Column Geldverkwisting (over Van Avermaet en co) in De Morgen van 9 mei 2015

GELDVERKWISTING

Na Tom Meeusen is ook Greg Van Avermaet deze week vrijuit gegaan. De zaak rond dokter Mertens is al langer een pijnlijk verhaal en geen reclame, vooral niet voor de gerechtelijke politie van Leuven en ook niet voor de dopingbestrijding.

Ik heb het verhoor van de dokter en ook nog wel wat andere pv’s gelezen. De vraagstelling tijdens die verhoren getuigde van zo weinig kennis en van zo veel vooringenomenheid dat ik in een eerder verhaal aanvankelijk de namen van de ondervragers er had bijgezet. Omdat domheid een naam verdient. Bij een tweede lezing heb ik ze weggehaald. Ik kom niet vaak in Leuven, en ben ook niet van plan opgepakt te worden, maar stel je voor dat je dan die twee stoethaspels tegen het lijf loopt en juist in hun kerker wordt gegooid.

Ik citeer kort:

Vraag (van de politie aan dokter Mertens): “Greg Van Avermaet meldt zijn ijzerwaarden en vraagt wat in te nemen. U antwoordt met ‘Ferlicit 1x en herhalen over tien dagen. Of Fercayl intramus-culair om de week 1 ampul.’ Greg Van Avermaet vraagt een voorschrift en u bevestigt met OK. Wat hebt u hierop te verklaren?”

Antwoord (van dokter Mertens): “Wel, dat ik het niet meer weet…”

Vraag: “U raadt een profrenner aan om zichzelf in te spuiten met ijzer, intraveneus, en dit als de no needle al een jaar van toepassing is. Wat hebt u hierop te zeggen?”

Antwoord: “Euh… Zwijgrecht.”

Ik zou hebben geantwoord (veilig van achter mijn draadloos toetsenbord): “Zeg pipo, bemoei jij je eens met het Belgische strafwetboek in plaats van met een bepaling van een Zwitserse privéorganisatie (de UCI) en als je je strafwetboek zou kennen, zou je weten dat ijzerspuiten niet verboden zijn. En als je de no needle policy niet alleen zou kennen van horen zeggen, zou je weten dat die niet geldt als er een medische noodzaak is. En of die er is, zal ik wel bepalen want ik ben daarvoor lang naar school geweest. Veel langer dan jij. Nog iets? Bon, dan ga ik nu lunchen.”

Politie en gerecht zijn internationaal een troef geweest in de doping-bestrijding. Denk aan de zaak-Festina, -Fuentes, -BALCO en alle zaken in Italië of rond de Olympische Spelen. Niet in België, helaas. De keren dat de politie is opgetreden in dopingzaken was dat met onnodig machtsvertoon: Frank Vandenbroucke geboeid voorleiden bijvoorbeeld, toevallig steeds met pers in het zog. Een teambus onderscheppen, met camera’s in de buurt. Of met overdreven inzet van middelen: een telefoontap plaatsen bij een dierenarts verdacht van doping inspuiten bij duiven, waarna uit de tap blijkt dat geen duiven maar heel wat wielrenners telefo-neren.

Ook in deze zaak-Mertens heeft de berg een muis gebaard. Ongetwijfeld is de klantenbinding van die dokter voor discussie vatbaar, want iemand die allerlei middeltjes toepast en de evidencebased geneeskunde vierkant aan zijn laars lapt, wordt al snel een sjamaan. Dat die eens goed op de vingers wordt getikt, geen probleem. Dat zijn patiënten-klanten even worden bijgepraat, evenmin.

Maar binnenvallen bij die arts, alles wat loszit in beslag nemen, en vervolgens 110 bloedcontainertjes laten testen op DNA om vast te stellen dat er slechts twee matchen met DNA van een onbekende sporter nog wel, waardoor je géén zaak hebt en er dan tóch een zaak van maken: dat is dom. De onderzoeksrechter heeft onnodig veel overheidsgeld verprutst.

Straks staat de arts correctioneel terecht voor een vergrijp dat in hoofde van zijn sporters niet is bewezen. Sterke zaak. De dopingautoriteiten die de politie niet bij de les hebben gehouden, hadden aan de alarmbel moeten trekken. Ten slotte had ook de bondsprocureur van de wielerbond hier beter geen zaak van gemaakt, maar hem begrijp ik nog het beste.

Er zijn alleen maar verliezers: de gemeenschap die dit heeft betaald, de wielerbond die alles mag betalen, de sport die in opspraak is gekomen en de atleten die maandenlang in de onzekerheid leefden. Alleen de advocaten zijn hier beter van geworden, maar dat zullen zij vast wel tegenspreken.

Geldverkwisting, column

Verhaal over Ketonen en Magerzucht bij wielrennen in De Morgen van 9 mei 2015

KETONEN. De nieuw superbenzine

Met de Giro zijn de hoge bergen terug en ook de renners van vel, benen, spieren, veel longen en weinig vet. Ze lijken ziek, maar presteren als geen ander. Hoe doen ze het en hebben die Engelsen nu echt een geheim middel van 2.700 euro per liter?

Er doet een verhaal de ronde in het wielerpeloton: Team Sky zou sinds 2011 op gezette tijden met een speciale koerier bij zijn renners thuis speciale voeding hebben geleverd. Geen aardappeltjes en groentjes, maar een revolutionaire energiedrank, een soort superbenzine waar je tegelijk zou van vermageren en meer energie van krijgen. ∆G of deltaG is de naam, het kost stukken van mensen – 2.700 euro per liter, als het al te koop zou zijn want dat is het niet. Sky zou het als enige team in het peloton gebruiken, als onderdeel van een bijzonder voedingsprogramma dat werd opgezet voor de Spelen van Londen. Ketonen zijn het actieve bestanddeel van ∆G, dat geen doping is maar dat behoort tot de nutraceuticals. Dat is een samentrekking van voeding (nutrition) en medicatie (pharmaceuticals). Functionele voeding dus, eten dat een welbepaald doel nastreeft in het lichaam.

De energiedrank is een vinding van de Universiteit van Oxford, meer in het bijzonder van de Clarke Group, genaamd naar professor Kieran Clarke, die het onderzoek naar ketonen heeft geleid. Op enkele kleine verwijzingen na op gespecialiseerde websites, zijn ketonen bewust van de radar gehouden, wat in de kaart speelt van de mannen van Sky. Op vragen om bijkomende uitleg over hun ketonendrankje kwam alvast geen antwoord.

Is het een superbenzine, een geheim middel? Feit is dat men allang vermoedt dat Sky ‘iets’ extra’s heeft. Dat komt onder meer door de afgetrainde Chris Froome: zet die in lompen op een boot op de zee en hij krijgt asiel om humanitaire redenen. Daarom vroeg het hele peloton zich in 2013 af waar dat fietsende geraamte in godsnaam die energie vandaan had gehaald, 23 dagen aan één stuk, om de Tour te winnen?

Watt per kilo

Wielrenners zijn obsessief met hun gewicht bezig en dat is eenvoudig te verklaren: ze moeten bergen over en om over bergen te rijden, is veel vermogen nodig en veel vermogen kost veel energie. Behoud van energie is dus cruciaal en wie veel vermogen kan leveren voor weinig gewicht, is in het voordeel. Watt, eenheid van vermogen, per kilogram lichaamsgewicht is het enige wat telt voor een renner in een grote ronde die een deftig eindklassement wil behalen.

De combinatie van minder input en meer output, vermageren én hard trainen, is dansen op een slappe koord. Om te vermageren, beperken renners hun voeding en het eerste waar ze dan op besparen zijn de koolhydraten. “Geen goed idee”, vindt voedingsexperte Stephanie Scheirlynck die voor Lotto-Soudal en voor Baloise-Topsport Vlaanderen werkt. “Jonge renners vragen mij of het nodig is om zes uur nuchter te rijden met alleen groene thee als ontbijt. Of twee trainingen met tussenin een slaatje. Neen dus. Anderhalf uur nuchter en daarna een goed ontbijt kan nog net.”

Een gebrek aan koolhydraten kan de renner zuur opbreken. “De vetverbranding is er misschien op vooruitgegaan, maar bij de minste versnelling of helling komt hij kracht te kort. Bovendien is bewezen dat wie een koolhydratentekort heeft, sneller ziek wordt.”

Precies om dat tekort tegen te gaan, zouden die ketonen kunnen helpen. Het zijn bewezen hoogst efficiënte energiedepots, die met hetzelfde zuurstofverbruik tot 30 procent meer energie kunnen leveren dan glucose.

Stephanie Scheirlynck ziet de potentie van ketonen: “Ik ken deltaG niet, maar het lijkt er sterk op dat ze ketonen toevoegen aan de drank om ervoor te zorgen dat het lichaam prioriteit geeft aan het verbranden van vetten, zodat de beperkte koolhydratenvoorraad gespaard blijft. Je kunt dus in vetverbranding gaan zonder alle nadelen van het nuchter trainen.”

Superbenzine

Michele Ferrari, de arts die in het hele melkwegstelsel van het wielrennen verbrand is, wees eerder al in zijn blog op de voordelen van ketonen die hij superfuel, of superbenzine noemt. “Ketonen worden verondersteld de koolhydratenvoorraden te sparen, de vetverbranding te bevorderen en ook nog eens de skeletspieren ten goede te komen. In 2005 heeft professor Clarke ketonen kunnen aanmaken. Als ketonen van buitenaf worden ingenomen, zo wijzen de eerste studies uit, zijn ze na 2 tot 3 uur op hun toppunt van energielevering, wat trager is dan glucose (gels bijvoorbeeld, HV), maar ze leveren meer energie. Volgens de firma die ze gaat commercialiseren (TdeltaS, HV) vanaf eind 2014, worden ketonen in de topsport gebruikt sinds 2011.”

Waarmee we terug bij de afnemers zijn aanbeland: Sky en een select deel van het Britse olympische team. Dat laatste wordt ons bevestigd door een Britse atletiekcoach die inmiddels andere oorden heeft opgezocht. Volgens zijn informatie was het ten tijde van de Spelen alleen beschikbaar voor de toplopers en meer in het bijzonder Mo Farah, dubbel goud op de 5 en 10 kilometer. De opvolging van het gebruik behoorde net als alle voeding tot het medisch programma.

Beperkt voorradig

In onze eigen zoektocht naar ketonen, de molecule ontwikkeld door Kieran Clarke, zijn we van een kale reis teruggekeerd. En we zijn niet de enige. Joost De Maeseneer van Astana had er nog nooit van gehoord, maar andere wielerartsen hebben wel informatie ingewonnen en ook zonder resultaat. Het internet biedt van alles over ketonen aan, tot zelfs confituur, maar niks dat erg werkzaam overkomt. TdeltaS geeft op de website summiere uitleg, maar geen woord over waar en hoe men het kan bestellen.

Ketonen zijn niet gecommercialiseerd, nóg niet. Later deze week loopt dan toch een mail binnen van professor Clarke. “Dank voor uw interesse. Om op uw vragen te antwoorden: TdeltaS hoopt deltaG in de VS te commercialiseren tegen eind 2015. Er is geen verder onderzoek gedaan naar het gebruik. Jammer dat ik u niet verder kan helpen. Kind regards.”

Dat spoort met bronnen rond het Britse wielrennen die beweren dat het voorlopig maar in beperkte mate voorradig is en bijgevolg door een kleine groep renners van Sky wordt gebruikt. Oké, de Tour de France dus. Maar waar nog? Zou Richie Porte zoals hij Parijs-Nice domineerde, op ketonen hebben gereden?

Als ketonen doen wat ze zeggen dat ze doen, dan behoren ze tot wat de Engelsen zo mooi omschrijven als de marginale winsten, de onontgonnen gebieden van de sportwetenschap waar nog voordeel te halen valt. Maar hoe marginaal is marginaal, luidt dan de vraag. Net als alle andere vragen blijft die onbeantwoord, níét bij gebrek aan wetenschappelijk onderzoek want dat is er zeker als er straks een hele business wordt aan opgehangen. Wél bij gebrek aan publicaties over dat onderzoek.

Vel- of beenziekte

Los van de ketonen is magerzucht sowieso een probleem in het huidige wielrennen. Soms zien wielrenners in de conditie van hun leven eruit alsof ze elk moment door hun beentjes kunnen zakken, maar schijn bedriegt: dagen aan een stuk beklimmen ze de hoogste toppen, vlammen door de diepste dalen en als het moet, hangen ze er na drie weken ook nog een tijdrit achteraan om u tegen te zeggen.

Neen, er zijn geen data over het gewicht van renners. De UCI zegt dat ze geen gegevens heeft en als ze die zou hebben, zou ze die niet vrijgeven. Bij teams: hetzelfde antwoord. Professor Peter Hespel van Bakala en de KU Leuven monitort al jaar en dag de ploegen van Patrick Lefevere. Ook hier: “Er is wel degelijk een probleem.”

Joost De Maeseneer, arts bij Astana, ziet het dan weer anders, maar zijn Rondewinnaar in 2014 (Vincenzo Nibali) zag er dan ook niet uit zoals Chris Froome. Het belang van het vetpercentage is hem aangepraat door Bjarne Riis. “Ik was daar eerst niet voor, maar de praktijk leerde ons dat onze beste renners het laagste vetpercentage hadden. Daar komt ook psychologie aan te pas: als je een renner als Nibali net voor de Tour kunt zeggen dat hij nooit scherper heeft gestaan, geeft dat een boost. Hij heeft die Tour ook gewonnen.”

Over het gevaar heeft hij ook een mening. “Jawel, ik zie ze ook, de renners die maar twee ziektes kunnen krijgen – de vel- en de beenziekte, maar over het algemeen denk ik toch dat wij in onze maatschappij al te tolerant staan tegenover een hoog vetpercentage.”

Yvan Vanmol van Etixx-QuickStep heeft een andere visie op het probleem. “Ik zie jonge renners van 20 – de klimmerstypes – die bij een scan al verminderde botdensiteit tonen. Het probleem met dat extreem vermageren is het genetische verschil: het ene gestel kan al makkelijker een extreem laag vetpercentage halen dan het andere. Die laatste riskeert eetstoornissen als hij dat toch probeert.”

In het British Journal of Sports Medicine verscheen in 2013 een Noors artikel na een studie betaald door het Internationaal Olympisch Comité: daarin werd gepleit voor minimumcriteria rond de lichaamssamenstelling. Te magere atleten die buiten de gezondheidscriteria vallen, zou men de start moeten weigeren.

Osteoporose

Renners vallen vaak, maar niet omdat ze van hun fiets afwaaien, al was dat toch een bekommernis tien jaar geleden bij het begin van de magerhype, die op zich dan weer een gevolg was van de succesvolle strijd tegen de bloeddoping. De geroyeerde Geert Leinders was als arts van Rabobank bezorgd over hoe zijn nieuwe Deen eruitzag. Die Deen was Michael Rasmussen, die later zou betrapt worden op liegen over zijn whereabouts, maar die naast gedopeerd ook geobsedeerd was. ‘Chicken’ Rasmussen woog alles wat hij at en schraapte zelfs stickers van zijn fiets die er van de sponsor niet moesten opzitten: alles om toch maar zo licht mogelijk te wegen. Leinders in 2004: “Die is zo licht dat hij wegwaait als we straks langs de kust rijden.”

Renners vallen niet omdat ze van hun fiets afwaaien, maar als ze vallen, is de kans op botbreuken groot. Magerzucht lijdt tot osteoporose en een verminderde botdensiteit. De beenderen worden brozer en breken gemakkelijker. Dat fenomeen is al langer beschreven bij vrouwelijke topsporters als de female triad, de bermudadriehoek van de vrouwensport. Vooral vrouwelijke turnsters waren het slachtoffer van magerzucht.

Een topturnster die scherp staat, menstrueert niet, wat een signaal is dat het goed zit (of slecht, zo u wil) met het onderhuidse vet. In dat vet zitten de menstruatiehormonen en te veel vet, betekent te veel problemen met de centrifugaalkracht, met name aan de brug. Maar in de jaren negentig kwam men er ook achter dat sommige van die turnstertjes het beendergestel hadden van een bejaarde vrouw. Achttien waren ze en de osteoporose was al onomkeerbaar.

Verboden spul

Wielrenners dreigen dezelfde weg op te gaan. Hardlopers (m/v) niet, hoewel die soms even mager zijn. Het verschil zit hem in de aard van de inspanning. Wielrenners worden gedragen door hun fiets. Ze putten hun lichaam uit in gedragen toestand. Lopers met hetzelfde lage vetpercentage houden hun botdensiteit intact door de impact van het lopen: bij elke stap moet het bot het lichaam opvangen. De wielrenner krijgt die (in dit geval) gezonde schokken niet. Vandaar het gevaar op broze beenderen.

Er is een bijkomend aspect dat de broosheid kan verklaren bij wielrenners en dan komen we in de grijze zone tussen overmedicalisering en doping: tik in Google glucocorticosteroids en hang er een o’tje achteraan en het eerste wat de zoekmachine vindt is osteoporose. Iedereen weet dat corticosteroïden nog steeds worden gespoten, al of niet met attesten voor therapeutische uitzonderingen. Ze werken katabool en halen energie uit verschillende depots in het lichaam, uit de spieren, maar ook uit de beenderen.

Veertig jaar geleden waren de pure klimmers ook al obsessioneel over hun gewicht en zaten ze aan veel meer verboden spul, en toch was osteoporose toen nooit een punt van discussie. In de eerste plaats omdat botmetingen toen nog niet bestonden, maar wellicht ook omdat ze in die tijd vrijelijk de beschikking hadden over anabole steroïden die op hun beurt dan weer de botdensiteit bevorderen.

Dat heb je met topsport: soms heb je één exces nodig om een ander exces te neutraliseren en misschien brengen de ketonen wel de ultieme oplossing om gezond te vermageren. Voor 100 euro per drankje mag dat wel.

Ketonen

Verhaal Knock-Out over boksen in De Morgen van 2 mei 2015

KNOCK-OUT

Profboksers Floyd Mayweather en Manny Pacquiao vechten vannacht om de wereldtitel, maar de kamp tussen deze twee bejaarde boksers komt vijf jaar te laat. De nobele kunst van de zelfverdediging lijkt niet meer te redden van de marginaliteit.

Altijd was er wel iets dat belette dat de zwarte Amerikaan Floyd Mayweather en de Filipino Manny Pacquiao samen op het canvas stonden. Tot ze toevallig courtside tijdens een basketbalwedstrijd in Miami bij elkaar haast op de schoot zaten. Voor de wereld het wist, was er een nieuw ‘Gevecht van de Eeuw’. Althans, dat is het officiële verhaal.

Wie vannacht het meeste verdient, is bekend: dat is de Amerikaan, die van zichzelf zegt dat hij de beste ooit is. Wie zal winnen, daarover zijn de meningen verdeeld. Mayweather en Pacquiao zijn de twee beste weltergewichten ter wereld. Pond per pond – dus alle klassen meegerekend – staan ze op één en drie, met tussen hen in het Oekraïense zwaargewicht Vladimir Klitsjko.

Mayweather is de enige van de twee die ongeslagen is: 47 keer gebokst, telkens gewonnen, 26 keer met knock-out. Niet verwonderlijk, zegt bokskenner en -trainer Jef Van Driessche: “Mayweather is een specialist in verdedigen en counteren vanuit de verdediging. Hij neemt weinig risico, maar is een stilist. Net als Pacquiao, maar dan in aanvallend opzicht. Pacquiao kan winnen als hij de eerste vijf ronden het verschil kan maken. Hoe langer de kamp duurt, hoe meer Mayweather in het voordeel is.”

Maar, we hebben het over boksen, de sport waarin je niet altijd krijgt wat je ziet. Pacquiao kan erover meespreken. Hij verloor op 9 juni 2012 – in de MGM in Las Vegas, waar het straks ook allemaal gebeurt – van Timothy Bradley na een controversiële beslissing van de scheidsrechters. Hij had moeten winnen, maar was daar niet eens zo verbaasd over.

Gearrangeerd verlies om economische redenen behoort tot de geplogenheden van het boksen, de laatste Amerikaanse sport waarbij de maffia met haar illegale gokbusiness nog volop garen spint. De rematch zat al in de package deal: vorig jaar won Pacquiao in Las Vegas naar boksnormen makkelijk in twaalf ronden van Bradley. De Filipijn, die ook parlementslid is in zijn land, heeft 63 keer gevochten en toch al vijf keer verloren waarvan zelfs twee keer door ko; 38 keer in zijn 56 winstkampen ging de andere plat en twee keer was het onbeslist.

Bokskenners zijn het erover eens dat deze kamp vijf jaar te laat komt. De Gentse ex-bokser Freddy De Kerpel vergeleek het in Het Laatste Nieuws met Kim Clijsters en Justine Henin die vandaag tegen elkaar zouden tennissen. Van Driessche: “Toch kan dit een interessant gevecht worden, want geen van beiden heeft nog de punch om de ander snel ko te slaan. We zullen twee verschillende stijlen zien: de meesterverdediger tegen de furieuze aanvaller.”

Geïnteresseerden nemen snel een abonnement op de Franstalige betaalzender BE.sport, de enige die in België de kamp live uitzendt.

Floyd Mayweather hoeft nooit meer te werken na vanavond, maar dat moet hij al een tijdje niet meer. Hij krijgt gegarandeerd 120 miljoen dollar (110 miljoen euro), maar dat kan ook de helft meer zijn, als de verkoop van tv-rechten de verwachtingen overstijgt. Pacquiao krijgt in de 60-40 split deal altijd 20 procent minder dan zijn collega en moet ook niet meer werken. Beide boksers hebben in hun carrière elk meer dan 300 miljoen dollar bij elkaar geslagen.

Winner takes all

Mayweather was vorig jaar al de meest verdienende sporter van de planeet, maar ook dat is niet nieuw. Boksen heeft door zijn aparte economie steeds gestreefd naar een allesoverheersende winnaar – winner takes all, vooral het geld – en zodoende altijd al grootverdieners gehad. In de jaren 90 stonden ze soms met drie in de top 10 van Forbes. Daarbij ook Mike Tyson, die in 1996 75 miljoen dollar kreeg voor drie kampen. Dat was kort nadat hij drie jaar cel had uitgezeten voor verkrachting en in 1997 zou hij een stuk uit Evander Holyfields oor bijten.

In 2000 stonden met Oscar de la Hoya, Holyfield, Tyson en Lennox Lewis vier boksers in de top 10. Nadien ging het met de boksers steil bergaf bij Forbes, op twee lichtere jongens na: Manny Pacquiao en Floyd Mayweather. De tijd van de grote zwaargewichten was definitief voorbij toen Vladimir en Vitali Klitsjko, twee Russisch sprekende broers uit Oekraïne die schaak speelden en hadden gestudeerd, alle titels onder hen beidjes verdeelden. Helaas weigerden ze op moeders verzoek om tegen elkaar te boksen. Vladimir bokste twee weken geleden in Madison Square Garden en won. Geen haan die ernaar kraaide.

Pay per view

Het grote geld wordt vandaag verdiend door een techniek die 40 jaar geleden voor het eerst in de VS werd uitgeprobeerd: pay per view. Op 1 oktober 1975 vocht Muhammad Ali in de zogeheten ‘Thrilla in Manila’ tegen Joe Frazier, de man die in 1971 tot vreugde van veel blanke Amerikanen de tot moslim bekeerde dienstweigeraar had geklopt. Die kamp in 1971 was de eerste die niet op de openbare zenders, maar op betaalzenders te zien was in de VS en als gevolg daarvan braken rellen uit in de zwarte wijken van Chicago.

De economische logica was duidelijk: creëer een schaars goed en vraag een meerprijs. Vier jaar later in Manilla konden zelfs alleen Amerikanen met kabeltelevisie en met een creditcard tijdelijk toegang tot een apart kanaal kopen. Of er nu 200, 300 of 500 miljoen dollar wordt verdiend vanavond, het bedrag zegt veel over de kunst van het hypen, maar niks over de droevige toestand waarin het boksen zich bevindt.

Vraag het aan uw ouders (als u te jong bent) hoe het eraan toeging in de jaren 70 en 80, al veel minder in de jaren 90 en nooit meer na 2000. Hoe we voor het slapen gaan de antenne juist hadden gedraaid, de wekker hadden gezet en om vier uur uit bed strompelden om beneden tv te gaan kijken.

Allemaal de schuld van Muhammad Ali. Ooit heette hij Cassius Clay en onder die naam redde hij het boksen van de ondergang. Toen al, begin de jaren 60, werd gesproken over de neergang van de bokssport. Clay werd Ali, een icoon van de burgerrechten- en de anti- Vietnambeweging. “Waarom moet ik gaan vechten tegen jongens die mij nooit nigger hebben genoemd?” Met zijn grappen en zijn elegante stijl maakte hij de wreedste aller sporten én zichzelf aanvaardbaar in elk huishouden.

Franstalige titel

Ali wordt vanavond niet in het MGM in Las Vegas verwacht, want Ali loopt op zijn laatste benen of wat daar nog voor moet doorgaan. Hij lijdt aan degeneratie van de hersenen, een aandoening die alles heeft van een vergevorderde Parkinson, veroorzaakt door te veel slagen op het hoofd.

U zult het deze week niet hebben gemerkt, maar boksen wordt door de media niet meer serieus genomen en dat ligt dan weer aan de verschillende wereldbonden. Daarvan zijn er twaalf (12!), zonder de amateurbond AIBA, die het olympisch boksen overziet. De WBC is de meest ernstige en voor die bond wordt ook vanavond gebokst, maar zelfs binnen de WBC is er een wildgroei aan titels. De meest recente is de WBC Francophone, die een titel uitreikt voor – u raadt het vast – de beste bokser die Frans spreekt.

En dan de refereeing, de scheidsrechters. Ook vannacht zal de uitslag mee worden bepaald door de promotoren. “Corruptie is
niet alleen een Amerikaans verhaal”, zegt Jef Van Driessche. “Scheidsrechter Jean-Pierre Van Imschoot heeft ooit de toorn van de grootste Europese bokspromotor Wilfried Sauerland over zich afgeroepen, omdat hij hem niet de score gaf die hij had vooropgesteld.”

Duitsland is samen met enkele Oost-Europese landen een van de laatste powerhouses van het boksen: in sneltempo worden Oost- Europeanen genaturaliseerd en zelfs verduitst. Adnan Catic komt uit Bosnië, maar bokst als Duitser onder naam Felix Sturm. Het Duitse publiek vindt het allemaal oké.

Het Amerikaanse publiek niet langer. De middenklasse heeft allang afgehaakt en die ene kamp van vannacht zal daar niks aan veranderen. Dit is het laatste kunstje van twee boksers die hun eigen citroen nog eens uitwringen en langs de kassa passeren, maar tegelijk ook de zwanenzang van een hele sport.

Er zit ten slotte nog een vreemd dopingluchtje aan deze kamp. Boksen ís natuurlijk een dopingsport. In 2009 verklaarde de vader van Floyd Mayweather dat hij niet dacht dat Manny Pacquiao zijn zoon zou kunnen kloppen, zelfs niet “met al zijn steroïden”. Waarop Pacquiao een rechtszaak aanspande tegen de familie. Die werd in 2012 gesetteld.

In de VS wordt bij elk apart contract onderhandeld over hoe en wanneer er wordt getest. Voor deze kamp is ‘random drug testing olympic style’ overeengekomen, wat betekent dat beide boksers in hun voorbereiding onaangekondigde controles mogen krijgen van USADA (U.S. Anti-Doping Agency) en er wordt zowel getest op urine als op bloed. De onderhandelingen daarover zijn wel pas een paar weken geleden definitief afgesloten. Tot dan kon alles nog.

Een brug te ver

Boksen appelleert aan het perverse in de mens. Niet dat de mens minder pervers is geworden, het internet leeft van wreedheden, maar vooral openlijk vertoond geweld wordt steeds minder aanvaard. Jan Mulder heeft gelijk dat er vroeger brutaler werd geschopt op voetbalvelden. Vroeger werd er ook brutaler gebokst en net dat aspect -doelbewust hersenen van de ander proberen te raken waardoor bij hem/haar het licht uitgaat en dat een sport noemen – is voor veel mensen een brug te ver.

Boksen was de eerste helft van de 20ste eeuw vooral een kijksport voor de lagere en middenklasse en voor de vips uit de showbizz. Bij een van de Ali-kampen was Frank Sinatra ooit geaccrediteerd als fotograaf, om toch maar dichtbij te kunnen zitten. Alles wat na Ali kwam, was minder of alvast minder aantrekkelijk dan de mooie, welbespraakte jongen uit Louisville, Kentucky.

De primitief Mike Tyson deed zelfs veel kwaad voor het imago van het zwaargewichtboksen met zijn wangedrag in en naast de ring. Daarnaast zijn ook de boksfilms verantwoordelijk voor het afhaken van de middenklasse. In de Rocky-films spatte het bloed over het scherm en in de meest recente kaskraker over boksen – Million Dollar Baby – werd de vrouwelijke hoofdrol lam geslagen.

En wat dan met die berichten als zou boksen aan een revival toe zijn omdat ineens een handvol Vlerickboys en vrouwelijke executives de bokszaal als trainingsoord hebben ontdekt? Die zijn compleet naast de kwestie: boksen als competitiesport is een marginaal fenomeen geworden en in België een toevluchtsoord voor Oost-Europese migranten.

En Gentenaar Jean-Pierre Bauwens dan? Hij is een uitzondering. Bauwens is ook kampioen van de Europese Unie in een achterafbond, de EBU. In de WBC is hij alleen in de categorie lichtgewichten geranked, op een weinig florissante 31ste plaats.

Delfine Persoon is een ander paar mouwen: zij is de pond-per-pond nummer één en dus de vrouwelijke Floyd Mayweather, zij het aan een honderdduizendste van diens beurs. Ook hier een randbemerking: onbetwiste nummer één Holly Holm verkaste van het boksen naar het kooivechten.

Vermoord in 30 seconden

Toch is er nog steeds een markt voor perversiteit, vooral in de VS en Azië, en die heeft zelfs een naam: Mixed Martial Arts of MMA, het nieuwste Amerikaanse event voor wie bloed wil zien. Er wordt gevochten in een achthoekige kooi en alle vechtstijlen zijn toegelaten. Verliezers belanden vaak in de kliniek en veel geld gaat er ook niet in om. Cage fighting werd tot eind de jaren 90 vooral illegaal georganiseerd, maar als sport geregulariseerd juist om het uit de illegaliteit te halen. De vrouwelijke wereldkampioen Ronda Rousey wilde maar wat graag in de kooi om ‘Money’ (Mayweathers veelzeggende bijnaam) te slopen en Conor McGregor, haar mannelijke collega, poneerde in de glossy Esquire Magazine subtiel dat hij de bokser binnen de dertig seconden zou vermoorden.

Boksen is uiteraard nog veel meer dan MMA onderworpen aan regels en niet alleen daarom blijft het een ontzettend moeilijke en misschien zelfs de meest veeleisende sport. Alleen fysieke supertalenten hebben enige kans op succes. Oog-handcoördinatie, snelheid van handelen, stabiliteit, periferisch zicht, conditie, kracht-snelheid zijn vaardigheden waar ook andere, minder brutale sporten naar op zoek zijn.

De met voedselbonnen opgegroeide inner city kid die over al die vaardigheden beschikt, weet al snel dat er pakweg in het basketbal een mooiere en veel veiliger toekomst ligt: eerst krijg je je studies betaald en als je het tot de NBA schopt, is het minimumsalaris een half miljoen dollar. De inner city kid die op de boksmarkt van de losers terechtkomt, weet niet hoe hij zijn carrière afsluit. Eén slag te veel kan het einde betekenen.

Knock out boksverhaal

Column Dart Vader (Mourinho) in De Morgen van 2 mei 2015

Darth Vader

Als later het grote Belgische voetbalboek van de 21ste eeuw wordt geschreven, zal het voorwoord gaan over de visionaire beslissing uit het jaar 2008 om de titel te beslechten met play-offs. Geen mens beweert dat het competitief evenwicht daardoor is hersteld, want altijd eindigen de rijkste clubs bovenin en de allerrijkste (Anderlecht) wint de helft van de titels of wordt anders wel tweede. Toch is het spannend in onze pintjesliga en om spanning is het te doen. Ja toch?

In Engeland wordt Chelsea FC dit weekend kampioen bij een eenvoudige overwinning tegen Crystal Palace. Met nog vier wedstrijden te gaan heeft het nu al dertien punten voorsprong op de dichtste achtervolgers, waarvan Arsenal wel een wedstrijd minder heeft, maar dat is een detail. Morgen is het al afgelopen met de Engelse competitie, waar ook de Champions League-tickets al zijn verdeeld, al moet de nummer vier wel een voorronde spelen.

De Premier League zou een probleem hebben, althans volgens de kenners van het voetbal. O ja? Dat klinkt een beetje vreemd in de wetenschap dat daar vanaf 2016-17 per seizoen 3,5 miljard euro zal worden verdeeld aan tv-rechten. En dat voor een competitie waarvan met quasi-zekerheid kan worden voorspeld welke superrijke teams voor de titel gaan.

In Engeland is het voetbal niet spannend en volgens de kenners is het ook geen goed voetbal, want er valt geen Engelse club te bespeuren bij de laatste acht van de Champions League. Dat je er in één week evenveel kan verdienen als bij ons in een heel seizoen, is dus bijzaak. En dat de Premier League, na het american football van de NFL, het meeste geld genereert wellicht ook.

Hebben die honderden miljoenen kijkers over de hele wereld dan ongelijk? Eigenlijk wel. Neem nu de kampioen. Chelsea FC is alles wat voetbal niet hoort te zijn. Hun eigenaar is een Russische oligarch die met zijn zakgeld een exquise selectie spelers heeft gekocht, die niet worden gebruikt volgens hun talent. Dat komt door zijn ploegbaas, José Mourinho genaamd. De cynische Portugees is de antichrist van het voetbal: de meester-trainer die door het donkere is verleid, de Jedi die de Darth Vader van het voetbal werd.

Al bij al onbegrijpelijk, gezien zijn opleiding. Hij zette zijn eerste stappen als trainer-vertaler bij FC Barcelona onder Louis van Gaal, werd hoofdcoach in FC Porto waarmee hij alle grote ploegen een neus zette en de Champions League won. Met reactievoetbal, maar nooit met negatief voetbal. Wanneer en waarom in godsnaam ging het fout met dit zondagskind?

In 2008 koos FC Barcelona voor Pep Guardiola als trainer en niet voor José Mourinho. ‘The Special One’ was net ontslagen bij Chelsea (waar hij nu weer zit, hij moet dus wel wat kunnen), hoopte de cirkel rond te maken en thuis te komen bij Barça, maar moest uit armoede in Italië aan de slag. Hij won twee titels met Inter, schakelde het Barcelona van Guardiola uit en won de Champions League, waarop hij naar Real Madrid trok.

Vanaf 2008 zou zijn carrière in het teken staan van zijn hoger doel: het bestrijden van FC Barcelona en vooral van hun voetbal dat streeft naar balbezit en offensieve creativiteit.

In zijn biografie staan zijn principes:

1.Het team dat het minste fouten maakt, wint.

2.Wie fouten uitlokt bij de tegenstand, is in het voordeel.

3.In uitwedstrijden moet je de tegenstander in de fout lokken.

4.Wie de bal heeft, maakt meer kans op fouten.

5.Wie de bal afgeeft, vermindert de kans op fouten.

6.Wie de bal heeft, is bang.

7.Wie de bal niet heeft, is om alle voorgaande redenen sterker.

In Chelsea FC-Manchester United van laatst zaten alle principes vervat: Man United van Louis van Gaal had 70 procent balbezit op het veld van Chelsea. Het voetbal verloor die dag, want aan het eind won Mourinho met 1-0. En nu wordt hij ook nog eens kampioen. Het wordt tijd dat we naar de Bundesliga kijken. Of naar Vanhaezebrouck tegen Hasi.

Darth-Vader-column

Verhaal over KV Kortrijk in De Morgen van 25 april 2015

Het mirakel van de Veekaa

Een hobbelig veld, een bouwval als stadion, de beste spelers verkocht en de club te koop. Máár: veel goals vóór, weinig tegen, een gezonde balans en een vierde plaats. Tonnen plezier beleven ze bij KV Kortrijk, het lelijke eendje van play-off I waar zelfs Anderlecht vanavond voor terugdeinst.

Vanavond, als die van Kortrijk van de bus stappen aan het Constant Vanden Stockstadion, zal Anderlecht-manager Herman Van Holsbeeck klaar staan om hen te verwelkomen. Yves Vanderhaeghe, Kortrijk-trainer maar ook zes jaar Anderlecht-speler, zal een warme gloed voelen. “Het is de enige manager en de enige club die dat doet, ook met ons. Toen we daar vorig seizoen gingen winnen, waren ze heel eerlijk: verdiend gewonnen. Dat is Anderlecht, toch net iets meer klasse dan de rest.”

‘De rest’ is in Kortrijk toch vooral een metafoor voor Club Brugge. Dat is niet eens de aartsvijand, om de zaken even duidelijk te stellen. Neen, de aartsvijanden zijn al een eeuwigheid de ‘Boeren’. Die van Waregem, SV Zulte Waregem om precies te zijn, en dat wordt bij thuiswedstrijden subtiel uitgedrukt in het gooien van groenten naar de Waregemse doelman, die makkelijk een week soep zou kunnen maken van wat hij naar zijn hoofd krijgt.

Dat een fusie met het 15 kilometer verder gelegen Zulte Waregem economische logica zou zijn, doet hier niet ter zake. Evenmin dat KV Kortrijk zelf is ontstaan uit de fusie van Stade en Sport. Zo’n fusiescenario tussen de ‘Kerels’ (de bijnaam van KV Kortrijk, HVDW) en de ‘Boeren’ spoort niet met de emotie, punt uit. Dus is in Kortrijk na een oplijsting in de krant van de eersteklassers en hun financiën met leedvermaak vastgesteld dat ze in Waregem een beetje hun hand hebben overspeeld.

KVK kwam eruit als een gezond bedrijf en dat is weleens anders geweest. In 2001 ging de club nog failliet. De advocaat die het faillissement begeleidde, werd voorzitter en zit daar nu nog steeds. Inmiddels droomt Joseph Allijns zelfs van het bondsvoorzitterschap.

Maar nog even terug naar Club Brugge. Zonder zaken op de spits te drijven, in Kortrijk vinden ze Club Brugge huilebalken die zich al te snel benadeeld voelen. Zoals laatst in play-off I, toen ze werden weggespeeld maar er nadien vooral gezeik was over het vermeende harde spel van Kortrijk en de onrespectvolle behandeling die Michel Preud’homme te beurt was gevallen.

Onder de rust was Preud’homme nogal wervend aangesproken door een fan en had daar al even wervend op gereageerd. Later bleek die fan evenwel een ontgoochelde Club-fan te zijn, uitgenodigd door een KVK-sponsor. En na de wedstrijd had de Club-trainer door een haag van rood-witte supporters, weliswaar afgescheiden door zes stewards, spitsroeden moeten lopen richting bus. Hem waren de bedreigende woorden “en we zwaaien met zijn allen naar Michel” toegeroepen, waarop bevriende pers zich had afgevraagd of we zo de beste trainer van het land niet wegjoegen.

Niet doodrelativeren

“Pfff. ‘En we zwaaien met zijn allen…’, dat is om te lachen natuurlijk”, zegt Yves Vanderhaeghe. “Ik maak erger mee. Laatst nog op een verjaardagsfeestje werd ik zomaar de huid vol gescholden door een Club-fan en dit jaar ben ik winkelend met mijn dochter in Roeselare ook al voor het vuil van de straat uitgemaakt. Waarop mijn dochter van 13 dan zegt: ‘Papa, dat is toch niet meer normaal?’ Neen, dat is het niet, maar ik maak daar zo geen spel van. Ik vraag dan: mijnheer, wat is uw probleem?”

Je kunt de onderhuidse gevoelens van KV Kortrijk geen frustratie noemen, want daarvoor nemen ze zichzelf niet te erg au sérieux. Ze beseffen dat voetbal een spel is van veel geluk en het had ook helemaal anders kunnen uitdraaien dan die vierde plek na de reguliere competitie. Maar hun prestatie doodrelativeren willen ze ook weer niet; ten slotte stonden ze daar met hun 54 goals
na dertig wedstrijden mooi te blinken en haalden ze verdiend de eindronde met de top zes, terwijl ze her en der waren getipt als degradatiekandidaat.

Een club die in de etalage staat en geen gekke dingen meer kan en wil doen, met een beperkte omkadering en beperkte middelen, die iedereen en alles wat supergoed kon voetballen heeft verkocht en die toch meedoet om de prijzen, is niks minder dan een mirakel. Maar is er ook een geheim? Volgens de – nog steeds – Oostendse trainer Fred Vanderbiest ligt het aan het veld. Dat is niet goed, hobbelig dus, liet hij optekenen in Sport/Voetbal- magazine, en er zou ook een niveauverschil zijn en dat zou het fysieke spel van Kortrijk goed uitkomen.

Ik heb er twee dagen staan op kijken en de Meensesteenweg aan de ene kant ligt inderdaad lager dan de Moorseelsestraat aan de andere kant, waardoor het verval aan één straatkant groter is, maar het veld zelf lijkt geen hellend vlak. Ook chef scouting Claude Verspaille weet nergens van en Yves Vanderhaeghe valt helemaal uit de lucht. “Dat is een verzinsel. We hebben een slecht veld, dat wel. Maar ik heb begrip en geduld; het gaat hier niet zo snel door die beperkte middelen. Ons veld is in het tussenseizoen gedraineerd en de hobbels zijn daar het gevolg van. De grond moest zich nog zetten na het steken van die drainage en dat is inmiddels gebeurd.” Hij besluit met een kwinkslag: “Ons veld is een meerjarenplan.”

Het Veekaa-gevoel

Afgelopen donderdag trainde Vanderhaeghe, die een week eerder voor drie jaar had bijgetekend, op het wedstrijdveld. Zelden gezien bij eersteklassers, maar ook dat had een reden. KV Kortrijk heeft dan wel een oefencomplex dat luistert naar de niet al te bescheiden naam Wembley, verdomd jammer dat de sproeiinstallatie er kapot is. “Het is al zes jaar dat ik die problemen ken, maar nu komt het in orde, heb ik de indruk”, zegt Vanderhaeghe. “Ik kon het risico niet lopen om op een beenhard veld te trainen. Maar kijk, ik wil niet als klager overkomen. Ik weet hoeveel het bestuur voor de club doet.”

De training op donderdag bestond uit pass- en afwerkingsvormen, gevolgd door een lange sessie tennisvoetbal waar ook Vanderhaeghe aan deelnam, even enthousiast als in zijn paarswitte dagen als speler. De training zelf was één groot feest en na afloop vertoonden achtereenvolgens Teddy Chevalier en Ivan Santini hun kunsten in het doel. Topschutter Santini besloot met een sessie strafschoppen nemen en stoppen samen met assistent-trainer Adnan Custovic. Op kousenvoeten nog wel. Het plezier spatte eraf.

Er is dus geen geheim van de Veekaa, maar is er een Veekaa-gevoel? Jawel. Het rood-witte gevoel neemt toe, van week tot week, al viel de verkoop voor play-off I-abonnementen dan weer tegen door die drie avondwedstrijden. Een streep door de rekening voor de min 12-jarigen, op wie de club zo hard inzet om een nieuw en trouw cliënteel aan zich te binden.

Het is een werk van lange adem, de club weer geliefd maken in een regio waar binnen een straal van 15 kilometer drie Belgische eersteklassers en één Franse topploeg hun markt moeten vinden en waar ook Club Brugge zwaar rekruteert. Het supportersparlement dat de trainingen volgt, is dan ook beperkt: een klusjesman van Aziatisch origine die zich door de lentewarmte puft, twee vrouwelijke fans, een plaatselijke fotograaf en later op de persconferentie zes journalisten, hoofdzakelijk lokale beat writers. “Er is veel pers”, zegt Vanderhaeghe op de persbabbel en hij meent het.

Geen spoor van de jongeren die KV Kortrijk hebben herontdekt en geregeld met een mars vanuit de Burgemeester Reynaertstraat, hun uitgaanscentrum, naar het stadion trekken. Zij feesten bij thuiswedstrijden, een voorafname op een leuke zaterdagavond/nacht. De borden van de Okido-actie in hun staantribune achter het doel getuigen van een uitwas die ook in andere clubs zorgen baart: Okido staat voor ‘Op KVK is druggebruik ongepast’.

Import-export

De plaatselijke zeefdrukkerij GMG Lucas doet haar best om het Kortrijk-gevoel aan te wakkeren. De ene na de andere sticker heeft ze al gelanceerd. Rood-wit, met het logo van KV Kortrijk en daarop zegswijzen als ‘Ontdek ons opnieuw’. Of iets cryptischer: ”t Gras groeit niet sneller als ge eraan trekt’. Ook direct: ‘Ik ben altijd stand-by, maar nu even niet, kzin naar de Veekaa’.

‘Klein budget, grote fun’ was er pal op, maar die ene vlag die de hele Veekaa-filosofie dekt, moeten ze nog eens zeefdrukken: ‘KVK toont zich meester in de beperkingen’. Neem nu wat zich elke maandagochtend afspeelt onder Tribune 4. Op wedstrijddagen wordt hier de pers verwelkomd. Op niet-wedstrijddagen is dit het zenuwcentrum van de scouting. Scoutingcoördinator Claude Verspaille, oud-speler van KVK en van andere clubs waaronder Club Brugge, zit er aan een computer. Elke maandagochtend verzamelt de staf voor de corebusiness: een rondo spelers beoordelen en bekijken. Vaak schuift ook de oud-voorzitter en mede-eigenaar Arsène De Gryse aan.

De tachtiger vergadert dan onder de foto van zijn zoon Jean-Marc, die begin 2012 op 41 jarige leeftijd overleed. Jean-Marc zette KVK op de juiste koers: een kringloopwinkel voor voetballers op een zijspoor of waar niemand de potentie van ziet. Bij de foto van Jean- Marc hangt een spreuk: ‘Is ’t ne goeie, of is ’t nen hele goeie?’ Dat was zijn klassieke vraag als de scoutingcel weer eens enthousiast was over een speler.

Claude Verspaille is argwanend als het over de import-export gaat, want dit is waar KV Kortrijk beter in wil zijn dan de concurrenten. AA Gent is de grootste afnemer de laatste jaren, maar soms halen ex-KVK’ers de topcompetities: denk maar aan Ervin Zukanovic (via Gent naar Chievo in Italië, HVDW) of Cheikhou Kouyaté (via Anderlecht naar West Ham, HVDW).

Verspaille: “U zegt kopen? Wij kopen niet, wij moeten spelers halen die einde contract zijn want er is geen geld om te kopen.” Ivan Santini is het beste voorbeeld. Verspaille: “Wij leggen een database aan en we wachten geduldig tot het moment dat de speler in wie wij potentie zien van de radar verdwijnt. Dat was zo met Santini. Geen spek voor onze bek toen hij van Zadar naar Freiburg ging, maar toen hij zijn carrière opnieuw wilde lanceren, toch ineens een optie. Hij wilde niet echt komen en we hebben hem moeten overhalen, maar ik denk dat hij blij is en ik begrijp eigenlijk niet dat hij hier nog speelt. We zullen hem kwijt zijn, schat ik. Hij is een ideale targetspits voor Engeland, maar hier (wijst naar de desktop) zit zijn vervanger al klaar.”

Het ongewenste kind van play-off 1 is uitgegroeid tot een huwbare partij. De familie De Gryse wil de club verkopen aan wie de juiste prijs betaalt. Die prijs is hoog en wordt misschien nog hoger, al is het met voetbal zoals met de beurs: resultaten behaald in het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. Maar met een verwachte winst van meer dan 1 miljoen euro oogt de balans zuiver, al zitten de tv-rechten voor de onverwachte play-off 1 deelname daar voor een deel tussen.

Yves Vanderhaeghe weet wat nu moet gebeuren. “We mogen nu geen spelers meer onder hun waarde verkopen. Tegelijk zouden we misschien met het stadsbestuur en met andere investeerders een financieel plan kunnen opstellen dat kan leiden naar een nieuw stadion.”

Het laatste woord is voor collega Frank Buyse, zelf ex-speler van de club en in een van zijn vorige levens zelfs nog even manager. “Ik dacht dat het nooit meer goed zou komen, maar ik heb vorig jaar een toneelvoorstelling georganiseerd gebaseerd op het Gentse Uw dikke ma zit aan de Zuid en de belangstelling was overweldigend. We hadden negen volle zalen van driehonderd man en KV Kortrijk heeft zelfs gesponsord, vroeger ook ondenkbaar.

“Er is iets gegroeid rond die club die nu ook goed wordt beheerd. Ik zie hoe die Kortrijkse jeugd, die daar in Tribune 2 staat, achter die club is gaan staan. Ik zie hoe mijn dochter fan is geworden. Voor het eerst in de veertig jaar dat ik die club ken, denk ik: er is een toekomst voor KV Kortrijk.”

25-04-2015-De-Morgen-p20-Het-mirakel-van-de-Veekaa-Achtergrond-Meester-in–double

Column over Recuperatie en Vazquez in De Morgen van 25 april 2015

Recup

Was er een bijscholing dan? Er is door Belgische trainers nooit méér over VO2max gesproken dan dit seizoen en vooral de laatste weken. Ik las al dat de norm 55 zou zijn. Die 55 staat dan voor milliliter zuurstof die per minuut per kilogram lichaamsgewicht wordt opgenomen. Bij anderen las ik dat 60 de ondergrens zou zijn en iemand had het over 70, maar dan wel voor de internationale top.

Groot gelijk hebben ze, onze trainers. In de intermitterende sport voetbal – een sport met terugkerende korte sprints of verplaatsingen op maximale of sub-maximale snelheid – is de fysieke conditie de discriminerende factor geworden. Al zijn er nog steeds die denken dat een voetballer vooral moet kunnen tikken en ballen en dat lopen voor de domoren is die niet genoeg techniek bezitten.

Natuurlijk moet hij (en zij ook) een minimale balbehandeling op de mat kunnen leggen en tegelijk zien hoe het spel verloopt en vooral hoe het zou kunnen verlopen. Maar spelers die voor zichzelf en voor hun ploeg tijd en ruimte kunnen creëren, hebben ook meer tijd dan anderen om een goede pass af te leveren en het spel te zien. Conditie als voorwaarde voor techniek en tactiek.

Wat is nu het meeste trainbaar: de techniek, het tactisch vernuft of de conditie? Techniek en vista als aangeboren verworvenheden is onzin die in het voetbal lang opgang heeft gemaakt. Techniek kun je tot je 50ste nog aanleren en vista ook, al is het geen slecht idee om daar zo snel mogelijk mee te beginnen want tussen 10 en 20 gaat het tien keer sneller. Op La Masía, de jeugdschool van FC Barcelona, leert men de kind-voetballers ruimte te creëren door middel van allerlei oefeningen in combinatie met snelle verplaatsingen. Je moet daar niet slim voor zijn. Soms bespeur je bij fantastische voetballers met geniale ingevingen niet de minste intelligentie.

In tegenstelling tot techniek en spelinzicht dat grotendeels kan worden aangeleerd, is conditie voor een deel genetisch bepaald. Die is dus moeilijker trainbaar, al valt het te vrezen dat de conditionele groeimarge van de speler in niet geringe mate wordt bepaald door de kennis van de fysieke coach.

Daarom is het experiment play-offs heel interessant. Ineens krijgt een spelersgroep, die uitblonk in het ritme van één wedstrijd per week en af en toe eens een dubbele opdracht, gedurende een aantal weken een hels ritme van twee tot drie wedstrijden per week voor de kiezen.

Club Brugge zit aan meer dan vijftig wedstrijden en moet aan het eind van het slopende seizoen nog eens vol aan de bak. Michel Preud’ homme zegt dat hij zijn fysieke coach Renaat Philippaerts de opdracht heeft gegeven om de groep fysiek klaar te stomen voor die zware weken, die dan ook nog eens aan het eind van het seizoen vallen.

Dat lijkt mij onbegonnen werk, zelfs voor vakman en professor-on-leave Philippaerts, die bij mijn weten in het tussenseizoen niet aan genetische engineering heeft kunnen doen. Fysieke conditie is genetisch bepaald en dus beperkt trainbaar. Als gevolg daarvan is ook het recuperatievermogen begrensd.

Als je één Bruggeling zou willen monitoren, dan Víctor Vázquez. Hij is een product van La Masía, weet wat voetballen is, kan ruimte creëren, ziet het spel en heeft zijn conditie verbeterd. Hij was de typische buitenlander voor de Belgische competitie: gevonden in de solden met een (fysiek) steekje los. Knap van de herstellers van Club wat ze ervan hebben gemaakt, maar de vraag is nu of de fysiek beperkte Vázquez dat ritme kan volhouden. Wellicht niet.

Frisheid wordt de discriminerende factor in die laatste zeven wedstrijddagen van de play-offs en die contractuur van Vázquez tegen Dnipro, ik geloof daar niet in. Dat was voorgeschreven rust. Als Vázquez toch alle wedstrijden zou spelen en blijven lopen als een Duracell-konijn, weet dan dat er nog een andere factor is die al het voorgaande overrulet: manipulatie van de hersenen. Dat staat nog in de kinderschoenen, maar men heeft al gevonden dat de mond spoelen met koolhydraten, zonder die door te slikken, op de hersenen hetzelfde effect heeft als de eigenlijke inname van koolhydraten. Zijn bloedwaarden onder nul en zijn CK-waarden door het dak? Als ze Vázquez kunnen wijsmaken dat hij niet moe is, maakt Club een grote kans.

25-04-2015-De-Morgen-p22-Recup-column-single

Column over Club-Anderlecht op demorgen.be van maandag 20 april

Hoe meer ik naar het voetbal ga, hoe minder ik ervan begrijp 

Ik heb veel betere voetballers gezien bij Anderlecht dan bij Club Brugge, maar ik heb Club Brugge gezien met een wil en een onverzettelijkheid waarmee wedstrijden worden gewonnen en dat deden ze dan ook

Ik ben naar het voetbal geweest gisteren, naar Club Brugge- RSC Anderlecht, en ik heb in de 58ste minuut de beste doelman van België, zijn doel open en bloot, een makkelijke bal zo maar in de voeten zien trappen van Dennis Praet van Anderlecht. De Gouden Schoen van 2015, de in theorie beste speler op onze velden, heb ik de bal daarop gewoon naast het lege doel zien zetten. Soms vat een actie een hele wedstrijd samen: ik ben naar het voetbal geweest en ik heb dan wel misschien een spannende wedstrijd gezien, maar alleszins geen goede wedstrijd.

Ik heb een tifo gezien net voor de wedstrijd, waarvan ik mij het nut afvroeg want ik kon niet goed lezen wat ze nu eigenlijk bedoelden, maar misschien was het niet om de tekst te doen maar om de kleurtjes. Of misschien was het gewoon bedoeld om mee te gooien, want dat deden de mensen  uiteindelijk met de A3-tjes die ze op hun stoel hadden gevonden. (Wie houdt zich bezig met gekleurde blaadjes op stoelen te leggen, een heel stadion vol, zonder zich te vergissen? Dat bedacht ik ter plekke en ik kwam er niet uit. Ik ken zo niemand. Hoop ik.)

Al dat werk en de mensen maakten er papieren proppen mee en gooiden die naar het hoofd en de benen en het lichaam van de Anderlechtspelers, bij voorkeur als die hoekschoppen moesten nemen. De toeschouwers die hun papieren projectielen niet tot in de hoek kregen, gooiden ze dan maar gewoon op het veld. Anderen gooiden voetzoekers, naar Steven Defour.

Ik ben naar het voetbal geweest en ik heb al heel snel in de wedstrijd een aanslag gezien van Anthony Vanden Borre op de enkels van Victor Vazquez. Zo zag het er althans uit en bij het herbekijken van de beelden is het duidelijk dat Anthonieke met Vazquez een Simonneke in gedachten had, maar waar hij Moses Simon van Gent een paar weken geleden niet eens kon raken, had hij nu Vazquez frontaal mee.

Ik heb daarop Vazquez zien kronkelen van de pijn, op de grond zien slaan van ellende, zien weghinken, zien opgelapt worden langs de zijlijn en nog wel drie volle minuten lang zien trekkebenen, waarna hij bij de eerste goeie diepe bal in zijn richting als een jonge hinde naar het doel van Proto liep. En toen wist ik het niet meer. Ook niet toen ik Tom De Sutter onthoofd zag neervallen nadat weer Anthonieke hem had geraakt, waarna Tom fluks rechtstond want de scheidsrechter geloofde hem niet.

Ik heb een Anderlecht gezien dat hoog en fel storend, met Mitrovic vooropgaand in de strijd, makkelijk Club Brugge afhield. Dat scoorde via Mitro met een hakje achter het steunbeen en door de benen van Timmy Simons voorbij een grabbelende Mat Ryan. Dat vervolgens een tweede keer had kunnen scoren via Mitro, maar dat naliet. Dat ook Praet, zie hoger, een open doelkans zag missen, Ryan een afgeweken vrije trap zag keren met een mirakelsave, een dubbele strafschop op Acheampong niet zag fluiten en een doelpunt zien afgekeurd worden voor buitenspel dat geen buitenspel was.

Ik ben naar het voetbal geweest, maar de thuisclub had niet goed begrepen dat het voetbal ook goed kan worden gespeeld en dat je die ene kans die je krijgt, niet aan Davy De fauw moet overlaten. Tot Obbi Oulare in het veld kwam en vuur in zijn ploeg kreeg, maar de manier waarop hij scoorde met een gezichtsbal in plaats van een kopbal, verdiende ook al geen schoonheidsprijs.

Ik heb (gisteren althans, want volgende week is het misschien andersom) veel betere voetballers gezien bij Anderlecht dan bij Club Brugge, maar ik heb Club Brugge gezien met een wil en een onverzettelijkheid waarmee wedstrijden worden gewonnen en dat deden ze dan ook. No Sweat, No Glory doen ze nu al weken alle eer aan. Ik ben naar het voetbal geweest, naar Club-Anderlecht en ik heb een Anderlecht gezien dat achterin geconcentreerd, in het midden gecontroleerd en voorin uitgekookt speelde, maar dat dit seizoen voor de zevende en achtste keer tegen Club Brugge een goal slikte op een stilstaande fase.

Ik ben naar het voetbal geweest gisteren en hoe meer ik naar het voetbal ga, hoe minder ik ervan begrijp.

Verhaal Heidi Rakels in De Morgen van 19 april 2015

Altijd een beetje nerd geweest

Ooit reisde ze als judoka de planeet rond om bij de allerbesten te behoren: ze won zelfs een olympische medaille. Vandaag trekt ze als CEO van een softwarebedrijf opnieuw de wereld rond, en weer wil Heidi Rakels de beste zijn. ‘Ik moet over mijn grenzen gaan, en dat is prima.’

Bij het afscheid en vóór het koppel Lafortune-Rakels weer in het werk duikt, komt het onderwerp op ‘humor voor nerds’. Of ik de cartoons van Dilbert ken? Neen, niet echt.

Heidi Rakels: “Dilbert – een nerd dus – zit aan zijn bureau en denkt: ‘Wat een fantastische dag, geen menselijke interactie’. Tot iemand langskomt en zegt: ‘Hoe gaat het ermee vandaag?’ Waarop Dilbert: ‘De dag was goed begonnen’. Grappig, niet?”

Om het ijs te breken, had ik haar een paar uur eerder de foto met haar olympische plak getoond. Goudgele krullen, guitige ogen en een glimlach, zo werd Heidi Rakels ooit het troetelbeertje van het Belgian Olympic Team. Dat was 1992 in Barcelona. Zij was atlete, ik perschef. In die tussenliggende jaren hebben onze wegen elkaar nog wel eens gekruist, maar ook niet meer dan dat.

Tot ze een paar weken geleden in Het journaal verscheen, na ook al een interview op Radio 1. Dat Heidi een half of een heel genie was, dat wisten we, maar nu ook al businesswoman? Hoog tijd om verleden en heden aan elkaar te knopen met een van de meest fascinerende en evengoed mysterieuze atletes die België ooit heeft gekend.

Aan tafel in haar woonkamer in Herent, een pauze nemend in een lange werkdag, lijkt ze vandaag nog sprekend op de foto in het officiële boek van Barcelona ’92.

Haar man, Eric Lafortune, en ik moeten lachen bij haar eerste reactie: “Goh, dat was zeker drie of vier dagen na de kamp. Kijk eens hoe dik ik toen alweer was. En euh… ik ben wel wat ouder geworden, vind je niet?”

Ter duiding, eerst wat judogeschiedenis. Ooit had België een van de sterkste judoteams in de wereld. De aanjager was Jean-Marie Dedecker, later politicus en nu (eigen woorden) bijgezet op het kerkhof van ter ziele gegane politieke partijen. Zijn wil was wet en zijn wil was dat zijn uitermate getalenteerde, maar ietwat luie poulain Ulla Werbrouck de voorkeur kreeg boven haar oudere concurrente Heidi Rakels in de zware categorie tot 72 kilogram, jarenlang de speeltuin van de toen pas afgehaakte Ingrid Berghmans.

De vechtjas in Rakels nam daar eerst geen vrede mee. “Ik had het gevoel dat ik in een wereld kwam waar mij geen plaats werd gegund. Als je ziet hoe Ulla nadien olympisch kampioene werd, was de voorkeur voor haar terecht. Zij was de betere judoka, maar ik wilde ook naar de Spelen.”

Elf kilo in zeven weken

De gymnaste Heidi Rakels was pas met judo begonnen toen ze 17 was. Haar weg naar de top had ze helemaal alleen bewandeld. Nationale trainingen bezocht ze met bus en trein. Judo werd haar passie. Maar omdat een diploma ook handig was voor later, ze haar ouders niet wilde teleurstellen én ze nu eenmaal makkelijk leerde, werd ze en passant ook burgerlijk ingenieur computerwetenschappen.

Tegelijk zocht en vond ze een uitweg voor haar olympische droom. Terwijl we het verhaal reconstrueren, zit haar man mee aan tafel omdat we het straks ook over vandaag en over zijn specialisme zullen hebben. Eric Lafortune kreeg het destijds maar half mee hoe zijn voormalige medestudente het aanpakte, en het hele verhaal heeft ze hem nog nooit verteld, maar het verbaast hem niks. “Heidi kickt op uitdagingen. Nog steeds.”

Hoewel ze het advies kreeg door te schuiven naar een hogere categorie, deed ze wat niemand haar ooit had voorgedaan en iedereen haar ontraadde: ze zakte twee gewichtscategorieën. “We waren op stage in Japan waar het altijd zwaar trainen was en ik at de hele dag door om maar kracht te hebben. Uitgerekend daar besloot ik voor de -66 te gaan. Nicole Flagothier (een andere grande dame van het judo uit die tijd; HV), kwam niet bij van het lachen toen ik haar van mijn plannen vertelde. ‘Jij? En je doet niks anders dan snoepen. Impossible.’ Zeven weken later en elf kilo lichter vocht ik in het toernooi van Parijs voor het eerst in de -66 kilogram.”

Een half jaar later beleefde ze in Palau Blaugrana, de sporthal in de schaduw van Camp Nou, haar moment de gloire. Ze was een goede week voor haar kampdag in Barcelona gearriveerd met nog vier kilo te veel. Enkele loopjes met te veel kleren aan, een dieet van magere yoghurt gedurende een paar dagen en niks meer drinken de laatste 24 uur: bij de weging zat ze onder het streefgewicht. “Vier kilo is niet veel als je weet hoe het moet. Ik had geluk, want de weging was om zeven uur ’s ochtends, terwijl ik maar moest vechten om vijf uur die avond. Ik woog zeker weer 69 kilogram met wat ik toen nog heb gedronken en gegeten.”

Een dag na de kansloze afgang in de -72 van haar concurrente Ulla Werbrouck (die zich blesseerde), won zij brons. Langs de mat coachte niet haar nemesis Dedecker, maar de grote Robert Van de Walle, die een dag eerder afscheid had genomen met een zevende plaats.

Zes operaties

Er zijn veel verhalen verteld over de effecten van het strenge dieet op de atleet en op de mens Heidi Rakels. “Dedecker schreef in zijn boek dat veel later verscheen, dat ik nog steeds last had van mijn eetstoornis, terwijl die al lang achter de rug was. Hij wist er eigenlijk niets van, maar dat verschillende keren afvallen je hele systeem ontregelt, heb ik wel gemerkt. Als reactie eet je nadien te veel en word je veel gemakkelijker dik.”

Haar anorexia sportiva heeft ongetwijfeld een rol gespeeld in haar hoge blessurelast. Tussen Barcelona en Atlanta werd ze in tweeënhalf jaar tijd zes keer geopereerd: vier keer aan de schouder en twee keer aan de kruisbanden van haar knieën.

“Voor die schouder ben ik uiteindelijk in Lyon geopereerd, waar later ook Vincent Kompany terechtkwam. Ik heb door die schouder nooit meer onbevangen kunnen judoën zoals in Barcelona. Ik ben wel een categorie hoger gaan vechten, waardoor ik gelukkig weer kon eten wat ik wilde.”

Ze haalde opnieuw de Spelen, die van Sydney, waar ze een unicum was met haar 32 jaar en met haar medische geschiedenis. En weer vocht ze om brons. Ze werd vijfde nadat ze eerder de halve finale van een Chinese had verloren. “Ik wist niks van haar en alle vorige kampen had ze tegen een linkse gevochten, dus ik wist nog niks, want ik was rechts. Uitgerekend die kamp – mijn slechtste ooit – staat op YouTube, ik weet het. Vreselijk, terwijl die in de kwartfinale tegen de bijna onklopbare Italiaanse Emanuela Pierantozzi misschien mijn beste kamp ooit was, maar die staat er natuurlijk niet op.”

En nog had ze niet genoeg. Ze wilde ook Athene 2004 halen. Arme Heidi kan niks anders, luidde toen het verhaal, het zal duren tot ze haar op de tatami bij elkaar moeten vegen. “Ik had in 2000 gewerkt als zelfstandig programmeur, maar toen ik een BLOSO-contract kreeg als topsporter, was ik toch liever judoka. Ik ben uiteindelijk pas gestopt omdat ik niet meer won en mijn olympische selectie miste. Ik heb echt nergens spijt van en zou het zo opnieuw doen, ook het vermageren.”

Resultaatgericht

Heidi Rakels was 36 jaar, en had twaalf jaar eerder een diploma in de computerwetenschappen gehaald, als bij toeval. Programmeren, daar snapte ze in het eerste jaar burgerlijk ingenieur aanvankelijk niks van, dus ging ze dat vak zo hard studeren dat ze er supergoed in werd. Het werd haar specialisme.

“Ik denk dat de professoren graag hadden hoe ik programmeerde, want ik deed precies hoe zij het wilden. Anderen zoals Eric waren als student al aan het programmeren en deden het vaak op hun manier.

“Tijdens het jaar studeerde ik niet veel, maar in de blok en de examens van zeven tot middernacht. Ik deelde het aantal pagina’s door het aantal uur en mijn enige ontspanning op een dag was een brood gaan kopen. Ik kan heel geconcentreerd werken.”

Na veertien jaar als judoprof bleek er zo veel te zijn veranderd in de programmeertalen dat ze opnieuw moest gaan blokken. Ze koos voor Java, een slimme zet. Maar nu bleek haar temperament niet te sporen met de vereisten van de klassieke werkplek. Heidi Rakels miste de structuur en vooral het tempo van de topsport: resultaatgerichtheid stond niet langer centraal. Loondienst stond gelijk met uren kloppen. Niks voor haar, concludeerde ze.

“Een korte opdracht, zes weken of zo, met een duidelijke oplevertermijn, dat had ik nodig. Ik leverde altijd op tijd op. Ik ben zo ooit voor zes weken begonnen bij Belgacom en uiteindelijk ben ik er met verschillende opdrachten drie jaar gebleven.”

Bij nog een andere werkgever was ze een collega-student van weleer tegen het lijf gelopen. Eric Lafortune, zoon van zevenvoudig olympisch karabijnschutter François Lafortune, kende haar nog maar al te goed. “Tijdens mijn studies zag ik Heidi meer in de krant dan in de les, maar ineens waren we collega’s.” Heidi vertrok bij die werkgever, werd zelfstandige, leerde tussendoor ook nog voor tuinarchitect, en privé werden ze een stel.

Wat doet een programmeur in zijn vrije tijd? Ook programmeren, maar dan voor de lol. Eric Lafortune was enige tijd daarvoor begonnen met het zogeheten open source-programma ProGuard, dat al snel zou worden opgenomen in de software developer kit voor apps op het Google Android-platform. “Kleiner en sneller maken van de app en bescherming tegen hackers, daar draaide het om. Drieënhalf jaar geleden ben ik dan begonnen aan een commerciële versie, DexGuard, die nog veel beter beschermt tegen hackers. Twee weken nadat het op internet stond, werd die al gekocht door een IJslandse bank.”

Rollercoaster

Lafortune en Rakels – inmiddels hebben ze de NV GuardSquare opgericht – begonnen aan een rollercoasterverhaal waarin ze af en toe de pedalen dreigden te verliezen. Een Amerikaans bedrijf bestookte hen met patentendreigingen en er volgden vijandige overnamepogingen.

Heidi: “Slapeloze nachten heeft ons dat opgeleverd. Wisten wij veel. Patenten geschonden? Misschien hadden ze wel gelijk. Neen, ze hadden geen gelijk. We stuurden twee brieven terug en we hoorden niks meer.”

Eric: “En de overnamebiedingen waren nooit ernstig. Ze waren veel te laag. Hoeveel? We hebben de raad gekregen niet over geld te communiceren. Nu hebben we hulp, omdat Heidi die is gaan zoeken. Ze heeft doorgezet, is gaan netwerken, terwijl ik daar niet te veel in geloofde.”

Heidi: “Ik wist dat ik naar buiten moest komen en hulp zoeken. Bleek dat er veel ondersteuning is voor start-ups als de onze. Wij wisten daar niks van. Ten slotte heb ik mijn extraverte kant aangesproken en ben ik naar enkele beurzen gegaan. Netwerken, ik, jawel. Een beetje tegen mijn natuur, maar het moest.”

Eric: “Heidi kwam toen Jurgen Ingels tegen, de oprichter van de betaalsoftware Clear2Pay, dat hij vorig jaar heeft verkocht voor 375 miljoen euro. Jurgen investeert nu in ons bedrijf, maar hij helpt ook echt mee aan de uitbouw.”

Heidi: “Eric zegt altijd: waar ik niet verder zie dan bits en af en toe een byte, heeft Jurgen visie. Dat is wat overdreven, maar ik wist meteen dat hij ons kon helpen. Hij had alles meegemaakt wat wij meemaakten. Ik kon maar twee minuten met hem praten, maar ik kreeg hem mee in mijn verhaal. Ik moet geen geld, zei ik, ik moet uw goeie raad. Maar we hadden wel geld nodig, want organisch groeien bestaat niet in deze business: het moet snel gaan.”

Hun product DexGuard heeft voorlopig weinig concurrenten. Als Heidi Rakels een app tegenkomt die een gelijkwaardige software zou kunnen gebruiken, gaat ze onder de motorkap kijken en stelt steeds weer vast dat er niks gelijkaardigs onder zit. “Over drie jaar moet elke bank-app zichzelf hebben beveiligd tegen hackers en wij hebben echt het beste product, want wij hebben een voorsprong van tien jaar, de tijd dat Eric hier al mee bezig is.”

Eric: “Er zijn Chinese en Russische concurrenten die iets in dezelfde zin hebben ontwikkeld, maar westerse banken zullen daar niet snel mee in zee gaan en dat is een beetje ons geluk.”

Windsurfen op Tenerife

De rolverdeling binnen het management is duidelijk. Eric zorgt voor het product, Heidi runt de business. Ze hebben al verschillende programmeurs in dienst. “Ik programmeerde vroeger ook en al vind ik van mezelf dat ik er iets van kan, als ik het aan Eric gaf, begon hij er zo aan te schaven dat ik nauwelijks nog iets herkende van wat ik had geschreven.”

Eric: “Ik ontken niet dat er iets obsessiefs zit aan het achter de computer kruipen en die te laten doen wat jij wil, maar het valt wel mee met ons. Wij gaan bijvoorbeeld ook graag windsurfen.”

Ook daar is de uitdaging niet ver: ze windsurfen niet zo maar op een vlak meertje, maar aan El Medano, een van de windsurf-hotspots op Tenerife.

Heidi: “Ik denk van mezelf dat ik geen nerd ben, al ben ik dat misschien wel altijd een beetje geweest. Maar nerds zijn leuke mensen met een ongelooflijk gevoel voor bizarre humor. Het is wel een totaal andere humor dan die van het judo.”

En zo werd voormalig judoka Heidi Rakels een paar maanden geleden CEO van een veelbelovende start-up die zijn intrek neemt in het Innovatie- en Incubatiecentrum in Heverlee. De introverte topatlete van weleer die af en toe geplaagd werd door faalangst, reist wat af en gaat in alle werelddelen op zoek naar resellers voor hun product. Ondertussen werft ze ook in België aan.

Eric: “We werken allebei hard, maar ik sta te kijken van de energie die Heidi erin stopt. Het gaat nu wel heel snel vooruit.”

Heidi: “Ik pak dit op dezelfde manier aan als een olympische voorbereiding, met alle voldoening als het lukt en met alle ergernis als het tegenzit. Ik heb er vrede mee dat ik blijkbaar zo over mijn grenzen moet gaan dat er nu weinig tijd is voor genieten. Genieten kan toch pas als je eerst hard hebt gewerkt.”

Heidi Rakels

Column Onzin-cijfertjes in De Morgen van 18 april 2015

ONZIN-CIJFERTJES

Steven Defour is na twee speeldagen in play-off I de metronoom van Anderlecht, want Steven Defour had 173 balcontacten over die twee wedstrijden. Anderlecht domineerde bij Standard, dat was een ander cijfer in de krant. Het won meer duels, had veel meer balbezit, drie keer zoveel corners, gaf zestig passes meer dan Standard en die waren ook nog eens nauwkeuriger. Goed zo, Steven en RSCA.

Afgelopen woensdag was het Atlético-Real voor de Champions League. Real had op het veld van de stadsgenoot 58 procent balbezit, schoot twee keer zoveel op doel (8-16), vier keer zo precies (2-8 ‘on target’) en passte haast dubbel zoveel: 239 tegen 464 passes. Lijkt op eenrichtingsvoetbal, maar Atlético had evengoed kunnen winnen, zegt het gevoel (waarmee vaak iets mis is, maar dat terzijde).

En Standard-Anderlecht dan? Die alomtegenwoordige Steven Defour werd in een andere krant ervan beticht “in de war” te zijn geweest. Hij kwam nooit in de wedstrijd. De uitslag van Standard-Anderlecht was 3-1. Zelden is Anderlecht op het veld van Standard zo weggespeeld, aldus de unanieme commentaren van de schrijvende en pratende sportmedia.

Statistieken bewijzen soms alles en soms niks. Statistieken moeten representatief zijn: twee wedstrijden ver in de play-offs statistieken op de mensheid loslaten, is nonsens. Halfweg na vijf wedstrijden is al riskant; na tien wedstrijden lijkt logischer. Statistieken moeten relevant zijn. Statistieken moeten de essentie meten, want meten zonder te weten maar denken dat je het weet, dát is pas tijdverlies.

Daarom is het goed om te kijken waar het in voetbal om draait. Voetbal is het spel met de minste goals, bijgevolg met de grootste kans dat toeval de uitslag bepaalt. Meet dus vooral de acties of de parameters die dat toeval beïnvloeden. Trond Sollied had één parameter: balls in the sixteen.

Sollied had gelijk. Balbezit is pas waardevol, als je erin slaagt om ballen in de zestien te krijgen. Balbezit per speler is ook waardevol (zie Defour), maar al veel belangrijker is de verticale spelprogressie, met andere woorden: wat doet een speler met een bal op een gegeven moment? Hoeveel schuift hij ons spel op, richting overkant? Creëert hij ruimte met zijn acties?

Een verdediger die maar tien keer aanvallend aan de bal komt en daarvan drie keer over veertig meter een haarfijne cross trapt in de rug van de verdediging, met drie kansen tot gevolg: gauw opstellen. Maar wat als hij zelf te traag is om de ruimte in zijn rug te belopen: niet opstellen? Dan had Frank de Boer nooit gespeeld op het WK van 1998 en had hij nooit de cross aller crosses gegeven op Dennis Bergkamp tegen Argentinië. In zuivere sportstatistiek mag het waardecijfer (10 op 10) van die actie nooit afhangen van de fenomenale kap en de goal van Bergkamp die daarop volgde.

Voetbal is simpel en ook weer niet, omdat het zo’n onberekenbare sport is, super-interactief en weinig repetitief. In voetbal wint soms de slechtere ploeg die maar de helft van de tijd aan de bal is, drie keer over de middenlijn sukkelt, maar wel drie op drie scoort. In elke andere sport scoren de tegenstanders altijd meer, en winnen.

Daarom heeft voetbal een probleem met statistiek en zeggen cijfertjes onmiddellijk na een wedstrijd niks. Een wedstrijd herbekijken en cijfermatig in kaart brengen, waardoor ook het proces en niet alleen het resultaat zichtbaar wordt, dat is voetbalstatistiek. En lul niet langer over Moneyball, het verhaal van baseballmanager Billy Beane, vereeuwigd in een film. Versimpeld dus, waardoor het lijkt alsof Billy Beane warempel statistiek gebruikt om spelers te evalueren.

Dat klopt, alleen had baseball al honderd jaar statistiek en heeft Billy Beane andere cijfergegevens gebruikt, zoals ‘on base percentage’, iets wat je zou kunnen vergelijken in het voetbal met terreinwinst. Beane wist zich ook gesteund door Sabermetrics, een organisatie van fanatieke hobby-statistici die zich al jaren de kop breken welke baseballstats de doorslag geven. Daarom een oproep aan de verlichte geesten van het edele voetbalspel: ga op zoek naar de juiste parameters en statistieken die er toe doen en kom dan eens terug met die gecommercialiseerde onzin-cijfertjes.

Onzin-cijfertjes

Column ‘De koers is van ons, maar…’ op demorgen.be 13 april 2015

De koers is van ons maar op het einde wint de laatste tijd altijd een ander 

 

 De Duitser John Degenkolb wint Parijs-Roubaix. ©PHOTO NEWS
 

Het heeft een paar kilometer gescheeld of anders had de hele Parijs-Roubaix een (ex)renner van Topsport Vlaanderen voorop gereden. Eerst Tim Declercq en enkele kilometer nadat die moest lossen, kwam Yves Lampaert, tot voor een paar maand ploegmaat van Declercq.

Het tewerkstellingsproject scoort misschien iets minder overwinningen dan vorig jaar, maar het bewijst zijn nut, dag na dag, wedstrijd na wedstrijd, klassieker na klassieker zelfs. Het is een uniek model, dat ons door andere landen wordt benijd, in de eerste plaats omdat wij het enige land zijn waar zoiets kan met overheidsgeld.

Een ander uniek model heeft uiteindelijk gewonnen: Team Giant-Alpecin. Ooit begonnen als Skil-Shimano, later heel even 1t4i (one team, four innovations) geheten en nog later Argos-Shimano, WorldTour vanaf 2013, vervolgens Giant-Shimano en nu Team Giant-Alpecin. TGA is officieel een Duits team, maar het management is hoofdzakelijk Nederlands. Iwan Spekenbrink is de general manager, Geert Broekhuizen – een Nederlander die in Gent is blijven plakken – doet de marketing, de meeste sportdirecteurs zijn ook Nederlanders en de service course is in Deventer.

Er rijden twee Belgen: master LO Bert De Backer, die gisteren als springplank fungeerde voor de latere winnaar, en Zico Waeytens, master hardrijden. Keep Challenging is het motto van het team. De missie klinkt voor de klassieke wielrennerij op het arrogante af: ‘De sport vooruit helpen, door de limieten van technologie, innovatie en atletisch vermogen te verleggen. Onze uitdaging is wielrenners van over de hele wereld te inspireren.’

Het is duidelijk dat de ambitie ‘een alternatieve omgeving bieden voor topsport’ de klassieke teams nogal op de zenuwen werkt, al zal het hypocriete wielerwereldje dat nooit toegegeven. Met alternatief wordt bedoeld: het zal bij er bij ons clean aan toegaan en als het niet clean kan, dan maar niet.

De inmiddels uit de hand gelopen sportieve ambitie van Spekenbrink en co was de beste sprintploeg ter wereld worden. Ze hadden namelijk uitgevlooid dat in het moderne en steeds cleanere wielrennen meer en meer ééndagswedstrijden op sprints zouden eindigen. En in rittenwedstrijden werd ook gesprint en een Touretappe was een kleine klassieker waard.  En zo won Marcel Kittel in de Tour van 2013 vier ritten en troefde hij tot op de Champs Elysées Cavendish af. Daar is een film over gemaakt en die heet ‘Nieuwe Helden’. Op youtube is de trailer te vinden. https://youtu.be/GiiASMXzxeo

Kittel speelt de hoofdrol en zijn sidekick is een andere Duitser, ene John. John Degenkolb dus, die zich in de trailer de vraag stelt wat hij moet doen om de mensheid ervan te overtuigen dat hij clean rijdt. De mensheid, dat is een metafoor voor de Duitse pers en het Duitse publiek, dat wielrennen had afgezworen na het Fuentes-schandaal.

In de film zie je hoe John Degenkolb het keer op keer op puur vermogen moet afleggen tegen Marcel Kittel in sprints bergop, op grote hoogte. Jaaa, Vlaanderen-Koersland, dat is moderne wielertraining, en met hoogte wordt bedoeld: veel hoger dan de Kwaremont. En ook niet op kasseien. Dat was twee jaar geleden. Vandaag ligt Kittel ziek in de lappenmand en wordt hij overvleugeld door zijn één jaar jongere landgenoot, die zachtjes is gebracht en die een grotere motor combineert met pure snelheid, wat dit jaar is gebleken in de langste èn in de zwaarste klassieker.

Die talentontwikkeling bij Team Giant-Alpecin is geen toeval en staat haaks op de mand-met-eieren principe die in het Belgisch wielrennen al jaar en dag wordt gehanteerd. Wij gooien een mand met eieren bij voorkeur tegen de kasseien en we doen verder met het ei dat niet breekt. Blijkt dat het ei wel sterk is, maar verder niks speciaals kan, dan proberen we daar toch koersen mee te winnen. Niet dus.

Conclusie na de laatste ‘Vlaamse’ klassieker: de koers is van ons maar op het einde wint de laatste tijd altijd een ander: een Zwitser, een Engelsman, een Welshman, een Noor, een Nederlander ook al eens, en gisteren was het de beurt aan een Duitser.