ik er zelfs niet aan dacht. Ik voelde dat er iets met me scheelde. Dat bleek achteraf ook uit de cijfers. Ik had de hele dag een gemiddeld vermogen van 240 watt getrapt. Tijdens mijn zwaarste vijf minuten ging ik niet boven 400 watt, terwijl ik in de Ronde van Wallonië nog 450 haalde. Mijn gemiddelde hartslag was 151, wat veel te hoog was. Dan ben je zo slecht, maar hang je er wel nog aan in de laatste ronde. Conclusie: de rest was ook niet goed. Voor mij was dit een gemiste kans.” Jan Bakelants verlaat OPQS en rijdt in 2015 voor AG2R, de Franse ploeg met de lelijke bruine uitrusting.
”Ik vind die uitrusting niet zo lelijk. Ze houden er tenminste aan vast. Ik denk dat AG2R een goede ploeg is. Omega Pharma-Quick Step is natuurlijk een grotere ploeg. Ik had overigens de indruk dat manager Patrick Lefevere me wilde houden, maar ik kon niet langer wachten en koos voor AG2R. Financieel ga ik erop vooruit.
”Als niet-kopman zit je vaak tegen een glazen plafond aan. Je moet je kansen opofferen, maar je verdient ook minder. De kans dat je doorbreekt, is bijna nihil. Ik denk dat het systeem-Sky het beste is. Daar betalen ze renners bovengemiddeld om op kop te rijden en hun kansen op te offeren. In onze ploegen is dat niet het gebruik.
”Dat ik meer kansen zou krijgen als ik socialer zou zijn? Dat kan. Ik ben geen sociale mens, maar Tony Martin is dat ook niet en die komt er wel mee weg. Aan tafel met de ploeg eten vind ik normaal en ik amuseer me ook wel, maar na drie weken met dezelfde mensen samen heb ik het wel gehad. Als ik op de rustdag een kans zie om een moment voor mezelf te hebben en alleen los te rijden, dan doe ik dat.” Sms op woensdag van Jan Bakelants: “Slecht gevoel is bevestigd. Ik heb klierkoorts. Seizoen is afgelopen.”
‘My ride, my fight, my life’. De tattoo in rococoletters op de iele coureursborst had een artdirector kunnen gebruiken, maar de tekst vat het ongeveer samen. Tom Boonen hééft gereden, heeft ook gevochten en heeft ook geleefd. Volgende maand wordt hij 34 en gaat zijn laatste contractjaar in. Dan vraagt een mens zich af: wat drijft deze man nog?
2014 was geen te best jaar, zoals de meeste van de laatste Boonen-jaren, het wonderjaar 2012, waarin hij twee kasseiklassiekers won, even buiten beschouwing gelaten. Hij startte goed, was klaar voor het voorjaar en toen kreeg zijn vriendin Lore een miskraam. Hij reed nog wel een goede Parijs-Roubaix, maar alles zat tegen. Later was het BK een doel, maar daar verloor hij in de sprint van Jens Debusschere. En zo zijn we na wat vakantie en een aanloop via de Eneco Tour en de Vuelta al bij het wereldkampioenschap, zijn laatste grote afspraak, zijn laatste grote kans om een mooie prijs te rijden.
“Een mooie prijs is de eerste plek, de enige die telt in een kampioenschap. 2014 lijkt niet goed, maar ik was in blakende vorm. In Parijs-Roubaix was ik de sterkste. Toen ik vooraan kwam aansluiten bij allemaal jongens die een klassement konden rijden, knepen ze de remmen dicht. Op dat moment zat ik daar nog als enige van mijn ploeg. Niki Terpstra was niet gevolgd toen ik naar dat groepje reed. Even tevoren was ik lek gereden en had ik ze één voor één moeten inhalen. Toen het vooraan stilviel en niemand nog wilde rijden, kwamen de achtervolgers weer aansluiten, met daarbij Niki. Toen die ging, wist ik meteen dat we hem niet meer terug zouden zien. Natuurlijk ging ik er niet achter, en die anderen konden niet of hadden geen goesting meer. In de koers wint de sterkste niet altijd, maar Niki was wel beresterk.”
Hoe is het moreel? Toen je terugkeerde in het peloton deze zomer, zag je Zdenek Stybar in de Eneco Tour een doodsmak maken. Dat heeft er aardig ingehakt bij jou.
“Niet overdrijven, hoor. Op het moment zelf misschien en ook nog een dag erna. Twee dagen later rij je weer gewoon mee. Natuurlijk was het schrikken: Zdenek en ik zijn goede vrienden. Toen ik hem zag , ben ik gestopt. Ik wilde hem oprapen, maar liet hem uiteindelijk liggen omdat ik dacht dat er iets met zijn nek of zijn hoofd was. Toen hij een teken van leven gaf, vroeg ik of hij oké was. Daarop ging hij zelf rechtop zitten, maar er liep bloed uit zijn oren. Ik dacht: ‘Dit is niet goed.’ Gelukkig bleek het bloed van zijn neus te komen.
“Kijk, vallen hoort erbij, maar die dranghekken met die uitstekende pootjes niet. Valpartijen kunnen ze nooit vermijden, maar vallen als je wiel tegen zestig per uur blokkeert tegen zo’n pootje, dat wel. Het bestaat toch niet dat die dranghekken nog in de aankomstzone worden geplaatst? Ik heb als belofte nog geweten dat een renner viel door zo’n dranghek en een oog verloor. Die dingen staan daar nog, alsof wij een fanfare zijn die voorbijwandelt.”
Patrick Lefevere zei na een verloren sprint in de Vuelta dat de jonge Boonen had gewonnen, waarmee hij bedoelde dat de oude Boonen voorzichtig is geworden.
“Weet je hoeveel ritten de jonge Boonen in de Vuelta heeft gewonnen? Geen. Het is makkelijk om telkens als het misgaat te zeggen: hij is bang. Soms gaat het ook gewoon mis. In die bewuste sprint zat ik waar ik wilde zitten en Jens Debusschere zat bij mij. Die is jonger en misschien nog meer een waaghals dan ik, maar hij zat ook ingesloten. En dan passeren er links nog twee kamikazes. Die gokken goed en halen het.
“Toen ik jong was, was ik ook vaak bang in de sprint, zeker in sprints waar positie kiezen belangrijk is. De sprints die ik won, waren er allemaal op pure snelheid. Met een treintje, jawel, maar netjes afgezet en dan puur op snelheid tegen de anderen. Meestal had ik dat procentje extra.
“Het is tegenwoordig niet altijd meer de snelste die wint, maar wel wie in de beste positie zit of wie het meeste waagt. Dat is het gevolg van al die aankomsten die natúúrlijk in het stadscentrum moeten arriveren en die natúúrlijk gericht zijn op spektakel en vooral níét
op veiligheid. Als ik die zie, denk ik: zoek het maar uit, hier doe ik niet aan mee, dit is iets voor de jonge gastjes. Maar als ik me niet vergis, heb ik dit jaar nog wel een paar mooie sprints gewonnen. Rechttoe rechtaan op snelheid, dat wel. Zoek eens uit hoeveel sprinters van 33 zich daar nog in mengen?”
Verbazingwekkend hoe er met jullie wordt gesold en hoe jullie dat allemaal dulden. De Vuelta start in augustus in Andalusië en jullie klagen over de hitte. Dat weet je toch?
“Heb ik geklaagd dan? Het was warm en dat sloopt je, maar ik heb in die hele Vuelta geen probleem gehad. Wij hebben factor 50 om ons in te smeren, en dat doe ik van kop tot teen. (lacht) Van Bodysol natuurlijk. Tegen de warmte kun je je nog wapenen, tegen de koude niet. Ik heb meer problemen met de Milaan-Sanremo’s van de voorbije jaren en zeker vorig jaar. Onderkoelde renners die eigenlijk beter naar het ziekenhuis zouden gaan even in de bus zetten en na een uur verkleumd weer doen starten, dat is pas overdreven.”
Een rennersvakbond zou kunnen helpen.
“Die is er nu maar dat is een lachertje. Niet koersen als het gevaar te groot is, lijkt ook mooier dan het is. In het voetbal heb je geen wedstrijd als één ploeg niet speelt. Als in de koers een ploeg niet wil starten, zijn er negentien andere die dat wel willen. Het probleem ligt bij de overdreven macht van de organisatoren. Zij doen met ons wat ze willen. Als er iets zou moeten komen, dan is dat een controle op aankomsten door een onafhankelijke instantie bemand met drie ex-profs.”
Wielrennen is samen met bergbeklimmen een van de weinige sporten die minder veilig zijn geworden. Formule 1 bijvoorbeeld…
“… is veel veiliger dan wielrenen. Wielrennen is als het formule 1 van de jaren zeventig. In hun slechtste periode hadden ze drie, vier dode rijders per jaar. Ik denk niet dat wij daar ver af zitten. Dat we op de openbare weg rijden, heeft daar veel mee te maken. Op de duur neem je de risico’s erbij. Ik voel me redelijk onmachtig tegen dat gevaar en denk ook niet dat ik het ga kunnen veranderen.”
Dat fatalisme begrijp ik niet. Naar jou wordt geluisterd.
“Wat wil je dat ik doe? Moet ik in de hele wereld alle bloembakken en rotondes persoonlijk weghalen? Het is jammer dat ik het moet zeggen, maar vallen is een deel van het wielrennen en zal dat altijd blijven, misschien zelfs alsmaar meer. Zoals de F1-rijders van vroeger moeten we ons erbij neerleggen dat we af en toe zwaar op onze bek zullen gaan.”
Zie je dan geen oplossingen?
“De tijdslimiet bij massaspurts op drie kilometer leggen. Wie dan niet voorin rijdt, verliest geen tijd bij valpartijen. Dat zou helpen. Maar dan nog rij je met honderd man naar de streep, want iedereen denkt tegenwoordig dat hij kan winnen. Dat is het verschil met de prehistorie van de koers: er wordt harder gereden dan ooit door meer renners. Kleinere ploegen van zes? Het is een illusie te denken dat ze dan trager zullen rijden. Dan wordt die sport nog zwaarder, en dat is ook geen oplossing.
“Weet je, ik voer die gesprekken over het peloton van vroeger en nu niet graag. Ik wil niet als een oude zaag klinken. Ik heb te lang met Servais Knaven op de kamer gelegen. Op het eind begon hij ook te zeuren. Ik dacht altijd: ‘Tom, als je zo begint, is het tijd om te stoppen.’ Ik weet nog goed genoeg wat ik vroeger allemaal uitstak in een wedstrijd. Er zijn nu wedstrijden dat ik het laat gebeuren, maar er zijn nog genoeg wedstrijden – mijn klassiekers – waar we met tien man naar een bocht gaan en ik de laatste zal zijn om te remmen.”
Je bent 34 jaar. Voel je de leeftijd?
“Eerlijk waar: neen. Ik verdraag alle trainingen en alle wedstrijden als in mijn beste jaren. Men zegt dat je de leeftijd het eerst voelt bergop, maar ik reed in de Ronde van Spanje heel goed bergop. Ik vind zelfs dat ik fysiek sterker ben geworden, taaier misschien. Vroeger zag ik veel meer af in een koers dan nu. Er waren dagen dat ik de Vuelta meereed met overschot, terwijl er aardig werd gekoerst. Met die warmte en elke dag drieduizend hoogtemeters hadden ze mij vroeger na een week moeten opvouwen en terugsturen naar België.”
Wat heb jij met het WK? Je lijkt erg gemotiveerd.
“Ik ben wereldkampioen geweest, ik weet wat het is. Door blessures heb ik een aantal WK’s gemist, zoals Geelong en Kopenhagen, die me op het lijf waren geschreven. Als een WK niet meer motiveert, is het echt tijd om te stoppen. Ik schat een wereldtitel hoger in dan de Ronde van Vlaanderen of Parijs-Roubaix.
“Het parcours lijkt behoorlijk zwaar en daar heb ik niks op tegen. Spaanse wegen zijn meestal breder dan in Frankrijk, waardoor je een mooie snelheid kunt aanhouden. Er zijn ook weinig obstakels die de snelheid afremmen. Klimmen is voor mij geen probleem, maar het mag niet meteen steil worden na een haakse bocht en dat gedurende kilometers aan een stuk. Mijn Spaanse ploegmaat Carlos Verona heeft er het Spaanse kampioenschap gereden en zei me dat het goed loopt.”
Het was even opkijken toen je tijdens de Ronde van Spanje verwees naar het wattage dat je moest trappen. Wetenschap zijn we van jou niet gewend.
“Neen, dat weet ik. Ik rijd met een vermogensmeter, maar eigenlijk doe ik daar niks mee. In die etappe zag ik wel dat ik 700 watt aan het trappen was om bergop de kopgroep te volgen, en dat kon ik dus niet volhouden. Dat ligt aan mijn gewicht. Ik train vooral op gevoel. Ik heb wel eens een schema laten opstellen door een van onze trainers, en dat scheelde geen 5 procent van wat ik in gedachten had. Als je na al die jaren niet weet wat je nodig hebt als wielrenner, ben je geen wielrenner.
“Je gelooft me niet? Iedereen moet dat voor zichzelf uitmaken. Ik ga trainen en achteraf kijk ik wat ik heb geduwd. Welnu, op de Rozier (lange klim in de Ardennen, HV) weet ik op vijf watt na wat ik heb geduwd. Ik heb anderzijds wel een trainer voor de krachttraining
en de stabiliteitsoefeningen. Die doe ik met Sam Verslegen, die vroeger ook Kim Clijsters begeleidde. Daarnaast worden we prima opgevolgd door de Bakala Academy.”
Wat je trapt aan watt zal de doorslag niet geven dit weekend om kopman te zijn, wel wat je op tafel legt. Hangt dat gedoe met drie kopmannen en twee half beschermde kopmannen en een bondscoach die geen knopen doorhakt je de keel niet uit?
“Och, ik laat daar mijn slaap niet voor. Alles wijst zich uit op de dag zelf. Ik heb de indruk dat het voor alle Belgen een zwaar seizoen is geweest. De vraag zal worden gesteld: wie denkt dat hij kan winnen? Er zullen er een paar hun hand omhoog steken en bij sommigen zal ik denken: als je op een ander niet hebt gewonnen, zal het hier ook niet lukken. In de koers valt alles wel in de juiste plooi. Ik heb nog geen enkel WK geweten waar dat een probleem werd.”
In dat geval kan iemand tegen jou zeggen: ‘Ja maar, Boonen, behalve Kuurne-Brussel-Kuurne heb je ook niks gewonnen.’
“Het voorjaar telt sowieso niet meer mee. Het is de vorm net voor het WK die telt. Pieken kun je wel aan mij overlaten. Drie weken voor het WK wist ik al hoever ik van mijn beste vorm af zat. Ik heb nog de ploegentijdrit gehad en die specifieke trainingen, maar verder heb ik ook gerust. Dat is het voordeel van een dagje ouder zijn: je weet precies wanneer het komt. Als je jezelf maar inprent dat het gaat komen, dan komt het ook. Precies: ik ben niet alleen mijn eigen trainer, maar ook mijn eigen sportpsycholoog. De besten hebben niemand nodig (lacht).
“Serieus, ik denk dat jonge gastjes te veel in de watten worden gelegd. Ze zijn zestien, zeventien, en ze hebben een trainer, een psycholoog en een voedingsdeskundige. Die leren niks meer uit zichzelf. Het kan echt geen kwaad om eens met je kop tegen de muur te lopen en zelfs meer dan één keer. Ik heb daar veel uit geleerd. Bijvoorbeeld wat werkt en wat niet werkt.”
Sorry, maar jij bent de norm niet. Kasseikoersen zijn dat ook niet.
“Daar ben ik het mee eens. Toevallig waren dat mijn beste wedstrijden, al wil ik wel een misverstand uit de weg ruimen: ik heb op training geen vijftien keer over kasseien gereden. De kunst van het winnen op kasseien is zo weinig mogelijk op kasseien rijden. Zeker in de wedstrijd. Neem de foto’s van mij van Parijs-Roubaix er maar bij. Wat doen kasseien? Ze trekken energie uit je lichaam. Blijf er dus zoveel mogelijk af. Ik rij van de 55 kilometer kasseistroken misschien 25 kilometer effectief op de stenen. Die rij ik zo hard mogelijk en de rest rij ik in het gootje. Ik kan nu eenmaal goed sturen.”
Er gaat veel Vlaams talent verloren dat op de Kwaremont Boonen probeert te zijn.
“En dat is verkeerd. Er gaat sowieso veel talent verloren door de aard van onze koersen. Alles, van kermiskoersen over interclubs en jeugdklassiekers, is gericht op de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix en aanverwanten. Met als gevolg dat vooral de sterke jeugd overleeft en dat de rest van het kastje naar de muur wordt gereden. Potentiële klimmers – zeg maar onze nieuwe Contadors, die wij ook hebben – screenen we niet. Ze stoppen soms nog voor ze junior zijn omdat we hun geen kansen geven om zich specifiek te ontwikkelen.
“Ik denk dat de nieuwe wielrenner 1 meter 80 groot is en 70 kilo weegt. Daar moeten we op inzetten en beletten dat die stoppen met fietsen als ze blijk geven van een grote motor. Gasten als ik – 1 meter 94 voor 80 kilo – zullen er ook nog zijn, maar worden uitzonderingen.”
Heb je genoeg gewonnen in je carrière?
“Misschien had ik ook andere koersen kunnen winnen, maar dat zullen we nooit weten. Ik was op mijn best in de klassiekers van het noorden, en daarvan heb ik er zeven gewonnen. Belgische talenten moeten mij vooral niet imiteren. Het wielrennen van de toekomst zijn niet die wedstrijden op kasseien en kaskes. Dat voel ik goed genoeg, want in die 80 procent andere wedstrijden die ik rijd, hang ik met mijn 80 kilo tussen mijn kader.
“Je moet nu ook in alle wedstrijden vooraan kunnen rijden en punten pakken. Wie punten pakt, krijgt betaald. Ik ben misschien de laatste die heeft kunnen teren op een aantal wedstrijden per jaar waarin ik altijd een prijs rijd.” (Boonen staat pas 66ste in de ranking en is achtste Belg. Hij behoort wel tot de top vijf van beste verdieners in het peloton, HV.)
Vermaak je je nog in het wielrennen?
“Ja, al zijn de randzaken er soms te veel aan. Daarom blijf ik ook weg uit de Tour. Ten eerste kan ik er niet veel gaan doen, en ten tweede is het me daar te hectisch. Van in het begin word je afgejaagd in de oortjes: ‘Pas op, vooraan zitten, pas op dit, pas op dat.’ Voor je nog maar start, wil iedereen al uitleg. Daar heb ik geen zin meer in.
“Ik heb nog een jaar een contract na dit seizoen en dan zien we wel. Ik kan nu niks zeggen, maar de drukte rond mijn persoon gaat wel zwaar wegen. Toen ik vóór de Vuelta mijn haar had afgeschoren en een onschuldig fotootje op instagram had gezet, werd dat overgenomen op de nieuwssites als groot nieuws. Dat gebeurde dus door volwassen mensen die dat breaking news vonden. Dan breekt mijn klomp, zeggen de Nederlanders.”
Prijs je gelukkig dat het je kale kop en je baard zijn waarmee je tegenwoordig in het nieuws komt. Vijf jaar geleden was het anders.
“(denkt na) Daar zeg je wat. Misschien wel, ja. Ik ben dan ook gekalmeerd, fel gekalmeerd zelfs.”
Cultuur zal in 2014 net geen 480 miljoen euro hebben gekregen van de begroting van de Vlaamse overheid. Per Vlaamse inwoner is dat 75 euro. Sport kreeg net geen 130 miljoen euro, ongeveer 20 euro per inwoner. De hele topsport krijgt in Vlaanderen 24 miljoen euro overheidsgeld. Alleen al de Koninklijke Muntschouwburg krijgt, weliswaar uit nog een andere pot, 33 miljoen euro subsidie.
De sporttrainer wordt, als hij al wordt vergoed, door zijn sporters betaald; de muziekleraar door de Vlaamse overheid. De sportsector is veruit de grootste sociale deelsector in Vlaanderen, maar veruit de minst gesubsidieerde.
Ooit waren het boeren die zeurden, nu is dat cultuur, terwijl de sport veel meer reden heeft tot klagen. We moeten ons gelukkig prijzen dat de cultuur geen traktoren heeft, maar hoogdravende manifesto’s, zoals: besparing op cultuur werkt de verzuring en verruwing van onze maatschappij in de hand! Is dat zo? Er zullen door de besparing jobs sneuvelen! Ja, maar er sneuvelen overal jobs en dat is al een tijd aan de gang.
Heeft men ter compensatie voor de 7 procent besparingen al gedacht aan een prijsverhoging? De consument van de gesubsidieerde cultuur behoort doorgaans tot de betere klasse die de luxe heeft om binnen het persoonlijk budget aan cultuur te doen. Ik heb ook die luxe, maar ieder zijn folie: ik prefereer een nieuwe koersfiets.
Zomaar een voorbeeld. Het dansgezelschap Rosas wordt getroffen door besparingen. Zal een minder bedeelde inkomensklasse binnen onze Vlaamse cultuurminnende bevolking moeten afhaken, als Rosas de prijzen van de tickets verhoogt? Natuurlijk niet. Er zijn genoeg studies die aantonen dat men meer wil betalen voor een voorstelling dan de vraagprijs. Het omgekeerde is niet waar. Rosas mag nog 1 euro vragen per voorstelling, of zelfs open deur houden, er zal nooit een kansarme Roma-familie komen kijken.
Noemen we een kat toch gewoon een kat: de subsidieverhoudingen in dit land zijn scheefgetrokken. In één en dezelfde legislatuur was Bert Anciaux tegelijk de slechtste minister van Sport en de beste minister van Cultuur ooit. Het is duidelijk waarom. Dankzij hem werd cultuur overgesubsidieerd en bleef sport het ondergeschoven kindje op het ministerie van Cultuur. Maar sport protesteert niet en schrijft ook geen manifesten. Dat is niet altijd slim want zo slikken ze elke besparingsronde, tot ze zullen moeten vaststellen dat de sport onbetaalbaar of – erger – niet meer veilig kan worden georganiseerd.
Hoeveel Vlamingen zou onze gesubsidieerde cultuursector bereiken? Weten ze eigenlijk wel hoeveel cultuurconsumptie er is? De sportclubs in Vlaanderen hebben 1,4 miljoen leden, die effectief lidgeld betalen, en volgens de KU Leuven doen 3,8 miljoen Vlamingen geregeld aan sport.
De sport en de sportvereniging zijn bovendien de grootste democratiserende en integrerende krachten voor een maatschappij. Dat is cultuur niet. Ondanks het vele geld dat haar is toebedeeld, is dat altijd een passe temps voor een elite gebleven.
Met andere woorden: de familie Roma zal nooit de weg naar het toneel vinden, maar met de juiste impuls wel naar de sportclub. Zouden we daarom niet beter inzetten op sport? Het is wachten op de regering die de bedragen voor cultuur en sport omwisselt.