Verhaal over doelmannen in De Morgen van 21 juni 2014

Waar hij staat, groeit geen gras

De Morgen – 21 Jun. 2014

 

Geïmproviseerde defensies, hobbelige velden, zwabberballen en telkens weer nieuwe reglementen, het lijkt wel of de voetbalwereld een hekel heeft aan de keeper. Op het WK onderscheiden de echte doelmannen zich van de doeljongens, maar hun ster schittert nooit lang.

Eerst een beetje geschiedenis. In den beginne waren er geen doelmannen. Voetbal – of elk gemeenschapsspel waarbij iets werd getrapt of gegooid om het in eender welk doel te deponeren – was dribbelen, voorbijlopen, passen en scoren, met handen en voeten. De origine van voetbal is het vruchtbaarheidsritueel bij onze voorouders en wie een doelpunt verhinderde, was hij die hongersnood bracht en de oogsten vernielde.

Dat zal wel niet de directe reden geweest zijn dat er bij het eerste georganiseerde voetbalspel in Engeland ook helemaal geen ‘goal keeper’ voorzien was, maar de tradities speelden wel een rol. Er was sprake van een fair catch with the hands, maar dat mocht elke speler. Pas in 1871, na duizenden jaren van balspelen, kwam de doelman. Eén persoon die iets mocht wat anderen niet mochten: de bal vangen.

Vanaf dag één waren doelmannen de buitenbeentjes van de ploeg. “Eigenlijk zijn doelmannen vervelend, want ze houden goals tegen”, weet Geert De Vlieger, voetbalanalist en ex-doelman van de Rode Duivels. “Dus heeft men het ons steeds moelijker gemaakt.” Voetbal mag dan een erg conservatieve sport zijn als het om reglementswijzigingen gaat, de doelman wordt geregeld een prerogatief afgenomen. In 1992 besloot men dat hij een terugspeelbal niet meer mocht oprapen, en ook voor dit toernooi is er iets veranderd.

Traceerbare bal

Het leek een minuscuul voordeeltje, maar als het zich voordeed – eens in de zoveel wedstrijden maar – dat een bal net niet of net wel over de doellijn sukkelde, wist eigenlijk alleen de keeper of het een doelpunt was, want hij heeft sensoren in zijn hele lichaam: binnen of niet binnen, vertel een doelman wat.

Dus grabbelde hij naar hartenlust, in de buurt van zijn lijn, maar evengoed ook als de bal er een meter over was. Om dan met de bal in de armen te beweren dat het geen geldig doelpunt was. Al te vaak hadden de scheidsrechter en zijn assistent het niet gezien en gingen ze onbewust af op de reacties van spelers en publiek.

Het niet toegekende doelpunt van Engeland in de wedstrijd tegen Duitsland op het WK in Zuid-Afrika vier jaar geleden geldt als het typevoorbeeld van een geldig doelpunt dat nooit is gevalideerd. Gedaan daarmee op dit WK. Het laatste streepje interpretatie rond doelverdediging, het laatste ‘bedrog’ dat een doelman kon plegen, is hem nu ook ontnomen.

Voortaan vertellen zes Duitse (kan geen toeval zijn) camera’s die volgens perfecte snijlijnen zijn opgesteld, wie, wat en waar over de bal. Die is computergestuurd als het ware, traceerbaar tot in de kleinste uithoek van de goal, en geeft altijd zijn waarheid prijs.

De Hondurese sluitpost Noël Valladares was het eerste slachtoffer. Nooit was het doelpunt van de Fransman Karim Benzema goedgekeurd zonder de Duitse camera’s. In een vorig leven had Valladares gegrabbeld, zijn onschuldigste pokerface opgezet en de bal weer in het spel gebracht. De tegenpartij voor de doelman is niet langer de tegenstander en het scheidsrechterstrio of -kwartet, maar nu ook een computer godbetert. Eén tegen twintig.

Hij houdt van de bal

Tot en met donderdagnacht waren er 66 goals gescoord in 23 wedstrijden, haast één meer per wedstrijd dan op het vorig WK rond deze tijd. Deze Brazuca zwabbert misschien niet zoals de Jabulani, maar hij gaat er wel vaker in. Volgens de Brazilianen heeft het te maken met de heilige voetbalgrond waarop wordt gespeeld, hún grond, Brasil. Hier wordt gescoord, maar hier is de doelman – als hij het goed doet, maar dat gebeurt niet vaak – meteen ook een heilige, um santo.

Zij zijn niet de uitvinders van het spel, maar ze hebben het spel in een bepaalde richting wel geperfectioneerd door techniek, flair en fysieke kracht te koppelen, en hebben van de negentien World Cups waarvan zij er als enig land geen enkele hebben gemist, er al vijf gewonnen. En raad eens: Brazilianen hebben in wezen niks met doelmannen.

Er is wel een mooi Braziliaans sprookje over een schlemielig jongetje dat niet kan voetballen en dus (uiteraard) in de goal belandt, opgeschreven door de bekende Braziliaanse schrijver Jorge Amado. De bal wordt zowaar verliefd op het jongetje en volgt hem overal waar hij gaat, want bij hem voelt zij zich goed en wordt zij gekoesterd. Zij, jawel, want volgens Haroldo Maranhão, auteur van het Voetbalwoordenboek, is de bal vrouwelijk en heeft die 37 synoniemen of koosnaampjes. Ook bij een laatste ultieme strafschop wil de bal in de armen liggen. Daar moet elke doelman van dromen, behalve dan het einde, want het jongetje en de bal trouwen.

”De keeper houdt het meest van de bal. Al de anderen schoppen erop”, is nog zo’n Braziliaans gezegde, maar doelman blijft toch de minst glamoureuze positie en in Brazilië – net als in Afrika – word je geen doelman uit vrije wil. Terwijl elke andere speler wel een plukje gras voelt onder zijn voeten, is het jouw lot als kneusje van het team om daar te staan waar geen gras groeit (opnieuw dixit de Brazilianen).

Maar goed, de reglementen zijn wat ze zijn en dus heeft ook Brazilië een doelman. Slechts één doelman van de laatste tien die meer dan twintig caps hebben voor La Seleçao heeft een bijnaam gekregen. Bijnamen zijn koosnamen en niemand heeft de doelman, want daar komt alleen ellende van, punt uit. Dida, die in 1995 debuteerde, was de enige.

Ongeluksbrenger

In Brazilië kan een doelman een heilige zijn, maar ook hij die hongersnood brengt, of verdriet in dit geval. Het trieste lot van Barbosa is wellicht gekend. Hij is de doelman van de nationale ploeg die in de finale van 1950 tegen buurland Uruguay een houdbare bal binnen liet waardoor Brazilië de World Cup niet won (in tegenstelling tot wat wordt aangenomen, was het geen finalewedstrijd en had Brazilië genoeg aan een gelijkspel, maar het verloor).

Het begrip Maracanazo, de oplawaai van Maracanã, was een feit. Moacir Barbosa Nascimento leefde tot in 2000 en verklaarde meermaals dat levenslang in Brazilië gelijk staat met dertig jaar, maar niet in zijn geval. De bondsvoorzitter verbood hem ooit om co-commentator te zijn bij een van de wedstrijden van de Seleçao. Sinds die vervloekte dag in 1950 bracht Barbosa ongeluk en daarom werd hij ooit verwijderd van een training van de nationale ploeg.

Meer dan in de Champions League, lopen doelmannen op het WK in het oog, daar kan zo’n Jean-Marie Pfaff van meespreken. En Michel Preud’homme nog meer, want die kreeg in 1994 ondanks uitschakeling in de achtste finale zelfs de Golden Glove, de prijs voor beste doelman van de wereld. Het waren andere tijden, waarin types als Preud’homme en later Casillas – atleten maar niet te groot – nog hun streng konden trekken. Wim De Coninck: “De doelman van de 21ste eeuw zit een stuk boven de 1m90.”

Maar nu voor echt. Dit WK, wat hebben we gezien met betrekking tot doelmannen? We zagen enkele knappe reddingen van onder meer ‘Memo’ Ochoa van Mexico, en op YouTube zie je wel meer van zijn stunts. De beste redding ooit blijft evenwel die van Gordon Banks op de World Cup in 1970 op een kopbal van Pele, ook op YouTube te bekijken.

Lijnrecht tegenover Ochoa staan twee mannen met een reputatie en met dezelfde voornaam: de Spanjaard Iker Casillas en de Rus Igor Akinfejev. Beiden zijn voorbij hun prime, zoals dat heet. Malser maakt alleen biefstukken beter; keepers worden minder, ze gaan twijfelen, springen niet meer zo hoog, vangen minder ballen, stompen ze fout weg en wat al niet meer. Slotsom: ze ‘pakken’ geen onmogelijke ballen meer. Het is onzeker of Akinfejev nadat hij een bal door zijn handen liet glippen tegen Zuid-Korea morgen ook tegen België tussen de palen staat.

Het lot van doelman op dit WK kan nog het best uitgelegd worden aan de hand van een voorbeeld dat ons nauw aan het hart ligt: Thibaut Courtois. Volgens analist en ex-doelman (ook bij de Rode Duivels) Wim De Coninck kan het niet anders dan dat hij zich minder op zijn gemak voelt. “Als Thibaut een van de beste doelmannen van de wereld is, komt dat mede omdat hij achter een van de beste, misschien wel dé best georganiseerde verdediging ter wereld speelt. Sowieso zijn de Rode Duivels voor hem minder goed georganiseerd.”

Afhankelijk van defensie

Dat was al merkbaar bij de verdedigende fout van Jan Vertonghen – een centrale verdediger die op links moet spelen – tegen Algerije, met een strafschop als gevolg.

”Het klopt,” aldus Geert De Vlieger, “dat verdedigingen van nationale ploegen doorgaans minder goed op elkaar zijn afgestemd dan die van grote clubteams. De tijd ontbreekt en de automatismen dus ook. Maar anderzijds staat Courtois bij België met allemaal klassespelers voor zijn neus. Ik heb ook bij de nationale ploeg met verschillende centrale duo’s gespeeld en dat leverde geen problemen op.

”Wat Matt Ryan betreft, daar zie ik wel een verschil. Die heeft bij Club een heel jaar met een stabiele, jonge verdediging gespeeld en wist zich daar deel van. Hij had een schitterend seizoen en nu bij Australië kreeg hij er al zes binnen, waarvan er een paar houdbaar waren. Zijn Australische verdediging is beduidend minder dan die van Club.

”Laten we mild eindigen met – noblesse oblige voor deze krant – een groot schrijver. Albert Camus bleef, ook nadat hij de Nobelprijs had gewonnen in 1957, een diehard fan van Racing Club de Paris. Op een dag beging de doelman een fatale fout, maar het was Camus die zijn verdediging op zich nam. Camus wist waar hij over sprak, want hij was als jongeling een begenadigd doelman. “In het doel staan is zoals in een oerwoud staan met allemaal roofdieren die je belagen. Het is maar als je au milieu des bois staat, dat je weet hoe moeilijk het is.”

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2014 De Persgroep Publishing. All rights reserved

 

Column ‘Hineininterpretierung’ in De Morgen van 21 juni 2014

HINEININTERPRETIERUNG

De Morgen – 21 Jun. 2014

 

 

Geachte heer bondscoach, Beste Marc, Willi,

Met het oog op de wedstrijd van morgen willen wij u graag van dienst zijn met enig advies.

Ten eerste. Wat u vooral niet moet/mag doen, is niet verschijnen voor de gedrukte media. Ik las gisteren een hilarisch stuk in Het Laatste Nieuws van collega Keygnaert over de consternatie die was ontstaan nadat bekend was geraakt dat u niet op de persbabbel zou komen. Wat u ook niet mag doen, is alleen praten met de tv’s en dan uw microfoon neerleggen als een vraag u niet zint. Dat loopt slecht af, let op mijn woorden.

Wie kwam gelukkig wel een praatje maken? Mijn dorpsgenoot Nicolas Lombaerts, als hij er ten minste ooit toe komt om een huis te zetten op dat gigantisch stuk grond van hem. De Nicolas, met hem ben ik een keer samen naar Wengen in Zwitserland gereisd en dat was een erg leuke trip. Hij heeft de pers vermaakt, heb ik gelezen, vreemd genoeg alleen in de kranten van deze Persgroep. De concurrentie vond zijn optreden niet zo opmerkelijk. Ik ben niet onbevooroordeeld, dus zou ik Lombaerts laten spelen, maar daar kom ik nog toe.

Dus: altijd naar de pers gaan. Als de nood hoog is, en vroeg of laat is de nood hoog, zullen ze toegeeflijker zijn voor uw zonden als u hen goed heeft behandeld. Sportjournalisten zijn als katten: niet overdreven veel hersenen, maar ze onthouden alles.

Gert Verheyen zei van de week op tv dat het de gekende truc is als een coach niet meer weet van welk hout pijlen maken: de pers als vijand. Ik mag hopen dat u nog steeds hout heeft om pijlen van te maken. Voor zover we het van hier kunnen inschatten, heeft u een weelderige houtstapel ter uwer beschikking. Misschien té zelfs.

Wat u daarom ook niet mag doen, is beginnen denken dat u een wereldcoach bent en met zogeheten tactische vondsten uitpakken. Dat hebben wij in uw portret al subtiel proberen uitleggen: de beenhouwer van om de hoek of Lieven Maesschalck zouden zich ook geplaatst hebben voor het WK. Oké, Lieven misschien niet.

Bijgevolg suggereren we volgende opstelling: Courtois in de goal, dat lijkt een evidentie. Kompany en Lombaerts centraal, als Vincent zijn lies oké is en omdat Nicolas Russisch verstaat. Voor de rechtsback Alderweireld en op links mag u nog eens proberen met Vertonghen, als u dat wil.

Middenveld: De Bruyne centraal. Knoop dat laatste in uw oren: centraal. Ook Witsel en Fellaini zijn redelijk onmisbaar. Mertens, Chadli, Hazard, Mirallas, gooi er daar maar twee van in het veld, die vinden hun weg wel. Zorg er vooral voor dat er snelheid en power in het spel zit en hou dat woelwater Januzaj achter de hand.

In de spits mag u ook uw goesting doen, maar die Origi was niet slecht. En als Lukaku echt een hoopje ellende wordt als hij een keer niet mag starten, dan moet u daar vooral geen rekening mee houden. Dit is niet de Keizer Karelcup, maar de World Cup.

Wat we vooral niet meer willen zien, is een ploeg die een uur staat te schutteren, waarna u de juiste spelers inbrengt. En wat we dan vooral niet meer willen horen, is die achterafuitleg over het tactisch plan. Hineininterpretierung noemen uw Duitse vrienden dat.

Begrepen? Vamos.

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2014 De Persgroep Publishing. All rights reserved

 

Column ‘Adiós Godenmakers’ in De Morgen 20 juni 2014

ADIOS GODENMAKERS

De Morgen – 20 Jun. 2014

Dynastieën zijn niet van de Europese sport, omdat de handel in talent hier zo vrij en welig tiert en een topspeler in spe zomaar andere oorden kan opzoeken. Dat maakt het bouwen aan een dynastie heel moeilijk, en dat is verdomd jammer want topsport leeft van dynastieën.

Teams, maar desgevallend ook individuen, die er jaar na jaar in slagen in dezelfde bezetting de nummer één te blijven, krijgen er onderweg fans bij. Omgekeerd zal het aantal fanatieke tegenstanders afnemen naarmate de dynastie het langer volhoudt en zal het respect van de vijand toenemen.

Grote wereldwijde sportdynastieën zijn tot nog toe onveranderd Amerikaans, met de Chicago Bulls van Michael Jordan als meest uitgesproken exponent met mondiale exposure. Het Spaans nationaal elftal van de voorbije zes jaar mag gerust zijn voet zetten naast Jordan en co.

Eergisteren, aan het einde van de déconfiture tegen Chili, passeerde een tweet van Pierre Hellebaut, een goede kennis in dit vak en een voetbalbeest. “Hoed af voor deze heerlijke generatie. Elke voetbalfan heeft zes jaar van jullie genoten.” Het is te hopen dat elke voetbalfan heeft genoten, want Spanje speelde drie toernooien op rij enkele buitenaardse wedstrijden waarbij het de tegenstand horendol tikte. Spanje was een team waar je van hield, of dat je haatte omdat je het diep van binnen bewonderde.

Dit was uitzonderlijk voetbalsucces dat geenszins op toeval berustte. Het was het succes van een dominant spelsysteem, behaald door een mix van spelers uit clubs die elkaar op een doordeweekse dag naar het leven staan, in en naast het veld, maar die elkaar binnen de nationale ploeg met plezier kwamen aanvullen. Daarom: adiós amigos. We zijn u dankbaar, maar nu is het mooi geweest. Uw succes van de laatste twintig jaar komt zeker nooit meer terug en is misschien ook niet wenselijk.]

Wie het Spaans succes in historisch perspectief bekijkt, kan niet anders dan hier en daar een vraagteken plaatsen, want het is wel heel erg plots gekomen. Vóór de Spelen van Barcelona in 1992 richtte Spanje door het hele land de zogeheten CAR’s op, waarbij CAR staat voor Centro de Alto Rendemiento. Het rendement was bijzonder hoog, want van de in totaal 130 olympische medailles die Spanje ooit won, werden er 104 behaald sinds 1992.

Na de eeuwwisseling werden ze in het voetbal twee keer Europees en één keer wereldkampioen en in het basketbal wereld- en Europees kampioen en tweede op de Spelen. Individueel was er Rafael Nadal in het tennis, Miguel Indurain, Alberto Contador en Carlos Sastre in de Tour, Fernando Alonso in de Formule 1 en ga zo maar door.

Het programma dat ze vóór 1992 opzetten, had als codenaam Hacedores de Dios, Godenmakers. Eerste minister Mariano Rajoy zei ooit: “Sport is een van de grote troeven in dit land en een fundamenteel ingrediënt van het merk Spanje.” De Spanjaard kon toch een beetje trots zijn, ondanks alle economische ellende en kocht dat ene T-shirt: “I’m Spanish, what do you want me to beat you at?”

Jammer dat de hele tijd de slagschaduw van bedrog de Spaanse sportsuccessen verduisterde, maar daaraan hebben ze zelf schuld door hun halfslachtige houding tegenover doping. We hebben gekeken, getwijfeld, gespeculeerd, nooit geweten en toch ook genoten, ondanks alles. Zo gaat dat in de sport.

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2014 De Persgroep Publishing. All rights reserved

 

Column Oranje ? in De Morgen van 19 juni 2014

ORANJE ?

De Morgen – 19 Jun. 2014

 

Eerder dit toernooi had ik na Spanje-Nederland (1-5) een vraag gesteld, en gisteren is ze beantwoord. Was Spanje zo zwak, of Oranje zo sterk? Oranje was in die openingswedstrijd wellicht niet zo sterk als het wel leek, en dat is na de wedstrijd van gisteren wel heel beleefd gesteld.

 

Die Spanjaarden in hun voorbereiding op de wedstrijd tegen Chili, zouden die hebben gekeken? Wellicht wel, want ze moeten nog tegen de Aussies. Was ik een Spanjaard, ik had de tv dichtgegooid of de PlayStation opgezet. Na een half uur hebben die zich vast afgevraagd hoe zij in godsnaam vijf goals hadden binnengekregen tegen dat zootje stuntels in blauw met oranje cijfertjes.

 

Zoals Jan Mulder zich afvroeg, stel dat gisteren kort na de middag iemand van Mars was geland in Brazilië, toevallig in Porto Alegre in het Estádio Beira-Rio, en je had hem uitgelegd dat dit een wedstrijd was van een heel goed team dat de wereldkampioen had vernederd tegen een team met niet al te veel ambities, hij had ze nooit uit elkaar kunnen halen.

 

We gaan er maar even van uit dat een Marsmannetje een man is, en had je hem vervolgens gezegd dat dit spel het populairste vermaak was op de planeet, hij had zich op slag in zijn ruimteschip opgesloten. Maar na een uur zouden die Spanjaarden de tv wellicht weer hebben opgezet en hebben gezien dat die Nederlanders een 1-2 met tot dan kansloos spel zo maar ombogen in 3-2 en vervolgens kans na kans kregen om de zaak af te maken. Ze zouden er niks van begrepen hebben, en het Marsmannetje nog minder.

 

Je vraagt je af of Willem-Alexander en zijn Máxima begrepen hebben wat daar gisteren gebeurde. De penaltyfase van de Australiërs hebben ze vast gesnapt. Hoe die Australiër de bal tegen de hand van een verdediger trapte, was copybook hockey, waar men ook prijs heeft als men de onderdelen van de tegenstander raakt binnen een vooraf afgebakende zone, weze het een halve cirkel of een rechthoek.

 

Wat is dit toch een vreemd WK. Er is in die eerste wedstrijden tot en met deze van Nederland precies drie keer per wedstrijd gescoord. Over dezelfde periode vier jaar geleden was dat twee keer. Dat lijkt misschien niet veel verschil, een 1-1 of een 2-1, maar er is dus haast vijftig procent meer gescoord.

 

Waaraan ligt zoiets? Het weer? Meer dan de helft van de wedstrijden wordt gespeeld in de Braziliaanse winter en dat is een mooie lentedag bij ons. Het was in Zuid-Afrika niet anders.

De bal? De Brazuca floddert zo niet, althans daar horen we niks over. De Jabulani, dat was een flodderaar, maar hij ging er de helft minder in.

De spelers? Misschien. Wat was er gisteren met die Matt Ryan van Club aan de hand? Wijd open blik op een niet al te makkelijk, maar ook niet echt moeilijk schot van Memphis Depay, en er toch naast grabbelen. De arme jongen heeft zich in twee wedstrijden al meer moeten omdraaien dan in een half seizoen Club Brugge.

 

Ondanks de overwinning, ondanks de inderhaast ingevoerde 4-3-3 en de verdienstelijke Depay, is dit Nederland kansloos voor een verder verblijf op dit toernooi. In veertig jaar Oranje triomfen en rampen, maar meestal wel triomfen, is er nooit een Nederlandse selectie geweest met minder voetballend vermogen dan wat gisteren de eerste 60 minuten op het veld stond. De verdedigers zijn om te huilen, zo slecht dat die voetballen. Het is te hopen dat Louis net als Marc nog wat op de bank achter de hand heeft.

 

HANS VANDEWEGHE

 

Copyright © 2014 De Persgroep Publishing. All rights reserved

 

Verhaal – over sport!, de NBA – in De Morgen van 17 juni 2014

Het mirakel van San Antonio

De Morgen – 17 Jun. 2014

Voor de vijfde keer in vijftien jaar heeft het Eupen van de VS de titel gepakt in de NBA. Dat deed het met echt basketbal en een stel buitenlanders.

LeBron James en de Miami Heat wonnen nog wel de tweede wedstrijd in San Antonio en leken op weg om zich thuis in een veilige 3-1-voorsprong te nestelen alvorens terug te keren naar het zuiden van Texas. Maar na de twee wedstrijden in Miami stond het 1-3 voor de Spurs, die het zondagnacht thuis simpelweg afmaakten.

Vooral de derde wedstrijd uit de serie in de thuiszaal van de Miami Heat zal de geschiedenis ingaan als memorabel. Ergens diep in de wedstrijd nam coach Popovich zijn spelmaker Tony Parker van het parket en sprak hem vaderlijk toe. “Je hebt vandaag leiderschap getoond, je was groots.” Dat inspirerend moment van de topcoach is te zien op YouTube. Parker heeft geen bal meer gemist van de hele finals.

Tony Parker wás ook groots en vooral bij momenten onhoudbaar en dat is niet voor het eerst. In 2001 werd hij – zoon van een Amerikaanse vader en een Nederlands fotomodel, maar houder van een Frans paspoort en Amerikaans sprekend met een Frans accent – gedraft door de Spurs. De eerste jaren waren een harde leerschool en coach Pop zat voortdurend onder en op zijn vel.

Maar Pop is een aparte coach. Hij wil basketbal spelen en dat basketbal staat veel dichter bij het doordachte Europese spelletje dat Parker in Frankrijk had geleerd dan bij het Amerikaans trapezebasketbal dat zijn oorsprong vindt op de pleintjes van de achterstandsbuurten. Exponent van dat spectaculaire spel is het wonderbaarlijke trio James-Wade-Bosh van de Heat, maar ook in die ene gewonnen wedstrijd kwamen ze nooit in het gewone spel. De Spurs vingen de supersterren op in een uitgekiende verdediging, hielden LeBron James onder de dertig punten en sloten alle andere ontsnappingswegen af.

Solidair met armen

De prestatie van San Antonio is een mirakel en een wake-upcall voor de Amerikanen. Zoals Belgiës beste basketbalspeler Tomas Van Den Spiegel tweette, de ploeg bestaat uit twee Fransen, twee Australiërs, één Italiaan, één Braziliaan, één Argentijn, één Canadees en een center die van de Maagdeneilanden komt. Vooral de Argentijn Ginobili geldt naast de Fransman Parker als het genie in het veld.

Voor alle duidelijkheid: aan dat team hebben ze jaren gebouwd, zonder spelers te kopen want dat mag niet in de VS, en dat alles onder de kundige leiding van Greg Popovich. Manu Ginobili lijkt dan niet al te atletisch vergeleken bij James en Wade, maar de hersenen haalden het deze keer op het vlieg- en stuntwerk van de Heat. Die pakten vorig jaar in de zevende wedstrijd de titel, ook tegen de Spurs, maar nu lieten de Texanen het niet zo ver komen.

Een vijfde kroon voor de Spurs in vijftien jaar is opmerkelijk en het resultaat van het Amerikaans economisch sportsysteem. Alleen de Boston Celtics (17), de Los Angeles Lakers (16) en de Chicago Bulls (6) hebben meer kampioenschapsringen, maar Boston, Los Angeles en Chicago zijn zogeheten ‘grote markten’ met veel sportconsumenten die veel geld te besteden hebben.

In San Antonio wonen weliswaar meer dan twee miljoen mensen, maar de economische draagkracht van de regio is niet navenant: het is maar de 38ste economie van de VS en de op drie na kleinste markt in de NBA. Er wonen nogal wat kansarmen en werknemers van de lokale industrieën. Niet al te veel Amerikanen blijven uit vrije keuze in het zomers bloedhete Zuid-Texas.

Toen de NBA besloot dat San Antonio een team mocht hebben, volgde daaruit automatisch dat de rest van de competitie solidair moest zijn. In een ander sportsysteem zouden de Spurs met hun beperkte inkomsten nooit 77 miljoen dollar kunnen besteden aan spelerssalarissen maar in het Amerikaans profmodel worden 70 procent van de inkomsten van alle teams herverdeeld om het competitief evenwicht te bevorderen.

Gekopieerd op het Belgisch voetbal zou dat betekenen dat Eupen door de andere eersteklassers financieel wordt gesteund om een stabiele en economisch rendabele collega-eersteklasser te worden. Met de achterliggende gedachte: hoe spannender de competitie, hoe beter we er allemaal van worden.

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2014 De Persgroep Publishing. All rights reserved

Het Mirakel van San Antonio

Column Black, Blanc, Beur, Belge in De Morgen van 17 juni 2014

BLACK, BLANC, BEUR, BELGE

De Morgen – 17 Jun. 2014

Op het gevaar af voor Belgicist te worden uitgescholden, ook ik blijf bij die Rode Duivels niet onbewogen. Maar omdat in topsport de resultaten tellen, wil ik toch maar even de wedstrijd van vanavond afwachten vooraleer mij voluit te smijten. Ik vertrouw die Algerijnen namelijk niet. Een speler zei voor de camera ‘Wij willen het Arabische volk vertegenwoordigen’, en daar kan ik mij met de beste wil van de wereld de laatste decennia niks bij voorstellen dat niét met overdreven geweld te maken heeft (in een voetbalcontext, welteverstaan).

Of de Rode Duivels het laatste restje lijm zijn dat België bij elkaar houdt, wilden de buitenlandse media mij laten zeggen in de aanloop naar dit toernooi. Dat heb ik zwaar afgestreden. België is niet te redden, niet door dat amechtig handje op de voetballersharten bij de Brabançonne en ook niet door Kompany en Fellaini of door De Bruyne en Courtois.

Daarna moest ik uitleggen hoe het komt dat wij ineens zo’n goeie voetballers hebben. Dat was al andere koek, want dit succes heeft vele vaders. Eigenlijk is het bezopen dat we nu al van succes spreken terwijl we nog geen wedstrijd hebben gespeeld, maar zo zijn wij Belgen dan weer: blij met een dode mus.

Hebben we te maken met een generatie van talent die toevallig samen groot zijn geworden, of zit er een systeem achter? Het is een beetje van allebei. Eind vorige eeuw zijn Michel Sablon en Bob Browaeys de kar gaan trekken van de jeugdopleiding. Tegelijk kreeg het IKFoot-project (later DoublePass) een poot aan de grond.

Dit is niet de oorzaak voor de doorbraak van Kompany, maar wel voor de schitterende generaties voetballers die daarna zijn gekomen en die ze nu klaarstomen bij de jeugd. Kompany en co. is een generatie getalenteerde voetballers die om onverklaarbare redenen ineens samen is opgestaan, niet toevallig pleintjesvoetballers, niet toevallig (velen) met allochtone roots.

In 1986 en 1990 had we één international die niet uit de pure Belgische klei was getrokken: Enzo Scifo. Die was in 1994 en 1998 ook van de partij, maar in 1994 kreeg hij het gezelschap van Joske Weber, een genaturaliseerde Kroaat die meegenomen werd om af te zetten bij het kaarten. In 1998 waren we multicultureel zoals nooit tevoren: twee genaturaliseerden (Vidovic, een Joegoslaaf, en Oliveira, een Braziliaan), Scifo uiteraard en de twee Congolese broers Mpenza.

In 2002 alweer iets minder multicultureel: één Mpenza bleef over en Strupar was een paspoorthopper uit Kroatië.En dan kwam twaalf jaar niets, tot dit WK. Tien van de drieëntwintig spelers zijn Belgen van deels allochtone oorsprong, waarvan er zeven Sub-Sahara (vijf) of Noord-Afrikaanse (twee) genen hebben. De resterende drie zijn van Spaanse of Caraïbische origine en de zeer begaafde Adnan Januzaj van Manchester United is als Kosovaar de enige asielzoeker in de nationale ploeg.

Een kwart eeuw nadat bij Nederland met Gullit en Rijkaard twee dragende spelers met een donkere huid debuteerden, bijna twintig jaar nadat de Fransen hun migrantenzonen omarmden, zijn ook wij er eindelijk in geslaagd dat vat aan talent aan te boren. Het is Black, Blanc, Beur(re) à la Belge, en het kan voetballen als de beste.

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2014 De Persgroep Publishing. All rights reserved

Black, Blanc, Beurre, Belge

Column Hollandse School 2.0 in De Morgen van 16 juni 2014

HOLLANDSE SCHOOL

De Morgen – 16 Jun. 2014

Zaterdag niks in de krant hebben over Nederland-Spanje, dat vreet aan een mens. Ik was na Boulahrouz 2006 en Van Bommel 2010 nochtans van mijn Oranje geloof gevallen, maar alles komt terug. Vreemd, maar afgelopen vrijdag deed het mij nog niks, toen ik op een bij het hotel gehuurde damesfiets – gelukkig zijn Hollandse vrouwen zo lang dat hun fietsen mij passen – door Maastricht cruisde en her en der een versierde straat trof.

Tegen kwart voor negen was ik terug. Even naar de zaal gaan kijken waar het obligate groot scherm stond en de al even obligate in oranje uitgedoste hotelgangers, maar dan toch maar voor de tv op de kamer gekozen. Ik vind het maar hoogstzelden plezant om met veel andere mensen samen dingen te doen en voetbal kijken hoort daar niet bij. En toen gebeurde iets vreemds. Ik heb nooit gejuicht, althans dat herinner ik mij niet, maar na de 1-1 heb ik de rest van de wedstrijd op de rand van mijn bed met open mond gevolgd.

Bon, dat was vrijdag en ook een beetje zaterdag toen ik een hele mooie tocht fietste door Zuid-Limburg en in al die dorpen met hun rare namen bij elke Oranje uiting een glimlach niet kon onderdrukken. Gisteren had ik al een totaal ander gevoel. Ik blijf worstelen met het eeuwige dilemma van wie een voetbalwedstrijd bekijkt: won Oranje omdat zij zo goed, of omdat de anderen zo slecht waren?

De 0-1 voor Spanje had niet mogen vallen, want het was geen penalty maar een fopduik, dus Diego Costa had een kaart moeten krijgen. De 1-1 van Robin van Persie was geniaal en tegelijk puur geluk, maar dat was het schot van Marco van Basten in de finale van het EK 1988 ook. Wie het niet probeert, heeft geen geluk. Dat Silva vervolgens niet scoorde, was redelijk onbegrijpelijk. En zo stond het 1-1 aan de rust, terwijl het 0-2 had kunnen staan.

Wat daarna gebeurde, kan echt alleen in voetbal. 2-1 na een geniale pass en een geniale flits. 3-1 na een overtreding, maar bij die fase zag je dat die Spanjaarden niet met de juiste attitude op het veld stonden. Of ze dachten: pas op voor die Hollanders want die wilden ons vier jaar geleden al vierendelen en nu moeten we nog een heel toernooi. Of ze dachten: we staan nu op 0-1, laten we dat varkentje professioneel wassen. Van die walrus op de bank ging bij achterstand ook weinig uit.

Het was wat van allebei: Oranje was goed, werd beter, Spanje was slecht, werd slechter. Bijgevolg, vrienden van het Oranje geloof, zou ik u toch willen waarschuwen voor te veel optimisme. Te beginnen met overmorgen Australië, altijd lastig. Ten slotte wil ik u alsnog bedanken. Toen ik in 1993 in uw land mocht komen werken heb ik mij dag na dag, week na week, toernooi na toernooi verbaasd over zoveel ambitie, zoveel sportief positivisme. Bij Van Persie’s onmogelijke kopbal, dacht ik meteen: dat is zo Nederlands, om dat toch maar even te proberen, om te kijken waar dat schip zal stranden.

Al raakt Oranje niet voorbij de eerste ronde, zelfs dan heeft het zijn toegevoegde waarde aan dit toernooi bewezen. De Hollandse School 2.0 is geboren en een mooiere goal wordt niet meer gescoord.

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2014 De Persgroep Publishing. All rights reserverd

Hollandse School 2.0

Column ‘Krokodil’ in De Morgen van 14 juni 2014

KROKODIL

Paus Franciscus heeft de waarden van het voetbal geroemd. “Het WK moet een sportief feest worden dat in het teken staat van de solidariteit onder de volkeren.” De waarden waar hij het over had, zijn volharding, loyauteit en vriendschap. “Als we de lessen van de sport begrijpen, zullen we allemaal winnaars zijn door de banden te versterken die ons verenigen.”

Dat is goed gezegd. Ik denk dat de voetballers nu twee keer zullen nadenken voor ze elkaar doormidden schoppen of flikken met schwalbes en kunstduiken. En de actievoerders in de straat zullen nu ook wel stoppen.

Die andere paus, die van het voetbal, had een concretere boodschap. Sepp Blatter had in een visioen gezien hoe er over afzienbare tijd op andere planeten gevoetbald zou worden. “En dan hebben we interplanetaire competities.”

Volgens de nieuwssite Newsmonkey maakt de planeet Gliese 581 g de grootste kans om een planeet te zijn waar je kunt op voetballen. Er is maar één probleem: Gliese 581 g is 189.258.854.400.000 kilometer verwijderd van de aarde. Het zou 432.000 jaar duren om er naartoe te reizen. Zou het geen idee zijn om Blatter te vragen om op prospectie te gaan? Als je maar wat doorbazelt over interplanetaire tv-rechten en sponsoring, hapt hij vast toe. Tegen de tijd dat hij terug is, zit er hopelijk een andere voorzitter op zijn stoel.

Alle gekheid, Blatter moét weg. Nog eens vier jaar is belachelijk. De man is 79 en niet meer opgewassen voor zijn taak, als hij dat ooit al was. De FIFA hangt sinds zijn watch aan elkaar van corruptieschandalen, en dat is een steeds terugkerend probleem in bonden wanneer een vooraanstaand betaald staflid ineens een betaald voorzitter wordt. Die heeft iets te verbergen of is vol van zijn eigen glorie. Dat fenomeen kennen we in België ook.

Ik ben niet thuis in de FIFA, maar wel een beetje in de internationale bondenwereld. Blatter ken ik dan ook alleen maar van zijn verschijningen als IOC-lid, maar nu denk ik dat hij weggaat. Niet dit jaar, want dit is zijn feest. Volgend jaar zijn er presidentsverkiezingen en de tegenstand zal nu niet meer terugkrabbelen, hoewel ze voorlopig bakzeil hebben moeten halen.

Alle Europese voorstellen om de leeftijd van de voorzitter en de mandaten te beperken, zijn weggestemd met 169 tegen 40, maar de nieuwlichters binnen de FIFA hebben nog één jaar om banden te smeden met de andere continenten. De dag dat die beseffen dat de nieuwe president evenveel Sinterklaas zal spelen als de oude, schieten ze hem met het grootste gemak af.

Ook de alleroudste voetbalkrokodil hebben ze deze week weer tot leven gewekt. Het was mij ontgaan dat João Havelange nog leefde. Hij zou bij het Internationaal Olympisch Comité gestraft worden voor een schandaal bij de FIFA (wat de FIFA niet durfde), toen hij de eer aan zichzelf hield. Havelange is dik in de negentig en was wat ziekjes, maar is nu weer aan de beterhand.

Ik heb mij altijd afgevraagd waarom ze die bobo’s krokodillen noemen. In perfecte leefomstandigheden zouden krokodillen het eeuwige leven hebben, maar perfectie is ook in Crocodilië een illusie. Ze kunnen wel behoorlijk oud worden, en een krokodil van zeven of één van zeventig is even kwiek. Afschieten is dus de boodschap, en dat is Europa nu van plan.

HANS VANDEWEGHE ■

Krokodil

Column in De Morgen van 13 juni 2014, over Ghana…

GHANA

De Morgen – 13 Jun. 2014

 

Ik citeer: …Sportjournalist Hans Vandeweghe kijkt anders naar het voetbal. Tegendraadser. Met oog voor wat u misschien niet ziet…Zo staat het op de site van deze onvolprezen krant. Tegendraads? Daar doe ik het niet om; het overkomt mij af en toe. En met dat anders kijken valt het ook wel mee. En wat u niet ziet, heb ik ook nog niet gezien.

Ik zat, toen ik dit tikte, ook gewoon te wachten op die openingswedstrijd en die heb ik bekeken op een 120 cm HD-scherm van Philips, met naast mij een iPad (second screen business model, noemen de sportmarketeers dat) én de beste gedrukte gids, alleen was ik er rond de middag nog niet uit wie nu de beste gids heeft gemaakt.

Ik ben eerlijk gezegd nog altijd toe aan de voorspellingen. U hebt de voorbije zaterdag kunnen lezen dat ik mijzelf geen grote voorspellende gaven toedicht, behalve dan als het om Afrikaanse ploegen gaat. Ik hoop van harte dat ik mij vergis en dat Ghana de halve finale haalt. Als dat gebeurt, dan beloof ik een bedevaart, per vliegmachine welteverstaan met nog wat strand er achteraan.

De World Cup is de laatste veertig jaar een onderonsje van vier West-Europese en twee Zuid-Amerikaanse landen. U zit dus redelijk safe als u gokt op Brazilië en Argentinië enerzijds en Spanje en Duitsland anderzijds. Dat is overigens niet uitzonderlijk. In het basketbal en volleybal zijn de laatste veertig jaar alle WK’s respectievelijk door vier en vijf dezelfde landen gewonnen.

In tegenstelling tot sommige andere toernooien – het EK had daar af en toe een handje van weg – is dit speelschema wel zo opgemaakt dat alle combinaties vanaf de kwartfinales mogelijk zijn.

De voorspellers waar ik naar uitkeek, zijn:

Goldmann Sachs:Brazilië

CIES:Spanje

Sporting Intelligence:Brazilië

Bet 365:Brazilië

Bsports:Brazilië

Stephen Hawking:Brazilië

Octopus Paul:is overleden.

Naar die laatste keek ik uit omdat hij op het WK in Zuid-Afrika alle wedstrijden van Duitsland goed voorspelde. Hij stierf op 26 oktober van 2010 op tweeëneenhalfjarige leeftijd. Hij kreeg zijn begraafplaats(je) in het Oberhausen Sea Life Center. Er zou nu een schildpad zijn, maar die moet zijn/haar métier nog bewijzen.

Stephen Hawking niet. Hij baseert zijn voorspelling – gedaan ten faveure van de gokindustrie – op een datamodel dat teruggaat op 1966, het jaar dat Engeland per ongeluk wereldkampioen werd. Zijn conclusie was simpel: de kansen van Engeland stijgen als het 4-3-3 speelt, om 15 uur lokale tijd, in niet te warme speelsteden voetbalt en rode shirts aantrekt. Over dat laatste heb ik het een andere keer maar dat 4-3-3 lijkt erg onwaarschijnlijk.

Sporting Intelligence combineerde de waarde van het team, de wijsheid van het volk, de salarissen en de FIFA-ranking en kwam uit bij Spanje, Argentinië en Brazilië – dat uiteindelijk toch de voorkeur krijgt. Goldmann Sachs bracht economische en ook wel wat sportieve criteria in maar ook zij komen uit bij Brazilië-Argentinië. Ze voorspelden ook de uitslagen van de wedstrijden en dat kunnen ze. In 2012 kenden ze op voorhand het aantal medailles dat Groot-Brittannië zou winnen op de Spelen.

Ik ben de grootste fan van CIES, het Zwitserse onderzoeksbureau dat economische data en sportstatistiek combineert en in een mooi model heeft gegoten. Ze zien de Rode Duivels tot de achtste finales geraken en daar uitgeschakeld worden door Duitsland, dat er vervolgens uit gaat tegen Argentinië. Brazilië-Spanje is hun finale. Zou kunnen, maar ook niet.

De conclusie van Hawking is ook de mijne: kwantumfysica is een stuk eenvoudiger dan voetbal. Wat niet wil zeggen dat ik mij in hetzelfde universum als Hawking inschaal. Maar voor de openingsmatch begint, ga ik nu eerst een stukje lopen. Dat heb ík dan weer voor op Hawking.

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2014 De Persgroep Publishing. All rights reserverd

Ghana

De Rode Furie, verhaal in De Morgen van 13 juni

Rode furie wil nog één keer vlammen

De Morgen – 13 Jun. 2014

In Baskenland maken ze zich voor het eerst in zes jaar nog eens op voor een feest. Tenminste, als de voorspellingen uitkomen en ‘het oude uitgewoonde Spanje met dat vervelende en inefficiënte tiki-taka’ géén wereldkampioen wordt. Of nog beter: als Spanje de eerste ronde niet overleeft.

Vincent Kompany, ziener en lezer van ingewikkelde boeken over politiek, beschouwde in 2011 enigmatisch: “Wij hebben een fantastische ploeg. België is misschien een verdeeld land, maar wij Rode Duivels kunnen de unificerende factor zijn, net als de nationale ploeg in Spanje dat is.”

Zo eenduidig als Kompany het voorstelt – de nationale ploeg als lijm voor een land – is het misschien niet in Spanje, en dat is het ook nooit geweest. Spanje heeft een uniek palmares sinds 2008, maar het beschikt niet over een nationaal voetbalstadion en het volkslied heeft niet eens woorden. Er is door het voetbal ook niet echt een Spaans nationaal gevoel ontstaan.

Besprongen

De dag van de WK-finale in Zuid-Afrika, de schoppartij tegen Nederland, betoogden in Barcelona één miljoen Catalanen voor onafhankelijkheid. Ze liepen achter hun nationalistische vlaggen aan en schreeuwden leuzen tegen de centrale macht van Madrid.

Het was niet duidelijk of die Catalaanse spelers in Kaapstad hebben geweten wat er in hun thuisstad aan de hand was. Het kon ze op het eerste gezicht niet veel schelen en toen de Catalaan Andrés Iniesta in de 116de minuut het enige doelpunt scoorde, werd hij besprongen door drie Castillianen, vier Catalanen, één Andalusiër en één Bask. Het hadden vier Castillianen kunnen zijn, maar Casillas bleef in zijn doel om te juichen.

Voetbalgek Spanje juichte die avond mee, met uitzondering van Baskenland, waar men ook voetbalgek is maar waar men naar aloude traditie supportert voor elk land dat tégen Spanje speelt. Vóór de Tweede Wereldoorlog bestond de Spaanse ploeg bijna uitsluitend uit Basken en nu komt alleen Xabi Alonso nog in de buurt, dat zal ook wel zijn invloed hebben op het feit dat Baskenland vanavond net als in 2010 oranje kleurt.

Dat is al bij al een toevallige meevaller, want oranje is ook de politieke kleur van de naar onafhankelijkheid smachtende deelregio. Herri Batasuna, de politieke vleugel van de afscheidingsbeweging ETA, smult alvast van de prognoses voor dit WK en heeft vuurwerk besteld om een vroege uitschakeling te vieren.

Bart De Wever kan dus op beide oren slapen: ook al wordt België straks wereldkampioen, het Belgiëgevoel dat de Rode Duivels in gang hebben gezet, zal zich niet politiek vertalen. In Spanje is de regionale vraag naar onafhankelijkheid de laatste zes jaar hand over hand toegenomen, ondanks de unieke successen.

La Roja, ‘de rooie’, zoals de Spaanse nationale ploeg wordt aangeduid, is het beste bewijs dat politiek, economie en sport een verschillende logica volgen. Toch is politieke uitsluiting, vaak hand in hand gaand met economische uitsluiting, funest voor de sportresultaten. Spanje is onder Franco al te lang een paria geweest. De generalissimo verbood in 1960 zelfs zijn nationale ploeg om naar ‘de communisten van Moskou’ te reizen om de European Nations Cup (voorloper van het EK) te voetballen. Gevolg: exit Spanje.

Het is anderzijds ook aangetoond dat een land dat het economisch goed stelt – of dat in een periode van economische groei zit – betere sportprestaties laat optekenen. De toetreding van Spanje tot de Europese Unie in 1986 heeft voor meer economische welvaart gezorgd en kort daarna verbeterden ook de sportresultaten. In álle sporten. Vier jaar geleden was het zelfs gênant en was Spanje heel even het zesde sportland van de wereld. Vandaag staan ze 26ste, maar het jaar is nog niet halfweg.

Recessie kan een oorzaak zijn van sportieve regressie, maar die logica is aan Spanje niet besteed. Uitgerekend in het jaar dat de crisis hard toesloeg in Europa en Spanje buiten proportie trof, tekende het Spaanse elftal voor de eerste grote titel: ze werden Europees kampioen in 2008.

Op het toppunt van de crisis, met werkloosheidspercentages van respectievelijk 20 en 25 procent in 2010 en 2012, won Spanje ook nog eens de wereldtitel (een primeur) en daar bovenop werden ze voor de tweede keer op rij Europees kampioen. Het zou kunnen dat hun recente terugval in de globale ranking van sportlanden een uitgesteld effect is van de aanhoudende crisis.

Zwaar weer

Het Spaanse team is zelden gerecupereerd door de politiek, maar op 1 juni 2012 probeerde eerste minister Mariano Rajoy toch voorzichtig: “Wij Spanjaarden verlangen naar wat geluk in deze complexe en zware tijden.”

Bondscoach Vicente del Bosque, zoon van een linkse vakbondsman, riposteerde onmiddellijk: “We zijn de druk gewend, we zullen onze titel verdedigen, we zijn ook wereldkampioen, maar ook als we dit toernooi winnen, zal dat de problemen in ons land niet oplossen. Spanje werd voor de tweede keer op rij Europees kampioen, maar neen, de problemen waren niet opgelost.

Del Bosque is nog steeds de bondscoach en de algemene verwachting is dat Spanje dit toernooi in zwaar weer terechtkomt. Al is de wedstrijd van vanavond tegen WK-finalist Nederland wel meteen een goeie wake-up call, de Spanjaarden zijn notoire slow starters op kampioenschappen. Op het WK 2010 verloren ze de eerste wedstrijd van Zwitserland zelfs met 0-1. Op het EK in 2012 speelden ze in de eerste confrontatie tegen Italië met 1-1 gelijk. Daarna kwamen ze de Italianen nog eens tegen in de finale, hadden het verrassend aanvallende voetbal van de Azurri geanalyseerd en wonnen met een vernederende 4-0.

Overperformers

La Roja’s track record is nog altijd opmerkelijk: sinds de eeuwwisseling winnen ze zeven van de tien wedstrijden en daar is sinds de Europese titel van 2012 weinig aan veranderd. Opmerkelijk veel van hun verlieswedstrijden lopen ze op in amicale ontmoetingen. Maar als het om de prijzen gaat, worden de Spanjaarden ineens overperformers.

Het tiki-taka van FC Barcelona mag dan tegen zijn beperkingen zijn gebotst en de norm zou nu het countervoetbal van Atlético en Real zijn, maar Spanje onder Del Bosque speelt gewoon een mix van Barcelona en Real: aanvallen als het kan, maar niet te gek doen. Bij 1-0 moet het niet zo nodig snel 2-0 worden.

Groep B met Nederland en Chili als toplanden belooft geen makkelijke klus te worden. Vervolgens wordt er gekruist tegen de eerste twee van groep A: Brazilië, Kroatië, Mexico of Kameroen. Ook niet makkelijk, maar wat is makkelijk op een World Cup? Hoe ook, als Spanje voor de tweede keer op rij wereldkampioen wordt, zou dat een unicum zijn.

En zullen ze heel wat schoon volk op hun weg zijn tegengekomen. Schoner volk dan in 2010, toen ze langs Zwitserland (verloren), Honduras en Chili moesten. Later kwamen Portugal, Paraguay, Duitsland en Nederland op hun weg. Vier keer werd het 1-0, en dat voor het hoogst pressende team ter wereld. Een tiki-taka 2.0 lijkt aangewezen om door te stoten.

HANS VANDEWEGHE

Copyright © 2014 De Persgroep Publishing. All rights reserved

De Rode Furie