Over de Rode Duivels-selectie in De Morgen van 13 mei 2016

Oef, we kunnen aanvallen

(of we kunnen verdedigen)

De selectie voor het Europees kampioenschap dat we gaan winnen, heeft de gemoederen niet verhit. Aanstaand kampioen Club Brugge krijgt twee spelers bij de Rode Duivels, Anderlecht en uittredend kampioen AA Gent geen. Hiermee kan de bondscoach alle kanten uit, maar het moeilijkste komt nog.

Vierentwintig spelers heeft Marc Wilmots opgeroepen: drie doelmannen, negen verdedigers (van wie één afvalt), vier (verdedigende) middenvelders, acht aanvallers (tot wie ook de aanvallende middenvelders behoren). Zeven spelers zijn stand-by. De geblesseerde captain Vincent Kompany kwam maar heel even ter sprake. Hij zal geen deel uitmaken van de delegatie.

Vier van de 24 geselecteerden spelen in België. Eén (derde doelman) Gillet zal normaal nooit spelen, maar drie verdedigers komen uit de Belgische competitie én ze hebben reële speelkansen. De oproeping van Björn Engels is niet meer dan normaal, maar over de capaciteiten van Thomas Meunier is minder eensgezindheid, toch wat verdedigen betreft. Engels en Meunier spelen bij aanstaand kampioen Club Brugge.

Op de linksachter is zowaar een afscheidnemende speler van KV Oostende geselecteerd: Jordan, kleine broer van Romelu Lukaku. Zelfde opmerking voor Jordan Lukaku als voor Meunier: verdedigend niet al te gedisciplineerd en/of slim, maar net als Meunier in staat om verschillende keren de achterlijn te halen en in dat opzicht verbaast deze ambitieuze selectie nog het meest. Al temperde Wilmots meteen de verwachtingen: “Voor mij blijven Jan Vertonghen en Toby Alderweireld (beiden van opleiding centrale verdedigers, HVDW) mijn backs. Jason Denayer speelt zeker centraal en naast hem staat normaal Nicolas Lombaerts (nog licht gekwetst, HVDW) of Thomas Vermaelen.” Toch maar even de oefenwedstrijden afwachten.

Van de negen verdedigers moet er nog één afvallen, want de uiteindelijke EK selectie is begroot op 23. In het verdedigend compartiment van het middenveld heeft Marc Wilmots genoeg aan vier kanjers, stuk voor stuk van internationale klasse. Al is ook over hen niet altijd unanimiteit. De enige certitude van het viertal Witsel, Fellaini, Dembélé en Nainggolan, is die laatste. De breker/ opbouwer van AS Roma werd pas geselecteerd na het teleurstellende WK van 2014 maar is incontournabel geworden.

Kampioen Gent heeft geen spelers in de selectie. Alleen Matz Sels moet zich als derde doelman klaar houden om een eventuele blessure op te vangen. Niet alle waarnemers zijn ervan overtuigd dat Steven Defour zonder zijn blessure in de selectie had gezeten namens Anderlecht. Paars-wit heeft zelfs geen spelers bij de reserven, Club met Laurens De Bock wel.

Ander statistisch cijfermateriaal: precies de helft van de geselecteerden zijn nieuwe Belgen, van wie vijf met Congolese roots, een absoluut record. Ook precies de helft – als je de perfect tweetalige Lukaku’s bij de Franstaligen rekent – is Nederlandstalig.

De Bruyne krijgt de sleutels

Marc Wilmots kan het eerste puntje van zijn bucketlist wegstrepen. De selectie maken was ook de makkelijkste opdracht. Dat die geen wereldschokkend nieuws bevatte, kan worden afgeleid uit de gematigde reacties in zowel de traditionele als de sociale media. Grootste nieuwigheid is misschien toch het oproepen van woelwater Michy Batshuayi van Marseille (en straks misschien West Ham United), hoewel die al heeft bewezen dat hij in zijn eentje als aalvlugge pocketspits het verschil kan maken.

Met deze selectie kan Marc Wilmots alle kanten uit, maar het is toch een verheugende vaststelling dat hij in de spits drie verschillende types heeft geselecteerd: de beuker-atleet Romelu Lukaku, de targetman Christian Benteke en de aalvlugge en sterke Michy Batshuayi. Reken daarbij de aanwezigheid van echte vleugelbacks – weliswaar met alleen ervaring in de Jupiler League – en dan heeft deze selectie best wel wat aanvallend potentieel.

Wilmots gaf de sleutels van de ploeg in handen van Kevin De Bruyne. “Hij wordt mijn nummer tien en als hem iets overkomt, zetten we daar Eden Hazard.” Dat betekent in ideale omstandigheden een zwervende rol op links of rechts voor de speler van Chelsea die net op tijd zijn vorm te pakken heeft. Dat worden de volgende puntjes op de bucketlist van de bondscoach, en meteen een hernieuwd examen na de Worldcup: de juiste namen invullen voor zijn opstelling en de spelers met de juiste intenties in het veld sturen.

Column over Vincent Kompany op demorgen.be van 9 mei 2016

Kijken of Guardiola aan

monumentenzorg wil doen

Er zijn er die een journalist bellen. Dat zijn de kleintjes. Sommigen laten een persbericht opmaken, door hun club of personal assistant of zaakwaarnemer. Dat zijn de groten. Outlier Vincent Kompany is groter dan groot. Het buitenbeen in hem zegde het met een persoonlijke brief op Facebook. Zo kennen we hem: altijd de regisseur van zijn eigen triomfen en nu ook van zijn mislukking. Al is mislukking misschien een te zwaar woord, voor de blessure te veel op een te slecht moment.

Hij geeft niet op, zegt hij. In 13 jaar profvoetbal 34 blessures, waarvan 5 alleen al dit seizoen, er zijn er die voor minder opgeven. Door die eerste 4 kuitblessures was hij dit seizoen al 24 weken uit, dat is haast een half jaar. Na de kuit is het nu de beurt aan de slanke dijspier, zeg maar een adductor, aan dezelfde kant. Dat is één bewegingsketen en alle problemen in die keten houden met elkaar verband.

De kans dat Vincent Kompany nooit meer zijn oude niveau haalt, is vele malen groter dan dat hij na de zomer terugkeert bij Manchester City, spelend als een jonge god, met spieren en pezen als stalen kabels, gewrichten en kraakbeen netjes doorbloed en bevloeid.

Voor alle topsporters is er een punt waarop het bergaf gaat en dan helpt geen bezoek aan een dokter in München of Barcelona, ook niet aan een sjamaan in Zuid-Amerika. Zelfs Lieven Maesschalck kan dan moeilijk nog helpen. Als de blessure een constructiefout wordt, geeft een kaarsje branden in Scherpenheuvel evenveel garantie op succes.

Dit is de kroniek van een aangekondigde sloop: als het op is, is het op in topsport en bij Kompany lijkt het stilaan op. Zijn af en toe cryptische brief laat vermoeden dat hij ernstig rekening houdt met dat scenario.
“Ik bepaal mijn toekomst. Er is altijd iets grootser in het leven en het onvermogen dat te zien, zal mij doen falen.” (Een beetje filosoof is hij altijd geweest.)

“Succes in ons leven kan in verschillende vormen komen. Ik heb het grootste respect voor wie zijn uitdagingen in het leven het hoofd biedt met een positieve ingesteldheid.”

Twintig was Vincent Kompany toen hij een avond kwam aanschuiven bij de World Cup-talkshow op wat toen nog VT4 heette. Na de uitzending bleef hij napraten en mannen die zijn vader konden zijn als Rick de Leeuw, Aad de Mos en ondergetekende, luisterden met open mond naar zijn wijsheden. De volgende ochtend ging hij mee voor een ochtendloopje, strooide met complimentjes over conditie in relatie tot leeftijd (eigenlijk een belediging, maar bon, het was goedbedoeld) en sprak profetische woorden. “Als ik de pijntjes nu al voel, zie ik mij dit nog hooguit tien jaar volhouden.” Dat was in de mooie zomer van 2006, precies tien jaar geleden.

Een jaar later speelde hij in Hamburg en kon ik hem interviewen. De Duitsers hadden hem bedacht met een koosnaampje: der Gläserne Mann, vertaling overbodig. Hij miste er twee halve seizoenen en hij haatte die naam. Hoe hij het in Engeland vanaf 2008 zolang volhield, mag een raadsel heten. We zagen elkaar terug aan het eind van het seizoen 2010-2011 in zijn woonplaats. Hij had dat jaar 49 wedstrijden gespeeld, haast alles. “Ik ben een veel betere atleet geworden.”

Dat was hem aan te zien, maar het was bepaald zorgwekkend dat ook op zijn bovenlichaam koorden van spierbundels lagen. Waar heb je dat voor nodig, vroeg ik. Hij antwoordde: “Dit is Engeland, de meest fysieke van alle competities. Sommige trainingen zijn hier oorlogen, erger dan de wedstrijd.”

Op de meeste professionele sites staat Kompany gelist als 1,91 meter en 84 kilogram, terwijl hij op de weegschaal zeker dicht bij de 100 kilogram uitkomt. Heeft dat hem de das omgedaan? Te veel, te vaak, en met een te getraind lichaam? Of is dit een speling van het genetische lot?

In herstel zit evenveel psychologie als kinesitherapie, dus geeft Lieven Maesschalck hem nog vijf jaar topvoetbal. Hij mag dat zeggen, hij kent er meer van, maar mogen wij ook twijfelen? Er is maar één scenario denkbaar waarbij Vincent Kompany als speler nog doorgaat: een lange revalidatie na de operatie, gedaan met vooropgaan in de strijd op elke training en met de zegen van de coach voortaan van wedstrijd naar wedstrijd toeleven. Eerst maar eens dat gesprek met zijn nieuwe coach Pep Guardiola aangaan en kijken of die aan monumentenzorg wil doen.

Column over Leicester en Atlético in De Morgen van 7 mei 2016

Leicester-Atlético

Leicester City kampioen, moeten we daar nu echt blij om zijn? Toch niet omdat het een klein, sympathiek ploegje zou zijn. Klein is erg relatief in Engeland en aan de promotie in het seizoen 2013-2014 is creatief boekhouden te pas gekomen. Met enkele opzichtige trucs hebben ze toen de Financial Fair Play omzeild door veel meer salaris te betalen (aan betere spelers) dan ze voetbaleconomisch konden verantwoorden. Ze kunnen er nooit voor worden teruggezet, zoals wel eens wordt gesuggereerd, maar een flinke boete kan wel nog, al zullen de Thaise eigenaars daar nu niet meer om malen.

Leicester kampioen kan uitgelegd worden als de triomf van een klein, sympathiek ploegje van noeste werkmensen, maar meer nog als een systeemfout in de rijkste competitie ter wereld. Eén, twee, drie keer een vreemd resultaat ligt in het toevalspel voetbal besloten, maar niet een kampioen die Leicester heet na een reeks van 38 wedstrijden. In Manchester, Londen en Liverpool moeten de coaches en CEO’s zich voor de kop slaan.

Leicester kampioen is ook niet de triomf van mooi voetbal. Geen enkele ploeg in de Premier League wil de bal minder graag en geen enkele ploeg in de Premier league hanteert vaker de lange bal. Zeven procent van alle passes zijn lange ballen. Dat is gigantisch en in Europa doen alleen Darmstadt en Ingolstadt beter. Attractieve ploegen als PSG, Bayern München en Barcelona spelen 1,1 tot 1,4 procent lange ballen.

De klassering bewijst dat Leicester kampioen is omdat de anderen het hebben laten afweten. Het staat met nog twee wedstrijden te gaan op 77 punten. Dat kunnen er maximaal 83 worden en geen enkele ploeg werd de voorbije vijf jaar kampioen met zo weinig punten. Leicester is ook geen kampioen omdat het makkelijk scoorde: voor het tweede jaar op rij – na de 73 doelpunten van het Chelsea van Mourinho – vestigt de kampioen weer een laagterecord: momenteel staat Leicester op 64 doelpunten.

Twee dagen na de titel van Leicester haalde het ‘kleine en moedige’ Atlético Madrid de finale van de Champions League door het ‘grote en arrogante’ Bayern München uit te schakelen. Moeten we daar ook blij om zijn? Het is te hopen dat Leicester volgend jaar in de poulefase van de Champions League ingedeeld wordt bij Atlético Madrid. Dat wordt dan een avond voor een filmpje à la carte.

Je kunt het zo al verzinnen: Leicester met veel spelers achter de bal en die draafkip van een Jamie Vardy voorin, wachtend op zijn lange bal. Alleen komt die niet, want in Spanje kunnen ze veel beter verdedigen dan in de Premier League en bovendien heeft Simeone naar aloude traditie alles dichtgetimmerd, acht man achter de bal, wachtend op die ene fenomenaal snelle en perfect uitgevoerde transitie.

Neen, Atlético Madrid is geen Leicester, maar het eindresultaat is niet minder destructief en niet minder onaantrekkelijk. Zou er ooit negatiever, vileiner zijn gevoetbald door betere voetballers? Niet sinds het Inter Milaan van Sandro Mazzola, dat tot ergernis van alle voetballiefhebbers over de hele wereld – met uitzondering van de Interisti – in 1964 het grote Real Madrid van Puskás en Di Stéfano schaakmat zette. De grote Johan Cruijff zaliger zelf luidde in 1972 het einde in van de blauw-zwarte sloopmachine door twee keer te scoren voor Ajax in de Europacup-finale.

Jammer, maar alles komt altijd terug, ook het slechte, ook in voetbal. Atlético is Inter revisited en geperfectioneerd voor de 21ste eeuw. Ronduit hatelijk hoe dat vreselijke Atlético deze week het voluntaristische Bayern schaakmat zette. We zijn ver van huis en van de oorspronkelijke bedoeling van voetbal en bij uitbreiding sport als zo weinig mogelijk investeren en zoveel mogelijk profiteren de trend wordt.

Jammer, want wat een verzameling goede voetballers heeft dat Atlético, met voorop die wonderlijke Griezmann: balvaardig, snel, tactisch gedisciplineerd, mentaal en conditioneel ijzersterk. Maar als ze de minste tegenstand vermoeden, reduceren ze voetbal tot een loopspel voor gedisciplineerde, gebrainwashte Special Forces, op afstand bestuurd door een psychopaat.

Tja, die Diego Simeone. Als je van Mourinho houdt, dan ook van Simeone zeker? José Mourinho is erg, maar Simeone wens je levenslange collocatie toe: voor zijn geschifte gedoe aan de zijlijn en vooral voor zijn voetbal, destijds al als speler en nu ook als trainer.

Column over barbarij: Antwerp, WS Brussel, Hillsborough op demorgen.be van 3 mei 2016

Er is één goede reden om Antwerp niet in eerste klasse te willen: een deel van de supporters

Als White Star Brussel zijn licentie voor eerste klasse niet krijgt, zal al snel het begrip racisme vallen. En aangezien White Star in Molenbeek speelt, zal de wereldwinkeljournalistiek zich bemoeien. Je zou gaan hopen dat John Bico en zijn import/exportbedrijf, wèl mogen promoveren om alvast van dat gezeur af te zijn.

Als White Star Brussel de licentie niet krijgt, promoveert AS Eupen. Ook dat is een import-exportbedrijf in buitenlandse handen. Net als WS Brussels hebben ze niks te zoeken in eerste klasse, omdat ze economisch niks bijbrengen. Elke euro tv-geld die richting WS Brussel en AS Eupen gaat, is weggegooid geld. Wie zeker niet promoveert, is Royal Antwerp FC en dat is de enige ploeg die zou mogen promoveren. Stijgen en dalen in een kleine markt mag niet afhankelijk zijn van het criterium ‘sportief toeval’, maar van wat zo’n ploeg kan bijbrengen aan de gezamenlijke business van de zestien sterkste ploegen in België.

Een achterban van 13.000 is te mooi om in tweede klasse te laten en de tweede grootste stad van een land zonder eerste klassevoetbal, is een Europees unicum. Dat Antwerp een onduidelijke kapitaalstructuur heeft, is geen goede reden om hen tegen te houden. Het volstaat de licentievoorwaarden te veranderen om te weten wie achter het geld van stamnummer 1 zit.

De enige goede reden om Antwerp niet in eerste klasse te willen, is het gedrag van een deel van de supporters. Zaterdagnacht hebben die lelijk huis gehouden en de gemiste promotie gewroken op de plaatselijke politie. Er hadden doden kunnen vallen en waren die gevallen, dan hadden ze ongetwijfeld de politie daarvoor verantwoordelijk gehouden. Zo gaat dat in het voetbal/de maatschappij: een minderheid misdraagt zich, de rest moet boeten en als de politie eindelijk optreedt, is er sprake van excessief geweld en/of onkunde.

Van de week is in Engeland 27 jaar na de feiten het doek gevallen over het Hillsborough drama. Op een mooie zaterdagnamiddag in april zijn in Sheffield 96 doden gevallen ten gevolge van supportersgeweld bij een halve finale van de FA Cup tussen Liverpool en het toen nog grote Nottingham.

Liverpoolfans slaan blauw uit – en dat wil wat zeggen – als ze het woord ‘supportersgeweld’ horen, maar het is niet anders. En van een verwijzing naar hun reputatie ten gevolge van het Heizeldrama waar 39 Italiaanse doden vielen, willen ze ook niet weten. Dat was de schuld van een instortende muur. Een detail natuurlijk, maar die muur stortte in, omdat zij de Italianen aanvielen.

Op Hillsborough ging die dag alles mis wat kon mis gaan. Eind de jaren tachtig was het de gewoonte van hele horden om zonder ticket naar een bezoekend stadion te komen in de hoop dat de suppoosten en de politie de hekkens zouden openen om rellen te vermijden. De politie van Sheffield kon het zaakje niet meer meester, opende de poorten en de supporters (sommige met, maar veel zonder ticket) stroomden naar binnen in een te klein en te oud stadion. Dom van de politie, die wel meer fouten maakte, maar wat doen normale burgers als ze zien dat er geen doorkomen aan is? Ze maken rechtsomkeer. Het zootje dat niet binnen was, met of zonder ticket, begon te duwen en bleef duwen om toch maar in het overvolle vak te geraken. Ze verpletterden 96 van hun eigen mensen tegen de hekkens rond het veld.

Die hekkens werden zo’n beetje overal in Engeland meteen weggehaald en enkele weken later maakten Birmingham City fans gebruikt van de verlaagde omheining in Selhurst Park om na een doelpunt van thuisploeg Crystal Palace het veld te bestormen en de thuisfans aan te vallen. Those were the days of violence, zegt Cass Pennant in de film Cass, een must see voor wie wil meespreken over dit onderwerp. Pennant was de leider van de IC Firm, de harde kern van West Ham United, en de eerste die een lange gevangenisstraf kreeg voor voetbalgeweld.

Het is bepaald vreemd dat over een gebeurtenis uit 1989 van de week is geoordeeld door een bril van 2016 en dan nog door een volksjury waarvan de voorzitster in huilen uitbarstte toen ze antwoordde op de schuldvragen. Hillsborough was een dieptepunt, en het vonnis is daar geen uitzondering op. De beschaving, zo is eens te meer gebleken, heeft het altijd moeilijk om een gepast antwoord te vinden op barbarij.

Verhaal over Rio de problemen van de Olympische Spelen in De Morgen van zaterdag 30 april 2016

Spelen van Rio staan op instorten

Geen president, geen geld en geen goesting meer. Dat kwam boven op het zikavirus en de vervuiling. Nooit zijn Olympische Spelen onder een slechter gesternte geboren dan die van Rio de Janeiro. Als dat maar goed komt tegen augustus.

Woensdag is de olympische vlam officieel overhandigd aan gastland Brazilië. Voor het ontsteken van de vlam in het sacrale Olympia had Dilma Rousseff haar komst aangekondigd, maar de president van Brazilië gaf uiteindelijk verstek. Als maandag de vlam in Brasilia arriveert, zal ze wellicht ook niet van de partij zijn. De traditionele ‘honderd-dagen-te-gaan-plechtigheid’ van vorige week werd ook afgelast. En geen mens die gelooft dat zij op 5 augustus aan de zijde van Jacques Rogges opvolger Thomas Bach de Olympische Spelen zal openen. Dilma’s politieke tegenstanders hebben een afzettingsprocedure in gang gezet en zullen tot afgrijzen van velen ook hun slag thuishalen.

Geen nood, aldus Rio’s burgemeester Eduardo Paes – een politieke tegenstander van de linkse Rousseff. “Rio zal er klaar voor zijn.” Ongetwijfeld, alle olympische steden zijn al altijd klaar geraakt, maar tegen welke prijs? Het drama van het olympisch wielerpad van Ipanema/Leblon naar Barra de Tijuca op 22 april, was een teken aan de wand. Eén wilde oceaanstorm en het prestigeproject stortte in elkaar, vijf mensen meesleurend in de dood.

Dat waren enthousiaste fietsers, maar sedert 2013 zijn daar ook elf arbeiders gestorven bij de bouw van de olympische sites en aanverwante werken. De worldcup in 2014 kostte acht mensenlevens, maar wel over heel Brazilië. Haastwerk overheerst nadat vorig jaar de bevoegde commissie afstapte in Rio en na drie dagen intensieve bezoeken in een perscommuniqué liet uitschijnen dat alles op schema zat, maar her en der nog moest worden aangepoot.

Dat was olympisch taalgebruik om te waarschuwen dat de speeltijd voorbij was. Geen enkel lid van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), noch van het personeel, noch van het bestuur, kan zich Spelen herinneren die méér achterstand hebben opgelopen op enkele maanden van de opening. IOC-leden hebben al lang spijt en zeggen nu openlijk: “Ook ik heb staan juichen, die dag. Nu weten we allemaal: dat was overmoed.”

Die dag was 2 oktober 2009, in het Bella Center in Kopenhagen. Het was de meest gemediatiseerde verkiezing van een olympische gaststad ooit. De Obama’s hadden Rogges IOC met een bezoek vereerd om de kandidatuur van Chicago kracht bij te zetten. De enige verkiezing die Obama ooit zou verliezen: Chicago ging eruit in de eerste ronde met achttien stemmen. In de derde ronde verpletterde Rio met 66-32 Madrid. De wereld lachte mee met de wel erg blije president Lula en het IOC dacht er goed aan te hebben gedaan om voor het eerst met zijn Sixteen Days of Glory naar Zuid-Amerika te trekken.

Air Force One was al de ochtend van de verkiezing opgestegen, want de Amerikaanse vernedering was voorspeld, maar dat kon het IOC niet deren. Nooit stond de olympische ster hoger als toen in oktober 2009 op het olympisch congres en Rogge zou daar zelf ook nog eens voor vier jaar worden herkozen.

28 WK’s in 16 dagen

Zeven jaar later overheerst scepsis, in de eerste plaats bij de lokale bevolking die niet beter wordt van allerlei poshy projecten, zoals een olympische golf in een natuurgebied. Wel integendeel, de overlast nam hand over hand toe. De impact van Olympische Spelen op een stad is het honderdvoudige van bijvoorbeeld de worldcup voetbal van 2014. Toen werden wat stadions gebouwd, gerenoveerd of heraangekleed, werd enkele avonden gevoetbald en voor je het wist, was die finale daar al in het Maracanã.

Die worldcup was ook brutaal wakker worden voor de sportnatie Brazilië: een sportieve party in eigen huis betekent nog niet dat je aan het feest bent, zo leerden ze nadat de Mannschaft hun eigen nationale ploeg met 1-7 had vernederd. En dan wil nog eens de realiteit dat Brazilianen eigenlijk alleen voor voetbal betalen, wat dan weer voor gevolg heeft dat ze de lokale tickets voor de Spelen aan de straatstenen niet kwijt kunnen.

De Olympische Spelen zijn 28 wereldkampioenschappen, in 16 dagen op 5 verschillende locaties in 1 stad, met dubbel zoveel toeschouwers en met vooral heel veel vips die het leven in de stad helemaal overhoop gooien. De Carioca, de inwoner van Rio, heeft daar geen zin in en dat is te begrijpen.

In een stad die nu al verzuipt in het verkeer worden straks 260 kilometer zogeheten olympic lanes in gebruik genomen. Dat zijn rijstroken waarop alleen geaccrediteerde vervoermiddelen zich mogen begeven. Wie daar zijn voeten aan veegt, zoals de Grieken in 2004, zal wel twee keer nadenken in een stad met twaalf verschillende politiekorpsen die op elke hoek van de straat een mannetje hebben staan: 380 euro boete is een bescheiden maandsalaris in Rio.

De drukste dagen worden 12, 16 en 17 augustus als 400.000 bezoekers het transportsysteem zullen (over)belasten. Er zijn ook kleine voordelen aan de Spelen: op de dag van de openingsceremonie en de dag na de sluiting krijgt Rio een extra vakantiedag. Ook 18 augustus is een gelegenheidsfeestdag, omdat de triatlon die dag door de stad fietst en loopt. De scholen zijn alvast dicht tussen 1 en 28 augustus.

Inmiddels wordt nog vreselijk hard gewerkt aan uiterst noodzakelijke infrastructuren, waarvan de velodroom in het olympisch park in Barra de Tijuca en metrolijn Linha 4 het meest in het oog springen. Het test event van maart in de velodroom ging niet door, omdat er simpelweg nog geen velodroom was. Olympische coulissen melden een probleem bij de houtleverancier, ook voor de sporthallen.

Copyright © 2015 gopress. All rights reserverd

Belangrijker nog voor deze Olympische Spelen is de nieuwe metrolijn, die ten laatste een maand voor de Spelen klaar moet zijn – en als het even kan iets grondiger getest dan het fietspad. Pas op 12 april werden de laatste meters tunnel geboord in de lijn die langs de kust en langs verschillende favela’s loopt. Op 1 juli zou de eerste trein rijden. Zou…

Geen elektriciteit

Het laatste test event dat in Rio doorging, was het olympisch kwalificatietoernooi voor de gymnasten. België verzekerde zich daar met de vrouwenploeg van een ticket voor de Olympische Spelen. De delegaties concentreerden zich op de competitie, maar trokken toch grote ogen bij het zien van de tijdelijke trainingsfaciliteiten waar de juiste vloer ontbrak. “Sorry, geen geld”, luidde de uitleg.

Tijdens de competitie viel verschillende keren het licht uit, een kwartier tot zelfs één keer anderhalf uur. Lode Grossen was delegatieleider: “Sorry, er is geen elektriciteit meer. Dat kwamen ze even melden. Vijfenveertig minuten duurde het in ons geval. Als we de kwalificatie zouden hebben gemist, hadden Frankrijk en België hun klacht al klaar. Slecht georganiseerd? (zucht) Het was níét georganiseerd. De Spelen leven ook niet. Op de luchthaven zie je niks terug van een olympische vibe zoals in Londen en Peking.”

Olympische Spelen zijn pas een succes als ook de details zijn ingevuld en dat was niet het geval, gaf ook IOC-voorzitter Thomas Bach vorige week toe op de conventie van de internationale sportbonden in Lausanne. “Ik bedank de sportbonden om de organisatoren in Rio te steunen, ook in uitdagende tijden. Als iedereen deze solidariteit blijft tonen, zullen de Spelen een groot succes zijn.” Dat was olympisch eufemisme dat hij besloot met een uitsmijter. “We are all in this together.”

Alle Olympische steden hebben hun problemen gekend. Was het niet de veiligheid, dan de pollutie, de financiën of de laksheid van de organisatie, maar wel altijd of/of en nooit en/en. In Rio komen alle problemen samen: nooit zijn de Spelen in een armere, meer onveilige, politieke meer instabiele en meer vervuilde stad georganiseerd. De gok om naar Rio te gaan, dreigt verkeerd uit te draaien. “Vergeleken met de problemen van Rio en dus de problemen van het IOC heeft de FIFA met zijn corrupte bestuurders last van een hikje”, zei een vooraanstaand IOC-lid vorige week in de marge van de SportAccord-conventie in Lausanne. “Onze problemen zijn structureel, die van de FIFA zijn persoonsgebonden en makkelijker op te lossen. Good luck, Rio. En ook het IOC, zou ik zeggen.”

Na Rio landt het olympisch circus bij gebrek aan genoeg valabele kandidaturen drie Spelen op rij in Azië: Pyeongchang (winter 2018), Tokio (zomer 2020), Peking (winter 2024). Benieuwd hoe dat wordt uitgelegd.

Virussen in het water

Het IOC heeft eerst nog een ander probleem op te lossen. Momenteel is de Russische atletiekploeg geschorst voor de Spelen. Als dat in juni niet wordt opgeheven, dreigt Poetin ermee zijn hele ploeg terug te trekken, wat zou neerkomen op een terug-naar-afsituatie. De laatste grote boycot dateert van 1984, toen het Oostblok wegbleef van de Spelen van Los Angeles.

En het houdt niet op. Waar het IOC zich ook zorgen over maakt, is het machtsvacuüm dat is ontstaan na de politieke verlamming van de zittende president Rousseff en de blokken van links en rechts die met getrokken messen tegenover elkaar staan. Elke olympische organisatie komt ooit op een punt dat extra geld nodig is om de laatste gaten dicht te rijden. Daar is politieke consensus voor nodig, maar wie zal nog een succes gunnen aan Paes en Rio, een van de epicentra van de strijd tegen Rousseff?

Al meer dan een jaar overheerst kostenbeheersing het olympisch nieuws op de gespecialiseerde website Around The Rings. Speciale aankleding in de stad: gaat niet door. Geen tv’s in de appartementen van de atleten. Geen airco voor de atleten tenzij betalend. Allemaal details, maar de details bepalen de look-and-feel van Olympische Spelen die meer zijn dan een sportfeest.

Als atleten niet gelukkig zijn in hun dorp en met hun competitieplaatsen, als toeschouwers nergens op tijd geraken, als de locals zeuren over het drukke verkeer en als ten slotte de journalisten daar verhalen beginnen over te schrijven, zitten we twintig jaar na Atlanta 1996 – met afstand de slechtste Spelen van de moderne sport – met een remake van die organisatorische miskleun.

Filmpjes en foto’s van alles wat kan fout gaan, zullen viraal gaan. “Volgend jaar worden zelfs olympische muggenbeten geretweet”, schamperde een official nog vorig jaar bij de uitbraak van het zikavirus. Spot er maar mee. Het ergste wat Rio kan overkomen, is gedoe met dat zikavirus. Maar uit eigen ervaring sprekend: in de winter zijn haast geen muggen in Rio, dus dat zal meevallen.

Is het niet van de muggen of van het gebrek aan algemene hygiëne, dan kun je nog altijd ziek worden van het water. Neem de atleten. Openwaterzwemmers en triatleten komen op het strand van Copacabana rechtstreeks in aanraking met water. Zeilers varen heel wat van hun wedstrijden in Guanabara Bay, een van de meest vervuilde plekken van heel Zuid-Amerika. En roeiers en kajakkers varen op de Rodrigo de Freitas-lagune, een idyllisch meer tussen Copacabana en Ipanema dat in wezen een open riool is voor de aanpalende woningen op de duurste vierkante meters van Zuid-Amerika.

Copacabana zou op de droge dagen niet al te vervuild zijn en nog binnen de normen vallen die ook in Europa gangbaar zijn. In de baai van Guanabara stroomt anderzijds dagelijks 865 miljoen liter ongefilterd rioolwater. De kans op bacteriële besmetting is het grootst aan Botafogo Bay, waar onze olympische zeilers als Evi Van Acker al jaren hun bootje te water laten.

Haar trainer Wil van Bladel was in de herfst van vorig jaar wekenlang ziek als gevolg van een infectie die alleen het Tropisch Instituut wist te vinden. De internationale zeilbond rapporteerde 7 procent zieken onder de zeilers na het test event in augustus. Dat was
ook wat de roeibond meldde na een evenement. Associated Press heeft het voortouw genomen in de berichtgeving en laat elke maand testen uitvoeren. In de lagune waar straks wordt geroeid, is de besmetting maar liefst 30.000 keer hoger dan wat in Europa is toegelaten.

Boa sorte. Veel geluk, Rio.

RIo en de problemen mei 2016

Column over Anderlecht in De Morgen van 30 april 2016

Onkunde

(Ik neem er toch geen letter van terug, ondanks de winst, een dag na verschijnen 😉

Voetbal is toeval, met als enige verschil de letter b, van bal.

Vaak de enige waarheid om een voetbalwedstrijd te verklaren, maar niet altijd. Hoe dichter je bij Brussel komt, hoe meer je geneigd bent te denken dat het in voetbal misschien ook zou helpen om de dingen gewoon goed te doen. Best mogelijk dat RSC Anderlecht in de laatste vijf duels, te beginnen zondag tegen Gent, al zijn wedstrijden met champagnevoetbal wint, zodat het alsnog opstaat en de titel pakt. Maar de kans dat ze helemaal in elkaar stuiken en vierde worden, is net iets groter.

Neen, ik geloof er niet in. Niet na vorige week op Schiervelde. Talent neemt al eens een snipperdag en speelt daardoor compleet onverklaarbare wedstrijden, maar bij RSCA hebben we te maken met snipperweken, snippermaanden, voor sommigen zelfs halve snipperseizoenen. Zelden zo’n sportieve deconfiture gezien als vorige week, perfect sporend met de publieke afgang van een stel randdebielen die aan het betalen van een combiticket het recht menen te ontlenen om mensen te bedreigen en het veld op te lopen. Bericht aan dat schorem: blijf thuis en kef in het eigen hol. Bericht aan de spelers: als de hersens niet willen, loop dan de benen van onder je lijf en doe tenminste alsof je weet hoe dat spel moet worden gespeeld. Of is dat te veel gevraagd voor een gemiddelde vergoeding van meer dan 600.000 euro per jaar?

Wat is er mis met Anderlecht? Van alles, maar eerst wat geschiedenis. Royal Sporting Club Anderlecht heeft vanaf de tweede helft van de vorige eeuw een voorsprong opgebouwd waardoor het in de zeventig seizoenen sinds de tweede wereldoorlog 33 titels haalde. Vreemd genoeg won Anderlecht niks in de eerste vijftig jaar van de voetbalcompetitie. 33 op 70, dat is bijna de helft. Club Brugge won twaalf naoorlogse titels, Standard tien. Kortom: paarswit overwicht.

Die voorsprong was te verklaren door de centrale ligging van Anderlecht, versterkt door de commerciële aantrekkingskracht van de hoofdstad, met als gevolg meer poen. Met dat geld kochten ze jaren aan een stuk bij andere clubs alles wat kon voetballen. Was Marc Degryse sterspeler bij Club, mijnheer Constant reed naar Brugge en weg was Marcske. Naar paars-wit. Anderlecht wist toen perfect wat het deed, wie waarom waar paste in de ploeg.

Eenmaal ze die voorsprong hadden, kwam nog meer geld hun kant op. Neem nu de Champions League. We beperken ons tot de edities van deze eeuw, want dat zijn de jaren van de flinke poen. In de vijftien edities van de 21ste eeuw deed Standard maar één keer mee, net als Gent. Club en Genk konden respectievelijk drie en twee keer op het kampioenenbal dansen, Anderlecht maar liefst negen keer. Wat Gent verdiende, weten we nog niet precies, maar met 25 miljoen euro kom je niet toe. Standard kwam met 11,5 miljoen naar huis en Genk en Club met elk 17,6 miljoen. Anderlecht heeft uit de Champions League 85,8 miljoen euro gehaald, het dubbele van
de andere Belgische teams opgeteld, de helft daarvan in de drie seizoenen tussen 2012-13 tot en met 2014-15. Daar hebben ze niets mee aangevangen.

Uitgerekend na die onwaarschijnlijke kapitaalinjectie loopt het nu al twee jaar voor geen meter. Is dat toeval? Neen, dat is te veel eer voor die boutade. Is dit wat de historicus Jan Romein ooit omschreef als de wet van de remmende voorsprong? U weet wel: wie voorop ligt, probeert die voorsprong te behouden, maar behouden betekent ingehaald worden. Zou kunnen.

Of is er meer aan de hand? Doen ze de dingen niet goed? Het stemt alvast tot nadenken dat ze Nicolas Frutos een toekomstige functie als trainer toedichten en hem nu zelfs hebben gepromoveerd tot performance manager, godbetert. In andere sporten nemen ze daarvoor iemand die gepokt en gemazeld is als trainer of opleider en die mee is met de nieuwste evoluties op sportwetenschappelijk en sporttechnisch vlak. Bij Anderlecht nemen ze daarvoor een ex-speler die altijd gekwetst was en zijn heil zocht bij een sjamaan. Dat is geen toeval, dat is geen remmende voorsprong, dat lijkt gewoon onkunde.

 

Column over Wout Poels en de Belgen op demorgen.be van 25 april 2016

Waar, wanneer en waarom hebben de Vlaamse coureurs de kunst van het winnen verleerd?

Er zijn twee mogelijkheden om sport te volgen als journalist. Je gaat ter plekke kijken, in het stadion voor het voetbal. Je kijkt in de perszaal van het wielrennen samen met honderd of wat anderen naar drie schermen. Telkens mis je tweederde van wat er gebeurt.

Andere mogelijkheid: je kijkt naar de televisie en haalt er een tweede of derde schermpje bij. Ik heb een alternatief voor de klassiekers: ik rijd de finale op rollen, maar alleen het laatste uur want van langer krijg ik zadelanesthesie en hoe ouder je wordt hoe vervelender je dat gaat vinden. (Vreselijk, de gedachte dat ‘het’ voor altijd gevoelloos zou blijven. Nu al.)

Elke klassieker heeft zijn moeilijkste passages in het laatste stuk en dat is prima. Bij elke helling, kasseiheuvel of gewone kasseistrook kan je doen zoals de renners op je scherm. Je gooit de dérailleur twee kroontjes zwaarder en je probeert die negentig omwentelingen vol te houden. Meteen zie je het resultaat op de powermeter: dat schiet met 100 watt in de hoogte. De mannetjes op je scherm rijden niet van je weg; ook niet als je maar 100 watt duwt, om eerlijk te zijn, maar het is de gedachte die telt.

Probleem met mijn rollen die niet echt rollen zijn maar een LeMond Revolution, is het lawaai. Daar heb ik wat op gevonden: een bluetooth sportkoptelefoon. Een gaaf ding, waardoor de commentator als het ware in mijn oor zit. Met wat goeie wil kan je je inbeelden dat het je sportdirecteur is. Op de tussenstukken peddel ik rustig mee in het peloton en luister.

Wielercommentatoren in Vlaanderen zijn uitzonderlijk goed, daar is geen discussie over, maar ze moeten veel tijd vullen en dan durven ze zich nogal eens verliezen in boude ter plekke verzonnen analyses. Zo stelde een commentator op één of andere helling de vraag waar toch die Nederlanders waren, de kampioenen van het trainen. Die gingen altijd maar op een berg zitten om te trainen met al die andere grote coureurs, maar je zag hen nooit in de wedstrijd.

De Vlamingen daarentegen, dat waren de aanvallers van het voorjaar. Die hadden koers gemaakt. Ten minste: tot aan de voorlaatste helling van de Amstel Gold Race en toen vertrokken ze met vakantie, op Jan Bakelants, Jelle Vanendert en Tim Wellens na. Er waren nog voorspellingen te horen: vandaag (gisteren dus) zou een renner winnen met een flinke speklaag, want het was guur weer, met koude wind, regen en natte sneeuw. Welnu: er won een Hollander, een trainingskampioen van de kampioenenploeg van het trainen, SKY, en die Hollander meet 1,86 meter voor 66 kilo. Dat betekent een BMI van 19 en dat is nog net gezond te noemen.

Zijn naam is Wout Poels en hij heeft in 2014 nog voor het team van Patrick Lefevere gereden. Na een seizoen hield hij het daar voor bekeken en dit jaar won hij een klassieker die Lefevre al sinds 2002 niet meer wist te winnen, niet met een buitenlander (Paolo Bettini was laatste) en laat staat met een Belg.

Het is vreemd: België staat op één in de landenklassering en daar klopten we ons in sommige media flink voor de borst want we mogen straks met negen naar het WK (dat we niet zullen winnen). Tegelijk hebben we nog nooit zo lang in de geschiedenis van het Belgisch wielrennen géén grote klassieker gewonnen.

Al vier jaar is geleden, van het wonderjaar van Tom Boonen in 2012, dat wij in één van de vijf Monumenten wonnen. Drie daarvan worden in onze achtertuin gereden. Een hoogst perfide vaststelling, want wij maken alleen nog maar een kans in die grote ééndagsklassiekers. In het betere rondewerk doen we al helemaal niet meer mee.  De kampioenen van het trainen hebben met Terpstra (Roubaix 2014) en Poels (Luik 2016) twee monumentenwinnaars de voorbije vier jaar. En wonnen bijna de Vuelta met Tom Dumoulin.

Is dit toeval? Is dit structureel? Het zou ons alvast aan het denken mogen zetten: waar, wanneer en waarom hebben de Vlaamse coureurs die zijn opgegroeid in het meest competitieve wielermilieu van de hele planeet de kunst van het winnen verleerd?

Interview Mbaye Leye in De Morgen van zat 23 april 2016

‘Authentiek wil ik zijn, niet populair’

 

Club Brugge ligt tegen het canvas en nu komt met Zulte Waregem ook nog eens hun – excusez le mot – zwarte beest op bezoek. Mbaye Leye scoort altijd tegen Club, ooit zelfs drie keer ín het Jan Breydelstadion. ‘Ik ben de laatste bezoekende speler die van de Club-fans applaus heeft gekregen.’

Bericht aan die fans van FCB: schud en beef maar al voor vanavond. Op 8 mei 2010 legde Mbaye Leye met een doelpunt de basis voor een memorabele 6-2-overwinning van Gent (met Michel Preud’homme) tegen Club Brugge in Play-off 1. Op 18 april 2013 scoorde Mbaye Leye drie keer voor Zulte Waregem en gaf een assist voor de vierde goal bij de 3-4-overwinning op het veld van Club, ook in Play-off 1. De terugwedstrijd op 16 mei werd 5-2, met twee goals van Leye in de wedstrijd die de titeldromen van Club naar de filistijnen hielp.

Bijna tien maanden later vierde Mbaye Leye zijn heroptreden na een lange blessure thuis tegen Club, mét een doelpunt. Dat was 2014 en inmiddels al twee jaar geleden. Dat is het goede nieuws voor Club: Essevee is niet meer wat het ooit is geweest en is als zesde niet langer de frisse titelkandidaat uit het gezegende jaar 2013. Het slechte nieuws? Mbaye Leye heeft nooit makkelijker gescoord. Afgelopen dinsdag fusilleerde hij nog de Oostendse doelman Ovono.

Mbaye Leye: “Er zijn twee ploegen in België waartegen ik makkelijk scoor: tegen Gent, mijn oude club, en vooral tegen Club, in Brugge. Dat heeft wellicht te maken met het publiek daar. Dat zijn geen voetbalkijkers die iets komen drinken en een stukje eten. Het zit vol met echte supporters en het is een en al adrenaline die je tegemoetkomt. Voor mij is dat oké, ik kick daar op.

“Andere spelers reageren misschien anders, ook hun eigen spelers. Ik heb soms de indruk dat het Brugse publiek zo intens is dat hun eigen team daar op afknapt. Afgezien daarvan, en hoewel ik mijn best zal doen om die wedstrijd te winnen, hoop ik toch dat Club Brugge uiteindelijk kampioen wordt, in het bijzonder voor Michel Preud’homme.

“Anderlecht heeft meer talent dan de andere ploegen, maar moet het niet hebben van het collectief. Gent wel, heeft iets minder talent, maar als de machine op gang komt, is ze onweerstaanbaar. Alleen is de Gentse machine nu een beetje gegriepeerd.”

Jij bent een van die vervelende spelers die de supporters liever niet bij de tegenstander zien rondlopen.

Mbaye Leye: “Ja, en daar kan ik mee leven. Zolang ze mij niet echt gaan haten als mens. Toen ik drie keer scoorde in Brugge in 2013, kreeg ik zelfs applaus. Dat zal nu wel niet meer gebeuren en ik ben wellicht de enige die dat is overkomen. Supporters zijn niet op hun gemak als ik speel omdat ze weten dat ik altijd kan scoren. Ik wil dat ook. Ik wil opvallen. Ik wil gevaarlijk zijn.

“Weet je wat mij motiveerde in het begin van het seizoen? Ik wilde een tweede Ebbenhouten Schoen winnen en nu blijkt dat ik niet eens bij de genomineerden ben. Begrijp jij dat ook niet? Ik zeker niet. Daarom ben ik nu nog meer gemotiveerd, Ik sta met zeventien doelpunten samen met Sofiane Hanni van KV Mechelen op kop in de doelschuttersstand en ik heb nog zes wedstrijden te gaan. Ik ben bezig aan een van mijn beste seizoenen ooit en ik kom niet eens in aanmerking voor die Ebbenhouten Schoen? Ik snap er niks van, maar het motiveert mij wel.”

Jij bent een van die zeldzame spelers die uit het duel wegblijven om te voetballen.

“Dat is pure noodzaak. Ik heb geen lichaam om met de Kara’s en Nuytincken van deze wereld in de slag te gaan. Ik loop dus weg van mijn verdedigers. Als het spel zich aan één kant bevindt, zal ik kijken wat ik daar kan doen. Lukt het niet, dan loop ik naar de andere kant.”

De chef loopt nu voorin en hij is eindelijk de chef, mét kapiteinsband.

“Die band is een primeur, maar veel is er niet veranderd. Ik zeg al langer waar het op staat. Dat deed ik ook toen Davy De fauw kapitein was en zelfs in mijn eerste jaar bij Waregem in 2007. Geert De Vlieger zat toen bij ons in de kleedkamer en toen ik zijn palmares bekeek, dacht ik: hola, een grote speler. Dat belette mij toch niet om mijn gedacht te zeggen in de rust, op een kalme, geargumenteerde manier, zonder iemand op de zenuwen te werken. Enfin, dat hoop ik toch.”

Jij bent ook analist voor RTL. Wat vind je van de Rode Duivels? Wat moet er gebeuren?

“Kevin De Bruyne vrijheid geven zoals bij Manchester City. Zet daarnaast een goeie Eden Hazard die kan flitsen en speel Romelu Lukaku aan zoals hij hoort aangespeeld te worden: geen een-tweetjes, hem gewoon lanceren op snelheid en kracht. De Rode Duivels zijn misschien geen outsider en wel degelijk een echte titelkandidaat, maar ik zou hen aanraden om te spelen als een outsider en wat af te wachten. Ik zie ze niet tachtig minuten het spel maken.

“Ik snap niet dat Vermaelen op de linksback staat. Ik zie niemand uit de Belgische competitie die internationaal die positie kan invullen, tenzij Sébastien Pocognoli. Die heeft weinig gespeeld bij zijn club, maar hij is wel een echte linksback.

“Het grootste Belgische talent momenteel is Leander Dendoncker van Anderlecht. Zeer intelligent, zeer sober, sterk, die heeft alles. Als hij speelt, draaien de anderen rond hem beter en niet omgekeerd. Hij kan die nieuwe grote Belgische speler worden.”

(Als de restaurantuitbater/Club-supporter tijdens het interview afgelopen woensdag achter onze rug een glas laat vallen, komt Leye droog uit de hoek: “Fredje, de wedstrijd is pas vanavond hein.”)

 

Juist, je spreekt inmiddels ook Nederlands.

“Ja, maar dan eerder voor de makkelijke dingen. Als het wat ernstiger wordt, zoals over voetbal, spreek ik liever Frans. (lacht) Allez, misschien is een voetbalinterview ook niet echt ernstig, maar het wordt wel serieus genomen door sommigen en ik zeg al zo vaak waar het op staat, dat ik het liever wat genuanceerder zeg.”

Zoals vorig week, toen je jullie bankzitters de mantel uitveegde. Was dat in overleg met Francky Dury?

“Hij was niet op de hoogte, maar hij heeft zich daar ook niet aan gestoord. Als ik dat al niet mag zeggen als kapitein om ons wat scherp te houden? Het was dinsdag tegen Oostende overigens niet beter, misschien zelfs slechter. Zoals we momenteel verdedigen, hoop ik dat we op Club Brugge niet weer te snel twee goals slikken, want dan kan het zo 6-0 worden.

(komt op dreef) “En dan hoor ik op Extra Time onzin verkondigen dat ik dit niet op de tv maar in de kleedkamer moet zeggen. Welnu, wat ik daar zei, heb ik ook al uitgebreid gezegd in de kleedkamer. Het bestaat toch niet dat je als speler tevreden bent met een statuut van bankzitter? De graal van een voetballer is die wedstrijd in het weekend. Het moet het doel zijn beter te worden dan de man die op jouw plek speelt. Als de trainer zegt dat we Lepoint en Essikal missen, dan moeten de vervangers zich dubbel plooien om ervoor te zorgen dat we hen niet missen en hun kans te grijpen.”

Dat je je daardoor niet zo populair maakt in de ploeg, stoort je dat?

“Dat zeiden ze ook nog op Extra Time. Leye is niet populair want er kwam hem geen speler feliciteren na zijn strafschopdoelpunt. Ik zal beleefd blijven: iemand die zou weten hoe het er in topsport aan toegaat, zou begrijpen dat je bij een 0-2-achterstand niet juicht omdat je toevallig op strafschop 1-2 maakt. Dan loop je snel terug, in de wetenschap dat we nog steeds ‘nuls’ zijn. Ik zou niet willen dat ze naar mij komen om te juichen en ik juich ook niet bij die stand. Het voetbalveld is geen discotheek waar het altijd feest is.

“Het probleem van dat soort uitzendingen is dat zo’n bewering een eigen leven gaat leiden. Populariteit is trouwens bijzaak. Voegt niks toe. Ik wil authentiek zijn, niet populair. Mensen weten niet dat voetbal handel is en iedereen komt aan de beurt. Op een dag is het voor Leye gedaan op Zulte Waregem en dan komt een ander en die zal ook vroeg of laat op zijn en dan komt er weer een andere.”

Hoe snel begreep jij ten volle de business waarvan jullie de speelbal zijn?

“Nogal snel. De realiteit is wat ze is. Wij zijn verhandelbare goederen die rendement moeten opleveren. Spelers worden gekocht en verkocht, en soms komt je dat goed uit, soms ook niet.

“Ik heb altijd mijn uiterste best gedaan. De kleine schaamte die ik heb, is mijn passage bij Lokeren. Ik kon het goed vinden met Peter Maes en hij met mij, maar ik was zonder echte voorbereiding aan het seizoen begonnen. Ik was einde contract, Zulte Waregem en
ik kwamen niet tot een akkoord en ik trainde in derde nationale. Daarom heb ik bij Lokeren niet gepresteerd zoals ik gewend was. Ik was beschaamd dat ik zo weinig aan spelen toekwam, maar het heeft mij sterker gemaakt. Alle tegenslagen in mijn leven hebben mij sterker gemaakt.

“Toen ik terugkeerde naar Waregem dachten ze vast: waarom Leye, die stelt toch niks meer voor? Dat motiveert mij om keihard te werken. Ik moet meer doen dan de anderen want ik wil beter zijn dan die 26 anderen. Francky Dury heeft mij nooit de vraag gesteld of ik nog wat in mij had. Ik was de eerste speler die hij wilde; hij zei dat ik de groep moest leiden en dat ik zou spelen.

“Dury speelt mij uit op de plaats waar ik het beste rendeer: centraal in de aanval. Niet op rechts, links of hangend zoals bij Gent, waar Preud’homme mijn polyvalentie wel makkelijk vond. Ook niet op alle mogelijke plekken zoals bij Standard, waar ik zelfs ooit linksback en verdedigende middenvelder heb gespeeld.

“Trouwens, mijn verhaal bij Standard illustreert de vreemde business van het voetbal. Eerst kopen ze mij als aanvaller, maar tegelijk kopen ze Aloïs Nong en Mémé Tchité, drie spitsen. Gevolg: ik mocht weer gaan zwerven. Maar het toppunt: aan nog een vierde jonge aanvaller zeggen ze dat hij op overschot is en weg moet. Dat was Christian Benteke, die ze aan KV Mechelen hebben verkocht. Uitgerekend hij speelt nu in de Premier League.

“Ik heb bij Standard altijd gespeeld tot de dag dat ze mij zeiden dat ze de jeugd een kans zouden geven, omdat ik te oud was. Wat ze bedoelden, is dat ze van mij geen groot geld meer konden maken, maar wel van een jongere die eventueel kon doorbreken. Marktwaarde! Je moet mij die business niet leren kennen.”

De scout die jou naar België bracht, heeft nooit een Afrikaan gezien die zich sneller heeft aangepast. Waar komt dat vandaan?

“Mijn opvoeding. In Afrika ben ik 80 procent Afrikaan, en zal ik ook al eens een uurtje te laat komen op deze afspraak. In Europa ben ik 80 procent Europeaan en zal ik niet te laat komen. Alles samen ben ik de helft Afrikaan en de helft Europeaan. Ik denk dat ik harder werk dan de gemiddelde Afrikaanse voetballer die de reputatie heeft van precies te doen wat genoeg is, maar vooral niks extra.

“Ik ben anders. Ik heb ook het geluk gehad dat ik niet als voetballer naar Europa ben gekomen, maar als student. Ik ben naar mijn zus in Frankrijk gestuurd om een diploma te halen, want een Frans diploma ging boven alles. Voetballen was een hobby, vond mijn vader, en in Afrika heb ik nooit gevoetbald, behalve dan op straat. Uiteindelijk werd het pas echt werk op mijn 22ste en ik was al 24 en zeven jaar in Europa toen ik bij Zulte Waregem belandde. Al die jaren daarvoor heb ik hard gewerkt om rond te komen. Ik woonde bij mijn zus in Rennes, maar ’s ochtends kuiste ik de bureaus in een bank en ’s avonds ging ik afwassen in een pizzeria, om toch maar in mijn onderhoud te kunnen voorzien.

“Mijn aanpassing verliep vlot omdat ik makkelijk ben in de omgang. Wie mij respecteert, respecteer ik ook. En omgekeerd. Lut, de vrouw die voor ons zorgt in het spelershome, krijgt evenveel respect van mij als onze voorzitter Carl Ballière. Tegen de nieuwkomers zeg ik altijd: als je die mensen hier respecteert, doen ze alles voor jou. Vorig jaar speelde ik in Lokeren en kwamen ze met een speciaal ingelegde bus van Waregem naar mij kijken.”

 

Jij wordt de eerste zwarte Afrikaanse trainer in eerste klasse. Of clubmanager. Jij mag kiezen.

(knikt) “Trainer, dan maar. Dat mag ik hopen. Ik heb al een diploma UEFA-trainer B gehaald en ik steek veel op van Francky Dury. Ik wil coachen en ooit hoop ik op die kans.”

Column over verlaten waterpolomeisjes in De Morgen van zat 23 april 2016

Waterpolo

 

Waterpolo, of all sports, in het nieuws, in het parlement zelfs. Het begon vorig weekend met een mening op knack.be: “Belgische zwembond beloont waterpolomeisjes met sessie spartelen op het droge.” Een N-VA-mannetje uit Oostende zei dat de klok drie kwarteeuwen was teruggedraaid door de beslissing van de nationale zwembond om geen gemengd waterpolo toe te laten boven de 11 jaar. De mening werd mij toegestuurd door mijn dochter, zelf een ex-waterpolospeelster in gemengde teams. Een dag later ontspon zich aan de ontbijttafel een geanimeerde discussie en de vrouwen waren erg verontwaardigd omdat ik het een logische beslissing vond.

De verzamelde meninghebbers, zoals daar zijn de vrouwen aan mijn ontbijttafel, N-VA-mannetjes uit Oostende, het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, de staatssecretaris voor Gelijke Kansen Elke Sleurs en minister van Sport Philippe Muyters, zagen dat anders en spraken schande. Het Minderhedenforum – is Wouter ziek? – had voor één keer geen mening.

Als ex-jeugdzwemmer van de Gentse Zwemvereniging smulde ik van de jaarlijkse derby’s, c.q. stammenoorlogen tegen Ghent Swimming. Later heb ik als journalist in Nederlandse loondienst de Nederlandse vrouwen gevolgd toen ze in Perth in 1998 de WK-finale verloren en in Peking in 2008 olympisch goud wonnen. Een paar weken geleden volgde ik zelfs de beslissende kwalificatiewedstrijd voor de Olympische Spelen van diezelfde Nederlandse polovrouwen tegen Spanje op tv. Nederland verloor kansloos. Ik ken waterpolo en als meninghebbers toen de mooie beelden hadden gezien van de fysieke oorlog die zich onder de waterlijn afspeelde, zouden ze nu anders spreken.

Ik heb destijds een paar wedstrijden van mijn dochter gevolgd, maar ook niet meer dan een paar, dat is waar. Ik vond die gemengde teams bij de haren getrokken, al is dat ongeveer de enige misdaad die je in het waterpolo niet mag of kan begaan. Dochterlief hield een gebroken neus over aan haar trainingen met jongens, maar dat had met meisjes ook kunnen gebeuren want die hebben ook ellebogen.

Laat dit duidelijk zijn: de argumenten die de zwembond aanhaalt, zijn belachelijk. Een verzekeraar die geen seksueel grensoverschrijdend gedrag dekt? Alsof je voor seksueel grensoverschrijdend gedrag naar een verzekeraar stapt. Dat is een zaak van de trainer, het clubbestuur of de politie. En dat de Walen niet willen, daar kan de Vlaamse autonome vleugel zijn voeten aan vegen. Sport is regionale materie en de nationale koepels moeten aangestuurd worden door de vleugels en niet omgekeerd.

Het scheiden van jongens en meisjes vanaf een bepaalde leeftijd in de sport is dan weer de wetenschappelijke logica zelf. Misschien dat sommige meisjes van zichzelf vinden dat ze hun mannetje kunnen staan, maar vanaf de puberteit groeien de twee seksen
zowel qua uithouding als kracht uit elkaar en toevallig is waterpolo met ijshockey, American football, rugby en handbal de fysiek zwaarste contactsport door de mens gespeeld.

In waterpolo is lichamelijk contact een essentieel onderdeel van de spelregels. Je mag op de tegenstander gaan liggen, de arm wegtrekken, je mag delen van het lichaam blokkeren, je mag hem/haar soms kopje onder duwen. Fantastisch, als sommige meisjes er trots op zijn dat ze ook stampen en knijpen onder water, maar daar gaat het niet om. Hoe ouder de jongens worden, hoe minder de meisjes in die gemengde teams aan de bak komen. En dan wordt het een heel raar spelletje, ook voor de jongens, want in tegenstelling tot korfbal mag in waterpolo wel gemengd worden verdedigd.

De ongelijkheid van mannen en vrouwen in sport heeft niks vandoen met glazen plafonds of patriarchale structuren, maar met een hormonale realiteit. We wijken serieus af van de originele bedoeling van (competitie)sport als we, ter bevordering van de gelijkheid van seksen, meisjes en jongens samen laten sporten omdat de meisjes dan ook beter worden. Dames, zo werkt het niet. Jullie hebben destijds een aparte categorie gekregen in de sport en die heet vrouwensport, en dat gaan we nog een tijdje zo houden (tot de doorbraak van de tussenseksen).

Dat er niet genoeg meisjes/vrouwen zijn om een sport te beoefenen? Jammer maar helaas, we zijn een klein land zonder sportcultuur. De finaliteit van jeugdsport is nog altijd de doorgroei naar de volwassenensport en niet een nivellering naar onderen bij de jeugd omdat 170 waterpoloënde meisjes zich anders verlaten voelen.

Over de nieuwe motortjes in het peloton in De Morgen van maandag 18 april 2016

Nieuwe mechanische fraude?

Dat is wel heel kort door de bocht op wel heel dure wielen

 

Extraordinary accusations require extraordinary evidence. Dat zei een ooit heel groot renner en het is een beetje vreemd om hem hier te citeren, want uiteindelijk zijn die bewijzen tegen hem er wel gekomen. Lance Armstrong had daarom niet minder gelijk.

Gisteren heeft Stade 2 – meestal een redelijk geniaal, gevarieerd en inspirerend sportprogramma op France 2 – naar eigen zeggen bewezen dat de mechanische doping in het wielrennen een nieuw hoofdstuk aan het schrijven is en dat we er allemaal staan op te kijken als een koe op een trein. Tenminste, dat was de teaser.

Het programma begon met oude beelden en oude beschuldigingen: tegen Ryder Hesjedal van wie het achterwiel bleef draaien na een val (wat achteraf is gereconstrueerd en als perfect verklaarbaar bewezen), van Fabian Cancellara op de Muur toen hij in 2010 wegreed van Boonen (maar achteraf getimed niet sneller klom dan Gilbert en Devolder in de jaren voor hem) en ook tegen Chris Froome in de Tour van vorig jaar. Cédric Vasseur suggereerde toen dat de fiets van Froome op La Pierre Saint-Martin vanzelf reed en vroeg zich af hoe die in godsnaam die 110 omwentelingen kon volhouden. Vervolgens kwam een ex-topman van het Franse antidopingagentschap aan het woord die zei dat hij veel klachten had van renners over mechanische doping.

Ineens werden we naar de Strade Bianchi van dit jaar gebeamd. Daar zouden de makers van het programma een eigen detectiemethode uittesten. Ze filmden alle voorbijrijdende fietsen met een infraroodcamera en daaruit concludeerden ze met een ingenieur dat enkele fietsen verdachte heat maps vertoonden. De conclusie: waar het fietskader rood was, zou zich wrijving hebben kunnen voorgedaan ten gevolge van een eventueel aanwezig motortje. We zagen rood opgloeien in de zadelbuis. De hypothese dat daar de batterij voor de elektrische versnelling zit en dat die misschien de oorzaak was, kwam niet aan bod. Ook in de trapas en in de as van een achterwiel was opvallend veel wrijving te zien, maar daar ís ook opvallend veel wrijving bij fietsen die vooruit gaan.

Vervolgens toonden ze uit de Giro van vorig jaar beelden van Alberto Contador die een achterwiel kreeg van een maat en er dan in één ruk mee wegreed. Ze filmden daarna een mechanieker die rare dingen deed aan zijn polshorloge – verdacht aldus de makers – en vervolgens toonden ze de controles van de UCI. Daarvan beweerden ze dat het controleren van fietsen met een tablet die blijkbaar elektromagnetische golven zou detecteren, niet betrouwbaar zou zijn. Oké, point taken, maar geen wederwoord.

En toen ging het naar Boedapest, waar ene Stefano Varjas een motortje met een lithium-ionbatterij van twee op vijf centimeter toonde. Dat zou 250 watt aanleveren. Niemand die de opmerking maakte dat je daarmee de helft meer energie levert dan de concurrentie en omgerekend ongeveer een derde sneller zou rijden, wat vergelijkbaar is met de zondagfietser die moeiteloos een brug oprijdt in het wiel van de geoefende wielertoerist.

Aanvankelijk dacht je nog what the fuck!

Vandaag weet je beter en denk je what the fuck ;-).

Het werd nóg spannender. Varjas is ingenieur en had ook een wiel met batterijen in de hoge velg ingebouwd. Dat kon op afstand worden aangezet, met een iPhone vanuit de auto bijvoorbeeld. De volgende keer dat je een renner ziet overleggen met de ploegleider, waarna die renner ineens versnelt, weet dan maar zeker dat de ploegleider via een bluetooth-verbinding met zijn iPhone het wiel van zijn kopman heeft geactiveerd. Interessante theorie, ware het niet dat het wiel eerst een prototype zou zijn en vervolgens iets tussen 50.000 en 200.000 euro zou moeten kosten. Eén wiel zal wel volstaan, maar toch.

Allemaal leuk die samenzweringstheorieën maar het bleef vooral bij samenzwering en daarom hadden we nog wel een mooie afsluiter nodig. Ineens kwam de Hongaarse ingenieur met een in 1998 ontworpen motortje dat nu niet meer in zwang is omdat het 3,5 kilo weegt. Dat is de helft van een carbonfiets. Dat was pas een vondst, want het was op maat van renners met hele hoge trapfrequenties. En het was gebruikt! Waarop de animator – journalist is iets te veel eer, illusionist past misschien nog iets beter – besloot: “ik kan mij niet zo direct een renner voor de geest halen uit die periode, maar u vast wel en u moet maar reageren op de sociale media.” Voor wie onder een steen zat in die tijd: hij bedoelde Lance Armstrong.

De cirkel was rond.

Arm, arm wielrennen.

20160418_De-Morgen_p-27-mail