Interview Marieke Vervoort in De Morgen van zat 19 dec 2015

‘Het wordt stilaan akelig’

Dat euthanasie en topsport niet samen gaan. Dat haar ziekte en topsport onverenigbaar zijn. Dat ze de media haar verhaal laat uitmelken. Moedige Marieke (36), die vandaag op het Sportgala allicht de prijs van Paralympiër van het Jaar zal krijgen, geeft op alles antwoord, dus ook op lastige vragen die nog niemand stelde.

In de hal van het huis van Marieke Vervoort in Diest hangt een mooie potloodtekening van toen ze nog kon tekenen, van toen haar handen nog deden wat haar hersenen wilden. Het is een skelet in een startblok met een stok in de hand, klaar voor de estafette.

“Pure symboliek. Het was het begin van mijn ziekte. Ik voelde mij ook een skelet en die stok is mijn ellende die ik wilde doorgeven. Het is niet gelukt. Het skelet is nooit uit het startblok geraakt en de ziekte heb ik nog vast.”

De aanvallen worden week na week heviger en frequenter, de armen willen niet meer mee, de ogen gaan achteruit, en alsof dat niet volstaat, weet paralympisch atlete Marieke Vervoort pas op 15 augustus of ze drie weken later naar de Paralympische Spelen 2016 in Rio de Janeiro kan. Ondertussen sluit ze een jaar met drie wereldtitels af door sportprijzen op te halen: eerder deze maand won ze de Vlaamse Reus en vandaag, zaterdag, krijgt ze op het Sportgala een Lifetime Achievement Award.

Wellicht word je ook paralympiër van het jaar, maar een minipoll onder de paralympische atleten leert dat ze Peter Genyn, die ook naar twee wereldtitels wheelde, op één zetten.

Marieke Vervoort: “Dat kan ik begrijpen. De tennisser Joachim Gérard, nummer één van de wereld, zou het ook verdienen. We zijn met drie sterke kanshebbers voor de titel en ik wil de anderen hun aandoening niet onderschatten, maar ik hoop er stiekem wel een beetje op omdat het weleens de laatste keer zou kunnen zijn. De anderen zijn al zeker van een ticket voor Rio, ik niet. Ik weet niet hoe mijn aandoening zal evolueren, maar ik weet zeker dat ik met een lichaam zit dat steeds minder doet wat ik wil.”

Je hebt drie wereldtitels gewonnen in Doha, maar je hebt weinig tegenstanders in je categorie, vandaar de onzekerheid voor Rio.

“Zo stond het ook in de krant na mijn overwinning op het WK in oktober in Doha: Marieke Vervoort wint goud tegen zwakke tegenstand. Dat was niet leuk om te lezen. Er waren er een paar niet komen opdagen omdat atleten in mijn categorie vaak ook een probleem hebben om te zweten en Doha was natuurlijk erg warm. Mijn concurrente Michelle Stilwell uit Canada was er ook niet. Ze was ziek, heb ik gehoord, ofwel was ze bang, want ze verliest niet graag van mij.”

Is de wereld van de gehandicaptensport (G-sport) een harde wereld?

“Met de afgunst valt het wel mee. Behalve dan in de categorie van Peter Genyn. Daar zullen ze elkaar geen geluk wensen. Er kwam er één op mij af en die zei: ‘Peter maakt de T51 kapot.’ T51 betekent dat iemand geen tricepsfunctie meer heeft. Ik zei: hoezo, hij is toch gecontroleerd, getest en geconfirmeerd als T51? ‘Sinds Peter er is, maken wij geen schijn van kans meer’, redeneren ze.

“Ik weet wat hij anders doet: Peter komt van het rolstoelrugby en heeft de aandrijftechniek van die discipline meegenomen naar de wheelers. Hij doet het met dikke gummihandschoenen, ingewreven met hars en zo slaat hij op zijn wielen en beweegt hij zich voort. Die insinuaties van bedrog zijn belachelijk. Peter is getest en bovendien staat er langs de baan ook altijd een dokter die checkt of de atleet in kwestie zich niet gehandicapter voordoet dan hij of zij wel is. Jammer genoeg zijn die er ook.

“Bij mij durft Michelle Stilwell wel eens moeilijk doen. Zij noemt mij de Belgian Bitch, wat niet aardig is. Ik snap wel dat ze het niet leuk vond dat ik ineens ook kwam meedoen en ook nog eens won. Dat was ze niet gewend. In Londen op de Spelen heb ik haar na de 200 meter een knuffel willen geven bij de medaille-uitreiking, maar ze hield haar gouden medaille voor haar gezicht zodat ik niet in haar buurt kon komen. Toen dacht ik: tijd dat ik die trut met haar vier wielen op de grond zet.”

Vier wielen?

“Drie als het een wheeler is, maar een rolstoel heeft vier wielen. Kijk maar: twee grote en die twee kleintjes hier vooraan. Toen ik de 100 meter won in Londen, en zij tweede was, stond ze met haar vier wielen op de grond.”

Het is altijd wel een gedoe met die categorieën in de G-sport.

“Ik sport met tetraplegen – mensen met een dwarslaesie, bij wie alle ledematen verlamd zijn: de benen helemaal en het bovenlichaam gedeeltelijk. In de T-klasse draait alles rond de armfunctie en de rompstabiliteit. Ik ben een T52 en die hebben haast geen rompstabiliteit, maar wel tricepsen die werken. Een T53 heeft die ook, maar als wij onder elkaar racen, dan kom ik er met mijn laesie niet aan te pas want zij hebben nog een relatief goeie armfunctie en meestal nog een beetje buik- en rugspieren.

“Trouwens, die Michelle Stilwell heeft volgens mij ook nog rompstabiliteit. Zoals zij kan zitten, dat kan ik niet. Ik zou omvallen.”

Je zei laesie, maar jij hebt toch een spierziekte?

(glimlacht) “Jazeker, progressieve myelopathie, maar daar hoort ook progressieve tetraplegie bij. Ter hoogte van de vijfde en zesde nekwervel geeft mijn ruggenmerg niet alles meer door. Dat is niet het enige: ik heb de laatste tijd ook veel aanvallen die lijken op epilepsie, maar die uiteraard te maken hebben met mijn ziekte en die mij ook vaak hele slechte nachten bezorgen. Ik heb spasmen op mijn diafragma waarbij ik bijna niet meer kan ademen. Ik kan ook zomaar het bewustzijn verliezen, zoals laatst nog bij de opnames met Kobe Ilsen voor zijn nieuwe programma.

Copyright © 2015 gopress. All rights reserverd

“Het wordt stilaan akelig. Ik ben het laatste jaar weer20 procent minder goed gaan zien, wellicht door die aanvallen. De oogarts vroeg meteen of ik epileptisch was, want het ligt niet aan mijn ogen. Dat komt er ook nog eens bij.”

Even praktisch, want we zijn hier alleen. Wat moet ik doen als je tijdens het gesprek een aanval krijgt?

“Daar staat de telefoon: duw op M1 en dan op 4 voor een alarmoproep. Dan komen ze onmiddellijk, maar die kunnen ook weinig doen. In de hal staat een zuurstofbak: die op ON zetten en dan die slangetjes in mijn neus duwen. Ik heb een negatieve wilsverklaring, dus ik wil niet meer naar het ziekenhuis worden gebracht.”

Begrepen. Een professor gespecialiseerd in spierziektes zei me dat sporten met jouw aandoening niet aangewezen is.

“Hij heeft gelijk, maar voor mij is het wheelen een therapie, een manier om alle angsten, pijnen en frustraties van mij af te rijden. De nachten voor mijn wedstrijden in Doha bijvoorbeeld heb ik heel slecht geslapen, pas tegen een uur of vijf ben ik wat ingedommeld en om acht uur zat ik als een zombie aan het ontbijt. Maar dan komt de adrenaline bovendrijven en ga ik naar de wedstrijd.

“Kijk eens naar die foto. (wijst naar een foto achter mij) Zie je dat gezicht? Ik sla alles van mij af en ik vergeet heel even alles. Pakken ze mij dat wheelen af, dan nemen ze een stuk van mijn leven weg en ik ben al zoveel kwijt. Dan kan ik er beter een punt achter zetten.”

Dat je minimaal vijf relatief goede jaren hebt weggegooid door die inspanningen en dat je heftige aanvallen daar onder meer aan te wijten zijn, is dat geen argument?

“Ik snap het wel en die professor heeft zeker gelijk, maar ik heb dit nodig. Ik rust ook veel, nog dit weekend, en toch had je gisteren niet moeten komen want dan had ik niets zinnigs kunnen zeggen omdat de nacht ervoor vreselijk was. Voor de mensen die het programma Het huis hebben gezien: het kan nog veel erger. Die sport is iets waarvoor ik kies. Ik heb liever een kort en goed leven, waarin ik alles kan doen wat ik wil, dan jarenlang als een plant aan de zetel gekluisterd zijn.”

Jij mag of moet ook medicatie nemen die op de dopinglijst staat, de zogeheten therapeutische uitzondering of TUE.

“Als het echt slecht met me gaat, mogen ze mij morfine en valium geven. Na mijn gewonnen finale heb ik valium gekregen, maar daar ga je echt niet beter van presteren. Ik heb toch maar die TUE voorgelegd, want het zat in mijn systeem. De valium wordt intramusculair ingespoten en de morfine onderhuids. Daarnaast heb ik sinds kort een port-a-cath, dat is een katheter die permanent klaar zit in mijn schouder om wekelijks een infuus toe te dienen met glucose en magnesium.”

Neem je antidepressiva?

“Neen. Ik heb soms dagen waarin ik veel huil. Of met kussens gooi, maar ik ben niet echt depressief. Eén keer per maand ga ik naar de psycholoog om mijn verhaal te doen en dat lucht op. En ik drink geregeld mijn persoonlijke Dafalgan. (lacht en wijst naar een indrukwekkende verzameling flessen bubbels) Geen reden is een reden om er één te drinken, zeg ik altijd.

“Als triatleet heb ik gegeten zoals het hoort, maar waarom zou ik nu niet mogen zondigen? Weet je dat ik in de supermarkt soms opmerkingen krijg als er een zakje chips op mijn schoot ligt? ‘Mag een sporter dat wel eten?’ Ik antwoord dan: heb jij mijn lijn al eens gezien, ik mag dat eerder eten dan jij. En weg zijn ze.”

Een negatieve wilsverklaring betekent dat je niet gereanimeerd wil worden, maar jouw sportbond Parantee, wil daar niet in mee.

“Ik begrijp Parantee, maar we hadden een compromis: in Doha zouden ze mij wel hebben gereanimeerd. Als ik op stage ben op Lanzarote, is dat hetzelfde verhaal: niet reanimeren is daar strafbaar en dan brengen ze mij naar het ziekenhuis en moet ik dat ondergaan.”

Morfine, geen reanimatie of behandeling, dat staat zo haaks op topsport. Begrijp je de reserve daartegen? Je behandelende arts is een euthanasie-expert en tussendoor ga je overal medailles winnen.

“Ik begrijp dat mensen daar moeite mee hebben, maar de sport houdt mij wel in leven, dus daar is niks mis mee. Dat ik vaak over euthanasie praat en dat Wim Distelmans mijn behandelende arts is, stelt mij juist in staat om voort te leven. Zonder die zekerheid dat ik er uit kan als het echt te erg wordt, zou ik geen leven meer hebben.

“Hoe ik mezelf motiveer om door de pijn te gaan, is simpel. Ik laat de film aflopen van alles wat er met mij is gebeurd: de ziekte, mijn ongeval in 2013 (Vervoort kwam in de WK-finale van de 800 meter in 2013 ten val, red.) en die pot kokend water die ik in 2014 over mij kreeg waardoor ik drie keer bijna dood was. Zo pep ik mij op: door mij kwaad te maken tegen al het onrecht dat mij is overkomen. En ik heb natuurlijk heel veel mensen rond mij die mij helpen, zonder wie het ook niet de moeite zou zijn.”

Een hartlijder die drie zware hartinfarcten heeft overleefd en die een marathon wil lopen, verklaren we voor gek. Jij wordt bewonderd.

“Ik snap de vergelijking, maar ik ben ook een sporter. Sport is mijn enige drijfveer, de laatste uitlaatklep. Ik was een zwemster. Toen ik veertien was, is de ziekte bij mij vastgesteld. Ik ben toen overgeschakeld naar triatlon. In het begin kon ik nog peddels aandoen om te zwemmen, maar dat kan nu ook niet meer. Ik heb in Hawaï 1u17 gezwommen over 3,8 kilometer, rap hè? Daar hebben ze mij na het handbiken (de fietsproef, HV) uit de wedstrijd gehaald. Ik was vijftien minuten te laat bij de wissel. Er stond een madam met een strooien hoed die ons tegenhield: ‘There will be another year.’ Ik dacht: bitch, weet jij veel, ik heb verdorie een progressieve ziekte.

“Ik kreeg kort daarna een heftige opstoot en het was gedaan met triatlon. Gaandeweg heeft die ziekte steeds meer van mij afgepakt en dat laatste laat ik mij niet meer afnemen. Tot het niet meer gaat. Precies omdat die euthanasiepapieren geregeld zijn, ben ik gerust en heb ik nu veel meer levenswil. Anders had ik al lang zelfmoord gepleegd.”

Moet jij Sportvrouw van het Jaar worden?

 

“Neen, maar ik vind wel dat ze de verschillende categorieën evenwaardig moeten behandelen. Niet eerst dé sportvrouw, dan dé sportman en vervolgens o ja, we hebben ook nog de paralympiër van het jaar. Ik wil ook dat de artikels in de kranten een dag later even groot zijn.

“Delfine Persoon verdient die titel van sportvrouw. Wat die al heeft gepresteerd… Voor sportman weet ik het niet, maar bij een voetballer stel ik mij toch vragen. Laatst las ik nog een artikel over het geld dat ze willen omdat hun portret op glazen staat of zo. Ik word ziek van die sommen. Straks moet ik naar het programma Beste kijkers en normaal krijg je daar geld voor. Behalve ik, want ik krijg een uitkering en als ik dat aanvaard, kan ik geschorst worden. Van Het huis heb ik dan maar een iPhone 6 Plus cadeau gekregen.”

De media weten je wel wonen. Je draineert alle aandacht voor paralympische sport.

“Waarom ik mijn ziekte niet onder stoelen of banken steek? Omdat ik de mensen wil tonen dat ik mij niet laat doen. Door het sporten heb ik een goeie uitlaatklep en kan ik mijn frustraties kwijt. Ik ben drie keer teruggekeerd van niks; ik denk dat ik een voorbeeld van wilskracht kan zijn. Ik weet zeker dat ik mensen met een handicap inspireer.

“En die aandacht? Ze komen naar mij toe en ze willen mijn verhaal horen. Ik haal ze niet naar hier. Heb ik jou gebeld dan? Neen, jij hebt mij gebeld.”

Marieke Vervoort

Column Prijzentijd in De Morgen van zat 20 dec 2015

Prijzentijd

Het is weer prijzenweekend. Het Sportgala dus. Niet langer op Eén en dat hebben de Belgische sporters, het Sportgala en organisator Golazo geheel aan zichzelf te danken. De voorbije editie hing aan elkaar van de onnozeliteiten en toen vervolgens ook nog eens de kijkcijfers niet echt meevielen en er door de VRT moest worden bespaard, was de keuze aan de Reyerslaan snel gemaakt.

Marieke Vervoort krijgt de Lifetime Achievement Award en wordt wellicht ook Paralympiër van het Jaar. Volgens insiders zou dat haar wheelende collega Peter Genyn moeten zijn, maar Marieke ziet dat anders.

Coach van het Jaar zal wel Marc Wilmots worden, terwijl Hein Vanhaezebrouck de enige echte Coach van het Jaar is. De echte prijs voor beste coach heeft hij al gekregen en die heet de Raymond Goethals-trofee, genoemd naar een extreem verdedigende coach die twee keer actief betrokken was bij omkoping, maar dat geheel terzijde.

Komen we bij de Sportploeg van het Jaar. Hier heb ik mijn wildcard gebruikt en niet de Rode Duivels ingevuld, maar wel drie andere ploegen. Weggegooide stemmen natuurlijk, want de nationale voetbalploeg is net op tijd nummer één van de wereld geworden. Weliswaar in een heel rare ranking en zonder echt goed te voetballen, maar dat maakt allemaal niet uit. Of het zou alsnog de Davis Cup-ploeg moeten worden.

In Nederland hadden ze deze week eerst de Sportman van het Jaar, dan het Talent van het Jaar, dan het Sportbeeld van het Jaar (goed gevonden) en als laatste en dus belangrijkste prijs, de Sportvrouw van het Jaar. Dat had alles te maken met de genomineerden en de impact van hun prestaties op de bevolking van dat kleinste grote sportland, maar Dafne Schippers als hoogtepunt van het beste Nederlandse sportjaar ooit was wel een statement.

De uitkomst van onze Sportvrouw van het Jaar is een dubbeltje op zijn kant. In Nederland zou bokster Delfine Persoon ongetwijfeld winnen, maar in Nederland stemmen de Friezen niet alleen op Friezen en de Limburgers niet alleen op Limburgers en liggen er tussen Limburg en Friesland nog wel regio’s met sporters.

Nederlanders zoeken over de accenten- en taalgrenzen heen naar hun beste prestatie overall. Dat doen wij nooit. De Franstaligen kiezen (haast) altijd voor een Franstalige, de Nederlandstaligen denken iets breder en durven weleens iemand van over de taalgrens een puntje (of twee) geven. Sportvrouw van het Jaar wordt wellicht judoka Charline Van Snick, omdat zij de enige Franstalige is bij de genomineerden en daar met alle stemmen gaat lopen en ook in Vlaanderen punten krijgt. Terecht, want Van Snick is een kanjer onder de kanjers.

En dan de Sportman van het Jaar. Volgens de media staat het al vast dat het Kevin De Bruyne wordt. Ik heb De Bruyne één puntje gegeven, Dirk Van Tichelt twee, Louis Croenen drie, Pieter Timmers vier en Philip Milanov vijf. Sport draait om prijzen winnen, om medailles halen. Milanov verdient dus om op één te staan met zijn zilveren medaille op de wereldkampioenschappen. Dat was in atletiek, in discuswerpen, voor als u dat niet wist. Overigens hoorde ook de wereldkampioen taekwondo Jaouad Achab bij die laatste drie en had hij moeten winnen.

Het is een raadsel waarom Kevin De Bruyne Sportman van het Jaar zou moeten worden. Wat heeft die dan gewonnen, behalve de Duitse beker? Ach ja, de jackpot natuurlijk! Door zijn transfer van Wolfsburg naar Manchester City, voor een onbetamelijke 74 miljoen euro, is hij de duurste Belgische speler ooit en hij heeft ook een mooi salaris van 320.000 euro per week geregeld. Hij verdient per dag wat Philip Milanov de Vlaamse gemeenschap in een heel jaar kost aan salaris, en dat is hem gegund, maar dat is nog geen goede reden om hem Sportman van het Jaar te maken.

In 2012 was Vincent Kompany de beste speler van de Premier League, kampioen met Manchester City en de verpersoonlijking van de heropstanding van de Rode Duivels, maar hij kwam niet eens in de laatste drie voor. Er is geen enkele objectieve of sportieve reden om Kevin De Bruyne die prijs te geven. Laat hem eerst maar eens op een groot toernooi excelleren zoals die andere genomineerden.

Column The Bid en The Loting op demorgen.be van 14 dec 2015

Stereotypen

Eindelijk weten we waarom het Holland-België bid voor de WK’s van 2018 en 2022 het niet heeft gehaald. Dwalers zijn het, die dachten dat het aan de tandem Harry Been en Alain Courtois lag. Natuurlijk was de ene te veel pilaarbijter en de andere te veel van de Franse slag en wogen ze zelfs opgeteld veel te licht, net zoals de kandidatuur met Van der Valk-bunkers als teamhotels en luchtkastelen als stadions, maar daar lag het dus niet aan.

We hebben gewoon te weinig de portemonnee getrokken, zo viel dit weekend tussen de regels te lezen in De Volkskrant. Na lange gesprekken met vele betrokkenen (Nederlanders) heeft die krant uitgeplozen dat aan een Afrikaanse stemmenronselaar – ene Diallo uit Guinea – 10.000 euro was betaald. Conclusie, volgens de krant: The Bid – zo heette die waangedachte – heeft smeergeld betaald om stemmen te kopen en heeft dus onethisch gehandeld.

10.000 euro om Afrikanen om te kopen, van stereotypering gesproken. Ze kunnen er daar wat van, maar met 10.000 euro – het equivalent van de kraaltjes en spiegeltjes van Stanley en Livingstone – geraak je nog geen halve Afrikaan ver.

Nog een stereotype: je moet al een gierige Hollander zijn om te geloven dat je met 10.000 euro een stem kan kopen. De Belgische repliek dat het om een onkostenvergoeding ging voor twee bezoeken aan Brussel  – ongetwijfeld in business class – lijkt de logica zelf. Nooit gedacht dat The Holland-Belgium Bid vijf jaar na datum nog eens het voorwerp zou zijn van journalistiek, maar het was zonde van de dure pagina’s.

We denken dat we terecht op één in de FIFA-ranking staan en we denken dat we Europees kampioen kunnen worden? Prima, laten we daar ook naar handelen en vooral naar voetballen

The Bid is de enige kandidatuur die ooit een eerste ronde overleefde en in de tweede ronde minder stemmen kreeg dan in de eerste. Het was een nooit geziene luchtfietserij die de overheden veel geld heeft gekost en het zou goed zijn als we dat voor eens en voor altijd archiveerden als een waanidee.

Toen die kandidatuur in 2009 werd ingediend, zaten de Rode Duivels diep. Op de FIFA-ranking van die tijd stonden ze 65ste en waren van Albanië tot Zwitserland een vogel voor de kat. Geen zes jaar later staan ze op één en eergisteren werden ze door zowat alle Europese landen bestempeld als te vermijden en als kandidaat voor de finale en dus de ultieme winst op het Europees Kampioenschap van volgende zomer.

Italië vond het niet leuk om op 13 juni tegen België in de Lyonese wei te moeten en daar kunnen we ons iets bij voorstellen. De uitkomst van de loting en de samenstelling van groep E werd aanvankelijk als interessant bestempeld. Vervolgens als een uitdaging. Even later was het: niet van de poes. Daarna: zwaar. Uiteindelijk werd het een loodzware loting.

Natuurlijk had die lichter gekund, bijvoorbeeld als we al onze tegenstanders zelf hadden mogen kiezen, en liefst allemaal uit potje vier, maar dat was jammer genoeg tegen de regels. We kregen een land uit respectievelijk potje 2, 3 en 4 en dat werden Italië, Ierland en Zweden.  Italië is een team met een verleden, maar het heeft geen stervoetballers meer. Staat 15de op de FIFA ranking. Ierland is een team met een groot hart en mooie fans, maar geen goeie voetballers. Staat 31ste op de ranglijst. Zweden ten slotte is een team met één goeie voetballer en het staat 35ste.

België staat eerste en moet dus van niemand bang zijn. We denken dat we daar terecht staan en we denken dat we Europees kampioen kunnen worden? Prima, laten we daar ook naar handelen en vooral naar voetballen. Gedaan met underdogje spelen, gedaan met kijken waar het schip strandt, gedaan met op voorhand indekken over hoe mooi een halve finale kan zijn. Dit is een ideale loting om meteen scherp aan een tornooi te beginnen. Exact honderd jaar nadat de wereld ons bedacht met Brave Little Belgium is het tijd om daar een nieuwe lading aan te geven: zonder loopgraven, gewoon durven aanvallen.

Column Buffalo in De Morgen van zat 12 dec 2015

Buffalo

Na de Buffalo-tsunami in de algemene krantenkaternen – drie extra pagina’s in De Morgen, twee bij de vrienden van De Standaard en een psychoanalyse van de Gentse trainer in Het Laatste Nieuws – nu ook nog eens een column. Jawel, want er verscheen nogal wat onzin.

Die kwalificatie van AA Gent. Was die lovenswaardig? Uiteraard. Maar wereldschokkend? Niet echt. In elke editie van de Champions League halen er altijd wel een paar ploegen uit kleinere voetballanden de laatste zestien. Deze keer AA Gent, dat van bij de loting was ingedeeld in de financieel minst kapitaalkrachtige van alle poules. Als de tegenstanders een slechte herfst hadden, stegen de kansen van Gent aanzienlijk, en wat wilde het toeval: Valencia en Lyon zaten net in een dip, ook in de eigen competitie. Zenit uit Sint- Petersburg was dan weer outstanding, maar kwam bij Gent verliezen toen het al zeker was van de eerste plaats. We zullen straks zien wat dat outstanding Zenit waard is in de tweede ronde. De Europa League-groep van Anderlecht, met Tottenham en Monaco, woog financieel zwaarder dan die van Gent.

Laten we maar besluiten dat de goden Gent erg gunstig gezind waren, maar laten we daar onmiddellijk aan toevoegen dat je geluk ook moet afdwingen. Je wint geen drie keer en je speelt ook niet nog eens gelijk, als je niet gelooft in je kansen. Het aanvallend voetbal van AA Gent heeft geloond en dat is het verschil met Anderlecht, Genk en langer geleden Brugge. Die hebben/hadden minimaal evenveel talent, maar pasten zich ook te veel aan. Ze deden mee om niet af te gaan; Gent deed mee om te voetballen en te winnen.

Waarmee we bij Hein Vanhaezebrouck zijn aanbeland. Die kreeg de wind van voren omdat hij niet bijster enthousiast reageerde op de kwalificatie van zijn team voor de tweede ronde. Hein heeft zijn prioriteiten op orde, hij is zeker niet blasé en juichen kan hij ook. Toen hij op 21 mei de titel won, wist hij met zijn geluk geen blijf en liep ook hij als een razende over het veld. Deze kwalificatie zat eraan te komen en hij was al met zijn gedachten bij vanavond: STVV uit, altijd lastig. Edmilson doormidden schoppen of kopen, of allebei; van een dilemma gesproken.

Nog zo’n item volgens de media: de hele wereld kent nu AA Gent en weet dat de beste speler van Gent de trainer is. Conclusie: Gent zal Hein Vanhaezebrouck moeilijk kunnen houden. Ten eerste: de hele wereld kent nu misschien de naam Gent, maar denkt daarbij aan het klassieke lelijke eendje dat in de volgende ronde onder de voet wordt gelopen. Dat is onterecht, en het fenomeen Vanhaezebrouck verdient wel degelijk een nadere studie.

Ten tweede: er zijn maar heel weinig clubs in Europa waar ze zitten te wachten op de West-Vlaamse Guardiola, omdat maar heel weinig clubs geloven in een aanvallend concept. Ten derde: als ze al een trainer van een kleine clubje zullen halen, heet die Phillip Cocu. Die wist zich met PSV ook te plaatsen, ten koste van Man United nog wel, en heeft zelf bij FC Barcelona gevoetbald. Ten vierde: als geen ander beseft Hein Vanhaezebrouck alles wat hiervoor staat.

De allergrootste onzin was natuurlijk dat fabeltje dat heel België gesupporterd zou hebben voor de Buffalo’s. Van hypocrisie gesproken. De traditionele topclubs zijn gewoon stikjaloers op AA Gent. Te beginnen met Anderlecht, dat al langer behoorlijk zenuwachtig wordt van de lof waarmee Gent nu al maanden wordt overladen. In West-Vlaanderen en daarbuiten, waar blauw-zwart het bruto gezinsgeluk bepaalt, kan men Gent en de Buffalo’s niet meer horen of zien. Verdrongen worden naar de kolommen naast de overlijdensberichten, dat steekt.

Al even hypocriet was de Gentse tegenreactie dat ze na hun kwalificatie en de steun die ze vanuit heel België hadden ontvangen nu op hun beurt zouden duimen voor Club en Anderlecht. Misschien dat ze wel duimden voor een kwalificatie, maar dan alleen omdat Europees voetbal bij het begin van de play-offs eerder een nadeel dan een voordeel is. Toch even goed opletten op 17 januari en 7 februari: Gent-Anderlecht en Club-Gent worden twee wedstrijden op leven en dood, met als inzet de hiërarchie aan de top.

Verhaal over de testing van Froome in De Morgen van 5 dec 2015

Met dit lichaam win je de Tour

Nog tijdens de Tour de France, waarin hij urine over zich kreeg, ging de vrouw van Chris Froome (30) op zoek naar een lab dat hem wilde testen. Bedoeling: eens en voor altijd aantonen dat hij een cleane atleet is. Daar zijn ze in geslaagd, of niet, afhankelijk van wat je wilt geloven.

In Londen – uiteraard, want Sky en co. wantrouwen de kunde van iedereen die geen Engels spreekt – bij het Human Performance Lab van GlaxoSmithKline vonden ze een gewillige medewerking. Gisteren publiceerde het blad Esquire in een verhaal over Chris Froome die waarden waar de hele wielrennerij op zat te wachten. Binnen afzienbare tijd verschijnen de testen in een wetenschappelijk artikel.

Wat is bewezen?

Dat Chris Froome over buitengewone fysiologische capaciteiten beschikt, maar daarvoor heb je geen labo nodig. Hij werd getest drie weken na de Tour, tijdens het gekkenhuis van de na-Tourcriteriums, en voelde zich een beetje moe. Hij woog alweer 3 kilo meer (tijdens de Tour 66 en bij de test 69 kg) en haalde een VO2max van 85. Na omzetting van testresultaten naar zijn Tour de France-gewicht komt men uit op een maximale zuurstofopname (VO2max) van 88,2 milliliter zuurstof per minuut, per kilogram lichaamsgewicht. (ZIE GRAFIEK IN PDF HIERBIJ)

Kilo’s zijn zeer belangrijk, want in 2007 is Chris Froome in Lausanne getest toen hij nog als coureur uit de derde wereld de steun genoot van de Internationale Wielerunie (UCI). Toen scoorde hij al een VO2max van 80,2, maar met een gewicht van 75,8 kilogram en haast 17 procent vet. Door te vermageren is die 88,2 perfect haalbaar. De reeds bekende stelling blijft hierdoor overeind: Froome was een supertalent dat aanvankelijk nog niet goed genoeg met de fiets kon rijden en vooral met krachten smeet.

Kun je met zijn waarden zo snel omhoog rijden in de Tour?

Jazeker. Uit de tests blijkt dat hij een vermogen van 419 watt zou kunnen volhouden tijdens een klim van 20 tot 40 minuten. Als men dat deelt door zijn kilo’s, komt hij uit bij 6,25 watt per kilogram lichaamsgewicht. Dat ligt nog iets onder de maximale waarden van Pantani en Armstrong die tot 7 watt gingen, maar met de bewezen hulp van epo.

Hier treedt de eerste twijfel op. Wat was het precieze lichaamsgewicht van Froome tijdens de Tour? Sky wil geen data aanleveren over zijn wedstrijdgewicht en nogal wat waarnemers twijfelen aan die 66 kilogram en schatten die een stuk lager in. Minder gewicht zou het vermogen aantasten. Toen hij nog dikker stond, in 2007, lag zijn piekvermogen trouwens hoger dan nu. Minder wegen en toch veel watt duwen, kan dat? Altijd weer wordt dan verwezen naar (de overigens volstrekt legale) ketonen als hulpmiddel.

Wat is niet bewezen?

De melding dat hij 419 watt kan duwen gedurende 20 tot 40 minuten, is volgens de wetenschapper Ross Tucker van The Science of Sport een manke benadering van het fenomeen ‘volgehouden vermogen’ omdat er een wezenlijk verschil is tussen 20 minuten, waarin je ook anaeroob (met productie van lactaat) kunt gaan, en 40 minuten waarin dat haast onmogelijk is.

Voorts blijft het vervelend dat hij deze test heeft afgelegd in een periode dat hij duidelijk niet op zijn best was. Het alternatief – testen in de aanloop naar de Tour of tijdens de Tour, pakweg op een rustdag – zou pas een goed beeld geven, maar is praktisch onhaalbaar.

De grootste twijfel blijft rond het seizoen 2011, waar Froome op het punt stond te worden verkast naar een ander ploeg maar ineens een fenomenale Vuelta reed. Een jaar later was hij beter als helper dan Tour-winnaar Wiggins. Over die periode zijn geen bloedwaarden vrijgegeven en critici blijven dat catalogeren als ‘de donkere kant van de maan Froome’.

Wat kunnen we hiermee?

Het wielrennen zal moeten beslissen wat het wil: aan de ene kant zijn er stromingen die pleiten voor maximale openheid en een soort vermogenspolitie die inspanningen monitort en meteen ook als verdacht labelt. Dat veronderstelt dat we van elke renner genoeg labodata hebben om die af te zetten tegen een prestatie. Een normale klim binnen het fysiologisch bereik van Froome kan hoogst verdacht zijn bij een zware jongen als pakweg Greipel.

Dat veronderstelt ook dat we de medische gegevens van alle renners kennen, zoals bloedwaarden, gewicht en dergelijke meer en dat lijkt meer dan een brug te ver. Misschien niet, zeggen de voorstanders, want we vragen we nu aan de renners om hun onschuld te bewijzen met het bloed- en straks het steroïdenprofiel, waarom dan ook geen vermogensprofiel?

Conclusie?

Professor Peter Hespel van de Bakala Academy, die honderden renners heeft getest, is formeel. “Er zitten zwarte gaten in zijn traject, maar vooral zijn test uit 2007 geeft een mooi beeld van wat zijn potentie inhield en die heeft hij ook waargemaakt. Een 22-jarige Keniaan met 17 procent vet, die een VO2max heeft van 80, zou van ons ook meteen een mooi contract krijgen. Zo’n supertalent ben ik nog nooit tegengekomen. Er zijn veel meer redenen om hem te geloven dan hem niet te geloven.”

Interview Thomas Buffel in De Morgen van 5 dec 2015

Strijden, op de grasmat en thuis

Ruud Gullit deed het bij Feyenoord en hij ging weg. Glen De Boeck deed het bij Cercle Brugge en hij ging weg. Peter Maes doet het bij Genk opnieuw: hem op de bank zetten. Deze keer gaat Thomas Buffel (34) niet weg. ‘Ik zit in de winter van mijn carrière, maar ik berust niet voor Genk zijn flair terug heeft.’

Thomas Buffel was de eerste van een generatie Belgische voetbaltalenten die tot toppers zijn afgewerkt in het buitenland. Zestien was hij en gegeerd door alle Belgische topclubs toen hij naar de jeugd van Feyenoord Rotterdam vertrok om bij een pleeggezin te gaan wonen. Hij werd uitgeleend aan satellietclub Excelsior, tot Feyenoord hem terughaalde en hij de ster van het elftal werd. Hij hield er Robin van Persie weg van de positie 10, door Bert van Marwijk voor hem gereserveerd. Maar toen Ruud Gullit kwam, zat hij te vaak op de bank naar zijn zin.

De Spurs toonden interesse, maar het werden de Rangers uit Glasgow. Ook daar was hij geliefd en schitterde hij, tot een dubbele knieoperatie hem anderhalf jaar weghield van de velden. In 2008 keerde hij terug voor een seizoen Cercle Brugge, tot ook Glen De Boeck hem vaker dan hem lief was op de flank en zelfs even op de bank zette. Waarop Hein Vanhaezebrouck (nieuw bij Genk) hem maar al te graag ruilde voor Hans Cornelis en Jelle Vossen.

Twee jaar later werd hij kampioen met Racing Genk en zo werd, na vertrek van alle sterren, de jongeman met het accent van de andere kant van het land de verpersoonlijking van het blauwe bloed. Vorig seizoen werd hij door de supporters voor de derde keer tot beste speler gekozen. Vijfendertig keer zat hij bij de Rode Duivels.

Thomas Buffel is al zestien jaar weg van zijn roots, maar blijft een West-Vlaming en die verschrompelen bij te openlijke lofbetuigingen. Een subtiel gebaar van waardering is meer aan hem besteed. “Behalve het kampioenenjaar, toen we hier nog Thibaut Courtois en Kevin De Bruyne hadden, heb ik van de supporters altijd wel een schoen gekregen: drie keer goud, één keer zilver en één keer brons.

“Toen we het hier thuis zwaar hadden, met mijn vrouw ziek en de tweeling net geboren, arriveerde op een dag een pakje. Daarin twee mini-shirtjes, met achterop de namen van Fausto en Maceo. Daarbij een kaartje: ‘We zullen je nooit vergeten, je blijft altijd welkom.’ Getekend: Feyenoord. Dat was even slikken. Pure klasse.

“Daar kunnen veel clubs van leren, ook Genk. Er zijn hier vorige zomer een aantal mensen moeten opstappen. Op zich is dat niet verkeerd want soms moet je veranderen, maar de manier waarop zoiets gebeurt, is ook belangrijk. Mensen die twintig jaar voor je club hebben geleefd, waardeer die toch. Geef ze bijvoorbeeld een abonnement voor het leven en laat ze afscheid nemen in een vol stadion voor een wedstrijd. Kleine gestes zijn soms onbetaalbaar. Het profvoetbal is een harde wereld, dat weet ik ook wel, maar het kan allemaal een beetje menselijker.”

Barometer van de ploeg

Dit is het verhaal van een gelouterd man van 34, een man van weinig woorden en van des te meer daden, zoals afgelopen woensdag in de bekerwedstrijd tegen Charleroi. 0-1 achter. Op de bank gestart. Spits eraf, Buffel erin. Wat doet Buffel? Scoren: 1-1, in de bovenhoek. Eerste in de rij in de penaltyreeks na afloop: Buffel, feilloos. Genk door. Hij haalt zijn schouders op.

“Ik heb wel belangrijke doelpunten gemaakt, bij Feyenoord, Rangers en ook bij Genk. Het is mijn werk. Vroeger nog meer, op de
10. Toen had ik nog dat echte killersinstinct. Door naar België terug te keren, ben ik moeten uitwijken naar de flank. Ze vonden dat creatieve spelers er meer ruimte kregen. Dat heeft ook gerendeerd. In het kampioenenjaar met Genk speelden we 4-4-2 met Kevin De Bruyne en ikzelf op de flanken. Dus ben ik beginnen te werken aan assists en voorzetten. Maar als ik nog eens in een kansrijke positie kom, weet ik nog steeds wat ik moet doen.”

Als hij nog eens in een kansrijke positie komt, met de nadruk op áls. Onlangs nog werd hij in een analyse van KRC Genk omschreven als de barometer van de ploeg, de naam die als eerste op het tactisch bord stond. Twee weken later zat hij in de belangrijke wedstrijd thuis tegen AA Gent op de bank en afgelopen woensdag opnieuw. Weer haalt hij zijn schouders op. We moeten er niet te veel spel van maken, dat doet hij zelf ook niet, maar hij legt het wel graag uit en in die uitleg zit het lot van de ouder wordende voetballer besloten.

“Ik werd ziek voor de wedstrijd op Club Brugge, kan iedereen gebeuren. Onmogelijk om te spelen met die keelontsteking. De week erna waren er interlands en had ik verder kunnen uitzieken. Misschien had ik dat zelf moeten aangeven, misschien had de staf mij preventief moeten laten rusten, ik laat dat in het midden. Ik vloog erin op training en ik herviel.

“Voor de beker had ik weer een dilemma. Ik had getraind tot aan de wedstrijd tegen Gent, had mij twee keer opgewarmd, was pittig ingevallen en de dag erna was er weer training voor wie niet had gespeeld. Ook pittig. Ik ben toen terug naar binnen gegaan, want ik had wat last. Ik ben op een punt aanbeland dat ik weet wat ik moet doen om in vorm te zijn en dat ik ook weet wat ik moet doen om goed te zijn: op tijd rust nemen.”

 

De vraag is of Genk in staat is om aan monumentenzorg te doen en of die wil bestaat. De ploeg kocht in het tussenseizoen Neeskens Kebano en Leon Bailey. Bailey is linksvoetig maar staat op rechts, waar Buffel staat/stond. Kebano kan in de spits maar staat links. In de spits staat Igor de Camargo, die echt op zijn laatste benen loopt. Op de bank zitten Peter Maes en Peter Balette, twee aanjagers die nieuw zijn bij een club die goed aan het seizoen begon, maar na een mindere periode ook de hete adem in hun nek voelen.

Buffel is op

Dat alles resulteert in een nieuw gegeven voor Thomas Buffel en een verplichte gewenning voor zijn lichaam. “Ik was gewend aan het ritme van wedstrijd, rusten, opbouwen, wedstrijd. Ik heb mijn natuurlijke snelheid en loopvermogen en ik bleef fit door wedstrijden te spelen. Was er een mindere, dan bleef ik staan en volgde er automatisch weer een betere. Als ik minder wedstrijden speel, moet ik meer en harder trainen. Na Club Brugge uit en thuis tegen Gent, had ik gehoopt te spelen tegen Charleroi.

“Buffel is op. (flauw lachje) Al van in het begin van het seizoen hoor ik dat waaien. Vroeger had je daar geen last van, maar met de sociale media ben je daarvan meteen op de hoogte. Nu, ik berust niet. Ik lig nog anderhalf jaar onder contract. Als ik stop bij Genk, is er zelfs een afscheidswedstrijd voorzien, maar ik ben niet aan het uitbollen.

“In de mindere jaren heb ik mij staande gehouden, maar ik ben wel deel van dat minder goede verleden dat men zo snel mogelijk wil vergeten. En alles wat nieuw is, is sowieso beter. Het zou voor mij ook makkelijker te zijn om als oudere speler te excelleren in een elftal dat draait. Daar op rechts weet ik echt wel hoe ik vrij moet komen om een voorzet te geven. Zelfs op links had ik het na een tijd ook door.

“Het is jammer hoe Genk is afgegleden. Oké, kampioen speel je niet elk jaar, en we hebben nog enkele goede jaren gehad, maar daarna zijn vergissingen begaan, zoals transfers waarbij ik op voorhand mijn bedenkingen had. Eventjes hebben we met Ilombe Mboyo een opflakkering gekend en daar is het fout gegaan. Dat was oogverblinding en men besloot geen nieuwe spits te halen. Daarna is het verhaal Mboyo gekend zeker? Dat is de les van de laatste jaren in België: alle succesvolle ploegen hadden een diepe spits, type Mitrovic of Depoitre. Wij hadden die niet.”

Inspiratie

Wordt Thomas Buffel trainer? Voor alle zekerheid heeft hij recentelijk in anderhalf jaar tijd drie trainersdiploma’s behaald. “Alleen de Pro License nog, maar dat kan niet terwijl je nog voetbalt. Daarvoor moet je naar het buitenland. Ik weet ook niet of ik het comfort van een vrij weekend en een leuke avond met het gezin wil opgeven voor een job als trainer of technisch directeur. Die denken vaak dat ze zeven dagen op zeven, twaalf uur per dag op de club moeten zijn om hun werk goed te doen en op den duur verwacht het bestuur dat ook.”

Privé staat centraal. Op dat vlak heeft Thomas Buffel zoveel te verduren gekregen dat het een wonder is dat hij nog steeds dit niveau haalt. Na de vroeggeboren tweeling Fausto en Maceo bleef zijn vrouw Stephanie ziek achter. Darmkanker was het harde verdict en er volgde een zware behandeling, die tot vandaag duurt. Kort na de geboorte was er nog een heftig moment toen de longen van een van de kindjes door een RS-virus zo aangetast waren dat het lag te stikken. Buffel reanimeerde zijn pasgeboren zoontje zelf en stoof ermee naar de kliniek. Alles kwam goed. Ze zijn 2 jaar nu. De ene is een voetballer en de andere is gek van zijn loopfietsje, waarmee hij tijdens het interview razende rondjes rijdt.

“Als ik die gastjes hier nu gezond zie rond-lopen, kan ik mijn kleine voetbalproblemen wel relativeren. Voetbal is superbelangrijk, maar het gezin, de familie en de vrienden zijn dat ook en steeds meer. Mijn vrouw is ziek, ja, en ze krijgt chemo en dat is soms zwaar, maar ik wil mij daar niet achter wegsteken. Zo van ‘kijk eens hoe goed ik presteer in deze omstandigheden’, is echt niet aan mij besteed. Anderzijds kan ik niet wegsteken dat Stephanie voor mij een inspiratiebron is. Als ik zie hoe zij vecht om beter te worden, dan is wat ik meemaak – diepgaan en soms pijntjes verdragen om er alles uit te halen dat laatste anderhalf jaar – echt wel peanuts.”

Tot juni 2017 loopt het contract van Thomas Buffel bij Genk, waar hij op 1 september 2009 als deel van een ruil kwam aanwaaien. Drie keer verlengde hij met twee jaar en dit wordt zijn laatste kunstje. Plannen wil hij niet echt maken, maar in zijn hoofd zit alvast ook een boek.

“Niet zomaar een biografie, iets heel aparts. Aan de hand van mijn carrière zullen de lezers ontdekken wat belangrijk is geweest voor mij. Ik ben zelf geen lezer van lange grijze lappen, dus wil ik het met kadertjes en videomateriaal. Het zal voor mij ook een gelegenheid zijn om aan het eind gekomen nog eens alle mensen terug te zien die voor mij belangrijk zijn geweest, te beginnen met het pleeggezin in Rotterdam.”

Column Vlaanderen volgens G in De Morgen van 5 dec 2015

Vlaanderen volgens G.

Vorige week is de honderdste Ronde van Vlaanderen voorgesteld. Op Brussels Airport nog wel, waar tegelijk ook een campagne van start ging op Pier B. Dat is de niet-Schengenvleugel, waarlangs ook een half miljoen Angelsaksen België binnenkomen. Minister Ben Weyts citeren wij even: “Onze wielercultuur is een fantastische troef, die ik internationaal in de kijker wil zetten. Al meteen van bij hun aankomst worden bezoekers uit de hele wereld ondergedompeld in het wielrennen.”

Ben Weyts kent weinig van sport, maar dat is zijn schuld niet. Onze wielercultuur van modder en kasseien staat haaks op het moderne wielrennen en kan dus bezwaarlijk cultuur worden genoemd. Erfgoed is beter, maar anachronisme is nog het dichtst bij de realiteit.

Laten we even meedenken met de Vlaams minister van Toerisme. Kunnen we Pier B bijvoorbeeld niet vol hangen met teksten van Geraint Thomas? Dat is ook een wielrennen, een Angelsakser, een Welshman nog wel, en hij is heel bekend bij de Engelssprekende wielerfans. Thomas heeft pas een boek uit en dat heet The World of Cycling According to G., naar het bekende The World According to Garp.

Het is nog niet helemaal uit, maar het hoofdstuk ‘Belgium’, dat begint op pagina 197 en eindigt op 205, heb ik wel meteen uitgeplozen. G. is een bewonderaar van onze passie voor de koers, maar niet bepaald een fan van Vlaanderen blijkt uit dat hoofdstuk. Leest u even mee.

World of Cycling

“Het land is bevroren in de tijd. De wind waait er hard en de hangsnor viert er hoogtij. De marktplaatsen in de stadjes komen uit films. Je verwacht dat er elk ogenblik een tank om de hoek komt rollen en zijn kanon richt op de kerktoren…

“In elk café, in elke krantenzaak kun je de voorbije en aanstaande koersen analyseren. De kranten staan vol over de koers. De renners gaan erin op en testen elkaar, altijd in rotweer, meestal met sneeuw ergens in de lucht. Bijna altijd zijn het de inboorlingen (natives schrijft hij, HVDW) die winnen…

“Het is er vaak niet leuk om te koersen. De races zijn altijd stress, er is overal straatmeubilair, renners rijden op de trottoirs en fietspaden om vooraan te zitten en ontwijken daarbij kinderen, honden en gehandicapten. De Vlamingen houden daarvan. Dit is wat ze kennen…”

“Die koersen kweken het karakter van de Vlaamse renners. Ze klagen nooit. Ze praten zelden. Ze hunkeren naar de wind schuin op kop. Hoe slechter het weer, hoe blijer ze zijn. Vlaamse renners kunnen afzien als geen ander. En ze vloeken constant. Ze zeggen heel lelijke dingen die alle buitenlandse renners hebben geleerd en die ik niet zal herhalen omdat mijn accent niet juist is. ‘Wiggo’ (Bradley Wiggins, HVDW) is de expert bij wie je moet zijn. Hij is er geboren, dat helpt…

“Je komt beneden voor ontbijt en het enige wat je vindt, zijn zwarte taaie sneden brood met vlees en kaas. Alles is gefrituurd en in alles zit vlees. Populair is gefrituurd vlees. Voor de race kregen we altijd een kom spaghetti met kaas erover. Het smaakte naar stro…

“Weet je nog toen je je grootmoeder bezocht en alles leek vijftien jaar teruggezet in de tijd? Zo zien Belgische renners eruit. Kledij
die jaren geleden al niet meer in de mode was en een haarsnit van het vorig decennium. De Fransen kunnen niet koersen als de Vlamingen, maar de Vlamingen kunnen zich niet kleden als de Fransen. Vlamingen zijn snel tevreden over hun kledij en dat komt door het weer: die anorak zal het wel doen tegen de regen, redeneren ze, en die waterdichte broek ook, want het regent toch…

“Vlaanderen. Als ik mijn ogen sluit, zie ik rijen donkere, krom-gewaaide bomen, smalle natte wegen, grijze lucht met regen, op komst of juist uitgevallen, maar altijd regen, geploegde velden en koeien die er koud uitzien. Daartussen het occasionele hoerenkot…”

Beste Engelsen, Amerikanen, Ieren, Noord-Ieren, Welshmen, Schotten: koop het boek van Geraint Thomas en kom via Pier B naar Vlaanderen, het Midden-Aarde van de koers. Breng vooral uw fiets mee en wees niet bang voor onze terroristen, maar pas op voor onze tanks, onze koude koeien, onze hang- snorren, ons eten, onze achterlijke kleren en kapsels en zeker voor al onze hoerenkoten.

Column Stammenoorlogen in De Morgen van 28 nov 2015

Stammenoorlogen

 

KAA Gent mocht dinsdag geen supporters meenemen naar Lyon, zelfs geen spelersvrouwen. Op een filmpje op een krantensite kon je Gent-voorzitter Ivan De Witte recht zien springen bij de 1-2 van Coulibaly. Zijn Gentse collega-bestuurder rechts van hem sloeg de handen voor zijn gezicht maar sprong niet recht.

Het is niet bekend hoe vijandig de sfeer in die tribune daar was, maar doorgaans is het een gebruik dat de winnende partij haar triomf met een glimlach en zelfs een bescheiden zegegebaar viert. Mag en moet kunnen. Overigens waren er toch een veertiental Gentse sporters naar Lyon afgezakt. Niet slim. Het liep goed af, maar dan niet komen zeuren als je in de samenvloeiing van Rhône en Saône belandt. Gent won.

RSC Anderlecht mocht geen supporters meenemen naar Monaco donderdag. Anderlecht won.

Club Brugge speelde eergisteren tegen Napoli en er mochten eerst geen Italiaanse supporters binnen. Club wreef zich in de handen. In de match van de laatste kans voor een blauwzwarte wand spelen, zonder Italiaans tegengepruttel in die hoek daar rechtsboven, laat maar komen. Tot de Brugse burgemeester besliste dat de wedstrijd alleen mocht worden gespeeld zonder supporters, dus ook zonder de blauwzwarte fans. Hij vreesde dat er toch Italianen zouden komen en dat dit tot rellen zou leiden, en zonder de nodige versterking van buitenaf had zijn korps daar geen zin in.

Onbegrip was zijn deel. Brugge verloor. Zonder fans, en toch vielen er gewonden: only in Bruges. Het zal wel weer de schuld van anderen zijn en de boosdoeners zijn uitzonderingen – natuurlijk -, maar welke voetbalfan bestormt zijn eigen stadion en geeft daarna de afwezige politie de schuld?

Voor Zulte Waregem tegen Standard zullen geen Luikse supporters meereizen. Verboden. RSC Anderlecht tegen OH Leuven kon eerst niet worden gespeeld met fans en dan weer wel.

Het voetbal is hoogst verontwaardigd over al die lege tribunes, maar het is niet anders: sport is het eerste dat ophoudt in noodsituaties of in oorlog en als de situatie normaliseert, is sport is ook het eerste dat opnieuw begint. Wat we nu meemaken, is geen oorlog maar een noodsituatie die het voetbal pijnlijk duidelijk maakt hoe overdreven groot zijn maatschappelijke voetdruk is en hoe klein het draagvlak.

Een jaar geleden bracht de stad Brugge de kosten voor politie voor het voetbal in kaart: 850.000 euro. 150.000 voor Cercle Brugge en 700.000 voor Club, de enige Belgische club die inzake supportersgeweld in de hoogste klasse zit – dreigingsniveau 4, zeg maar.

Nochtans speelden die twee clubs vorig jaar in hetzelfde stadion, in dezelfde reeks en moesten ze bij dezelfde clubs op bezoek. In dat kostenplaatje was geen rekening gehouden met de aanlevering van politie uit andere zones.

De stad Brugge, een zakdoek groot, krijgt per saldo meer politieversterking uit andere zones dan het zelf voor andere landelijke evenementen teruggeeft. Soms is al die politie hard nodig, zoals in mei 2014 toen blauw-zwarte heethoofden hun eigen politie aanvielen.

De liefde van de Club-fans voor de plaatselijke politie is fel bekoeld. Omgekeerd is dat evengoed waar en dat is een veel groter probleem, bleek deze week. De korpschef vroeg voor Club-Napoli maar liefst 450 federale politieagenten. Overdreven, op het belachelijke af zelfs, maar soms roep je de ellende over jezelf af, bijvoorbeeld een wedstrijd voor lege tribunes.

De Blue Army was vol onbegrip en vroeg zich voor de wedstrijd in een keurige mededeling af (sic): “Of denkt u dat de Brugse fans, in deze penibele tijden, als een bende randdebielen gaan ageren?” Ja dus, want ze vielen hun eigen stewards aan en zelfs Club-manager Vincent Mannaert raakte gewond bij de rellen.

Het wordt tijd dat het voetbal zich bezint en misschien kan men in Brugge het voortouw nemen. Waarom zijn honderden politiemensen, soms in gevechtsuitrusting, tientallen paarden en een peloton waterkanonnen nodig om 25.000 supporters in bedwang te houden voor een voetbalwedstrijd, terwijl voor de 40.000 van de Van Damme Memorial twee combi’s met flikken volstaan? Waarom gaat de Davis Cup-finale van dit weekend met 13.000 man per sessie in een kolkende voetbalsfeer gewoon door, ondanks de dreiging? Waarom aanvaardt deze maatschappij stammenoorlogen als vermaak en financiert ze die ook nog?

Stammenoorlogen

Column over voetbal, Nys en Keisse op demorgen.be van 23 nov 2015

Geen zekerheden meer in dit land? Wij hebben er één: Sven Nys kan weer winnen

Dit weekend spotte de wereld met dit land. In het beste geval. Erger, werden we beschimpt als een falende staat, soms ook een jihadi-nest. Tegelijk verdween uit Brussel alle leven. Brian, een New Yorker van Sports Illustrated die voor zijn huwelijksreis on a chocolate tour through Belgium was en die ik vandaag na mijn les zou oppikken aan het Hilton aan Brussel-Centraal, is voortijdig gevlucht naar Brugge.

Jammer, ik had bij het verlaten van Brussel een korte, maar wilde rit gepland door Molenbeek langs de Gentsesteenweg. Welkom in onze South Bronx, had ik willen zeggen. In plaats daarvan, doen we vandaag samen de moeder van alle Belgische steden, we gaan naar ‘Ghent’. ‘A safe city’, had zijn vrouw gehoord.

Uitgerekend in dat ellendig weekend om rap te vergeten, organiseerden wij vrolijk onze nationale passies: koers en voetbal. Geen begrip voor de beslissing van de profliga om toch te voetballen ondanks de vraag van de nationale veiligheidsraad om af te gelasten. Voetballen tegen nationaal veiligheidsadvies in, balanceert tussen arrogantie en verregaande domheid. Naar aloude voetbaltraditie was het wellicht een mix van beide.

Hoe bestaat het dat de voetbalkundigen in Brussel eventjes een dwingend advies zo maar naast zich neerleggen? Omdat ze zijn omgepraat door clubs die de bui al zagen hangen: al dat eten besteld en geen VIPS, wat nu? Of omdat vrijdag AA Gent-Westerlo al was gespeeld en dat de speeldag dan in verschillende etappes zou worden afgewerkt en dat het aantal vrije speeldagen in een EK-jaar beperkt zijn?

Dat sommige wedstrijden geen federale politie behoefden, en dus toch werden gespeeld, was dan weer een fenomenaal staaltje van navelstaren. Neen, dat was géén goeie reden om te voetballen. Niks was een goede reden, zelfs niet dat clubs thuis speelden waar geen moslim in de buurt durft te komen zonder te worden in elkaar geslagen. Je mag er niet aan denken dat die barbaren toch een tribune in de provincie hadden uitgezocht om hun glorieuze trip richting paradijs aan te vatten.

Het liep goed af en het crossweekend deed gelukkig wat van cross wordt verwacht: de mensen een paar uur vertier geven zodat ze hun ellende konden vergeten. Sven Nys won zaterdag zijn eerste veldrit in meer dan een jaar. Gehoord en gelezen op twitter achteraf: de vraag hoeveel hij daar had voor betaald, want het was ten slotte maar Hasselt, uit die verzameling achterafcrossen van de Soudal Classics.

Waarna Sven Nys – zijn daden zijn groot – een dag later een hele wedstrijd voorop reed en op het laatste zelfs de tot dan redelijk ongenaakbare Wout Van Aert even uit het wiel kletste. En dat in een wereldbeker waar een overwinning veel geld waard is. Dat Brussel het dreigingsniveau maar op 4 houdt, in Vlaanderen-crossland kan het naar 2. Geen zekerheden meer in dit land? Wij hebben er één: Sven Nys kan weer winnen.

In de Gense Zesdoagse ten slotte ontplofte ook niks van belang en wie/wat wel ontplofte was verwacht en halvelings voor de goede verstaanders ook aangekondigd: Iljo Keisse en Michael Morkov op veertien ronden van het einde. Als bij wonder stonden vier topkoppels bij het ingaan van het laatste kwartier op een zakdoek, waarna één allerlaatste krachtinspanning zou beslissen over winst en verlies. (Dat is al jaren het scenario, wat het iets minder wonderlijk en dus verdacht maakt.)

Twee keer op rij hadden de organisatoren Keisse gekoppeld aan een interessante buitenlander, maar zowel Stroetinga als Cavendish schoten te kort op de circusbaan van 166 meter, waardoor Jasper De Buyst twee keer op rij kon winnen en op slag zijn halsmaat ook veranderde (aldus de andere renners). Drie jaar op rij in Het Kuipke geen Keisse, die is opgegroeid om de hoek in het café van zijn vader? Ondenkbaar. Keisse reed weer met een buitenlander, maar deze keer met een goeie. Iljo K. ontplofte waar co-commentator Stan Tourné het aankondigde. Ook dat was een zekerheid: Iljo kwam, ontplofte en won.

Verhaal over sport en terreur in De Morgen van 21 nov 2015

Het einde van de homo ludens

De dag dat terroristen in Parijs een ticket voor een voetbalwedstrijd kochten, verloor de sport zijn onschuld. Is sport, het veilige vermaak van de spelende mens, nu het doelwit van de jihadi’s?

Vooraf toch dit: sport is misschien niet zo onschuldig. Al het slechte in de mens wordt procesmatig versneld op en naast het sportveld: agressie, corruptie, bedrog en ga zo maar door. Het belette de homo ludens – de mens en zijn spel als noodzakelijke voorwaarde voor cultuur, aldus de historicus Johan Huizinga – nooit om de stadions te blijven bezoeken, massaler dan ooit en ook moslims van alle strekkingen.

Of de spelende mens nu aan sterven toe is, blijft een open vraag maar het stadionbezoek zal na 13 november 2015 nooit meer een wandeling naar het al of niet elektronisch draaipoortje zijn. Eerder wordt het een inchecken op een trans-Atlantische vlucht naar de VS. “Wat komt u doen?” Voetbal kijken. “Wat heeft u in uw zakken?” Een toeter. “Heeft u die zelf in uw zakken gestopt?” Neen, mijn zoontje. “Komt u even mee? We gaan u fouilleren.”

De zelfmoordacties aan het Stade de France waren niet de best gelukte aanslag maar daarbij meteen deze bedenking: hadden de terroristen een beetje geweten waarmee ze bezig waren, dan was de ellende niet te overzien geweest. De nabijheid en het besef dat het geen haar had gescheeld of een voetbaltribune ging de lucht in, precies dat maakt ons na Parijs zo bang.

Sport als doelwit omdat het onschuldige burgers samenbrengt op één plek, is niet nieuw maar toch redelijk recent. Als terreur en sport in één adem worden vernoemd, dan komt de aanslag op de Olympische Spelen van München in 1972 op de Israëlische atleten altijd bovenaan de lijst. Beide vinden hun inspiratie in de jihad, en hoewel even verwerpelijk is er een wezenlijk verschil tussen een Joods doelwit willen uitmoorden en een tribune voetbalsupporters opblazen.

Er zijn na München 1972 af en toe aanslagen geweest op en rond sportmanifestaties, maar vaak betrof het teams zoals de cricketploeg van Sri Lanka in maart 2009 (Tamil-Tijgers, acht doden) of de aanval op de Africa Cup van 2010 op de bus van Togo in Angola (FLEC-PM, drie doden). Soms werden de dreigementen mooi van tevoren geuit zodat de sport niet kon doorgaan (de Grand National-paardenrace in 1997, door de IRA) of de bom ontplofte op voorhand (uren voor de clásico Real-Barça in 2002, door de ETA) of er gebeurde niks en de wedstrijd ging gewoon niet door (de Dakar van 2008, Al Qaida).

Atlanta 1996

Het publiek als doelwit dateert van 1996 en de primeur is voor een voormalige Amerikaanse soldaat en explosievenexpert die in het Olympic Park in Atlanta tijdens de Olympische Spelen een rugzak met drie bommen tot ontploffing bracht. Zijn protest betrof de liberalisering van abortus. Gevolg: 2 doden en 120 gewonden. De verzameling van mensen was het doel, niet de sport, want op die locatie werd niet gesport.

Dat veranderde met de Tamil-Tijgers die bij de start van de nieuwjaarsmarathon van Sri Lanka in 2008 een bom opbliezen met twaalf doden (onder wie een minister) en honderd gewonden tot gevolg. En op 15 april 2013 werd in Boston, weer in de VS, opnieuw een marathon getroffen en deze keer waren wel islamfundamentalisten aan het werk. De broers Dzhokhar en Tamerlan Tsarnaev kwamen lang geleden uit Tsjetsjenië. Ze hadden het bommen maken geleerd uit een boekje van Al Qaida in Jemen. Drie doden en 264 gewonden was het resultaat.

Na 9/11 was vliegen minder leuk en minder ontspannen – riem uit, horloge uit en wat al nog niet meer – maar ook het bezoek aan planetaire sportevenementen werd stilaan ook een martelgang. Naarmate de angst wegebde, verminderde ook de goesting om je zonder aanwijsbare reden van alles te laten welgevallen. Al te vaak herhaald: “Zie ik eruit als een terrorist?”

Na München 1972 gingen olympische en andere atletendorpen of -hotels hermetisch dicht. Vreemd genoeg leek de veiligheid altijd iets minder streng bij de WK’s en EK’s voetbal en waren de hotels alvast minder beveiligd. Barcelona 1992 had de primeur van scanmachines voor tassen en rugzakken, maar vanaf de Winterspelen van Salt Lake City 2002 – zes maanden na 11 september – moest iedereen overal en altijd door metaaldetectoren en langs camera’s met de nieuwste software voor gezichtsherkenning. Sotsji 2014 sloeg alle records, maar dat lag dan ook een steenworp verwijderd van broeihaarden als Tsjetsjenië of Dagestan. Er vloog geen lucifertje in brand zonder een politiepeloton in de buurt.

Sporten als de profeet

Maar nu, wat gaan ze nu uitvinden om ons te beveiligen? En wordt sport nu het favoriete doelwit van IS? Hoewel we uit verhalen horen dat het ooit voetbalkijkende of voetbalspelende kwajongens waren, lijken ze niet zo opgezet met de homo ludens, zijn terrassen, zijn optredens en zijn sport en spel.

Aanvankelijk bleef de ergernis van de islam(fundamentalisten) wel onschuldig, en zelfs naïef grappig. Zo zwoeren moslims dat Marco Materazzi in zijn woordenwisseling met de moslim Zinédine Zidane tijdens de finale van het WK van 2006 de profeet zou hebben

Copyright © 2015 gopress. All rights reserverd

beledigd, waarop Zidane hem een kopstoot gaf en werd uitgesloten. Italië won. Later bleek dat de Italiaan hem iets had toegeroepen in de zin van ‘ik wil je shirt niet, maar wel je zus, de hoer’. Zidane bevestigde en sloot vrede, maar op de fora blijft de belediging van de profeet dé enige uitleg.

Wat heeft de islam al of niet met sport? De Amerikaanse site ummahsports.net is gek van sport en af en toe wordt zelfs een lopende vrouw in korte broek afgebeeld. Dat is het liberale uiterste. Volgens de fundamentalistische interpretatie moet sport worden beperkt
tot de favoriete spelletjes/sporten van de profeet: boogschieten, zwemmen en polo of paardrijden. Maar het fundamentalistenparadijs Saudi-Arabië is dan weer gek van voetbal en zag in Londen in 2012 ook de eerste Saudische vrouwelijke olympiër, weliswaar met een hoofddoek. Ze overleefde 81 seconden in de eerste ronde van het judo en werd door de clerus in haar land als een hoer neergezet.

Voetbal is de eerste sport in de islamlanden en bij de uitwassen van de sport – zoals onfatsoenlijk veel geld en mensenhandel – worden geen vragen gesteld. Ze doen er graag aan mee, met investeringen van hun steenrijke sjeiks. Van Grozny over Raqqa tot Mekka kijken ze bovendien massaal. Uit Intel-rapporten blijkt dat bombarderen van IS-locaties het meest kans op slagen heeft tijdens topwedstrijden in de Premier League. Van wijlen Osama bin Laden was geweten dat hij een Arsenal-fan was. Het is niet duidelijk welke voetbalkleuren de kalief Abu Bakr al-Baghdadi draagt onder zijn Abbasidisch zwart. Het zou fijn zijn als we dat wisten, want dan kennen we vandaag zowat het veiligste stadion in de wereld en weten we wanneer we de meeste kans hebben om hem voor zijn tv te vinden.

21-11-2015-De-Morgen-p8-De-dag-dat-de-sport-zijn-onschuld-verloor-Achtergrond–single-web