Verhaal over werelduurrecord in De Morgen van 13 sep 2014

60 minuten helse pijn

Volgende week is The Merckx voltooid verleden tijd. Onze nationale Eddy was de maat der dingen voor het werelduurrecord, maar daar komt verandering in als Jens Voigt op 18 september namens fietsenmerk Trek een nieuwe standaard neerzet. Voigt is de wegbereider voor de echte kanjers zoals Fabian Cancellara, Bradley Wiggins en Tony Martin.

‘Nooit tevoren heb ik zo’n pijn gehad en ik heb ook achteraf nooit meer die pijn gevoeld”, zei Eddy Merckx later over zijn geslaagde recordpoging. Toen hij op 25 oktober 1972 klaar was, in de ijle lucht van Mexico City, moesten zijn manager en enkele omstanders hem krom van verzuring van zijn fiets trekken.

Een werelduurrecord breken betekent een uur lang fietsen aan 90 tot 95 procent van de VO2max, de zogeheten maximale zuurstofopname. 80 procent van de arbeid die door zijn spieren werd geleverd, was aeroob, met gebruik van de aanwezige zuurstof in het bloed, maar het waren die andere 20 procent anaerobe energie die het verschil maakten. Die zorgden ook voor de pijn, die van bij de eerste minuten optrad en steeds erger werd.

Na één uur had Merckx, ondanks de verzuring, 49,431 kilometer gefietst, 778 meter meer dan de vorige recordhouder, de Deen Ole Ritter.Het record zou 28 jaar staan, tot Engelsman Chris Boardman in 2000 tien (!) meter beter deed. Hadden de Merckx van 1972 en de Boardman van 2000 samen gereden, het verschil was amper zeven tienden geweest.

Voor alle duidelijkheid, niet Merckx en ook niet Boardman, maar de illustere Tsjech Ondrej Sosenka bezit vandaag het record. Althans in The Merckx-posture, de Merckx-houding, de internationale standaard met een klassieke baanfiets en een krom stuur. Sosenka reed in 2005 49,700 kilometer ver in zijn ene uur van glorie.

Bidsprinkhaan

Op 11 mei 1893 werd voor het eerst door een mens een uur lang rondjes gereden op een wielerbaan. Henri Desgrange, tien jaar later de stichter van de Tour de France, reed 35 kilometer en 325 meter. Zijn record zou 35 keer worden verbeterd, al dan niet op dezelfde fiets.

Waarmee we meteen bij de verwarring zijn beland. Hét werelduurrecord bestaat al dertig jaar niet meer, sinds 19 januari 1984, toen Francesco Moser op een ietwat vreemde fiets met een kleiner voorwiel 50,8 kilometer ver reed, ook in Mexico.

Er waren voortaan drie records. Eén volgens Merckx (sinds 2000 officieel het UCI hour record), één met een aangepaste aerodynamische fiets (sinds 2000 de UCI best human effort) en een derde waarin alles is toegelaten zolang de kracht maar van de mens komt. Dat laatste record is een buitenbeentje en behoort sinds 2011 toe aan ene Francesco Russo, bedraagt 91,556 kilometer en werd gevestigd in een soort rijdende sigaar op een ovaal autocircuit.

Het record van de Schot Graeme Obree, die beter deed dan Moser en dat later zou worden bijgeschreven in de categorie best human effort, werd gevestigd op zijn experimentele fiets in de zogeheten bidsprinkhaanhouding: de armen samen en voor hem, maar dicht bij zijn lichaam.

Miguel Indurain en twee keer Tony Rominger zouden in de tijdrithouding met een klassiek triatlonstuur nog eens het record scherper stellen, maar uiteindelijk zette Chris Boardman op 6 september 1996 in de nieuwe velodroom van Manchester 56,375 kilometer op de tabellen. Hij deed dat – op een door Merckx gebouwde tijdritfiets – in de zogeheten supermanhouding, waarbij hij zijn armen op een heel lang tijdritstuur haast helemaal vooruitstak.

Lastig voor de rug en de heupbuigers is dat, maar wel super-aerodynamisch, getuige zijn prestatie toen hij vier jaar later op een klassieke fiets het record van Merckx met maar tien meter verbeterde.

Aan die verwarring met twee verschillende records komt nu een einde. Het was een van de eerste maatregelen die de nieuwe voorzitter van de UCI, Brian Cookson, uitvaardigde: een werelduurrecord mocht voortaan worden gevestigd op een fiets die was goedgekeurd voor om het even welke baandiscipline. In de praktijk zal dat altijd de achtervolgingsfiets worden. Ook de volle wielen mogen voortaan.

Zo wordt het werelduurrecord in eer hersteld. Ooit was het een jaarlijks fenomeen: de zestig minuten durende strijd van de wielrenner tegen zichzelf, de baan en de verzuring. Sinds 2000 was de lol er af, maar nu kan er weer naar worden uitgekeken.

De kans is levensgroot dat Jens Voigt donderdag in het Zwitserse Grenchen de afstand van Sosenka overtreft. Verpulveren zal wat lastig worden, want hoewel Voigt het dus mag doen op een achtervolgingsfiets in een houding die hem veel minder luchtweerstand oplevert, is hij niet de tijdritmachine die Sosenka wel was. De grens van 50 km per uur haalt Voigt bijna zeker.

Voigt is al 42 en reed vorige maand in de Colorado Tour zijn laatste wedstrijd. Hij zegt dat hij zijn naam op de tabellen wil bijschrijven, “voor mijn kleinkinderen”. Dat zal wel, maar Voigt doet het met de hele machinerie van Trek achter zich en is de proefbuisbaby in het project dat Fabian Cancellara ooit in gang heeft gezet. De Zwitserse hardrijder had voor 3 augustus van dit jaar in Mexico een recordpoging gepland, maar die werd door de plotse modernisering van de reglementen in pauzestand gezet. Trek kon er niet om lachen dat ineens de regels veranderden, maar bleef het plan toch trouw.

In de klassieke Merckx-houding zou Cancellara bijna zeker de beste van de huidige generatie hardrijders zijn geweest. Ook Bradley Wiggins en Tony Martin hebben hun interesse getoond in het werelduurrecord. Beiden zijn het gewend een uur lang in een aerodynamische houding te liggen, maar Cancellara rijdt ook bijzonder hard zonder tijdritstuur. Hij levert van alle hardrijders het meeste pure vermogen.

Tijdrijden lijkt op bergop rijden: het is een strijd om de watts, met dat verschil dat geen helling moet worden overwonnen en het vermogen niet moet worden gedeeld door je gewicht. De discriminerende factoren zijn de frontale luchtweerstand (de aerodynamica), en het vermogen dat het fysiologisch systeem kan leveren.

Elke tijdrijder behoort tot een categorie atleten die meer pijn kunnen verdragen dan anderen. Zij kunnen zich een uur lang kwellen. Hoe ze dat doen, varieert nogal. Merckx reed met een 54×15- verzet. Bij elke trap kwam hij 7,93 meter verder. Zijn gemiddelde trapfrequentie bedroeg op kruissnelheid 105 per minuut, zeer hoog voor zijn doen en voor die tijd.

Francesco Moser gooide er in zijn tijdrithouding telkens wat tanden bij, maar het was wachten tot Rominger (1994) en Boardman (1996) om negen meter per trap te zien duwen. Don-derdag is het te kloppen record officieel dat van Sosenka, maar diep van binnen wil iedereen dat Boardmans 56,375 km zo snel mogelijk wordt verbeterd.

58×11

Eddy Merckx was onder die hardrijders overigens een superatleet: hij testte ooit in de Sport-hochschule in Keulen en kwam uit op een vermogen van 455 watt gedurende een uur. In Me- xico reed hij maar aan 366 watt, maar dat heeft dan weer te maken met de ijle lucht. Er werd gekozen voor minder luchtweerstand, maar dat betekende ook minder zuurstof, waardoor zijn fysiologie zwaar op de proef werd gesteld.

Zijn prestatie in Mexico is ooit herberekend: op zeeniveau en op de Boardmanfiets zou hij tot 54 km/uur zijn gekomen. Merckx kende die typische tijdrithouding evenwel niet. Hij reed met de handen op het stuur, op de remmen of (op de wielerbaan) diep in de stuurbocht.

Bij alle vergelijkingen moet ook het aspect doping worden meegenomen. Toen Merckx zijn record vestigde, zat zowat het hele peloton aan de onopspoorbare en zelfs niet verboden anabole steroïden en corticosteroïden, al of niet in combinatie met amfetamines. Dat kwam de pu-re kracht ten goede. Vanaf de jaren 80 werd de zuurstofhuishouding ‘creatief’ beïnvloed en bleven de spierversterkende middelen ook in gebruik. Moser deed het met bloedtransfusies. Vanaf de jaren 90 is bij alle recordpogingen ongetwijfeld het wondermiddel epo gebruikt, dat het zuurstoftransport bevorderde.

Met de verscherpte controles worden de komende jaren ontzettend boeiend, nu de grootste specialisten weer hun interesse hebben getoond. Volgens wetenschappers zou de beste hoogte voor een record 2.500 meter boven de zeespiegel zijn, op voorwaarde dat de atleet zich kan acclimatiseren. Alleen dateren die studies uit volle epo-tijd. Voigt doet het donderdag op 451 meter hoogte in Grenchen, zeg maar op zeeniveau. Het ziet ernaar uit dat zowel Cancellara als Wiggins daar ook voor zal kiezen.

De hele oefening van het werelduurrecord is er één van fysica, aerodynamica en fysiologie gecombineerd. Van Tony Martin is bekend dat hij vooral van zijn kracht uitgaat. Hij rijdt zijn tijdritten met een maximaal verzet van 58×11. (Een wielertoerist die 53×16 rijdt aan 90 trapfrequentie haalt vlotjes 37 kilometer per uur.)

Op de weg heeft Martin op zijn tijdritfiets uiteraard ook nog kleinere kroontjes zitten voor als het even wat lastiger wordt. Op de wielerbaan mag niet worden geschakeld en is het een uur lang dat ene gemonteerde verzet trappen. Als hij het met een 58×11 zou doen, betekent dat 11,05 meter per omwenteling en aan 90 trapfrequentie zou hij dan op 59,67 meter uitkomen. Met zijn klassieke 85 trapfrequentie van op de weg zal hij Boardman niet kloppen.

Bradley Wiggins is dan weer de man van 56×11. Die moet ook minimaal negentig pedaalomwentelingen per minuut halen om Board-man maar net te verbeteren. Wiggins kan als baanachtervolger makkelijk 110 omwentelingen aan, maar de vraag is: met welk verzet en hoe lang? Een uur duurt langer dan de vier minuten van de achtervolging.

Fluitje van een cent

Aan de overjarige Jens Voigt om de aftrap te geven, maar hij moet niet denken dat hij een unicum is, zelfs niet dit jaar en zeker niet qua leeftijd. Op 2 februari reed de Fransman Robert Marchand op de nieuwe baan bij Parijs ook een werelduurrecord. Hij kwam tot 26,927 kilometer, 2,5 kilometer meer dan bij zijn vorige record. Robert Marchand is 102. Hij had een verklaring voor zijn spectaculaire verbetering: “Op die nieuwe wielerbaan en beter getraind was dit een fluitje van een cent.”

HANS VANDEWEGHE

60 MINUTEN PIJN

Verhaal Onschuldig Positief… in De Morgen van 13 sep 2014

Onschuldig positief, gelukkig kan het

Toen Alberto Contador in 2010 met zijn zero, zero, zero,… en een besmette biefstuk als uitleg kwam voor een positieve plas werd hij soms geloofd, maar meestal uitgelachen. Vandaag zou hij misschien vrijuit gaan. Net als Charline Van Snick, Jonathan Breyne en Michael Rogers eerder dit jaar.

Wat hadden judoka Charline Van Snick, die gisteren voor het eerst in een jaar weer vocht (ze pakte bij haar rentree in Zagreb meteen brons), en de wielrenners Jonathan Breyne en Michael Rogers dan wel gemeen? Alle drie waren ze betrapt op een minuscule hoeveelheid van een verboden substantie in de urine. Van Snick op de sociale/pijnstillende drug cocaïne tijdens het WK in Brazilië, Breyne en Rogers na een wielerwedstrijd in China op clenbuterol, een middel dat een beetje van alles doet maar niks echt goed, en vooral in de vetmesterij wordt gebruikt.

Alle drie zijn ze dit jaar vrijuit gegaan. Breyne en Rogers voor de UCI en Van Snick zelfs voor het TAS, het Sportarbitragetribunaal in Lausanne. Alle drie – Van Snick, Breyne en Rogers – gingen ze bij Belgische experts ten rade: bij de advocaten Flagothier en Maeschalck en bij professor farmacologie Jan Tytgat van de KU Leuven.

Maar dat is niet het hele verhaal. Alle drie hadden ze vooral geluk dat de geesten van de rechters ter zake verlicht waren. Vijf of zelfs drie jaar eerder, en ze hadden met dezelfde feiten wellicht twee jaar beroepsverbod aan hun zeemvel of judogi gekregen. In het geval van Van Snick werd een bestraffing van de internationale judofederatie zelfs teruggedraaid door het TAS, en dat is voor zover bekend een precedent in de internationale sportrechtspraak.

Ooit was het andersom: een sportbond kon nog wel eens medelijden tonen, maar in beroep acteerde het TAS als de postmoderne versie van de Bloedraad van Alva en werden al of niet vermeende dopeurs zwaar bestraft. Niet langer dus, hoewel in het geval van Van Snick de rechters in arbitrage nieuwe gezichten waren, wat insiders er toe aanzet om een slag om de arm te houden.Het kan dus een trend zijn, die vrijspraken, maar ook gewoon toeval. Maar toch: de periode van beroep is voorbij en niemand heeft gepiept, ook niet het Wereldantidopingagentschap WADA, dat toch niet bekend staat om zijn mildheid.

Vermoeden van onschuld

Als Alberto Contador niet in 2010 maar vorig jaar in de Tour tegen de lamp was gelopen voor zijn 50 picogram clenbuterol, zou hij dan géén schorsing gekregen hebben? Vast staat dat die case wellicht heeft aangezet tot denken. In het Contadorvonnis van het TAS stond letterlijk dat alles er op wees dat hij de clenbuterol te danken had aan een onvrijwillige besmetting via voeding, maar dat een straf niet anders kon. Die tegenspraak – onschuldig, maar toch straffen – lijkt nu op de helling te staan.

Alles draait rond de toepassing van het begrip ‘strict liability’ of strikte aansprakelijkheid. Daaraan is in de dopingcode van het WADA niks wezenlijks veranderd. Een atleet blijft ten allen tijde aansprakelijk voor de substanties die in zijn systeem gevonden worden en die in bloed of urine niet thuishoren.

Al sinds 1 januari 2009 staat bij die strikte aansprakelijkheid wel vermeld dat áls de atleet kan aantonen dat de hoeveelheden onvrijwillig zijn lichaam zijn binnengekomen, of zo miniem waren dat er van bedrog geen sprake kan zijn, er rekening mee kan worden gehouden in de bestraffing. Die ontsnappingsclausule is al gedeeltelijk toegepast in de clenbuterolaffaire van Contador, die zogezegd twee jaar straf kreeg, maar met terugwerkende kracht, waardoor hij uiteindelijk maar zes maanden niet mocht koersen. Die minieme straf kwam er omdat Contador bij twee jaar wellicht de stap naar het Europees Hof had gezet en daar ongetwijfeld dik gelijk had gekregen.

Van Snick, Rogers en Breyne zijn in die mate een primeur dat atleten die positief zijn bevonden en wiens zaak voor een sportrechtbank komt, hoogst zelden zonder een dag straf naar huis mochten. Oké, Van Snick schiet er haar bronzen medaille van het WK in Brazilië bij in, maar maalt daar niet om. Ondertussen had ze ook al klacht neergelegd tegen onbekenden en viseert ze een ex-trainer voor sabotage.

Het vermoeden van onschuld is eindelijk gehonoreerd, en dat is niks te vroeg, vindt specialist sportrecht Johnny Maeschalck. “Kan een drempelwaarde niet de oplossing bieden? Al jaren probeer ik duidelijk te maken dat die minimale hoeveelheden niet prestatieverbeterend zijn en het gevolg zijn van een samenloop van omstandigheden.

De Belgische Raad van State heeft ons daar al eerder gelijk in gegeven, en eindelijk volgt men ons in de sportrechtspraak, maar moeten er echt eerst levens op het spel worden gezet?”

Maeschalck verwijst hiermee naar de mislukte zelfmoordpoging van zijn cliënt Jonathan Breyne, die de schaamte niet meer kon dragen.

Legale biefstuk, illegale urine

De ommezwaai in de rechtspraak van vooral het TAS in de zaak Van Snick kan stom toeval zijn (nieuwe rechters), maar ook een bewuste koerswijziging. Volgend jaar wordt elk dopingvergrijp – op enkele uitzonderingen na – bestraft met vier jaar startverbod. Dat staat in de meeste sporten gelijk met beroepsverbod en is een disproportionele maatregel voor een – in het licht van de mensheid – al bij al klein vergrijp. Goed mogelijk dat men daar nu op anticipeert.

Die clementie voor accidentele besmettingen komt geen moment te vroeg, volgens toxicoloog Jan Tytgat. “Ik heb het WADA al een paar keer onzin horen verkondigen in verband met die strikte aansprakelijkheid, en ik raad ze aan om met de moderne toxicologen in discussie te gaan. In het geval van Van Snick heb ik voor het TAS geargumenteerd dat de gevonden hoeveelheid bij haar hoegenaamd geen effect zal hebben gehad. Een nultolerantie voor een product als cocaïne dat in onze maatschappij stilaan als ‘achtergrondstof’ aanwezig is – in drinkwater, op kledij, in gesloten ruimtes – is echt te gek om los te lopen.

Ik heb op de zitting voorgesteld dat iemand van ons hier cocaïne zou roken en dat we dan de volgende dag onze urine zouden laten testen: ‘u zult allemaal positief zijn’, heb ik gezegd, hoewel de cocaïne geen enkel effect had. Blijkbaar had men daar oren naar en heeft men haar het voordeel van de twijfel gegeven.”

Voor Alberto Contador en alle clenbuterolgevallen die na hem zijn gekomen, en waarbij het om picogrammen gaat, is Tytgat nog formeler. “Contador is betrapt op een waarde van clenbuterol die lager is dan wat is toegestaan in het vlees in sommige landen van de Europese Unie. Het kan niet dat het WADA daar een nultolerantie hanteert, terwijl die biefstuk volkomen legaal in de EU kan worden verhandeld. Er moeten voor die producten drempelwaarden komen.”

Voor Peter Van Eenoo, hoofd van het Docolab in Gent, ligt het allemaal zo eenvoudig niet, al benadrukt hij wel: “Onvrijwillig gebruik moet niet bestraft worden. Niemand is daar voor.” Als het om drempelwaarden gaat, die zijn er al. ”

Voor producten die alleen in competitie verboden zijn, zoals cocaïne, wordt aanbevolen om alle concentraties onder de helft van wat een lab moet kunnen opsporen, niet te rapporteren, en daar houden wij ons aan. Charline Van Snick zat daar overigens ruim boven, en de hoeveelheid die zij in haar urine had, is echt niet die van een achtergrondstof in een lokaal waar toevallig drugs zijn gerookt.”

Dat Breyne en Rogers vrijuit gingen, is voor Van Eenoo niet bijzonder. “Het is normaal. Zeg mij wie uit China kwam, op clenbuterol werd betrapt en toch veroordeeld is? Niemand. Idem voor Mexico. Voor Contador weet ik het nog zo niet. Ik heb mijn twijfels bij dat geval. De waarden voor vlees- en dopingcontroles vergelijken is onwetenschappelijk.”

Voor stoffen die ook buiten competitie verboden zijn, zoals clenbuterol, is een drempelwaarde nefast voor de strijd tegen doping. Die producten zijn lange tijd werkzaam en als we daar drempelwaarden voor gaan hanteren, zal men zoeken naar de grijze zone rond de drempelwaarde en vervolgens daar de discussie aangaan, inclusief foutenmarges en dergelijke meer. Toch maar liever niet.”

Onschuldig positief

Column Special Olympics in De Morgen van 13 sep 2014

SPECIAL OLYMPICS

Op onze Nederlandse redactie lag op een dag een apart voorstel over een verhaal in een nichesport op tafel. Ik zag er wel iets in, maar het werd brutaal weggelachen: opzouten Hans, wij doen niet aan mongolensport. Het voorstel heeft het niet gehaald.

Ik moest aan dat voorval terugdenken met de aankondiging van de European Summer Games van de Special Olympics, die morgen in Antwerpen beginnen. U heeft de affiches vast wel gezien: Jean-Michel Saive, Kim Gevaert en Kevin De Bruyne die de looks hebben gekregen van iemand met het Downsyndroom of de typische ogen van een mongooltje, om het wat eenvoudiger voor te stellen.

Uit diverse reclame-uitingen blijkt dat die deelnemers aan de European Summer Games van de Special Olympics het jammer vinden dat er zo weinig aandacht is voor hun prestaties, en rond dat gemis heeft het reclamebureau LDV United haar campagne gebouwd. Enerzijds met een schitterend tv-spotje van zo’n sporter die terugkeert op Zaventem en droomt van een volle aankomsthal, maar die uiteindelijk alleen de schoonmaakploeg ziet die hem niet eens bekijkt. Anderzijds met die postercampagne van de drie Belgische sterren en hun gefotoshopte ogen.

De centrale vraag luidt: “Zou je ook fan zijn van Kim Gevaert, Kevin De Bruyne en Jean-Michel Saive als ze een verstandelijke beperking zouden hebben?” De vraag blijft open, terwijl het antwoord redelijk voor de hand ligt: “Ben je gek? Natuurlijk niet.”

Ik nuanceer: als ze voetballen, tafeltennissen en sprinten als mensen met een verstandelijke handicap zullen we géén fan zijn. Als ze nummer één staan op de wereldranglijst van het tafeltennis, een goal maken op de World Cup en een medaille behalen op de Olympische Spelen, dan zouden we – Down of geen Down, verstandelijke handicap of niet – wél fan zijn/ blijven.

Ik ga niet kijken naar de Special Olympics, ook niet professioneel. Niet omdat het geen mooie mensen zouden zijn of omdat het minderwaardig is wat ze doen. Integendeel, het is zelfs prijzenswaardig, maar het is geen topsport. Het spijt mij zeer voor de deelnemers en ze hoeven niet beledigd te zijn: dit is bezigheidstherapie, maar dan in de meest pure en positieve betekenis van het woord. Dat geldt overigens voor veel sporters met een handicap, de klassieke topnummers op de Paralympische Spelen uitgezonderd, én zelfs voor sommige valide sporten, maar dat is dan weer een aparte column waard.

Het is een knappe campagne, maar dat gehengel naar aandacht voor de fysiek of verstandelijk minder gefortuneerde medemens die gaat sporten tegen anderen, klinkt stilaan wat afgezaagd. Hoezeer men ook zijn best doet om ons dat schuldbesef aan te praten, dit zal in geen eeuwen veranderen.

Kijksport is spektakel opgehangen aan het schoonheidsideaal, de hang naar perfectie, het verlangen naar de overtreffende trap. Sport als spektakel is sneller, hoger, sterker, mooier. Daarom is cafévoetbal geen spektakel en staan daar geen duizenden te kijken langs de lijn. Mensen met een verstandelijke handicap honderd meter zien lopen in vijftien seconden is ook geen spektakel. Het is hooguit leuk voor de familie, en laten we hopen ook voor de sporters.

Met andere woorden: verplicht ons niet dit als sportspektakel te zien, maar gooi desnoods een emmer koud water over onze kop en vraag ons tegelijk om geld. Dan kunnen we meteen ook in discussie gaan over wat met dat geld moet gebeuren: een eenmalig evenement organiseren, of toch misschien beter besteden aan de inclusie van de gehandicapte medemens in de breedtesport.

Special Olympics

Column WAT WAS ER VAN DE SPORT op demorgen.be 8 sep 2014

Paniek op de sportredactie in een voetballoos weekend

Wat was er van de sport? Blijkbaar niet veel, dit weekend. Voetbalgedepriveerd wist De Zevende Dag niet van welk hout pijlen maken. En wie er zijn twaalfjarige – ongetwijfeld zeer getalenteerde – knul op televisie laat uitleggen hoe goed hij wel niet is, heeft een steekje loszitten, zegt hij.

Er was geen voetbal dit weekend en er is ook geen voetbal dinsdag. Normaal hadden de Rode Duivels dan moeten spelen in en tegen Israël, maar aangezien daar een paar weken geleden nog raketten heen en weer vlogen, is dat partijtje afgelast. Gevolg: de media met de handen in het haar en De Zevende Dag nog het meest van al. Paniek maakte zich deze week meester van de jongens en meisjes van Sporza, want wie moesten ze nu uitnodigen in het sportblok?

Men had het kunnen hebben over het WK volleybal, over de Vuelta alsnog – met de wonderbaarlijke regeneratie van de salamander Contador of het motortje van Hesjedal – over de sequellen van de coulissenstrijd bij de voetbalbond, maar dat is allemaal veel te moeilijk want het is zondagochtend en dan is een derde van de schaarse kijkers …, nog een derde … en dat andere derde kijkt voor de politiek of uit verveling. (Te vervolledigen door uzelve.)

En ik keek louter toevallig, om te checken waar en hoe ik de US Open finale van de mannen zou kunnen opnemen. Ik ben blijven kijken. Omdat het goeie tv was? Neen, dat was het niet. Het was het middagje non-sport, met alle respect. Laten we wel wezen, ik kan geen van de drie sporten beter dan de jongens die op ons werden los gelaten en dat geldt voor de meesten onder ons, maar dat is niet de norm. De norm is ook niet “het is een goed verhaal”. Niet alles wat we zelf niet kunnen en een goed verhaal is, moet op tv komen.

Het begon met Fabrice Mels. Niks tegen die jongen. Hij is wereldkampioen geworden, en op een mountainbike nog wel en dat is nogal wat. Meestal toch. In zijn specifiek geval is het jammer dat Eliminator geen olympisch nummer is en dus in de rangorde der sporten en specialiteiten helemaal achterin staat. Er is maar één relevant WK mountain bike en dat is de cross country.

De rest is vooralsnog bezigheidstherapie of circus. Als Eliminator, BMX-en op mountainbikes, ooit olympisch wordt, wees er dan maar zeker van dat we niet meer meetellen, zoals in het WK cross country en de BMX. Bij dat soort feel good-verhalen, past een sterretje, doorverwijzend naar de waarschuwing: “Opgepast, wij Vlamingen zijn specialist in wereldkampioen worden in disciplines die niet veel voorstellen”.

Vervolgens kregen we Kristof Allegaert, een aardige man die koers had gereden en wel van Londen naar Istanbul, 3.400 kilometer. Wie daar zin in heeft, zal ongetwijfeld over een goede conditie bezitten maar is het in de bovenkamer nog wel oké is als je daar wil aan beginnen? Dat leek geen probleem met deze man, maar dan nog moet je je als redactie de vraag stellen of dat soort beproevingen wel op televisie moet komen. Het grote dopingprobleem van het wielrennen is precies ontstaan uit de fysieke overbevraging van de fietsende mens. Derhalve was een beetje duiding/kritiek/doorvragen op zijn plaats geweest.

Nu goed, Allegaert had een coherent verhaal en leek verder gezond. Clementie voor hem, maar het is te hopen dat hij geen golf Istanbulfietsers warm heeft gemaakt. Gelukkig was het een mooie nazomerochtend en zullen de meeste potentiële gegadigden wel op hun fiets hebben gezeten.

Dat hadden we beter ook gedaan; het had ons een hartverlamming bespaard. Want na Allegaert was het de beurt aan Dean Vandewalle, 12 jaar (twaalf!) en door De Zevende Dag als topsporter neergezet. Een leuk jongetje met lang blond haar en een ongetwijfeld door O’Neill gesponsorde bril. Een surf boy, zo weggelopen uit Baywatch Kids.

Dean is een heel goed surfertje, dat vroeger in Gent woonde, maar daar zijn geen golven en daarom verhuisden hij en zijn familie naar Costa Rica. Daar is hij ook niet vaak, want hij reist de wereld rond. Dat naast een beetje talent in dat soort lifestyle sporten de discriminerende factor in de eerste plaats de dikte van de portemonnee van pa is, daar ging het niet over want op zondagochtend moet het verhaal leuk blijven.

Nooit gedacht dat ik dit zou schrijven: gelukkig is er volgende week weer… voetbal. Zelden leuk.

Isthmolysis

NOG BETER OP DE SITE, MET FILPMJES
http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/Opinie/article/detail/2043226/2014/09/08/Wat-was-er-van-de-sport-Paniek-op-de-sportredactie-in-een-voetballoos-weekend.dhtml

Column Isthmolysis in De Morgen van 6 sep 2014

Isthmolysis

Nairo Quintana zal de Ronde van Spanje niet winnen, want hij heeft zijn schouder gebroken. Moet bij wielrenners niet minimaal het hoofd van de romp gescheiden zijn voor ze opgeven? Even serieus, vriend Nairo, welke coureur stapt van zijn fiets voor een bagatel als een gebroken schouder?

Tyler Hamilton reed de Giro van 2002 uit met een gebroken schouder en werd tweede. Een jaar later reed hij de Tour uit met een gebroken sleutelbeen, en dat deed zoveel pijn dat hij 142 kilometer knarsetandend op kop reed en een etappe won. Hij werd vierde, met nog de helft van zijn tanden. Nog een jaar later brak hij ongeveer zijn rug in de zesde etappe, maar was dan toch al zover onderweg naar Parijs dat hij maar op zijn fiets bleef zitten. In etappe dertien stapte hij toch af.

Over drie weken is het wereldkampioenschap wielrennen op de weg. Het minste dat we van dat mannetje Quintana verwachten, is dat hij tegen die tijd helemaal hersteld, gereset en bijgetraind is. Wielrenners draaien daar hun hand niet voor om. Neem nu Alberto Contador. De val in de Tour in de Vogezen was spectaculair, als we ooggetuige Jurgen Van den Broeck mogen geloven. Enkele keren over de kop in de afdaling van de Col de Chevrères, na enkele minuten weer opgestaan en dan nog twintig kilometer gereden, waarna hij toch is afgestapt. Verdict: gebroken scheenbeen.

Zes weken later staat hij netjes aan de leiding van de Vuelta. Alberto is een medisch wonder, maar het kan ook dat hij ons belazerd heeft. Een supergezond mens mag al blij zijn als hij zes weken na een fractuur van het scheenbeen weer normaal kan beginnen stappen en revalideren. Bij Contador is de breuk niet alleen geheeld, hij heeft en passant ook nog eens zijn conditie in die mate bijgetraind dat hij een grote ronde kan winnen.

Sport, en vooral het wielrennen dat te lang in fabeltjesland heeft vertoefd, bewijst zichzelf geen dienst door blessures te overdrijven. Waarom niet meteen zeggen dat er een barst(je) te zien was op de scan? En dat dit barstje, hoe onnozel ook, wel vreselijk pijn deed? Wielrenners zijn zo al martelaar genoeg om niet te moeten overdrijven.

In juni was er nog zo’n voorval in een andere sport waarin overdrijven wel tot de basisvaardigheden behoort. De begaafde voetballer Neymar da Silva Santos Júnior werd in de kwartfinale op het WK tegen Colombia enigszins lomp in de rug gesprongen door Juan Zúñiga en moest van het veld. Diagnose: gebroken ruggenwervel.

Dat is wat hoor, en dat heelt vaak niet te best en soms moet er een operatie aan te pas komen, maar de volgende wedstrijd kwam Neymar doodleuk het stadion binnengewandeld en werd dan ten behoeve van de media in een rolstoel het veld opgereden.

Zijn scans werden in de media gegooid ten bewijze van welke aanslag die arme jongen wel niet had overleefd. Een fietsvriend die in zijn vrije tijd radioloog is, bekeek die CT-scan die de wereld was rondgegaan en was formeel: “Dat is geen gebroken ruggenwervel, dat is isthmolysis van de isthmus (mag u opzoeken). Dit is dus geen acuut letsel, maar de eigenaar van deze rug is een chronisch rugpatiënt.”
Als de gepubliceerde foto daadwerkelijk zijn scan was, heeft de chronische ruglijder Neymar tegen Colombia een flinke stamp in zijn al behoorlijk zwakke rug gekregen en is hij daarom van het veld gemoeten. Dat verklaart ook zijn redelijk snelle terugkeer en zijn snel hervonden mobiliteit.

Verhaal over Third Party Ownership, De Morgen van 6 sep 2014

Als hij maar geen investering wordt,

ze verkopen hem misschien half door…

Het was een randfenomeen en het wordt een tendens: investeerders die geld beleggen in voetballers. Nagenoeg al die constructies zijn illegaal, maar het wereldvoetbal is een beetje zoals Italië: zonder parallelle economie ligt het op zijn gat. En de speler zelf? ‘Hij is de laatste die beslist over zijn carrièreverloop.’

Mishandelde vrouwen en kinderen kunnen naar vluchthuizen, veroordeelden naar half open instellingen, asielzoekers naar mensenhandelaars en voetballers van over de hele wereld kunnen terecht bij een mix van dat alles, maar vooral bij die laatste, zo lijkt het wel. Welkom in het voetbal, waar alles gepermitteerd is. Of zien we dat verkeerd?

Er is tot afgelopen maandagnacht om 23u59’59” in deze zomermercato een recordbedrag aan voetballers verhandeld – alleen al de Premier League kocht voor meer dan
1 miljard euro – en aangezien voetballers ook mensen zijn, is er dus een recordbedrag aan mensen verhandeld.

Juristen arbeidsrecht staan al decennia op de barricaden tegen die aberraties van het voetbalsysteem, en in 1995 leken ze heel even gelijk te krijgen. Maar zie, volgend jaar vieren we de twintigste verjaardag van het Bosmanarrest, dat ooit als een grote revolutie of toch minimaal als een bevrijding werd verwelkomd. Vandaag is de voetbalspeler maar een heel klein beetje vrijer dan toen, zijn de transferbedragen verhonderdvoudigd (samen met de inkomsten), zijn de salarissen exponentieel gestegen en zijn de technieken om spelers te binden en te verhandelen steeds inventiever geworden.

Neem nu Radamel Falcao, de laatste aanwinst van Manchester United, met een duizelingwekkend salaris van 439.000 euro. Per week alstublieft. Dat betekent een jaarsalaris van 20 miljoen euro en Falcao wordt ook nog eens gehuurd van AS Monaco voor 7,5 miljoen euro. Kostprijs van dat eerste jaar: 27,5 miljoen euro. Optie voor aankoop na dat jaar: 55 miljoen euro. Intrinsieke verkoopwaarde van Radamel Falcao, de man die overal scoort: 75 miljoen euro, maar Louis van Gaal mag hem eerst een jaartje proberen voor minder dan een derde.

Schimmig

Fans en personeel van Man United vragen zich wellicht af waarom de club die tegen alle gewoontes in deze zomer meer geld uitgaf dan ooit (183 miljoen euro) de Colombiaan niet gewoon heeft gekocht. Twee antwoorden dringen zich op, en het is een combinatie van beide. Of Man United durfde Falcao niet kopen uit vrees dat het op termijn met de Financial Fair Play (FFP) in conflict zou komen omdat het meer zou hebben uitgegeven dan het economisch kan verantwoorden met inkomsten. Of, ook plausibel, AS Monaco wilde niet verkopen, omdat het niet mocht van mede-eigenaar Doyen Sports, dat banden heeft met de Master of Transfers Jorge Mendes, ook bekend als de rijkste voetbalmakelaar ter wereld.

Hoe Doyen Sports met zetel op Malta moet worden omschreven, is niet duidelijk. Zelf zegt het ‘probably de bekendste private investeringsmaatschappij in het voetbal’ te zijn. De investeerders komen wellicht uit Oost- Europa en de Arabische wereld. Schimmig is een understatement. Om reclame te maken voor zichzelf, sponsorden ze de voorbije drie seizoenen vier eersteklasseclubs in Spanje, waaronder Atlético Madrid. Doyen is rechtenhouder van verschillende voetbalspelers, in sommige gevallen alleen van de commerciële rechten (Adnan Januzaj tekende in april van dit jaar), in andere gevallen heeft het ook de zogeheten federatieve, sportieve of economische rechten. Die laatste rechten worden weerspiegeld in de transfersom, het bedrag dat tussen ploegen wordt betaald als een speler verhuist. Waarmee we zijn waar we u willen hebben: bij het voor het grote publiek onbekende en in het voetbal vaak verketterde begrip Third Party Ownership (TPO).

Niet te checken

Third Party Ownership is een doorn in het oog van een steeds grotere groep mensen, aangevoerd door het Europese voetbalopperhoofd Michel Platini. In december van vorig jaar gaf hij nog aan dat hij absoluut tegen is, net zoals het land waar hij vandaan komt. Zo heeft Frankrijk, maar ook Engeland en zowaar Polen, een ban uitgesproken tegen TPO. In die landen moeten alle transferrechten één partij toebehoren. Hoe dat te rijmen is met Falcao, Doyen Sports, Monaco dat in de Ligue 1 speelt en Man United in de Premier League, heeft precies te maken met die opsplitsing van commerciële en sportieve rechten.

In andere landen gelden de FIFA-reglementen, en die zijn omschreven in hoofdstuk vijf van de Regulations on the status and transfer of players, dat gaat over Third Party Influence. Het bevat maar één artikel, 18bis, en dat leest (vrij vertaald) als volgt: “… Het is de club verboden een contract aan te gaan waardoor een derde partij het recht verwerft om de tewerkstelling en de transfer van de speler te beïnvloeden…”Dat lijkt tegen TPO in te gaan, maar volgens de Engelse sportjurist-blogger Daniel Geey is artikel 18 bis met opzet erg vaag gehouden. “De bepaling dat er geen beïnvloeding mag zijn, houdt in dat er wel een derde partij betrokken mag zijn, maar die mag dus geen invloed hebben op de tewerkstelling en de transfer. Welnu, dat laatste is gewoon niet te checken, tot een speler gaat klagen.”

Spelersrechten in handen van derden is een fenomeen dat nog voor de jaren negentig van de vorige eeuw ontstond in Brazilië, exporteur nummer één van voetbaltalent. Inmiddels zijn bij 90 procent van de spelers in de Braziliaanse eerste klasse de rechten verdeeld over meer dan één eigenaar. In Europa alleen zegt KPMG dat de rechten van 1.100 voetballers bij meer dan één partij zitten, waarbij in de praktijk de club samen met één of meerdere externe investeerders eigenaar is van de speler.

Een zeer conservatieve schatting denkt dat 5,7 procent van de spelersmarkt in handen is van derde investeerders, voor een waarde van meer dan 1 miljard euro. Bijgevolg zou de volledige spelersmarkt in het voetbal een waarde van 20 miljard vertegenwoordigen.De praktijk is erg verspreid in Zuid-Amerika en in tien Oost- Europese landen. In landen als Spanje, Portugal en Nederland is TPO aan een steile opmars bezig, aldus KPMG.

Steven Defour

Ook in België overigens. De rechten van Steven Defour zaten bij Porto (57 procent), bij Doyen Sports (33 procent) en bij Robi Plus (10 procent), het Londense bedrijf van Luciano D’Onofrio. Defour zou volgens Anderlecht 100 procent hun eigendom zijn.

Dat zal kloppen voor de sportieve rechten, maar het is volgens een intimus zou het wel eens ingewikkelder dan dat kunnen zijn. “Steven Defour had bij Porto een te dik salaris voor Anderlecht, en dus is wellicht de klassieke constructie opgezet: een echt salaris en een deel via het bureau dat zijn commerciële rechten heeft (Doyen Sports), niet toevallig gevestigd in een belastingparadijs. In theorie mag Anderlecht, als een herboren Defour ineens de interesse van de Premier League zou opwekken, hem verkopen aan wie ze willen. In de praktijk zullen Defour en Anderlecht nog steeds met derden moeten overleggen.”

In België lijkt Third Party Ownership op langere termijn dé oplossing om spelers die anders niet naar de Jupiler Pro League zouden komen, toch te halen. Met name jonge talenten weten dat ze hier een stabiele omgeving met een goede opleiding vinden waarin ze kunnen doorgroeien naar de grote competities, en dat weten hun investeerders ook. Bij Club Brugge aanvaardt men dat de rechten van Nicolás Castillo maar 75 procent bij hen zitten. Hetzelfde geldt voor nieuwkomer José Izquierdo. Niet alle clubs zijn daar open over.

Michel Platini heeft in maart van dit jaar op het UEFA-congres in Astana zijn collega-voetbalvoorzitter Sepp Blatter niet meer of niet minder dan geschoffeerd toen hij het TPO-fenomeen aankaartte en zich richtte tot wereldvoetbalbond FIFA. “Toen ik speler was, heb ik gestaakt tegen het eigendomsrecht van clubs op spelers. Vandaag zijn de spelers eigendom van duistere bedrijven die in belastingparadijzen gevestigd zijn. Doe er iets aan.” En hij keek naar Blatter.

In juni bij het WK is over Third Party Ownership gepraat op het FIFA-congres en er is een werkgroep opgericht die deze maand een rapport zou moeten overhandigen aan het uitvoerend comité. Platini zal daarin geen gelijk krijgen, valt te beluisteren. Het verzet van de Latijnse landen is te heftig, en ook nog eens doordacht. Het kind moet niet met het badwater weggegooid worden: TPO kan ook werken.

Dat argumenteert Marcelo Robalinho, advocaat van diploma en van professie managing partner in het makelaarskantoor Think Ball Sports Consulting, gespecialiseerd in spelers van de Zuid-Amerikaanse markt, onder wie Renato Neto die bij AA Gent speelt. Robalinho is – dat zal niemand verwonderen – heel erg pro TPO. Meer zelfs, hij schreef er een boek over: TPO en waarom de grote landen tegen zijn. Alleen als e-book te verkrijgen overigens.

Hij adverteert dat hij zowel aan de aankoop- als de verkoopzijde TPO actief gebruikt en als het nodig is, kan hij geïnteresseerde investeerders ook adviseren. Maar hij is ook sociaal bewogen. “Third Party Ownership is een ideaal vehikel voor kleine clubs om toch een waardevolle speler een tijd aan zich te binden zonder zich blauw te betalen. Dat doen anderen dan samen met de club. Het is de beste vorm van risicospreiding.”

Hypocriete situatie

Dirk Degraen, ex-algemeen directeur van Racing Genk, heeft wel oren naar die argumenten. Hij kent de ins en outs van het probleem als lid van de European Clubs Association waarin hij Genk heeft vertegenwoordigd. Hij denkt dat het Third Party Ownership niet aan banden zal worden gelegd, en misschien zelfs zal toenemen.

“Ik heb met aandacht keer op keer de pleidooien van FC Porto gevolgd, en ik voel wel wat voor hun redenering”, zegt Degraen. “Zonder TPO kunnen zij niet de club zijn die ze nu zijn. Uiteraard moet worden opgetreden tegen de misbruiken, zoals mensenhandel, beïnvloeding en wedstrijdvervalsing, maar daartegen treden we al op. De hypocriete situatie die de clubs nu verbiedt om aan een derde partij een betaling te doen, wordt gewoon omzeild.”

Degraen wil geen zwart-witpositie innemen en dat is wijs, want in het voetbal zijn er meer dan vijftig tinten grijs. “De situatie van Roger Lambrecht die SK Lokeren in zijn eentje rechthoudt, onder welke noemer klasseer je dat? Technisch gezien is dat ook TPO. Moeten we dat verbieden?”

Wat is allemaal Third Party Ownership? Neem nu de heel recente overgang van Ibrahima Conté van Zulte Waregem naar Anderlecht. Oorspronkelijk komt die van AA Gent, waar hij vervelend deed maar waar ze zijn talent wel erkenden. Dus mocht Waregem hem kopen voor een niet al te hoog bedrag en bedong AA Gent de helft op de doorverkoopwaarde, de ‘sell on fee’ in het jargon.

Dat aandeel liet AA Gent deze zomer vallen als flinke pasmunt om Sven Kums van Essevee naar Gent te halen. Toen Conté maandag verhuisde naar Anderlecht, verloor Gent 1 tot 2 miljoen, maar toch was het niet ontevreden. Door de 50 procent te laten vallen, werd Conté ineens het dubbele waard voor het Waregemse bestuur, zodat ze hem alsnog van de hand deden. Gevolg: geen euro voor Gent, maar wel een concurrent voor play-off 1 verzwakt.

Een jurist die actief is in het Belgische voetbal verwoordt het zo: “De voetbalspeler is een werknemer die in de meeste gevallen hoegenaamd geen inspraak heeft in zijn carrièreverloop. Wijze mannen nemen die beslissingen voor hem.”

Hij wijst op de grootste grijze zone, waarbij in contracten met makelaars wordt bedongen dat zij een deel van de transferprijs krijgen. “Het aantal contracten waarin voorzien wordt dat de makelaar als derde partij een deel van de transfersom opstrijkt, dus een deel van de economische rechten heeft, is niet te tellen. Strikt gezien is dat ook Third Party Ownership, want een deel van de transfersom gaat naar een derde partij. Uiteraard hebben die makelaars een wezenlijke invloed op eventuele transfers en tewerkstelling, want ze zijn er zelf direct bij gebaat.”

Dirk Degraen denkt dat het in België nog meevalt, maar hij klinkt als een profeet, met veel (voor?)kennis van zaken als hij zegt: “Third Party Ownership is niet echt een praktijk in het Belgische voetbal. Nog niet. Er gaan wel bepaalde zaken serieus veranderen.”

HANS VANDEWEGHE

Column Wiphotel in De Morgen van 31 augustus 2014

WIPHOTEL

Ik ken de vrouwen van de Rode Duivels niet, maar die moeten wel heel veeleisend zijn. Anders had de voetbalbond toch nooit 300.000 euro gebudgetteerd voor hun hotel in Brazilië. Dat hotel is uiteindelijk niet gebruikt omdat de vrouwen niet mochten komen van opperduivel Marc Wilmots, maar het bedrag zou alsnog betaald moeten worden omdat ‘men’ het heeft vergeten cancelen. Is mij ook wel eens overkomen bij booking.com, voor een Ibis en voor vijfduizend keer minder, maar we nemen aan dat u dit verhaal inmiddels kent, want het stond in het lang en het breed in de krant.

300.000 euro? Rekent u even mee. We gaan er gemakshalve van uit dat elke speler slechts één vrouw mocht selecteren voor de WK-wiptrip. Met wat staf-vrouwen erbij brengt dat het totaal op afgerond 30 stuks. Dat betekent 10.000 euro per vrouw. Gesteld dat ze drie nachten mochten blijven, dan komt dit op meer dan 3.000 euro per nacht. Zelfs al bleven ze tien nachten, dan was dat nog 1.000 euro per nacht. Daarvoor heb je al een presidentiële suite in een vijfsterrenhotel, en geen enkel hotel heeft dertig suites, dus ik begrijp het niet.

Nicolas Cornu begreep het ook niet, want hij ligt inmiddels buiten omdat hij is aangeduid als de man die het wiphotel vergat op te zeggen. Jammer is dat. Een correcte man, Cornu, een ex-collega. Geldt trouwens ook voor Stefan Van Loock, de perschef die eveneens mocht opstappen.

300.000 euro is veel geld, maar ik wil nog wel eens zien of de soep zo heet gegeten wordt. Steven Martens, de CEO van de voetbalbond, kreeg me daar een lading shit over zich tijdens zijn afwezigheid, en dat laatste was allesbehalve toeval. Die 300.000 euro was het pièce de résistance om hem te doen sneuvelen. Daarnaast werd nog van alles verzonnen, en dat alles werd ten slotte gelekt.

Dat dit een onthulling was met bijbedoelingen, daar heeft de gemiddelde journalist geen boodschap aan. Een primeur is een primeur. ‘Flat Earth News’ – in vertaling: ‘Gebakken Lucht’ – is niet meteen favoriete lectuur van de sportjournalist. En dat is ronduit jammer, want daarin staat het mechanisme van het georkestreerde lek en de manipulatie van de journalist netjes uitgelegd.

In de zaak van het wiphotel is het duidelijk dat een of andere bestuurder, die zijn macht ingeperkt zag door de komst van een CEO met verregaande beslissingsbevoegdheid, maar al te graag onderzeeër speelde. Ik had willen zien hoe bondsvoorzitter François De Keersmaecker het voor zijn CEO had opgenomen en zijn bestuurders op de vingers had getikt, maar ik heb hem niet gehoord.

Veel zorgwekkender dan het vergeten opzeggen van de boeking van een hotel, is het sportief beleid waarvoor de bond blind vaart op bondscoach Marc Wilmots. Het WK mag dan een succes heten – wat het niet was, want er zat volgens mij veel meer in – in de omkadering van de nationale ploeg is bloed gevloeid. Veel bloed, en nog steeds. Vergeleken met een jaar geleden zijn al acht mensen aan de deur gezet.

Der Willi zijn devies is ‘mein Weg oder die Autobahn’, maar jammer genoeg zit hijzelf inmiddels op een afslag nergens heen en wil hij dat niet zien. Het was aan CEO Steven Martens om Wilmots uit te leggen dat een moderne coach zich niet alleen omringt met schertsfiguren die hem naar de mond praten, maar met specialisten die hem uitdagen en van wie hij kan leren. Het is echter niet duidelijk of Martens nog genoeg krediet heeft om dat partijtje armworstelen met Wilmots aan te gaan.

HANS VANDEWEGHE

Wiphotel