Achtergrond bij zaak ‘ozondokter’ Mertens in De Morgen 13 maart 2015

De naald als misdaad

Alle sporters in de zaak rond dokter Mertens zochten de grijze zone op. Of ze voor hun ozon, over infusen en naalden tot corticosteroïden worden gestraft, is echter lang niet zeker.

Greg Van Avermaet, Bart Wellens en Tom Meeusen moeten vandaag voor de disciplinaire commissie van de Belgische wielerbond verschijnen. Meer dan waarschijnlijk wordt uitstel verleend. Aanstaande donderdag is het de beurt aan voetballer Karel Geraerts, die voor het Vlaams Dopingtribunaal zijn zaak komt bepleiten. Veldrijder Laurens Sweeck kreeg eerder uitstel tot 12 mei.

Hierboven staan de vijf eerder bekende namen. De Morgen kent alle namen uit het verhoor van dokter Mertens van 13 maart 2013, maar verkiest die niet te publiceren omdat niet duidelijk is of alle gevallen ook een vervolg krijgen voor een dopingrechtbank.

Dokter gaat vrijuit

Hoewel hij mogelijk wordt doorverwezen naar correctionele, lijkt huisarts Chris Mertens op het eerste gezicht weinig te verwijten. Behalve het aanraden van corticosteroïdengebruik aan Greg Van Avermaet – Diprophos, waarvoor de renner een eenvoudig attest kan afleveren – zijn in geen van de dossiers van dokter Mertens dopingproducten in het spel. Mertens was een adept van inspuitingen, dat wel, en er zijn bij hem ook lege spuiten Aranesp (epo van de tweede generatie) gevonden, maar Mertens is nu eenmaal huisarts. Het DNA-onderzoek van gevonden bloedresten en spuiten leverde geen enkele match op met een topsporter.

Het gebruik van ozon (bij Bart Wellens en nog bij heel wat andere sporters) zou voor een sporter wél als dopingpraktijk kunnen worden gekwalificeerd, maar zelfs dat is lang niet zeker (zie verder). En dan is er het spuiten van legale middelen of het toedienen van aminozuren via infuus. Dat is in eerste instantie alleen een dopinginbreuk als te veel wordt ingebracht omdat grote hoeveelheden de bloedwaarden zouden kunnen manipuleren. Voor profwielrenners is er een extra strenge bepaling: als zij spuiten, moeten ze dat melden.

Vaminolact

Hoe zwaar weegt het dossier? Tom Meeusen, Bart Wellens en Greg Van Avermaet zullen een straf moeilijk kunnen ontlopen. Het zal erop aan komen voor de advocaten om in hun pleidooi uit te leggen hoe onschuldig het gebruik wel (niet) verliep.

Bij Meeusen werden in zijn camper infusen Vaminolact en naalden gevonden. Dat kan wijzen op gebruik voor of na een wedstrijd. De Morgen vond in het dossier geen bewijzen van andere producten, maar de geruchtenmolen ziet dat anders.

Vaminolact is geen doping, maar een recuperatiemiddel op basis van aminozuren. Op de gebruiksaanwijzing staat vermeld dat het direct in de bloedbaan moet worden ingebracht. De verdediging van Sweeck en alle andere Vaminolact-gebruikers van dokter Mertens (ongeveer iedereen) zullen aanvoeren dat zij Vaminolact oraal innamen. Uit het pv van het verhoor van dokter Mertens blijkt evenwel dat het vaak gaat om baxters en infusen “zetten”.

Dit wordt al een eerste juridische discussie. Aangezien dopinggebruik niet is bewezen – er is geen positief urine- of bloedstaal – ligt de bewijslast voor kwaad opzet bij het bondsparket. Dat moet dus bewijzen dat er meer dan 50 milliliter is gebruikt, binnen de zes uur.

De meeste klanten van Mertens kregen ook spuiten met ijzer of homeopathische druppels. Spuiten is verboden, maar alleen
voor wielrenners, voor wie de no needle policy van de internationale wielerbond geldt. Dat beleid maakt echter geen deel uit van
de dopingregels van de Internationale Wielerunie UCI of het Werelddopingagentschap WADA, en dus ook niet van de Vlaamse Gemeenschap. De no needle policy valt onder de zogeheten Medical Rules van de UCI en stipuleert dat elke injectie binnen de 24 uur moet worden gemeld.

Het is niet duidelijk of de Vlaamse Gemeenschap kan straffen op basis van die regel. Sowieso zijn de straffen voor no needle geen twee jaar zoals bij doping, maar minimaal acht dagen en maximaal zes maanden en/of een geldboete.

Ozon

Was dokter Mertens niet de ozondokter en hingen niet alle sporters aan zijn (in beslag genomen) Humazontoestel? Neen.

Bovendien zijn er vier verschillende manieren om ozontherapie toe te passen. De verboden manier is het bloed uit het lichaam halen en terug inbrengen “in het circulair systeem” – van ader naar ader, zeg maar. In zijn eerste verhoor legde dokter Mertens meteen uit dat hij zelden de klassieke ozontherapie toepast omwille van het vergiftigingsrisico (ozon is een giftig gas) voor hemzelf. In heel wat mailverkeer tussen de sporter en Mertens komt ook het onderscheid tussen “klein en groot ozon” voor.

Klein ozon wijst wellicht op het inspuiten van ozon vermengd met bloed in een spier. Dat die praktijk courant werd toegepast door dokter Mertens bewijst een eerder wielerdossier waarin de atleet zich door Mertens voor het herstel van een langdurige virale aandoening liet behandelen met ozoninspuitingen in de bil. Dat maakte ook deel uit van het grote ozondossier-Mertens en was blijkbaar een soort testcase, die onder de mediaradar passeerde. De atleet werd op 30 december 2013 door de Belgische wielerbond vrijgesproken.

Het zal er dus voor alle sporters op aan komen om de rechters te overtuigen van het deugdelijk gebruik van ozon, in de bil dus.

Vrij testosteron

Het dossier-Mertens is een schoolvoorbeeld van overmedicalisering maar als dopingdossier staat het bol van de zwakheden. Injecties met ijzer werden zo maar als dopingpraktijk en homeopathische middelen als doping gecatalogeerd. Spuiten die dateren van voor no needle policy (4 mei 2011) werden ook als een inbreuk gezien. Een Powerpoint-presentatie van 2003 over ozon, aangeprezen als een vorm van bloeddoping, en bij Mertens aangetroffen, werd ineens een bewijs van een dopingpraktijk.

E-mails werden geïnterpreteerd als dopingbekentenissen en het vermelden van testosteron als bloedwaarde volstond om verdacht
te zijn. Dat overkwam Karel Geraerts van Sporting Charleroi. Hij en zijn dokter hadden het in hun mails over de bepaling van zijn vrije testosteronwaarde die ‘over vijf dagen’ zou komen. Zowel de politie als blijkbaar ook de Vlaamse Gemeenschap concludeerde daaruit dat hij een testosteronkuur zou krijgen. Tenzij hij andere vergrijpen op zijn kerfstok heeft, wordt het voor Karel Geraerts volgende week de vrijspraak.

Zaak Mertens

Column over CIRC-rapport op demorgen.be van maandag 9 maart 2015

De zin die het dopingrapport niet haalde (maar wel waar is)

 Ik zou een roundupje kunnen maken over de voorlaatste speeldag van de reguliere competitie in het voetbal. Of een ode aan Moses van Gent. Of aan Yves Lampaert. Of aan de Borlées. Maar ik zal het mij makkelijk maken en ik schrijf lekker een column over iets wat ik vandaag in de krant heb: het rapport van de CIRC, de Cycling Independent Reform Commission.

Het kan best dat ik bij het ontbijt vaststel dat ik de enige ben die het heeft, maar evengoed hebben alle collega’s dat rapport al en maak ik mij nergens druk om. Om eerlijk te zijn: ik maak mij er ook niet druk om (maar het zou wel leuk zijn als ik de eerste was), ik ben meer bekommerd dat het allemaal een beetje juist is.

Terwijl ik dit schrijf, loopt het tegen negen uur (op zondagavond) aan en een search naar CIRC op Twitter laat mij vermoeden dat het nog niet bij de Angelsaksische media is. Ze speculeren nog naar de bombshells. Vreemd.

De CIRC dus, de Cycling Independent Reform Commission, de commissie die het dopinggebruik in het wielrennen in kaart wil brengen en oplossingen aanreiken. Ik sta in hun rapport bij de ondervraagden en wel op pagina 227, tussen Damien Ressiot en David Walsh. De ene is van L’Equipe en de andere is van de Sunday Times. Voor alle duidelijkheid: ik heb dat rapport niet omdat ik ben ondervraagd. Hoe het wel in mijn mail is beland, vindt u het erg dat ik dit in het midden laat?

Aangezien dit een column is van bekentenissen: eigenlijk vond ik dat ondervraagd worden een hele eer. Ik bedoel maar: je hebt dan een pil van een boek geschreven over het fenomeen doping – weze het in het Nederlands – en dan zouden ze niet eens de moeite doen om met jou te praten? Dát was pas pijnlijk geweest en ik had al eens neen gezegd, toen de vraag was gekomen van special agent Jeff Novitzky van de Food and Drug Administration. Die zocht naar banden tussen de grote sportbobo’s van deze wereld (Verbruggen, Rogge) en Lance Armstrong en hij was getipt (ik denk door Ressiot) dat ik daar wel iets van kon weten.

Daar wist ik niks van en dat zaakje vertrouwde ik ook voor geen haar en al had ik maar al te graag lange Jeff eens ontmoet, ik heb mij verstopt achter mijn bronnengeheim als journalist. Maar de CIRC was andere koek. We konden ook aanbevelingen doen en ik heb mij twee dagen grondig voorbereid. Op woensdag 7 januari, tussen 14u30 en 15u30, was ik aan de beurt. Uiteindelijk heb ik drie uur later de verbinding verbroken en hebben we het hele dopingspectrum doorlopen.

Ze waren natuurlijk ook op zoek. We waren twee uur ver toen de vraag van één miljoen boven kwamen: “Wat weet u over dokter Gurt Lainders?”

“Geert Leinders?”, zei ik (de voormalige dokter van de Rabo-ploeg, HV), “He’s an okay guy. Nice man. Hij leeft een teruggetrokken leven in het Gentse waar ik hem wel eens zie zitten op een terras maar mij de moeite niet neem om hem aan te spreken. Hij associeert mij sowieso met doping en ik gun hem zijn rust. Hij is ook helemaal niet de dopinggoeroe waar hij wordt voor versleten, maar dat geldt ook voor Michele Ferrari, al wilt u dat natuurlijk niet horen. Al bij al denk ik wel dat Leinders is doorgegaan met het faciliteren of minimaal gedogen van dopingpraktijken, toen veel van zijn collega’s al een tijdje waren gestopt.”

De reactie van de ondervrager? “Hmmm. Interesting.”

Vervolgens werden andere namen van dokters gedropt en wist ik ineens waarom ze mij wilden horen. Al bij al was het een bijzondere ervaring. De mevrouw die mij interviewde en af en toe werd aangemaand om door te vragen door onzichtbare mensen in haar achtergrond, kende haar winkel en dat spreekt iets makkelijker.

Ik weet niet of de rest van mijn verhaal is blijven hangen. Soms denk ik van wel, als ik lees hoe ze de internationale wielerbond UCI prijzen om haar voortrekkersrol in de dopingbestrijding. Ze vroegen ook wat ik vond van Hein Verbruggen. “Fantastisch kerel, mooie momenten mee meegemaakt,” zei ik. “Maar zijn ruzie met WADA-baas Dick Pound is nefast geweest voor de perceptie van het dopingprobleem in het wielrennen en daarbij zijn Verbruggen en het wielrennen toch eerder het slachtoffer.”

Dat zinnetje heeft het rapport niet gehaald, maar dat had ik ook niet verwacht. Het is wel de waarheid, neemt u dat van mij aan.

Verhaal over CIRC-rapport in De Morgen van 9 maart 2015

WAARSCHUWING: WAT U LEEST, PAST MISSCHIEN NIET IN DE HEERSENDE HIJGSFEER ROND DOPING

‘UCI had meer kunnen doen’

De oude internationale wielerbond UCI was te zeer begaan met het imago van de wielersport en de gezondheid van de renners en heeft te weinig gedaan om dopeurs te betrappen. Samengevat in één zin is dit het rapport van de Cycling Independent Reform Commission, dat De Morgen kon inkijken een dag voor het openbaar gemaakt wordt.

2,75 miljoen euro heeft de Cycling Independent Reform Commission (CIRC) gekost en daarvoor heeft ze een rapport afgescheiden van 227 pagina’s, inclusief bijlagen. De berg heeft misschien geen muis gebaard, maar veel scheelt het niet. De verwachte dopingbommen en de ongemakkelijke bevindingen waarop door de zittende UCI-voorzitter Brian Cookson eerder werd gezinspeeld, vallen nogal mee.

Ze staan in elk geval niet in het rapport of het zou het retroactief toelaten van een attest voor het corticosteroïdengebruik van Lance Armstrong moeten zijn. Of misschien is het de vaststelling dat eind vorige eeuw het hele peloton aan de epo zat? Of dat er vandaag nog microdoses epo worden gespoten, maar wel buiten de ploeg om.

Voor een enkeling zal dat opzien baren, maar het rapport had ook als ondergeschikte missie om schuldigen aan te wijzen en die hebben ze gevonden. Als bij toeval wordt afgerekend met Cooksons voorgangers Pat McQuaid (2005-2013) en Hein Verbruggen (1991-2005). Zij lagen dwars bij zijn verkiezing in 2013 en krijgen nu het hele dopingprobleem op hun boterham, maar ook hier weer wordt in het rapport tegelijk koud en warm geblazen. Enerzijds konden Verbruggen en McQuaid veel meer hebben gedaan om het dopingprobleem aan te pakken, maar anderzijds wil het rapport expliciet níét gezegd hebben dat de voorzitters opzettelijk hebben laten betijen. Neen, de leiding van de UCI wilde het probleem beheersbaar houden en wilde liever geen renners betrappen en dat had ze niet moeten doen.

Samengevat: er was geen corruptie aan de top van het wielrennen, maar was de sport beter beheerd en was doping bestreden zoals het moest, dan had het probleem zo geen vlucht genomen.

De executive summary van het rapport komt tot de volgende conclusies.

Niet-bevestigde beschuldigingen van corruptie

De sommen geld die Lance Armstrong aan de UCI doneerde, kunnen niet worden gelinkt aan het verdoezelen van een positieve test in 2001, om de eenvoudige reden dat er in 2001 geen sprake was van een positieve test, zij het wel van verdacht hoge epowaarden.

De aantijging dat Armstrong geld heeft betaald om in 2005 een rapport (het Vrijmanrapport, zie verder) te helpen schrijven, kan niet worden hard gemaakt.

Niet toepassen van de eigen regels

De commissie heeft tot twee keer toe (Laurent Brochard in 1997 en Lance Armstrong in 2001) bewijzen gevonden van achteraf ingediende attesten die het gebruik van een medicament moesten wettigen. Dat werd toegestaan door de toenmalige hoofdgeneesheer van de UCI, de Nederlander Lon Schattenberg. Die wordt verweten dat hij als arts te veel inzat met de gezondheid van de renners, en het opsporen van frauderende sporters als een bijkomstigheid zag.

Een ander verwijt geldt McQuaid, die in 2009 toestond dat Lance Armstrong dertien dagen te vroeg in competitie mocht komen in Australië waarna die toevallig ook zijn deelname aankondigde in de Ronde van Ierland, waarin McQuaid belangen zou hebben gehad.

Voorkeursbehandeling voor Lance Armstrong

De UCI zag Lance Armstrong als de perfecte locomotief om na de doping-Tour van 1998 het imago van de sport op te smukken en de Amerikaanse markt te betreden. De UCI liet na om hem ondanks vermoedens van doping doelgericht te testen om hem te betrappen op dopinggebruik.

Toen Armstrong er in 2005 door L’Equipe van werd beschuldigd in 1999 positieve epostalen te hebben afgeleverd (resultaten van een juridisch waardeloze hertesting lekten uit), koos de UCI de zijde van Armstrong en liet een rapport schrijven door de Nederlandse advocaat Vrijman waarbij die de puur juridische kant van de zaak benaderde en Armstrong vrijpleitte.

(On)deugdelijk bestuur van de internationale wielerbond

De UCI werd door de eerste voorzitter (Hein Verbruggen) geleid op een autocratische manier, zoals nog wel meer bonden, stipuleert het rapport. De UCI was pas opgericht en groeide zeer snel. Er was een manifest gebrek aan transparantie, ook bij de kandidaatstelling van de tweede voorzitter Pat McQuaid bij zijn herverkiezing in 2013.

Het is vrij duidelijk dat dit de hoofdbrok vormt van het rapport: zó slecht waren de vorige twee voorzitters; zo goed doet de zittende voorzitter het nu.

De aanpak van de doping

Ook hier koud en warm. Enerzijds wordt de UCI geprezen om het snel invoeren van nieuwe testmethoden en bijvoorbeeld de voorlopersrol in het bloedpaspoort en wordt expliciet vermeld dat de CIRC niet suggereert dat de dopingpraktijken gebeurden met medeweten van of toegestaan door de UCI-leiding.

Anderzijds had de UCI niet zo bekommerd moeten zijn om het cleane imago van de sport en de gezondheid van de renner (sic). In plaats van het peloton te waarschuwen als er vooruitgang was geboekt in de testing, had ze op jacht moeten gaan.

Het rapport eindigt met een opmerkelijke conclusie: “De eerlijkheid gebiedt ons er op te wijzen dat de UCI meer deed dan andere sportbonden in de strijd tegen doping.”

CIRC1

Column Feyenoord in De Morgen van 7 maart 2015

Feyenoord

Vandaag vijftig jaar geleden begonnen de marsen van Martin Luther King naar Montgomery. Twintig jaar geleden bezocht ik ter voorbereiding van de Olympische Spelen in Atlanta het Martin Luther King Center aldaar en raakte aan de praat met een militante zwarte, die mij de collectieve Belgische historische schuld tegenover donker Afrika wilde aanpraten. Ter vervollediging van het plaatje en niet ter stereotypering, maar wel ter zake doend: hij was onder invloed van het een en ander.

Het toneeltje dreigde te ontsporen toen ik hem bezwoer dat ik – eerlijk waar – onze opeenvolgende King Leopolds níét persoonlijk had gekend. Waarop hij handmatig wilde checken of ik niet wat van dat goud bij had dat “de Belgen van de Congolezen hadden gestolen”.

Ik kon hem samen met een suppoost kalmeren. En hoe we daar toe kwamen, ben ik vergeten, maar we vonden uiteindelijk een consensus in onze gemeenschappelijke passie voor Michael Jordan, die enkele maanden eerder aan een comeback was begonnen. “Sport is de enige plek waar racisme is verdwenen, of toch bijna”, zei de man en ging zich op mijn kosten nog een biertje halen.

Die stelling – geen racisme in sport – spookt nu al twintig jaar door mijn hoofd. Het was wat kort door de bocht, maar er is iets van. Al een kwarteeuw bestaat de hoofdmoot van de top twintig van best betaalde sporters uit zwarten, zonder uitzondering African Americans. Geen enkele industriesector, die ook nog eens voor 99 procent in handen is van blanken, kan dat zeggen. Sport is de ultieme meritocratie, waar loon naar werken (meestal) de regel is. Wie presteert, wordt betaald.

Affirmative action of positieve discriminatie? Nooit van gehoord in de sport. Het ging niet helemaal vanzelf, maar Jackie Robinson was zo goed dat hij in zijn eentje de rassenscheiding in het Amerikaanse baseball wist te slopen. Wie goed is – blank, zwart, anderskleurig, man, vrouw of er tussenin – komt vanzelf bovendrijven en zal dienovereenkomstig worden vergoed. Die simpele economische logica – en niet een of ander mannen- masterplan ter onderdrukking – is ook meteen de voornaamste reden dat vrouwen minder worden betaald dan mannen in de sport.

Tussen de lijnen van het sportveld is racisme een marginaal fenomeen. Her en der wordt nog wel een sporter aangesproken op zijn huidskleur, maar dat wordt gelukkig meteen uitvergroot en gecorrigeerd. Rond de velden tiert racisme wél nog welig en dan denkt u misschien spontaan aan de wedstrijd Feyenoord-AS Roma van vorige week, toen naast de Ivoriaan Gervinho een opblaasbanaan belandde. De wereld sprak schande. Ik ook, want ik herinner mij nog een wedstrijd in onze competitie waar een zwarte speler bij een corner een tros bananen naar zijn hoofd kreeg gegooid.

Ik snapte het niet. Dat Feyenoord en zijn legioen vroeger “Hamas, Hamas, alle Joden aan het gas” en zo hadden geroepen tegen Ajax (de Jodenclub) en Louis van Gaal hadden geschoffeerd nadat zijn vrouw overleden was aan kanker, dat wist ik wel. Tuig van de richel dus, al helemaal nadat ze een historisch monument in Rome tot urinoir hadden gedegradeerd. Maar hadden ze nu ook al iets tegen zwarte voetballers?

Ik riep een ex-collega en Feyenoordfan, die tegenwoordig in Brazilië woont, ter orde en hij voorzag mij van allerlei materiaal. Zoals een artikel over de hype die was ontstaan bij Manchester City aan het eind van de jaren tachtig: het binnensmokkelen van opblaasbaar fruit en andere plastic dingen die je in een stadion makkelijk kon opblazen. Dat had niks met racisme vandoen, maar alles met een tegenbeweging na jaren van extreem supportersgeweld. Zelfs opblaasbare skeletten werden toen in de stalletjes op weg naar het stadion verkocht en opgeblazen in de tribune.

Die hype was jaren geleden overgewaaid naar Rotterdam, naar De Kuip, en Het Legioen blies al jaren vooral bananen maar ook wel andere dingen op en liet die door de lucht zweven, tot jolijt van iedereen die in de buurt was. En jawel, die dingen belanden wel eens in het veld. Deze keer toevallig naast een zwarte voetballer.

De verontwaardigde wereld had zich vergist, inclusief de scheidsrechter, en ik ook. Het is niet zeker of de UEFA dat gelooft.

Feyenoord

Interview Astana-dokter in De Morgen van 7 maart 2015

‘Clean en ongeloofwaardig, dat is ons lot’

Doping is géén hoofdstuk in De Champ Piramide, het boek dat Joost De Maeseneer schreef over wat er nodig is om wielerkampioen te worden en dat hij dinsdag voorstelt. Was de wielerdokter naïef, was hij fout of keek hij de andere kant op toen zijn renners buiten de lijntjes kleurden?

De achtergrond van zijn adreskaartje doet alvast in onschuld: een langgerekt peloton dat zich tegen een blauwe hemel door een idyllisch middengebergte een weg baant. Op zijn site sportdokter. com staat ‘raadplegingen voor sportmedisch- en trainingsadvies enkel op afspraak’, en ‘de dokter begeleidt vanaf 2013 de Kazachse wielerploeg Astana’. De dokter is dus niet veel thuis. Als het straks tegenzit en de internationale wielerunie UCI gooit Astana uit de WorldTour, wordt de praktijk in Balegem misschien opnieuw zijn corebusiness.

“Goed mogelijk. Ik zou de koers missen, maar ik heb die niet nodig om te kunnen leven. Toen ik bij Astana begon, zei ik tegen mijn vrouw: als het mij daar niet aanstaat of ze doen mijn goesting niet, ben ik hier rap terug. Maar ik ben gebleven, omdat ik geloofde in ons project. En nog steeds.”

Heel nobel, maar uw project heeft vijf dopinggevallen gehad in één jaar tijd.

“En dan klinkt het vreemd als ik zeg: wij hebben ons niks te verwijten. Ons systeem is zo waterdicht als mogelijk. De broers Iglinksi (allebei betrapt op epo, HV) hebben wij perfect begeleid en alles gegeven wat ze nodig hadden. Ze hebben buiten de ploeg om geknoeid en komen er nooit meer in. Vinokoerov was onverbiddelijk. Maksim Iglinski was dan nog een goede vriend van hem. “Ik ben verraden”, zei hij mij.

“Die jeugdrenners uit het jongerenproject, sorry, maar hoe verwerpelijk ik dat ook vind, dat is niet onze verantwoordelijkheid. Ook daar is van alles fout gegaan, buiten onze wil om. Men heeft vervolgens alles op een hoop gegooid en daar nog wat onzin bij verteld, zoals dat dokter Ferrari in ons hotel was in november tijdens de eerste ploegbijeenkomst. Ik heb daar nota bene gepreekt over ons dopingprogramma en Ferrari was daar ook? Op den duur twijfel je aan alles en ik heb ‘Vino’ gevraagd of dat waar was. Indien wel, was ik meteen opgestapt. Vinokoerov zei: ‘Ils sont fous.’ En ik geloof hem.” Vinokoerov, de dopingzondaar die achteraf enkele wedstrijden heeft gekocht.

“Dat laatste is voor uw rekening. Dat Vinokoerov voor doping is gestraft, weet ik. En dat heeft meegespeeld om eerst niet in te gaan op zijn aanbieding. Vervolgens ben ik gevraagd om toch met hem te praten en hij heeft indruk gemaakt op mij. Neen, je begint dan niet meteen over zijn verleden, want daar is de koers niet klaar voor. Je probeert duidelijke afspraken te maken en vóór mij zat iemand die het ongelooflijk goed meende en die mij carte blanche gaf om de medische begeleiding perfect te organiseren.

“Wij hebben vier artsen. Drie van hen hebben elk tien renners die ze van nabij moeten opvolgen. Alles wordt aan mij gerapporteerd en ik speel alles door naar de sportieve cel. We hebben voor volgend seizoen een nieuwe dokter, Emilio Magni, speciaal voor Vincenzo Nibali en die zal samen met mij de Tour doen. Natuurlijk weet je niet wat een renner in Colombia uitsteekt, maar we volgen alles zo van nabij dat we de minste afwijking zien.”

U kan het uitleggen zo lang u wil...

“…Ik weet het, we hebben de perceptie tegen. Vinokoerov heeft de perceptie tegen en ik ben niet geloofwaardig zoals ik dat hier allemaal zeg. Clean én ongeloofwaardig, dat is ons lot. Ons imago is stuk en het zal lang duren voor we dat weer op orde krijgen. Dat is vooral jammer voor Vinokoerov, want ik geloof in zijn goede bedoelingen.

“Ik ben bovendien de dokter die twee keer een belangengroepering van wielerartsen op poten heeft gezet en die binnen de Mouvement Pour un Cyclisme Crédible (MPCC) werd aangeduid om de dokters te vertegenwoordigen. In die laatste hoedanigheid heb ik mij teruggetrokken, want dat was problematisch geworden.”

U kwam in het peloton op het slechtst denkbare moment, in 1998, het jaar van het Festinaschandaal. Nog geen spijt van?

“Neen, omdat ik altijd weloverwogen keuzes heb gemaakt en recht in mijn schoenen sta. In 1985 heb ik al de renners van Panasonic getest, maar buiten de ploeg. In 1988 was ik op de voorstelling van een ploeg toen ik werd aangekondigd samen met nog een andere dokter. Ik wist niet van die andere dokter, maar ik wist wel dat wij niet met gelijke wapens streden, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik ben in mijn auto gestapt en nooit teruggekeerd bij die ploeg. Die dokter is gebleven.

“Nog iets later kon ik ook bij TVM beginnen, maar daar waren de meeste renners klant bij nog een andere dokter van wie ik wist dat hij het anders aanpakte dan ik. Ik ben weer niet gegaan.

“Idem bij PDM dat net het Intralipid-schandaal achter de rug had. Heb ik ook niet gedaan, hoewel ze in één onderhandeling het bedrag verdubbelden. Ze wilden een goed imago, maar ik trapte daar niet in. Ondertussen was ik begonnen bij de wielerbond met het opzetten van een medische structuur in alle provincies, vooral voor testing, In West-Vlaanderen had ik bijvoorbeeld Dag Van Elslande (later ploegarts bij US Postal, HV) gerekruteerd.

“Pas in 1998 heb ik de stap gezet, op vraag van Jesper Skibby, een goede maat van mij, ook niet onbesproken en later zelfs betrapt. Op een dag vroeg ik hem: ‘Je krijgt niks van mij, waarom kom je hier nog?’ ‘Omdat jij de enige bent die mij wat in toom kan houden’, was zijn antwoord.

“Jack and Jones, een klein Deens ploegje, was mijn eerste echt baan in het peloton, samen met mijn associé Piet De Moor. Ze wilden het clean doen en we hadden net de Festina-Tour gehad: gedaan met dokters op ronde met hun valiesjes met daarin het spul. Maar laat dit niet als een verwijt klinken, want ik heb begrip voor de onmogelijke situatie waarin sommige van mijn collega’s jaren hebben moeten werken. Festina ’98 is een geluk geweest, ook voor hen.”

Heeft u daar ooit met uw collega’s over gepraat?

“Alleen met Eric Rijckaert (de overleden Festina-arts, HV). Hij wilde het gedogen en begeleiden, op een ethische manier, maar ik geloofde daar niet in. Nu, epo is niet gestopt na 1998 en toen ik het peloton kwam, deed ik net als al die andere artsen: ’s ochtends met de centrifuge het hematocriet controleren om te kijken of ze niet te ver waren gegaan. En sakkeren.”

U kreeg later bij CSC Bjarne Riis als manager.

“Toen vermoedden Piet en ik dat ons rijk wel uit zou zijn, omdat hij zijn Italiaanse artsen zou meebrengen. Maar hij wilde een gesprek met ons. Dat was in Balegem en na dat gesprek dachten Piet en ik dat we met de cleanste renner aller tijden te maken hadden. We hebben ook met hem nooit over zijn verleden gesproken. Dat was onze rol niet en dat deed de Deense pers al genoeg.

“Los van alles is Riis de beste manager met wie ik ooit heb gewerkt. De man heeft heel veel te bieden in zijn visie op sport en wat doping betreft. Hij heeft ons nooit onder druk gezet om iets te doen. Toen we diplomatisch meldden aan Bjarne dat in het peloton aan bloeddoping werd gedaan, was zijn antwoord dat we in onze ploeg nooit problemen zouden hebben.”

Misschien niet, maar er gebeurde wel ‘iets’. Was u een naïeve, slechte dokter of keek u de andere kant op?

“Dat we af en toe de andere kant hebben opgekeken, kan ik niet ontkennen. Zo hypocriet wil ik niet zijn. Als je vermoedt dat iemand foefelt, zit het wielrennen niet zo in elkaar dat je die bij het ontbijt even ter orde roept. Het enige wat ik hen zei, was dat ze mij niet moesten betrekken in het hoe en waarom van hun vuiligheid want dat ik het liever niet wist.

“U zal mij misschien niet geloven, maar hoe ingrijpend een transfusie ook is, ik heb daar nooit iets van gemerkt. Zijn we er actief naar op zoek gegaan? Neen, ook niet. Maar als er al een systeem was voor die transfusies, werd dat buiten de ploeg georganiseerd.

“We hebben natuurlijk wel zware gevallen gehad in onze ploeg: Rasmussen, Basso, Hamilton, allemaal later tegen de lamp gelopen. Op die namen wordt gefocust. Na de epotest van 2001 beperkten bloedtransfusies zich toch tot enkelingen, in tegenstelling tot epo dat echt massaal werd gebruikt tot 2001.”

Nooit één moment gehad dat u er geen zin meer in had?

“Op een avond kregen Piet en ik te horen dat Jan Ullrich naar onze ploeg zou komen. We waren daar zo van onder de indruk dat we onze ontslagbrief de volgende ochtend hebben opgestuurd. Daarop kregen we telefoon: er waren toch nooit problemen geweest, ze hadden toch naar ons geluisterd, enzovoort… We hebben ons laten ompraten om te blijven. Gelukkig is Ulrich uiteindelijk ook nooit bij ons gekomen.

“We hebben Bjarne Riis ook één keer voor de keuze gesteld: hij of wij. De naam van de renner doet er niet toe, maar die was bij ons gekomen en hij had ons gezegd: ‘Jullie gaan mij hier geven wat ik zeg dat jullie mij moeten geven, begrepen?’ En dat ging over doping. Die renner is uiteindelijk vertrokken en ik heb de ploegarts en de ploeg waar hij naartoe ging gewaarschuwd. Een tijd later begon hij daar inderdaad prijzen te rijden en ik vroeg aan zijn nieuwe ploeg hoe het zat. “Een tijdbom”, zegden ze, “maar zolang de bom niet afgaat…” Zo redeneren sommige ploegen. Die bom is later ontploft, bij diezelfde ploeg.”

Verwacht u nog een Nibali-bom?

“Ik steek mijn hand voor niemand in het vuur, maar van Vincenzo Nibali zou mij dat zeer verwonderen, Ten eerste omdat hij zo rustig is. Renners die iets uitspoken, zijn veel gejaagder. In de Tour van vorig jaar is hij dertig keer gecontroleerd en heeft dat altijd sereen doorstaan. Ten tweede, omdat ik weet wat hij kan. Ten derde omdat ik ook weet wat hij er aan heeft gedaan, op mijn aanraden. Ik win geen koersen, maar ik heb Nibali wel op het juiste spoor gezet.

“Eigenlijk staat Nibali vaak te zwaar om tegen Contador en Froome te koersen. Zelfs nog in de Dauphiné vorig jaar. Maar daarna is hij met zijn trainer op stage vertrokken en toen ik zijn vet mat net voor de Tour wist ik dat hij eindelijk juist zat. En hij won. Hij heeft trouwens verschillende keren tijdens die Tour gezegd dat ik hem wat dat betreft altijd achter de veren zat.”

U heeft met uw ploeg tegen Armstrong gekoerst. Gelooft u dat hij zijn laatste Tours heeft gewonnen op één bloedzakje?

“Natuurlijk. En misschien had hij zelfs dat niet nodig en ook geen microdoses epo. Armstrong was een superkampioen. Ik ben zeker dat hij mits een goede begeleiding ook zonder die vuiligheid had gewonnen. Alleen, één keer ze te ver zijn gegaan, denken ze dat ze niet meer zonder kunnen. Maar vandaag is doping geen item meer zoals tien en twintig jaar geleden. Gelukkig. Een renner die ook maar iets suggereert, krijg meteen zijn C4, ook bij ons.”

De Champ Piramide van dokter Joost De Maeseneer verschijnt eerstdaags bij Houtekiet (19,99 euro).

Joost De Maeseneer

Column over affaire Mertens in De Morgen van 2 maart 2015

De slinger in dopingbestrijding lijkt doorgeslagen, maar de renners wisten hem hangen

Waarschuwing vooraf: niet alles geloven wat de komende weken en wellicht maanden zal verschijnen in de zaak rond dokter Chris Mertens uit Rotselaar. Ook wat hieronder staat, is voor een deel speculatie en voor een ander deel een onvolledige puzzel. U weze dubbel gewaarschuwd: elke bron achter elk verhaal heeft zijn eigen agenda om het onderzoek de ene keer in een kwaad en de andere keer in een goed daglicht te stellen.

Toen P-Magazine een enquête hield over de start van het seizoen, was één van de vragen of Greg Van Avermaet zou beginnen winnen. Ik antwoordde neen en moest dat gelukkig niet toelichten. Ik wist dat Van Avermaet de grote naam was in die affaire en Van Avermaet wist dat ook. Zijn ploeg had het ook al te horen gekregen, maar niet van de renner (voor zover ik weet). Een onderzoek als dit is niet bevorderlijk voor de mentale rust van een topatleet en deze jongen is net iets te lief om dit te kunnen behappen.

Een andere vraag luidde: denkt u dat doping dit seizoen zal beheersen? Ik antwoordde neen, en daar sta ik nog steeds achter. Wat deze renners en eventueel andere atleten hebben uitgevreten bij dokter Mertens valt eerder onder de noemer stom knoeiwerk dan doping, al is dat is een geheel eigen waardering. Ook als ze juridisch een overtreding hebben begaan – en met hun volle verstand – dan nog is het toedienen van aminozuren per infuus geen doping, ook al kan het als een dopingvergrijp worden beschouwd.

Dat heeft te maken met twee dingen. Ten eerste het verleden: een renner die zich vijftien jaar geleden tot een infuus met aminozuren beperkte was bewonderenswaardig of naïef, maar toch vooral naïef. En alvast clean. Ten tweede: de meeste andere sporters mogen wel aan de naald van hun sportbond, tenzij op de Olympische Spelen waar de no needle policy ook van kracht is.

De no needle policy zegt dat geen naalden mogen worden gebruikt tenzij na goedkeuring van de dopingautoriteiten. Rond die bepaling draait alles in dit dossier. Welke producten precies zijn gebruikt, weten we niet. Of de dokter echt iets te verwijten valt op correctioneel vlak, wil ik nog wel eens zien. De no needle policy is niet meer of niet minder dan een oekaze van een Zwitserse privé-organisatie (de internationale wielerbond) die beweert dat iedereen die op twee wielen rijdt van naalden af moet blijven. De no needle policy is een bepaling die vooral de renners aanbelangt en eventueel de ploegen en hun medisch personeel, maar niet de huisarts in Rotselaar.

Aanvankelijk ging het om ozontherapie en laat daar geen twijfel over bestaan, ook dat is geen doping (in de betekenis van prestatiebevorderend), maar wel een dopingvergrijp. Later kwamen we weten dat er ‘andere dingen’ in het spel waren. Wat dan wel? Geen antwoord. Gaat het alleen over aminozuren? Geen antwoord. Infusen, dat wisten we snel en infusen zijn verdacht, dat weten we ook, want ze kunnen worden gebruikt om het bloed te manipuleren. Wie infusen in zijn camper zou hebben en daar ook naalden zou hebben laten rondslingeren – zoals in één dossier wel eens te beluisteren valt – moet al van goeden huize komen om uit te leggen dat hij niet van slechte wil was.

Het onderzoek naar de renners is afgerond en beetje bij beetje zullen we te weten komen wat hen ten laste wordt gelegd. Ik heb geen voorkeur: streng straffen of niet. Ik stel mij wel vragen: wat heeft een renner uit Oost-Vlaanderen helemaal voorbij de Brusselse ring tot in Rotselaar bij een sportarts te zoeken? Waarom moet het nog allemaal langs de aders gaan? Zijn ze dan nog niet geleerd? Benieuwd wat er nog allemaal boven komt.

Eddy Planckaert vond eergisteren dat de wielerbond zijn eigen sport vermoordt. Iemand moet hem dringend met een teletijdmachine vooruitflitsen. De KBWB moet doen wat de dopingbepalingen opleggen en onderzoeken, vervolgen en eventueel vonnissen. Doet ze dat niet dan kan ze kiezen: het uitvechten tegen de UCI, het WADA en de Vlaamse overheid of alledrie tegelijk.

Natuurlijk is de slinger doorgeslagen in de dopingbestrijding, maar dat heeft zo zijn redenen. De slinger sloeg tien, vijftien en twintig jaar geleden nog verder door, de andere kant op. De renners van vandaag wisten waar deze slinger hing. Wie er dan gaat onder staan moet niet verwonderd zijn dat hij tegen zijn kop krijgt. Er zullen straffen vallen en er zal vermoorde onschuld worden uitgeschreeuwd, dat is het enige wat we nu al zeker weten.

Column Jihadi-Sidonie (E3 affiche) in De Morgen van zat 28 feb 2015

Jihadi-Sidonie

Is wielrennen machistisch? Dat vroeg van de week een bloedmooie en helaas veel jongere collega (tsjing, min 10 op de feministische meetlat). Dat was naar aanleiding van de billenaffiche van de E3 Prijs Harelbeke. Jawel, wielrennen is machistisch en seksistisch want wielrennen is Vlaams.

Vlaanderen is bekrompen en wielrennen is bekrompenheid op wielen. In de koers moeten vrouwen niet te veel praatjes verkopen. Buiten de koers ook niet. Vrouwen in de koers hebben een dienende rol: de drankpullen klaarmaken, de boterhammekes smeren voor onderweg en de taartjes verpakken, ook voor onderweg.

Buiten de koers staan ze aan de kant, kijken langs het parcours of thuis naar de televisie. Vijfennegentig procent van de vrouwen in de koers vallen onder de noemer groupies. In de vele Belgische wielerbonden heeft geen enkele vrouw een bestuursfunctie met ook maar een schijn van macht. Is het plaatje duidelijk?

Het is mij een raadsel wat al die vrouwen in die wielrenners zien. De mooie benen? Die hebben ze. Hun mooie kont? In die fluopampers valt dat toch dik tegen en op die koersschoenen lopen ze met hun opgevulde poep achteruitgestoken als Charlie Chaplins. Een wielrenner in wielerkledij is geen zicht. Een wielrenster in wielerkledij ook niet, voor alle duidelijkheid.

Het machisme van de koers is omgekeerd evenredig met het belang dat aan vrouwenwielrennen wordt gehecht. In mijn bobo-jaren was ik een groot voorstander van vrouwenkoers en nu nog, maar als mannenkoers soms saai is, dan moet u eens naar vrouwenkoers gaan kijken: gras zien groeien is spannender. Soms hebben vrouwen (in de sport) het aan zichzelf te danken dat geen kat of geen vent naar hen kijkt.

Ik sta wel in dubio over de E3-affiche. Aanvankelijk vond ik het veel gedoe om niks en ik feliciteerde een andere collega – de ook al mooie en begaafde en niet zo heel veel jongere wielertoeriste Joyce Verdonck van Radio2 (tsjing, min 20 op de feministische meetlat) – met haar no-nonsensebenadering. Joyce zag het probleem niet. Het was een mooie kont en het was niet die van haar (zei ze zelf), waarin ik een beetje afgunst vermoedde. En ze vond het ook hypocriet van vrouwen om enerzijds massaal naar Vijftig tinten te gaan kijken en daar geen klacht tegen in te dienen, maar wél tegen de billenaffiche zoals het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen had gedaan.

Het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, nooit eerder van gehoord. Alleen de naam al. Wat ik mij daar spontaan bij voorstel, is een jihadi-Sidonie die klaarstaat met een lang mes om elke afvallige die tegen haar vrouwensharia zondigt de piemel af te snijden (tsjing, min 100).

En dan las ik Marijn de Vries, een profwielrenster en een kennis met wie ik al eens heb gepraat over het gebrek aan aandacht voor haar sport. Haar argument tégen – de verheerlijking van aanranding, met name dat vervelende handje van Sagan – kon ik ook bijtreden. Bij nader inzien is het een al te seksistisch beeld en drie jaar na elkaar vrouwen op een affiche is van het goede te veel.

Maar Marijn de Vries vindt ze wel kunnen: de bloemenmeisjes die hun kont achteruit en borsten vooruit steken en bij vriestemperaturen in diepe decolletés of korte zomerjurkjes op een podium worden gejaagd om daar de renner af te likken. Hoort bij het toneeltje, zei ze. Sorry meisje (tsjing, min 200), ik vind dat juist niet kunnen. Waren er geen bloemenmeisjes of podiummissen, dan had Sagan in de ballen van bondsvoorzitter Tom Van Damme moeten knijpen, waarmee die zijn nut ook een keertje was bewezen. Dan had je hem op de affiche gehad en ging het nu misschien over de koers.

Is wielrennen de enige machistische sport? Welneen. Formule 1 heeft ook podiummissen en zelfs pitspoezen. En wat dan te denken van het volleybal? Op de bekerfinale vorige week wezen bruingebrande, halfnaakte testo-chippendales tussen elke set van de vrouwenfinale met bordjes het nummertje van de set aan. De man uitgebuit, geframed als stereotiep sekssymbool. Komt in opstand tegen deze schande!

Ik vraag, neen ik eis dat de ayatollahs van het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen ook deze zaak onderzoeken.

JIHADI-SIDONIE

Interview de laatste (Walter) Planckaert in De Morgen van 28 feb 2015

‘Stoppen lukt me maar niet’

Meer dan een halve eeuw reden er Planckaerts in het profpeloton, soms met drie tegelijk. Vandaag in Gent-Gent stuurt ploegleider van het jaar Walter Planckaert (66) de volgwagen van Topsport Vlaanderen-Baloise. ‘Ik kijk ernaar uit om met de nieuwe mannekes te werken.’

Het begin

“Mijn broer Willy koerste en reed met de fiets naar de koers. Wij reden mee, supporters en familie, soms met veertig man. Je rijdt goed, zeiden ze tegen mij, je moet ook eens koersen. Daar had ik geen zin in. Ik rookte een pakje per dag: Zemir. Ik haalde de filter van een sigaret en bond die met een blaadje aan een tweede, om een extra lange te hebben. Ik dronk ook liever pinten in het supporterscafé van mijn broer. Vijf frank in de jukebox gooien, dat was mijn sport.

“Op een dag heb ik toch een koerske gereden op een fiets van Willy en ik werd gedubbeld. ‘Ziede nu hoe goed ik ben?’, zei ik, maar ze bleven zagen en bij de juniores heb ik een licentie gevraagd en ik was vertrokken. In mijn laatste jaar liefhebber won ik 22 koersen en werd ik 18 keer tweede. In mijn derde jaar prof won ik de Amstel Gold Race; als coureur van het concurrerend bier Watneys, tegen hun Zoetemelk in de spurt, daar konden de Nederlanders niet mee lachen. Mijn eerste vier jaar als prof ging ik in de winter werken: na Lombardije reed ik twee jaar lang mazout uit met de camion en daarna heb ik nog twee jaar gelast in een serrebedrijf.

“Rik Van Looy en Eddy Merckx, tegen allebei heb ik nog gekoerst en van allebei weleens gewonnen, maar Van Looy was al op zijn retour toen ik hem in mijn eerste profjaar in Laarne klopte in de sprint voor de zesde plaats. Hij heeft mij scheef bekeken zoals hij dat alleen kon. Eddy was de beste. Die reed rap bergop om je eraf te krijgen. Als dat niet lukte, ook rap bergaf en desnoods ook rap op het vlakke. Zijn laatste jaar bij C&A reed ik in zijn ploeg. Het was op bij Eddy, dat was eraan te zien en wij voelden dat hij zou stoppen. Die laatste koers in Kemzeke, daar was ik bij. Eddy is later mijn fietsensponsor geworden.”

Het einde (x3)

“Na Parijs-Tours van 1985 vroeg Peter Post mij of ik geen ploegleider wilde worden bij onze ploeg, Panasonic. Probleem: ik moest dat stilhouden voor iedereen en dus ook voor mijn eigen broer Eddy die in onze ploeg reed.

“Ik trainde die winter minder en Eddy vond het vreemd. ‘Ge zit gij niet meer op uwe velo?’ Toch wel, zei ik, ik heb een speciaal, geheim toestel van de ploeg boven en daar train ik op om een betere tijdrijder te worden. Ik wil de prologen winnen en als het lukt, krijg jij het en win je zeker de proloog van de Tour. Eddy was gerustgesteld en op de ploegvoorstelling later viel hij vreselijk uit de lucht toen Post mij als nieuwe ploegleider voorstelde.

“In 1995 ben ik een jaar uit het peloton geweest. Ik kon dat jaar goed gebruiken, want ik heb dan dat huis hier verbouwd. Een jaar geen koers kwam net op tijd. Bij Post was ik dag en nacht bezig – met hotels, met tickets, alles deed ik – en altijd was ik weg, altijd in hotels. Op het laatst kwamen de muren op mij af.

“Na 2003 heb ik nog eens een jaar zonder ploeg gezeten. Ik zat bij Lotto en mijn collega-ploegleider was Claude Criquielion. Die was ziekelijk jaloers op mij en heeft mij de schuld gegeven voor verlies in wedstrijden waar ik niet eens ploegleider was. Ik heb Marc Sergeant gezegd dat het niet meer hoefde voor mij. Dat jaar werd ik wel bijna gek thuis en zat ik met een maagzweer door al die ellende.

“Tja, Criquielion… we hebben later nog wel eens goeiedag gezegd, maar zo oneerlijk, zo liegen, zo vals, daar kan ik niet tegen. Wat hem is overkomen (hij overleed vorig week aan een herseninfarct, HV) wens je je ergste vijand niet toe. Hij mocht van mij honderd jaar zijn geworden, maar ik ben niet naar de begrafenis geweest.

“Ik ben pensioengerechtigd, maar ik kan niet stoppen. Als ik zaterdag niet zou moeten werken? Dan zou ik voor de tv zitten en mij af en toe ergeren aan de commentaar van Wuyts. Als die begint met zijn tien kilometerregel, dat een peloton op de vluchters een minuut per tien kilometer kan goedmaken, dan krijg ik het. Als een peloton echt wil, rijdt het een minuut per dríé kilometer dicht, verdorie.”

De Planckaerts I

“Dat ras, zei Patrick Lefevere ooit eens over ons, omdat hij nijdig was op Jo (de zoon van Willy, HV) en vooral Willy was toen heel erg kwaad. Het was gemeen. Wij waren een gezin van bescheiden komaf, dat heel veel pech heeft gekend.

“Het ergste wat ons ooit overkwam, was dat auto-ongeval in Kruishoutem: in de zomer van 1964 reden vader en moeder samen
met twee kinderen frontaal in op een tegenligger. Maanden lagen ma en pa in het ziekenhuis. Kort daarna reed Willy tijdens een kermiskoers op een bieruitzetter en lag ook met breuken in het ziekenhuis in Deinze, waar ma en pa al lagen. En daarna reed ik in op een ijskar, ook in Kruishoutem en ook ik belandde in Deinze. Alle vier lagen we in hetzelfde ziekenhuis, alle vier door een ongeval in Kruishoutem. Van een noodlot gesproken.

“Terwijl ik daar lag, is mijn vader gestorven van dat ongeval en dat was een zware klap voor het gezin. We hadden het niet breed, maar wie bij ons over de vloer kwam, was welkom. Eddy’s grootste concurrent, de Australiër Allan Peiper, hebben we in huis genomen omdat hij geen leven had waar hij woonde. Hij sliep in Eddy’s bed en at mee met ons. We hadden er een broere bij.”

De Planckaerts II

“Ze zegden dat we luiaards waren. Niets van, maar we waren wel speciaal. Willy was een raspaard, Eddy was een koerspaard, ik was een boerenpaard. Dat zei moeder Gusta over ons. Willy en Eddy hadden twee weken training nodig om in vorm te geraken. Nu rijdt Willy elke dag, zelfs op nieuwjaardag is hij gaan rijden, maar toen hij nog coureur was en het regende, zei hij: het zal voor van den achternoene zijn. Hij heeft wel tot zijn 44ste in het profpeloton gereden.

“Ik moest veel kilometers doen. Ik trainde altijd, bij regen en ook bij min elf als mijn ogen dichtvroren en als ik na de training verging van de pijn toen ik bij de stoof mijn geweetwel-hier-van-onder (wijst tussen zijn benen, HV) moest ontdooien. Wij reden op training altijd rap, zo rap als in koers of nog rapper. Ik heb ook nooit meer dan 140 kilometer getraind. Als we met een klein groepje waren, een man of vier, reden we elk een kilometer op kop, volle gas van kilometerpaal naar kilometerpaal.

“Frans Verbeeck heeft mij leren hard trainen. Die reed altijd volle bak. Twee keer per week moesten wij naar het meer van Keerbergen komen om daar rondjes van vijf kilometer te draaien. Wij haalden daar gemiddelden van 45 per uur, op training. Frans was een halve zot als het op trainen aankwam. Hij is nu onze kledijsponsor.”

De Planckaerts III

“We hebben ooit alledrie samen gekoerst, Willy, Eddy en ik bij Mini Flat-V.D.B.. Willy was einde carrière toen Eddy begon, maar we hebben samen in Eddy’s eerste profkoers hier in Nevele gereden. Later ben ik Eddy’s meesterknecht en wegkapitein geworden en daarna ploegleider.

“Neen, het is niet altijd koek en ei geweest tussen de Planckaerts. Op een dag kregen Willy en ik van Rik Van Looy en Staf Janssens (oprichter van IJsboerke, HV) een contract om bij IJsboerke te rijden: 1,2 miljoen frank (30.000 euro, HV) per jaar, maar thuis zagen we dat ze zich hadden vergist. Het bedrag hadden ze per maand ingevuld en dat was netjes ondertekend. Wij zouden dus twee jaar lang elke maand een jaarloon uitbetaald krijgen.

“Van Looy is die avond nog naar hier gereden om dat te regelen. Ik zag toen een mogelijkheid om toch bij Maes-Watneys te blijven, want ik had spijt, maar Willy vertrok naar IJsboerke. Staf Janssens vond dat ik woordbreuk had gepleegd en Willy heeft dan van zijn ploeg op mijn wiel moeten rijden.

“Willy en ik hebben het daar nooit meer over gehad, we zijn niet zoveel van zeggen bij de Planckaerts. Willy is mijn buur rechts en mijn zus woont links. Wij zien elkaar haast nooit en er zit echt geen haar in de boter. In de zomer, ja, als we toevallig samen buiten zijn, lopen we eens naast de deur binnen voor een potje koffie en met nieuwjaar gaan we ook altijd.

“Eddy en ik hadden een heel bijzondere band, tot hij met zijn docusoap begon. Ik ben in de val gelokt door een van die boekses om iets te zeggen over Stephanie die nogal vroeg moeder was geworden en daar een boek over geschreven had. Ik zei toen dat ze haar boek beter Papa, ik schaam mij had genoemd. Dat was verkeerd van mij, maar ik had dat langs mijn neus weg gezegd na twee uur doorpraten over de koers en uitgerekend dat stond op de eerste bladzijde.

“We hebben daarna een tijd niet tegen elkaar gesproken en op al de volgende feesten ben ik niet geweest. Maar toen Stephanie haar kindje veel te vroeg werd geboren, heb ik wel elke avond gebeden.

“Op een dag waren Eddy en ik samen uitgenodigd in Genval voor een tv-uitzending en toen zijn we beginnen praten en zijn we in elkaars armen geëindigd. ‘Dat mag nooit meer gebeuren’, hebben we gezegd en nu gaat het goed, We zien elkaar niet veel, maar wij gaan af en toe naar zijn chambre d’hôtes in Lesterny. Dat draait daar formidabel. Hij heeft nu een vierkantshoeve gekocht om op te knappen. Ik ben blij voor Eddy.”

Ronde van Vlaanderen 1976

“Hier staat of hangt niet veel van de koers. Ik heb het meeste weggegeven. Daar staat mijn Trofee Stan Ockers. Die kreeg je destijds als bergkoning van de Waalse Pijl. Jawel, ik, 1m76 en 76 kilo, was op al die achttien bergjes tesamen als beste boven gekomen. Toen was de Waalse Pijl nog zwaarder dan Luik-Bastenaken-Luik, hè. Dat is een trofee die ik koester.

“Mijn trofee van ploegleider van het jaar 2014 staat daar naast de tv. Ik was ontroerd, ook omdat mijn vrouw en mijn dochter erbij waren en het applaus maar bleef duren. Achteraf hoorde ik ook dat de meeste Franstalige journalisten op mij hadden gestemd, en dat voor een ploeg van de Vlaamse regering.

“En ik heb twee foto’s hangen in mijn inkomhal. Uiteraard mijn Touroverwinning van 1978 aan de Heizel, een sprint bergop, dat kon ik als geen ander. En de andere is de Ronde van Vlaanderen van 1976 waar veel over gezegd en geschreven is.

“Natuurlijk had ik ook gewonnen van Freddy Maertens en Roger De Vlaeminck als die niet naar elkaar hadden gekeken. Ik was niet te kloppen die dag, dat voelde ik. Roger heeft daar achteraf wat raar over gedaan, maar Roger kon niet goed tegen zijn verlies. De andere was nooit beter. Afgezien daarvan was er maar één echt beter dan Roger en dat was Eddy Merckx. Wat ik Roger heb zien doen… Grote klasbak.”

Ploegleider-opleider

“Topsport Vlaanderen-Baloise, mijn ploegje, is een schoon ploegje dat Christophe Sercu en ik helemaal hebben opgebouwd. Christophe moest een jaar na mij ook weg bij Lotto en samen hebben we hier een beetje revanche genomen, zo voel ik het toch aan.

“Wij hebben geen geld voor grote renners, onze jongens krijgen een ‘gesco’ van de overheid (gesubsidieerd contractueel statuut, HV), ik ook trouwens. De grote klim- en rondetalenten zullen niet eerst naar ons komen en de tijdrijders met de grote motor ook niet, maar elk jaar pikken wij talenten op die de anderen laten liggen en die wij ontwikkelen en afleveren als prof. Dit jaar weeral zes.

“Ik weet wat Lefevere bedoelt als hij zegt dat ik de talenten niet naar hem wil sturen. Ik dacht dat Yves Lampaert beter bij Trek zou zitten, maar hij ging naar Etixx-Quick Step. Maar dat Lefevere zoiets koppelt aan die Kuurne-Brussel-Kuurne van 1978 die ik niet zou hebben verteerd omdat hij toen zou hebben gewonnen van mij? Eén: hij heeft niet gewonnen, want om te winnen moet je als eerste over de meet komen. Twee: hij heeft gewonnen voor de groene tafel, terwijl later is gebleken dat ik juist wél de goeie weg heb gevolgd, maar toen was het al te laat.

“Lefevere is een rare: ik krijg die trofee van ploegleider van het jaar en de hele avond zie of hoor ik hem niet. Later, op de Zesdaagse aan de champagnebar, komt hij wel, begint een hele litanie af te steken over iets anders en zegt op het laatst: o ja, proficiat hè.

“Elk jaar kijk ik ernaar uit om met de nieuwe mannekes bij ons te werken en ze in de ploeg te kneden. Ik ben nu een beetje de onderwijzer die ik ooit wilde, maar nooit kon worden. Natuurlijk is er een generatiekloof, natuurlijk stel ik mij vragen bij hoe vandaag wordt getraind en gekoerst. Wij spraken over zoveel uur en we reden altijd rap. Nu spreken ze over zoveel watt en rijden ze soms zeven uur aan een goeie 25 per uur. Volgens mij kun je dan evengoed in je zetel zitten en een film ophalen. Ik durf daar wel eens over te zagen en dan zegt men mij dat we met die nieuwe methode toch goede resultaten boeken.

(denkt na) “Ik moet ze gelijk geven, maar het doet toch zeer als ik hoor dat ze weer eens niet in de grijze, bruine of rode zone mogen. Wij zaten al na vijf minuten in het rood. Ik reed mijn oprit af op 54×15 en dan ging het naar de 14. Ik zou wel eens een talent op
de oude manier willen trainen. Ik denk dat die minstens even goed zou zijn, want vergeet niet: ze trainen nu allemaal op watts en hartslagzones. Niemand doet het nog zoals wij en wij reden verdorie erg hard, een heel jaar door.”

Walter Planckaert

Verhaal over aanval op Financial Fair Play in De Morgen van 27 feb 2015

UEFA op beklaagdenbank (bis)

In het Brusselse justitiepaleis zijn de juridische afbraakwerken begonnen aan de Financial Fair Play. Dat is het paradepaardje van de Europese voetbalbond dat voetbal economisch ‘eerlijker’ moet maken.

Wat is er aan de hand?

Voor de rechtbank van eerste aanleg werd/wordt gisteren en vandaag de zaak behandeld tegen de Financial Fair Play, een vehikel dat het voetbal meer economisch en als gevolg daarvan ook meer competitief evenwicht moet opleveren. Volgens de klagers, het advocatenbureau van Jean-Louis Dupont namens spelersmakelaar Daniel Striani, is het een inbreuk op het vrij verkeer van goederen en kapitaal binnen de Europese Unie.

Dupont kent zijn weg in deze materie, want hij lag mee aan de basis van het veelbesproken arrest-Bosman. De Europese Commissie is nog niet gevat, maar dat is een kwestie van tijd. Uiteindelijk is het de bedoeling dat het Belgische rechtswezen in deze zaak een zogeheten prejudiciële vraag stelt aan het Europees Hof in Luxemburg, waarna de zaak terugkeert en de ultieme aanval wordt ingezet op de Financial Fair Play-bepalingen van de UEFA.

Als deze hele procedure verloopt zoals hierboven geschetst, volgen we exact het traject van dat arrest-Bosman. Die zaak diende tussen 1991 en 1995: ze luidde het einde in van de eigendomsrechten van clubs op spelers die einde contract waren en garandeerde meteen ook het vrij verkeer van EU-voetballers.

Wat is de Financial Pair Play?

De basisidee achter deze vinding van Europees voorzitter Platini, waar ooit wijlen Jean-Luc Dehaene het voorzitterschap over waarnam, is een evenwicht tussen de voetbalgerelateerde inkomsten en uitgaven: tegenover elke euro die een club uitgeeft aan een voetbalspeler zou ook een euro aan voetbalinkomsten moeten staan.

Wat zijn voetbalinkomsten? Ticketing, sponsoring en tv-rechten. Wat wordt niet aanvaard als voetbalinkomsten? Geld van een rijkaard die een club opkoopt en daar ineens veel geld in investeert in de hoop op snel sportief resultaat. De beste voorbeelden zijn Paris Saint-Germain en Manchester City, niet toevallig twee clubs die in handen vielen van rijke Arabieren. Hoge sponsoringcontracten als omweg zijn ook verboden.

Er is een overgangsperiode voorzien, waarin nog behoorlijk verlies mag worden gemaakt, maar recentelijk zijn toch de eerste straffen uitgesproken, gaande van geen Europees voetbal (Malaga in 2012) tot een verbod op transfers en boetes. In september vorig jaar raakte bekend dat Liverpool, Inter Milaan, AS Roma en AS Monaco zo’n onevenwichtige balans hadden neergelegd voor de periode 2011-13 dat ze hun geld dat ze dit seizoen verdienen in de Champions League misschien nooit zullen zien.

Hoe waarschijnlijk is de sloping van de financiële fair play?

Minder waarschijnlijk dan de transferreglementering van begin de jaren negentig, omdat de EU betrokken partij is, maar het is lang niet ondenkbaar dat dit een Bosman-bis wordt.

Ivo Belet (CD&V) volgt in het Europees Parlement de sportdossiers op de voet en duidt het probleem. “De Europese Commissie heeft verklaard op dezelfde golflengte te zitten als de UEFA met betrekking tot de FFP, maar dit gaat om een statement of understanding en als een Europese rechter dat te verregaand vindt, zou het wel eens kunnen dat we dit terug op onze tafel krijgen voor aanpassingen. Sport heeft in het Verdrag van Lissabon (2007) een uitzonderingspositie gekregen. Met reguleringen als de FFP tasten wij de grenzen af van het verdrag en zitten we ongetwijfeld in een grijze zone.”

Ook de home grown players-regel (een regel die bepaalt dat minstens acht spelers moeten zijn opgeleid in de club of binnen de nationale competitie) én het nakende verbod op third party ownership (waarbij een derde partij naast de speler en de club rechten bezit op de speler) zullen ooit worden getoetst aan het vrij verkeer van goederen, kapitalen en personen in de Europese Unie.

Hoe wenselijk is het buitenspel zetten van deze maatregel?

Beide partijen hebben argumenten die steek houden. Rijkaards die in een vlaag van machtswellust een club kopen en wild investeren, kunnen een broze voetbaleconomie ontwrichten. Als KV Oostende Europees zou spelen, zou Marc Coucke onderworpen zijn aan
de FFP en niet mogen doen wat hij de afgelopen twee jaar heeft gedaan: onevenredig veel geld (waar geen inkomsten van dezelfde orde tegenover staan) in de club pompen. Oostende is op eigen kracht wellicht economisch de minst leefbare van alle Vlaamse eersteklasseclubs. Couckes investeringen zijn niet van die orde dat ze het Belgisch voetbal ontwrichten aan de top, maar misschien wel onderaan.

In Frankrijk heeft Paris Saint-Germain zich met enorme bergen olie- en gasdollars in recordtempo een plaats onder de zon verworven, met dien verstande dat PSG een slapende reus was. Waarmee we bij het voornaamste punt van kritiek op de FFP zijn aanbeland. Zolang er geen sprake is van een streng gereguleerde competitie op basis van economische en geografische criteria (het Amerikaans model) leidt elke kleine regulering tot het afsluiten van een markt en een de facto status quo. In mensentaal: de clubs die zich in het verleden hebben verrijkt, ook niet zelden met zakgeld van rijke lui, vinden nu ineens dat het wel goed is geweest en sluiten nieuwe investeerders buiten om hun eigen uitzonderingspositie te vrijwaren.

Vertaal FFP naar onze supermarktsector en dat zou betekenen dat Carrefour, Delhaize en Colruyt kunnen besluiten dat er genoeg supermarkten zijn in een stad en dat een nieuwe Lidl-vestiging uit den boze is.

27-02-2015-UEFA op beklaagdenbank

Column op site demorgen.be over Jo, Seppe en Sabine Baetens van ma 23 feb 2015

In elke wereldploeg zou volleyballer Jo Baetens zijn basisplaats hebben gehad

Ik hield van Jo Baetens die ik een van de drie beste aanvallers in de wereld vond. In de wereld, u leest het goed

“Heb je nog aan je vader gedacht?,” vroegen ze aan Seppe Baetens nadat die de volleybalbeker van België had gewonnen. Wat hadden ze gedacht dan? Ik had een iets subtielere voorzet geprefereerd, zoals: “22 jaar geleden won Lennik zijn laatste prijs, ook met een Baetens in het veld en jij in de tribune.”

Ach, wat maakt het uit? Ik was erbij zaterdag in Antwerpen en ook voor mij was het 22 jaar geleden. Het werd een trip down memory lane. Ik heb Seppe weten geboren worden en zijn vader nog gefeliciteerd met zijn vaderschap. Ik heb Seppe ook zien rond lopen in de sporthal in de Algoedstraat in Sint-Kwintens-Lennik. En thuis.

Jo was trots. Alles in zijn leven leek in de juiste plooien te vallen. De natuur/oermens Jo(han) Baetens was een paar jaar eerder ook part time jachtopziener geworden op een domein in de buurt van Lennik. Alles had hij voor mekaar. Hij vroeg zich alleen nog af of hij naar het buitenland zou moeten. Hij vertrok niet. Ik vertrok dat jaar wel, zij het als journalist en niet heel ver: naar Nederland. Gedaan met volleybal kijken in België en ik volgde voortaan Oranje op de voet, tot en met en zelfs voorbij de olympische titel van 1996. Ik heb die jaren veel goede volleyballers gezien, maar in elke wereldploeg zou Jo Baetens zijn basisplaats hebben gehad.

Seppe Baetens in actie. ©PHOTO NEWS

Jo heb ik na de bekerfinale van 1993 nooit meer zien spelen en ook nooit meer gezien. In de zomer van 1993 ging hij voor een loopje ter voorbereiding op het nieuwe seizoen met het nieuwe Lennik. Terug thuis voelde hij zich onwel en die middag overleed hij aan een plotse hartdood. Ik zat op de ferry naar Ellis Island in New York toen ik andere Belgische volleyballers op weg terug van de Universiade tegen het lijf liep en die mij het nieuws meldden.

Ik had een ingewikkelde band met Jo Baetens. Eén met veel lagen. In het begin was hij een tegenstander (hij heeft als aankomende sterspeler nog eens een wedstrijd verloren tegen mij en daar was/ben ik verdomd trots op). Later werd hij een journalistiek onderwerp en vervolgens ook een soort vriend of minimaal een goeie kennis. Ik hield van Jo Baetens die ik een van de drie beste aanvallers in de wereld vond. In de wereld, u leest het goed.

Gisteren heb ik op Sportweekend ook Sabine gezien, de vrouw van Jo en de moeder van Seppe. Ja dus, Seppe hád aan zijn vader gedacht of wat dacht u, en neen, daar had hij Sporza niet voor nodig. Hij was vrijdag nog naar het kerkhof naar zijn graf gegaan om zijn steun te vragen. Hij had dat vorig jaar ook gedaan en dat was gelukt, maar toen speelde hij nog bij Antwerpen, de ploeg die hij zaterdag mee decimeerde.

13.000 man, het is geleden van trips naar de NBA dat ik zoveel mensen samen naar een balspel in een zaal heb zien zitten kijken

Seppe Baetens heeft de familienaam van zijn vader, maar daar lijkt hij verder niet al te veel op, behalve misschien zijn lange armen. Jo Baetens was een betere speler dan Seppe Baetens, maar dat kan je zijn zoon niet kwalijk nemen. Jo Baetens was vier centimeter langer, sprong nog hoger en was nog sterker. Hij was ook veel laconieker, zowel in de nederlaag als de overwinning. Seppe jumpte zaterdag bij het eerste punt van Asse-Lennik haast over het net. Jo had hooguit een keertje meewarig naar de andere kant geglimlacht. Ach, het maakt niet: Baetens is Baetens en ik was plaatsvervangend blij voor Jo, Sabine en Seppe.

We waren zaterdag met 13.000. Dertienduizend. En daarvan zaten er al minimaal 8.000 (achtduizend!) toen de vrouwen om vijf uur aan hun wedstrijd begonnen. 13.000 man, het is geleden van trips naar de NBA dat ik zoveel mensen samen naar een balspel in een zaal heb zien zitten kijken. Nadat Asse-Lennik tegen de Antwerpenaars in eigen Sportpaleis het laatste punt had gescoord van een vreselijk pak rammel, kregen ze ook applaus van de Antwerpse clan. Fanatiek en toch beschaafd: het spel is veranderd, de spelers ook, maar niet de geest van mijn sport. Het was een prettig weerzien met het volleybal.